zondag, juni 26, 2016

Brief aan Stella over stoppen, sluiten en weglopen




Lieve Stella,

Het is weer zo'n deprimerende, regenachtige zondagmorgen, waarvan we er deze zomer veel te veel hebben. Normaal gesproken vind ik dan wat verpozing, om het beladen woord troost niet te gebruiken, in het beluisteren van het geschiedenisprogramma OVT op Radio-1. Helaas heeft iemand op het Mediapark bedacht dat vanwege het voetbaltoernooi om de Europese beker en de naderende Olympische Spelen, Radio-1 zich vooral moet bezighouden met sport, waardoor we nu zitten opgescheept met het programma De Sportzomer, waarvoor veel moois moet wijken. Ik heb niets tegen sport, maar geschiedenis is boeiender en van overvoeren word je misselijk. Ik wijk regelmatig uit naar Radio-4, maar soms wordt het klassieke mij ook iets te veel. Ik heb net na mijn ontbijt niet altijd behoefte aan het Ave Maria, hoe mooi dat op zich ook is. Toen ik trouwde met Annemarie, op 19 december 1974, heeft haar vader het voor ons gezongen, maar dit terzijde. Die datum lijkt langzamerhand een dag uit mijn eigen klassieke oudheid. Als ik het mag beleven, word ik dit jaar vijfenzestig, maar op mijn AOW moet ik dan nog negen maanden wachten. Als ik een kortzichtige, rancuneuze aanhanger van extreem rechts was, of een populistische SP'er met zand in m'n ogen, zou ik roepen dat dat de schuld van Brussel was en niet van de PvdA, die, om te mogen vrijen met de VVD, al haar oorspronkelijke principes onbekommerd overboord heeft gezet. Maar ach, vergeleken bij de gemiddelde Griek ben ik zeer welvarend en mijn gezondheid gaat goed vooruit, dankzij de hartrevalidatie, dus mij hoor je niet klagen.

Zojuist ben ik hiernaast Saartje gaan voeren, want buurvrouw Elvira is naar een popfestival en komt pas ergens in de loop van de avond terug. Ik moet er niet aan denken. Twee nachten in een tentje, drie dagen in de drukte en dan ook nog met al die buien tussendoor. Dat heeft niets met mijn leeftijd te maken. Ik ga weer met volle teugen genieten van het Big Rivers festival, dat op 16 juli begint, maar daar kun je af en toe een rustig plekje opzoeken en 's avonds lig ik gewoon in mijn eigen bed. Saartje loopt geregeld bij me binnen, als de verandadeuren openstaan. Vaak als Elvira er niet is, want het is een gezelligheidsdier. Ze doet wel of mijn huis ook van haar is. Onlangs trof ik mejuffrouw slapend aan op de bank in mijn werkkamer, maar dat is natuurlijk de houding van alle katten: jullie wonen bij ons, niet andersom. Soms laat ik haar niet binnen, bijvoorbeeld als ik aan het koken ben, en ik zet haar weleens buiten, als ik weg moet. Dan kan ze heel verontwaardigd kijken.

Ik heb al dagen niets in de tuin kunnen doen. Door alle regen is het veel te modderig en heeft het onkruid vrij spel. Het achterste gedeelte laat ik wild, daar haal ik af en toe alleen zevenblad, brandnetels en distels weg. In het voorste deel heb ik vlijtige Liesjes gezet. Er moeten nog meer bloeiende planten in, maar dat kan alleen als het een paar dagen droog is. Nu is het een soort moeras. Voorlopig kan ik mijn tijd beter besteden aan nuttige dingen als het vertalen van poëzie en het schrijven van aangrijpende verhalen. Er ligt een stapeltje gedichten van Joanne Limburg op vertaling te wachten, maar ik heb daar nog niets aan gedaan en ik heb ideeën zat voor verhalen, maar ook daar is het nog niet van gekomen. Wel heb ik pas een paar geslaagde gedichten geschreven. Dat is in elk geval iets. Gisterenmorgen heb ik aan het einde van het lokale radioprogramma Studio De Witt een gedicht uit mijn bundel Het is al laat voorgelezen. Ik doe dat wel vaker. Dan is het ook altijd aardig om naar de studio te gaan, wat maar vijf minuten fietsen is. Hoe lang dat nog kan, is de vraag, want de gemeente wil de subsidie gaan beperken. Een slechte zaak, waarin de grootste partij, Beter voor Dordt, zijn naam geen eer aan doet, en waarvan de gevolgen nog onduidelijk zijn. Er wordt gevreesd dat RTV-Dordt dan met televisie-uitzendingen gaat stoppen. Het zou een goede zaak zijn als er, zoals Kees Thies in de krant bepleitte, een regionale omroep kwam, maar tussen het grote Dordrecht en het grut er omheen schijnt de liefde nog niet te zijn ontloken. Het is een tijd van stoppen, sluiten en weglopen. De Britten lopen weg uit de EU, iDordt gooit het bijltje er bij neer en het onvolprezen Visser gaat ook al dicht.

Over het referendum inzake het Britse lidmaatschap van de EU, dat nooit had mogen worden gehouden, wil ik niet te veel zeggen, behalve dat in de 'nee'-campagne racisme, xenofobie, jingoïsme, leugens en bangmakerij een buitengewoon belangrijke rol hebben gespeeld. Het is de vraag of we de Britten echt zullen missen, want Groot-Brittannië was een notoire dwarsligger, waarvan je misschien kunt zeggen: good riddance, maar ik maak mij wel zorgen over de verdere gevolgen. Dat Schotland waarschijnlijk uit het Verenigd Koninkrijk stapt is misschien niet zo'n ramp, maar ik houd mijn hart vast voor Noord-Ierland. Daar zou de burgeroorlog tussen voorstanders van aansluiting bij Ierland en voorstanders van handhaven van de band met het Verenigd Koninkrijk weleens opnieuw kunnen ontvlammen. Wat ook zeer bedreigend is, is het feit dat rechts-extremisten en ultra-linkse populisten in de rest van Europa met verdubbelde energie tegen de EU ageren. Zelden met argumenten die zijn gebaseerd op cijfers en feiten, maar bijna altijd met leugens, haatzaaien en idiote kreten als 'ik wil mijn land terug.' Ik word er boos, maar vooral moedeloos van. Als de besluitvorming wordt bepaald door white trash, doemen aan de horizon strafkampen en nog grotere schrikbeelden op.

iDordt, die aardige internetsite waar ik nog weleens waarnemend hoofdredacteur van ben geweest, gaat stoppen. Niet helemaal, ze gaan door op Facebook en ook op Instagram, geloof ik, maar niet meer met de internetsite. Ik zie weinig heil in die Facebookpagina, daarom heb ik mij als medewerker (voor de voetbalverslagen) teruggetrokken. Ik vind het wel jammer. Het is een beetje een gemiste kans. Het stukje lokale televisie, waar ze al eerder mee stopten, verdronk soms te vaak in flauwigheden en steeds weer dezelfde koppen van Merz-bezoekers, maar ook als ze een interessante, goed gemaakte uitzending hadden, was een half uur per week te kort om veel indruk te kunnen maken. Op het internet hadden ze een veel betere, kritische en toch ludieke site kunnen maken, dan het 'wel aardige' medium dat het nu is. Door veel kritischer te zijn over de bijdragen van de bloggers. Daaronder zitten mensen die leuk schrijven, zoals mijn oud-leerlinge Annika en ook lees ik de bijdragen van 'twittercop' Dirk-Jan Grootenboer graag. Die van mijn voetbalbloggers zijn prima, maar er zitten ook mafkezen tussen, zoals ene Wadappes, die zelden iets te melden heeft dat niet flauw of slaapverwekkend is en altijd slecht geschreven. Sinds maart 2015 hebben we gelukkig niets meer van hem gehoord. De drollen die een zekere Heist tegenwoordig afscheidt ruiken echter niet veel lekkerder. Jammer. Ondermaats geschrijf is er genoeg op het internet, daarmee onderscheid je je niet.

't Ja, en dan Visser. Ik kom er al heel lang en ik vind het nog steeds een aangenaam en sfeervol café, met een unieke uitstraling. Café, ondanks het 'Poffertjessalon' op het raam en de prominente plek die de poffers innemen in het verder nogal povere culinaire aanbod. We hebben er samen vaak gezeten. Op zaterdagmiddag, wanneer het na een uur of vier loeidruk was, of na een avondje film, in de tijd dat Visser 's avonds nog open was. Als het open is, tegenwoordig nog maar drie dagen per week, kom ik er vrijwel dagelijks en iedere donderdag zitten we er met de ploeg van uitgeverij Liverse. Visser is de laatste jaren aan het teruglopen, omdat de tekenen des tijds weleens slecht worden verstaan. Wifi is er bijvoorbeeld niet. Naast de onvolprezen poffers, het befaamde broodje bal, een broodje kaas en een tosti, biedt Visser alleen nog een koekje bij de koffie, al is dat wel een traditionele Jan Hagel. Een portie kaas, nootjes, nacho's, bitterballen, vlammetjes en andere alcoholconsumptiebevorderende hapjes zijn bij iedere nabije concurrent aan het Scheffersplein te krijgen, maar niet bij Visser. Daarom komt het Genootschap ter Bevordering van Eb & Vloed, goed voor een stevige omzet, er niet bijeen, wat ik persoonlijk betreur. Jarenlang ging Visser prat op een voorhistorisch koffiezetapparaat, dat inmiddels als museumstuk aan de muur hangt. Toen het ding eindelijk overleed, investeerde Visser niet in zo'n mooie machine waarmee je van die heerlijke cappuccino en espresso kunt maken, maar in een lelijke, de bar ontsierende bak, waaruit je met een druk op de knop matig smakende diepvrieskoffie kunt halen. Misschien goed voor de voetbalkantine, maar niet iets waarmee je je concurrenten, die wel zo'n mooie machine hebben, de loef afsteekt. En dat in een tijd dat er steeds meer aandacht komt voor de kwaliteit van koffie en de diversiteit van thee. Dan red je het ook niet met de keuze uit maar twee soorten thee. Wel moet ik zeggen dat de dranken bij Visser buitengewoon mild en aantrekkelijk zijn geprijsd.

Met weinig moeite en een minimaal vleugje creativiteit is het verval van Visser te stuiten, met behoud van die aangename, unieke sfeer. Binnenkort gaat de zaak sluiten. Dat kan niet anders, gezien de gezondheid van de eigenaar, maar hopelijk komt er snel een opvolger die de Visser-traditie gaat voortzetten. Dan hoop ik er nog vaak te komen, maar als het een gelikte loungetent wordt, zullen ze mij er niet meer zien. Ik herinner me dat jij er voor het laatst was. Op een zaterdagmiddag in september. Dat was voor we gingen eten bij Costa d' Oro, een paar dagen voor de fatale ziekte zich bij je openbaarde. Costa d' Oro, ook een heerlijke zaak, maar wifi en een pinapparaat zouden geen overbodige luxe zijn. Het is tenslotte 2016.

In gedachten, altijd,

Kees

Dordrecht, 26 juni 2016


Foto: auteur


donderdag, juni 23, 2016

Honderd





Mijn vader werd geboren op 23 juni 1916. Dat is vandaag honderd jaar geleden. Vieren zullen we het niet, want hij overleed in 2003, toen hij zesentachtig was. Als ik dat haal, heb ik nog tweeëntwintig jaar te gaan, wat een eigenaardige gedachte is. Stiekum meende ik weleens onsterfelijk te zijn, maar na mijn hartstilstand geloof ik dat dat idee op een vergissing berust. 'Wat de toekomst brengen moge,' luidt de beginregel van een gezang dat werd gedicht door Jacqueline E. van der Waals. Ik heb het regelmatig moeten zingen op de zondagsschool. Mijn vader gaf daar les. Hij kon heel goed verhalen vertellen. Die verhalen kwamen uit de bijbel, waarvan we een exemplaar hadden met illustraties van Gustave Doré. Jonas in de walvis, net als Pinokkio, Samson en Delilah, Jozef en de vrouw van Potifar. Ik geloofde er al op jeugdige leeftijd geen woord meer van, maar prachtig was het wel. Al die moord en doodslag, al dat bedrog, al die geilheid. Koning David met Bathsheba, Absalom die met zijn haren aan een boomtak bleef hangen en werd afgeslacht. Je hoefde maar zeven keer om de muren van Jericho te lopen en de boel donderde in elkaar. En dan de eeuwige vijand, de Filistijnen, al vond ik het zielig voor Goliath dat hij door zo'n klein ettertje met een steen werd geveld. Op latere leeftijd werd het wonder van water in wijn populair.

Geboren worden in 1916. Midden in de Eerste Wereldoorlog, een stompzinnige slachtpartij die mede kon plaatsvinden door de invloed van extremistische nationalisten. Dezelfde soort die nu weer het hoogste woord heeft, maar wat heb je daar voor weet van als baby? Wat heeft een pasgeborene van nu weet van wat de giftige, populistische prietpraat van een griezelige beroepsprovocateur als Thierry Baudet nog teweeg kan brengen? In 1916 geboren, dan hoorde je als dertienjarige over de Krach, maar waarschijnlijk maakte je je drukker over al die vreemde veranderingen in je lichaam. Je was vierentwintig toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, een gebeurtenis die mijn vaders leven en dat van zijn generatie heeft getekend. Er was altijd een voor de oorlog en een na de oorlog. Ook daarover kon hij boeiend vertellen, al liet hij gruwelijke details, in tegenstelling tot de bijbel, achterwege. Over de crisistijd liet hij minder los. Als puber opgroeien in die jaren viel hem soms moeilijk. Wel ontwikkelde hij zich in die tijd tot een verdienstelijk schaker, die ook heel behoorlijk kon dammen.




In 1947 trouwde hij met mijn moeder en vier jaar later verscheen ik. Hoewel ik een nogal druk kind was en lastig kon zijn, heb ik van mijn ouders nooit een draai om mijn oren gekregen. Ze bezorgden mij een gelukkige jeugd. Jammer alleen dat de tijdgeest zo vermaledijd preuts en bekrompen was. Over seks werd nooit gesproken. Hoe al dat leuks in elkaar stak, hoorden we in eerste instantie van de jongens uit de eindexamenklas, als die weer eens stonden te pochen in het fietsenhok. Pas toen ik vaste verkering kreeg, merkte ik dat de opvattingen van mijn ouders, hoe zwijgzaam ook over het onderwerp, aardig waren meegedobberd op de golven van de jaren zestig. Dat ik mocht opgroeien in een liefdevol, harmonisch huwelijk, is achteraf gezien nogal bijzonder. Pa had het in 1916 niet kunnen bedenken.

Foto's: archief auteur




vrijdag, juni 17, 2016

Achterlijk




In het Spoorwegmuseum kun je een beetje proeven van het reizen eind negentiende/begin twintigste eeuw. Het hoogtepunt van de Europese spoorwegen, toen treinreizen, althans voor wie het zich kon veroorloven, nog was omgeven door een zekere grandeur. Prachtig ontworpen, luxueuze treinen doorkruisten het continent. Niet alleen snelheid was belangrijk, maar ook het comfort van de reiziger. Fameus is de Oriënt Express, waarin, als we Agatha Christie mogen geloven, nog weleens een moord werd gepleegd. Je kon er vanaf 1883 van Parijs mee naar Istanbul (dat toen nog gewoon Constantinopel heette) reizen. In het museum staat een restauratiewagen van de Oriënt Express, die bij mij nostalgische gevoelens oproept. Ondermeer omdat in ons binnenlands treinverkeer restauratiewagens al lang geleden zijn afgeschaft. In mijn studententijd, toen ik met grote regelmaat in de trein zat om naar college te gaan, reisden studiegenoot P. en ik eigenlijk niet anders dan in restauratiewagens. Ik mis ze zeer. De werkstudent, als een pakezel beladen met een rugzak met slechte koffie en zoetwaren, is geen alternatief. Zo'n jongen of meisje komt ook altijd net voordat mijn bestemming is bereikt langs.

Met het restauratiewezen op onze stations is het ook droevig gesteld. Ja, je kunt je geld kwijt bij allerlei kiosken en vreetwinkeltjes of bij die malle koffietent waar ze je naam opschrijven, waarna je moet gaan wachten tot je wordt opgeroepen, in plaats van dat ze dat bakkie gewoon inschenken waar je bijstaat. De meeste kleine en middelgrote stations hebben echter helemaal geen restauratie meer, laat staan eentje met de allure die ik me herinner van station Haarlem of Den Haag Hollands Spoor. Het is de mentaliteit van het kleffe broodje kaas met melk in plaats van een weldadige lunch met wijn. Kruiers zijn nergens meer te bekennen en op het station van Dordrecht is de laatste bagagetrolley ook al jaren geleden verdwenen. In 1883 zouden ze dat achterlijk noemen.

Foto: auteur




vrijdag, juni 10, 2016

Strand




Als kind heb ik zoveel op het strand gespeeld, dat het voor de rest van mijn leven wel genoeg is. Toen vermaakten wij ons voornamelijk met het bouwen van zandkastelen. Bij laag water. Daarna verdedigden we ze tegen het opkomende water. Een spannende, maar immer hopeloze strijd. Al doende werden we door de zon gebruind, iets waarvan iedereen, dus ook onze huisarts, vond dat het uitermate gezond was. Het was de tijd dat er onbekommerd asbest werd gebruikt. We hadden verschillende asbestplaatjes in huis, bijvoorbeeld tussen het aanrecht en de keukentafel, om brand te voorkomen. Ze werden zonodig keurig op maat gezaagd door mijn opa of mijn vader. Niets ongezonds aan, net als aan roken. Ik herinner mij de huisarts uit mijn kinderjaren niet anders dan met een sigaret.

Als je de leeftijd van zandkastelen bouwen ruim bent ontgroeid, is een dagje strand eerder een dagje afzien dan een genoegen. De zon is een brandende verschrikking, die er alleen maar op uit is om je huidkanker te bezorgen. Comfortabel zitten is er niet bij met je kont in het zand. Zand dat overal in en tussen kruipt. En dan zijn er nog de andere badgasten met hun herrie, hun zonnebrand walmende lijven en hun jengelende kinderen (ga zandkastelen bouwen, rotjong!), die altijd te dicht bij je komen zitten. Het zijn ook altijd de mensen die beter iets aan kunnen houden, die fanatiek uit de kleren gaan en nooit dartelt er eens een clubje gerontofiele meisjes om je heen.

Claire vindt dat ik overdrijf. Het is zeldzaam mooi zomerweer. Daarvan moet je profiteren. Ze wil naar het strand, met haar jongens. Die zijn de zandkastelen inmiddels ook ontgroeid en tuk op meisjes. Ja, meisjes en een laag kunstgras, dat zou een strand nog een beetje dragelijk maken. Claire zegt dat ik beter de tuin kan gaan doen.


Foto: auteur




donderdag, juni 02, 2016

Een kamer voor zichzelf




Ze hebben mij nog niet zo lang geleden in het Dordtse Albert Schweitzer Ziekenhuis weggesleept voor de poorten van Hades en in de week die ik daarna moest blijven, uitstekend verzorgd. Alle lof, mij hoor je niet klagen, maar als ik het mag zeggen, logeer ik liever in een hotel. Het best slaap ik in mijn eigen bed. Ik zal niet de enige zijn. Ook mijn vader was het liefst thuis, maar toen hij heel oud werd en zijn lichaam het liet afweten, moest hij noodgedwongen naar een verpleegtehuis. Na vierenvijftig jaar werden mijn ouders in de praktijk gescheiden, al heeft mijn moeder in de tijd daarna nooit één dag overgeslagen om mijn vader te bezoeken. Ze hadden zich niet tijdig laten inschrijven, waardoor ze geen zorgwoning konden krijgen in een instelling als het Stadswiel, waar ze wel gewoon bij elkaar hadden kunnen blijven. Om persoonlijke drama's kan de regelgeving zich niet bekommeren. Dat moesten ze begrijpen.

Er volgde een lijdensweg. Van de verpleegafdeling van het ziekenhuis moest hij naar een tijdelijke opvang in de dependance, 'lokatie Amstelwijk' (voor ons Dordtenaren gewoon Refaja, zoals ik bij 'lokatie Dordtwijk' altijd nog 'Gemeenteziekenhuis' denk). Goed verzorgd, maar het gebouw is, ook nu nog, van een kille, calvinistische troosteloosheid, die zelfs de grootste rasoptimist aan de anti-depressiva kan krijgen. Daarna moest hij tijdelijk naar een speciale afdeling in Thureborg, waar de kamers zo klein waren, dat ze zelfs ongeschikt waren voor bewoning door een kabouter. Hij keek vanuit zijn raam uit op een hospice, als hij geen zin had in de gezelschapsruimte, waar uitsluitend televisieprogramma's voor mensen met een IQ van maximaal 70 aan de orde kwamen. Uiteindelijk was er plaats in verpleegtehuis Crabbehof. Eind maart 2003 ging pa daar dood aan een niet tijdig ontdekte longontsteking. Hij verbleef, als geestelijk nog steeds scherpzinnig man, op een afdeling met vijf vrouwen in diverse stadia van dementie. 'Plaatsgebrek, meneer,' was het excuus, 'uw vader mag blij zijn dat hij een eigen kamer heeft.'

Als ik terugdenk aan die tijd, wordt het mij weer droef te moede. Ik denk er twee keer per week aan terug, wanneer ik mij in Refaja meld voor mijn hartrevalidatie. Dat is als het bezoeken van een sportschool, maar dan zonder van die bodybuild-figuren. Wat ik daar doe (lopen, fietsen en het trekken aan en stoten met allerlei gewichten) doet mij zienderogen goed. Binnen afzienbare tijd ben ik wel weer de oude. Dat is een prettig vooruitzicht. Hoe anders was dat voor pa tijdens die laatste, uitzichtloze maanden in Crabbehof. Blij als hij moest zijn met die kamer voor zichzelf.

Foto: auteur