maandag, augustus 21, 2017

Vlek




Ik had een rare, rode vlek op mijn voorhoofd en de illusie dat ik in het café rustig kon gaan zitten schrijven. Aanvankelijk was het nog stil. Achterin twee stellen en aan de bar een paar tienermeisjes, verdiept in hun telefoons. Ik hoopte dat die vlek zou wegtrekken. Hoe was ik eraan gekomen? Iets gegeten waarvoor ik allergisch ben? Ik ben allergisch voor rauwe tomaten en mensen met domme opvattingen. Beiden mijd ik consequent.

Binnen een kwartier was een aantal andere stamgasten aangeschoven. De tragiek van deze wereld zou ook vandaag niet voor hongerige lezers worden verklaard. De stemming was een beetje gedrukt. Er was een kunstenaar overleden en de populairste verdediger van FC Dordrecht was weggekocht door een concurrent. Hij gaat naar Friesland. Daar was de burgemeester in het voorjaar ook al naar verdwenen. Het meisje van de bediening, ook nog geen tiener af, liet een glas kapot vallen. Daarna belde Claire. Ze kwam niet omdat het kind op zeilkamp moest. Toen ik 'Friesland?' vroeg moest ze lachen.

Onderweg naar huis was het waterkoud. Na enige tijd lopen deed de wijn van zich spreken. Gelukkig kon ik stiekem tegen een kerk wateren, want het was wel zaak droog thuis te komen. Daar herinnerde ik mij de vlek. Vol verwachting deed ik er een flinke kwak babyzalf op.

Foto: auteur


woensdag, augustus 16, 2017

'Aan domheid geen gebrek'



Geboren worden in de eerste Koreaanse oorlog en omkomen door de gevolgen van de tweede. Het zou mij binnenkort zomaar kunnen gebeuren. Het onberekenbare sujet in het Witte Huis en de vetzuchtige dictator in Pyongyan vliegen elkaar nu nog verbaal in de haren, maar ieder ogenblik kan een van die types op een knop drukken en een fatale kettingreactie veroorzaken. Je zou toch zeggen dat ze hun tijd beter kunnen gebruiken, genoeg problemen in eigen land om op te lossen, maar nee, de heren moeten zonodig een potje Risk spelen, met hun kernwapens als fiches. 

Het zijn exponenten van het soort mensen dat nooit iets leert van de geschiedenis. Ik laat mij niet snel het hoofd op hol brengen, maar ik ben bezorgd. Niet zozeer voor mijzelf, ik wil nog wel een poosje doorleven zolang het dragelijk is, en dat is het alleszins, maar ik heb een goeddeels prettig leven achter de rug. Ik vraag mij af wat er moet worden van de generaties onder ons. Wie niet in zo'n Armageddon ondergaat, moet verder in een nauwelijks leefbare hel. Daar staan die twee ego's niet bij stil, vrees ik.

'De vernietigingsdrang is de mens aangeboren. Je zou kunnen zeggen dat de mens een weinig begaafd en van nature moordzuchtig dier is.' Dat schreven Edmond en Jules de Goncourt in hun Dagboek. Die hadden dat in de negentiende eeuw al door, maar ik denk niet dat Trump en Kim Jong-un het Dagboek van de Goncourts lezen. De gebroeders schrijven ook: 'Het menselijk handelen wordt bepaald door drie drijfveren. En dat zijn, in klimmende volgorde van belangrijkheid: hartstocht, eigenbelang en ijdelheid.' Onder die hartstocht valt, vrees ik, ook het religieus fanatisme waar een deel van de mensheid mee is geïnfecteerd en dat nationalistische gebral dat steeds luider de kop opsteekt.

Er staan veel krasse observaties in het Dagboek van Edmond en Jules. Ik wil u nog even trakteren op dit citaat: 'Iemand die intelligent is, moet het gewone volk beschouwen als een ongelofelijke hoeveelheid imbecielen.' Het is onaardig en arrogant, ik zou het zo niet formuleren, maar als je Twitter volgt, Facebook en naar het radioprogramma Stand.nl luistert, kom je als intelligent mens wel tot de slotsom dat het kabaalmakend deel van het volk meestal de bek maar een duw geeft en primair en instinctief reageert. Nadenken en feiten controleren is er niet bij. Het is allemaal emotie en hysterie en zelden weten ze ook maar bij benadering waarover het gaat. 

In Moedig voorwaarts! Schrijft Gerard Reve: 'Aan domheid geen gebrek,' maar nu stop ik met citeren, voordat iemand opmerkt dat Reve ook niet altijd zijn feiten controleerde. Checken moet je tegenwoordig zeggen, anders snapt de jeugd het niet.


Foto: auteur

zondag, augustus 13, 2017

Genx-eitje




Deze week heb ik een paar keer ontbeten met een eitje. Niets bijzonders en ik zal de enige niet zijn geweest. Alles wat er van te zeggen valt, is dat het werd gekookt in Dordts drinkwater, waarin de chemische stof genx is aangetroffen. Zowel over eieren als genx is er ophef. In sommige eieren werd een gifstofje aangetroffen dat was gebruikt bij het bestrijden van bloedluis. Mijn biologieleraar op de middelbare school vertelde prachtige verhalen over Nederlands-Indië, waar hij had gediend in het KNIL, maar daardoor is hij nooit toegekomen aan de bloedluis, zodat de paniek die uitbrak na de vondst van dat gifstofje, er in ieder geval toe heeft geleid dat ik nu eindelijk weet wat bloedluis is, en dat dat heel vervelend is voor kippen. Je moet, meen ik, een kilo eieren per dag eten, wil dat stofje enig gevaar opleveren voor je gezondheid, maar dat neemt niet weg dat veel mensen het ei voorlopig in de ban hebben gedaan.

Ik ken Dordtenaren die het plaatselijke drinkwater schuwen en wekelijks met flessen bronwater uit de supermarkt lopen te sjouwen, vanwege het genx. Of en hoe schadelijk dat voor de gezondheid is, is nog in onderzoek, maar zoals gebruikelijk in overheidskringen wordt het bandje 'er is geen gevaar voor de volksgezondheid' maar vast afgedraaid. De overheid kan weinig anders, want de ambtelijke dienst die de kwaliteit van ons voedsel en water moet controleren, is nagenoeg geheel wegbezuinigd. Dat wordt gemaskeerd door die dienst een 'autoriteit' te noemen (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit). Dat moet een indruk van degelijkheid en betrouwbaarheid geven. Dat genx schijnt ook in de lucht te zitten, of te hebben gezeten, daarover ruziën de deskundigen. Er zit heel veel in onze lucht. Als de, in ons land overheersende, zuidwestenwind waait, krijgen we uitstoot van de Moerdijk en het Antwerpse havengebied over ons heen, als de noordwester waait, worden we getrakteerd op de stoffen uit de Botlek en de Maasvlakten en bij oostenwind kunnen wij ons verheugen op het rijke chemische palet van het Ruhrgebied.

Met belangstelling heb ik de stukken van twee bekende Dordtse columnisten gelezen. De ene pleitte voor een harde lijn tegen Chemours, het bedrijf dat al dat leuke spul in de rivier loost en de lucht in blaast (of heeft geblazen). De andere wees erop dat het allemaal volgens de vergunningen is gegaan en vond dat we niet te hard van stapel moesten lopen. Chemours is belangrijk voor de werkgelegenheid in Dordrecht en omstreken. Chemours is in de Verenigde Staten een aantal malen veroordeeld voor wat ik maar list en bedrog noem. De tijd zal leren of het ene verband heeft met het andere.

We leven in een van de welvarendste delen van de wereld, althans tot de Brexit een feit wordt. Dat brengt het een en ander aan vervuiling en risico's met zich mee. Om die binnen de perken te houden, hebben we een deskundige en alerte overheid nodig. Daar ontbreekt het aan. Wil je die Voedsel- en Warenautoriteit laten doen waar ze voor is bedoeld, dan kost dat wat en dat wat zul je er voor over moeten hebben. Ondertussen schenk ik mezelf een bak koffie van Dordts kraanwater in, want je hebt geen idee hoe lang die flessen bronwater wel niet in een of ander magazijn hebben gestaan en wat voor griezelige bacteriën erin krioelen.


Foto: auteur


zondag, augustus 06, 2017

Museumtuin



Toen ik vrijdagavond in de tuin van het Dordrechts Museum naar de film Sing Street zat te kijken, waande ik mij even in Griekenland. Daar heb je zogenaamde zomerbioscopen. In Thessaloniki is er eentje aan de Leoforos Stratou, aan de overkant van het Byzantijns Museum. Toen zij nog leefde, ging ik er regelmatig met Stella naartoe. Een aangename combinatie van openluchtbioscoop en kroeg. In Griekenland kun je rekenen op mooi weer. In Nederland ben je wat dat betreft aan de goden overgeleverd. Vrijdag hadden we geluk. Het regende alleen maar in de film. Aan het einde gingen de hoofdrolspelers, een jongen en een meisje van een jaar of zestien, in een piepklein bootje het avontuur tegemoet. In de regen.

In de tuin van het Dordrechts Museum moet ik altijd denken aan dichter Jan Eijkelboom. Hij schreef een gedicht over de tuin. Als je er binnengaat, staat het links op de muur. Het is een van zijn oudste en mooiste gedichten. Toen Jan tachtig werd, mocht hij een tentoonstelling maken van zijn favoriete werken uit het museum. Zijn smaak kwam opvallend overeen met de mijne. Te Noorden bij Nieuwkoop van J.H. Weissenbruch, vind ik een van de mooiste schilderijen uit de Dordtse collectie. Er zijn mensen die dat niet begrijpen. Jan Eijkelboom begreep het wel.


In 2008 overleed hij, ruim een jaar na Stella, die een aantal gedichten van hem in het Grieks vertaalde. Hij werd in besloten kring begraven. Later dat voorjaar werd een drukbezochte herdenking gehouden in het museum. Het was een bewolkte dag. Na de laatste toespraak gingen we naar buiten waar het gedicht Tuin Dordrechts Museum werd voorgelezen door Jans weduwe Roelien. Juist op dat ogenblik brak heel even de zon door. Ook daar moet ik aan denken als ik de museumtuin betreed.




Foto's: auteur




woensdag, augustus 02, 2017

God, Nederland en Oranje




In een van mijn vorige stukken schreef ik over Willem van Oranje: 'Toch wordt het misschien tijd voor een heroverweging van de motieven van Willem en zijn plaats in onze geschiedschrijving.' Ik bedoelde vooral dat het negentiende eeuwse, sterk nationalistisch en orangistisch gekleurde beeld, dat mijn generatie en die van mijn ouders werd opgedrongen in de schoolboekjes, aan herziening toe is. Geef de mensen de kost die nog steeds geloven in Willem van Oranje als 'onbaatzuchtige held die have en goed riskeerde in zijn strijd voor de vrijheid van de Nederlanden', zoals ik op 20 juli jongstleden noteerde. Nu is dat beeld in de geschiedschrijving nooit als alleenzaligmakend geaccepteerd, maar de geschiedenis als wetenschap staat, zo weet ik uit jarenlange ervaring, nogal ver af van wat met name in de oudere onderwijsmethoden wordt gedebiteerd. Historici van katholieke huize stonden traditioneel kritisch tegenover Oranje en zijn rol in de geschiedenis. Het God, Nederland en Oranje-gevoel werd vooral vanuit protestantse hoek geëntameerd. Of de voorstanders van een beeld van Willem van Oranje op het Dordtse Statenplein van deze tegenstrijdige visies op de hoogte zijn, weet ik niet. Ik verwacht het wel en ik verwacht ook dat die verschillen, in de discussie over wel of geen standbeeld van Willem in Dordt, een rol spelen.

Mocht er een beeld komen, al is dat eigenlijk een beetje raar in de stad van de gebroeders De Witt, dan verwacht ik zeker dat men daarbij met een genuanceerd verhaal komt en niet met een ietwat opgeklopt en historisch minder nauwkeurig betoog, zoals dat van professor Herman Pleij bij de herdenking van de vergadering van de Staten van Holland in Dordrecht, op 19 juli 1572. Ik raad belangstellenden, en zeker de voorstanders van het beeld, aan om de dit jaar verschenen studie Willem van Oranje. De opportunistische Vader des Vaderlands van Aron Brouwer en Marthijn Wouters eens te lezen. Deze jonge producten van de Universiteit van Amsterdam slaan het positieve geschiedbeeld van Willem de Zwijger met een voorhamer radicaal aan gruzelementen. In een studie, gebaseerd op uitgebreid bronnenonderzoek, concluderen zij dat Willem van Oranje 'zijn strijd echter nooit voor ons, of voor Nederland of voor ook maar enige ideaal [vocht].' Zij schrijven: 'Willem van Oranje was geen idealistische, maar opportunistische 'Vader des Vaderlands.' Telkens probeerde de Oranjeprins zijn bezittingen uit te breiden, en zijn machtspositie en familienaam te vestigen en te versterken. Wanneer zijn persoonlijke belangen veranderden, dan wisselden daarmee onvermijdelijk zijn politieke agenda en de standpunten die hij uitdroeg.' Willem van Oranje wordt beschuldigd van het organiseren van volksoproeren, het streven naar een dictatuur, het wegwuiven van wangedrag van zijn soldaten en het steeds weer breken van zijn beloften. Hij was iemand die protestantse ketterij bestreed als het hem uitkwam, maar in een andere situatie de kant van de fanatieke Calvinisten koos. Kortom, hij was nogal een draaikont.

Brouwer en Wouters kan niet worden verweten niet degelijk te werk zijn gegaan in hun onderzoek, maar zij slaan met hun interpretatie van de feiten nu en dan wel erg door. Dat is althans de mening van de Leidse historicus Geerten Walling in de Volkskrant van 13 januari jongstleden. Hij wijst erop dat katholieke historici zich al lang geleden uiterst kritisch over Oranje hebben uitgelaten en onderschrijft het beeld van de Vader des Vaderlands als een opportunist, maar dan wat religie betreft. Anderzijds voert hij aan dat Oranje veel eigen kapitaal in de strijd heeft gestoken en niet alleen zelf is omgekomen, maar dat ook een aantal broers en goede vrienden de opstand met de dood hebben moeten bekopen. Hij prijst het onderzoek van Brouwer en Wouters, maar noemt hun conclusies eenzijdig.

Wat hiermee weer eens duidelijk is geworden, is de complexiteit van de geschiedenis, waardoor historische figuren soms moeilijk op waarde zijn te schatten. Het plaatsen van standbeelden van hen in een tijd dat we allerminst behoefte hebben aan heldenverering en nationalistische God, Nederland en Oranje-verering, is daarom een hachelijke zaak.

Aron Brouwer & Marthijn Wouters - Willem van Oranje. De opportunistische Vader des Vaderlands. Nieuw Amsterdam Uitgevers, 2017.





vrijdag, juli 28, 2017

Farizeeërs




Als jong onderwijzer ben ik een keer uit mijn broek gescheurd. Ik raapte voor de klas iets op, een krijtje misschien, en krak! Vrolijkheid in de klas, maar wat nu? Ik werkte in Hendrik-Ido-Ambacht, ruim een half uur fietsen van de pont naar Dordrecht en de reddende naaimachine van Annemarie. In die tijd bestond er nog een vak dat nuttige handwerken heette. Dat werd gegeven door de juffrouw van de tweede klas, die daarom 'de naaijuf' werd genoemd. Zij dirigeerde mij naar het toilet, waar ik na afgifte van de broek wachtte tot ze de schade met een grove steek provisorisch had hersteld.

Terug in de klas werd er nog wat na gegrinnikt, wat ik afstrafte met een extra saaie rekenles. Ik vond rekenen een kutvak om te geven. Gelukkig zijn er tegenwoordig rekenmachines, al geef ik toe dat het handig is als je de tafels van één tot twaalf uit je hoofd kent. Ik heb daar veel plezier van gehad in de tijd dat ik bij DFC achter de bar stond en voortdurend meters bier moest afrekenen.

Een vriendin van mij is op vakantie. Ik zorg voor haar huisdier en haar planten. Als ik in de kroeg zeg: 'Ik zorg voor de poes van Claire,' regent het flauwe grappen. Binnenkort is dat afgelopen, dan komt niet alleen de rookinspecteur langs, maar ook de seksismepolitie. Het moet maar eens uit zijn met naaijuffen, kutvakken en de poes van Claire. Leve een rookvrij Groningen! Leve de farizeeërs!

Foto: auteur




dinsdag, juli 25, 2017

Amsterdam




Waar zou ik buiten Dordrecht willen wonen? Een niet te beantwoorden vraag. Er zullen altijd steden zijn waar ik nooit zal komen, soms met namen die de fantasie prikkelen: Samarkand, Isfahan. Er zijn steden waar ik niet meer heen wil, zoals Tunis, met vieze vliegjes en opdringerige kooplui, die je hardhandig hun winkeltje intrekken. Ik hoef geen steden in landen met nare ziektes, vuil, armoe, veel herrie en mensen die een kop kleiner zijn dan ik en als mieren leven.

Ik ben als stadsmens dol op het platteland, maar het moet niet langer dan een paar dagen duren. Ik ben ooit in 'verre' steden geweest, al is tien uur vliegen mij ver genoeg. New York, Boston, Minneapolis, Albuquerque, New Orleans, Washington, Willemstad, Paramaribo. Ik heb er rondgelopen, mij vermaakt, mij verbaasd en mijn geliefde leren kennen. In Minneapolis, maar goddank kwam ze uit Thessaloniki. Dat is maar twee en een half uur vliegen.

Ik vind Europa bereizen mooi genoeg. Ik pendel tussen Dordrecht en Thessaloniki. Soms doe ik Athene aan, Lissabon, Londen, Praag, Boedapest, Wenen, Düsseldorf, Parijs, Florence, Rome, Liverpool, Dublin, Edinburgh en nog zo wat. Amsterdam mijd ik een beetje, vanwege die humor en omdat ik ooit, eind jaren zestig, vanwege mijn lange haar geweigerd werd in het café van die lollige tante Leen op de Nieuwendijk.

Foto: auteur


donderdag, juli 20, 2017

Vrienden van Oranje




Ik hoor dat er in Dordrecht een standbeeld van Willem van Oranje komt. Ergens in de buurt van het Hof. Ik vraag mij af of dat wel zo'n goed idee is. Natuurlijk, ik wil niets afdoen aan het feit dat Willem van Oranje een belangrijke rol heeft gespeeld in de geschiedenis van Nederland. Hij was de Vader des Vaderlands, leerden wij op school. Daar leerden wij ook dat Jan Pietersz. Coen iets groots verrichtte in 'Ons Indië.'

Veel Nederlanders denken bij Willem van Oranje nog steeds aan een onbaatzuchtige held die have en goed riskeerde in zijn strijd voor de vrijheid van de Nederlanden. Dat die vrijheid voornamelijk van conservatieve aard was, namelijk het terugwinnen of behouden van de privileges van adel en steden (bestuurd door een oligarchie van een aantal rijke families) en weinig van doen had met ons moderne begrip vrijheid, laten we maar even onbesproken. Dat Oranjes streven naar vrijheid van godsdienst voor zowel de protestante minderheid als de katholieke meerderheid in de Nederlanden tenslotte uitliep op een achterstelling, en eeuwenlange positie als tweederangs burger, van de katholieken is hem niet aan te rekenen, maar de fanatieke Calvinistische minderheid in het land. Toch wordt het misschien tijd voor een heroverweging van de motieven van Willem en zijn plaats in onze geschiedschrijving. Het zou best eens kunnen zijn dat zijn handelen vooral voortkwam uit de wens de belangen van het Huis Nassau veilig te stellen, zoals dat, als we de goed protestantse hoogleraar Van Deursen in zijn biografie Maurits van Nassau. De Winnaar die faalde, mogen geloven, bij zijn zoon Maurits zeker het geval was.

De verhouding tussen Dordrecht en de Oranjes was in het verleden niet altijd even gelukkig. Oranjes kleinzoon Willem II raakte na het, zeer tegen zijn zin, tekenen van de Vrede van Münster al snel in conflict met een aantal steden, waaronder Dordrecht, over het afdanken van troepen. Willem II bereidde met zijn neef Willem Frederik van Nassau-Dietz, de Friese stadhouder, een staatsgreep voor om af te rekenen met zijn tegenstanders, waaronder de Dordtse regentenfamilie De Witt. Willem Frederik trok met een leger richting Amsterdam, voor een verrassingsaanval. Die mislukte doordat een deel van de troepen op de Hilversumse heide verdwaalde. Dat kon zomaar in die dagen. Willem zette burgemeester Jacob de Witt, samen met een aantal andere vooraanstaande leden van de Staten van Holland, gevangen in slot Loevestein.  De zaak liep met een sisser af, maar toen Willem II in 1651 aan de pokken overleed, besloten de regenten dat het uit moest zijn met de invloed van de ambitieuze Oranjes, die zich veel te veel als vorsten wilden gedragen. De anti-Oranjegezinde regenten noemt men ook wel Staatsgezinden. Het bestuur van Dordrecht was bij uitstek Staatsgezind. De zonen van Jacob de Witt, Cornelis en Johan, speelden in deze periode een belangrijke rol in het landsbestuur. Er kwam zelfs een Eeuwig Edict, in 1667, waarbij de Staten van Holland het stadhouderschap afschaften. Dit alles werd teruggedraaid in 1672, toen Engeland, Frankrijk, Münster en Keulen gelijktijdig de Republiek der Verenigde Nederlanden aanvielen en het door angst bevangen volk oproer veroorzaakte en schreeuwde om een Verlosser, in de vorm van Willem III als stadhouder. Die vond al veel langer dat hij dat moest worden en voelde zich nogal tegengewerkt door de gebroeders De Witt. Op 20 augustus 1672 werden zij op uitzonderlijk wrede wijze te Den Haag gelyncht door het Oranjegezinde volk, waarbij Willem III een twijfelachtige rol op de achtergrond speelde. Zo hij er niet direct bij was betrokken, wat onduidelijk is, dan wel vanwege het fiat dat hij gaf aan een reeks ophitsende pamfletten gericht tegen de de gebroeders De Witt.

Na de dood van Willem III (1702), die het schopte tot koning van Engeland en in zijn oorlogen met Lodewijk XIV een loodzware wissel had getrokken op de financiën van de Republiek, hadden de regenten voorlopig weer genoeg van de Oranjes. Er kwam een tweede stadhouderloos tijdperk. Daaraan kwam een einde in 1747 toen de Fransen het land bedreigden. Weer schreeuwde het volk, in die tijd aangeduid als 'het grauw', 'janhagel' of 'het plompe gemeen' om een Oranje Verlosser. Dat werd de Friese stadhouder, een achterachterneef van Willem III, die kinderloos stierf. Onder de zoon van Willem IV, Willem V, ontstonden alweer spanningen tussen de Oranjes en een deel van de regenten, die sympathiseerden met de Patriotten, waaronder nogal wat bestuurders van Dordrecht, waar vanaf 1782 de anti-Oranjegezinde Post van de Merwede enige tijd verscheen.

Het verhaal wordt te lang om hier in detail te vermelden, het is allemaal na te lezen in Simon Schama's Patriots and Liberators, maar de Dordtse pensionaris Cornelis de Gijselaar overkwam bijna het lot van de gebroeders De Witt, toen hij het in 1786 waagde om met zijn koets door de Stadhouderspoort het Binnenhof op te rijden. In Dordrecht werd in 1783 het Patriottische exercitiegenootschap De Vrijheid opgericht, waaraan het mooie, bruine café op de Noordendijk indirect zijn naam dankt. Het verhaal gaat dat, toen koningin Wilhelmina eens een bezoek aan Dordrecht bracht, het pikje van de cherubijn van het Huis der Onbeschaamden moest worden afgedekt om haar niet in verlegenheid te brengen. Ik heb sterk het gevoel dat dat verhaal apocrief is, maar wat wel zeker is, is dat Dordrecht, althans ten tijde van de Republiek, een moeizame omgang had met de Oranjes.

Ik vind zo'n standbeeld prima, als er dan maar een eerlijk en objectief historisch verhaal bij wordt verteld en geen jubelgeschiedenis, zoals bij de viering, onlangs, van de eerste 'vrije' Statenvergadering in Dordrecht. 'Toen begon Nederland,' sprak emiritus hoogleraar historische Nederlandse letterkunde Herman Pleij bij die gelegenheid op Radio1. Nou, nee. Het was een belangrijke bijeenkomst en een schakel in het proces dat tenslotte leidde tot onafhankelijkheid, maar voor Nederland begon, zou er nog heel veel water langs Dordrecht stromen.


Foto: auteur


maandag, juli 17, 2017

Topsport




Het was topsport, dit weekeinde. Het Big Rivers festival bruiste in het centrum van Dordrecht. Drie dagen lang muziek, ik geloof wel zo'n honderd bands op twaalf podia. Ik heb ze niet allemaal gezien. Dat was fysiek onmogelijk. Je kunt niet op twaalf plaatsen tegelijk zijn. Ik streepte in mijn programma keurig aan wat ik persé wilde zien, daartussen zwierf ik wat op de bonnefooi rond. Soms stuitte ik dan op een aangename verrassing. Gekookt heb ik die dagen niet. Het wemelde van de eettentjes, waaronder opvallend veel met hapjes uit de voormalige overzeese gebiedsdelen, waar ze traditioneel een stuk lekkerder koken dan in de Hollandse keuken.

Er waren ook wat kramen met vreemde snuisterijen, van oosterse stoffen tot heiligenbeeldjes. Ik vraag mij af wie op een festival als dit de behoefte heeft om een beeld van de Heilige Maagd te kopen of een Sint Antonius, al is die laatste wel handig voor als je iets kwijt bent. Ik moet nog weleens zoeken naar mijn bril, die ik voortdurend gedachteloos ergens neerleg en die je niet kunt bellen, zoals je mobiel. Even de sint aanroepen en je blik valt op het ding, maar ja, ik ben niet katholiek en ik breng mijn geld liever naar de kroeg dan naar de santenkraam.

Visser benoemde ik tot mijn hoofdkwartier. Daar was het indrinken, tussendoor uitrusten en iedere avond de afterparty. Alle dagen feest. Op vrijdag rolde ik om half twee naar buiten, na King Charles and the Rubinators. Geen idee wat een rubinator is, maar dat mocht de sfeer niet drukken. De beloofde regen was bovendien uitgebleven. Op zaterdag zweetten we het uit bij Rootbag and Friends. Het werd één uur. Ik kon tussen de buien door naar huis. De laatste avond besloten we met de Crawling Toddlers. Zelfs het personeel van Visser, dat zich drie dagen lang de benen uit het lijf had gelopen, swingde mee, al werd het maar half twaalf. Ik wijs de suggestie dat er een verband is tussen dat tijdstip en mijn leeftijd resoluut van de hand. Het goot toen ik naar huis fietste. Big Rivers 2017 was definitief voorbij, anders was het wel droog gebleven.

Foto: Esther de Beun


vrijdag, juli 14, 2017

Radio Big Rivers




Het was een zonovergoten zaterdagochtend in juli 2015. Ik was te gast op het podium bij Merz, waar de directe radiouitzending van Studio De Witt plaatsvond, op Big Rivers, het grote, Dordtse muziekfestival dat vanavond weer begint. Erg zonnig is het vandaag niet, maar ik blijf optimistisch. Big Rivers is te mooi om te kunnen verregenen, maar een zonnetje maakt het wel leuker. Een directe radiouitzending is er dit jaar niet. Daarvoor schijnt RTV-Dordt geen geld te hebben. 'De directie besteedt het budget liever aan de televisie, de radio vinden ze niet belangrijk genoeg,' aldus een betrouwbare bron.

Dat verbaast mij een beetje. Werd er nog niet zo lang geleden niet gedreigd dat RTV Dordt zou stoppen met televisie als de gemeente op de subsidie zou korten? Het is ook de verbazing van een verstokte radioluisteraar, die zelden televisie kijkt. Ik kan mij de tijd niet heugen dat ik naar Pauw of Jinek heb gekeken, want op die tijd wordt Met Het Oog Op Morgen uitgezonden op Radio1 en ik vind dat programma oneindig veel beter en informatiever. Er schijnt een programma te bestaan dat De Wereld Draait Door heet en dat geweldig moet zijn, maar dan luister ik naar Kunststof, ook op Radio1, en dat wil ik niet missen. Ja, je hebt uitzending gemist, maar daar komt het bij mij nooit van. Al luisterend naar de radio kun je tegelijkertijd andere dingen doen, wat niet lukt bij het staren naar de buis of het computerscherm.

Ook lokaal luister ik meer naar de radio dan dat ik televisie kijk. Beiden hebben een zeer bescheiden aanbod. Dat zou gevarieerder en interessanter moeten worden, maar dat kan alleen als de gemeente bereid is er voldoende geld in te steken. Een investering die zich op termijn deels terugbetaalt doordat een gevarieerder en interessanter aanbod meer luisteraars en kijkers aantrekt met in hun kielzog meer adverteerders.

Op die ochtend was ik dichter van dienst bij Studio De Witt. Ik was vereerd te mogen optreden in een programma met zoveel boeiende Dordtse en niet-Dordtse gasten. Ben Corino had het warm onder zijn karakteristieke pet, die hij naar men zegt zelfs in bed op houdt, maar dat was het waard. Samen met Via Cultura (dat tegenwoordig uitzendt via RTV Papendrecht en de Athos) en Goedemorgen Met Esther, vind ik Bens programma behoren tot het interessantste wat in de regio qua radio te beluisteren is. Onbegrijpelijk trouwens dat er nog geen regionale omroep voor Zuid-Holland Zuid is. Alleen al het samengaan van al die povere mini-omroepjes zou veel meer speelruimte geven. Ik zie het er niet snel van komen. Misschien moet de geoliede organisatie van het festival dan maar een zendmachtiging aanvragen voor de hele regio. Noemen we het Big Rivers Radio & TV, met Radio voorop, dat spreekt.

Foto: auteur



maandag, juli 10, 2017

Dorus




Terwijl ik de was ophang, want dichters moeten zich tegenwoordig ook bezighouden met het profane, denk ik aan Dorus en aan 'Meneer Cor Steyn.' 'Er zitten twee motten....,' zong het door mijn hoofd. Het gebeurt vaker dat ineens figuren uit mijn jeugd uit het niets opduiken. Okkie Trooy, bijvoorbeeld. Zo noemden we de leraar tekenen, omdat hij net zo'n bril had. Het koffertje van Okkie deed denken aan de prestigieuze samsonite waarin twee decennia later de kantoorklerk, die droomde van een leidinggevende functie, zijn krant, boterhamtrommeltje en appel meenam naar het werk.

De leraar tekenen heeft die tijd niet meer meegemaakt. Hij was erg autoritair en stierf op jonge leeftijd aan zijn hart. De leraar Engels, die met enige regelmaat tijdens proefwerken in slaap viel en die aan het eind van het schooljaar doorgaans maar tot de helft van het leerboek was gevorderd, bereikte een hoge leeftijd. Ik heb nog weleens op een terras een borrel met hem gedronken toen ik zelf al jaren voor de klas stond. Hij zag er op zijn tweeëntachtigste even oud uit als toen hij ons lesgaf en achter in de dertig was. 

C. Buddingh' schreef ooit dat je de beste gedichten al aardappelschillend maakt. Dat zou best kunnen, al betwijfel ik of Kees zelf weleens een aardappel heeft geschild, of spruitjes schoongemaakt, zoals koningin Juliana, nu ja, een actrice die nogal op haar leek, in de Barend Servet Show. Barend Servet, zou er nog iemand van onder de dertig zijn die hem kent? Dertig, een magisch getal. Bij de Spartanen werd je dan pas echt volwassen, een opvatting waar wat voor te zeggen valt, al vind ik het verder een naargeestig volk met die verering van strijdlust, hardheid en ontbering. 

Toen ik zelf dertig werd, voelde dat als een mijlpaal. Je was geen snotneus meer, al begon de angst dat leuke meisjes van rond de twintig je als oude baas niet meer zouden zien staan, langzamerhand te knagen. Die angst gaat met het klimmen der jaren voorbij, als het onvermijdelijke zich opdringt. Ouder worden is wennen aan de onverbiddelijkheid van de tijd, die het verdomt zich te laten stilzetten. Barend Servet wordt dit jaar met een beetje geluk zevenentachtig.

Foto: auteur


vrijdag, juli 07, 2017

IJzeren Gordijn




Tussen slapen en waken had ik een droom. Hoe hij precies verliep, kan ik mij al niet meer herinneren, maar de kern was dat ik met Stella een bootreis naar een of ander buitenland had gemaakt en dat ik na de paspoortcontrole een tas bleek vergeten, waarin mijn iPad zat. Op die iPad stonden unieke foto's. Teruggaan om de tas op te halen, was onmogelijk, dat moesten anderen doen, maar die anderen lieten niets van zich horen. Eerst voelde ik paniek, daarna een soort van berusting en tenslotte kreeg Stella de schuld. Einde droom. Het was kwart voor zeven. Een zonnige zomermorgen. Ik hoorde een buurman in zijn auto stappen en wegrijden.

Jaren geleden vloog ik van Schiphol via Boedapest naar Thessaloniki. In Boedapest was er opnieuw veiligheidscontrole. We hebben wat te danken aan de geestdrijvende medemens, die voor zijn idealen dood en verderf wil zaaien. Portemonnee, sleutels, aansteker, telefoon en horloge moesten in zo'n zeepbakje, om er na de controle weer over te kunnen beschikken. In een onverklaarbare vlaag van afwezigheid, vergat ik dat bakje. Ik kwam daar bij de gate achter. Ik herinner mij de paniek, vooral vanwege de sleutels van mijn huizen in Dordrecht en Thessaloniki. Terug kon niet, maar gelukkig vond ik al snel ik een beveiligster die mij door een paar afgesloten deuren loodste naar een trap, waarop halverwege een collega van haar stond met dat bakje. Ik denk nog steeds dat ik het misschien heb gedroomd.

Nog langer geleden hebben de Hongaren mij ook eens uit de brand geholpen. Ik verbleef met vrienden in Boedapest, na een tussenstop in Wenen. Na aankomst in Wenen ging ik aan de race vanwege een afhaalmaaltijd van een, inmiddels terecht failliete, Dordtse Surinamer. In een Weense apotheek verkochten ze mij peperdure pillen die weinig uithaalden. In Boedapest probeerde ik nogmaals een apotheek. 'Deze moet u nemen,' zei de apotheker in gebrekkig Engels, waarbij hij zich verontschuldigde omdat ik 'als buitenlander' de rekening moest betalen. Een paar forint, omgerekend ongeveer vijfentwintig cent. Het was nog in de tijd van het IJzeren Gordijn. Binnen een dag voelde ik mij weer kiplekker. Ik vraag mij af of het in het 'democratische' Hongarije, waar fascistische ideeën inmiddels welig tieren, nog steeds zo goed is geregeld.

Foto: archief auteur



dinsdag, juli 04, 2017

Beetje veranderd



Ik was van plan om een nijdig stuk te schrijven over het besluit van de gemeenteraad van Dordrecht om ten zuiden van de Zeedijk een bedrijventerrein aan te leggen, maar mijn vriendin Susan uit Engeland kwam een paar dagen logeren. Ze verbleef voor het laatst in Dordrecht in 1969, bij ons thuis, achter de Remonstrantse kerk. We hadden elkaar voor het laatst gesproken in Engeland in 1986, dus er viel wat bij te praten, als het weer maar meewerkte. Natuurlijk dreigde er regen toen ik haar van Schiphol haalde, wat verwacht je na zoveel droge en warme dagen, maar ik wist het tijdig op een akkoordje te gooien met de Boven Ons Gestelden, zodat haar verblijf beperkt bleef tot een heel enkel buitje, dat we konden uitzitten in een van de Dordtse horecagelegenheden.

Er was in al die jaren hier en daar wel iets veranderd in Dordrecht. Susan bleek een scherp geheugen te hebben. Toen we naar het Scheffersplein liepen zei ze: 'Hier stond het altijd vol met auto's.' Visser werd nog gedreven door Kees van Dijk. Inmiddels is daar het tijdperk Mol-Van der Leeden ten einde gekomen en zwaait Dennis van Buuren in de mooi vernieuwde zaak de scepter. Het oude postkantoor moest nog gesloopt worden. Over het Bagijnhof zijn we niet gelopen, ik wilde haar het huidige aanzien besparen. Het is bij de laatste herinrichting niet onaardig geworden, maar de gebouwen van Hema en C&A blijven verschrikkelijk om aan te zien. Over het 'Entree Dordrecht' zwijg ik maar liever, voor mij is dat meer een achteruitgang dan een voordeur. Met gepaste trots kon ik haar vertellen dat dat andere gedrocht, het voormalige ANWB-gebouw, binnenkort wordt gesloopt, al vrees ik met grote vreze wat ervoor in de plaats komt, want sinds projectontwikkelaars als Van Pelt en Dudok de werkelijke macht in handen hebben in plaats van de gemeenteraad, is het aanzien van de stad er niet altijd op vooruit gegaan.

Susan herinnerde zich de winkel in de Hofstraat, waar in 1969 het Cultureel Warenhuis Bobby Kinghe was gevestigd, gedreven door Jan van de Geer en Gerrit de Wolf (1949-2010). Jan zou zij later ontmoeten op het terras van Visser, als vanzelfsprekend ons dagelijks adres voor de namiddagborrel. Van de Hofstraat herinnerde zij zich de school, een beetje achteraf, hij zou nu gedeeltelijk in de kloostertuin staan. Nu staat er een aaneengesloten rij historische gevels. Een geslaagd gegoochel met de tijd sinds de restauratie en nieuwbouw van de straat in de late jaren zeventig. Dat Bobby Kinghe daardoor zijn leuke winkel kwijtraakte heb ik haar maar niet verteld. Er is veel betreurenswaardigs gebeurd in de stad en daar staat een aantal mooie restauraties en lofwaardige projecten tegenover. Ik ben er nog steeds niet uit naar welke kant de balans omslaat. Op haar laatste avond in Dordt bezochten we een concert in DOOR. Ze was laaiend enthousiast over die boeiende, culturele broedplaats. Dat ook daarboven de gemeentelijke valbijl hangt, heb ik maar niet verteld.

Foto: Kees Klok



zaterdag, juli 01, 2017

Staphorst aan de Hudson



Bij een kruispunt is ruzie. Een voetganger en een bestuurder van een Mercedes roepen elkaar verwensingen toe. Als het verkeerslicht op groen gaat beginnen wachtende automobilisten en masse te toeteren. Het helpt niet. De twee, van mijn leeftijd, ze zouden beter moeten weten, schelden gewoon door. Misschien wordt het een handgemeen. Ik loop verder. Ik moet naar de bank in de benedenstad. Een rustig filiaal, waar je doorgaans vlot wordt geholpen.

Er staat een lange rij, voornamelijk bejaarden. Vandaag zijn de pensioenen gestort en een beetje bejaarde haalt zijn pensioen direct van de bank. Voor de minister van financiën eraan kan komen. Twee van de vier kassa's zijn gesloten. Een kerel in een jack met de naam van een olieboer roept met een basstem dat het een schande is en dat ze niet moeten denken dat zij de enigen zijn die werken. Hij roept het steeds harder, tot hij aan de beurt is. Ondertussen kijken wij strak naar de vloer, of naar het plafond. Ook boeiend. Voor ik mijn geld krijg, moet ik van de kassière mijn naam voluit onder mijn handtekening schrijven. Ze wil ook een telefoonnummer. Omdat ik steeds weer een ander nummer verzin, weet ik dat er nooit wordt gebeld.

De vorige keer vroeg ze naar mijn belastingaanslag, 'want het is acht jaar geleden dat u de rekening opende.' 'Zeven,' verbeter ik. Daarna vergat ik mijn paraplu. Ik was al halverwege het lunchcafé voor ik het merkte. Griekenland heeft zo zijn ondoorgrondelijkheden, maar schelden kunnen ze er als de besten. In het lunchcafé open ik Facebook. Het wemelt van als griezels verklede mensen. Halloween. Een uit Amerika, land van porno en puriteinen, overgewaaide oertraditie van onszelf. In de middeleeuwen heeft de kerk zich daar meester van gemaakt, waarna de Amerikanen er tenslotte een Disneysausje overheen smeerden en deden alsof het iets van henzelf was. Iedereen een dagje horrorclown, waarna fluks voorwaarts naar het onduldbare Jingle Bells met aan de horizon het gekwijl van Valentijn. Hadden ze zich maar aan hun eigen Monroe-doctrine gehouden: in prettige afzijdigheid Indianen afslachten en Staphorst aan de Hudson spelen. Dat waren nog eens tradities!

Foto: auteur


donderdag, juni 22, 2017

Meneer Visser draagt een nieuw jasje




Lieve Stella,

We zitten in een hittegolf, dus het geklaag is niet van de lucht. Klagen over het weer zit de Nederlander in de genen. Het leidt ook tot paniekerig gedoe, zoals het afkondigen van allerlei kleurencodes in verband met bosbrandgevaar. Ik vind voorbereid zijn wel van belang, maar wij Nederlanders hebben nu eenmaal de neiging tot doorslaan. Ook dat zit in de genen. In de tuin is het code-S(affraangeel), vanwege de slakken die zich tegoed doen aan de nieuwe aanplant. Omdat ik geen gif wil gebruiken en niet op iedere slak zout wil leggen, bestrijd ik de overlast met bakjes goedkoop bier. Slakken zijn dol op bier. De bedoeling is dat ze ervan drinken, lazarus in het bier vallen en daar een delirische dood sterven. Sommige slakken zijn slim. Die drinken van het bier en blazen daarna lallend de aftocht.

Ik zou nog een klein stukje onkruid moeten rooien, maar de tijd dat ik bij tropische temperaturen in tuinen stond te wroeten, is lang geleden. Juli 1982 in Paramaribo, om precies te zijn. Ik weet dat omdat ik het mij natuurlijk herinner, maar ook omdat ik bezig ben aan deel zes van mijn literair dagboek en daar zit 1982 in. Ik wacht wel tot het vannacht heeft geonweerd en de temperatuur morgen krap de twintig graden haalt. Zoiets is tenminste voorspeld en de overheid zal er ongetwijfeld al een code voor hebben. Toen ik als kind op de Vrieseweg woonde, hadden maar heel weinig mensen telefoon. Daarom zag je op een enkele deur een bordje met 'Hier brand melden.' Ik heb weleens gelachen om al die mensen die na de introductie van de mobiele telefoon voortdurend met het ding in de weer waren, maar toen ik zaterdag bij Visser zat en merkte dat ik mijn mobiel was vergeten, ben ik toch even op de fiets gestapt om hem te halen. Toen ik mijn hartstilstand kreeg, heeft de mobiel van Kees Thies mijn leven gered. Heb jij enig idee waar die leuke brandmeldbordjes zijn gebleven?

Visser is weer open. Het is mooi gerestaureerd en, eigenlijk heel knap, met behoud van de originele sfeer. Meneer Visser draagt een nieuw jasje en dat staat hem heel goed. De nieuwe uitbater is nog heel jong en pakt de zaken daarom met jeugdig enthousiasme aan. Naast jong, leuk personeel, is ook Juliëtte gebleven, zodat er nog een vertrouwd gezicht uit het oude Visser is. Ik denk dat dat goed is. Zij heeft jarenlange ervaring en kan daarmee het jeugdig enthousiasme van Dennis, de baas, ondersteunen. Het koffiezetapparaat uit verre tijden hangt nog steeds ter bewondering aan de muur, maar de koffie komt nu uit een apparaat dat zo exclusief is, dat er maar een paar van zijn in Nederland. Er wordt voortreffelijke koffie mee gemaakt. Gelukkig zijn de poffertjes en het fameuze broodje bal gebleven, maar daarnaast is er nu een ruimer aanbod van hapjes en bieren dan vroeger, terwijl ook de wijnen uitstekend zijn. Dat alles nog steeds voor een zeer betaalbare prijs.

Lieve Stella, je hebt geen idee hoe blij ik ben met de vernieuwde Visser. Ik huiver daarentegen als ik bedenk wat er van Loxias is geworden. De laatste keer dat ik er langsliep, kort voor ik terugvloog naar Nederland, kwam er een storm van ondefinieerbaar muzieklawaai naar buiten, die de hele straat deed dreunen en vibreren. Erg prettig vind ik dat behalve de oude garde nu ook weer jongelui en ouders met kinderen naar Visser komen. Het gemengde publiek van weleer dat Visser zo aantrekkelijk maakte! Ja, natuurlijk, ik ben ook blij dat De Vrijheid weer open is en dat De Tijd sinds een paar maanden een nieuwe, aardige uitbater heeft en ik ben blij met Merz, het Stadscafé, 't Vlak en Huis Roodenburg, om maar wat te noemen, maar in geen van die aangename etablissementen kom ik al sinds mijn vijftiende.

Op het ogenblik lees ik Brieven, dagboeken en een geheime liefde van Laurie Langenbach (1947-1984), dat is verschenen in Privé Domein en is bezorgd door Rutger Vahl. Vanaf het verschijnen, in 1977, van haar roman Geheime liefde bewonder ik haar als schrijfster. Op Vera na, waarnaar ik op zoek ben, maar dat alleen antiquarisch is te krijgen (misschien vind ik het wel op 2 juli op de Dordtse Boekenmarkt!), heb ik heel haar oeuvre. Bescheiden in omvang, maar indrukwekkend. Ik vind haar een groot schrijfster. Nog steeds. Ze heeft tijdens haar leven nooit de erkenning gekregen die ze verdiende, omdat ze de moed had om tegen de in de Nederlandse letteren heersende tijdgeest in te gaan. Dat is met dit boek rechtgezet, al heeft het drieëndertig jaar moeten duren.

Eigenlijk een merkwaardige gedachte dat Laurie, hoewel een jaar jonger dan jij, al twee en een half jaar voordat wij elkaar leerden kennen is overleden. Ze was toen de geliefde van musicus Wally Tax. Als ik die naam lees, hoor ik onmiddellijk het nummer Touch van de Outsiders, dat ik in de jaren zestig zo'n beetje heb grijsgedraaid. Laurie overleed aan baarmoederhalskanker. Haar leven had wellicht kunnen worden gered als ze niet in de macrobiotiek had geloofd en zich had verlaten op de reguliere geneeskunde. Ik ben nu gevorderd tot haar brieven uit Japan, waar zij bij een zekere Masahiro Okizo'n zogenaamde wijze uit het oosten met, begrijp ik, een eigen vorm van yoga, genezing zocht. De rillingen lopen me over de rug als ik lees hoeveel vertrouwen ze aanvankelijk, naast twijfels, dat wel, had in die kwakzalverij. Waarom willen sommige mensen altijd maar iets geloven in plaats van te onderzoeken om te streven naar weten?

Een deel van haar jeugd bracht Laurie trouwens in Tripoli door, de geboorteplaats van Marion Vomberg, de geliefde met wie ik van 1977 tot 1981 samen was. Marion is ook jong gestorven. Ook aan kanker en haar laatste geliefde was ook een musicus, de Nederlands-Amerikaans Michael de Jong. Laurie had ook een Griekse connectie, ze had een kortstondige relatie met Vangelis, die zelfs een of twee nummers (ze schreef ook liedjes) van haar pikte, wat Herman Brood trouwens ook heeft gedaan.

Kortgeleden schreef ik een verhaal op mijn weblog waarin Marion figureerde. Daarbij had ik een foto van haar geplaatst uit mijn archief. Iemand stuurde mij de suggestie om een foto-autobiografie op mijn weblog te publiceren. Een aardig idee, al zal er beslist meteen wel iemand gaan roepen dat dat wel erg ijdel is (maar je weet, ik haat het doe-maar-gewoon-dan-doe-je-al-gek-genoeg-geloof), maar ik zou niet weten waar ik op het ogenblik de tijd vandaan moet halen om al die foto's te scannen en van teksten te voorzien. In september verschijnen mijn dichtbundel Over de vloedlijn en de verhalenbundel Oude dromen en daar moet nog het een en ander aan worden gedaan. Bovendien komt Sue P., mijn jeugdliefde Susan D. uit Engeland, volgende week naar Dordrecht ('waarover later,' zou prof. dr. Lou de Jong zeggen) en er komt een aantal festivals aan die ik niet wil missen. We moeten het leven maar vieren, zolang het nog kan. Gisteren hoorde ik over alweer een oud-collega dat de Gruwelijke Ziekte bij hem is geconstateerd en je weet nooit wat je zelf onder de leden hebt. Hadden we de reizen, die we samen zouden maken, maar eerder ondernomen, denk ik nog weleens. Inmiddels is het 26,5o in onze doorgaans koele woonkamer. Boven, onder het platte dak, is het zeker tien graden warmer. Meestal slaap ik, ondanks de warmte, uitstekend bij een ventilator, maar als het onweer niet tijdig komt, zet ik vannacht het kampeerbed maar beneden.

In gedachten, altijd,
Kees

Dordrecht, 22 juni 2017

Foto: Kees Klok





maandag, juni 19, 2017

Afrikaantjes



Mijn Rotterdamse grootvader had een volkstuin. Geen volkstuin met een huisje om voor te zitten, met een pilsje, op warme dagen. Nee, een moestuin. Een lap grond met een schuurtje voor spade, hark en schoffel. Achter het huis in de Korenbloemstraat had hij ook een tuin. Met aangeharkte grindpaadjes, waarlangs afrikaantjes groeiden. Ik dacht dat die iets te maken hadden met het nabije Afrikaanderplein. In die tuin stond ook een schuurtje. Daarin hing opa ieder jaar een vetgemest konijn op, voor de kerstdagen. Oma beweerde dat ze van afrikaantjes hooikoorts kreeg.

Als kind had ik geen last van hooikoorts, tot mijn jongere zusje het kreeg. Een jaar later begon het bij mij ook. Steevast van begin mei tot half juni. Als het te gek werd, haalde ik bij de dokter een receptje voor oranje pilletjes. Opa verbouwde van alles in zijn volkstuin, maar vooral sperziebonen. Ik heb na hun overlijden geen sperzieboon meer aangeraakt, behalve in de gado-gado, maar die komt uit Ons Indië en dan is het anders. Ik kreeg weleens bananen van opa. Waar hij die verbouwde, wist ik niet. Wij werden als kinderen over veel in het ongewisse gelaten.

Toen ik op mijn drieëntwintigste met Annemarie ging wonen, werd de hooikoorts ieder jaar minder. Tegenwoordig heb ik er zelden last van en dan volstaat een wit pilletje van de drogist. Deze week heb ik nieuwe planten in de tuin gezet. Van alles, maar geen afrikaantjes. Die worden als eerste opgevreten door de slakken. Op het Afrikaanderplein ben ik sinds het overlijden van opa, in 1963, niet meer geweest. Ik ben niet echt dol op Rotterdam.

Foto: auteur


vrijdag, juni 16, 2017

Morgen alweer aan de slag



In 2016 verscheen bij uitgeverij Liverse, als vijfde deel in mijn serie literaire dagboeken, Een zootje ongeregeld, dat de jaren 1975-1979 beslaat. Inmiddels werk ik aan deel zes, dat zal gaan over de jaren 1980 tot vermoedelijk 1983. Uit dit deel, als voorproefje, de aantekeningen uit januari 1980.

Dinsdag, 1 januari 1980:
Ik heb vannacht tijdens de jaarwisseling door een verdwaalde vonk een brandwondje opgelopen in mijn hals. Misschien een karakteristiek begin van het jaar. Ik verwacht niet veel goeds van 1980.

Oudejaarsavond waren we bij Wim & Vera1, waar we naar de show van Wim Kan hebben gekeken. Goed, maar niet spectaculair. Hoogtepunten waren zijn anti-Navolied en de imitatie van Van Agt.

Morgen alweer aan de slag voor school. Er moeten schoolonderzoeken worden gemaakt en overheadsheets, ondermeer voor staatsinrichting. Vervelend, maar het is niet anders. De rest van de vakantie wil ik besteden aan het schrijven. Ik moet ook wat dingen opzoeken voor mijn artikel over de Dordtse gilden. Daarom morgen een nieuwe bibliotheekkaart halen.

Donderdag, 3 januari 1980:
Op aandringen van Marion2 met mijn brandwondje langs de dokter gegaan. Het kan gaan ontsteken en is ernstiger dan ik aanvankelijk dacht. Het zit ook op een lastige plek. Ik mag er geen levertraanzalf meer opsmeren.

Donderdag, 10 januari 1980:
Het nieuwe huis bezorgt me een beetje een kunstkop. Nadat ik de eerste hypotheek, met levensverzekering, heb afgewezen, garandeerde de 'makelaar' dat ik er een van vijfentachtigduizend gulden kon krijgen, maar wel tegen 10.75% per jaar. Herbert3 zal iemand van de Amrobank sturen. Lukt het daar niet dan kan ik altijd nog over dit riante aanbod denken. Ook zijn mijn ouders bereid mij een en ander te lenen. De kosten van de inrichting zouden weleens flink tegen kunnen vallen, want misschien moet heel de elektrische bedrading worden vernieuwd.

Donderdag, 13 januari 1980:
Dankzij Herbert komt de financiering van het nieuwe huis in orde. Tegen aanzienlijk minder rente en zonder bemoeienis van die louche 'makelaar.' Nu alleen nog een woonvergunning, maar ook als ik die om een of andere reden niet zou krijgen, trek ik er in. Ik zie het nog niet gebeuren dat ze me uit mijn eigen huis zetten.

Woensdag, 16 januari 1980:
Onverwacht een vrije dag. De verwarming op school deed het niet, we mochten vertrekken. Thuis het schoolonderzoek staatsinrichting gemaakt.

Moet ik vast beginnen aan het volgende hoofdstuk in Geoffrey Parker (The Dutch Revolt) of eerst de twee verhalen typen die ik naar een literair blad wil sturen? Ik moet ook Kees Buddingh' nog een exemplaar van Centre Ville brengen.

Donderdag, 17 januari 1980:
Herbert belde dat de hypotheek is goedgekeurd. We kunnen nu zo snel mogelijk de akte laten passeren. Ik zal morgen de 'makelaar' op de hoogte stellen. Hij weet nog niets van die Amro-hypotheek, wat mij enige binnenpret bezorgt.

Een bescheiden feestdag: vanmiddag ijsvrij, de hypotheek in orde en een aanslag van de belasting: ik krijg veertienhonderd gulden terug. Ook aan Herbert te danken.

Zaterdag eten we bij Gerrit (Lupius)4 in het kader van de 'eetcyclus' die we zijn begonnen. Marion gaat hem helpen met koken. Ben benieuwd. Het wordt zijn eerste keukenervaring.

Zondag, 20 januari 1980:
Gisteren een interessant college van de heer Van Galen Last over de tegenstellingen tussen de geschiedopvatting van de negentiende en de twintigste eeuw. Individualisme contra groepsgerichtheid. Die negentiende eeuwse, individuele benadering heeft nog steeds invloed op het werk van sommige kunstenaars en filosofen. Neem bijvoorbeeld het oeuvre van Thomas Mann.

Woensdag, 23 januari 1980:
Soms denk ik weleens aan een rustig baantje als ambtenaar op het archief. Op mijn dooie gemak wat documenten afstoffen en nu en dan een stukje schrijven, maar dan heb ik die heerlijke, lange vakanties niet meer.

Geoffrey5 heeft twee boeken voor mij meegenomen uit Engeland: Geoffrey Parker, Europe in Crisis 1598-1648 en Fernand Braudel, Capitalism and Material Life 1400-1800. Brian6 gaat mij de driedelige History of the Crusades van Steven Runciman sturen.

Zaterdag, 26 januari 1980:
Het was voorjaar 1972. Pols had nog zijn terras aan het Groothoofd. Een zonnige zaterdagmiddag. Ik dronk met Gerrit een pilsje. We keken naar de voorbij varende schepen. Daar werd het idee voor een literair blad geboren: Letteriek. Het zelfde blad dat ons nu, via het infantiele geschrijf van Frank van Dijl, beschimpt en natrapt. Het nummer dat vandaag is verschenen is een absoluut dieptepunt. Terwijl ik dit noteer leest Marion wat staaltjes van taalonmacht voor. Wedden dat dit het laatste nummer is, afscheid met een kwaadaardige doodsrochel?

Misschien moet ik ook eens aan een essay beginnen. Bijvoorbeeld over de mentaliteit van de picaro die, naar ik vrees, meer en meer ingang vindt in de samenleving.

Dinsdag, 29 januari 1980:
Over twee weken komt de nieuwe Herman uit, met een fiks weerwoord op Letteriek. Daarnaast komt het absurdisme centraal te staan. We plaatsen ook een stuk van Astrid, Marion's jeugdige tante, over feministische kunst. Morgen, als Marion de doka gebruikt, gaan we het fotowerk vast gereed maken.

1. Wim (1950-2002) & Vera Wirtz, vrienden.
2. Marion Vomberg (1961-2012), geliefde.
3. Herbert Bos, vriend.
4. Gerrit de Wolf (1949-2010), vriend.
5. Geoffrey Lord, neef.
6. Brian Lord, neef.

Foto: auteur