zondag, maart 20, 2016

Brief aan Stella (15)




Lieve Stella,

Ik weet zeker dat je zou hebben genoten van de poëzieavond, gisteren in Villa Augustus. Niet alleen van de poëzie en van het aardige gesprek dat we hadden over het vak, maar ook van de mooie omgeving. Het was donker en er woei een gure wind over de stad, maar de tuinen lagen er, in al hun wintersheid, fraai bij. Natuurlijk was dat vooral door de sfeervolle belichting. Ik hunker naar de dag dat ik weer op het terras koffie kan gaan drinken en kan genieten van die tuinen. Of van de tuin van DOOR, waar ik op het ogenblik zit te schrijven. Denk niet dat ik niet geniet van onze eigen veranda en tuin, maar soms moet ik even onder de mensen zijn en toch werken. Dat kan uitstekend bij DOOR. Ik heb bij Villa Augustus nog niet geschreven. Het restaurant leent zich daar misschien minder voor, omdat het wel erg groot is en een slechte akoestiek heeft, maar het terras misschien wel. Ik zal het eens uitproberen, als we tenminste een fatsoenlijk voorjaar krijgen, waar het voorlopig niet naar uitziet. Al dagen wordt de temperatuur meer door een scherpe, gure wind bepaald dan door de zon, maar laat ik mijn tijd niet verdoen met klagen over het weer.

De avond werd gehouden in dezelfde zaal waar we indertijd de koffietafel hadden na het overlijden van Jacques' moeder. In de watertoren zelf, nu het hoofdgebouw van het hotel. Dichters van dienst waren Myrthe Leffring, die ook de presentatie deed, Menno Wigman en uit Vlaanderen Paul Desmet. Ik heb na afloop van elk de nieuwste bundel gekocht en die, eigenlijk tegen mijn gewoonte in, laten signeren. Meer om een gelegenheid te hebben een praatje aan te knopen, dan om de handtekening zelf. Ik geef nooit zo om literaire curiosa als eerste drukken of gesigneerde exemplaren, al vind ik het dan weer wel leuk om een paar boeken te hebben met een persoonlijke opdracht van Kees Buddingh' en Jan Eijkelboom. Bijvoorbeeld in een van Buddingh's dagboeken: 'Voor Kees K., van Kees B.' Kees nadrukkelijk niet met een C.

Ik weet niet wat mij overkomt, maar ik heb in drie dagen tijd vier gedichten geschreven. Of liever, er hebben zich vier gedichten aangekondigd, waarover ik voorlopig enthousiast ben. Dat euforische gevoel waar Menno Wigman het gisteren over had. Of ik dat gevoel over een week nog heb, weet ik niet, maar als ik dan nog even enthousiast ben, dan ben ik weer een nieuw pad ingeslagen. Spannend, want je weet niet waartoe dat gaat leiden. Ook over het proza schrijven mag ik niet klagen, al is dat een ander procedé dan dichten. Dat weet je, want dat ging bij jou eigenlijk net zoals bij mij. Wat ik al schreef: gedichten kondigen zich aan (iets wat Wim de Vries al lang voor mij constateerde). Proza schrijf je niet in de roes waarin de eerste versie van een gedicht wordt geboren. Een verhaal kun je op je gemak construeren, een gedicht dringt zich op en dringt altijd voor. Het was aardig om van de collega's in Villa Augustus te horen dat zij ook altijd een notitieboekje bij de hand houden om invallen direct te kunnen noteren, anders vergeet je die weer snel. Iemand (Buddingh'?, Eijkelboom?) heeft mij ooit die raad gegeven. Dat heeft in de nacht van maandag op dinsdag de basis voor twee gedichten opgeleverd. Ik heb ze gistermorgen na het ontbijt uitgewerkt, nog voor ik met Gerard Bouma en Jan van der Geer naar het Gemeentemuseum in Den Haag ging voor de grote tentoonstelling van Karel Appel.

We vertrokken vroeg naar Den Haag, omdat we bang waren anders in een lange rij wachtenden terecht te komen. We hadden beter moeten weten. Het museum gaat, net als het Dordtse, pas om elf uur open. Vroege vogels en musea gaan niet samen. We zijn koffie gaan drinken in een naburige, veredelde snackbar, tussen enkele luidruchtige, maar vriendelijke Hagenezen. Erg warm was het er niet, maar de koffie smaakte prima en de rij viel uiteindelijk mee. Om kwart over elf stonden we tussen de Appels. Wat ik met zijn werk aan moet, weet ik eigenlijk niet zo goed. Ik begrijp wel wat hem drijft en ik heb ook wel, wat moet ik zeggen, respect voor zijn werkwijze, want bewondering is een al te groot woord, maar als ik iets zou mogen uitkiezen om thuis aan de muur te hangen, zou ik voor een moeilijke keuze staan. Misschien een van zijn portretten, vanwege de krachtige, sprekende ogen. In sommige werken schuilt een ondefinieerbare kracht, wat Appel onderscheidt van het legioen fakers en charlatans in de eigentijdse kunst. Er hingen een paar tekeningen die geniaal van eenvoud zijn, maar toch heb ik het meeste maar voor kennisgeving aangenomen, simpelweg omdat die werken bij mij geen ontroering teweeg brengen.

We lunchten in het grand-café, op de overdekte binnenplaats van het museum, die mij deed denken aan het restaurant van de Wallace Collection in Londen. We hebben ook nog een kijkje genomen bij Judith van Gustav Klimt. Een prachtig schilderij, maar de bedoeling van het decor waarin het werd getoond, rijen verlichte en onverlichte parfumflesjes in een donkere zaal, ontging mij. Eerlijk gezegd was ik te moe om mij er in te verdiepen. We zijn tenslotte naar café De Posthoorn gegaan, want een bezoek aan Den Haag is eigenlijk niet compleet zonder een bezoek aan De Posthoorn. Weet je nog dat we daar eens waren bij de opening van een Griekse schilder die daar exposeerde? Dat was in het jaar dat jij op de Griekse ambassade werkte. Je voelde je daar aan alle kanten bespied en tegengewerkt, omdat je van het ministerie van onderwijs kwam en niet van buitenlandse zaken. Dat was niet de reden dat je met vervroegd pensioen ging, maar het droeg wel bij tot je beslissing. Had je die niet genomen, dan was je misschien nooit poëzie gaan vertalen en zelf gedichten gaan schrijven, al kun je dat nooit met zekerheid zeggen.

Het is negen uur in de avond. De verwarming staat hoog. Het was vandaag wel weer guur genoeg buiten. Om drie uur ben ik bij DOOR vertrokken naar het Stadscafé, waar ik een bespreking had met Linda Wouters, pedagoge en schrijfster, die op 17 april optreedt op de Dordtse Middag van het Kort Verhaal. Halverwege het gesprek werd ze gebeld: ze was oma geworden. Bijna op hetzelfde ogenblik kwam Becky binnen, een Amerikaanse vriendin van haar, die al twintig jaar in Dordt woont. We hebben het heugelijke feit toen maar even gevierd. Daardoor kwam er van koken niet veel meer. Ik had nog wat soep staan en ik heb een diepvriespizza in de oven gezet. Die eet ik zelden of nooit, maar een gelovige kan niet constant bidden. We lopen de calorieën er wel weer af. Jij zou diepvriesvoeder niet goedkeuren. Jij moest alles vers en weloverwogen, daarom is het des te ironischer dat uitgerekend jij maagkanker kreeg. Onlangs werd bekend dat een chemische fabriek, hier hemelsbreed drie kilometer vandaan, jarenlang een of andere giftige stof heeft uitgestoten. In de lucht, maar het schijnt ook in het leidingwater te zijn aangetroffen. Dat geeft te denken, maar dan dringt zich de vraag op waarom jij wel en zoveel anderen niet? Wat luchtkwaliteit betreft leven wij in het meest vervuilde deel van Europa. Dat heeft gevolgen, maar daar hoor je Fons Nijpels, die griezelige anti-rook ayatollah, niet over. Die gaat wel jammeren als ik op een terras mijn pijpje rook. Je weet dat ik een mild en verdraagzaam mens ben, maar ze moesten hem de tong uitrukken!

In gedachten, altijd,

Kees

Dordrecht, 16 maart 2016

Foto: auteur







1 opmerking:

Hans Valk zei

Staan er nu voor Appel in het Haagse Gemeentemuseum ook al rijen?

Een paar weken geleden waren wij er ook, maar we zijn eerst even naar het strand gegaan. Het was mooi weer. Geen idee of er toen een rij stond, trouwens. Dat strand is aan te wandelen vanaf het museum en bij terugkomst, om een uur of drie (meer dan twee uur zijn er voor de Appel-tentoonstelling niet nodig en we hebben een museumjaarkaart), liepen we zó naar binnen.

De betekenis van Appel? Ik zou het ook niet weten.
Wat ik wel weet is dat ik tamelijk vrolijk werd van zijn werk. Je proeft de levenslust en hoewel de tentoonstelling probeert aan te tonen dat "ik rotzooi maar wat an" met een korrel zout moet worden genomen, denk ik toch dat Karel een impulsief gevoelsmens was. Ooit zag ik een documentaire over hem van Wim Kayzer (die man met dat ooglapje), waarin hij vertelde dat hij graag tijdens de schemering rondwandelde in een stad, om de sfeer te proeven. En ook dat je, staande voor een goed kunstwerk, "je bek houdt".

Of ik wat van Appel aan de muur zou willen hebben? Zeker wel! Misschien wel een van zijn wat rustiger schilderijen, want in je woonkamer wil je niet steeds worden geconfronteerd met al te veel retteketet. Maar wel iets waar ik vrolijk van wordt. En dat is bij Karel niet zo moeilijk te vinden, zoals ik al schreef..