zaterdag, november 09, 2019

Willem de Z.



Rotterdam heeft Kabouter Buttplug. Wij hebben Aai van de Beurs, een nogal brave bijnaam, die meer zegt over de vroegere functie van het Scheffersplein dan over Ary Scheffer zelf. In de Vriesestraat hebben we het Michelinmannetje, ook wel Flipje van Tiel genaamd en sinds kort hebben we ook Willem de Zeiker. Dat afgrijselijke beeld van Willem de Zwijger op de hoek van de Hofstraat. Een naargeestige kolos, die een buitenproportioneel onaangename indruk maakt. Zoals iemand uit de Nieuwstraat me zei: 'Ik heb tegenwoordig een enge vent op de hoek.' 

Willem de Zeiker, ja, wat wil je ook als je zoiets pijnlijks tegen de wil van een aanzienlijk deel van de burgerij neerzet op een plek die vroeger werd gesierd door een urinoir? Zo'n uit grijs beton opgetrokken, ruftend hok dat je in Dordrecht regelmatig tegenkwam in tijden dat de stad nog niet zo was afgegleden dat er nergens meer openbare toiletten zijn te vinden. Pisbak werd zo'n ding genoemd, tot groot verdriet van een klasgenoot die Visbach heette. U begrijpt: we zijn in Dordrecht dol op bijnamen.

Hoe ontstaan bijnamen eigenlijk? Ze komen niet uit een ei gekropen. Misschien borrelen ze spontaan op uit de biomassa. Dat spul dat het milieu moet redden door meer CO2 uit te stoten dan de kolencentrales die dicht moeten, maar laat ik niet afdwalen. Waarschijnlijk hangen ze in de lucht, tot iemands antenne er eentje opvangt. Pats, boem: 'Willem de Zeiker,' hoor je dan ineens in de stamkroeg, 'je weet wel, die trol van de Hofstraat.' Ja, wij Dordtenaren houden wel van bijnamen, maar niet zo van zeikers, geloof ik.

Foto: auteur


vrijdag, november 08, 2019

SINDS BUDDINGH’...




SINDS BUDDINGH’...

komen we bijeen
in achterzaaltjes, clubhuizen
of een berookt café
waar zich een ritueel
van eenvoud voltrekt
zoals het een samenkomst 
van gelovigen betaamt.

Een groet, de lezing voor
het klein gehoor, 
een lach soms 
die de spanning doorbreekt
en uiteindelijk gelegenheid
het Woord aan te schaffen
tegen aantrekkelijke korting.

Daarna op zachte toon
het nagesprek, het schuifelend
verlaten van het pand.
Wij zijn met weinig
in de wereld,
een sekte noemt men
ons ook wel.


Dordrecht, februari 2007

Foto: Dorien Eijgenraam





maandag, oktober 28, 2019

Dominee



Het was een zonnige septemberdag toen wij, dat wil zeggen: een student aardrijkskunde die ook iets deed bij de VPRO, mijn klasgenoot Jaap Doorman en ik, naar Den Haag reden. In de auto van de student. We werden verwacht bij de Raad van State, die zich zou buigen over ons bezwaar tegen de afwijzing van ons verzoek tot 'vrijstelling van militaire dienst wegens geestelijk ambt'. Dat hadden we bij defensie ingediend nadat we via de VPRO een domineesbul hadden gekocht, van een kerk in de VS die er vanuit ging dat iedereen zijn eigen predikant moest zijn. Ik geloof dat het papier een tientje kostte. Voor vijftien gulden meer was je doctor in de theologie. Dat vonden we te duur. De student noemde zich metropoliet en ging mee om ons bij te staan, hoewel hij voor zover ik mij kan herinneren tijdens de behandeling van het bezwaar geen woord heeft gezegd.

Ik liet op het gemeentehuis 'predikant' in mijn paspoort zetten. Toen deden ze dat nog. Later werd dat 'auteur', na de publicatie van mijn eerste verhalenbundel Centre Ville. Toen ik tijdens mijn onderwijsloopbaan uiteindelijk 'sectiehoofd' en 'senior docent geschiedenis' was geworden, hoefde je beroep niet meer in je paspoort. 'Schoolmeester' zou me nu wel aardig lijken, of 'volledig bevoegd onderwijzer'. Dat diploma heb ik ook nog ergens in mijn archief: de Akte van Bekwaamheid als Volledig Bevoegd Onderwijzer, net als die domineesbul.

Wij waren als laatsten aan de beurt. Er waren die dag veel rekesten tegen het afwijzen van vrijstellingsverzoeken door het ministerie van defensie. We hoorden het allemaal aan. Van banale smoezen tot aangrijpend familieleed. Als we het hadden opgenomen, had ik nu een boek gehad. Uit het leven gegrepen. Waar gebeurd. De voorzitter van de commissie heette Smallenbroek. Hij was ooit afgetreden als minister. Tegen een geparkeerde auto gebotst en doorgereden, meen ik mij te herinneren. Hij vroeg ons hoe wij invulling gaven aan ons geestelijk ambt. Daar hadden we niet op gerekend. We hadden nergens op gerekend, behalve op bijstand van de metropoliet. Die zweeg. 'Ik praat weleens met een alcoholist bij het station', legde ik uit. 'Ik ook', zei Jaap, 'maar dan meer in een winkelcentrum'. Duidelijk was dat wij niet op succes hoefden te rekenen. Toen we buiten stonden zei de metropoliet dat hij via Amsterdam moest en dat we beter de trein konden nemen.


zondag, oktober 20, 2019

Waakzaamheid



Als de mens voorbestemd was voor de lucht, had de evolutie ons in de loop der tijden wel vleugels gegeven. Ik bedoel: ik heb het niet op hoogbouw. Ik heb het helemáál niet op hoogbouw. Toen ik voor het eerst in New York kwam, stoorden de wolkenkrabbers me niet echt. Ze hoorden bij die merkwaardige stad, die mij meer als een soort filmdecor voorkwam dan als een plek waar je kon leven. Ik heb daar zelfs op het dak van het World Trade Centre gestaan, op diezelfde toren die later door terroristen is verwoest. Ja, een geweldig uitzicht en leuk hoor dat helicopters onder je vlogen, maar één keer is wel genoeg. Ik heb er nachtenlang rare dromen van gehad. Gelukkig maar dat hoogtevrees gratis is. 

Ik zou voor geen miljoen in een stad met hoogbouw willen wonen. Daarom prijs ik mij gelukkig dat ik in Dordrecht woon en niet in Rotterdam, die stad waar dat prachtige Schielandshuis in het niet staat te vallen tussen de torens, de ene nog wanstaltiger dan de andere. Er zijn mensen die dat geweldig vinden. Natuurlijk, smaken verschillen, de veelgeprezen 'skyline' (want als het niet in het Engels is, is het niet waar) van Rotterdam boezemt mij juist afkeer in en het liefst zou ik die woontoren in de Dordtse Stadspolders (heet dat ding niet Sequoia?) laten opblazen. Wacht maar tot ik burgemeester word. 

In Dordrecht, een stad die ondanks onvoorstelbare kaalslag in het historisch centrum halverwege de negentiende en nog eens halverwege de twintigste eeuw, nog steeds barst van de monumenten en waar gelukkig nog een bescheiden deel van de binnenstad van de megalomane sloopwoede van misleide stadsbestuurders en doortrapte projectontwikkelaars is gered, heeft de gemeenteraad besloten dat in het centrum niet hoger mag worden gebouwd dan de Grote Kerk. Ik hoop dat dat besluit nooit wordt herroepen, de stad is er leefbaar door gebleven. Toch vrees ik voor de toekomst. Het Eiland van Dordrecht is overvol, van mij mogen er twintig- tot dertigduizend stadgenoten naar de Rotterdamse woontorens emigreren, en projectontwikkelaars hebben weleens meer invloed dan de gemeenteraad. Waakzaamheid blijft geboden!

Foto: auteur


zaterdag, oktober 19, 2019

Idioten ontloop je nergens



Ik zie een reportage waarin mensen elkaar bij de opening van een elektronicawinkel onder de voet lopen om gratis oordopjes te bemachtigen. Zolang de voorraad strekt. Ik zie een reportage waarin mensen met elkaar op de vuist gaan vanwege een conflict in het land van hun grootouders, waar ze niet zijn geboren, nooit gewoond hebben en alleen nog op vakantie of familiebezoek gaan. Ze hebben een vlag die heilig is, besmeur je hem, dan moet je dood. Ze zijn voor vrijheid, gelijkheid en democratie, maar niet in dat land van hun grootouders, daar zijn ze voor de dictatuur. 

Ik zie een reportage over iemand die beweert dat je door regelmatig op je kop staan een beter mens wordt en dat zeewier, heel veel zeewier de absolute garantie tegen kanker is. Ik zie een programma over een vrouw die de hele dag duiven voert, omdat hongerig rondvliegen zo zielig is. Ik zie beelden van kwezels die kilometers op hun knieën naar een plek kruipen waar de maagd Maria ooit verscheen. De maagd Maria.....

Ik heb een e-reader, ik geef het toe. Het leest niet fijn, daarom gebruik ik hem uitsluitend op reis. Dat scheelt slepen met gewicht, zeker nu de luchtvaartmaatschappijen met hun zogenaamd goedkope prijzen voor elke kilo kosten rekenen. Fatsoenlijk eten krijg je ook niet meer in zo'n vliegtuig, op een enkele uitzondering na. Met fatsoenlijk bedoel ik eten waaraan je niet doodgaat en dat je al kauwende afleidt van de gevaren van het vliegen. Het mag niet van de milieumensen, maar als ik naar Griekenland ga, naar Griekenland moet (ik kan er ook niets aan doen dat ik weduwnaar van een Griekse ben, je mag met me ruilen), vlieg ik. Als je dat zo erg vindt ga je zelf maar veertig uren met de trein, boot en bus. Ik doe het liever in vier.  

Ik schat dat in die e-reader inmiddels een boek of vijftig zit. Dat haalt het niet bij de ongeveer zesduizend boeken die ik thuis heb. Mijn huis slibt er langzamerhand mee dicht. De vraag is of dat erg is. Ik vind van niet. Ik stap gewoon over die stapels heen. Het geschreeuw op Facebook en Twitter, van mensen die beter zouden moeten weten, over 'de linkse kerk' in onze maatschappij, over 'het complot dat Europa heet' en dat het de schuld van Femke Halsema is dat Amsterdam 'een narco-dictatuur' is, dat is pas erg. W.F. Hermans wist het in de jaren tachtig al. We worden Door gevaarlijke gekken omringd. 


maandag, oktober 14, 2019

Altijd



We logeerden in Nea Iraklitsa. Dat had neef Perikles geadviseerd. Hij was ooit in het nabije Kavalla gestationeerd bij de havenpolitie. Een bescheiden kustplaatsje, nog niet ontdekt door het massatoerisme, dat vooral het westelijker gelegen Halkidiki teisterde. Het schiereiland Kassandra was al in de zomer onleefbaar geworden en dat dreigde ook te gebeuren met Sithonia. Tot de rand toe gevulde stranden. Te veel smakeloze hotels. Overal vieze, in zonnebrand blubberende mensen. Endemisch dronken Russen en ander schreeuwvolk van de nabije Balkan. Daartussen de onvermijdelijke package holiday Engelsen. Ook zelden nuchter. Er was in Neo Iraklitsa nog weinig van te bespeuren. Het waren de dagen dat ik nog op sandalen liep met sokken aan en soms, ik zou het mezelf nu niet meer aandoen, daarboven een korte broek. Lulletje rozenwater op reis.

Nea Iraklitsa was de tussenstop op weg naar Samothraki. 'Een beetje een hippie-eiland,' zei een buurvrouw in Thessaloniki wat zuur. Ons trok dat aan. Mijn lange haren waren inmiddels al ingekort en grotendeels 'in de mist der mensen verdwenen', zoals mijn literaire held L.H. Wiener dat mooi uitdrukt, maar mijn romantisch-nostalgisch verlangen naar de jaren zestig was er niet minder door. Doordat ik een late babyboomer ben, heb ik een deel van die tijd gemist. Altijd de lul. Bij de salariskortingen in het onderwijs in de jaren tachtig, bij het verlengen van de AOW-leeftijd in recenter tijden. Wie van 1951 is, pist altijd net naast de pot en vindt de grote ruif vrijwel leeg. In Griekenland heerste in die jaren de stompzinnige kolonelsdictatuur. Het kan immers altijd nog erger. Stella zei er nooit veel over, wat veelzeggend was.

Toen we Neo Iraklitsa binnenreden moest ik van Stella op een terras gaan zitten. Na twintig minuten kwam ze terug met een kamer, in een stijlvol familiehotel. Schoon, comfortabel en met een goede keuken. Een straat verderop was een leuk bougatsatentje voor de ochtendkoffie. Het opgravingsterrein van Philippi bleek onder handbereik en er was een schoon zandstrand. Daar lette de gemeente op, wat toen tamelijk uniek was in Griekenland. 

Na drie rustgevende dagen reisden we door naar Samothraki. Dat kon toen nog met een veerboot vanuit Kavalla. Na vier uur bereikten we het eiland van de hortensia's. We werden er smoorverliefd op. Als we later op weg naar Samothraki langs Nea Iraklitsa reden, voelden we ons weleens een beetje schuldig. Dat soort dingen heb je niet in de hand.

Foto: auteur


donderdag, oktober 10, 2019

Bruiloft



We reisden helemaal naar Friesland, in een auto. De jongste broer van mijn moeder ging trouwen. Mijn vader, moeder en ik reden mee met een oom en tante. Oom was hoofdingenieur bij Rijkswaterstaat en bouwde wegen en bruggen. Daar ging hij vervolgens met zijn auto overheen rijden. Ik heb geen idee welk merk, daar let je als vierjarige niet op, maar het was een grote auto. Alles bij oom en tante was groot. Het huis aan de Haagse De Savornin Lohmanlaan, de duinenrij waarop ze uitkeken, de zee erachter en de gastvrijheid. Wij gingen regelmatig logeren. Jammer dat ik van tante per se tomaten moest eten. Ik lust die dingen nog steeds niet, wat bepaald lastig is voor iemand die regelmatig in Griekenland verblijft.

Friesland was in de jaren vijftig een afgelegen gebied. Je moest een kilometers lange dijk over. De Afsluitdijk, die van de Zuiderzee een meer had gemaakt. Je kon ook om dat meer heen rijden, maar dan moest je de Veluwe over en daar had je nog oerbossen waarin het wemelde van de wilde zwijnen en mensen die je stenigden als je op zondag langs kwam fietsen. Ik vond die Afsluitdijk best spannend. Al dat water links en rechts, met aan het eind de forten die in 1940 toch maar mooi de opmars van de Moffen hadden gestuit. Tot Rotterdam werd gebombardeerd. Na die forten was ik in het buitenland. 

De bruiloft was in een plaats die Franeker heette. Dat Franeker ooit een gerespecteerde universiteitsstad was, wist ik toen nog niet. Die universiteit was allang opgedoekt. Van de rit en de trouwerij herinner ik me weinig. Op de foto's sta ik nogal parmantig in een door mijn moeder zelf gemaakt pakje. Het prinsje zelve. Er was ook een prinsesje, een meisje van mijn leeftijd, waarvan ik schrok. Ik kon haar niet verstaan, zo raar als ze praatte. 'Dat is Fries', zei mijn vader, 'dat spreken ze hier.' Omdat wij het niet breed hadden, moest ik dat klotepakje soms aan naar de kleuterschool. Ik was bang dat ze me zouden uitlachen. In Franeker ben ik nooit meer geweest, daar zullen ze nog wel steeds raar praten.

Foto: archief Kees Klok


maandag, oktober 07, 2019

Droom



Ik lees in Dashing for the Post van Patrick Leigh Fermor, een Engelse schrijver, oorlogsheld en avonturier, dat hij ook op Skyros is geweest. Enkele malen zelfs. Hij woonde een deel van zijn leven overal en nergens en een ander deel, het laatste, in een zelf ontworpen villa in Griekenland in de Mani, in de buurt van Kardamili. Ik vraag me af of hij net zulke problemen heeft gehad met de Griekse bureaucratie als ik. Kardamili herinner ik mij uit de tijd dat ik er met Stella enkele dagen logeerde en dat zij, hoewel het hoog zomer en stoffig was en we nog een lange reis voor de boeg hadden, per se wilde dat ik de auto schoonspoot. 

Dat heb ik braaf gedaan, net zoals ik volgende week weer braaf mijn illegale belastingaanslag bij de Griekse fiscus ga betalen. Geheel tegen het belastingverdrag met Nederland in, maar ik wil het gedonder niet erger maken dan het al is. Vervolgens gaat mijn boekhouder alles terugeisen en met een beetje geluk komt het over een jaar of twee weer op mijn rekening. Zo schuift dat geld eindeloos heen en weer, omdat een mevrouw in Thessaloniki zegt dat het computerprogramma niet geschikt is om een regeltje in te voeren dat ik uitsluitend in Nederland moet betalen en dus een nul-aanslag verdien. Het is allemaal net als het schoonspuiten van een auto voor je honderden kilometers over stoffige wegen gaat rijden. 

Toen wij in Kardamili verbleven was Patrick Leigh Fermor voor ons nog een vage Engelsman die ooit in de oorlog op Kreta een Duitse generaal ontvoerde en door Dirk Bogarde werd gespeeld in de film Ill Met By Moonlight. We hebben hem dus niet opgezocht en dat spijt mij nog steeds, want het is een geweldig schrijver. Zijn reisboeken en brieven zijn een feest om te lezen. 

Toen hij nog overal en nergens woonde, verbleef hij regelmatig in landhuizen of op kastelen van rijke vrienden, zoals Chatsworth, van zijn vriendin Deborah Mitford, hertogin van Devonshire. Verblijven in een landhuis of op een kasteel en daar mooie dingen schrijven, dat lijkt me geweldig. Hier op Skyros kan het niet, er is wel een castro, maar dat is niet bewoonbaar. Straks op mijn eigen eiland wordt ook moeilijk, ze zien me op Dordwijk of kasteel Crabbehof al aankomen en het Huis te Merwede restaureren zit er niet in met die vele miljoenen die het nieuwe stadskantoor moet gaan kosten. Het zal altijd wel een droom blijven, net als de wens eindelijk eens van de Griekse bureaucratie af te komen.

Foto: auteur


vrijdag, oktober 04, 2019

Postduif



Ik woon op een eiland. Nu ja, eiland: zeven bruggen en twee tunnels verbinden het met de rest van Nederland, maar mentaal blijft het een eiland. We kennen autochtonen en import. De autochtonen zullen altijd autochtonen blijven, zelfs als ze van het eiland vertrekken. Ook als ze op latere leeftijd, wat regelmatig gebeurt, als spijtoptanten terugkeren. We sluiten de autochtonen op ons eiland in het hart. Niets tegen de import, iedereen die hier niet is geboren, maar het blijft ander volk. Wie heel jong naar het eiland komt, lukt het misschien ons accent over te nemen, maar bij de meeste import blijf je horen dat het import is. Erg vinden we dat niet. Als de import zich schikt naar de mores van het eiland, sluiten we ook de import in ons hart. 

Mijn eiland is, naar boven afgerond, 80 vierkante kilometer groot. Er wonen bijna 118.900 mensen. Toen ik werd geboren, waren dat er ongeveer 54.000 minder. Toen was het eiland ook nog verdeeld in twee gemeenten. Een stad met de meeste inwoners en het kleinste grondgebied, een dorp met weinig inwoners en het grootste grondgebied. Op een gegeven ogenblik heeft de stad het dorp verzwolgen. Vanwege de grond. Er moesten buitenwijken komen voor al die nieuwkomers. Babyboom-autochtonen en import. 

Mijn eiland is overbevolkt, maar toch willen de boven ons gestelde autoriteiten dat er nog meer mensen komen wonen. 'Om de voorzieningen op peil te houden.' Ik zou weleens uitgezocht willen hebben of de voorzieningen niet net zo goed op peil kunnen worden gehouden met 40.000 inwoners minder dan met 40.000 meer. Ik weet het niet, ik heb alleen verstand van het verleden. Toen waren er tal van voorzieningen. Een eigen elektriciteitscentrale, een eigen maatschappij voor het openbaar vervoer, een eigen gasfabriek, een eigen vuilverbranding, en minstens vier ziekenhuizen, om maar wat te noemen. Wel was er maar één spoorwegstation.

Ik schrijf dit op een afgelegen eiland in een van de armste landen van Europa. Het is 209 vierkante kilometer groot, waarvan een deel bergen, en heeft bijna 3000 inwoners. Het heeft een eigen veerboot naar het vasteland, een eigen elektrische centrale, een diepwaterhaven, een vliegveld, prachtige, woeste natuur, twee musea, twee theaters, maar geen ziekenhuis en een bus die maar twee keer per dag van de haven naar de hoofdstad en het vliegveld rijdt. Je kunt niet alles hebben, maar de mensen lijken niet minder gelukkig dan die van mijn eiland. Je hebt er hetzelfde onderscheid tussen autochtonen en import. Ik kom er weleens op bezoek bij vrienden. Misschien moeten mijn eiland en dit eiland elkaar eens leren kennen. Ik ben bevriend met de pas gekozen burgemeester. Ik wil wel als postduif fungeren, wie weet wat voor moois eruit voortkomt.




Foto's: auteur


maandag, september 30, 2019

Ironie



Ik heb het manuscript van mijn boek Met gemengde gevoelens op reis ingeleverd bij de uitgever. Het is weer een brievenboek. Ik ben van het epistolaire genre. De brieven zijn gericht aan mijn in 2007 overleden vrouw Stella. Een vorm van contact houden, al stuurt ze nooit een antwoord. Misschien wat ongebruikelijk, maar ik voel mij er wel bij. Misschien schrijf ik nog weleens een brievenboek. Met brieven aan een bestaande persoon. Claire bijvoorbeeld, al moet die waarschijnlijk onbedaarlijk lachen bij het idee dat ik haar ga schrijven. 'Dan stuur je maar een eppje,' zou ze zeggen. 

Ik heb in de afgelopen weken nu en dan stukjes uit de brieven op Facebook gepubliceerd. Daar heb ik een klein beetje spijt van. Op Facebook voelen allerlei mensen de drang om op zo'n stukje te reageren en dat zijn niet altijd mensen die beseffen dat het literaire fragmenten zijn met een zekere, soms hoge, mate van ironie. Je hebt mensen die alles letterlijk nemen, zoals er ook rondlopen die geloven dat Jonas werkelijk in een walvis zat. Dat geeft soms merkwaardige reacties.

Als ik je advies wil, of benieuwd ben naar je mening, vraag ik het zelf wel. Ik heb ook helemaal geen zin om over mijn literair werk uitleg te geven, of het op de een of andere manier te verdedigen. Het moet voor zichzelf spreken. Met een opiniestuk ligt dat anders, maar dat is niet aan de orde. Het zou prettig zijn de reactiemogelijkheid op Facebook af en toe uit te kunnen schakelen. Dat scheelt gedoe. Je kunt iemand blokkeren, bij notoire schreeuwlelijkerds heb ik dat ook gedaan, maar als je eenvoudig kunt aanvinken 'geen reacties', hoef je zover niet te gaan bij mensen die het vaak goed bedoelen, maar het niet helemaal door hebben.

Foto: archief Kees Klok







dinsdag, september 24, 2019

Kwakzalverij


   Gladiolenthee: middel tegen goedgelovigheid.

Ik zag weer zo'n lulverhaal op het internet in de trant van dat het vrijwel uitgesloten is dat je kanker krijgt als je maar veel koenjit eet, of iedere dag een uur op je kop mediterend in een boom gaat hangen. Ook duikt er nu en dan een Catweazle op die beweert dat de reguliere geneeskunde een complot van de farmaceutische industrie is. Wie dat niet gelooft behoort tot 'de elite' die ook in het complot zit. 

Meestal sla ik het geouwehoer over, maar als een bekende een hoax deelt, laat ik me weleens verleiden even in het wereldje van de gelovigen te koekeloeren. Altijd moet ik dan denken aan schrijfster Laurie Langenbach en actrice Sylvia Millecam. Intelligente vrouwen met aanleg voor naïviteit, bijgeloof en blindheid voor de werkelijkheid. Beiden hadden, al weet je dat nooit zeker, hun kanker wellicht kunnen overleven, als ze hun vertrouwen niet uitsluitend hadden gesteld in de sprookjesvertellende priesters van de kwakzalverij. Ik citeer uit een brief in mijn boek Met gemengde gevoelens op reis, dat in het voorjaar verschijnt.

Eigenlijk een merkwaardige gedachte dat Laurie, hoewel een jaar jonger dan jij, al twee en een half jaar voordat wij elkaar leerden kennen is overleden. Ze was toen de geliefde van musicus Wally Tax. Als ik die naam lees, hoor ik onmiddellijk het nummer Touch van de Outsiders, dat ik in de jaren zestig zo'n beetje heb grijsgedraaid. Laurie overleed aan baarmoederhalskanker. Haar leven had wellicht kunnen worden gered als ze niet in de macrobiotiek had geloofd en zich had verlaten op de reguliere geneeskunde. Ik ben nu gevorderd tot haar brieven uit Japan, waar zij bij een zekere Masahiro Oki, zo'n zogenaamde wijze uit het oosten met, begrijp ik, een eigen vorm van yoga, genezing zocht. De rillingen lopen me over de rug als ik lees hoeveel vertrouwen ze aanvankelijk, naast twijfels, dat wel, had in die kwakzalverij. 

Dat iemand met de dood in de ogen wanhopig is en zich aan iedere strohalm vastgrijpt, begrijp ik, maar dat je daarbij, tot het al veel te laat is, voorbij gaat aan de echte dokter, je weet wel, die ervoor heeft doorgeleerd en zijn of haar kennis niet van nepnieuwssites haalt, wil er bij mij niet in. Het is alsof sommige mensen de middeleeuwen geestelijk nooit achter zich hebben gelaten. Naïef, goedgelovig en sneu, want menigmaal slachtoffer van profiteurs die hen via de sociale media geraffineerd een poot uitdraaien. Gelukkig is er de Vereniging tegen de kwakzalverij, al zal de ware gelovige wel vinden dat die is opgezet door de met de farmaceutische industrie complotterende 'elite'. Geloof en verstand gaan nu eenmaal zelden samen.

Foto: auteur


zaterdag, september 14, 2019

Metro



Toen ik Stella, en daarmee Thessaloniki, eind jaren tachtig leerde kennen, was het plantsoen voor haar appartementengebouw in Ano Toumba, toen de meest oostelijke buitenwijk van de stad, nog een kale vlakte. Middenin stond een paal van het elektriciteitsbedrijf, waaraan de melkboer, afkomstig uit het naburige dorp Pyleia, zijn paard vastzette als hij de deuren langsging. Het was alsof ik terugkeek in de tijd. Ook de lorrenboer reed nog met paard en wagen door de buurt. Als het helder weer was, zagen we vanaf het balkon, dat op het zuiden was gelegen, de besneeuwde top van de Olympos, waar zich de goden van het klassieke Griekenland ophielden. 

In Toumba, door een beek gescheiden in een hoger deel (Ano Toumba) en een lager (Kato Toumba) zag je nog volop de charmante, lage huisjes uit de jaren na de grote stadsbrand (1917) en de bevolkingsuitwisseling tussen Griekenland en Turkije (1923). Daardoor ontstond een nijpend tekort aan woningen en werd Toumba langzamerhand onderdeel van Thessaloniki. De stad is sindsdien sterk gegroeid. Daar zijn meerdere oorzaken voor. In de Tweede Wereldoorlog en de aansluitende burgeroorlog, die tot 1949 duurde, zochten veel plattelandsbewoners hun toevlucht in de grote steden. Daarna trok men vooral om economische redenen naar de stad, vooral naar Athene en Thessaloniki. Op dit ogenblik heeft Thessaloniki, de randgemeenten niet meegerekend, ruim 811.000 inwoners. Daarmee is het nauwelijks kleiner dan Amsterdam.

Ook toen al was ik mij ervan bewust dat die blik in de tijd niet lang meer zou duren. In rap tempo werd de laagbouw om ons heen gesloopt. Het braakliggend terrein werd een lommerrijk plantsoen, omzoomd door flatgebouwen van vijf of zes hoog. Ons uitzicht op de stad en de Olympos verdween door de nieuwbouw, de melkboer uit Pyleia ging met pensioen en de lorrenboer schafte een ijzeren hond aan, uitgerust met een luidspreker, waarmee hij voortaan 'o paliatzis!' galmend door de straten reed. Uiteindelijk groeide Toumba zo sterk dat de wijk overliep naar Pyleia en nu deels tot die gemeente behoort. Nog oostelijker verrees de wijk Konstantinoupolitika, een tongtwister voor wie Grieks wil leren, maar of de groei zich nog verder zal voortzetten is de vraag.

Sinds het uitbreken van de economische crisis hebben honderdduizenden Grieken het land verlaten en is er inmiddels sprake van een klein sterfteoverschot. Men verwacht dat de bevolking de komende jaren zal krimpen. Wat dat betekent voor Thessaloniki, moeten we afwachten. Zij is met gemiddeld 7100 inwoners per vierkante kilometer behoorlijk dicht bevolkt. Amsterdammers wonen met ruim 5000 mensen op die vierkante kilometer, maar anders dan de Nederlandse hoofdstad, beschikt Thessaloniki niet over een goed systeem van openbaar vervoer. Ooit was er een tram, maar in de jaren zestig werd die in naam van de vooruitgang opgedoekt en ging men over op bussen. Dat busvervoer is weliswaar goedkoop, maar niet adequaat en in de spitsuren een regelrechte ramp. Veel inwoners nemen daarom liever de auto, wat in het centrum leidt tot een enorm parkeerprobleem. Het antwoord hierop is de aanleg van een metro. Die begon in 2006, maar is nog lang niet voltooid. De huidige raming is dat het lijntje, dat van het treinstation naar Kalamaria, een oostelijke randgemeente, gaat lopen, alles bij elkaar een kilometer of negen, in 2020 of 21 operationeel zal zijn. Doortrekken van de lijn naar Toumba zal naar ik vrees nog heel lang duren. Gelukkig wemelt het in Thessaloniki van de taxi's en die zijn niet eens zo duur ook. Als je maar oplet dat de chauffeur bij het wegrijden de meter aanzet.

Eerder gepubliceerd in Griekenland Magazine, lente 2019.

Foto: auteur


woensdag, september 11, 2019

Amerika! Amerika!



Amerika! Zoals ik je al eens schreef, hebben wij er veel aan te danken. Zonder de VS had ik je hoogstwaarschijnlijk nooit ontmoet. Ik vond die periode aan de Universiteit van Minnesota bijzonder leerzaam. Alleen al om te ontdekken dat het geen land meer was van de onbeperkte mogelijkheden, maar wel van de onbeperkte tegenstellingen, van de onopgeloste sociale problemen en vooral van de angstcomplexen. 

Wij werden verliefd, maar we vonden dat onze groep internationale docenten en wetenschappers daar (nog) niets van hoefde te weten. We stoorden ons nogal aan het gedrag van een Nederlandse collega die, een paar maanden los van huis en echtgenote, tamelijk opzichtig probeerde iedere vrouw in het gezelschap in bed te krijgen. Natuurlijk, op dat soort seminars en conferenties wordt wat afgeneukt en vreemd gegaan, lees daar Small World van David Lodge maar op na, maar daarom hoef je nog niet opzichtig met je promiscuïteit te koop te lopen. Dat kon die meneer niet flikken op zijn christelijke scholengemeenschap, maar uit het zicht van God en de rector lagen de dingen kennelijk heel anders.

Wij wilden onze omgang een beetje stil houden. Daarom gingen we 's avonds vaak wandelen over de campus. 'Levensgevaarlijk,' vonden onze gastheren. Dat moesten we vooral niet doen. We bleven romantisch langs de oever van de Mississippi slenteren. Later, in New York, liepen we regelmatig 's nachts over straat, maar daar, in de buurt rondom 42nd. Street, stond natuurlijk wel op iedere straathoek een agent en ik geef toe, in de Bronx hebben we ons niet gewaagd, het was tenslotte 1987. Sindsdien hebben ze niet erg hard gewerkt aan sociale verbeteringen, dus het zou mij niets verbazen als het er nog steeds een zootje is. Ik ga er niet kijken. In ieder geval niet zolang Trump president is en misschien wel nooit meer. Er is nog genoeg te zien in Europa. Zolang het nog kan. Zolang Europa nog niet door nationalisme en fascisme is veranderd in een nieuw en nog gruwelijker Joegoslavië.

Amerika! Ik dacht aan te komen in het modernste land van de wereld, maar toen ik op het John F. Kennedy-vliegveld bij de douane stond, begon een stereotype, obesische beambte traag in een enorm dik boek te bladeren om te zien of er wellicht een crimineel of potentiële terrorist voor hem stond, in plaats van in een supersnelle computer te kijken. Brieven van Dordrecht naar Minneapolis en vice versa deden er minstens veertien dagen over, wat herinnerde aan een postkoets, achtervolgd door woeste Indianen. De eerste Indianen die ik zag, zwalkten troosteloos dronken door downtown Minneapolis. 'Daar moet je niet alleen gaan wandelen,' was het advies, 'levensgevaarlijk!' Tja, ze geloofden ook heilig dat waar dan ook in Nederland op iedere straathoek werd gedeald en dat achter bijna elk raam hoeren zaten, altijd met uitzicht op windmolens, tulpenvelden of een schilderachtige gracht met woonboten.

Persoonlijk heb ik, op een nogal indrukwekkend bezoek aan Stillwater prison na (een Amerikaan noemt een bajes een correctional facility, wat op zich al een veelzeggend alternatief feit is), niets gezien van crimineel Amerika. In tegendeel, ik heb vrijwel uitsluitend buitengewoon vriendelijke, gastvrije mensen ontmoet, zij het soms met de wereldvreemdste ideeën. Overal werd God bij gehaald, wat je van veel verantwoordelijkheden ontslaat. Alles wat je niet bevalt of wat je mis laat gaan, schuif je lekker op de wil van het opperwezen. Overal werd je gewaarschuwd voor gevaar. Logisch in een land waar ze elkaar bij duizenden overhoop schieten, al heb ik geen pistool horen afgaan. 

Soms werd je trots gewezen op de heilige taak van de Verenigde Staten om een lichtend voorbeeld voor de wereld te zijn, maar Nederland en Denemarken konden ze niet uit elkaar houden. Nu goed, hang een blinde kaart van Amerika voor de neus van een Europeaan en vraag dan eens om alle eenenvijftig staten aan te wijzen. En dan had je nog dat anti-rookgezeik, terwijl het wemelde van de dikke, ruftende automobielen. Koffiezetten konden ze evenmin, maar wij reden natuurlijk ook rond in een mooie Buick Century en hadden het eerlijk gezegd behoorlijk naar onze zin in die smeltkroes van malligheden. Als je daar aan denkt zou je haast willen dat Trump als de bliksem van het toneel verdween, maar ja, dan zit je nog met die wolven en beren, ratelslangen en pornosites, televisiedominees en die broeiende, buitenproportionele vulkaan onder het Yellowstone Park.

Fragment uit mijn in het voorjaar te verschijnen brievenboek.

Foto: archief auteur


vrijdag, september 06, 2019

Waarde



Met een nichtje dat in Cambridge aan haar proefschrift in de geschiedwetenschap werkt, bezoek ik King's College. Ik mag niet over het gras lopen, zegt ze, want die 'eer' is alleen voorbehouden aan fellows van het College. Doe ik het toch, dan word ik door een meneer met een bolhoed verwijderd. King's College heeft een kapel, waarvan de bouw begon in 1446, toen de godsdienstwaanzinnige koning Hendrik VI over Engeland regeerde. Dat je zo'n kapel niet een twee drie neerzette, blijkt uit het feit dat de bouw pas in 1515, onder Hendrik VIII, werd voltooid. Die regeerde van 1509 tot 1547. Hij was een tijdgenoot van Karel von Habsburg, die wij kennen als keizer Karel V, maar die in Holland natuurlijk gewoon onze graaf was.

De kapel is een parel van laat-gotische, Engelse bouwkunst. U denkt misschien dat ik dat van Wikipedia heb, maar ik heb ooit op de universiteit de keuze moeten maken tussen twee bijvakken: kunstgeschiedenis of sociaal-economische geschiedenis. Sociaal-economische geschiedenis scheen van geweldig belang te zijn, daarom volgde ik, ter oriëntatie, een college economie voor historici. Toen ik aan het eind daarvan wakker schrok, was de keuze voor kunstgeschiedenis gemaakt. Ik heb er tot op de dag van vandaag plezier van.

Het is een mooie dag in maart. Over de Cam worden zelfs punters vol toeristen voortgeboomd. De volgende dag zou ik wakker worden en bij het openen van mijn hotelgordijnen een laagje sneeuw zien, maar dat wisten we toen nog niet. We verlaten King's College en lopen in de richting van het Gonville and Caius College, waar veel bloemen bij de ingang liggen. De beroemde geleerde Stephen Hawking, geveld door de gruwelziekte ALS en fellow van het College, is enkele dagen daarvoor overleden. Nog iets verderop is een opstootje. Er wordt ergens tegen gedemonstreerd, maar tegen wat, is mij niet duidelijk. 'Laten we wat gaan drinken bij The Eagle,' stelt mijn nichtje voor. The Eagle is, naar men zegt, de beroemdste studentenpub van Cambridge. Ik vertel haar niet dat ik hem die ochtend al heb ontdekt. Geleerde nichtjes laat je in hun waarde.

Foto: auteur


maandag, september 02, 2019

Boek eens een lezing


   
Ik word regelmatig gebeld door mensen die mij vragen om te komen lezen uit eigen werk of over een historisch onderwerp te spreken. Goede uitzonderingen niet te na gesproken, wordt mij iets te vaak gevraagd om dat voor niets te doen of voor 'een goede fles wijn'. Met veel geluk wil men reiskosten vergoeden, maar nooit eersteklas. Vroeger verwees ik naar sss.nl, maar daar zijn ze nodeloos ingewikkeld gaan doen, dus daar werk ik niet meer mee. 

Je kunt me bellen, maar voor niets gaat de zon op en op een optreden 'om uw naamsbekendheid te vergroten' zit ik niet te wachten. Ik heb een beperkte, maar trouwe groep lezers, wat mijn uitgever tevreden houdt, en dat is mij voldoende. 'Een historisch onderwerp, meneer, zegt u het maar', is ook geen basis om zaken te doen, je moet vooraf weten wat je wil. 

Mijn terrein is de geschiedenis van het moderne Griekenland, de (gehele) geschiedenis van Cyprus, koloniale geschiedenis en lokale geschiedenis (van Dordrecht dus) na de middeleeuwen. Als je wil dat ik voorlees uit eigen werk, kun je kiezen tussen gedichten en korte verhalen. Allebei kan ook.

O ja, ik heb helemaal geen zin in lange treinreizen in de avond, dus als je ver van Dordrecht zit, betaal je, naast reiskosten eersteklas, een hotelkamer. Ik hoef niet in een 5-sterrenhotel, maar ik ga ook niet in een hostel of een vlooienkot zitten. Het liefst blijf ik thuis, dus probeer niet voor een dubbeltje op de eerste rang te zitten met de smoes 'u vindt het toch leuk om te doen?'

Je moet bij historische onderwerpen trouwens wel de apparatuur hebben om een powerpointje af te kunnen spelen. Het kan ook zonder, maar dan mis je de illustraties.

Wat kan ik je op het ogenblik bieden? Veel op bovengenoemde terreinen, we kunnen altijd over een onderwerp overleggen, maar de volgende lezingen heb ik voorbereid:

Nederlandse en koloniale geschiedenis:

- Nederlands-Indië in de 19e eeuw.
- De geboorte van Nederland (1559-1588).
- Van wederopbouw naar verzorgingsstaat (1945-1973).

Lokale geschiedenis:

- Het Dordrecht van Kees Klok 
  (virtuele stadswandeling door de recente geschiedenis).
- De Dordtse letteren (1572-2019).
- Dordtse schrijvers in de 19de en 20ste eeuw.

Cyprus:

- Historische achtergronden van de Kwestie Cyprus.
- Cyprus onder de Lusignans (1192-1489).
- Een omstreden 'nee'. Cyprus voor en na het referendum van april 2004.

Modern Griekenland:
-  De metamorfose van Thessaloniki (1900-2010).
-  Griekse buitenlandse politiek na 1950.
-  Kreta, een uitzonderlijk eiland.
-  De Macedonische Kwestie (1870-1995).
-  De Griekse crisis in historisch perspectief.


Foto: SIB Utrecht




zondag, september 01, 2019

Literair dagboek (fragment)



Zaterdag, 16 augustus:
Thessaloniki
Vanmorgen om kwart over zes werd er dringend gebeld. De politie. Of ik de benedendeur wilde opendoen. Ergens in het gebouw stroomde water, de hoofdkraan van dat appartement moest worden dichtgedraaid. Voor ik open deed vanaf het balkon gekeken of er werkelijk een politiewagen stond. Vroeg boodschappen gedaan. Het wordt weer een bloedhete dag. Met het oog op de hitte en op eventuele storingen in de watertoevoer gisteren de noodvoorraad (drink)water ververst. We hebben vierenveertig liter. Vannacht goed geslapen, dankzij de ventilator.

Een paar dagen geleden berichtte Deus-ex-Machina dat de Pieris-vertalingen niet worden geplaatst. Ik denk nu aan Ballustrada, maar dat brengt in het voorjaarsnummer al mijn vertaling van het verhaal van Revathy Gopal. De Poëziekrant moet Vrettakos nog publiceren. Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift misschien, of gewoon de boel rechtstreeks op Stanza zetten? 

Gisteren was er een prachtige volle maan. Ik moest denken aan het vollemaansconcert bij de Yedi Kuleh, een paar jaar geleden, met Nena Venezanou. Na dat concert kregen we een rondleiding door de inmiddels niet meer gebruikte gevangenis. Ik was van plan over die avond en over de geschiedenis van de Eptapirgio een artikel voor Lychnari te schrijven, maar daar ben ik nooit aan toegekomen.

Zondag, 17 augustus:
Thessaloniki
Een heerlijke ochtend, na een drukkende nacht. Dankzij de ventilator toch behoorlijk geslapen. Om half zeven stapte ik monter de deur uit, op weg naar de berg, tegelijk met de achterburen die naast 'domme Dimitri'. wonen. Ze gingen op vakantie naar Lefkada. Om acht uur was ik terug. Stortbad, ontbijtje en daarna de Mitfords. Bij de eerste koffie al de eerste sigaar en geen gezeur van fanaten dat er in deze gelegenheid niet mag worden gerookt.

Gisteravond belde Jacques Noorman1. Hij had in Visser een bespreking gehad met Henk Verweerd van Liverse. Er zit schot in het zeugmaboek. Als mijn boeken evenveel succes krijgen als die van Gerard Reve, koop ik ook een huis in Montgivrai en een lief meisje om het schoon te houden. Het was letterkundig gezien een vruchtbare dag. Een Alvi vertaald, een gedicht geschreven en een paar goede pagina's kroniek. Als ik zo doorga komt het deel dat ontleend is aan dagboekschrift nummer 59 hier nog af.

Dinsdag, 19 augustus:
Thessaloniki
Een lieve glimlach van een knappe juffrouw achter de kassa van de Galaxias, vanmorgen. Daarna monter het appartement schoongemaakt. Had ik gisteren willen doen, maar toen ben ik na het werken aan de kroniek naar de stad gegaan voor een krant, een printcassette en lunch bij Doré. Vervolgens bij Loxias aan het bier gegaan. Vasokwam met de eerste versie van haar vertalingen van Stella's gedichten. Ze is goed bezig. Ze let ook op dingen als ritme en klankkleur. Toen Vaso naar haar fotoclub in Kalamaria ging ben ik naar huis gegaan. Bij Loxias een exemplaar van En vooral: de gordijnen dicht  achtergelaten voor Ioannis Kyprianidis. De aardige vrouw, die na hem zo'n beetje de leiding heeft, zou het 's avonds aan hem geven.

Zondag verder gegaan met de kroniek en The Mitfords. 's Avonds met Soula en Christosgegeten in een restaurant naast Kentro Lofos en hen op ijs getrakteerd (ik ouzo) bij hotel Filippio. Na een hete dag was het boven in het bos wat koeler. Soula vroeg waarom ik vrijdag niet op de begrafenis van tante Sofia (moeder van Nikos Timonidis, de worstelaar) was. Omdat ik helemaal niet wist dat ze was overleden. Zij is honderdéén geworden. Niemand van de familie heeft me gebeld, omdat iedereen dacht dat Savvas het zou doorgeven. Heel vervelend, ik had daar als Stella's weduwnaar moeten zijn. Toen ik Savvasgisteravond vroeg waarom hij me niet heeft gebeld, antwoordde hij: 'Ik dacht dat je haar niet kende.' Ik moet het in mijn dagboek nazien, maar het staat me bij dat Stella en ik haar twee jaar geleden samen met Savvas hebben bezocht. Hij heeft het zo druk, dat hij er verstrooid van wordt. Heb ik zelf ook, vandaar dat het goed is een dagboek bij te houden. Soula vroeg ook of ik van plan was om te hertrouwen. Ze kon mij in contact brengen met een kennis van haar dochter Ioanna, filologe, die na een ongelukkig huwelijk weer alleen staat. Ik heb haar vriendelijk bedankt en gezegd dat het nog te vroeg is om daar aan te denken. 

Woensdag, 20 augustus:
Thessaloniki
Drie kwartier te laat wakker voor de berg. In plaats daarvan in The Mitfords gelezen. Rond tien uur kwam Menelaos5. Naar Stella's graf gereden. Verse bloemen neergezet, olielampje aangestoken, wierook en kaarsen gebrand. Het is prettig om even bij haar te zijn, al weet ik ook wel dat het zelfbedrog is. Het was ook emotioneel. Later koffie gedronken bij Idee in de Perevoustraat. Ook weer een lieve glimlach van de serveerster. Thuis verder geschreven aan de kroniek en een stuk voor het weblog gemaakt (Het land van Duyvendak). Aan het eind van de middag een prettig telefoongesprek met Guus en Pita. 

Gisteren wilde ik thuisblijven, maar Tillybelde of we wat gingen drinken. Afgesproken bij Loxias, maar die bleek gesloten. Naar Prinkipos (tegenover 'Kemal')gegaan. Vaso gebeld, die direct kwam. Ze woont er zo'n beetje om de hoek. Tot elf uur zitten kletsen. Ik werd wat weemoedig van al die ongelofelijk mooie vrouwen en meisjes op straat. Al die bloei die alleen maar tot verval leidt, kijk maar naar mijn eigen kop.

1. Jeugdvriend.
2. Nichtje.
3. Nicht van Stella met echtgenoot.
4. Oudste broer van Stella.
5. Jongste broer van Stella.
6. Goede vriendin van Stella.
7. Café Prinkipos in de Apostolou Pavlou, schuin tegenover het geboortehuis van Mustafa Kemal (Atatürk).

In: Kees Klok, Mijn koffers gepakt. Literair dagboek. Uitgeverij Liverse (2014).


maandag, augustus 26, 2019

Literair dagboek (fragment)



Woensdag, 5 oktober 2005:
Gisteren naar de afscheidsreceptie van collega Kees van den Berg geweest, die met vervroegd pensioen gaat. Zijn afscheidstrede ging over de ergernissen in het onderwijs, die volgens hem niet worden veroorzaakt door de leerlingen, maar door bestuurs- en directiemaatregelen die worden genomen zonder dat er ooit naar de leraren wordt geluisterd. Na de toespraken heb ik mij in het gezelschap van John v.d. Kuil, Hans v. Willigen en Theo Alibaks aangenaam laten vollopen met rode wijn en er thuis bij het eten nog een ouzootje overheen gegoten.

Zondag, 9 oktober 2005:
Vrijdag met Guus de Landtsheer in Rotterdam naar een bijscholingsdag geweest van de Erasmusuniversiteit, over het eindexamenonderwerp 'Kind en opvoeding in de 18e en 19e eeuw' (daar zullen de leerlingen opgewonden van raken, reken maar!). Hij werd in het Nationaal Onderwijsmuseum gehouden en was een fiasco. De zaal was veel te klein, onvoldoende geventileerd en de sprekers waren bar slecht. Het was weer volop het klunzige vertoon van een paar hooggeleerden die mompelend in een microfoon iets van een papiertje voorlazen. Natuurlijk raakte de batterij van die microfoon leeg en vanzelfsprekend was er niemand van de organisatie in de buurt om het probleempje even op te lossen. 
Onze Vwo-4 leerlingen zouden eens moeten beseffen hoe goed ze, vergeleken bij dit schaamteloze geklungel, van ons 'hoorcollege' krijgen in het theater. Met de boodschap was niets mis, maar door de wijze waarop hij werd gebracht kwam hij slecht over.

Dinsdag, 11 oktober 2005:
Prachtig voorjaarsweer. De schilders zijn bezig aan de voorkant van het huis en hebben ontdekt dat de badkamergoot volledig is doorgerot. Morgen komt loodgieter Wasserthal hem repareren. Dat ding heeft eenennegentig jaar zonder problemen water opgevangen. Een mooie prestatie.

Vannacht een rare droom: ik had een driewegstekker ingeslikt om beter CD’s te kunnen afspelen. Daarop werd ik wakker.

Stella is bezig een aantal van mijn gedichten in het Grieks te vertalen. Ze klinken in die taal mooier dan in het origineel. We zullen zien of ze er in Griekenland ook zo over denken.

Zaterdag, 15 oktober 2005:
Thessaloniki
Om vier uur vanmiddag waren we thuis. We vertrokken met enige vertraging van Schiphol, zodat het er even op leek dat we onze krappe aansluiting in Budapest zouden missen, maar dat vliegtuig bleef keurig wachten en uiteindelijk landden we maar een kwartier later in Thessaloniki dan de bedoeling was. Tijdens de laatste vlucht zitten kletsen met een Deense accountant die een huis in Theologos op Thasos heeft.

Op Schiphol deed zich een incident voor. Een onbehouwen troela van de marechaussee vond dat Stella’s paspoort er 'eigenaardig' uitzag. Het moest aan een nadere inspectie worden onderworpen. Ze is al tientallen keren met dat paspoort op Schiphol aangekomen en ervan vertrokken, maar de terreurhysterie schuimt ons Nederlanders tegenwoordig ruim over de rand van het glas. Het is mij een raadsel waarom die snotmeid, vers van de Mavo, direct een agressieve en onbeschofte toon aansloeg, maar dat zal wel in de volksaard zitten. Als het erop aankomt vind je de echte Moffen ten westen van de oostgrens. We moesten naar een kantoortje waar een slungel van krap twintig met een opgeschoren concentratiekampkop, langdurig onder een soort microscoop naar het paspoort heeft zitten staren. Daarna kreeg ze het zonder een woord terug en konden we doorlopen. Niemand die ondertussen naar mijn paspoort vroeg, zodat we nu dus weten hoe de echte terrorist door de controle komt.

In: Kees Klok, Idioten ontloop je nergens. Liverse (Dordrecht 2010)


donderdag, augustus 22, 2019

Goede raad



'Hoe lang staan die twee Chimaykratten nou al in je tuin?', vraagt Claire. 'Tien jaar', reken ik uit. Sinds ik de auto de deur uit heb gedaan. Die kratten was ik vergeten terug te brengen naar het Bierparadijs in Meer. Ik zou ze wel een keer meegeven met iemand die die richting uitging. Inmiddels zijn de etiketten er vrijwel afgeregend en de flessen onherkenbaar smerig geworden. 'Ik breng ze naar de glasbak', besluit Claire, 'en de kratten zelf gaan de schuur in tot we er een bestemming voor hebben.' Ze is soms doortastender dan ik. Zodoende kwam het kind toch op het VWO, waarvoor het inmiddels is geslaagd. Ze heeft voor het HBO gekozen, in Rotterdam, dan kan ze bij Claire blijven wonen.

Ik bedenk hoeveel makkelijker sommige dingen waren, toen ik nog een auto had. Dan zou ik probleemloos naar Aardenburg kunnen rijden, waar ik een boekpresentatie miste omdat het vanuit Dordrecht een uur of vier reizen is met trein, bus en belbus. Ik heb geen idee wat een belbus is. Dan zou ik nu en dan naar Groede kunnen rijden, om daar in herberg De Natte Pij of in Het Zoete Peerd een paar dagen ongestoord te schrijven. Dan zou ik er geen twee uur over doen (trein, metro, bus) om bij familie in Den Briel te komen, maar vijfendertig minuten. Ik ben dol op de trein, als ik naar Amsterdam of willekeurig welke goed bereikbare stad ga, maar ik haat bussen, laat staan belbussen. Onbekend maakt onbemind.

Claire vindt dat ik af en toe best een auto kan huren, 'voor die doodenkele keer dat je naar de achtergebleven gebieden moet.' Ze heeft gelijk. 'Of je koopt een paard en wagen,' lacht ze. De flessen rinkelen vrolijk mee als ze de deur uitstapt.

Foto: auteur