
Een tijd lang stond het wrak van een oude Lincoln Continental in de Transvaalstraat. Een type dat ik jaren niet meer in Dordrecht had gezien. Zo eentje waar wijlen Joop Wilhelmus in betere tijden in reed, nadat hij van boegbeeld van de Dordtse provo-beweging was uitgegroeid tot baas van een pornografisch media-imperium. Hij, de auto, deed mij denken aan mijn oom Daan uit Rotterdam, de jongste broer van mijn opa en lievelingsoom van mijn moeder. Oom Daan reed in de jaren vijftig ook in zo'n Amerikaanse slee, een Chrysler 300C, waarvan ik als klein ventje diep onder de indruk was. Er was meer rond oom Daan waarvan ik onder de indruk was. Zoals het café dat hij uitbaatte op de Heyplaat, tegenover de Rotterdamsche Droogdok Maatschappij. Onder dat café was een kegelbaan, waarop je aan een soort bowling avant-la-lettre kon doen. Met een grote, zware bal met één gat erin in plaats van drie. Behalve die kegelbaan bezat het etablissement een levende bezienswaardigheid in de figuur van Toon, een klerenkast van twee meter lang en weinig minder breed. Hoewel hij goedlachs was, was ik een beetje bang van Toon, nadat mijn vader mij had verteld dat hij er werkte vanwege de Noren. Ik had nog nooit Noren gezien, maar de mare ging dat het verschrikkelijke woestelingen waren die, eenmaal afgemeerd in de haven, op niets anders belust waren dan drank en het vernielen van oom Daans café. Toon was de enige voor wie de Noren bang waren. Hij sloeg ze bij het minste of geringste met de koppen tegen elkaar, zei mijn vader, of hij mepte ze dwars door de deur even hard naar buiten als ze binnen waren gekomen.
Noren heb ik in het café nooit gezien, maar wij bezochten oom Daan en tante Truus dan ook uitsluitend overdag. Graag keek ik toe in de kegelbaan als oom Daan, mijn opa en mijn vader zich daar aan het vermaken waren. Ik vond dat mooi, zoals die eerst zorgvuldig in het gelid gezette kegels met woest geweld werden omgesmeten. Ik hield als kind wel van een beetje onschuldige vernielzucht. De boel kapot maken was spannend. Als ik met mijn ongeveer even oude neefjes in de zandbak speelde, genoot ik ervan om iemands zorgvuldig opgebouwde kasteel flink in elkaar te schoppen. Dat daarop hetzelfde met dat van mij gebeurde was minder, maar dat had je ervoor over. Een tante in de buurt had een met klimop begroeide veranda. Met groot genoegen sloopte ik op een middag de begroeiing met behulp van een hark, waarmee je alles zo fijn kon lostrekken. Bij diezelfde tante heb ik eens samen met een vriendje geprobeerd vanuit de tuinschuur een onderaardse gang naar het achtergelegen terrein van de melkfabriek te graven. Zwaar werk voor een achtjarige om die tegelvloer te slopen. Erg ver kwamen we niet. Het was al snel etenstijd, we moesten naar huis, en bij een volgend bezoek zat de schuur stevig op slot. Dat slopen en vernielen is er langzamerhand uit gegroeid. Misschien ook wel door de strenge handen van de meesters Wedemeijer en de Kramer op de lagere school. Bij sommige jongens gaat het veel later over. Die eindigen als voetbalhooligan of bushokjessloper.
Oom Daan was niet echt het type voor zo'n opzichtige auto. Een aardige, bescheiden man die het praktische werk in het café grotendeels aan Toon overliet en liever gezellig achter een oude jenever en met een sigaar verhalen vertelde uit de tijd die hij, net als zijn broer, op de grote vaart had doorgebracht. De verklaring voor die auto, ongetwijfeld een vierde of vijfde hands, heb ik later eens van mijn moeder gehoord. Kennelijk was hij ooit bij een aanrijding betrokken, waarna zijn credo was: hoe groter de bak, hoe veiliger. Als wij op bezoek kwamen op de Heyplaat stond oom Daan met zijn slee bij station Zuid op ons te wachten. Met bijpassende sigaar. Roken in de auto was toen, evenals in de trein, heel normaal. Net als op school. Ik herinner mij niet dat mijn onderwijzers op de lagere school rookten, maar op de M.U.L.O. waren de sigaren, sigaretten en pijpen niet van de lucht. Onze wiskundeleraar, die wij vanwege zijn haar 'de vuurtoren' noemden, rookte een pijp met een uitzonderlijk grote kop aan een uitzonderlijk lange steel. Die pijp was altijd enkele tellen eerder in het lokaal dan de man zelf. Veel wiskunde heb ik niet van hem geleerd, uitleggen kon hij niet, en toen ik zelf pijp ging roken (ik was vijftien toen ik heimelijk mijn eerste, van mijn vader gepikte, pijp opstak), moest het per definitie een kromme zijn. Tot op de dag van vandaag. De leraar Engels, een mannetje met een rood drankhoofd, op zijn vijfendertigste al stokoud, rookte sigaren. Hij stak de ene met de andere aan. Dat deed ook de onderdirecteur van wie we Nederlands hadden, maar dan met sigaretten. De Franse leraar, bijgenaamd Siem de Zeikerd, kon geen orde houden en vergat onder het machteloos brullen en tieren voortdurend aan zijn sigaar te trekken, die als een dood element in zijn mondhoek hing. Soms, als hij weer eens met kracht 'eruit, akelig jong!' riep, vloog de stomp met je mee de gang in.
Wie voor de klas nooit rookte was 'Toon de Schildpad,' een triest type dat jaren later werd opgepakt voor het frunniken aan kleine jongetjes. Hij reed in een eend. Die hebben we, eenmaal in de eindexamenklas, nog eens met een paar man opgepakt en zo tussen de bomen geparkeerd dat Toon, die even slecht reed als lesgaf, de conciërge erbij moest halen om het ding weer naar de rijweg te manoeuvreren. Het hoeft geen betoog dat het de leerlingen in de vroege jaren zestig, net voor de periode van vrijheid, blijheid en de seksuele revolutie, allemaal leuke dingen die alweer vakkundig om zeep zijn geholpen, streng verboden werd om op het schoolplein en zelfs in de buurt van de school te roken. Dat deden we dus stiekem in het fietsenhok of achter een van de grote bomen voor de school. Als je werd betrapt moest je op de vrije woensdagmiddag terugkomen om de zolder van het gebouw op te ruimen. De ene week werden alle oude tafels, schoolplaten, toneelrekwisieten en wat er nog meer aan troep stond, van de ene kant naar de andere gedragen, de week daarop ging het weer naar de overkant. Dat alles onder het toeziend oog van een flink doorpaffende conciërge. Nee, dat roken dienden wij, ondanks het goede voorbeeld van de leraren, beslist te laten. Daarom waren mijn maatjes Gerrit de Wolf en Han van Gorkom en ik prettig verrast toen er een nieuwe leraar kwam met vooruitstrevende ideeën. Hij gaf tekenen, boekhouden en handelsrekenen. Toen hij de leiding van de schoolkrant overnam, traden wij al snel toe tot de redactie. Vergaderen deden we in het tekenlokaal, waar wij zomaar een sigaret van hem kregen aangeboden. Bij de tekenlessen verdwenen de slaapverwekkende cartonnen voorbeelden met papegaaien en polderlandschapjes, die wij nauwgezet op schaal dienden te kopiëren. Er werd voortaan een beroep gedaan op onze creativiteit en al bracht ik er beeldend weinig van terecht, een verademing was het wel. Die leraar heeft het later tot hoogleraar economie gebracht en dat is bij wijze van uitzondering een terechte loop van de geschiedenis.
Eenmaal zelf onderwijzer in Hendrik-Ido-Ambacht, rookte ik er, samen met het hoofd der school en de collega van de vijfde, lustig op los. Meestal pijp, maar ook wel sigaren. In mijn lokaal hield ik bovendien enkele cavia's en een konijn, terwijl de bonenplanten hoog tegen de ramen groeiden. Dat was in 1974 geen probleem, niet voor de huisarts in de wijk wiens tweeling ik in de klas had en evenmin voor de inspecteur. Ik herinner mij een ochtend dat het hoofd, die lesgaf aan de hoogste klas, in het lokaal naast het mijne, even naar het gemeentehuis moest. Hij gaf mij opdracht om op zijn klas te letten, die braaf zat te rekenen. Daartoe ging ik in deuropening tussen de lokalen staan, waar ik rustig een pijp rookte. De ene keer een wolkje richting derde klas, de andere keer richting zesde. Er werd geklopt en er trad een heer in donker pak met vest binnen. Hij vroeg naar het hoofd. 'Die is even naar het gemeentehuis, ik verwacht hem ieder ogenblik terug.' 'Dan ga ik even bij u achter in de klas zitten,' sprak de man, 'mijn naam is Groeneveld, ik ben de inspecteur.' Toch wat onzeker geworden, blies ik de volgende wolkjes steeds richting zesde, maar al snel tastte meneer Groeneveld in zijn zak, haalde een lederen koker tevoorschijn waaruit een sigaar kwam en stak op. Als ik het verhaal veel later aan mijn atheneum- of gymnasiumleerlingen vertelde, kregen sommigen alleen bij de gedachte al een hoestbui.
Ergens in de jaren '80 is er een omslag gekomen. Min of meer vanzelf hielden we op met roken in de klas en werd er opgestoken op de gang, als de leerlingen van lokaal wisselden. Nog later deden we het alleen nog maar in de docentenkamer en toen ook op onze school de anti-rooklobby voet aan de grond kreeg, onder leiding van een fanatieke gymnastiekdocent die het niet kon verkroppen dat hij thuis zijn vrouw niet van de sigaret af kreeg, werden we verbannen naar een rookhok. Daar was het overigens zo gezellig, dat veel niet-rokende collega's in de pauzes vrijwillig aanschoven. Inmiddels mag er in cafés als dat van oom Daan ook niet meer worden gerookt. Ik ben er altijd tuk op als daarmee de hand wordt gelicht. Ik verblijf regelmatig in mijn Griekse schrijfhuis. In dat zonnige land is de handhaving van het rookverbod voor de vierde keer finaal mislukt. Inmiddels heeft de Griekse overheid andere zorgen en leven de Grieken, ondanks hun roken en hun beestachtige autorijden, gemiddeld het langst van alle Europeanen.
Onlangs zag ik dat de Lincoln Continental is verdwenen. Weggesleept door het parkeerbeheer, of opgekocht door een Havanna's rokende yup, die er aardigheid in heeft hem een nieuw leven te bezorgen, wie zal het zeggen?
©C.A. Klok, Dordrecht

0 reacties:
Een reactie plaatsen