woensdag, oktober 29, 2014

Brieven aan Stella (22)


   Stella Timonidou (l) en Kyriakos Charalambidis. Lefkosia okt. 2003


Lieve Stella,

In mei was het twaalf jaar geleden dat we met Teleac-NOT naar Cyprus gingen, om zes radioreportages te maken. Ik vertelde ter plekke iets over de kleurrijke geschiedenis van het eiland, jij ging mee om te tolken als er Cyprioten werden geïnterviewd, want ook al was Cyprus van 1878 tot 1960 een Engelse kolonie, er liepen toch nog een paar inwoners rond die slecht of helemaal geen Engels spraken. Daarna zijn we er samen nog twee keer geweest. Ik om onderzoek te doen voor Afrodite en Europa, waarvan inmiddels een herdruk is verschenen, bijgewerkt tot 2012, jij om contacten te leggen met Cypriotische dichters en schrijvers. Daaruit kwam, als speciaal nummer van Kruispunt, de bloemlezing Wij wonen in een taal voort, die in 2004 in Brugge verscheen. Vierhonderdzeventig bladzijden poëzie, proza en achtergrondartikelen. Michalis Pieris, hoogleraar letterkunde aan de Universiteit van Cyprus, en vooraanstaand criticus en dichter, prees het als 'de beste bloemlezing van Cypriotische literatuur die tot nu toe in het buitenland is verschenen.' Dat was toen ik in 2009 door hem voor een lunch werd uitgenodigd. Ik was in Lefkosia voor een conferentie van Euroclio, de club van Europese geschiedenisdocenten.

Tijdens dat verblijf bezocht ik ook Niki Marangou, waar ik samen met Nikos Nikolaos-Hatzimichaïl lunchte, met uitzicht op die prachtige tuin in Agios Domitios, waar wij zo verrukt van waren toen we voor het eerst bij haar thuis kwamen. Niki vertelde van haar reizen en haar reisplannen. Ze was vaak op pad en stuurde mij dan lange verslagen van haar ervaringen, vaak met prachtige foto's erbij. Vorig jaar is ze om het leven gekomen bij een verkeersongeluk in Egypte, in de buurt van Fayoum, waarvan de toedracht nooit helemaal duidelijk is geworden. Wij waren, sinds we haar in 2002 voor het eerst ontmoetten, goede vrienden geworden en beiden waren wij liefhebbers van haar poëzie, haar proza en haar schilderijen, want Niki was zeer veelzijdig. Ik heb uiteraard nog de prachtige brief die ze stuurde na het bericht van jouw overlijden. Met Nikos ben ik nog steeds goed bevriend. Ik was, net als jij, zeer op Niki gesteld. Haar dood was een enorme schok. Ik zag een foto in To Vima en dacht: 'Wat leuk, weer een literaire prijs voor Niki.' Pas toen drong het onderschrift tot mij door.

Vorige week kreeg ik opnieuw een schok. De dag nadat ik terugkeerde van Skyros ontving ik een e-mail van Dimitris Charalambous met de mededeling dat onze vriend Sofronis Hatzisavvidis plotseling is overleden. De begrafenis was op de dag van mijn terugkeer uit Skyros. Ik was vroeg genoeg terug om er bij te zijn, als ik het had geweten. Dimitris dacht dat ik in Nederland was en stuurde mij het bericht pas na de begrafenis. Met Sofronis nieuwe vrouw, waarmee hij kort na de scheiding van Roula trouwde, had ik weinig contact. Ik heb haar een keer ontmoet in Loxias, meer niet, en waarschijnlijk heeft zij niet eens mijn telefoonnummer. Als ik Sofronis de laatste jaren zag was dat op de universiteit of in Loxias. Hoe dan ook, ik was er niet bij en dat geeft een naar gevoel. Het drukt je ook weer hard op het feit dat we allemaal mensen van de dag zijn. Het kan best dat ik negentig word, waarschijnlijk is dat niet. Al dat geklets over de vergrijzing lijkt mij onzinnig. De generatie van onze ouders telt inderdaad veel mensen die stokoud zijn geworden, maar de onze heeft te veel te lijden (gehad?) van al die onbekommerde atoomproeven in de atmosfeer van de jaren vijftig en de gigantische toename van de luchtvervuiling door de automobiel en de industriële groei, terwijl ik niet durf te denken aan alle rotzooi en troep die ongemerkt in ons voedsel terechtkomt. Onze generatiegenoten sterven bij bosjes aan de een of andere vorm van kanker en die krijgen ze niet op hoge leeftijd.

Sofronis is overigens aan een hartstilstand overleden. Vierenzestig geworden. Twaalf jaar geleden kreeg hij een zware hartaanval, die hij ternauwernood overleefde. Wij waren toen in Thessaloniki en hebben hem nog opgezocht in het universiteitsziekenhuis. Daar onderging hij een ingewikkelde operatie. In de jaren daarop ging het goed. Hij was alleen wel een zware workaholic. Hij hield van zijn werk als decaan van de Pedagogische Faculteit, was een zeer vruchtbaar onderzoeker en schrijver en hij rende van het ene congres naar het andere. Als taalkundige was hij niet alleen een goede vriend van je, maar ook een waardevolle collega, die jou, ons beiden, vaak met raad en daad terzijde stond. Gedrieën maakten we in 1992 het speciale nummer van Kruispunt over de geschiedenis en cultuur van Thessaloniki, een publicatie waaraan de critici in Nederland, net als aan Wij wonen in een taal, geen woord vuil maakten. Alleen het tijdschrift Lychnari, gespecialiseerd in wat speelt in het Griekenland van nu, besteedde er aandacht aan. Deels schrijf ik dat toe aan het feit dat Kruispunt in Brugge verscheen, wat voor snobistische Nederlanders alleen al genoeg is om de neus op te halen. Aan de andere kant kun je je afvragen in hoeverre men in Nederland belangstelling heeft voor de hedendaagse cultuur van Griekenland en Cyprus, vooral als zelfs de eigen cultuur op minimale interesse kan rekenen.

Aan de andere kant merk ik vaak dat in Griekenland ook maar geringe belangstelling voor Nederland bestaat en dat de gemiddelde Griek er even weinig van weet als de gemiddelde Nederlander van Hellas. Ja, het standaardgeklets over tulpen, de ramen op de wallen en de coffee shops, zoals wij het hebben over de Akropolis, zee, zon en ouzo. Onlangs raakte ik in Loxias met een jongeman aan de praat die verbaasd was om te horen dat Nederland in de Tweede Wereldoorlog door Duitsland was bezet en dat er, net als in Griekenland, verzet werd gepleegd. Hij had altijd gemeend dat de Nederlanders, met dat taaltje dat zo op Duits lijkt voor een buitenlands oor, aan de kant van Hitler stonden. Dat dacht hij trouwens ook van België en de Scandinavische landen, uitgezonderd Finland, want daar zaten volgens hem de Russen. Die jongen is afgestudeerd bioloog en dus niet eens een gemiddelde Griek. Wel een onbereisde dorpeling, hij was nog nooit over de grens geweest, biechtte hij op.

Ik ontmoette in Loxias ook een aardig stel, net dertig, dat vertelde over het eiland Ikaria, waar alle autochtonen, in weerwil tot wat ik hier boven beweer, over de honderd schijnen te worden. Er heerst volgens hen eenzelfde soort, haast magische, sfeer als op Samothraki. Zij raadden mij dringend aan er heen te gaan, maar dan wel in het najaar, als het toeristenseizoen aan het aflopen is, maar er nog allerlei festivals schijnen te zijn. Ik vertelde hen van Skyros. Daar bleken ze deze zomer te zijn geweest. Ze waren er laaiend enthousiast over. Ze konden overal vrij kamperen en vooral het noorden, met zijn weelderig groen, had hun hart gestolen. Dat enthousiasme om ergens zonder faciliteiten onder een boom je tentje op te zetten kon ik niet delen, maar dat schrijf ik maar toe aan het feit dat ik dertig jaar ouder ben en zelfs de luxe camping al jaren ontgroeid. Ik zie ons nog in 1989 op de universiteitscamping in Posidi, in dat piepkleine tentje van je, waarin we net pasten, zodat we de auto als bergruimte moesten gebruiken. Het was erg gezellig, maar 's morgens vroeg met een pleerol onder je arm en een flinke kater naar het communale sanitair sjokken, nee, ik zie het mij nooit meer doen.

In gedachten, altijd,

Kees

Foto: auteur


maandag, oktober 27, 2014

Muzikant




Ze kwam op een avond mee met de muzikant. Een opvallende verschijning. Ouderwets, kort haar dat aan een Franse studente uit de jaren vijftig deed denken. Evenals haar kleding. Zonder opsmuk, strak en overwegend zwart. Nog net geen coltrui. Als ze sprak had ze het gezicht van een verwachtingsvol, jong meisje. Als ze luisterde dat van een bezorgde vrouw van middelbare leeftijd. Kinderen net in de puberteit, ouders tobbend met kwalen.

De muzikant zei dat hij was gestopt met roken en dat hij het volhield. Zij stak de ene sigaret na de andere op. Journalist, zei ze, bij de grootste krant van de stad. Nee, geen kinderen. Ze vroeg naar de mijne. Ik vertelde haar over mijn boeken en vertalingen. In zei dat ik weleens bij de krant op bezoek was geweest. We gingen op zoek naar gezamenlijke bekenden. De dichter Thanasis Georgiadis, die de redactie van Stella's bundel heeft gedaan. Bij een bevriend hoogleraar had ze college gelopen.

De muzikant pakte een gitaar van de muur en speelde ons zijn nieuwe composities voor. Het werd ver na middernacht. We wisselden adressen uit en telefoonnummers. Het roken maakte haar extra aantrekkelijk. Ik vind rokende vrouwen vaak aantrekkelijk. Toen we afscheid namen pakte ze de hand van de muzikant. Net alsof hij blind was en zij hem moest leiden.

©Kees Klok


Foto: auteur


zaterdag, oktober 25, 2014

Oorlogszuchtig vertoon




Het is een koude en regenachtige najaarsdag. Toch is een klas van de school tegenover de bakker aan het oefenen voor de parade op 28 oktober. Ze moeten als soldaat leren marcheren. In de maat, de armen tot boven de schouders omhoog. Het is een idioot gezicht, maar de kindertjes, een eerste of tweede klas, hebben er plezier in. Ze weten nog niets van een bedenkelijk verschijnsel als nationalisme. Een groepje ouders kijkt toe. Een juffrouw doet het voor. Het lijkt of ze voor clown speelt.

Op 28 oktober 1940 begon een oorlog tussen Griekenland en Italië, nadat de Griekse dictator Metaxas op een ultimatum van Mussolini 'nee!" had geantwoord. 'Oxi' in het Grieks. 28 Oktober is nu 'Oxi-dag.' De Grieken versloegen de Italianen, die vanuit Albanië binnenvielen en dreigden hen in zee te drijven. Toen greep Hitler in. Via Joegoslavië vielen de Duitsers met een overmacht binnen. Daarna vocht het verzet met grote moed tegen de bezetters. Na de aftocht van Duitsers, Italianen en Bulgaren brak een bloedige burgeroorlog uit. Die duurde tot 1949.

De Grieken vieren op 28 oktober de overwinning op Italië met optochten van scholieren en met een grote militaire parade in Thessaloniki. Met veel nationalistisch, oorlogszuchtig vertoon en met de aartsbisschop op de eerste rij, maar wat bereid om de wapens te zegenen.

©Kees Klok

Foto: www.militaryphotos.net



donderdag, oktober 23, 2014

Brieven aan Stella (21)




Lieve Stella,

Ik schijf je vanuit de bar van hotel Achilleion in Aspous op Skyros, waar ik nu voor de zesde keer logeer. Een paar dagen genieten van de rust, de bergen en het charmante stadje Skyros. Het bevalt weer goed in het hotel van Roos en Nikos. Ik wandel veel, schrijf veel, lees veel en drink veel. Gisteren op de platia zelfs een jus d'orange. Wat had ik je graag meegenomen naar het bijzondere Faltaits Museum, vanwaar je een prachtig uitzicht hebt over het eiland en de Egeïsche Zee. Ze hebben er, onder veel meer, een bijzondere en kostbare collectie oude boeken, maar geld voor conservering ontbreekt, zodat ze met de jaren dreigen te verkruimelen en te vergaan. Als ik ooit de Nobelprijs voor literatuur krijg, schenk ik een deel van de buit aan het Faltaits. Jammer dat ik Nederlander ben en niet goed genoeg, twee redenen om nooit voor die prijs in aanmerking te komen. Jammer voor het Faltaits, zonder die prijs ben ik ook wel tevreden, tenminste, zolang ik fit genoeg blijf om nu en dan naar dit heerlijke eiland te kunnen reizen.

Jij zou verrukt zijn van de decoraties in de foyer en de bar van het Achilleion. Prachtig Skyriaans aardewerk. Tijdens onze huwelijksreis kochten we op Skiathos, een van de andere Sporaden, een bord van Skyros. Het hangt nog steeds aan de muur in Dordrecht. Daar komt, als ik het Schrijfhuis verlaat, ook jouw keramiek naartoe. Die hele reeks door jou beschilderde borden, waar ik zo graag en met bewondering naar kijk. Er zijn op Skyros nog steeds werkplaatsen waar traditionele keramiek wordt vervaardigd. Ook in het Faltaits hebben ze een grote collectie. Rondom het museum liggen moes- en bloementuinen en twee openluchttheaters, een groot en een klein, intiem. In de muren daarvan zit ook allerlei aardewerk ingemetseld, wat een bijzondere sfeer schept, voor wie daar gevoelig voor is. In de zomer wordt in die theaters van alles georganiseerd. Ik heb vorig jaar geprobeerd een klein festival te op te zetten met de Dordtse Dichterskring en een aantal Griekse dichters. Ben daarvoor nog een keer op bezoek geweest bij de schrijver Pericles Sfiridis, die een Thessaloniki woont, dicht bij het stadion van ARIS, maar een flink deel van het jaar op Skyros verblijft. Ook heb ik er met mensen van het museum over gesproken. Het is niet van de grond gekomen. Het tijdstip, wij wilden in de meivakantie komen, lag voor de Grieken moeilijk. Die hadden ook geen geld en op de e-mails die ik naar het Nederlandse Letterenfonds stuurde om te informeren naar financiële ondersteuning heb ik nooit antwoord gekregen. Ik probeer nu met een groepje Nederlandse dichters en belangstellenden iets te organiseren voor de herdenking van Rupert Brooke, de Engelse dichter die op Skyros ligt begraven. Volgend jaar is het honderd jaar geleden dat hij op een hospitaalschip bij het eiland overleed.

Ik ben, evenals de vorige keren, met het vliegtuig gekomen. Vanaf Thessaloniki vlieg je met een propellervliegtuig, waar een man of veertig in kan. In de zomermaanden zal het wel vol zitten, maar in het voor- en najaar zijn er minder reizigers. Dit keer waren wij met z'n vieren. Ik ben een keer met Guus en Pita geweest, toen waren wij de enige passagiers. Vorig jaar had ik een keer het hele toestel voor mij alleen. Twee piloten en een stewardess om de heer Klok over te vliegen, dat heeft wel iets. Het mooiste is natuurlijk om met de veerboot te arriveren, in de haven van Linaria, maar om in Kimi, op Evia, te komen, vanwaar de boot gaat, moet ik een te lange reis maken. Dan moet ik eerst met de KTEL-bus van Thessaloniki naar Chalkida, geen idee hoe lang die rit duurt, maar ik schat al gauw een uurtje of vijf, en dan met een bus van Chalkida naar Kimi. Daar ben ik dan hoogstwaarschijnlijk te laat voor de boot, zodat ik er moet overnachten om de andere ochtend naar Skyros te varen. Toen wij onze huwelijksreis maakten, in 1990, waren er verbindingen met draagvleugelboten vanuit Thessaloniki naar Skiathos, Skopelos, Alonissos en ik dacht ook Skyros. Ook vanuit Volos kon je er naartoe varen, maar al die verbindingen zijn opgedoekt. Lang voor de crisis, dus die kan de oorzaak niet zijn. Wie weet zat de automobiellobby er wel achter. Die is ook grotendeels verantwoordelijk voor dat idiote besluit, midden vorige eeuw, om Thessaloniki van zijn tram te beroven. Ook vrijwel alle veerbootverbindingen vanuit Thessaloniki, de tweede haven van het land!, naar de Griekse eilanden zijn opgeheven. Op het internet vind je nog hier en daar pagina's die een hele rij bestemmingen aanprijzen, maar als je dan doorklikt om te boeken, is Thessaloniki ineens van de kaart verdwenen. Er komen tegenwoordig af en toe cruiseschepen, maar verder is het diepe treurnis wat de passagiersvaart betreft. Het toerisme zou ervan profiteren als die verbindingen er wel waren. Dan hoefden reizigers uit Midden-Europa en van de Balkan niet nog eens vijfhonderd kilometer naar het zuiden te rijden, naar Piraeus, om de boot naar een eiland te nemen, maar op een vooruitziende blik wordt de Griekse overheid zelden betrapt. Uitzondering op de regel is burgemeester Boutaris van Thessaloniki, maar die kan het ook niet allemaal in zijn eentje regelen.

Het weer is even uitzonderlijk mooi als vorig jaar, alleen waait het minder. Zo midden in zee voel je altijd wel wat wind, maar nu is dat maar een mild briesje. Wel lekker bij de wandeling van of naar Skyros-stad (een minuut of vijftig), want er moeten enkele hellingen worden genomen en dan is wat verkoeling niet onaangenaam. Overigens word mij vaak een lift aangeboden als ik onderweg ben. Soms stap ik in, als ik op de terugweg ben en moe word, maar meestal bedank ik vriendelijk, want ik ben nog steeds bezig om mijn embonpoint binnen de perken te houden, zonder dat ik er veel voor moet laten staan. Het is wel een tikje vervelend dat er geen trottoirs zijn, want ook hier rijden ze als bezetenen, maar goed, stoepen vind je vrijwel nergens buiten de steden. In ruil daarvoor hebben we een prachtig eiland, de zee, mooie stranden en een illustere geschiedenis, waarin piraterij een grote rol speelt. In de oudheid woonden hier veel nimfen, zegt de mythologie, waaronder Thetis, de moeder van Achilles. Aan de andere kant van de heuvel waarop ik uitkijk ligt de baai van waaruit hij uiteindelijk naar de oorlog om Troje is vertrokken. Die heet uiteraard de Achillesbaai. Aan deze kant van de heuvel ligt de baai van Aspous. Ik weet niet of er nog nimfen wonen op Skyros. Ik vrees dat ze van lieverlee naar Thessaloniki zijn vertrokken om zich te scharen onder die ontelbare hoeveelheid mooie meisjes daar, maar daarover heb ik in een vorige brief al bericht.

Je weet dat ik, ondanks dat ik de wijn liefheb, een man van reinheid, rust en vooral regelmaat ben. Op Skyros eet ik 's avonds altijd in hetzelfde restaurant, O Lambros, hier vlakbij. De keuken is uitstekend, de mensen zijn bijzonder vriendelijk, de prijzen heel schappelijk en als de wijn iets te gul heeft gevloeid kan ik bij wijze van spreken kruipend naar huis. In Skyros-stad bezoek ik verschillende terrasjes, maar meestal dat van Iroön bij de platia, waar ze mij inmiddels ook kennen en waar ik, net als bij O Lambros, altijd een praatje heb. Alleen vandaag niet, want ik ben uitgenodigd bij Roos en Nikos thuis. Fijne mensen, je had ze moeten leren kennen.

In gedachten, altijd,

Kees

Foto: auteur





maandag, oktober 20, 2014

Professor




De gemeente Skyros heeft een verstandige verkeersmaatregel getroffen. In de straat naar de platia zijn drie hekken geplaatst. Voetgangers kunnen er tussendoor, maar auto's en motoren kunnen niet meer bij de platia worden geparkeerd. In noodgevallen en voor leveranciers gaan de hekken open. De Skyriaanse variant van de Dordtse pollers. Die staan mij veel te vaak open, maar dit terzijde.

Op een terras aan de platia geniet ik van de afwezigheid van blik en geknetter. Een tafeltje verder zit een echtpaar. Toeristen. Ze zijn voortdurend verdiept in hun smartphones. De enkele keer dat ze iets zeggen is dat in een onbekende taal. In deze tijd van het jaar zijn er weinig toeristen. Je herkent hen direct. Ze lopen anders dan de Skyrianen, kijken anders en hebben meestal iets flodderigs aan. Vaak dragen de mannen een korte broek. Deze man niet. Hij is sportief, maar beschaafd gekleed. Ik denk dat hij professor is.

Af en toe dwaalt zijn blik af. Als hij van zijn koffie drinkt en steeds als er Skyriaanse meisjes voorbij lopen. Heel strakke, zwarte leggings zijn de courante mode op Skyros, behalve onder religieuze meisjes. God haat mooi gewelfde dijen. De professor kijkt de meisjes na tot ze om een hoek verdwijnen. Ik schat hem van mijn leeftijd. Ik voel een zekere solidariteit, ondanks die smartphone.

©Kees Klok


Foto: auteur


zaterdag, oktober 18, 2014

Nimfen




Ik zit in een cafeetje. Eén van de vele in het centrum van de 'hoofdstad' van het eiland. Het is een afgelegen, Grieks eiland. Een keer per dag een veerboot, drie keer per week een vliegtuig. Het heeft zo'n drieduizend inwoners. Ze kennen elkaar allemaal. Ik ken er maar tien. Een paar daarvan zijn Nederlanders. Zij wonen op het eiland. Daarom weten ze alles van de mensen. Hun liefdes, hun vetes, wat ze goedkeuren, wat ze afkeuren. De mensen keuren het bijvoorbeeld af dat jonge weduwes niet meer hun leven lang in zwarte kleding willen lopen.

De Nederlanders spreken de taal. Hun kinderen zitten op het eiland op school. Als ze willen studeren moeten ze van het eiland af. Naar de herrie, de chaos en de criminaliteit. De Nederlanders hebben zich aangepast. Min of meer. Ze klagen over het onderwijs. Daaraan ligt geen enkele onderwijskundige visie ten grondslag, zeggen ze.

Ik klaag niet als ik op het eiland ben. Ik weet niets van wat leeft onder de mensen. Als gast word ik op handen gedragen. Het eiland is uitzonderlijk mooi, zolang de regering geen windmolenpark bouwt. Als ik een wandeling maak wordt mij steeds weer een lift aangeboden. Vroeger woonden er nimfen. Ik geniet van de magische sfeer die ze hebben achtergelaten. Zolang ik maar in onwetendheid blijf.

©Kees Klok

Foto: auteur



donderdag, oktober 16, 2014

Brieven aan Stella (20)




Lieve Stella,

De zon schijn in het Byzantijnse rijk, althans op de plek waar ik mij bevind. Ik ben net terug van dokter Tsantilas, chirurg, die de hechtingen uit mijn vinger heeft gehaald. Ik was in een kwartier uit en thuis. Het is in de buurt, op Lambraki, en ik hoefde nog geen vijf minuten te wachten. Een echte doctor, want hij is gepromoveerd. In tegenstelling tot al die verhalen die je hoort over geknoei met de rekening, kreeg ik keurig, zonder ergens om te vragen, een kwitantie voor het juiste bedrag. Twee tientjes en een prettig weekeinde gewenst. Ik had hem nog iets willen vragen over mijn kop, maar bedacht me. Een chirurg moet je niet lastigvallen met een dermatologisch probleem.

Gisteren bij Inglis at ik fava en gesauteerde paddestoelen van een voor mij onbekend merk. Tegen het einde van de maaltijd verscheen er een kloppende, rode vlek op mijn voorhoofd. Het ging daar ook opzetten. Een allergische reactie, denk ik, al zou ik niet weten waardoor, maar ik heb, net als toen ik een kind was, ook weleens last van een plaatselijke galbult. Hoe dan ook, thuis heb ik maar zo'n anti-histaminepilletje genomen, dat ik ook gebruik tegen hooikoorts. Het trok van lieverlee weg. Nu zit er alleen nog een bultje. Het kan ook een insect zijn geweest. Je bent er wel bij, maar je hebt niet overal ogen. In ieder geval heb ik geen insect gezien, maar om daar nou bij een chirurg navraag over te doen. Ik heb er maar wat fenistil op gesmeerd. Daar zit dimetindene maleate in. Ook tegen de histamine. Baadt hij niet, enzovoorts. Jij had altijd geluk als er ergens muggen waren, want die gaven onveranderlijk de voorkeur aan mijn bloed.

Ik lees De Middellandse Zee van Fik Meijer. Gaat niet alleen over de geschiedenis van het zeegebied, maar ook over zijn persoonlijke banden ermee. Hij schrijft zoals hij vertelt. Ik heb nooit college bij hem gelopen, maar ik hoor hem regelmatig op de radio. Het is een genoegen om te lezen en dat ook nog eens met de Middellandse Zee om de hoek. Straks zit ik er weer middenin, want ik ga even op retraîte naar Skyros. Weer met dat kleine propellervliegtuig vanaf hier. Ik wilde eerst via Athene en daar overnachten om Vaso en Alexis te zien, maar die komen binnenkort hierheen, nog voor ik weer vertrek. Ik ben van plan om Vaso een ruime keuze te laten maken uit jouw bibliotheek. Die kan niet helemaal mee naar Nederland als ik afscheid neem van het Schrijfhuis, dus moeten Vaso en Marina de boeken maar onderling verdelen. Dat staat tenslotte ook zo in mijn testament. Nu ben ik nog niet van plan om het anker te lichten, zoals Gerard Reve dat zegt, maar dan is dat alvast maar gebeurd. De bijzondere boeken houd ik wel. Wat moet er met al het studie- en onderwijsmateriaal gebeuren, dat jij in al die jaren hebt verzameld?

Gisteravond hebben Ioannis en ik in Loxias langdurig zitten filosoferen over het onderwijs, of liever, over het taalgebruik in het onderwijs. Over de vraag hoe je de taal zo gebruikt dat je dieper komt dan de weetjes en de feiten. Dan kom je al gauw bij de etymologie terecht, Ioannis zijn grote liefde. Ik vertelde hem dat jij ook gefascineerd werd door etymologie. Weer een reden om te betreuren dat we Loxias niet tijdens jouw leven hebben ontdekt, een feit dat mij steeds meer een raadsel wordt. Jullie zouden avondenlang over etymologie hebben kunnen praten. Omdat Patrick Modiano de Nobelprijs voor literatuur heeft gekregen, deed Ioannis mij zijn roman ΑΝΘΗ ΕΡΕΙΠΙΩΝ (FLEUR DE RUINE) cadeau. Mooi om mijn Grieks bij te houden, dat ik tegenwoordig vlotter lees dan Frans. De vertaling is van Manolis Kornilios. Zo blijkt mijn voornaam ook een Griekse achternaam te kunnen zijn. Het is een uitgave uit 1992 alweer, van Odysseas. Die uitgeverij bestaat niet meer, omdat de uitgever inmiddels is overleden. Het wordt dus misschien wel een zeldzame editie.

Soms begrijp ik Ioannis niet helemaal. Hij klaagt voortdurend dat het slecht gaat met de zaak. Gisteren was het inderdaad weer eens angstwekkend leeg, maar het was overal stil in de buurt. Hij wil echter wel de rest van mijn gedichten (dus alles buiten wat in de Griekse bundel staat) laten vertalen voor een tweetalige, Grieks-Nederlandse, uitgave. Ik zie het er niet zo direct van komen, maar mocht het ooit gebeuren dan lijkt het mij beter, alleen al vanwege de efficiëntere werkwijze, dat Liverse de uitgave verzorgt en Ioannis zich toelegt op de publiciteit en verkoop in Griekenland en op Cyprus. Ik bewonder wel in hem dat hij ondanks crisis en tegenslagen de moed erin houdt. Ik ben alweer vergeten te vragen of hij eigenlijk wel recensie-exemplaren van mijn Griekse bundel heeft verstuurd en of daar al enige reactie op is gekomen. Ik had bij USP ook naar jouw bundel moeten vragen. De afspraak is dat jouw royalty's en die van mijn Afrodite en Europa jaarlijks worden gedoneerd aan het kankeronderzoek van het Theogenio-ziekenhuis, maar ik wil weleens weten hoeveel dat dan is.

Toen ik jou leerde kennen, verbaasde jij je er over dat Nederlandse ouderen niet bij hun kinderen introkken, maar naar een bejaardenwoning gingen. Vanmorgen om half acht brak alweer de eerste uit van de serie dagelijkse ruzies tussen tante Betje van beneden en haar oude moeder. Twee kijvende wijven nog voor je ontbijt. Ze zijn alweer bezig. Het gescheld en gekrijs gaat door alle muren heen. Het zal zo wel doorgaan tot een van de twee er een keer in blijft. In Nederland zou de regering ook wel willen dat ouders bij hun kinderen introkken. Kunnen er nog meer bejaardenhuizen dicht en dan kunnen ze die oudjes bovendien nog korten op hun AOW. Ik ben blij dat wij geen kinderen hebben, zodat ik in de toekomst niet bij hen op het lekkende zolderkamertje naast de butagaskachel hoef. Ik denk nog weleens aan mijn moeder, die regelmatig zei: 'Jullie hoeven je nergens zorgen over te maken. Jullie worden verzorgd van de wieg tot het graf.' Een wijze vrouw, mijn moeder, maar ook zij was geen helderziende.

In gedachten, altijd,

Kees

Foto: auteur


maandag, oktober 13, 2014

Zonsondergang




Een zonsondergang boven zee kan mooi zijn, maar verder houd ik er niet van. Het maakt melancholisch. Het daglicht wijkt voor kunstlicht of duisternis. Het is afwachten of je de volgende zonsopgang nog haalt. Het is een confrontatie met waar we allemaal op afstevenen, voor het gevoel met ongekende snelheid.

Tegen zonsondergang maak ik een wandeling. Die onderbreek ik bij een café voor een fiooltje raki. Het is een klein café met een klein terras. Ik ben er geen vaste gast, maar een enkele keer ga ik even zitten en kijk ik naar het gedoe om mij heen. Iemand stopt midden op straat, stapt uit zijn auto en loopt een winkel in. Een andere automobilist wil er langs. Hij gaat luid claxonneren. De eerste man sloft onaangedaan naar zijn auto, stapt in en rijdt weg. Er lopen studenten voorbij en pubers op weg naar bijles. In Griekenland heeft iedere puber bijles.

Vandaag heb ik een extra reden om te gaan zitten. Dat is Sanaz. Zij is restauratie-architect en gaat volgend jaar aan de Politechneio promoveren. Zij is Perzisch en houdt van dit land. Ze is de taal aan het leren. Op de taalschool en door haar nieuwe baantje in het café. Tussen het werk door kletsen we bij. Een architecte van naam die mij bedient. Het voelt raar.

©Kees Klok


Foto: archief auteur


zaterdag, oktober 11, 2014

Brieven aan Stella (19)




Lieve Stella,

Van vrienden op Kreta hoor ik dat het giet van de regen. Hier is het, zoals het hoort in deze tijd van het jaar, mooi weer. Ik geniet ervan op het terras van restaurant Inglis in de Ano Poli. Vanmorgen had ik een gesprek met Leonidas Michalis van University Studio Press, over een mogelijke vertaling van De 'reddende' revolutie van Djamila Zon. Hij is er beslist in geïnteresseerd, maar moet natuurlijk kijken of het financieel haalbaar is. De crisis, nietwaar, die alles beïnvloedende crisis, waarvan veel vooraanstaande economen zeggen dat de neo-liberale aanpak volstrekt de verkeerde is. Pas stond er nog een overtuigend betoog door Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz in de Guardian. De betonkoppen in Brussel, Berlijn en Den Haag trekken zich er niets van aan en gaan gewoon voort op de heilloze weg naar de catastrofe. Het is een wonder dat er in Griekenland nog geen burgeroorlog is uitgebroken. Ik ben allesbehalve gerust op de toekomst, maar voorlopig dansen we nog door op de rand van de vulkaan.

De gastvrijheid van je landgenoten lijdt er voorlopig niet onder. Mij werd zojuist voor een luttel bedrag een kloeke karaf raki geserveerd en de schotels zijn weer van een formaat dat ik het allemaal onmogelijk op kan. Gisteren ben ik te voet van Ano Toumba naar het centrum gegaan. Vóór Loxias ben ik even bij Emigré neergestreken, aan het begin van de Svolou, vlakbij de Angelaki. Daar kreeg ik bij mijn bier niet alleen de gebruikelijke chips en nootjes, maar ook de buurman, die een snackbar uitbaat, bood mij een schoteltje pita met rundvlees aan. Zomaar voor de aardigheid. Kom daar in Dordt eens om. Dat je bij Olympiada op het terras zit en de baas van Centre Ville je ook een borrelhapje cadeau komt doen.

Schuin tegenover Emigré, aan de Angelaki, staat een gebouw van de publieke omroep, die vorig jaar door de regering werd afgeschoten. Het is niet meer in gebruik, in tegenstelling tot dat aan de Leoforos Stratou, dat nog steeds door het voormalig omroeppersoneel, dat via het internet uitzendt, wordt bezet. Het is nog wel behangen met spandoeken die oproepen tot verzet. Ik werd er een beetje melancholiek van. De vergeefsheid en de wanhoop die eruit spreekt. De publieke omroep in Nederland mag zich ook zorgen maken vanwege alle ongefundeerde kritiek uit rechts-populistische hoek, maar de manier waarop de Griekse regering te werk is gegaan is hoogst bedenkelijk, om het mild te formuleren. 

Ik had nooit een hoge pet op van de kwaliteit van ERT en NET, al werd er op prime time nog weleens een interview met een dichter of een literaire documentaire uitgezonden, maar vergeleken met wat de commerciële, Griekse stations op de buis brengen, waren ze toch een beetje wat de VPRO is in het Nederlandse bestel. Ik zou jouw kritische commentaar weleens willen horen op wat er zo allemaal in Hellas gebeurt. Zonneklaar is in ieder geval dat van de juichende verhalen uit de koker van de regering, over het verbeteren van de economie, tot nu toe in het leven van alle dag niets te merken is. Tijdens mijn wandeling zag ik alleen maar nog meer winkels die de deuren hebben gesloten. Het is weer een wonder dat Loxias gistermorgen de huur voor deze maand kon betalen, omdat de avond ervoor plotseling een heel orkest van twintig man na de voorstelling binnen kwam vallen. Ze zijn tot vier uur in de ochtend blijven plakken, vertelde Sofia.

Loxias zit aan een wandelstraat, bij Emigré hoor en zie je het verkeer over de Angelaki razen. Ik moest denken aan het terras van Visser, waar dagelijks aan het eind van de middag een paar zielepoten op quads voorbij denderen om hun egootje wat op te vijzelen, terwijl de politie de andere kant op kijkt. Quads heb ik hier nog niet gezien, wel een overvloed aan luidruchtige motoren. Hoe kleiner de pik, hoe groter de herrie. Ik ben niet zo van hard aanpakken en verbieden, helpen doet het toch niet. Daarom sluit ik mij af voor dat kabaal en voel ik ondertussen enig medelijden voor zo'n sukkel. Het zou je partner maar zijn. Je ziet hier veel stelletjes op een motor. Hij vaak in een leren pak en soms met helm (al is het natuurlijk stoerder die niet op te zetten, maar aan je arm te hangen), zij meestal in een luchtig zomerjurkje en zelden een helm. En dan maar lekker zo snel mogelijk slalommen tussen de auto's.

Het meisje dat bij Emigré bediende was niet alleen heel vriendelijk, maar ook van een ongekende schoonheid. Als heer op zekere, licht gevorderde leeftijd dien je je plaats te weten, maar ik genoot werkelijk van haar aanblik. Jij kon mooie vrouwen ook wel waarderen. Hoe vaak stootte je mij niet aan en zei je: 'Kijk, daar gaat weer zo'n engelachtig mooi meisje.' Weet je nog dat ik eens een prijs gewonnen heb met een kort verhaal dat ging over de waardering die de Byzantijnse keizers hadden voor schoonheid van de vrouwen van Thessaloniki? Het stond, lang geleden alweer, in het e-zine Meander. Die keizers hadden er kijk op en ik ben natuurlijk niet voor niets met jou, een meisje uit Thessaloniki, getrouwd.

In gedachten, altijd,

Kees


Foto: auteur


woensdag, oktober 08, 2014

Muze & rechterhand




Toen ik Marion leerde kennen, woonde ik in het krotje in de Marcellus Schampersstraat, dat ik voor een prikje had gekocht. Van een getuige van Jehova, die, overtuigd van de spoedige ondergang van de wereld, aan onderhoud niets had gedaan. Met Annemarie, mijn eerste vrouw, knapte ik het op, met veel oranje en bruin. Er was geen douche. Die hadden we niet nodig met mijn ouders op loopafstand.

Na een jaar koos Annemarie haar eigen weg. Twee jaar bleef het voornamelijk stil in de Marcellus Schampersstraat. Even deelde ik het huis met een neef uit Engeland, tot hij introk bij een vrouw uit de beeldende kunst. Toen ik Marion leerde kennen was het zo'n meisje dat het liefst rafelige spijkerbroeken en versleten t-shirts droeg. Ze was zowel vrijgevochten als aandoenlijk aanhankelijk. Hoewel tien jaar ouder, vond ik dat we goed bij elkaar pasten.

Zij zocht contact. Er lag een gedicht op de deurmat. Ik was gevleid. Zij werd muze en rechterhand in praktische zaken. Als het dak lekte, klom zij erop om het te repareren. Zij schroefde de knip op de achterdeur, die niet op slot kon. We hadden enkele mooie jaren, daarna spraken we elkaar nog weleens in Visser of Pictura. Ze stierf jong. Ik kon niet op de begrafenis zijn. Het deed meer pijn dan verwacht.

©Kees Klok

Foto: auteur



maandag, oktober 06, 2014

Over Brieven aan Stella





Bericht aan enkele verontruste lezers en lezeressen:

Aan de serie Brieven aan Stella wordt rustig doorgewerkt. Een van de Brieven zal verschijnen in het najaarsnummer van het letterkundig tijdschrift Ballustrada. Ook op het weblog zullen nog Brieven komen. Daar moet echter ook ruimte zijn voor andere zaken, maar dat betekent niet dat het project ten einde is gekomen.

Foto: Kees Klok


Ukelele



Feest in de stad. Big Rivers heet het festival. Het terras van Visser puilt uit. De zon schijnt alsof ze voor het festival is gecontracteerd. Vanaf het Scheffersplein klinkt muziek. Het is een van de vele podia waarop wordt gespeeld of getetterd. Ik zou die allemaal moeten aflopen met mijn camera, maar ik neem nog een bier. Langs de hele Groenmarkt staan kramen. Kramen met ijs, patat, exotische eetwaren, kralen en spiegels.

De mensen stromen langs. Tegenover Visser staat een kraam waarin ukeleles worden verkocht. Een ukelele is onder de snaarinstrumenten wat de dwergpony is onder de paarden. Sommigen denken ook het malle tweelingbroertje van de baglamas. Hoor je een baglamas dan begint niemand meewarig te lachen. Een ukelele roept al snel een gegeneerd glimlachje op. Een ukelele wordt meestal pas leuk als iedereen ladderzat is.

In de ukelelekraam zit een groepje gelovigen. Soms doen ze iets op hun dwergpony. Een meisje plopt op een theekistbas het ritme. De meeste mensen lopen aan de kraam voorbij, maar opeens komt een twintigtal tienermeisjes aangerend, met een man in een blauw overhemd. Ze beginnen te kwekken met de gelovigen. Schel, knauwend gekwek. Jonge, Amerikaanse zendelingen. Ze zwijmelen bij de ukeleles. Eén meisje heeft prachtig rood haar. Voor ik verliefd kan worden, heffen ze een religieus lied aan. Een tijdige waarschuwing. 

©Kees Klok

Foto: auteur


zaterdag, oktober 04, 2014

Condoom




Er moesten een nieuwe oven en een gasstel in de keuken worden ingebouwd. Van de oven was de deurhandel afgebroken. Die kon niet worden vervangen. De oven bleek te oud. 'Te oud?' dacht ik. 'We hebben toch een nieuwe keuken genomen?' Dat was twintig jaar geleden, maar omdat ik al vierendertig jaar in hetzelfde huis woon, denk ik nog steeds dat het een nieuwe keuken is.

Nadat alles was geïnstalleerd besloot ik mezelf een klassieke citruspers cadeau te doen. Ik pers iedere ochtend twee sinaasappels uit voor bij het ontbijt. Het is een mooi, verchroomd exemplaar, maar hij werkt wat stroef. Ik ben geen geduldig mens en ik laat mij niet door een apparaat de wil voorschrijven. Ik zette te veel kracht, schoot uit en knalde met de wijsvinger van mijn rechterhand op de vlijmscherpe rand van de broodtrommel. Daar was het beschermende rubberlaagje vanaf. Ik had het nog niet teruggeschoven.

Van onder de pleister bleef het bloed stromen. Een snelverbandje hielp ook al niet. Uiteindelijk heeft de dokter het gehecht, waardoor ik niet meer bloed, maar wel onthand ben. Ik ben rechtshandig, kan die wijsvinger moeilijk missen en bovendien mag het niet nat worden heeft de assistente gezegd. Ik ga met een condoom om mijn vinger onder de douche en sinaasappels persen doe ik even niet meer.

©Kees Klok


Foto: auteur


donderdag, oktober 02, 2014

Toren




Ik zit met vrienden te eten. In een toren, een koker gemaakt van glas en staal. Wij zitten op de achttiende verdieping en kijken uit over het oneindig laagland. We zien een snelweg en het stadion van Ajax. Voor het stadion is het een rommeltje van huizen en bedrijfsgebouwen. We zien ook een meer. Ik weet niet welk meer en dat met een negen voor aardrijkskunde. Ooit.

Vanaf onze tafel kijken we op een gevangeniscomplex. Een jeugdgevangenis, zegt iemand. Als het donker wordt gaan achter zeer smalle ramen de lichten aan. Daar zit een jong boefje, denk ik, en daar en daar. Je kunt niet iedere crimineel zomaar zijn gang laten gaan, maar ik geloof niet echt in de heilzame werking van gevangenisstraf. Misschien moeten we terug naar het schandblok met de rotte tomaten en eieren.

Het landschap verandert in een lichtspel. Ik ben een laag-bij-de-gronds mens. Op grote hoogte dineren, op een achttiende verdieping van glas en staal, is een aanslag op mijn zenuwgestel. Ik moet mijn hoogtevrees onderdrukken. Ik verwacht vannacht angstdromen van staan op een richel met aan mijn voeten een peilloze diepte. De vrienden die ons hebben uitgenodigd pakken groots uit. Het ene gerecht na het andere, terwijl de wijn almaar blijft vloeien. De alcohol dempt de angst. Dankbaar blijf ik drinken.

©Kees Klok

Foto: auteur