donderdag, november 17, 2011

Helden



Het kan zo nu en dan geen kwaad om na te gaan of het lijstje literaire helden nog klopt. Of het pantheon moet worden uitgebreid of uitgedund. Welke heb ik ooit met veel lof en wierook binnengehaald, van wie ik later geen letter meer heb gelezen? Of wie ben ik, uit achteloosheid, luiheid of overweldigd door drukte, vergeten zijn of haar terechte plaats te geven? Dat is een gedachte die ik soms koester. Zoals nu. Het is een sombere zondagmiddag in november. Die ellendige maand met vroeg donkerende avonden en eindeloze wolkenluchten. De bladeren vallen, vreemd hè, ieder jaar weer, en daar worden sommige mensen gek van. Een enkeling springt voor de trein, dat zijn de onbescheiden overlastveroorzakers. Er zijn er ook die zich thuis verhangen. Die zijn al een stuk bescheidener. Ik word niet vrolijk van dit jaargetijde, verafschuw de donkere dagen voor kerst, word licht weemoedig van al het sterven in de natuur, maar vind het allemaal ook weer niet erg genoeg om zelf het anker te lichten met onbekende bestemming. Nee, ik zoek mijn afleiding in de kroeg en, zoals nu, in de heldenverering.


Om de stemming erin te houden heb ik een CD opgezet van de fadozangeres Sandra Marques, die ik in Lissabon een paar maal heb zien optreden met Luis Braga. Een stevige, vrolijke meid met trieste liederen. En denkend aan Lissabon komt mij J. Rentes de Carvalho in gedachten. Iemand die ik na lezing van zijn Tussenjaar in het pantheon heb bijgezet en die alleen al vanwege dat mooie dagboek (of kroniek, wat is eigenlijk het juiste woord voor de beschrijving, van dag tot dag, van een jaar uit iemands leven?) definitief mag blijven. Evenals Paul Léautaud, uiteraard, die als hoogbejaarde, bijna tandeloze griezel nog een meisje van zestien in bed wist te krijgen. Een wapenfeit dat bijna evenveel indruk maakt als zijn literair dagboek. Althans het kleine deel daarvan dat in een Nederlandse vertaling is verschenen. Keer op keer neem ik mij voor het gehele meesterwerk in het Frans te kopen, maar de moeite die het lezen mij dan zal kosten, heeft me tot nu toe weerhouden.


Frans. Ik had er een acht voor op mijn middelbare schoolexamen, maar sinds ik mij op latere leeftijd het Nieuwgrieks eigen moest maken, heeft deze taal mijn Frans danig in de verdrukking gebracht. Er zou een nieuwe Véronique voor nodig zijn om daar een ommekeer in te brengen. Véronique was een Frans meisje van naar schatting veertien jaar, une belle petite, zeg maar, dat mij op een juli-avond in het jaar 1968 tijdens een tuinfeest in het plaatsje Cuddington, in het Engelse graafschap Cheshire, op overweldigende wijze inwijdde in de kunst van het tongzoenen. Verder dan haar mond ben ik die avond, waarna ik haar nooit meer heb gezien, niet gekomen, maar ik was eens en voorgoed tot een aanhanger van het orale bekeerd. Twee jaar later, in hetzelfde graafschap Cheshire, maar nu op het schiereiland Wirral, vervolmaakte de toen vijftienjarige Wendy deze vorm van liefdeskunst door mij nog enkele handelingen te leren waar ik bij Véronique niet aan toe was gekomen en die op een andere plaats van het vrouwelijk lichaam voltrokken dienden te worden. Op zwoele zomeravonden zweeft mijn geest nog weleens hunkerend door de groene dreven van de Wirral, tussen de hagen die een ideaal decor vormden voor ons spel. Dat geeft geen pas nu ik inmiddels zestig ben en met angstwekkende snelheid op de status van vieze, oude man af koers, maar ik kan het ook niet helpen.


Gerard Reve treedt nu mijn gedachten binnen. Met waardige tred, hij moet dus nog nuchter zijn. Ook een held die niet snel zijn plaats in het pantheon bedreigd zal zien. Zolang ik geen reis onderneem zonder een Reve in de bagage zit Gerard goed, maar wel alleen, want Matroos Vos mag er niet in. In het pantheon, bedoel ik. Had ie maar niet de uitgave van deel drie van de Revebiografie van Nop Maas moeten verbieden. Een man die iets te verbergen heeft, maar wat, dat weten waarschijnlijk alleen de kabouters. Op weg naar het einde, Nader tot u en al die magistrale brievenboeken. Ik heb niets met de herenliefde, maar het revisme lijkt me ook goed op dames van toepassing. In dit verband komt me Maaike voor de geest. Een oud-leerlinge, met wie ik, lang, heel lang geleden, dus ook lang voor mijn huwelijk met Stella, een drietal jaren samenwoonde, ook al mocht dat niet van de kinderbescherming, want ze was wel leerling-af, maar aanvankelijk toch nog steeds zestien en in bittere onmin met haar vader en voogdes. Die voogdes hield kantoor tegenover het appartement dat ik toen bewoonde, in een kamer met uitzicht op mijn voordeur, maar desalniettemin heeft zij van het illegale samenwonen nooit iets gemerkt. Of ze zag een en ander door de vingers, wetende dat ik nu en dan tegemoet kwam aan Maaikes behoefte om op welhaast reviaanse wijze te worden getuchtigd tot een beter mens. Dit alles met een door haarzelf aangedragen zweepje, dat nog jaren na haar vertrek aan de kapstok heeft gehangen als symbool voor betere tijden, maar dat ooit wegraakte tijdens een verhuizing. Misschien had een van de sjouwers een betere bestemming in gedachte dan het voorportaal van mijn woning, wie zal het zeggen.


De dagboeken van Kees Buddingh' zijn van een bijna ontmoedigende braafheid. Toch lees ik ze graag. Wellicht omdat ze grotendeels in Dordrecht spelen en ik veel van de mensen die erin voorkomen al dan niet persoonlijk ken. Misschien ook vanwege de, voor een kalm man als Buddingh', redelijk hartstochtelijke manier waarop hij over literatuur, vooral Engelse literatuur, schrijft. Regelmatig gaat hij met Stientje op reis door Engeland en bij voorkeur naar die delen van het eiland waar ik zelf ook graag kom. De Yorkshire Dales zijn bij ons beiden favoriet, maar hij moet niet gaan zeuren over cricket, een spel dat ik in Engeland ook nog weleens heb gespeeld, maar waarbij ik zelden goed wakker kon blijven. Als ik Buddingh's dagboeken lees, hoor ik weer zijn markante stem en zit ik weer even bij hem en Stientje in de Bankastraat met een sigaartje aan de Tullamore's Dew. Dat waren prettige avonden. Buddingh' was in hart en nieren een gezellige thuiszitter en Stientje een uitstekend gastvrouw. Een onvertogen woord kwam er echter nooit uit, niet in zijn dagboeken en niet in de conversatie. Zelfs niet toen Han van Gorkom en ik hem de avond na de publicatie van W.F. Hermans infame aanval ophaalden om te gaan schaken met ons team van Bobby Kinghe. 'Ach, Hermans leest mijn werk kennelijk nauwkeuriger dan ik het zijne,' waarmee voorlopig de kous af was. Of hij die avond ook gewonnen heeft, zoals meestal, weet ik mij niet meer te herinneren. Toch zit Buddingh' niet in mijn pantheon vanwege zijn dagboeken, maar vooral vanwege zijn dichtbundel Het houdt op met zachtjes regenen. Waarom heb ik ooit eens beschreven in het prachtblad Ballustrada, dat binnenkort vijfentwintig jaar bestaat en daarna, we leven tenslotte in crisistijd willen de media ons laten geloven, wel zal worden opgeheven. Zo ging het ook met De Tweede Ronde. Na het jubileum de valbijl, hoewel dat blad min of meer is herrezen als Kort Verhaal. Minder aantrekkelijk dan zijn voorganger, al blijf ik het voorlopig trouw, maar wel met de onvolprezen L.H. Wiener in de redactie.


Nee, er zitten niet alleen mannen in mijn pantheon, er lopen ook enkele dames rond. Jane Austen, bijvoorbeeld en Elizabeth Speller, wat direct aantoont dat de eer ook niet uitsluitend aan de schrijvers van ego-literatuur is, al zijn zij wel verre in de meerderheid. Ik ben nu eenmaal een groot liefhebber van het genre. In 1997 stelde ik samen met John Heuzel voor het tijdschrift Kruispunt uit Brugge een speciaal nummer samen over ego-literatuur. Het is een forse uitgave geworden van 359 bladzijden waaraan een bont en internationaal gezelschap meewerkte, hoewel ik er natuurlijk wel voor zorgde dat Dordrecht niet ondervertegenwoordigd werd. Jan Eijkelboom stond erin met zijn gedicht Soms een veranda, waarvoor hij het idee zittend op mijn veranda had gekregen. Thijs Waaifoort publiceerde een aantal Indonesische brieven. Steeds als ik ze teruglees vraag ik mij af waarom hij niet in het genre is doorgegaan. Ook Ton van Dalen, Peter Marijnissen, Guus de Landtsheer, Ton Delemarre en Jan van der Geer werkten eraan mee. Mijn hooggeleerde neef Geoffrey Lord leverde een knap stuk over Jeannette Winterson en zelf zette ik er dagboekaantekeningen en een aantal Griekse fragmenten in. Ik werkte nog bij het onderwijs, zou dat nog twaalf jaren doen, en daarom werd het een gekuiste versie. Hoewel ik vind dat je in de literatuur, en zeker in de ego-literatuur, mag liegen dat het gedrukt staat, heb je altijd wel iemand die ervan overtuigd is dat alles de waarheid en alleen maar de waarheid betreft. Nu maak ik het zelden zo bont als Jan Wolkers, die in zijn dagboeken voortdurend Carina neukt 'met de kont omhoog' en zich daar tussendoor aftrekt, maar je zou er op de ouderspreekavond maar achter komen dat vader X. alle fantasieën over zijn roomblanke dochter als vaststaande feiten beschouwt. Zo'n absolute man die niet eens weet dat die roomblanke dochter geen vondst van mij is, maar van Gerard Reve.


Inmiddels is de onzichtbare zon zover onder dat ik het licht moet aandoen. Dat betekent ook de gordijnen sluiten, want al heb ik niets te verbergen, van deze vorm van inkijk moet ik weinig hebben. Buitenlanders verbazen zich vaak over het feit dat de meeste Nederlanders 's avonds de gordijnen open houden. Er is zelfs ooit een geleerde studie aan gewijd, meen ik, maar ik kijk niet graag in het zwarte gat dat buiten heet, ook al heb ik aan de overzijde een straatlantaren, zodat het met dat zwarte nog wel meevalt. Dus lichten aan en gordijnen dicht. En vooral: de gordijnen dicht is niet voor niets de titel van mijn eerste kroniek, die met ingang van deel drie, waaraan met voorzichtige voortvarendheid wordt gewerkt, literair dagboek gaat heten. Ik loop naar de keuken om koffie te zetten, want het is wel bijna stikdonker, maar nog te vroeg om naar de kroeg te gaan. Terwijl ik toekijk hoe de pot onder licht gepruttel volloopt, denk ik nog eens na over dat pantheon, die virtuele Parnassos in mijn kop. Dickens, uiteraard, Hans Warren (die nadrukkelijk vanwege zijn dagboeken), Thomas Hardy, J.J. Voskuil, L.H. Wiener... het wordt langzamerhand dringen, tenslotte moet ik er zelf ook nog bij, al zal dat altijd wel op het krukje bij de deur blijven.

0 reacties: