dinsdag, november 25, 2014

Citeren




Twee weken geleden vroeg iemand mij of ik een paar dichtregels van mijzelf kon citeren. Niet eentje. Ik schrijf die gedichten niet voor niets op. Waarom zou ik mijn eigen werk uit het hoofd moeten kennen? Ik weet wel, sommige poetry slammers dragen hun werk voor uit het hoofd. Knap, zoals ik het ook van acteurs knap vindt dat ze hele lappen tekst uit het hoofd kennen. Ik ben geen poetry slammer en geen acteur. Ik lees mijn werk voor uit mijn boeken. Het kennen van een citaat is uiteraard geen criterium voor de kwaliteit van het gedicht of de dichter. De Dordtse cultuurwethouder Piet Sleeking noemde in een uitzending van Via Cultura het feit dat iedere Dordtenaar wel een regel van de eerste stadsdichter, Jan Eijkelboom, kan citeren. Dank je de koekoek, je komt ze op vrijwel alle vuilniswagens tegen en op andere gemeentelijke vehikels. Een heel bekende ligt gebeiteld in steen op het Bolwerk.

Piet is er niet voor om nu een nieuwe stadsdichter te benoemen. Hij ziet niemand in de stad die daar voldoende status voor heeft. Hij wil niet iemand benoemen die af en toe een gedichtje schrijft, deelde hij mede, en daar heeft hij natuurlijk groot gelijk in. Je moet geen amateuristische prutser als stadsdichter willen. Piet wil wachten, zei hij op de radio, totdat iemand zich aandient, zoals ook Jan Eijkelboom zich ooit aandiende. Nu heeft Jan Eijkelboom zich nooit aangediend, hij kreeg het stadsdichterschap in de eerste plaats als aanvullende oudedagsvoorziening. Dat hij zich uitstekend van zijn taak heeft gekweten, daar zijn we terecht heel blij mee, we hebben met hem geboft zo te zeggen, maar zijn benoeming was niet allereerst uit gemeentelijke liefde voor de poëzie.

Het aardige is dat de gemeente voor de benoeming van een stadsdichter eigenlijk helemaal niet nodig is. Daar zijn voorbeelden van te vinden in andere steden in Nederland en Vlaanderen. Achter de schermen wordt hard gewerkt om het stadsdichterschap van de stadsdichter die zich inmiddels heeft aangediend, zij het niet op het stadskantoor, in een duurzame vorm te gieten. Die dichter is Peter M. van der Linden, die inmiddels zijn sporen heeft verdiend op vele podia in Nederland en door de publicatie van twee voortreffelijke dichtbundels. Voor de goede orde: niet zomaar op eigen houtje, maar bij officieel erkende uitgeverijen. Peter is bovendien een ijverig organisator van poëzie-evenementen in de stad. De eerstvolgende (Staalkaart der Dordtse Poëzie) op 21 december in Merz.

Een wethouder heeft het druk, dat weet ik, maar ik wil Piet Sleeking toch graag een aantal namen aanraden van Dordtse dichters die ik ken en die eveneens één of meerdere bundels hebben uitgegeven bij officiële uitgeverijen. Misschien heeft hij af en toe een gaatje om iets van hen te lezen. Dat zijn de volgende:

Josse Kok (wiens debuutbundel werd genomineerd voor de C. Buddingh' Prijs en die dit jaar derde werd bij het NK-poetry slam), Peter M. van der Linden (ooit tweede bij het NK-poetry slam), Marieke van Leeuwen (voormalig stadsdichter), Pieter Breman, Jan van der Geer, Jehanne Hulsman, Wim Jilleba en ikzelf.

Van Jacoline de Heer is nog geen bundel verschenen, maar drie keer hoog eindigen bij de Turingprijs is veelbelovend, dus die bundel komt er wel. Het is in ieder geval een rijtje namen van mensen die niet zo af en toe maar een gedichtje schrijven.



zaterdag, november 22, 2014

Cafe Aman Amerika




Mijn CD- speler moet worden schoongemaakt. Daartoe moet ik hem uit de stereotoren in het wandmeubel halen en een kluwen kabels ontwarren. Ik ben al anderhalf jaar bezig daar moed voor te vergaren. Ondertussen draai ik cassettebandjes. Die speler doet het nog goed, al stamt hij eveneens uit 1989. Toen kocht Stella de apparatuur via een bedrijf dat van alles tegen aantrekkelijke prijzen leverde aan diplomaten. Ze was net overgeplaatst naar het Griekse consulaat in Düsseldorf. Daar wandelden wij vaak in grijze winterweekeinden langs de Rijn van de Kennedydamm naar de Altstadt en vice versa.

Op zondagavond nam ik de trein terug naar Dordrecht, waarna zij de daarop volgende vrijdagavond met haar belastingvrije Golf GD kwam aanrijden. Dat duurde zes jaar. Toen wilde Athene haar overplaatsen naar Australië, wat het begin was van haar carrière als literair vertaalster. Tot haar overlijden, halverwege het verhaal van Saïda en Adinda in Max Havelaar.

Ik zet een bandje op van Cafe Aman Amerika, Griekse Canadezen of Canadese Grieken, die een mengelmoes van Griekse en andere Levantijnse muziek spelen. Veel nummers lijken op klezmer. Ook dat waarmee het bandje begint. Als ik een moeilijk ogenblik heb, ga ik klezmer beluisteren of iets van Cafe Aman Amerika. Soms doe ik dan zomaar ineens een dansje door de kamer. 

©Kees Klok


vrijdag, november 21, 2014

Brieven aan Stella




Lieve Stella,

Voor de feestdagen maakte je altijd Grieks gebak: kourabiédes, skaltzounákia, bourekákia, tsouréki of baklavá. Het meeste was mij te zoet, maar dan hield je er een paar apart zonder poedersuiker of met een minimum aan honing. Ik genoot van de geuren in huis en van het plezier waarmee je aan het bakken was. Om de twee weken bakte je een paar broden. Ook dat rook heerlijk. Het brood van de bakker vonden we te watterig, het fabrieksbrood van de supermarkt gebruikten we alleen in de winter, als vogelvoer. Toen je ziek werd nam ik het broodbakken van je over. Ik doe het nog steeds. In Griekenland heb ik een maand lang brood gehaald bij O Kokkinos Fournos, omdat ik te lui was het zelf te maken, maar weer in Dordt heb ik onmiddellijk de nieuwe oven ingewijd. Nu geurt het weer in huis. Het is nog wat vroeg voor de feestdagen, maar ik ben zoetigheid aan het maken voor de familiedag, aanstaande zondag bij Karin en Hugo in Utrecht. Ik had eerst gedacht aan iets Grieks, maar dat is mij toch te ingewikkeld. Ik ontdekte in de kast een kookboek met bakrecepten. Geen idee dat we dat hadden en evenmin een idee hoe we eraan zijn gekomen. Heb jij het ooit gekocht? Of ik zelf? Hebben we het misschien cadeau gehad van iemand?

Hoe dan ook, ik vond er een recept in voor gemberkoekjes. Ik ben nogal een liefhebber van gember. Ik heb na het ontbijt eerst het deeg gemaakt en terwijl dat in de koelkast rustte, ben ik in bad gaan liggen. Een lavendelbad. Daar had ik zin in. Zonder jou was dat bad er waarschijnlijk nooit gekomen en had ik nog onder die redelijk primitieve douche in het washok gestaan. Jij kwam op het idee om van mijn donkere kamer (die ik niet meer gebruikte, waardoor hij was gedegradeerd tot rommelhok) een badkamer met ligbad te maken. Jij zat nog in Düsseldorf, waar je zo'n bad had. We genoten daar zeer van. Van jou heb ik ook de gewoonte overgenomen om badolie te gebruiken. Ik herinner mij nog de verbouwing. Vooral de rommel. In de weekeinden waren we in Düsseldorf, maar door de week moest ik in Dordt zijn. Soms moest ik over de zakken cement springen om mijn bed te bereiken. Jaren later kwam er nog stof uit de boeken, ondanks dat alles was afgedekt. De laatste lading koekjes staat inmiddels in de oven. Er is een afternoon tea, zondag, waaraan iedereen iets bijdraagt. Ik had natuurlijk langs de bakker kunnen gaan, maar dit is wel zo leuk.

Wat minder leuk is, is het besluit van de Dordtse gemeenteraad om geen stadsdichter meer te benoemen. Nu hebben we zelf al uitgemaakt dat Peter M. van der Linden onze nieuwe stadsdichter is en misschien moeten we maar een stichting oprichten om hem een steuntje in de rug te geven. Lekker los van de gemeente. Die mag dan om een gedicht vragen, als ze daaraan behoefte voelt, ze mag het ook laten. Ik heb die functie gelukkig nooit geambieerd. Ik begon mij zelfs te ergeren aan het voortdurend zeuren van sommige mensen, journalist Hans Berrevoets voorop, dat ik stadsdichter moest worden. Ongetwijfeld goed bedoeld, maar ik werk niet graag in opdracht. Jan Eijk en Marieke van Leeuwen hebben het prima gedaan, wat de stad veel publicitaire goodwill heeft opgeleverd, maar die valt moeilijk in geld uit te drukken. Nu is Dordt in cultuurland flink voor aap gezet, maar ik heb niet de indruk dat veel Dordtenaren daar wakker van zullen liggen. En we hebben dus Peter om het vaandel hoog te houden, of de bittere pil te verzachten, zo je wil.

Ik waardeer het overigens wel van Groen Links dat het heeft geprobeerd het stadsdichterschap-oude-stijl te redden. Oud-leerling Ahmet Karapinar heeft zelfs nog een gedicht van mij voorgelezen in de raad, om oud-klasgenoot Piet Sleeking, de wethouder van cultuur, over de streep te trekken. Ik vond dat wel leuk, maar het mocht niet baten. Ach, het past allemaal naadloos in de Dordtse traditie die bepaalt dat literatuur de Assepoester van de kunsten is. Dat de letteren er in feite weinig toe doen. Het is een mentaliteit. Henk Verweerd vertelde mij dat de cahiers van het Buddingh' Genootschap, die hij een tijdje heeft uitgegeven, juist in Dordrecht niet of nauwelijks werden verkocht. Dat belooft weinig goeds voor de Buddingh'-biografie die in het voorjaar zal verschijnen. Daar heeft de gemeente wel geld voor beschikbaar gesteld, wat valt te waarderen. Misschien wel als goedmaker voor dat miezerige parkeerpleintje dat naar C. Buddingh' is vernoemd.

Ik heb ook weer gedoe met de Griekse fiscus, of liever, de Griekse fiscus met mij. Ik kreeg een brief van de Nederlandse belastingdienst, dat ik geen reductie krijg wegens het in Griekenland betaalde, omdat Nederland als enige belasting mag heffen over het nabestaandenpensioentje. Ik heb het belastingverdrag eens goed bestudeerd. Er is maar één conclusie: de Nederlandse inspecteur heeft gelijk. Ik heb nu de accountant in Thessaloniki opdracht gegeven om het bedrag dat ik in juli heb moeten betalen terug te vorderen. Ik vraag mij trouwens af waarom die man zelf niet wist dat de Griekse fiscus geen enkel recht op mijn centen heeft. Ik ben toch niet zijn enige buitenlandse klant? Nu ja, misschien wel de enige Nederlander. Hoe dan ook, ik haat dat gedoe om geld, maar ik wil wel mijn recht. Als ik dat niet krijg, span ik een rechtszaak aan en je begrijpt dat er in het vervolg geen cent meer aan de Griekse staat wordt betaald.

Afgelopen weekeinde was ik voor het eerst van mijn leven in Groede, in Zeeuws-Vlaanderen. Een mooi plaatsje. Een plein en een straat of vier vijf, waarin allerlei kunstzinnige en aanverwante zaken. Een soort Bergen in het klein. Ik was er met Henk Verweerd en zijn vrouw, alsmede kunstbroeder Jan van der Geer, voor de presentatie van de debuutbundel (Bots) van Dinie Sophie Finkelman, in de Bordeauxreeks. We logeerden in herberg De Natte Pij, een bijzonder etablissement, want het is ook een museum. Ontbijten met een fraai beeldje op tafel, dat heeft wel iets. De inrichting van de kamer was een kruising tussen kunst en nostalgie. Er stond een keurige tafel om aan te schrijven, wat niet overal het geval is. Jij zou het er beslist naar je zin hebben gehad, ook vanwege de mooie, brandschone badkamer.

De koekjes moeten uit de oven. Ze ruiken goed, maar niet zo heerlijk als jouw skaltzounákia!

In gedachten, altijd,

Kees

Dordrecht, 14 november 2014

Foto: auteur


maandag, november 17, 2014

Treurzang




Omdat mijn stamcafé op maandagen gesloten is, zoek ik op die dagen tegen borreltijd elders een heenkomen. Dan hier, dan daar. Hoewel het horeca-aanbod in het Dordtse centrum op maandag wat beperkt is, kom ik zo nog eens ergens. Niet overal. Ik ben wel zo straatwijs dat ik bepaalde etablissementen mijd. Vandaag drink ik mijn borrel in een fraai café dat deels is ondergebracht in een gildehuis uit de zestiende eeuw. Er is een leestafel waaraan ik de krant lees. Negentig arrestaties bij de intocht van Sint Nicolaas in Gouda. Hoe ziekelijk fanatiek ben je als je tussen kleuters gaat demonstreren? Er is een aardig meisje dat bedient, maar als ze met een glimlach de oude jenever brengt, is het kelkje maar tot de helft gevuld. Een dergelijke schraalheid is niet meer voorgekomen sinds mijn overgrootvader, een legendarische vrek, in 1946 zijn café op de Nieuwbrug voorgoed sloot.

Ik reken af en loop de troosteloze novemberavond in. Dordrecht tegen sluitingstijd: een stad aan het uitsterven. De wintertijd ervaar ik als een aanslag op mijn welzijn. Avonden die zo vroeg invallen, ik zal er nooit aan wennen. Op de hoek van de Sarisgang en de Visstraat zit een jonge vrouw fluit te spelen. Het klinkt welluidend, maar waarom op deze namiddag, op deze godverlaten tijd? Ik moet denken aan een even donkere avond in februari, toen het lied van een straatmuzikant mij bijna tot tranen toe roerde. Dat was in Thessaloniki, niet zo lang na het overlijden van Stella. Thessaloniki is een stad waar het iedere dag bruist, welk jaargetijde het ook is.

Naarmate ik mij van haar verwijder, sterft de muziek weg. Ik wil de Johan de Wittbrug over, maar drie vetzuchtige dames, die herinneren aan ons koloniaal verleden, versperren breeduit waggelend het voetpad. Ik neem de Vest en keer via de Vriesebrug huiswaarts. Hier geen teken van leven. Beide kiosken stijf dicht, er valt geen visje of pita te bemachtigen. Op het Vrieseplein gaapt het ontmoedigende gat waar zich ooit restaurant Le Miroir en fietsenwinkel Bellaart bevonden. Daarna passeer ik de plek waar mijn geboortehuis stond. In de jaren tachtig wegens bouwvalligheid gesloopt. Voorbij de Singel kom ik tot mijn voordeur niemand meer tegen. Dordrecht, maandagavond, achttien uur. Het zou de aanhef van een treurzang kunnen zijn.

©Kees Klok

Foto: auteur



vrijdag, november 14, 2014

Brieven aan Stella




Lieve Stella,

Als wij na een zomervakantie terugkwamen in Nederland, klaagde je meestal over de wind, de kou en vooral het vocht. We leven niet voor niets in een moeras dat westelijk Nederland in feite is. Met een zekere afkeer keek je naar de groen uitgeslagen stoeptegels. Inderdaad, van het vocht. Daarna was je alweer snel gewend, al was je blij als we de sombere wintermaanden even onderbraken om met kerst de Griekse zon te zien. Dit keer was het anders: ik kwam vanuit een winderig, kil en nat Thessaloniki terug in een nazomerend Dordrecht. Het trottoir is nog steeds groen uitgeslagen, maar het was aangenaam zacht toen ik uit de taxi stapte. Ik heb zo snel mogelijk een paar noodzakelijke dingen uitgepakt, zoals de kaas, die in de koelkast moest, en de overhemden, die aan de hanger moesten ontkreuken. Daarna ben ik op de fiets gesprongen en naar Merz gesneld om de wedstrijd Ajax - FC Dordrecht te zien. Ik hoopte op een stunt, maar net toen ik binnenkwam viel het eerste Amsterdamse doelpunt.

'De negentiende eeuw is mijn eeuw,' zei je weleens, als we naar een kostuumdrama van de BBC keken. Ik was het wel met je eens, maar eigenlijk voel ik nog meer voor de tweede helft van de achttiende eeuw. De tijd waarin zowel het Rationalisme als de Romantiek opkwamen. Wij noemden onszelf aanhangers van de Verlichting, maar waren in ons hart evengoed bewonderaars van de Romantiek. Jij, bijvoorbeeld, met je voorliefde voor de schilderijen van Constable en vooral Turner. Ik loop nog altijd wel een beetje warm voor een dosis Sturm und Drang, maar de rationalist in mij roept dan al snel dat ik niet moet overdrijven.

Het gaat niet goed met FC Dordrecht, we staan onderaan in de Eredivisie en die wedstrijd tegen Ajax werd verloren met 4-0. De rationalist in mij zegt dat het een wonder zou zijn als de club met zijn minibudgetje zich zou handhaven op het hoogste niveau. De romanticus zegt dat het gewoon gaat lukken, omdat dit team zich met inzet en enthousiasme boven zichzelf gaat uittillen en daardoor op de voetbalparnassus blijft. Ik verklaar mijzelf voor gek en ik vind mijzelf volkomen normaal. Wat zou ik graag over dit soort dingen met je filosoferen tijdens die heerlijke minuten samen in bed, vlak voor het inslapen. Dat is vaak het ogenblik van de dag dat de leegte die je hebt achtergelaten heel schrijnend is.

Ik ben deze week voor het eerst sinds een tijd weer gaan schaken bij De Willige Dame. Binnen een uur had ik mijn tegenstander van het bord gespeeld. Ik speelde scherp en aanvallend. Met succes, zoals het aanvallende spel van FC Dordrecht uiteindelijk ook weer succes zal opleveren, net als vorig jaar. De scherpte moet er alleen nog iets meer inkomen. Ik speelde niet tegen een van de toppers in de competitie, maar ook niet tegen een van de minsten. Ik zie het als een gunstig voorteken voor de komende wedstrijd van Dordt tegen FC Twente. De rationalist in mij zegt dat het geloof in voortekenen onzin en flauwekul is, de romanticus probeert zich er toch aan vast te klampen. Een beetje mal ben ik wel. Ik stap altijd links in en uit bed, dan slaap je beter en donder je er niet uit tijdens een wilde droom, en je ziet mij niet snel onder een ladder doorlopen. Rudimenten van de prehistorische geest van de mens. Uit de tijd dat we geloofden dat natuurrampen en enge ziekten werden veroorzaakt door wezens machtiger en mysterieuzer dan onszelf. Geloof, bijgeloof, het irrationele in ons, het kan leiden tot moord en doodslag, of tot vaag gezever.

Pas las ik ergens een artikel over mensen die geloven dat de elfen en tovenaars uit de boeken van Tolkien werkelijk bestaan, ergens in een Midden-Aarde. Ze geloven geestelijk contact met hen te hebben. Onder de aanhangers zouden nogal wat intellectuelen zitten. Ik vind De hobbit en In de ban van de ring fascinerende, epische vertellingen, die ik min of meer uit mijn hoofd ken, zo vaak heb ik ze herlezen, maar ze hebben geen groter werkelijkheidsgehalte dan de verhalen van Karl May. Die las ik ook graag. Vooral de boeken die op de Balkan en in het Nabije Oosten spelen. Hij heeft er nooit een stap gezet, maar hij beschrijft de wijze waarop Koerdische verzetsstrijders een Turkse troepenmacht in de val laten lopen alsof hij in de streek is geboren. We hebben het dan trouwens over achttienhonderdzoveel. Die confrontatie loopt voor beide partijen met een sisser af, dankzij de onverschrokken Kara-ben-Nemsi en zijn rechterhand, het opgewonden standje hatzi Halef met zijn zweep van nijlpaardenleer. Door Koerdistan heet het boek waarin dat verhaal staat. Ik heb er een ongedateerde uitgave van, geërfd van mijn vader, door het Hollandsch Uitgeversfonds Amsterdam. Hoe oud, weet ik niet, maar in ieder geval in die heerlijke spelling van voor 1948. Ik heb drie van de vijf delen uit die serie. Door het land der Skipetaren en De Shoet ontbreken. Misschien zie ik die nog eens liggen op de Dordtse boekenmarkt. Aan de ene kant moet ik nu werkelijk eens enige ordening aanbrengen in ons uit de hand lopende boekenbezit, hoe pijnlijk het ook zal worden om een deel de deur uit te doen, aan de andere kant zou ik zo'n serie wel graag compleet willen hebben.

Zojuist heb ik weer een verse roos bij je foto in de woonkamer gezet. Door het zachte weer zijn de rozen opnieuw gaan bloeien. Je staat nog steeds op het antieke kastje dat ik van tante Christien heb geërfd. Ook een vrouw die van grote, ik mag wel zeggen vormende betekenis voor mij is geweest, net als jij. Ze was een derde oma voor mij, of misschien wel mijn 'echte' oma. Mijn grootmoeder in Rotterdam overleed al toen ik drie of vier was, mijn Dordtse oma toen ik tien was, maar daarvoor was zij al een paar jaar nauwelijks aanspreekbaar na enkele hersenbloedingen. Bij tante Christien kwam ik bijna dagelijks over de vloer. Door haar verhalen (en vertellen kon ze!) raakte ik al vroeg in de ban van geschiedenis. Dat gecombineerd met de leeslust die ik van mijn vader heb, is van grote betekenis geweest. Net als jij is zij te vroeg uit mijn leven weggerukt. Ik was dertien toen ze overleed. Wat mij nog steeds pijn doet, en wat ik ook nog steeds niet begrijp, is dat ik van mijn moeder, haar executeur-testamentair, niet naar de begrafenis mocht. Ik zat in de tweede op Mulo-Groenedijk en wist het tijdstip. Ik vroeg de leraar, geen idee meer wie dat toen was, of ik naar het toilet mocht, heb mijn jas aangetrokken, ben door de achterdeur het gebouw uitgelopen en naar het kerkhof gefietst. Toen de rouwstoet aankwam stond ik die op te wachten bij de aula. Het was net zo'n mistige, koude novemberdag als nu. De herfst, het voorstadium van de dood, heeft eergisteren het zachte weer verdreven. Mijn ouders hebben er nooit iets van gezegd. Ik denk dat ze het wel begrepen.

In gedachten, altijd,

Kees

Dordrecht, 5 november 2014

Foto: auteur


donderdag, november 13, 2014

Iedereen stadsdichter




Dordrecht benoemt geen nieuwe stadsdichter. Dat meldt De Dordtenaar. De gemeenteraad wil er niet aan. In het debat kwam Groen Links-raadslid Ahmet Karapinar tegenover cultuurwethouder Piet Sleeking te staan. Mijn oud-leerling tegenover mijn oud-klasgenoot. Ik zie dat als een aardige bijkomstigheid. Ik heb het stadsdichterschap nooit geambieerd, maar ik waardeer het dat mijn naam in het raadsdebat werd genoemd. Ik denk dat het Dordtse publiek nu massaal mijn boeken gaat kopen.

Dordrecht had ooit een voorbeeldfunctie toen het fenomeen stadsdichter populair werd. Het was weliswaar niet de eerste stad die een stadsdichter benoemde, dat was Venlo met Emma Crebolder, maar na de benoeming van Jan Eijkelboom nam het fenomeen een grote vlucht. Nu hebben we in Nederland en Vlaanderen een overvloed aan stads-, dorps-, wijk- en clubdichters. Behalve in Dordrecht dus. Dat de stad zich daardoor een beetje belachelijk maakt (ook omdat van de kosten nog geen kruidenier wakker zal liggen) zal de meeste Dordtenaren worst zijn. Wat dat betreft kun je het raadsbesluit een toonbeeld van democratie noemen.

Toen Jan Eijkelboom tot stadsdichter voor het leven werd benoemd, was dat meer om deze landelijk (terecht) hogelijk gewaardeerde woordkunstenaar in zijn oude dag financieel te ondersteunen, dan vanuit bekommernis om de poëzie. Vandaar het ruimhartige bedrag van 11.000 euro per jaar. Dat Jan zich buitengewoon goed van zijn taak kweet, leverde de gemeente een veelvoud van dat bedrag aan positieve publiciteit op. Tel uit je winst. Zijn opvolgster, Marieke van Leeuwen, benoemd voor vier jaar, in plaats van voor het leven, moest het met 5000 euro doen. Ook zij heeft het als stadsdichter uitstekend gedaan. Tel uit je nog grotere winst. Op haar afscheidsavond was geen enkele vertegenwoordiger van de gemeente aanwezig. Dat tekent de belangstelling. Dan moet je je als dichter afvragen of je je tijd en creativiteit wel moet besteden aan een gemeenschap die het zo evident niets kan schelen.

Nu worden dichters ter stede aangemoedigd zich te melden met een vers wanneer zich een bijzondere gelegenheid voordoet. Iedereen stadsdichter dus. Wie weet wat er uit voortkomt, maar ik heb wel iets anders te doen dan paarlen voor de Dordtse zwijnen te gooien. Ik drink graag een borrel met mijn oude schoolmaatje Piet, maar hij moet mij vooral niet vragen om een 'gediggie' voor de koning te schrijven.


dinsdag, november 11, 2014

Vriesehaven




Vanaf de Sint Jorisbrug maak ik een foto van de Vriesehaven. Die heet officieel Spuihaven, vertelde collega dichter Pieter Breman mij onlangs. Ongetwijfeld heeft hij gelijk, hij heeft bijna zijn hele werkende leven op het Stadsarchief doorgebracht en kan het dus weten. Ik ben op honderdvijftig meter van de Vriesebrug geboren. Wij buurtbewoners (en oud-buurtbewoners) noemen het stuk singel tussen de Johan de Wittbrug en de Riedijkshaven Vriesehaven. Daar moet de gemeente maar aan wennen. Zoals ze er ook aan zal moeten wennen dat de ridicule naam Erfgoedcentrum Diep er bij mij niet in wil. Dat is gewoon het Stadsarchief.

In de Vriesehaven dreef ooit een vis. Die was daarin gedeponeerd door mijn medestudent Han van Gorkom, toen een bekend voetballer bij Fluks. Wij deden als kwekelingen in 1972 enige tijd praktijkervaring op op School Vest, het gebouw dat tussen de bomen schemert, achter het veel later opgetrokken prieeltje. Ons werd op het hart gedrukt de leerlingen met tastbare voorbeelden te onderwijzen. Han zou met die vis een biologieles geven. 's Morgens kocht hij de vis, ik mag doodvallen als dat niet bij Fijneman in de Vriesestraat was, die een prachtige wandplaat met de meest fantastische vissen in zijn zaak had hangen. Bij hem waren het nog visschen. De les was pas 's middags, de vis werd zolang, in een krant gewikkeld, op een kast gelegd.

In de loop van de ochtend brak de zon door. Die scheen gedurende de middagpauze, van twaalf tot half twee, gemoedelijk in het lokaal, terwijl de leerlingen en onderwijzers thuis of op het schoolplein hun boterhammetje aten. Er begon zich een penetrante vislucht door het gebouw te verbreiden. Het duurde even voor de bron was gelokaliseerd. Ik zie Han nog met toegeknepen neus de vis van de kast pakken, waarna hij rechtstreeks terugging in zijn element. Het gebouw moest geruime tijd worden gelucht voor het weer gebruiksklaar was. Het doel van de les was bereikt. De leerlingen hadden geleerd dat dode vissen niet alleen ongehoord kunnen stinken, maar ook blijven drijven. Ik staar een poosje naar het water, maar het is te troebel om te zien of de Vriesehaven nog steeds visrijk is. Schilderachtig is hij nog wel, ook al is School Vest inmiddels van de Vest verbannen.

©Kees Klok

Foto: auteur



vrijdag, november 07, 2014

Gekapt




De kastanjebomen op het Groothoofd zijn gekapt, schrijft de krant. Ze zouden ziek zijn en ten dode opgeschreven. Ik moet dat maar aannemen, ik weet te weinig van boomziekten af om het te controleren. Een Groothoofd zonder kastanjes, ik kan het mij niet voorstellen. Kastanjes kunnen wel duizend jaar oud worden. Hoe oud deze gemiddeld waren, weet ik niet, maar zes van de zeven moeten er voor mijn geboorte al hebben gestaan. Misschien stonden zij er ook al toen Jongkind zijn schilderij Groothoofd bij maanlicht maakte.

Een boomloos Groothoofd is onbestaanbaar. Daarom gaat de gemeente nieuwe bomen planten. Iepen. Ook respectabele bomen, maar ze worden maar driehonderd jaar. Ze zijn gevoelig voor de iepziekte. Die is buitengewoon besmettelijk en dodelijk. Je moet een iep twee keer per jaar op de ziekte controleren. Gaat de gemeente dat doen? Als het goed is wel, maar ik hoor het woord bezuinigen en kosten alweer zoemen. Ik ben er niet gerust op.

Op zwoele, sfeervol verlichte zomeravonden waan je je op het Groothoofd in klein Parijs. Op sombere winterzondagmiddagen, met geen pest te doen in de stad, bewaakten de kastanjes de Groothoofdspoort tegen de barbaren waarop steeds weer wordt gewacht. In het voorjaar pronkten zij met hun kaarsen. Nooit meer bloeiende kastanjes op het Groothoofd, daar moet je toch niet aan denken?

©Kees Klok


Foto: www.dordrechtsmuseum.nl


Brieven aan Stella




Lieve Stella,

Via Facebook heeft de beheerster van Translatum.gr, Vicky Papaprodromou, contact met mij opgenomen. Ze werkt als vertaalster in Athene, maar komt uit Thessaloniki, waar zij, net als jij, Engels heeft gestudeerd aan de Aristotelesuniversiteit. Ze is erg enthousiast over jouw poëzie. Dat doet mij goed en daarom heb ik maar niet gezegd dat ze wel wat eerder contact had mogen opnemen, voor ze de gedichten plaatste. Ik ben allang blij dat ze dat heeft gedaan. Hoe meer aandacht voor je werk, hoe liever het mij is. Ik heb van de gelegenheid gebruik gemaakt om haar te wijzen op je vertalingen. Ze was je op het spoor gekomen via Thanasis Georgiadis. Die probeer ik al een week te bereiken, maar geen van zijn telefoons wordt opgenomen. Misschien is hij zijn olijven aan het oogsten in Nikiti en heeft hij zijn mobiel in Thessaloniki vergeten. Wij zijn van een generatie die het leven zonder mobiele telefoon nog heeft meegemaakt en toch waren we gelukkig. Ik verwacht hem niet meer te spreken voor ik naar Nederland ga. Vervelend, want ik wil hem een exemplaar van Μια μέρα σαν αυτή cadeau doen. Natuurlijk in de hoop dat hij er over gaat schrijven in de krant. Ik heb zijn adres niet en ik denk dat het niet aankomt als ik 'Thanasis Georgiadis, dichter, journalist, Nikiti' op de envelop zet, al weet je nooit. Op Skyros zou het wel lukken, denk ik. Voor ik vertrek zie ik Dina Papadopoulou, de weduwe van dichter Anestis Evangelou, nog wel in Loxias. Ze kent hem goed, nog uit de tijd dat hij redacteur was bij uitgeverij Paratiritis. Ik geef haar dat exemplaar wel voor hem mee.

Een paar dagen geleden hoorde ik van Dimitris Karaïsas dat er op de 27e een Kavafisavond was in het Teloglio, het instituut voor schone kunsten van de Aristotelesuniversiteit. Er zou een theaterstuk (Νερά της Κύπρου, της Συρίας και της Αιγύπτου) van zijn Cypriotische vriend Michalis Pieris worden opgevoerd. Hij was net terug van een etentje met Michalis. Hij wist uiteraard niet van onze vriendschap met Michalis en dat wij samen gedichten van hem hebben vertaald. Ik ben er met Tilly en Christos heen gegaan en heb daar geen spijt van. Het was een voorstelling gebaseerd op gedichten van Kavafis, uitgezocht door Michalis, die ook de regie voerde. Een deel van de teksten was op muziek gezet door Evagoras Karagiorgis. Fijnzinnige composities die goed aansloten bij de sfeer in de poëzie van Kavafis. De acteurs waren bijna allemaal ook goede zangers. Ze maakten deel uit van Thepak, het toneelgezelschap van de Universiteit van Cyprus. Na afloop, bij de borrel aangeboden door de consul van Cyprus, heb ik even met Michalis gesproken. Mooie gelegenheid om hem een exemplaar van Μια μέρα σαν αυτή te geven. Dat had ik natuurlijk in mei al moeten opsturen, maar ik ben de vlotste niet meer. Hij nodigde mij opnieuw uit voor een verblijf in de xenona van de Universiteit van Cyprus. Misschien moet ik dat toch eens doen. Ik wil na vijf jaar de vrienden op Cyprus graag terugzien. Natuurlijk zal ik jou op zo'n reis missen, net als in 2009, maar nu ook Niki Marangou en Fivos Stavridis, die eveneens vorig jaar is overleden. Met zijn zoon, Stefanos, heb ik nog wel af en toe contact. Fivos kwam in 2009 speciaal uit Larnaca naar Lefkosia om mij te zien, ondanks dat hij het heel druk had met de bibliotheek.

Vaso is even een paar dagen over uit Athene. Met de trein. Een rit van zes uur. Dat is lang, maar als het mooi weer is, of in ieder geval niet mistig, is het een prachtige tocht, grotendeels door de bergen. We hebben hem samen ook eens gemaakt. Heen was er niets aan de hand, maar tijdens de terugreis was er alleen nog plaats in een smerige, afgetrapte stoptrein, die er in plaats van zes elf uur over deed. We besloten in Griekenland nooit meer een trein te nemen zonder van tevoren plaatsen te bespreken. Ik reis veel liever met de trein dan met een auto of een bus, maar de Griekse spoorwegen stellen weinig meer voor. Er zijn nog maar een paar verbindingen over en naar het buitenland kun je helemaal niet meer. Stel je voor dat de trein tussen Rotterdam en Amsterdam maar drie, vier keer per dag reed. Ik kan vanuit Thessaloniki met de trein naar Kilkis, om de familie te bezoeken, maar het station van de stad ligt in een dorp, een paar kilometer buiten het centrum. Vandaar moet je verder met een taxi of een lijnbus, als je geen zin hebt in een uurtje lopen. Geen wonder dat iedereen de lange afstandsbus van de KTEL neemt, of de eigen auto.

Gisteren vloog een formatie van zestien Apachehelikopters over het huis, met in het midden zo'n dikke Chinook. Vanwege de parade voor Ochi-dag. Met een helikopter reizen, dat kan natuurlijk ook, als je geld genoeg hebt. Ik herinner mij een aannemer uit Newton-le-Willows in de jaren zeventig. Hij was de plaag van het dorp want hij vloog af en aan in een helikopter, die landde op een platform in zijn ruime achtertuin. In een rustig villawijkje. Kun je nog beter een buurman hebben met een denderende motor. Toen wij in 2007 Brian bezochten was die man al jaren dood. Op de plaats van het helikopterplatform zagen we een zwembad. Zonder water, maar vol dorre bladeren en ingewaaid vuil. Symbolisch voor de staat van het dorp. Van een levendige plaats vol textielnijverheid naar een verloederde slaapwijk van St. Helens. We dwalen af, geloof ik.

De regering heeft het met die parade breed laten hangen. Behalve de helikopters hadden ze een fregat en een duikboot laten opdraven. Er was een vliegshow en er reed een lange rij pantserwagens, tanks, rijdende artillerie, raketwerpers en luchtdoelraketten voorbij. Verder werd er veel gemarcheerd, van de Vereniging van Thracische Banketbakkersvrouwen tot het Griekse equivalent van de luchtmobiele brigade. Er kwam een bataljon opvallend dikke padvinders voorbij en een compagnie kikvorsmannen die zich duidelijk niet in hun element voelden op het droge. Een admiraal op de tribune was met zijn mobieltje in de weer en miste daardoor de stoere verpleegsters van de EHBO en een sexy tankcommandante. Er werd vaderlandslievend getoeterd en getrommeld dat het een aard had. Toen een vendel middelbare schoolmeisjes langs marcheerde in perfecte paradepas en elk met een Griekse vlag, moest ik onwillekeurig denken aan Lenie Riefenstahl. Ik zou bijna trots worden op de aardige, vredelievende manier waarop in Nederland bevrijdingsdag wordt gevierd. Na afloop begon de minister van oorlog aan een toespraak. Ik heb de televisie uitgezet, want ik kon wel raden wat die man ging roepen. Waar ze het allemaal van betalen? Boze tongen beweren van het sponsorgeld van een oliemagnaat.

Ik ben tussen de bedrijven door alweer spullen aan het verzamelen die mee moeten naar Dordrecht. Boeken, natuurlijk, al stuur ik die misschien wel over de post. Op Skyros heb ik weer een paar van die handige dagboekcahiers gekocht op het postkantoor. In Ano Toumba verkoopt de post die ook, maar daar liggen ze in een afgesloten vitrine en als je er om vraagt moet de juffrouw mopperend en zuchtend achter haar loket vandaan. Op Skyros lagen ze op de balie en dit keer kreeg ik zelfs gratis een glimlach mee. De sieraden heb ik nog niet aan Marina kunnen geven. Ik laat ze hier. Ik geef ze de volgende keer wel. Twee weken geleden heb ik een tas Nederlandse literatuur cadeau gedaan aan de bibliotheek van de Hollandse School. Het was moeilijk een keuze te maken, maar ook als ik voorlopig het Schrijfhuis blijf gebruiken, kan ik niet alles houden. Weggooien is uit den boze en Lieve, die de bibliotheek beheert, is er blij mee. Ik heb ook een hele stapel exemplaren van Entefktirio liggen. De nummers waarin vertalingen van jou staan houd ik. De rest moet weg, maar waarheen? Ik zal het eens in Loxias vragen, misschien is er wel een student(e) die ze hebben wil.

In gedachten, altijd,

Kees

Thessaloniki, 29 oktober 2014

Foto: www.e-go.gr


dinsdag, november 04, 2014

Groener gras




Omdat ik de verkoudheid, opgelopen in een van de overvolle stadsbussen, er uit moet zweten, ben ik lopend naar Prinkipos gekomen. Een klein uur in mijn tempo. Ik zit op het terras en drink een tsipouro. Farmako (medicijn) volgens mijn schoonvader. Hij kon het weten. Hij trotseerde er de harde winters in de bergen mee. Tegenover mij het geboortehuis van Mustafa Kemal, de vader der Turken. Als het kon had ik weleens een raki met hem willen drinken en hem horen vertellen over het Thessaloniki van zijn jeugd. Voordat de stad werd ingelijfd bij Griekenland. Voor de verwoestende brand van 1917. De tijd dat de joden, met hun prachtige Ladinoliederen, de grootste bevolkingsgroep vormden en de stad het Jeruzalem van Europa werd genoemd.

Prinkipos presenteert zich tegenwoordig als Turks café. Tenminste, er staat een uitnodigend bord voor de deur met een aanbeveling in het Turks. Sinds het aantreden van burgemeester Boutaris bezoeken steeds meer Turkse toeristen het geboortehuis van Atatürk. Het is een museum. Iemand van het aanpalende Turkse consulaat verzorgt rondleidingen, maar omdat mijn Turks ontoereikend is, ben ik nog niet binnen geweest. Ik kijk naar twee studentes in de gloed van de terrasverwarming. Meisjes die bewegen zoals je van meisjes verwacht, zonder dat ik precies kan benoemen hoe dat dan is. Ik word er een beetje vrolijk van, maar ik wil hen niet te nadrukkelijk observeren. Dat past niet bij mijn zekere, licht gevorderde leeftijd en we zijn hier niet in Pattaya of op Phuket.

Ik bedenk dat mijn verblijf ten einde loopt. Dat ik eerstdaags tien kilometer boven de aarde hang en maar moet afwachten hoe ik weer beneden kom. Ik wil nog wel wat blijven, omdat ik het beter naar mijn zin heb dan de vorige keer. Ditmaal geen grauwe kantoren met incompetente, ongeduldige ambtenaren en geen hectisch jagen achter formulieren aan. Wel het warme gezelschap in Loxias en meisjes die bewegen zoals je van meisjes verwacht. Toch voel ik de lokroep van mijn eiland, van de vrienden bij Visser, van mijn overwoekerde tuin, waar het gras groener is dan hier. Ben ik daar, dan is het precies andersom. Keer op keer.

©Kees Klok

Foto: auteur



zaterdag, november 01, 2014

Aannemer




Het was onder de vorige burgemeester van Thessaloniki, Papayorgopoulos, die een levenslange gevangenisstraf uitzit wegens vermeende fraude. Een deel van de trottoirs werd opnieuw bestraat. De burgmeester oogstte lof. Hij zette ook de bouw van een nieuw stadhuis in gang. In die dagen waren buitenlandse banken maar wat graag bereid om leningen te verstrekken.

Sindsdien is een afdaling van Ano Toumba naar het centrum via de Lambraki riskant. De bestrating oogt fraai, maar is zelfs in droge tijden al glad. Zonder zolen met een stevig profiel kun je een onverwachte uitglijder begaan. Ik deed dat een paar jaar geleden, precies voor een schoenenzaak, inmiddels failliet als zovelen. Ik ruilde er mijn schoenen in voor nieuwe. Als het regent zijn de stoepen levensgevaarlijk. Over geparkeerde auto's en motoren op de trottoirs zullen we het nu niet hebben.

Met droog weer laat ik mij niet weerhouden om te voet naar Loxias te gaan. Dat moet wel vóór zonsondergang. Stukken van de Lambraki zijn slecht verlicht en op allerlei plekken is de bestrating losgekomen, verbrokkeld en gebroken. Dat levert kuilen, gaten en omhoogstekende randen en stukken tegel op. Griekenland is een land van louche aannemers, een van de weinige dingen die het met Nederland deelt. Het vonnis van Papayorgopoulos is omstreden. Als rechter zou ik met zo'n aannemer wel raad weten.

©Kees Klok

Foto: auteur



woensdag, oktober 29, 2014

Brieven aan Stella (22)


   Stella Timonidou (l) en Kyriakos Charalambidis. Lefkosia okt. 2003


Lieve Stella,

In mei was het twaalf jaar geleden dat we met Teleac-NOT naar Cyprus gingen, om zes radioreportages te maken. Ik vertelde ter plekke iets over de kleurrijke geschiedenis van het eiland, jij ging mee om te tolken als er Cyprioten werden geïnterviewd, want ook al was Cyprus van 1878 tot 1960 een Engelse kolonie, er liepen toch nog een paar inwoners rond die slecht of helemaal geen Engels spraken. Daarna zijn we er samen nog twee keer geweest. Ik om onderzoek te doen voor Afrodite en Europa, waarvan inmiddels een herdruk is verschenen, bijgewerkt tot 2012, jij om contacten te leggen met Cypriotische dichters en schrijvers. Daaruit kwam, als speciaal nummer van Kruispunt, de bloemlezing Wij wonen in een taal voort, die in 2004 in Brugge verscheen. Vierhonderdzeventig bladzijden poëzie, proza en achtergrondartikelen. Michalis Pieris, hoogleraar letterkunde aan de Universiteit van Cyprus, en vooraanstaand criticus en dichter, prees het als 'de beste bloemlezing van Cypriotische literatuur die tot nu toe in het buitenland is verschenen.' Dat was toen ik in 2009 door hem voor een lunch werd uitgenodigd. Ik was in Lefkosia voor een conferentie van Euroclio, de club van Europese geschiedenisdocenten.

Tijdens dat verblijf bezocht ik ook Niki Marangou, waar ik samen met Nikos Nikolaos-Hatzimichaïl lunchte, met uitzicht op die prachtige tuin in Agios Domitios, waar wij zo verrukt van waren toen we voor het eerst bij haar thuis kwamen. Niki vertelde van haar reizen en haar reisplannen. Ze was vaak op pad en stuurde mij dan lange verslagen van haar ervaringen, vaak met prachtige foto's erbij. Vorig jaar is ze om het leven gekomen bij een verkeersongeluk in Egypte, in de buurt van Fayoum, waarvan de toedracht nooit helemaal duidelijk is geworden. Wij waren, sinds we haar in 2002 voor het eerst ontmoetten, goede vrienden geworden en beiden waren wij liefhebbers van haar poëzie, haar proza en haar schilderijen, want Niki was zeer veelzijdig. Ik heb uiteraard nog de prachtige brief die ze stuurde na het bericht van jouw overlijden. Met Nikos ben ik nog steeds goed bevriend. Ik was, net als jij, zeer op Niki gesteld. Haar dood was een enorme schok. Ik zag een foto in To Vima en dacht: 'Wat leuk, weer een literaire prijs voor Niki.' Pas toen drong het onderschrift tot mij door.

Vorige week kreeg ik opnieuw een schok. De dag nadat ik terugkeerde van Skyros ontving ik een e-mail van Dimitris Charalambous met de mededeling dat onze vriend Sofronis Hatzisavvidis plotseling is overleden. De begrafenis was op de dag van mijn terugkeer uit Skyros. Ik was vroeg genoeg terug om er bij te zijn, als ik het had geweten. Dimitris dacht dat ik in Nederland was en stuurde mij het bericht pas na de begrafenis. Met Sofronis nieuwe vrouw, waarmee hij kort na de scheiding van Roula trouwde, had ik weinig contact. Ik heb haar een keer ontmoet in Loxias, meer niet, en waarschijnlijk heeft zij niet eens mijn telefoonnummer. Als ik Sofronis de laatste jaren zag was dat op de universiteit of in Loxias. Hoe dan ook, ik was er niet bij en dat geeft een naar gevoel. Het drukt je ook weer hard op het feit dat we allemaal mensen van de dag zijn. Het kan best dat ik negentig word, waarschijnlijk is dat niet. Al dat geklets over de vergrijzing lijkt mij onzinnig. De generatie van onze ouders telt inderdaad veel mensen die stokoud zijn geworden, maar de onze heeft te veel te lijden (gehad?) van al die onbekommerde atoomproeven in de atmosfeer van de jaren vijftig en de gigantische toename van de luchtvervuiling door de automobiel en de industriële groei, terwijl ik niet durf te denken aan alle rotzooi en troep die ongemerkt in ons voedsel terechtkomt. Onze generatiegenoten sterven bij bosjes aan de een of andere vorm van kanker en die krijgen ze niet op hoge leeftijd.

Sofronis is overigens aan een hartstilstand overleden. Vierenzestig geworden. Twaalf jaar geleden kreeg hij een zware hartaanval, die hij ternauwernood overleefde. Wij waren toen in Thessaloniki en hebben hem nog opgezocht in het universiteitsziekenhuis. Daar onderging hij een ingewikkelde operatie. In de jaren daarop ging het goed. Hij was alleen wel een zware workaholic. Hij hield van zijn werk als decaan van de Pedagogische Faculteit, was een zeer vruchtbaar onderzoeker en schrijver en hij rende van het ene congres naar het andere. Als taalkundige was hij niet alleen een goede vriend van je, maar ook een waardevolle collega, die jou, ons beiden, vaak met raad en daad terzijde stond. Gedrieën maakten we in 1992 het speciale nummer van Kruispunt over de geschiedenis en cultuur van Thessaloniki, een publicatie waaraan de critici in Nederland, net als aan Wij wonen in een taal, geen woord vuil maakten. Alleen het tijdschrift Lychnari, gespecialiseerd in wat speelt in het Griekenland van nu, besteedde er aandacht aan. Deels schrijf ik dat toe aan het feit dat Kruispunt in Brugge verscheen, wat voor snobistische Nederlanders alleen al genoeg is om de neus op te halen. Aan de andere kant kun je je afvragen in hoeverre men in Nederland belangstelling heeft voor de hedendaagse cultuur van Griekenland en Cyprus, vooral als zelfs de eigen cultuur op minimale interesse kan rekenen.

Aan de andere kant merk ik vaak dat in Griekenland ook maar geringe belangstelling voor Nederland bestaat en dat de gemiddelde Griek er even weinig van weet als de gemiddelde Nederlander van Hellas. Ja, het standaardgeklets over tulpen, de ramen op de wallen en de coffee shops, zoals wij het hebben over de Akropolis, zee, zon en ouzo. Onlangs raakte ik in Loxias met een jongeman aan de praat die verbaasd was om te horen dat Nederland in de Tweede Wereldoorlog door Duitsland was bezet en dat er, net als in Griekenland, verzet werd gepleegd. Hij had altijd gemeend dat de Nederlanders, met dat taaltje dat zo op Duits lijkt voor een buitenlands oor, aan de kant van Hitler stonden. Dat dacht hij trouwens ook van België en de Scandinavische landen, uitgezonderd Finland, want daar zaten volgens hem de Russen. Die jongen is afgestudeerd bioloog en dus niet eens een gemiddelde Griek. Wel een onbereisde dorpeling, hij was nog nooit over de grens geweest, biechtte hij op.

Ik ontmoette in Loxias ook een aardig stel, net dertig, dat vertelde over het eiland Ikaria, waar alle autochtonen, in weerwil tot wat ik hier boven beweer, over de honderd schijnen te worden. Er heerst volgens hen eenzelfde soort, haast magische, sfeer als op Samothraki. Zij raadden mij dringend aan er heen te gaan, maar dan wel in het najaar, als het toeristenseizoen aan het aflopen is, maar er nog allerlei festivals schijnen te zijn. Ik vertelde hen van Skyros. Daar bleken ze deze zomer te zijn geweest. Ze waren er laaiend enthousiast over. Ze konden overal vrij kamperen en vooral het noorden, met zijn weelderig groen, had hun hart gestolen. Dat enthousiasme om ergens zonder faciliteiten onder een boom je tentje op te zetten kon ik niet delen, maar dat schrijf ik maar toe aan het feit dat ik dertig jaar ouder ben en zelfs de luxe camping al jaren ontgroeid. Ik zie ons nog in 1989 op de universiteitscamping in Posidi, in dat piepkleine tentje van je, waarin we net pasten, zodat we de auto als bergruimte moesten gebruiken. Het was erg gezellig, maar 's morgens vroeg met een pleerol onder je arm en een flinke kater naar het communale sanitair sjokken, nee, ik zie het mij nooit meer doen.

In gedachten, altijd,

Kees

Foto: auteur


maandag, oktober 27, 2014

Muzikant




Ze kwam op een avond mee met de muzikant. Een opvallende verschijning. Ouderwets, kort haar dat aan een Franse studente uit de jaren vijftig deed denken. Evenals haar kleding. Zonder opsmuk, strak en overwegend zwart. Nog net geen coltrui. Als ze sprak had ze het gezicht van een verwachtingsvol, jong meisje. Als ze luisterde dat van een bezorgde vrouw van middelbare leeftijd. Kinderen net in de puberteit, ouders tobbend met kwalen.

De muzikant zei dat hij was gestopt met roken en dat hij het volhield. Zij stak de ene sigaret na de andere op. Journalist, zei ze, bij de grootste krant van de stad. Nee, geen kinderen. Ze vroeg naar de mijne. Ik vertelde haar over mijn boeken en vertalingen. In zei dat ik weleens bij de krant op bezoek was geweest. We gingen op zoek naar gezamenlijke bekenden. De dichter Thanasis Georgiadis, die de redactie van Stella's bundel heeft gedaan. Bij een bevriend hoogleraar had ze college gelopen.

De muzikant pakte een gitaar van de muur en speelde ons zijn nieuwe composities voor. Het werd ver na middernacht. We wisselden adressen uit en telefoonnummers. Het roken maakte haar extra aantrekkelijk. Ik vind rokende vrouwen vaak aantrekkelijk. Toen we afscheid namen pakte ze de hand van de muzikant. Net alsof hij blind was en zij hem moest leiden.

©Kees Klok


Foto: auteur


donderdag, oktober 23, 2014

Brieven aan Stella (21)




Lieve Stella,

Ik schijf je vanuit de bar van hotel Achilleion in Aspous op Skyros, waar ik nu voor de zesde keer logeer. Een paar dagen genieten van de rust, de bergen en het charmante stadje Skyros. Het bevalt weer goed in het hotel van Roos en Nikos. Ik wandel veel, schrijf veel, lees veel en drink veel. Gisteren op de platia zelfs een jus d'orange. Wat had ik je graag meegenomen naar het bijzondere Faltaits Museum, vanwaar je een prachtig uitzicht hebt over het eiland en de Egeïsche Zee. Ze hebben er, onder veel meer, een bijzondere en kostbare collectie oude boeken, maar geld voor conservering ontbreekt, zodat ze met de jaren dreigen te verkruimelen en te vergaan. Als ik ooit de Nobelprijs voor literatuur krijg, schenk ik een deel van de buit aan het Faltaits. Jammer dat ik Nederlander ben en niet goed genoeg, twee redenen om nooit voor die prijs in aanmerking te komen. Jammer voor het Faltaits, zonder die prijs ben ik ook wel tevreden, tenminste, zolang ik fit genoeg blijf om nu en dan naar dit heerlijke eiland te kunnen reizen.

Jij zou verrukt zijn van de decoraties in de foyer en de bar van het Achilleion. Prachtig Skyriaans aardewerk. Tijdens onze huwelijksreis kochten we op Skiathos, een van de andere Sporaden, een bord van Skyros. Het hangt nog steeds aan de muur in Dordrecht. Daar komt, als ik het Schrijfhuis verlaat, ook jouw keramiek naartoe. Die hele reeks door jou beschilderde borden, waar ik zo graag en met bewondering naar kijk. Er zijn op Skyros nog steeds werkplaatsen waar traditionele keramiek wordt vervaardigd. Ook in het Faltaits hebben ze een grote collectie. Rondom het museum liggen moes- en bloementuinen en twee openluchttheaters, een groot en een klein, intiem. In de muren daarvan zit ook allerlei aardewerk ingemetseld, wat een bijzondere sfeer schept, voor wie daar gevoelig voor is. In de zomer wordt in die theaters van alles georganiseerd. Ik heb vorig jaar geprobeerd een klein festival te op te zetten met de Dordtse Dichterskring en een aantal Griekse dichters. Ben daarvoor nog een keer op bezoek geweest bij de schrijver Pericles Sfiridis, die een Thessaloniki woont, dicht bij het stadion van ARIS, maar een flink deel van het jaar op Skyros verblijft. Ook heb ik er met mensen van het museum over gesproken. Het is niet van de grond gekomen. Het tijdstip, wij wilden in de meivakantie komen, lag voor de Grieken moeilijk. Die hadden ook geen geld en op de e-mails die ik naar het Nederlandse Letterenfonds stuurde om te informeren naar financiële ondersteuning heb ik nooit antwoord gekregen. Ik probeer nu met een groepje Nederlandse dichters en belangstellenden iets te organiseren voor de herdenking van Rupert Brooke, de Engelse dichter die op Skyros ligt begraven. Volgend jaar is het honderd jaar geleden dat hij op een hospitaalschip bij het eiland overleed.

Ik ben, evenals de vorige keren, met het vliegtuig gekomen. Vanaf Thessaloniki vlieg je met een propellervliegtuig, waar een man of veertig in kan. In de zomermaanden zal het wel vol zitten, maar in het voor- en najaar zijn er minder reizigers. Dit keer waren wij met z'n vieren. Ik ben een keer met Guus en Pita geweest, toen waren wij de enige passagiers. Vorig jaar had ik een keer het hele toestel voor mij alleen. Twee piloten en een stewardess om de heer Klok over te vliegen, dat heeft wel iets. Het mooiste is natuurlijk om met de veerboot te arriveren, in de haven van Linaria, maar om in Kimi, op Evia, te komen, vanwaar de boot gaat, moet ik een te lange reis maken. Dan moet ik eerst met de KTEL-bus van Thessaloniki naar Chalkida, geen idee hoe lang die rit duurt, maar ik schat al gauw een uurtje of vijf, en dan met een bus van Chalkida naar Kimi. Daar ben ik dan hoogstwaarschijnlijk te laat voor de boot, zodat ik er moet overnachten om de andere ochtend naar Skyros te varen. Toen wij onze huwelijksreis maakten, in 1990, waren er verbindingen met draagvleugelboten vanuit Thessaloniki naar Skiathos, Skopelos, Alonissos en ik dacht ook Skyros. Ook vanuit Volos kon je er naartoe varen, maar al die verbindingen zijn opgedoekt. Lang voor de crisis, dus die kan de oorzaak niet zijn. Wie weet zat de automobiellobby er wel achter. Die is ook grotendeels verantwoordelijk voor dat idiote besluit, midden vorige eeuw, om Thessaloniki van zijn tram te beroven. Ook vrijwel alle veerbootverbindingen vanuit Thessaloniki, de tweede haven van het land!, naar de Griekse eilanden zijn opgeheven. Op het internet vind je nog hier en daar pagina's die een hele rij bestemmingen aanprijzen, maar als je dan doorklikt om te boeken, is Thessaloniki ineens van de kaart verdwenen. Er komen tegenwoordig af en toe cruiseschepen, maar verder is het diepe treurnis wat de passagiersvaart betreft. Het toerisme zou ervan profiteren als die verbindingen er wel waren. Dan hoefden reizigers uit Midden-Europa en van de Balkan niet nog eens vijfhonderd kilometer naar het zuiden te rijden, naar Piraeus, om de boot naar een eiland te nemen, maar op een vooruitziende blik wordt de Griekse overheid zelden betrapt. Uitzondering op de regel is burgemeester Boutaris van Thessaloniki, maar die kan het ook niet allemaal in zijn eentje regelen.

Het weer is even uitzonderlijk mooi als vorig jaar, alleen waait het minder. Zo midden in zee voel je altijd wel wat wind, maar nu is dat maar een mild briesje. Wel lekker bij de wandeling van of naar Skyros-stad (een minuut of vijftig), want er moeten enkele hellingen worden genomen en dan is wat verkoeling niet onaangenaam. Overigens word mij vaak een lift aangeboden als ik onderweg ben. Soms stap ik in, als ik op de terugweg ben en moe word, maar meestal bedank ik vriendelijk, want ik ben nog steeds bezig om mijn embonpoint binnen de perken te houden, zonder dat ik er veel voor moet laten staan. Het is wel een tikje vervelend dat er geen trottoirs zijn, want ook hier rijden ze als bezetenen, maar goed, stoepen vind je vrijwel nergens buiten de steden. In ruil daarvoor hebben we een prachtig eiland, de zee, mooie stranden en een illustere geschiedenis, waarin piraterij een grote rol speelt. In de oudheid woonden hier veel nimfen, zegt de mythologie, waaronder Thetis, de moeder van Achilles. Aan de andere kant van de heuvel waarop ik uitkijk ligt de baai van waaruit hij uiteindelijk naar de oorlog om Troje is vertrokken. Die heet uiteraard de Achillesbaai. Aan deze kant van de heuvel ligt de baai van Aspous. Ik weet niet of er nog nimfen wonen op Skyros. Ik vrees dat ze van lieverlee naar Thessaloniki zijn vertrokken om zich te scharen onder die ontelbare hoeveelheid mooie meisjes daar, maar daarover heb ik in een vorige brief al bericht.

Je weet dat ik, ondanks dat ik de wijn liefheb, een man van reinheid, rust en vooral regelmaat ben. Op Skyros eet ik 's avonds altijd in hetzelfde restaurant, O Lambros, hier vlakbij. De keuken is uitstekend, de mensen zijn bijzonder vriendelijk, de prijzen heel schappelijk en als de wijn iets te gul heeft gevloeid kan ik bij wijze van spreken kruipend naar huis. In Skyros-stad bezoek ik verschillende terrasjes, maar meestal dat van Iroön bij de platia, waar ze mij inmiddels ook kennen en waar ik, net als bij O Lambros, altijd een praatje heb. Alleen vandaag niet, want ik ben uitgenodigd bij Roos en Nikos thuis. Fijne mensen, je had ze moeten leren kennen.

In gedachten, altijd,

Kees

Foto: auteur





maandag, oktober 20, 2014

Professor




De gemeente Skyros heeft een verstandige verkeersmaatregel getroffen. In de straat naar de platia zijn drie hekken geplaatst. Voetgangers kunnen er tussendoor, maar auto's en motoren kunnen niet meer bij de platia worden geparkeerd. In noodgevallen en voor leveranciers gaan de hekken open. De Skyriaanse variant van de Dordtse pollers. Die staan mij veel te vaak open, maar dit terzijde.

Op een terras aan de platia geniet ik van de afwezigheid van blik en geknetter. Een tafeltje verder zit een echtpaar. Toeristen. Ze zijn voortdurend verdiept in hun smartphones. De enkele keer dat ze iets zeggen is dat in een onbekende taal. In deze tijd van het jaar zijn er weinig toeristen. Je herkent hen direct. Ze lopen anders dan de Skyrianen, kijken anders en hebben meestal iets flodderigs aan. Vaak dragen de mannen een korte broek. Deze man niet. Hij is sportief, maar beschaafd gekleed. Ik denk dat hij professor is.

Af en toe dwaalt zijn blik af. Als hij van zijn koffie drinkt en steeds als er Skyriaanse meisjes voorbij lopen. Heel strakke, zwarte leggings zijn de courante mode op Skyros, behalve onder religieuze meisjes. God haat mooi gewelfde dijen. De professor kijkt de meisjes na tot ze om een hoek verdwijnen. Ik schat hem van mijn leeftijd. Ik voel een zekere solidariteit, ondanks die smartphone.

©Kees Klok


Foto: auteur