dinsdag, september 30, 2014

Brieven aan Stella (18)




Lieve Stella,

We hebben weer enkele dagen onwaarschijnlijk mooi weer achter de rug. Het gevolg daarvan is, dat ik achter ben met allerlei noodzakelijke werkzaamheden, omdat ik dan liever door de stad wandel en graag op een terras zit. Bij voorkeur op dat van Visser, waar ik als stamgast altijd een praatje heb. Vandaag is het bewolkt. Een dag om te werken. Eigenlijk moet ik fluks de tuin in, maar zo hard groeit het struweel niet meer, dus ik wacht nog even af tot de tijd van het grote winterklaar maken is aangebroken. Ik heb zojuist een inleiding over persoon en werk van Susan Wicks geschreven, voor de Poëziekrant, waarin in het voorjaar zes vertalingen verschijnen uit haar bundel Night Toad. Ze hoort, net als John Burnside en Moniza Alvi tot de New Generation Poets. Ik werd door Moniza op Susan attent gemaakt. Ze schrijft poëzie die mij goed ligt, anders zou ik die uiteraard niet vertalen. Ik begin niet aan werk waarmee ik te weinig affectie heb. 

Ik herinner mij het Elzenveldfestival van 2003, die zonovergoten dagen in Antwerpen, waaraan ik als vertaler van Moniza meewerkte. Voor jou was het leuk om met haar kennis te maken, omdat je bezig was een aantal van haar gedichten in het Grieks te vertalen voor het blad Entefktirio. Alle deelnemers logeerden in het voormalige klooster Elzenveld, waar onze kamer bijna even groot was als de hele benedenverdieping van ons huis. Het was een prachtig festival, er werden zelfs nog een paar exemplaren van Het land aan mijn schouder, mijn bundel vertalingen van Moniza, verkocht. Het festival heeft nog een paar jaar bestaan, maar op een gegeven ogenblik hoorde ik er niet meer van. Vorig jaar zag ik organisator Gerd Seghers bij Poetry International. Het Elzenveld heeft nieuwe eigenaren, begreep ik, die het meer zochten in de commercie, zoals hij zei.

Misschien dat de komende publicatie mij een beetje motiveert om weer poëzie te gaan vertalen. Ik vind het geweldig leuk en eigenlijk ook wel spannend werk, maar om de een of andere reden kan ik mij er al een hele tijd niet meer toe zetten. Misschien komt het omdat ik mij op het ogenblik veel met proza en weer met geschiedenis bezighoud. Niet zozeer de Griekse geschiedenis, maar de lokale. Ik kreeg van Erik Rovers, een oud-leerling, de scriptie toegestuurd waarmee hij aan de Leidse universiteit is afgestudeerd. Die gaat over de Scheepvaart-enquete van 1873 en maritiem Dordrecht. Daardoor ben ik in de Dordtse geschiedenis van de negentiende eeuw gedoken, die mij bijzonder boeit en je kunt nu eenmaal niet van alles tegelijk doen. Ik ben al veel te veel versnipperd bezig. Neemt niet weg dat ik graag meer van Susan Wicks zou willen vertalen en ook wel weer eens wat gedichten van Moniza Alvi. Van vertalen uit het Grieks zal het wel nooit meer komen. Samen hebben we mooie vertalingen gemaakt, maar zonder jou begin ik er niet aan, daarvoor is mijn kennis van het Grieks niet gedetailleerd genoeg en er zijn zoveel betere vertalers dan ik.

Ik loop dan wel achter op mijn programma, maar ik heb mij toch getrakteerd op een film in The Movies, de mooie bioscoop die ruim een jaar geleden is geopend. Ik heb mijn hele leven al de gezonde eigenschap om in drukke perioden alles onbekommerd opzij te schuiven en een boek te pakken, naar de film of het theater te gaan, of aan de waterkant te mijmeren. Ik heb Dorsvloer vol confetti gezien, gebaseerd op het gelijknamige boek van Franca Treur. Dat boek, dat speelt in bevindelijke kringen in Zeeland, heb ik met veel genoegen gelezen. Dan neem je een risico door de film te gaan zien. Die kan zwaar tegenvallen en de film op je netvlies, die je al lezend hebt gemaakt, behoorlijk beschadigen. Dat was hier niet het geval. Ik vond hem goed. Vooral de hoofdrolspeelster (Hendrikje Nieuwerf) stal mijn hart. Ik ben niet opgegroeid in reformatorische sferen, maar geestelijk gewassen op een dieet van zes jaar vrijzinnig protestantse zondagsschool, waar wij een tijdlang een juffrouw met een horrelvoet hadden, en een jaar of drie remonstrantse catechisatie, zodat het ondanks mijn afkeer van religie met mijn kennis van de tien geboden wel goed zit. Ik bedoel, ik kan niet helemaal beoordelen of de film die sferen goed neerzet, maar ik denk van wel. Ik las op Franca's Facebookpagina dat zij er ook tamelijk tevreden over was.

Ik moest tijdens de bioscoopreclame denken aan de films die wij samen in Griekenland zagen. Vaak in een van de openluchtbioscopen, als het weer het toeliet en dat deed het in de zomer vrijwel altijd. Heerlijk om op zo'n zwoele avond buiten een film te zien. Drankje erbij, een sigaartje of een pijp. En dan later met jou thuis op het balkon nog wat nagenieten. Op een avond wachtten we op de bus naar Ano Toumba. Er stopten twee busjes met Nederlandse nummerplaten. Ze waren afgeladen met mensen en spullen. Een man sprak ons in zeer gebroken Engels aan. 'Spreekt u maar Nederlands hoor,' zei ik. Het bleken twee Turkse families uit Alblasserdam, bijna buren dus, die van de periferiako, de rondweg, waren geraakt. We wezen hen de weg terug. 'Op de rondweg moet je de borden 'Athene' volgen en daarna nog een aantal kilometers, tot je een afslag 'Evzoni' ziet. Daarna volg je die.' We zeiden ook nog dat het handig is te weten dat de Grieken nog altijd 'Joegoslavië' op de richtingborden hebben staan. Ik weet eigenlijk niet of dat nog steeds zo is. Ik rijd erg weinig auto in Griekenland en ik heb er niet op gelet, maar het verhaal speelt natuurlijk dik twaalf jaar geleden.

In een Twents dorp is bij een evenement met een monsterachtige truc een aantal mensen geplet. Een akelig ongeval met doden en gewonden, maar waarom dat een dag lang, wat heet, dagenlang moet worden uitgemolken door de media, ontgaat mij. Zoals het mij ook ontgaat waarom iemand die enigszins bij zinnen is bij zo'n evenement wil gaan kijken. Het is natuurlijk het spel van de kijk- en luistercijfers, de oplagecijfers en de aangeboren sensatiezucht van de mens. Aan de ene kant de breiende en beppende vrouwtjes rondom de guillotine en aan de andere de bankrekening. Ik heb ook menigmaal meegedaan aan het voeden van de waan van de dag, als ik weer eens een snelle 'update' over de toestanden in Griekenland de ether instuurde. Griekenland is een beetje uit de belangstelling, zodat half Nederland gelooft dat het daar alweer geweldig goed gaat, daarom word ik minder gebeld. Maar ik houd het ook een beetje af tegenwoordig. Ik wil best ergens commentaar op geven als ik dat kan doen als historicus, vanuit de historische achtergrond dus, maar al die vragen over de stand van de economie en over uit vuilnisbakken etende daklozen, houd ik voor gezien.

Weet je nog dat ik in 1992 of '93 een keer werd uitgenodigd bij ERT 3 radio, om in de uitzending een toelichting te geven op de ruzie tussen Athene en Skopje over de naam 'Macedonië'? Ik sprak nog maar heel gebrekkig Grieks. Er moet een opname van zijn, ergens tussen de cassettebandjes, maar er zijn dingen die ik nooit meer wil terughoren. Nu zou mijn Grieks wel toereikend zijn, grotendeels dankzij jou, maar inmiddels ben ik zo allergisch geworden voor nationalisten, dat ik er niet meer aan zou beginnen.

In gedachten, altijd,

Kees



Foto: archief auteur


zondag, september 28, 2014

Feest




Verderop is het feest. Eerst allemaal toeterende auto's, nu trommels en een soort bombardon. Een Turkse bruiloft. De zon schijnt, het is vrijwel windstil. Op deze septemberdag is het weer even zomer. Ik wens het bruidspaar veel zon en feesten toe, er is al genoeg ellende, als je de krant moet geloven.

Iemand uit de straat klaagt, omdat het zondag is, maar als op zondag de winkels open mogen, mag er ook gefeest worden. Misschien was de bruiloft te Kana ook wel op zondag. Water in wijn veranderen, het is een van mijn liefhebberijen. Ik denk aan onze eigen bruiloft. Een bloedhete avond in Thessaloniki. Onze auto's toeterend door het stikdrukke centrum. Wij in de mercedes van neef Haris. Het feest was op de berg, boven de stad, bij het woud van Seïch-Sou. Het was er koeler, maar toch dreef ik in mijn trouwpak, dat ik dapper aanhield.

Er werd veel gedanst. Mijn moeder, zesenzeventig, deed volop mee. Ze was in haar jeugd danslerares. Mijn vader, twintig woorden Nieuwgrieks van de volksuniversiteit en mijn schoonvader, twintig woorden Frans van zijn school in Trapezounda, toen de sultan nog heerste, waren de hele avond druk met elkaar in gesprek. Het einde van het feest herinner ik mij niet. De warmte of de ouzo. Ik weet nog wel dat de mercedes ons thuisbracht.

©Kees Klok



vrijdag, september 26, 2014

Brieven aan Stella (17)




Lieve Stella,

De herfst is aangebroken. Toen ik gisteren naar huis fietste, na de bijeenkomst van de Dordtse Dichterskring, bij Josse Kok, was het ijzig koud. Minder dan tien graden, schat ik. De laatste zwaluwen zijn vertrokken. Een veeg teken. We betreden het seizoen voor dat van de dood. Gisteren begon het weer al te veranderen, maar daarvoor hebben we ons gekoesterd in een mooie nazomer. We hielden er krampachtig aan vast, nog even wegkijkend van het onvermijdelijke. Ik houd van de kleurenrijkdom van de herfst, maar al dat sterven in de natuur, daar word ik weemoedig van. Vooral nu de 26e weer nadert, die fatale zondagmorgen, zeven jaar geleden, dat ik je naar het ziekenhuis reed en een paar uur later de verschrikkelijke diagnose volgde. Je werd op een 26e geboren, op een 26e werd de dodelijke ziekte ontdekt en op een 26e ben je overleden. 26 December.... daarna heb ik kerstmis nooit meer met een hoofdletter willen schrijven, al is dat nuchter beschouwd romantische onzin.

Een paar dagen geleden kondigde zich een gedicht aan over de herfst. Op de vorige Dichterskring kregen wij een aantal foto's van het polderland bij Alblasserdam, genomen in verschillende seizoenen, met het verzoek van de fotograaf daar gedichten bij te schrijven. Hij wil er enkele gebruiken voor een kalender. Je weet dat ik niet graag met een thema werk, als het om poëzie gaat. Ik heb er eigenlijk een hekel aan, reden dat ik mij zelden houd aan het thema van de kring en ook bijna nooit reageer op verzoeken om iets over dit of dat te dichten. Gedichten kondigen zich aan als ik een tijd met iets in gedachten rondloop, bewust of onbewust, soms zijn het zelfs reacties op iets wat heel lang geleden indruk op mij heeft gemaakt. Het is ook een reden om categorisch 'nee' te roepen als iemand mij weer naar voren wil schuiven als stadsdichter van Dordrecht. Die positie is officieel nog steeds vacant, maar er wordt weinig haast gemaakt met het invullen door de gemeente. De Dichterskring heeft, zoals ik al eerder schreef, Peter M. van der Linden voorgedragen en vanaf nu beschouwen wij hem als de stadsdichter van Dordrecht. Hebben we de BOGA's (Boven Ons Gestelde Autoriteiten) niet voor nodig, maar dit terzijde. Nu was ik wel bezig met de naderende herfst, bezig met het mentaal rekken van de zomer, waarvan ik eigenlijk nooit afscheid wil nemen, en zodoende kwam dat gedicht er dit keer wel.

Van uitgever Henk Verweerd en zijn vrouw kreeg ik vorige week een verlaat, maar schitterend verjaardagscadeau: jouw bundels, de Nederlandse en de Griekse, in keerdruk in een cassette, op handgeschept papier en handgebonden. Het is werkelijk adembenemend mooi, een cadeau dat mij zeer ontroert. Ik zou het graag aan de Griekse familie laten zien, maar het is te zwaar om in de handbagage mee te nemen en in de ruimbagage, dat riskeer ik niet. De Grieken moeten maar naar Nederland komen. Ik ben nog op zoek naar een ereplaats in de boekenkast, bij de afdeling meest geliefde boeken. Er zal het een en ander moeten worden verplaatst, waardoor ik weer op het feit word gedrukt dat ik mijn boekenbezit hoognodig kritisch moet gaan bekijken, maar boeken wegdoen is mij vrijwel onmogelijk. Er zijn er veel die ik hoogstwaarschijnlijk nooit zal herlezen, maar toch zijn ze in die kasten door alle jaren heen goede vrienden geworden, waarvan ik niet graag afscheid neem.

Henk bracht ook een exemplaar mee van Het Engeland van C. Buddingh', samengesteld door Wim Huijser, ik denk het enige boek met werk van Kees dat ik nog niet had. Ik ken natuurlijk de Engelse fragmenten uit zijn dagboeken, maar het is, om in de terminologie te blijven, 'heel genoeglijk,' om die stukken weer eens te herlezen. Ik krijg er veel zin door om weer eens een reis naar de Britse eilanden te ondernemen. Met de boot naar Harwich en dan binnendoor via zuid en west Engeland naar Wales en de plaatsen uit mijn jeugd in Lancashire en Cheshire. Daarna natuurlijk naar het noorden, de Lakes en Schotland in. Daarvoor zou ik een auto moeten huren. Dat is op zich geen probleem, maar ik wil zo'n reis niet alleen ondernemen. Jij en, voor ik jou leerde kennen, Lupius waren mijn reismaatjes, maar jullie zijn er niet meer. Ik kan wel met een bevriend echtpaar, maar ik wil geen derde wiel aan de wagen zijn. Twee jaar geleden dacht ik aan een wandelvakantie in Dorset, want ik wil graag 'Thomas Hardy country' zelf eens zien. Ik speurde wat rond over het internet en vond een of twee organisaties die wandelvakanties aanboden. De tochten waren best te doen, maar van de accomodaties schrok ik. Ik deel sowieso nooit een kamer met iemand, daarvoor is mijn privacy mij te lief, maar het leek mij ook allemaal vrij primitief. Ik ben het stadium van jeugdherberg of kampeerterrein al heel lang geleden ontgroeid. We kunnen in de vriendenkring nog steeds lachen om de kampeerpartij bij farmer Jones in Llangollen, met die beestjes in het kraanwater, en die geïmpregneerde tent, die zo stonk dat we er uiteindelijk alleen maar het bier in bewaarden en op een kluitje bij elkaar kropen in de andere tent, maar dat nog eens overdoen? Ik moet er niet aan denken.

Zondag had ik een bijzondere ervaring. Herbert en Elly hadden mij en een groot aantal andere vrienden uitgenodigd voor een diner, nog vanwege hun trouwen, anderhalf jaar geleden, vanwege het gereedkomen van de verbouwing van hun huis en omdat Herbert binnenkort vijfenzestig wordt. Dat betekent dat wij al bijna vijftig jaar bevriend zijn. Het was in een hotel bij Amsterdam, een toren van glas en staal. Op de achttiende verdieping. Het was buitengewoon gezellig, de drank vloeide ruimschoots, het eten was lekker en het uitzicht geweldig, maar ik besefte toch dat ik geen mens voor grote hoogte ben. Ik vind de derde verdieping waarop het Schrijfhuis ligt eigenlijk al te hoog, maar goed, daar ben ik min of meer aan gewend, al zou ik het niet in mijn hoofd halen op het balkon op het keukentrapje te gaan staan om de buitenlamp te verwisselen. Achttien hoog.... ik ben maar zover mogelijk weggebleven van de ramen, ook al zijn die zo stevig dat er geen olifant doorheen kan lopen. Toch vreemd dat ik in een vliegtuig probleemloos bij het raam kan zitten. Ik heb het wel niet op vliegen en reis veel liever met trein en boot, maar dat heeft weinig te maken met de hoogte. Meer met alle controles en gedoe op de vliegvelden, waarvan ik de noodzaak wel inzie, maar waaraan ik mij toch steeds erger. Vooral als zo'n simpele geest van de beveiliging weer eens niet begrijpt dat mijn aansteker iets anders van vorm is dan gebruikelijk, omdat het nu eenmaal een pijpaansteker is. 

In de Maarten stond een e-mail die Maarten van Rossem aan Obama had gestuurd met een klacht over de onbeschofte behandeling door immigration officers op Amerikaanse vliegvelden, vooral op JFK-Airport. Toen ik naar Amerika vloog, naar later bleek om jou te ontmoeten, was de angst voor terroristen nog lang niet zo erg als nu, maar ik herinner mij die weinig hartelijke ontvangst op dat vliegveld nog wel. Een onbeschofte dikzak die almaar in een soort telefoonboek zat te bladeren en met de minuut chagrijniger werd dat hij mijn naam niet kon vinden. Uiteindelijk mocht ik door. Het was wel een contrast met de gastvrijheid die wij daarna overal ervoeren. Die bestaat nog, hoor ik van oud-leerlingen die mee hebben gedaan met de uitwisseling met een school in Californië, maar toch hoef ik niet meer naar de VS toe, ik neem de boot naar Engeland wel.

In gedachten, altijd,

Kees

Foto: auteur


maandag, september 22, 2014

Brieven aan Stella (16)




Lieve Stella,

Een van de mooiste tochten die wij door Griekenland maakten, was eind jaren tachtig, toen jij de Yugo 45 nog had, die Joegoslavische Fiat. Verdwenen automerk uit een eveneens verdwenen land. We reden vanuit Thessaloniki door de bergen naar het westen, via Metsovo naar Ioannina en vandaar naar het noorden, deels langs de grens met Albanië, dat toen nog stevig op slot zat onder een communistische dictatuur. Vanaf Kastoria ging het zuidoostwaarts, via Edessa weer naar Thessaloniki. De Prespameren hebben we daardoor gemist, die zouden we voor later bewaren. Vaak nog spelen herinneringen aan die reis door mijn hoofd. Herinneringen die stevig zijn gekleurd door de tijd. Dat bleek wel toen ik in 2009 een aantal plaatsen die we samen bezochten terugzag.

Toen we in Ioannina waren, besloten we te overnachten op het eilandje in het bergmeer waaraan de stad ligt. Daar hebben de Turken ooit Ali Pasja een kopje kleiner gemaakt. Die had rond 1800 vanuit Albanië zijn macht uitgebreid over een flink deel van Noord-Griekenland. Zolang hij de sultan in Constantinopel maar niet schoffeerde en concurrerende warlords er onder hield, liet deze hem begaan, maar toen hij een eigen buitenlandse politiek ging voeren en zich in verbinding stelde met Napoleon, werd in 1822 korte metten met hem gemaakt. Tijdens een reis over de Balkan heeft Lord Byron ook een bezoek gebracht aan Ali Pasja. Later reisde Tessa de Loo Byron na. Ze schreef daarover het boek Een varken in het paleis, dat ik met veel plezier heb gelezen.

Op dat eilandje werden we 's morgens gewekt door de hanen en kippen, waarna we ontbeten in de bloemenzee die de binnenplaats van het huis waar jij voor ons onderdak had gevonden omspoelde. Toen ik er twintig jaar later weer was, kwam het mij minder landelijk voor dan toen. Meer een stadswijkje, met nauwe straten en witte huisjes, zo'n beetje als Skyros-stad. Alleen word je daar door de eilanders niet bijna letterlijk de toeristenwinkeltjes ingetrokken. Ik herinner mij de avond dat wij aten in een rustig restaurantje en de verstilde sfeer in het gehucht. Nu was ik er alleen overdag. Of die sfeer 's avonds nog altijd aanwezig is, weet ik niet. Ik schaam mij nog steeds voor de ruzie die ik met je maakte voor we overvoeren. Ik wilde alle bagage meenemen, het piepkleine bootje in, uit angst voor dieven. Jij wilde alleen een tas met het allernoodzakelijkste. 'Hier wordt niet uit auto's gestolen,' zei je. Uiteindelijk kreeg jij je zin. Je had gelijk. Toen kon je in plaatsen als Ioannina rustig je spullen in een auto achterlaten, zelfs in de Yugo, die met een paperclip was te openen. Een jaar of tien later al lieten we dat wel uit ons hoofd. Op het gebied van roof, moord en doodslag is Griekenland hard op weg een modern land te worden, al is de echte massamoordenaar nog steeds de automobiel, door het verschrikkelijke rijgedrag van jouw landgenoten.

De meest romantische plek waar wij logeerden was misschien wel Mikro Papingo, in wat jullie de Zagorochoria noemen. Een reeks schilderachtige dorpen in het woeste hooggebergte, waar in 1949 de laatste gevechten van de burgeroorlog plaatsvonden. Het gebied waar de film Eleni is opgenomen, meen ik. Vanuit Mikro Papingo maakte we een prachtige, zij het nogal vermoeiende, bergwandeling. Veel bloemen, akelig geblaf van herdershonden, gelukkig op gepaste afstand, maar geen beren of wolven, die in de streek voorkomen. Gelukkig maar. Ik geloof niet dat je als mens veel van wolven hebt te vrezen, behalve in sprookjes, maar zo'n beer was ik toch niet graag tegengekomen.

Onderweg naar Mikro Papingo vulden we flessen met het ijskoude water van de Voidomatis. Bij zo'n karakteristieke, stenen boogbrug die nog uit de middeleeuwen stamde. Als laaglandbewoner dacht ik bij verhalen over kristalheldere bergrivieren met ijskoud water altijd 'het zal wel,' maar hier kon je je werkelijk in de rivier spiegelen, zoals Narcissus. In Mikro Papingo ben ik in 2009 niet terug geweest, maar wel in Vitsi. Om de Vikoskloof te zien. De Griekse versie van de Grand Canyon. Herinner jij je dat we daar een grindweg inreden, een bord over het hoofd zagen en ineens oog in oog stonden met een tank? De bemanning was bijna net zo verbaasd als wij. De vijand kwam vandaag in een klein, wit autootje. We zijn snel gedraaid en lieten de soldaten hoofdschuddend achter. Gelukkig zat die domme Hollander achter het stuur, die niet eens Griekse waarschuwingsborden kon lezen. Tot overmaat van ramp vonden we in Vitsi geen benzinepomp. De tank was bijna leeg, maar we moesten het grootste deel van de weg naar het volgende grote dorp bergafwaarts, waardoor wij zonder veel benzine te gebruiken, met nog een paar druppels over, bij een benzinadiko kwamen.

In Kastoria hadden we weer een akkefietje. We stonden voor een rood licht in een hellende straat, toen de handrem brak. Hellingtrekken was er niet meer bij. Om bij het wegrijden niet achteruit te schieten tegen de achter ons wachtende auto, moest we de hele rij achter ons vragen achteruit te gaan. Het was een hele toestand voordat al die ongeduldige, hevig claxonnerende chauffeurs door hadden wat de bedoeling was, maar het is tenslotte gelukt. Daarna wees een behulpzame voorbijganger ons de weg naar de dichtstbijzijnde garage.

In Kastoria logeerden wij in hotel Xenia. De Xenia's waren toen nog van de staat en stonden bekend als eersteklas hotels. We hebben het geweten. Het sanitair was schoon, anders was je er nooit ingetrokken, maar het meubilair bleek deerlijk in verval. In het restaurant konden wij niet eten, we moesten zelf maar iets zoeken op de platia, het ontbijt waarvoor we hadden betaald, was in geen velden of wegen te bekennen en het personeel was humeurig en onverschillig. Dat waren wij niet gewend in het doorgaans gastvrije Griekenland. Toen bleek dat er geen ontbijt was, werd jij furieus. Tenslotte kwam een mannetje excuses aanbieden, zij het niet van harte, en werd het ontbijt van de rekening gehaald. Ambtenaren die een hotel bestieren, het was even heel erg Oostblok.

In Edessa, waar wij op de laatste dag bij de waterval een tussenstop maakten, zijn we regelmatig terug geweest. Na de herdenking, veertig dagen na jouw overlijden, was ik er met de vrienden uit Nederland, Vlaanderen en Duitsland. Bij de waterval keken wij uit over de vlakte met zijn fruitboomgaarden. Een liefelijk uitzicht dat jij nooit meer zou zien. In het geruis van de waterval denk ik altijd jouw stem te horen, iedere keer weer als ik er kom.

In gedachten, altijd,

Kees



Foto: auteur


donderdag, september 18, 2014

Brieven aan Stella (15)


                        Jan Barel - Joy Divison


Lieve Stella,

Van tijd tot tijd verschijnen er lijstjes van favoriete boeken op Facebook. Nu is er ook weer zoiets gaande. Iemand zet tien favoriete boeken onder elkaar en nodigt een ander uit om dat ook te doen. Het doet me denken aan de lijstjes die Buddingh' maakte in zijn dagboeken, wanneer hij zich bijvoorbeeld afvroeg wat mee te nemen als hij naar een onbewoond eiland zou gaan. Ik vind het een onmogelijk opgave, want zodra je zo'n lijstje heb gemaakt, vallen je tientallen andere titels te binnen, die evengoed in de top tien hadden kunnen staan. Als je die lijstjes bekijkt, word je ook weer met de neus op al die boeken gedrukt die je nog niet hebt gelezen, maar ik ben gestopt mij daar druk over te maken. Je kunt in een mensenleven onmogelijk alles lezen. Als een van mijn vrienden weer eens op zo'n toontje van 'hoe is het moooogelijk' vraagt 'heb je dat niet geleeeeezen?' dan haal ik mijn schouders op en denk 'lul, ik kan zo tien boeken noemen die ik wel en jij niet hebt gelezen.'

Zaterdag zijn er weer twee boeken aan het Nederlandse erfgoed toegevoegd. Poldergeest, gedichten van André van der Veeke en Verdwaalde oeverloper, verhalen van Johan Everaers. André had mij gevraagd een inleiding te houden over zijn bundel en mijn favoriete gedicht er uit voor te dragen. Het was moeilijk een gedicht te kiezen uit zoveel indringende verzen, maar uiteindelijk werd het Oneindig, dat eindigt met geen idee wie ik later worden zal/nu ik hier aan het water sta. Het is een bijna cyclisch gedicht waarin een volwassene over een rivier staart op de plaats waar hij dat als zeventienjarige ook deed. Hij weet wat hij later is geworden, hij is ook die zeventienjarige gebleven die nog geen idee heeft. Het spreekt mij bijzonder aan, vooral omdat ik er ook van houd aan de rivier te staan, op de plekken waar ik als kind met mijn grootvader al stond, en herinneringen door mijn kop te laten spelen. Op het Groothoofd, bijvoorbeeld, waar wij samen zo vaak waren en waar ik, jaren voor ik je kende, op zondagmiddagen zat met Thijs, Peter en Lupius. Op winterse middagen zei Peter dan, terwijl wij door de beregende ruiten van café Groothoofd naar buiten keken, 'een heer heeft recht op een uurtje triest staren over de rivier.' Alsof hij voorvoelde dat hij veel te jong zou overlijden.

De boekpresentatie van Johan en André vond om twee uur plaats in de Zeeuwse bibliotheek in Middelburg. Vooraf moest ik van tien tot twaalf verhalen uit Op koers voorlezen in de remonstrantse kerk in Dordt, vanwege de Open Monumentendag. Om twaalf uur haalde Henk Verweerd mij op. We dachten ruim de tijd te hebben, maar bij Goes stuitten we op een lange file. Wegwerkzaamheden en een kettingbotsing. Henk was zo slim de eerste de beste afslag te nemen en binnendoor te rijden. Zodoende haalden we het op de nipper. Het was goed om weer eens onder de Zeeuwse vrienden te zijn, waarvan jij er heel wat hebt ontmoet. Ik herinner mij nog jouw optreden in Nieuw en St. Joosland, twee jaar voor je overlijden. Dat maakte diepe indruk. Je maakte toen kennis met Job Degenaar, die als Dordtenaar, eigenlijk Dubbeldammer, in de diaspora kwam optreden. Job Degenaar, André v.d. Veeke en Chrétien Breukers zijn dichters waarmee ik mij verwant voel. Ik zou graag nog eens een literaire bijeenkomst organiseren waarin wij gevieren optreden. Ze zitten niet toevallig alle drie in 'mijn' Bordeauxreeks. Bijna dan, want de bundel van Chrétien voor de reeks komt binnenkort uit. Vorige week was hij in Dordrecht om die uitgave met Henk en mij te bespreken. Daarna zijn we bij de Griek gaan eten en hebben we herinneringen opgehaald aan die mooie avond in café Van Wegen, toen Chrétiens bloemlezing 25 jaar Nederlandstalige poëzie 1980-2005 werd gepresenteerd. Daarin staan ook een paar gedichten van mij. Jammer dat jij toen nog geen bundel had gepubliceerd. Wie weet hadden wij er dan samen in gestaan. Ondertussen zijn nogal wat van je gedichten in bloemlezingen terechtgekomen en in poëziekalenders. 

Ik was van plan de trein terug te nemen en met de mannen van Ballustrada en hun vrouwen uit eten te gaan, maar ik hoorde van Rien Vroegindeweij, die voor mij optrad, dat er bussen reden tussen Dordrecht en Lage Zwaluwe, omdat er weer werd gewerkt aan het spoor. Toen toch maar met Henk teruggereden, want om na een maaltijd en aanklevende borrel nog een deel van de reis in een bus te zitten, leek me een kleine verschrikking.

Het Teekengenootschap Pictura bestaat 240 jaar. Aanleiding voor feest. Zaterdag werd een tentoonstelling geopend, waarin leden van Pictura zich hebben laten inspireren door werk van tien Picturianen uit het begin van de negentiende eeuw. Die opening heb ik gemist vanwege Middelburg. Ik ben een dag later gegaan, wat het voordeel had dat het niet afgeladen vol was en ik alles op mijn gemak kon bekijken. Ik heb mij er geamuseerd. Ton van Dalen had een soort kruising tussen een scheepsschoorsteen en een holle boomstam gemaakt, waarin je de zee en de wind kon beluisteren uit het schilderij Zeegezicht met zeilende schepen van J.C. Schotel. Je kent dat wel uit het Dordrechts Museum, waar wij zo vaak en ook zo graag kwamen. Toen je ziek werd was de verbouwing van het museum pas begonnen, je hebt het mooie resultaat niet meer kunnen zien, maar ik dwaal af. 

Edith Bons had gereageerd op Binnenhuis met vrouw en kind van Abraham van Strij, maar er een schilderij in Javaanse stijl van gemaakt. Bijzonder en vindingrijk. Er hing een werk van Johannes Rosierse dat ik niet kende, Kermis bij avond. Jan Barel schilderde als antwoord daarop Joy Division, een titel die ik niet helemaal snap, maar het ademt eenzelfde soort sfeer, alleen waan je je meer bij een popconcert dan op een kermis. Als het huis al niet zowat vol hing met schilderijen, terwijl er binnen afzienbare tijd nog een paar uit Griekenland komen, samen met je keramiek, dat ook een plaats moet krijgen, zou ik het wel willen kopen. Er hing ook wat minder inspirerend werk, zoals de reactie van Membrandt op Gezicht op een steengroeve te Bellevillé van Abraham Teerlink: een steen aan een touwtje, samengebonden met een dominosteen (de dubbel zes), onder de titel A rolling stone doesn't gather no moss. Tja, dan denk ik: valt in de categorie 'wel aardig,' weinig voorstellend dus, maar misschien mis ik wel een briljante gedachte van de schepper. Het kromme Engels van de titel is hopelijk zo bedoeld, al zou ik niet weten wat er achter schuilt, zoals ook de summiere uitleg in het (overigens zeer fraai uitgevoerde) Picturablad mij ontgaat. Ik ben natuurlijk maar een beperkte, zij het dichterlijke, geest en een negen voor het tentamen kunstgeschiedenis is geen enkele garantie dat je iedere kunstenaar zomaar kunt doorgronden.

Nadat de tentoonstelling een beetje was bezonken, was het tijd mij naar de Krommedijk te reppen voor de wedstrijd FC Dordrecht - NAC. Daar heersten andere sferen dan in het verstilde Picturabolwerk op de Voorstraat. Ik was overtuigd van een Dordtse overwinning, maar na afloop moest ik bij RTV-Dordt constateren dat als er één wedstrijd was die Dordrecht onterecht heeft verloren, het deze was. Enthousiasme, inzet en beter spel worden in het voetbal niet altijd met winst beloond. Dat was zuur voor de selectie, maar het seizoen is nog jong en ik heb wel vertrouwen in de ploeg. Dordrecht zal geen kampioen worden en ik geloof ook niet dat de kans groot is dat het volgend seizoen in Europa tegen jouw achterneefje Dimitris Salpingidis moet spelen, maar een aardig plekje in de Eredivisie zit er wel in. Zo niet dan is dit mijn eerste en laatste seizoen als 'voetbalanalist' bij de lokale omroep.

In gedachten, altijd,

Kees


Foto: auteur


maandag, september 15, 2014

Brieven aan Stella (14)




Lieve Stella,

Het is mooi nazomerweer. Tijd voor de tuin. Omdat de tuinkabouter het alleen niet meer aankan. Ik ben de dag maar eens begonnen met snoeien en wieden. Veel resultaat is er nog niet te zien, zo'n paar uur werken is een druppel op een gloeiende plaat, nadat ik de boel weken op zijn beloop heb gelaten, maar ik zit nu wel met een gezonde dosis spierpijn. Nog even doorzetten en ik ben weer in puike tuinconditie. Veel laurier geoogst, maar nog meer weggegooid. Ik kan er ook niets aan doen. Het is allemaal veel te veel, terwijl ik al zakken vol aan vrienden heb gegeven. Ik wil nog niet te veel snoeien, vanwege al die mooie spinnen die in de herfst tussen het groen wonen, maar de heg kan niet langer wachten, daar moet vandaag of morgen de schaar in. Twee jaar geleden heb ik hem in februari zo gekortwiekt, dat er alleen nog wat stammetjes stonden. Daarna is hij weer geweldig gaan groeien en veel voller geworden. De laurier was mij volkomen uit de hand gegroeid, maar hij is weer tot een normale omvang teruggebracht. Ik zou misschien een hovenier moeten bellen, nu jij er niet meer bent om de tuin bij te houden, maar het is met dit weer bijna dagelijks te gezellig op het terras van Visser. Daar zit ik ook niet voor niets, al zijn de prijzen zeer billijk.

Visser, waar ik al zoveel jaren kom en waar jij ook graag aanschoof, al was je niet zo'n kroegmens als ik. Het is ook de stamkroeg van Henk Verweerd, de baas van Liverse, waarvoor ik, dat weet je nog niet, de Bordeauxreeks redigeer. Nu ja, redigeren.... ik adviseer om poëzie wel of niet uit te geven. Een enkele keer werk ik ook weleens met een dichter aan een manuscript, maar aangezien het een onbezoldigd, zij het interessant, baantje is, kan ik er niet al mijn tijd in steken. Eigen schrijven eerst, tenslotte, maar het is vaak boeiend om collega dichters en schrijvers te ontmoeten uit het fonds van Liverse. Die ontmoetingen vinden meestal plaats in Visser, waarmee het dus ook het literaire café van Dordrecht is geworden. Vorige week was Chrétien Breukers er nog, van wie wij een dichtbundel gaan uitgeven. Hij is zo verstandig om dat niet bij zijn eigen uitgeverij, de Contrabas, te doen. Wie zichzelf uitgeeft wordt eigenlijk niet serieus genomen, hoe goed zo'n uitgave ook kan zijn.

Ik ben nog altijd blij dat jij er ooit op stond dat ik zou ophouden mijn gedichten in eigen beheer te publiceren en op zoek zou gaan naar een erkende uitgever. Dat werd toen Wagner & Van Santen, waar ik vertalingen van Moniza Alvi (Het land aan mijn schouder) en een eigen bundel uitbracht (In dit laagland). Ze slaagden er in om binnen een jaar of tien het mooiste poëziefonds van Nederland en Vlaanderen op te bouwen, maar daarna ging het om allerlei redenen mis. Een paar jaar geleden zijn ze opgehouden te bestaan. Liverse geeft nu mijn boeken uit. Onze boeken, want postuum is jouw bundel Eindeloze nachten er verschenen. Henk heeft er een mooie publicatie van gemaakt, met dezelfde omslag, dat prachtige schilderij Groothoofd bij maanlicht van Jongkind, als van de Griekse uitgave. Je hebt hem nog zelf samengesteld, maar de verschijning niet meer mee kunnen maken. Het bericht van Liverse, waarin deel 1 van mijn Literair Dagboek werd geaccepteerd, kwam binnen op de dag dat we hoorden van je fatale ziekte. Je hebt nog wel de drukproeven van dat boek kunnen lezen, maar het eindresultaat zien was je niet gegund. Misschien moet ik al onze vertalingen van Griekse dichters eens bundelen in een persoonlijke bloemlezing. Zo verspreid in allerlei tijdschriften (Maatstaf, De Tweede Ronde, Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift, Ballustrada, Lychnari, Kruispunt en de Poëziekrant) zijn ze in de vergetelheid geraakt. Het zou een aardig boekje kunnen worden en eindelijk weer eens iets van ons samen zijn.

Ik bak nog altijd zelf mijn brood, zoals jij deed, ook nog steeds met jouw recept, al heb ik de boter door olijfolie vervangen. Vanmiddag is de handgreep van de oven afgebroken. Slijtage door ouderdom, vermoed ik. Langzamerhand raakt allerlei apparatuur versleten. De oven, de CD-speler, de mobiele telefoon. Nou ben ik niet zo van steeds het nieuwste van het nieuwste kopen. In principe schaf ik pas iets nieuws aan als het oude ermee ophoudt. Daarom staat er in het Schrijfhuis een moderne flatscreen, maar hier in Dordrecht doe ik het nog met de televisie die jij in 1989 kocht toen je in de flat in Düsseldorf trok. Op de slaapkamer heb ik mijn oude televisie uit 1974. Beiden doen ze het nog prima. Ik weet wel dat je op een modern toestel van alles kunt doen wat ik nu niet kan, zoals het internet op en dan je eigen kop van Youtube halen en levensgroot op de buis zien. Aardig, maar het interesseert mij niet echt. Mijn kop in het ruitje van de laptop is mooi genoeg. Als ik een film op een groot scherm wil zien, ga ik wel naar The Movies, in de Nieuwstraat, een van de mooiste aanwinsten van het laatste jaar. Voor die oven heb ik een afspraak met een monteur gemaakt. Ze vroegen eerst of ik die deur er niet uit kon halen en meenemen naar de winkel, maar ik zie mij al met een ovendeur achter op de fiets.

Je weet dat ik een goede slaper ben. Bij gelegenheid, als ik iets te enthousiast heb geborreld bijvoorbeeld, of als de televisie niet boeiend is, slaap ik al voor ik in bed lig. Vannacht heb ik echter een paar uur wakker gelegen, terwijl ik mij afvroeg hoe het met het Schrijfhuis zal gaan. Ik zou dat in augustus met je jongste broer bespreken, maar hij zat in het dorp van zijn vrouw en stelde het liever uit tot de volgende keer dat ik in Griekenland ben. Voor hem is het allemaal makkelijk. Spullen in een vrachtwagen en een halve kilometer verder er weer uit, maar ik moet de boel naar de andere kant van Europa sturen. Als het doorgaat, want voor hetzelfde geld hebben ze zich bedacht en vinden ze het toch te klein. Ze gaan er, als ze in het Schrijfhuis trekken, natuurlijk wel heel erg in ruimte op achteruit. Dat soort onzekerheden, daar kan ik slecht tegen. Ik ben er bijna even allergisch voor als voor bureaucratie. Als ik het Schijfhuis verlaat wordt dat ook weer een heel gedoe. Jij zou zeggen dat ik mij niet druk moet maken om problemen die er nog niet zijn en dat als ze er zijn we wel weer zien hoe het verder moet. Ik bewonderde dat wel in jou. Ik ben niet echt een tobber en kan dingen gemakkelijk van mij afzetten. Als ik 's middags na de laatste les de deur achter mij dichttrok, bestond de school niet meer. Behalve natuurlijk als ik een stapel correctie mee naar huis nam. Wat had ik daar de pest aan, aan dat nakijken, maar dit terzijde. Een enkele keer, als ik alleen in bed lig, terwijl ik naar de goederentreinen luister die door de gevaarlijkste spoorwegbocht van Nederland denderen, hier tweehonderdvijftig meter vandaan, blijkt het ineens even anders.

In gedachten, altijd,

Kees


Foto: auteur



vrijdag, september 12, 2014

Agenda




Morgen zaterdag 13 september lees ik in het kader van Open Monumentendag tussen 10.00u en 12.00u verhalen voor uit mijn boek met korte verhalen en cursieven Op koers, in de Remonstrantse kerk te Dordrecht, befaamd voor zijn Jugendstil-interieur. Pikant detail: ik bracht een groot deel van mijn jeugdjaren door in de kosterswoning achter de kerk. Enkele van de verhalen zullen daar waarschijnlijk ook over gaan.

10.00u ronde 1
10.20u ronde 2
10.40u ronde 3

11.10u ronde 1
11.30u ronde 2
11.50u ronde 3

De toegang is gratis. U kunt in de pauzes tussen de ronden of tijdens het lezen de kerk en de bijzondere, gebrandschilderde ramen bekijken.



s' Middags is er in Middelburg de presentatie van twee boeken door uitgeverij Liverse.

Het gaat om Poldergeest, gedichten van André v.d. Veeke en Verdwaalde oeverloper, verhalen van Johan Everaers. De bijeenkomst vindt plaats in de Zeeuwse bibliotheek, Koudsteensedijk 7 in Middelburg, met medewerking van Jan van Damme, Rien Vroegindeweij, Jan Verschoore (muziek), Frank v.d. Veeke, André v.d. Veeke, Johan Everaers en Kees Klok.

Aanvang: 14.00u

Einde: 15.30u



Tenslotte presenteert uitgeverij Liverse op 18 september het prozadebuut van Jan v.d. Geer. Inloop 17.00u, aanvang 17.30u. Plaats: Poffertjessalon Visser, Groenmarkt 9, Dordrecht.



Foto kerk: auteur


donderdag, september 11, 2014

Brieven aan Stella (13)




Lieve Stella,

Vandaag werd oud-Dordrecht bezorgd. Nee, geen orgaan voor Dordtse bejaarden, maar van de historische vereniging. Ik heb mij als historicus nooit beroepsmatig met de geschiedenis van mijn stad beziggehouden, maar ben er altijd wel in geïnteresseerd geweest. Een tijdje geleden ben ik lid van de vereniging geworden. De geschiedenis van Dordrecht gaat lang niet zover terug als die twee en een half duizend jaar van Thessaloniki, maar de stad is wel een van de zeven echt oude steden van Nederland. Geschiedenis genoeg. Je voelt die bijna letterlijk als je door het historisch centrum loopt, ondanks de verwoestende kaalslag die een stel barbaren in de jaren zestig aanrichtte onder de noemer 'saneringsplan.' Deze aflevering is gewijd aan oral history, geschiedenis gebaseerd op mondelinge getuigenissen. Er staat ondermeer een interview in met de 97-jarige mevrouw Bok, weduwe van de in Dordrecht befaamde dokter Bok, die dertig jaar directeur was van het Gemeenteziekenhuis in de Bankastraat. Daarmee kom ik op Kees Buddingh', die niet alleen in de Bankastraat woonde, maar in zijn dagboeken regelmatig vermeldt dat hij op controle moest bij dokter Bok. In november 1985 werd hij, Buddingh', niet dokter Bok, in het ziekenhuis opgenomen om te worden geopereerd aan een spastische darm. Een routine-operatie. Hij verwachtte snel weer thuis te zijn. Wat er is gebeurd is nog steeds een raadsel, maar in de nacht van 23 op 24 november is hij overleden. Zodoende heb jij Kees nooit persoonlijk leren kennen. Wel heb je gedichten van hem vertaald en in Griekenland gepubliceerd.

Ik geloof dat volgend jaar, dertig jaar na zijn dood, de biografie van Kees verschijnt. Die zou eerst geschreven worden door Ares Koopman, maar tussen hem en Stientje Buddingh' ging het mis. Dat verhaal ken je, want wij hebben nog heel lang contact gehad met Stientje. Het doet hier niet ter zake. Wim Huijser nam de taak over. Ik ben zeer benieuwd naar die biografie. In 1969 maakte ik kennis met Kees. Dat contact werd van lieverlee intensiever. We hebben beiden een paar jaar deel uitgemaakt van het schaakteam van Bobby Kinghe en vanaf 1980 kwam ik met enige regelmaat bij hem over de vloer in de Bankastraat. Dat waren genoegelijke avonden. Als Kees op zijn praatstoel zat kwamen er verhalen over DFC en over Dordrecht in de jaren dertig. Oral history, als ik ze zou hebben opgeschreven. Ja, een enkele keer noteerde ik iets wat hij vertelde in mijn dagboek. Dat heb ik braaf aan Wim Huijser doorgegeven. Oral history moet je met de nodige argwaan en met een kritische geest benaderen. Als ik oudere delen van mijn dagboek doorlees, schrik ik altijd van wat uit mijn geheugen is weggezakt en vooral van hoe anders ik mij veel dingen herinner. Hoe langer de tijd tussen de gebeurtenis en het mondelinge verslag ervan, hoe onbetrouwbaarder de bron. Ik wil die biografie lezen om de Buddingh' achter de Buddingh' die ik ken te leren kennen. Eind jaren negentig hebben we een paar uur video opgenomen van je tante Parthena, toen al op hoge leeftijd, die vertelde van haar veelbewogen jeugd. Fascinerende verhalen, maar of het allemaal werkelijk zo was? Ik denk aan de zeemansverhalen van mijn grootvader. Hij viel, net als ik, als hij vertelde nogal eens in herhaling. Iedere keer als hij beschreef hoe zijn schip bij Kaap de Goede Hoop tijdens een storm in problemen kwam, waren de golven weer een paar meter hoger geworden.

De gedichten die jij van Buddingh' vertaalde publiceerde je onder andere in To Dentro (De boom), dat literaire tijdschrift uit Athene, dat werd bestierd door Kostas Mavroudis. In het begin bleef hij je maar vragen om vertalingen van Nederlandse dichters, maar op een gegeven ogenblik hield hij het contact af. Er kwam geen antwoord meer op je e-mails en als je belde zei zijn secretaresse dat hij er niet was, terwijl je hem een keer op de achtergrond hoorde praten. We hebben nooit begrepen waarom. Samen vertaalden we een serie gedichten van hem die wij in publiceerden in Kruispunt, meen ik. Het kan ook een ander tijdschrift zijn geweest, maar ik ga niet op zoek in de chaos waarin mijn werkkamer na jouw overlijden langzamerhand is veranderd. Misschien was hij niet tevreden over die vertalingen? Het kan ook zijn dat hij de pest in kreeg omdat je ook weleens iets publiceerde in een ander tijdschrift, dat, wie weet, het is vaak haat en nijd in literaire kringen, spreekbuis was van een concurrerend kliekje waarmee hij ruzie had. Het zou zo maar kunnen. 'Poëzie trekt ook veel idioten aan,' hoorde ik iemand eens zeggen op de radio. Ik meen een voormalig stadsdichter van Amsterdam. Misschien was er over meneer Mavroudis ook wel een kwade geest vaardig geworden, hoewel hij een tamelijk normale indruk maakte toen ik een jaar of wat geleden een interview met hem zag op de Griekse televisie.

Een van de dingen die mij ontzettend spijt is dat jij Kees Buddingh' nooit hebt gekend. Jullie waren vakgenoten, anglisten, vertalers, deelden een fascinatie voor poëzie en waren geboeid door (vooral Engelse) literatuur. Ik denk dat je in Nederland al veel eerder een dichtbundel zou hebben gepubliceerd als je Kees had leren kennen. Ik schreef een boek over mijn reis door Suriname in 1982. Kees las het manuscript en stuurde het meteen door naar de Bezige Bij, waar  een redacteur het positief beoordeelde. Er moest nog het een en ander aan gesleuteld worden, maar dat kwam wel goed. Kort daarop stierf Kees en werd die redacteur ernstig ziek. Ook hij overleed. Zijn opvolger bij de Bij zag mijn boek niet zitten, mijzelf ook niet had ik de indruk, want er was geen enkel contact meer. 

Dat manuscript ben ik kwijt, het was nog op mijn oude Royal uit 1934 getypt. Als het goed is, ligt er een doorslag bij Thijs, maar ik ben er niet echt meer in geïnteresseerd. Ik zou nog een keer naar Suriname moeten gaan om er over te schrijven. Aan de ene kant trekt mij het idee, aan de andere kant heb ik mij voorgenomen om liever geen reizen meer buiten Europa te ondernemen. Griekenland is mij ver genoeg en voor de rest hebben we National Geographic. Ik zou nog wel een keer naar Perzië willen, maar niet dat van de ayatollahs, van het ophangen van homoseksuele tienerjongens en het onderdrukken van vrouwen. Ik heb net Teheran, een zwanenzang van F. Springer herlezen, een roman die speelt tijdens de nadagen van de Shah. Dat was ook geen toonbeeld van een democratische geest, maar ik begrijp niet dat ik in de jaren zeventig zo naïef kon zijn om te geloven dat het opstappen van die man een zegen voor dat land zou zijn. Ik weet nog dat neef Brian, ook historicus, toen al zei dat het vertrek van de Shah verschrikkelijke gevolgen kon hebben. Ik geloofde daar niets van, maar hij heeft volkomen gelijk gekregen. Hans Warren schrijft niet voor niets in Geheim Dagboek (deel 18): 'Godsdienstfanatici zijn de grootste bedreiging voor vrede en geluk.' Helaas blijkt dat vandaag nog meer dan toen hij dat begin jaren negentig noteerde.

In gedachten, altijd,

Kees


Foto: auteur




maandag, september 08, 2014

Brieven aan Stella (12)




Lieve Stella,

De videorecorder is op sterven na dood. Hij produceert alleen nog maar ruis en sneeuw. Wat wil je na twintig jaar? Ook de banden worden oud en zijn binnenkort niet meer af te spelen, vrees ik. Daarom ben ik langzamerhand begonnen om een keuze te maken van alles wat ik wil bewaren. Dat laat ik op DVD zetten. Ik heb weliswaar nog steeds geen DVD-speler, misschien komt dat er binnenkort eens van, maar ik speel, zoals we vroeger regelmatig deden, die dingen af op de computer. De laptop op tafel en ik met een glas wijn of een calvadosje op de bank. De eerste band die ik heb laten omzetten is onze trouwreportage. Het verslag van die gedenkwaardige 28e juli 1990. Een paar dagen geleden heb ik hem opgehaald bij de fotograaf in de Vriesestraat, die inmiddels niet meer zo jonge jongeman, waar ik ook altijd mijn pasfoto's laat maken. Vroeger bij zijn vader, nu bij hem. Waarom zou je van fotograaf veranderen als zijn werk bevalt? Je hebt van die prijsjesjagers die om de haverklap naar een ander lopen omdat die een dubbeltje goedkoper is. En dan op verjaardagen, in die dodelijke kring rond de tafel met drank en pinda's, lekker verontwaardigd doen als het resultaat tegenvalt. Ik dwaal af, net als toen ik nog lesgaf. Dan gebeurde het dat we begonnen met de moord op de gebroeders De Witt en eindigden bij mijn reis door Suriname, ergens in een hangmat tussen het Van Blommensteinmeer en Djoemoe.

Dat omzetten van video naar DVD is nogal prijzig. Ik wilde controleren of het ook werkelijk goed was gebeurd. Daarom heb ik de reportage, voor het eerst sinds misschien wel tien jaar, weer eens bekeken. Dat viel niet mee. Het eerste wat door mij heen ging, toen ik mezelf zag met Socrates en Anastasia, onze getuigen, terwijl we jouw komst afwachtten: wat is mijn kop in die vierentwintig jaar in verval geraakt! Dat weet je, dat zie je dagelijks voor je, maar je wilt het niet weten. Eeuwig jong, niet dat gezeik met grijze haren, rimpels en, vooral, stramme spieren als je 's morgens opstaat. Er kwam ook het een en ander aan clichés in gedachten voorbij, zoals stralende bruid, trotse ouders, huilende moeder, wegsmeltende vriendinnen. Al die mensen die er inmiddels niet meer zijn, dat raakt mij steeds weer als ik zo'n film zie. Zoals ik pas ook een foto zag van het feest voor mijn vijftigste verjaardag. Jij met Wim en Maarten, op de achtergrond mijn ouders, tante Pieta en, alsof het zo moest zijn, Lupius. Niemand van jullie leeft meer. Aan het eind de felicitaties, al die oude ooms van je, inmiddels mijn leeftijdgenoten, die ook mij begonnen te zoenen. Dat was weer even wennen aan de Griekse manier van doen. Ineens voelde ik een hand in de zak van mijn jasje. Ik dacht: wat krijgen we nou, maar toen die hand zich terugtrok bleef er een geldbedrag achter waarvan menig Nederlandse oom zou verbleken. We trouwden 's avonds om acht uur. Toen was het nog steeds achtendertig graden. Hoe ik het in dat pak heb uitgehouden blijft een onopgelost raadsel.

In februari kreeg ik zaad van Fotini, waaruit nu drie forse peperplanten zijn ontsproten. Ik verwacht binnenkort de eerste pepertjes te oogsten. Ze zijn klein en rood, maar buitengewoon heet. Een soort rawitjes, vermoed ik. Opmerkelijk dat die in Griekenland voorkomen, want als er één ding is dat de gemiddelde Griek niet eet, dan is het flink gepeperd voedsel. Wat ze in Griekenland normaal een hete peper noemen, zo'n lange groene, of gele, kan ik rauw eten. Zulke pepers gaan door de tirosalata, pittige kaassalade, maar vaak proef ik er niets van. Deze kun je beter niet door die salade doen, tenzij je heel pittig bent gewend. De planten zijn nog in hun jeugd, ik weet niet hoe oud een peperplant kan worden, maar deze zijn, laat ik het zo zeggen, nog jong en mooi. De eerste kindertjes beginnen er aan te komen, ze hebben nog een toekomst voor zich. Hoe het komt, weet ik niet, maar ik ontdekte dat twee van de drie ineens luis hebben. Hoe komt een peperplant, gewoon in de vensterbank, nooit buiten, aan luizen? Hoe kinderen aan luizen komen weet ik wel. Toen ik in het onderwijs begon, kwam wekelijks de luizenzuster op school. Ook mijn kop liet ik dan uit bekijken, uit solidariteit, maar ook een beetje omdat ik toen het langste haar van heel O.L.S. III had. De meisjes vonden het prachtig als ze daar twee vlechten in mochten draaien en dan kreeg de meester ook nog een paar kleurige strikken aangemeten. Daar trok ik wat gekke bekken bij, zodat de boel weer even op apegapen lag van het lachen, waarna we overgingen tot de orde van de dag en er iets akeligs als een rekenles begon. Ik ontdekte in de schuur een fles ecologisch anti-luizenmiddel, die ik jaren geleden heb gehaald om de rozen mee te behandelen, maar daar is het nooit van gekomen. Zou er toch een systeem zitten in het leven? Het werkt in ieder geval wel.

Jij hield altijd de kruidentuin bij. Nu en dan oogstten we maggi, oregano, majoraan, tijm, citroenblad, munt en laurier, al is dat laatste geen kruid, geloof ik. We hadden kinderlijk plezier in het koken met eigen kruiden. Eigenlijk hadden we een moestuin aan moeten leggen, maar eerlijk gezegd lukt het me nu al niet om de boel bij te houden. Ik ben aan het lezen in de biografie van Thomas Hardy, die volgens de letter is geschreven door zijn tweede vrouw, Florence Dugdale, maar waarvan de literatuurwetenschappers vermoeden dat hij er zelf hevig aan heeft meegeschreven. Heel af en toe denk ik weleens: zou er een Nederlandse versie van Florence Dugdale bestaan? Maar om mezelf nu meteen met Thomas Hardy te vergelijken. Ik ben niet zo van de Nederlandse bescheidenheidscultus en de kreet 'doe maar normaal, dan doe je al gek genoeg,' vind ik volstrekt verwerpelijk, maar je moet ook weer niet doorslaan naar de andere kant. Overigens ook een heel Nederlands trekje. Vergelijk de jaren van de seksuele revolutie maar eens met de benauwende preutsheid en het bedillerig moralisme dat zich steeds nadrukkelijker manifesteert en dat hysterische trekken begint aan te nemen. Hardy had grote moeite met de verstikkende Victoriaanse mentaliteit. In enkele van zijn boeken beschreef hij voor die periode nogal onconventionele relaties, zoals die van Jude Fawley en Sue Bridehead in Jude the Obscure. Op dat boek kreeg hij zoveel kritiek, dat hij zich daarna uitsluitend op zijn poëzie richtte. Het zou hem in het Nederland van 2014 zomaar opnieuw kunnen overkomen. Kijk maar naar de emmers bagger die over Anton Dautzenberg werden gekieperd, omdat hij het waagde vragen te stellen bij het verbod op pedofielenvereniging Martijn.

Omdat Guus met Pita op reis is door Spanje, heb ik dit keer de eindredactie van The Dutch Dickensian gedaan. Met het zweet in mijn handen, want Guus gebruikt daarvoor een programma waarmee ik nooit eerder heb gewerkt. Dickens en Hardy liggen naast elkaar begraven in de Poets Corner van Westminster Abbey. Wij hebben samen aan hun graven gestaan. Dickens had ook wel moeite met de Victoriaanse moraal, maar hij paste zich daar toch meer aan aan dan Hardy, die wat later leefde, toen de morele terreur op zijn hoogtepunt was. Ik heb, lang geleden, eens een lezing gehouden, waarin ik het werk van Hardy en Dickens vergeleek. Die lezing is ook als artikel, ergens in de jaren tachtig, verschenen in The Dutch Dickensian. Ik heb inmiddels zoveel meer gelezen, dat het aan een grondige herziening toe is, maar ja, ik kom niet eens toe aan de tuin en Florence Dugdale heeft zich ook nog niet gemeld.

In gedachten, altijd,

Kees


Foto: auteur






vrijdag, september 05, 2014

Brieven aan Stella (11)




Lieve Stella,

Afgelopen zaterdag ging ik op weg om gedichten voor te lezen op het Perolfestival, in het Perenlaantje te Hendrik-Ido-Ambacht. Het had de hele dag geregend, maar de weerman op Radio 1 had met enige stelligheid beweerd dat de middag droog zou zijn, zodat ik tegen twee uur, het druppelde nog een klein beetje, monter de fiets nam. Bij de pont tussen Dordrecht en Zwijndrecht aangekomen, begon ik te twijfelen. Er kwamen diepgrijze, bijna zwarte wolkenformaties aanzetten vanuit het westen, maar de weerman is de weerman. Ik stapte aan boord. Net op de Veersedijk werd ik overvallen door een tropische bui. Dat betekende de volgende pont terug naar het Eiland van Dordrecht om thuis op te drogen. Dan maar een festival zonder de gedichten van Kees Klok.

De episode brengt mij terug naar juni 1974. Ik was net geslaagd als 'volledig bevoegd onderwijzer,' aan de Gemeentelijke Pedagogische Akademie te Dordrecht. Akademie met een k, als bewijs van de progressiviteit van het instituut, maar dit terzijde. Op een juni-ochtend fietste ik door stralend zomerweer over de Veersedijk van Zwijndrecht naar Hendrik-Ido-Ambacht. Doel was een charmant, oud schoolgebouw uit het begin van de twintigste eeuw, bekend als O.L.S. III, om daar op verzoek van het hoofd der school een proefles te geven in klas drie, met als onderwerp 'Het konijn.' Met dat onderwerp was ik niet echt gelukkig. Op de GPA was een tekort aan biologieleraren, waardoor ik alleen in het eerste jaar biologie had gevolgd, bij de dichter Albert Donk, die eigenlijk Ab Groenedijk heet. Daardoor wist ik iets van koeienmagen en ook de wijze waarop bladgroen zuurstof produceerde was mij niet onbekend, maar daar bleef het ook bij. Op de Mulo had ik biologie van een voormalige kapitein van het KNIL, maar die man had het te druk met zijn Indische verleden, waardoor we nooit verder kwamen dan het van buiten leren van de botten van het menselijk geraamte. Kennis die ik snel weer vergat. Gelukkig had ik zelf een konijn en trof ik een hoofd der school die het wel kon waarderen dat ik, na wat vaag geklets en gegrap over het onderwerp, de les besloot door de hele klas als konijnen te laten rondhuppelen.

Ik kreeg de baan en fietste daarna drie jaar lang over de Veersedijk. Ik kon in Hendrik-Ido-Ambacht gaan wonen, maar ik gaf de voorkeur aan het gezellige krotje in de Dordtse Marcellus Schampersstraat, dat ik voor een prikje had gekocht. Van een getuige van Jehova, die ergens ver weg ging zitten wachten op het einde der tijden. Het huisje was uit 1882 en is al lang afgebroken om plaats te maken voor nieuwbouw. Daardoor is het een sfeerloos achterstraatje geworden. We zijn er weleens doorheen gelopen tijdens een van je eerste bezoeken aan Dordt, voor we trouwden. Na drie jaar was ik het fietsen zat. Ja, het was heerlijk om op een vroege, zonnige voorjaarsochtend over de dijk te rijden, maar de meeste ochtenden waren regenachtig, winderig en winters. Een rijbewijs had ik nog niet en het openbaar vervoer was al bijna even tijdrovend als nu. Ik nam weleens de brommer van een vriendin, maar zodra het regende was er iets met de bougie en gaf het ding het op, zodat ik nog verder van huis was. Ik kon een baan als leraar krijgen op Mavo-Krispijn, tien minuten fietsen van huis, en verliet voorgoed het lager onderwijs, zoals het toen nog heette. Een enkele keer denk ik weleens dat dat iets te vroeg was, want ik had het op die school goed naar mijn zin. Aardige collega's en een hoofd dat net als ik pijp rookte. Over roken werd in die tijd nog niet gezanikt. Op een dag kwam de inspecteur op school, een streng ogende man in een donker pak. Terwijl hij zich achterin het lokaal installeerde, naast de hokken met, jawel, een konijn en enkele cavia's, ging ik gewoon door met trekken aan mijn pijp. Hij zat nog geen vijf minuten of hij vroeg, terwijl hij een sigaar opstak, om een asbak.

In het voorjaar van 2007 hield een van de klassen waaraan ik toen lesgaf, een derde (tegenwoordig moet je groep vijf zeggen, maar daar is het onderwijs niets beter van gewonden), een reünie. Ik vond het een belevenis mijn oud-leerlingen, die ik mij herinnerde als kinderen van een jaar of negen, terug te zien als late veertigers en hun verhalen te horen. Sommigen van hen waren verbaasd dat 'de meester,' per definitie een oude man, ook al begon ik mijn loopbaan op mijn drieëntwintigste, eigenlijk nog helemaal zo oud niet was. Het hoofd der school, die inmiddels schooloverstijgend in Ambacht en Zwijndrecht het openbaar onderwijs bestuurde, rookte, evenals ik, nog steeds pijp. Jij moest de reünie missen, omdat je je niet lekker voelde. Een griepje dachten wij, maar achteraf waren het misschien wel de eerste voortekenen van de fatale ziekte die zich in het najaar openbaarde. Onbezorgd haalden we herinneringen op. Aan de krijtjes die ik door het lokaal liet vliegen en de vliegtuigjes. Aan het konijn dat op een keer ontsnapte. Aan de middagen na schooltijd als we knikkerden op het schoolplein, wanneer dat weer eens in de mode was. Kind met de kinderen. Ik won wel altijd, maar dan kregen ze de knikkers terug. Er waren natuurlijk ook trieste verhalen. Niemand die er een vermoeden van had dat het onze nog moest beginnen. Toen ik terugkwam was je weer wat opgeknapt. Daarom gingen we pizza eten bij Costa d' Oro, zoals vaak op zaterdagavond. Een paar dagen later ging jij vast naar Griekenland. Ik volgde aan het begin van de zomervakantie. Toen we daarvan terugkwamen aten we weer pizza bij de Italiaan van Dordt, samen met mijn neef Brian en een vriend. Het was de allerlaatste keer van je leven dat je in een restaurant at. Het is een herinnering die steeds terugkomt als ik naar Costa d' Oro ga.

Op jouw begrafenis was een groep oud-leerlingen van je uit Goumenissa, waar je de eerste tien jaar van je loopbaan Engels gaf op de middelbare school. Na afloop van het begrafenismaal raakte ik met hen aan de praat. Enthousiaste verhalen over jou als hun lerares. Ook de leerlingen op de Experimentele School van de Aristotels Universiteit liepen met je weg. De enige waarmee je daar moeilijk kon opschieten was de leraar theologie, die het je kwalijk nam dat je met je leerlingen een toneelstuk van Tsjechov, De meeuw, geloof ik, opvoerde in het Staatstheater van Noord-Griekenland, onder jouw regie. Theater en geloof, o hemel, wat was de spreekbuis van die enge, veel te invloedrijke, Griekse kerk daardoor op zijn teentjes getrapt. 

Je werd niet voor niets uitgenodigd om de vakgroep Engels van de Aristoteles Universiteit te gaan versterken. Toen had je echter net mij ontmoet en daarom werd het het onderwijsbureau van het Griekse consulaat in Düsseldorf. Soms voel ik mij ongemakkelijk als ik bedenk wat jij uit liefde voor mij hebt opgegeven. Zo'n gevoel van waaraan heb ik het te danken. Later in Nederland werden je titel en bevoegdheid erkend en kreeg je als drs. Stella Timonidou een aantal uren Engels aangeboden bij ons op school. Ik had het weleens willen ervaren om je als collega te hebben. Het salaris was hoger dan in Griekenland, maar de secundaire arbeidsvoorwaarden zo bedroevend minder dan wat je daar was gewend, dat je er uiteindelijk niet op in bent gegaan en de voorkeur gaf aan thuis literuur vertalen. Je hebt nog wel als vrijwilligster een paar jaar geholpen in de schoolbibliotheek en je gaf aan de leerlingen die meegingen op de legendarische uitwisselingen, in de jaren negentig, met jouw voormalige school, lessen Nieuwgrieks. Soms spreek ik leerlingen uit die tijd en dan valt me de warmte op waarmee ze nog steeds over je praten.

In gedachten, altijd

Kees


Foto: archief auteur