donderdag, april 30, 2026

Krasse bejaarde




Een man van negenentachtig heeft een paar dagen geleden in Athene een kantoor van de ziektekostenverzekering en het hooggerechtshof beschoten. Daar zijn enkele lichtgewonden bij gevallen. Het had veel erger kunnen zijn. Wat vooral verbaast is de leeftijd van de dader. Een krasse bejaarde, dat kun je wel zeggen, die ook nog heeft geprobeerd het land te ontvluchten. Hij werd in Patras opgepakt met een kaart voor de boot naar Italië op zak.


Op Facebook keurde mijn goede vriend I. het geweld af, maar hij had alle begrip voor de wanhoop van de man. De gevolgen van de financiële crisis, vooral ontstaan door het beleid van wijlen Andreas Papandreou, de corruptie in het ambtenarenapparaat, de bureaucratie waar iedere Griek tijdens zijn leven weleens mee in conflict raakt (en niet alleen Grieken, ik kan er als Nederlander met Griekse banden over meepraten) kunnen iemand tot volstrekte wanhoop brengen.


Vriend I. is door die financiële crisis alles wat hij in vele jaren had opgebouwd kwijtgeraakt. Zijn boekhandel en prachtige kafeneion Loxias, een trefpunt voor literatoren en wetenschappers in Thessaloniki, waar ik jarenlang kwam en dat een belangrijke rol speelde in mijn leven na het overlijden van Stella. Het heeft jaren geduurd voordat hij er weer een beetje bovenop kwam. Ook een tachtiger, evenals de schutter, maar een wijs man wiens filosofische instelling hem tenslotte door de moeilijkheden heen hielp.


Op Facebook pleit hij voor het gezond maken van de in zijn ogen bizar slecht functionerende staat en voor een democratie zonder corrupte, slechts voor hun eigen belang opkomende politici. Gezien de geschiedenis van Griekenland na 1821 betwijfel ik of I. en ik dat nog zullen meemaken. Er is weliswaar veel meer vrijheid in het land dan in de jaren voor 1974, toen de laatste dictatuur ten val kwam, maar Griekenland staat nog wel heel laag in het rijtje van landen die het goed doen wat de persvrijheid betreft. Eén blik op veel actualiteitenprogramma's en het televisienieuws is voldoende om te beseffen dat de kiezers bij het ene schandaal na het andere niet zelden door de overheid worden misleid en dat belooft weinig goeds voor de toekomst.


Foto: auteur


zondag, april 19, 2026

Geen idee




Als de perenboom in bloei staat moet ik altijd even denken aan de tuin die ik aantrof nadat ik het huis, zesenveertig jaar geleden, had gekocht. Nogal verwaarloosd, met een grasveld in het midden om een perenboom. Een bejaarde hoogstam. Er was, behalve aan de tuin, ook nogal wat te doen aan het huis. Op een goede dag was ik met Marion, mijn toenmalige vriendin, de werkkamer in wording aan het behangen toen we merkten we dat we licht onder stroom stonden. Oorzaak: verkruimelde stroomdraden uit het bouwjaar van het huis (1914) die door ijzeren buizen liepen. Dat betekende snel de bedrading vervangen.


Ook mankeerde er nogal wat aan het dak, na zoveel jaar nog steeds een zorgenkind trouwens, en zo waren er nog wel wat problemen die in de loop der tijden grotendeels zijn opgelost. Ik vind het huis heerlijk om in te wonen en moet er niet aan denken om naar zoiets als nieuwbouw te verkassen. De hoge plafonds, de ruimte daardoor om je heen, het sfeervol gebrandschilderd glas, voor zover door de barbaren die er voor ons woonden niet gesloopt, die tuin en een 'koloniale' veranda, waardoor je je op mooie zomeravonden nostalgisch in 'Ons Indië' kunt wanen.


Op een dag woei de perenboom om. Hij bleek van onderen vrijwel geheel te zijn doorgerot. We hebben hem vervangen door de huidige, een laagstam, zodat we geen halsbrekende toeren met een ladder meer hoeven uit te halen tijdens de pluk. In het begin hing er een kaartje aan waarop de soort stond vermeld. Dat kaartje is weggewaaid en aangezien ik er de ballen verstand van heb, zou ik niet weten wat voor soort we plukken. Om de twee jaar een grote hoeveelheid, dat schijnt bij peren normaal te zijn. Het is in ieder geval een soort die half augustus al rijp is en als handpeer en stoofpeer heerlijk smaakt. Dat vindt het gevogelte des velds ook, vandaar dat ik wel blij ben met de buurtkatten die gratis en voor niks een oogje in het zeil houden.


Foto: auteur




vrijdag, april 10, 2026

Voorrang





Ik heb maar twee foto's waar alle vier mijn grootouders gezamenlijk op staan. Ze zijn genomen op de trouwdag van mijn ouders, 29 oktober 1947. De eerste op de trappen van het Dordtse stadhuis, de tweede bij de ingang van de Augustijnenkerk. Er werd in die dagen nog met de hoge hoed getrouwd. Uitzondering daarop is mijn Rotterdamse grootvader, Aart Klok. Dat zijn zoon niet alleen in het stadhuis, maar ook in een kerk trouwde, moet voor hem, overtuigd atheïst die zich had losgemaakt van het streng gereformeerde Nijkerkse milieu waaruit hij afkomstig was, even slikken zijn geweest. Hoe mijn oma, de uit Den Haag afkomstige Sophia Groeneweg, daar over dacht weet ik eigenlijk niet. Mijn opa en oma waren het maar over weinig dingen eens, kreeg ik als kind weleens de indruk.




Op de eerste foto staan mijn Dordtse grootouders, Cornelis Bekker en Magcheltje Rijkhoek vooraan. Op de tweede is dat precies omgekeerd. Wat daarvan de reden is weet ik niet. Toeval denk ik. Ik ben vernoemd naar mijn twee grootvaders: Cornelis Aart. Dat m'n Dordtse opa daarbij voorrang kreeg zal geen toeval zijn, daar is over nagedacht. Vreemd dat ik nooit aan mijn ouders heb gevraagd waarom ze dat zo hebben besloten. Daar is het nu te laat voor.


Mijn twee grootvaders waren mijn helden. Opa Bekker was in zijn jonge jaren zeeman, opa Klok machinist bij de spoorwegen. Beter kon een klein jochie het in de sobere jaren vijftig niet treffen. Of dat nog zo is in dit dubieuze tijdperk van gaming en loeren naar de smartphone, betwijfel ik. Ik mis ze nog steeds, mijn opa's, zelfs nu ik zelf de grootvaderlijke leeftijd heb bereikt.


Foto's: H.G. Beerman, Dordrecht



zaterdag, april 04, 2026

Schokland




Een paar jaar geleden hielden wij familiedag in de Noordoostpolder. In een plaatsje dat Nagele heette. In de buurt van Nagele was een bescheiden bult in het verder vlakke, saaie landschap. Die bult was vroeger het eiland Schokland. Het werd in 1859 ontruimd omdat de Zuiderzee er steeds verder aan vrat. Toen de Noordoostpolder werd aangelegd, werden Schokland en het nabije Urk door het land verzwolgen. Zo gaat dat in Nederland, waarvan men zegt dat niet God, maar de Nederlanders zelf het land hebben geschapen. Aangezien God een fictionele figuur uit een heel oud sprookjesboek is kan het eerste kloppen. Wat de Nederlanders betreft gaat het wel een beetje op, althans in het westen, waar in den beginne de windmolen was.


Omstreeks 1900 hadden we er daar nog meer dan veertig van in Dordrecht, nu staat er nog een, maar die is wel springlevend, werkt nog steeds en je kunt er uitstekend meel kopen om je eigen brood te bakken, een activiteit die ik iedereen van harte kan aanbevelen.


Schokland is dus gereduceerd tot een bult in het landschap. Een fraaie bult, een natuurgebied in het klein, lichtelijk bebost en voorzien van een bescheiden, maar buitengewoon interessant museum waar je kennis kunt maken met een voormalige bewoningsgeschiedenis die zo'n tienduizend jaar teruggaat in de geschiedenis. De bodem van het IJsselmeer, voorheen Zuiderzee, is van grote archeologische waarde. Alleen al vanwege al die schepen die er in de afgelopen honderden jaren zijn gezonken en weer gedeeltelijk opgedoken.


Naast zelf broodbakken beveel ik iedereen een bezoek aan het museum aan. Kun je en passant Urk aandoen, het diep religieuze drugswalhalla waar ooit een verre achterneef van me predikant is geweest. Op zondag heb je daar de keuze uit ontelbare kerken in bedrijf, op andere dagen kun je er voor of na het blowen een smakelijk visje nuttigen, of zou dat in dit bolwerk van progressiviteit nog 'vischje' heten?


Foto: auteur



zondag, maart 15, 2026

Op eigen benen




Bij OVT, het onvolprezen geschiedenisprogramma van de VPRO, gaat het over de Surinaamse keuken. Iemand merkt op dat de geschiedenis van Suriname in Nederland weinig bekend is. Dat ligt niet aan mij. In de tijd dat ik geschiedenisles gaf besteedde ik ruim aandacht aan wat toen nog wel koloniale geschiedenis werd genoemd. Later werd koloniale geschiedenis vervangen door overzeese relaties. What's in a name?

Omdat ik ooit zelf in Suriname ben geweest en dat mooie land van noord tot zuid en oost tot west heb bereisd, nam de geschiedenis van deze voormalige kolonie een belangrijke plaats in in mijn lessen. Het is niet overdreven te stellen dat Suriname een schepping van Nederland is. Een schepping die misschien iets te snel gedwongen werd op eigen benen te staan. Toen ik er was, zeven jaar na de onafhankelijkheid, kreeg ik regelmatig te horen dat 'jullie nooit weg hadden moeten gaan'. Hoe men er in Suriname zoveel jaren later over denkt, weet ik eerlijk gezegd niet.

Ik bracht een groot aantal dia's mee uit Suriname. Ooit heb ik die in een ogenblik van onnadenkendheid uitgeleend aan een zekere Cor Hordijk, een communist die het met andermans spullen niet te nauw nam naar bleek, want ik heb ze nooit meer gezien. Hij beweerde dat hij ze was kwijtgeraakt na een lezing. Gelukkig heb ik nog een album met foto's en een hoofd vol herinneringen.


Foto: auteur


zondag, maart 01, 2026

Stadswerven




Ik sluit niet uit dat toeristen over tweehonderd jaar de Stadswerven komen bewonderen om hun gedurfde architectuur, er ligt een bijzonder fraaie wandel- en fietsbrug die de boel met het centrum verbindt en volgens iemand die het weten kan 'is het best een gezellige wijk', maar mij overviel me toen ik gisteren voor het eerst sinds lang de pont van Papendrecht naar Dordrecht nam, een gevoel van somberheid. Wat maken de Stadswerven vanaf de overkant van de rivier een troosteloze indruk. Dat komt vooral door die verschrikkelijke blokkendozenarchitectuur. Hoe verzinnen ze het, dacht ik terwijl de wolken, voortgedreven door de laatste februaristorm van dit jaar, over de rivier joegen.


Ik was in Papendrecht om de negentigste verjaardag van een van mijn dierbaarste vrienden te vieren in een restaurant aan het water. Vanuit die hoek zagen we ongeveer wat Albert Cuyp zag toen hij zijn fameuze gezicht op Dordrecht schilderde. De blokkendozenwijk lag gelukkig om de hoek, net uit het zicht.


De laatste keer dat ik het dorp aan de Merwede en de Noord bezocht was zeker vijf jaar geleden, toen ik medepresentator was van Via Cultura. Dat werd toen een paar keer vanuit de Papendrechtse studio uitgezonden omdat het ducttape in die van RTV-Dordrecht. toen nog op het Mediapark en niet ergens weggestopt op de Staart, weer eens had losgelaten.


Ooit, lang geleden, kwam ik er vaker. Ik trouwde met een meisje dat er woonde. Een huwelijk dat geen lang leven was beschoren, maar wel uitliep op een levenslange vriendschap. Dat meisje is nooit in Papendrecht teruggekeerd en ik begrijp wel waarom. Ik wil er geen kwaad van spreken, ze hebben minstens twee aantrekkelijke restaurants, maar toch heb ik het gevoel dat je desnoods nog beter op de Stadswerven kan wonen dan in Papendrecht.


Foto: auteur



woensdag, februari 18, 2026

Brommen




In juli 1990 trouwden Stella en ik in Thessaloniki. Het was een hete dag, veertig graden in de schaduw. De plechtigheid was 's avonds. Toen was het kwik inmiddels gedaald tot achtendertig graden. De bruiloft achteraf vond plaats in een hoog gelegen feestgelegenheid met uitzicht over de stad, waar het nog iets koeler was. Het staat allemaal in deel negen van mijn serie literaire dagboeken, dat dit voorjaar uitkomt onder de titel Verscholen in het groen.


Onze huwelijksreis ging naar de eilanden Skiathos, Skopelos en Alonissos. In tegenstelling tot tegenwoordig waren die gemakkelijk vanuit Noord-Griekenland te bereiken. Vanuit de haven van Thessaloniki vertrokken dagelijks draagvleugelboten. Tegenwoordig moet je naar Volos of Piraeus als je erheen wil. Om ons gemakkelijk te kunnen verplaatsen huurden we ter plekke een brommer. Het milieu was in die dagen in Griekenland geen probleem, nog steeds niet geloof ik, maar ik geef toe dat ik de Griekse pers niet meer zo nauwkeurig volg als in de tijd dat ik regelmatig voor de Nederlandse radio commentaar gaf op de ontwikkelingen daar.


Op Skiathos bezochten we het huis van de beroemde schrijver Alexandros Papadiamandis. Op Skopelos plukten we citroenen in de tuin van ons logeeradres. 'Neem zoveel als je wil,' lachte de kamerverhuurster. Aan gastvrijheid ontbreekt het in Griekenland zelden. Op Alonissos, dat ons vanwege de rust en het natuurschoon het best beviel, trokken we enkele dagen op met vrienden van Stella. Daar hadden we geen brommer nodig.


Wanneer de presentatie van Verscholen in het groen plaatsvindt weet ik nog niet. Dat wordt nog bekend gemaakt. In deel acht, Verder van huis (te bestellen bij mij of bij Uitgeverij Liverse maakte ik kennis met Griekenland. In dit deel wordt die kennis verdiept en ontstaat de band met het land die ik nog steeds heb. In het voorjaar ga ik weer een tijdje naar mijn pied-à-terre in Thessaloniki.




Foto: Stella Timonidou



zondag, februari 08, 2026

Tweehonderdveertien




Gisteren, 7 februari, was de verjaardag van Charles Dickens (1812-1870). Traditiegetrouw zetten de leden van de Haarlem Branch van de Dickens Fellowship zich dan voor hun computer om via een programma als Zoom of Team een dronk op de grote schrijver uit te brengen. Het was zijn 214e geboortedag. In werkelijkheid is hij slechts achtenvijftig geworden. Opmerkelijk overleed een van de oprichters van de Haarlem Branch, Godfried Bomans, ook op achtenvijftigjarige leeftijd.


Dickens' tweehonderdste geboortejaar werd uitgebreid herdacht op de jaarlijkse Annual Conference van de Dickens Fellowship in Portsmouth, zijn de geboorteplaats. Ik had het genoegen daarbij te zijn en enkele inspirerende dagen door te brengen met Dickensians van over de hele wereld. Gisteren kon ik geen acte de présence geven, omdat ik aanwezig was bij de opening van de tentoonstelling Water en Licht in het Dordrechts Museum. Soms moet je een keuze maken.


                                                       Nazaat Gerald Dickens
                                      

Ik bezoek die Annual Conferences niet regelmatig, want soms vinden ze op te grote afstand plaats. In Australië, in de Verenigde Staten, op een niet zo verre, maar met het openbaar vervoer slecht bereikbare plek in Frankrijk bijvoorbeeld. Volgend jaar hoop ik, als ik tijd van leven heb, er weer eens wel bij te zijn. Dan vind de conferentie namelijk in Nederland plaats en ik ben zelfs uitgenodigd daar het woord te voeren. Waar, hoe, wat en waarover, dat horen jullie nog wel, maar ik ben me er alvast op aan het voorbereiden.


De Haarlem Branche komt zo'n vier keer per jaar bijeen, meestal in Haarlem, uiteraard. Hoogtepunt is altijd de kerstbijeenkomst in sociëteit Trou Moet Blycken in de Grote Houtstraat. De bijeenkomsten bestaan altijd uit een lezing, gevolgd door een diner waarbij op Dickensiaanse wijze tafelredes worden gehouden. Vooral in de geest van Mr. Pickwick. The Pickwick Papers is dit jaar het book of study, dat in de voorjaarsbijeenkomst aan de orde komt. Voor wie belangstelling heeft voor Engelse literatuur en vooral voor het nog immer actuele en bruisende werk van Dickens, is een lidmaatschap van de Haarlem Branch zeer aanbevolen. Men melde zich hier aan.


Foto's: auteur

donderdag, januari 29, 2026

Lissabon




Ik ben te lang niet in Lissabon geweest, die heerlijke stad, waar ik toen ik er voor het eerst in 1983 kwam zomaar de weg wist. Alsof ik er jaren had gewoond. Althans in het historisch centrum, in de buitenwijken had en heb ik niets te zoeken, behalve in Belem.


Als ik in Lissabon ben logeer ik altijd in hotel Borges aan het Chiado. Officieel heet het daar nog net Rua Garret (naar de dichter Almeida Garret als ik het me goed herinner), maar het ligt tegen het Chiado aan, naast het wereldberoemde café A Brasileira, waar ik graag een slaapmutsje haal in de vorm van een aguardente velha.


Op het terras van A Brasileira zit de in brons gegoten dichter en schrijver Fernando Pessoa, met naast hem een lege stoel, waarop toeristen plaatsnemen om zich met de grootheid te laten fotograferen. Dat gaat me iets te ver, maar ik heb ergens nog wel in mijn archief een foto waarop Pessoa op de achtergrond is te zien. Puur toeval natuurlijk.


Op dat terras ontmoette ik ooit een zekere Leonora, een jonge dichteres, die daar haar gedichten, handgeschreven of getypt, dat herinner ik me niet meer, aan voorbijgangers probeerde te verkopen. Hoewel ik geen Portugees kende, kocht ik er een paar en bood haar wat te drinken aan. We hadden een prettig gesprek, waarbij zich later een vriendin van haar, een beeldend kunstenares, voegde. Bij mijn volgende bezoek ontmoette ik haar weer en vertelde ik over Leontios Machairas, de middeleeuwse dichter uit Cyprus die schreef over Leonora. Daarna ben ik haar uit het oog verloren. Wel begon ik aan een cursus Portugees, maar een paar maanden later ontmoette ik Stella, waarna ik overschakelde op Grieks.


Het hoogtepunt van mijn bezoeken aan Lissabon was dat met Stella. Daar heb ik prachtige herinneringen aan. We brachten uren door in de weldadige hortus botanicus, wandelden naar het kasteel van Sao Jorge, voormalige residentie van de koningen, genoten van het uitzicht bij de miradouro de Sante Lucia, doorkruisten de stad in de iconische trams en namen de trein naar Sintra, in het voetspoor van lord Byron.


Lissabon paste perfect bij ons, we zouden er zeker nog vaker naartoe gaan. Daar stak de dood een stokje voor, maar net als Thessaloniki blijft Lissabon trekken. Misschien dat ik eerstdaags gewoon weer even in het vliegtuig stap.


Foto: archief auteur


maandag, januari 12, 2026

Jubileumspeldje




Een van mijn beste vrienden koestert al vele jaren het vooroordeel dat ik niet echt geïnteresseerd ben in muziek. Een nogal onzinnige gedachte, die vele malen is gelogenstraft, maar waaraan hij vasthoudt vanwege het feit dat ik nu eenmaal mijn hele leven slecht ben in het onthouden van namen en vaak niet op de naam van een zanger, een zangeres of een band kan komen, terwijl ik toch geniet van hun muziek.


Dat zelfde heb ik met boeken. Ik kan, zeker als het om geschiedenisboeken gaat, iemand vrij nauwkeurig vertellen waar bepaalde beweringen in een boek staan, zonder dat ik op dat ogenblik de naam van de auteur kan reproduceren. Dat betekent niet dat ik niet van lezen houd. Vanaf het ogenblik dat ik leerde lezen, op de Montessori-kleuterschool, toen nog in de Cornelis de Wittstraat in Dordrecht, maakten mijn ouders mij lid van de Openbare Bibliotheek en begon ik met veel genoegen te lezen. Ik ben daar nooit mee opgehouden. Ik ben overigens nog steeds lid van die bibliotheek, dat is dus bijna zeventig jaar. Ik vraag me af wanneer ik mijn jubileumspeldje ontvang, maar dit terzijde.


In tegenstelling tot namen onthoud ik nummers gemakkelijk. Op de lagere school bestond de geschiedenisles voor een deel uit het uit het hoofd leren van een aantal kantjes A4 met jaartallen. Veel daarvan ken ik nog steeds uit het hoofd en hoewel geschiedenis veel meer is dan jaartallen, zijn ze een ideale kapstok om het verhaal aan op te hangen. Hoeveel plezier heb ik tijdens mijn studie geschiedenis niet aan die kantjes van meester De Kramer gehad!


In 1970 bracht ik een aantal maanden door bij mijn oom en tante in Noord-Engeland. Daar had ik verkering met Wendy, een meisje uit een gehucht achter Birkenhead. Om haar te zien nam ik regelmatig de Ferry cross the Mersey. Ook belde ik haar vaak. Haar telefoonnummer ken ik na zesenvijftig jaar nog uit mijn hoofd. Misschien moet ik het nog eens draaien. Ik heb haar na een droevig afscheid op een regenachtige middag in Chester nooit meer gezien en alle zoektochten op internet leverden niets op, maar ach, het nummer is zo goed als zeker niet meer actief en mocht ze nog leven, dan zit ze misschien helemaal niet te wachten op een stem uit het verleden.


Foto: auteur


woensdag, januari 07, 2026

Malheur




Elf jaar woonden mijn vrienden Guus en Pita in het Drentse Weerdinge op het landgoed De Landtsheerlijkheid. Daarna keerden ze terug naar Dordrecht, want dat is een wet die voor velen opgaat: Dordtenaren in de diaspora keren vaak terug op hun eiland. Er zijn ook Dordtenaren, zoals ik, die er niet over piekeren te vertrekken. Dat is weleens anders geweest. In de jaren zeventig was de stad lang niet zo bruisend als nu en had ik weleens het idee om uit te wijken naar Utrecht. Daar heb ik gestudeerd, maar ik ben er nooit gaan wonen.


In die Drentse tijd richtte Guus een leeskring op van de Dickens Fellowship. Ik werd Loa, lid op afstand. Een paar keer per jaar ondernam ik een treinreis naar Emmen, alwaar een koetsier op mij wachtte om me naar het landgoed te rijden. Hoogtepunt was het jaarlijkse Dickensdiner, waar niet alleen werd gegeten (alle leden droegen iets culinairs bij), maar ook voorgedragen en gemusiceerd.


Weerdinge is een dorp dat valt onder de gemeente Emmen, maar indertijd met een eigen karakter (hoe dat nu is weet ik niet, ik ben er al zeker zes jaar niet meer geweest), met een hecht dorpsleven, een toneelvereniging, een basisschool en het onvolprezen café De Roos, dat werd uitgebaat door het echtpaar Alfred en Marleen. Enkele jaren nadat Guus en Pita De Landtsheerlijkheid gingen bewonen werd het café helaas gesloten. Geen nood. Alfred en Marleen bouwden achter hun huis een 'zuipkeet', waar we van harte welkom waren.


In café De Roos verkocht men op voorstel van Guus een Belgisch bier, Malheur, van brouwerij De Landtsheer. Ik dronk dat graag, al moet je met de nummer tien oppassen, die is nogal straf. Tegenwoordig ben ik niet meer zo'n liefhebber van bier, vooral vanwege de eigenaardige Nederlandse gewoonte om donkere bieren ijskoud te serveren, iets wat onaangenaam is voor de maag en de smaak grondig verpest. Geef mij daarom maar rode wijn. Toch hoop ik Malheur nog eens in een Dordts etablissement tegen te komen. Dan zal ik er zeker eentje nemen, ook als het veel te koud wordt geserveerd. In dat geval vraag ik maar of ze het even in de magnetron willen zetten.


Foto: auteur



dinsdag, december 23, 2025

Echte kaarsen




Dit jaar doe ik maar eens niet aan een kerstboom. Hoewel ik de kerstverlichting in de stad feestelijk vind, heb ik er thuis geen zin in. Ik heb een open haard (met van die briketten die niet of nauwelijks vervuiling veroorzaken) en een heleboel kaarsen en waxinelichtjes, dat is voldoende. Als kind vond ik een kerstboom geweldig, met al die glimmende ballen, kabouters, 'besneeuwde' huisjes en echte kaarsen. Er stond altijd een emmer water naast, voor het geval dat. Toen mijn ouders elektrische kaarsen kochten, verdween die emmer.


Met de zondagsschool vierden we kerst in de remonstrantse kerk. Voor mij een thuiswedstrijd, want ik woonde er achter. Mijn moeder was tot haar zeventigste de koster. Er stond altijd een reusachtige kerstboom in de kerk. Aanvankelijk ook met echte kaarsen. Die waren door een lont met elkaar verbonden. Als die werd aangestoken schoot het vuur door de boom en gingen de kaarsen branden. Naast de boom hield een levensechte brandweerman de wacht, want geheel zonder risico was het niet. Wij vonden die man nog indrukwekkender dan de boom. Ik weet niet wanneer die viering is opgehouden, maar op een gegeven ogenblik was het klaar met boom en brandwacht.


Op mijn zestiende schreef ik romantische gedichten, gericht aan het mooiste meisje van de klas. Gedichten die ik haar niet durfde te sturen en die gelukkig verloren zijn gegaan. Heel veel later vertaalde ik gedichten, samen met Stella, mijn grote liefde. Zij overleed achttien jaar geleden, op tweede kerstdag. Ook het mooiste meisje van de klas overleed jong. Voor hen steek ik altijd een extra kaars aan.


Foto: auteur


vrijdag, december 12, 2025

Paraat!




Gut Mark, wat heb je nou toch allemaal staan roepen op die conferentie in Berlijn? Staat Putin al bijna in de brandgang achter ons huis? Een oorlog zoals onze ouders en grootouders die meemaakten? En dat voor een collega historicus die beter zou moeten weten. Heb je The Story of Russia van Orlando Figes weleens gelezen?


Als baas van de Navo weet je toch hoe de krachtsverhoudingen liggen? Tja, Amerika is niet meer onze grote vriend sinds Trump in het Witte Huis zit, omringd door een schare vals geïnformeerde, rechtsextremistische complotdenkers, maar zo verschrikkelijk bezorgd zijn over de weerbaarheid van de Europese Navolanden lijkt me zwaar overdreven. Jammer dat je niet in Utrecht hebt gestudeerd, zoals ik, want mijn oud-leermeester Maarten van Rossem zei gisteren bij Pauw een paar heel verstandige dingen als reactie op jouw panische woorden.


Zou het zo maar kunnen zijn dat je het angstvuur eens flink wilde opstoken omdat wij misschien helemaal niet staan te trappelen om zo verschrikkelijk veel geld aan defensie uit te geven? Geld dat ten koste gaat van ons onderwijs, onze zorg en onze culturele voorzieningen, om eens wat te noemen? Ben je bang dat wij het wel genoeg vinden omdat we er nu al heel wat beter voorstaan dan de Russen, zowel militair als economisch?


Ik zou het haast denken. Toegegeven, Putin is geen lieverdje, ik vertrouw hem voor geen cent en het kan geen kwaad om dat in gedachten te houden, maar overdrijf het niet en zaai geen onnodige angst want dat is nog altijd een slechte raadgever. Weet je wat: breng de padvinderij in opperste staat van paraatheid, richt voor het geval dat een Nederlandse versie van Dad's Army op en neem dat boek van Orlando Figes mee op je volgende vakantie. Misschien ben je dan de volgende keer wat minder in gespeelde paniek.


Selfie: auteur



dinsdag, november 25, 2025

Van harte gelukgewenst!




Vandaag viert Suriname vijftig jaar onafhankelijkheid. Een opgedrongen onafhankelijkheid. Voor het feestje begon was een flink deel van de bevolking voor de zekerheid al uitgeweken naar Nederland. Gevolg: er wonen minder mensen in Suriname dan in een stad als Rotterdam. In feite was het land al verregaand autonoom sinds 1954. In 1975 was dat voor menig Surinamer wel voldoende, maar Nederland wilde er vanaf, geen koloniale smet meer op het vaderland.


In de zomer van 1980 bezocht ik Suriname. Samen met Surinaamse vrienden bereisde ik het land van oost tot west en van noord tot zuid. Stoelmanseiland, Djoemoe, Nieuw-Nickerie, Albina, we voeren dagenlang over de Surinamerivier, passeerden stroomversnellingen, bezochten scholen in het binnenland, feestten in Paramaribo, zwommen in de Colakreek, kortom, een mooie en fascinerende reis door een land dat ondertussen wel onder de duim van een militaire dictatuur zat. Gelukkig was het de zomer van 1980, nog voor de beruchte decembermoorden.


Economisch was Suriname een puinhoop, maar er was hoop op een betere toekomst. De militairen flirtten met Cuba. Fidel Castro stuurde af en toe een bandje om het moreel hoog te houden. De Cubanen die een feest op de universiteit opluisterden, waar we te gast waren, toeterden bedroevend vals.


Na die zomer ben ik niet meer in Suriname geweest. Wat is er in al die jaren van het land terechtgekomen? Niet al te veel, heb ik de indruk, maar er is nog steeds hoop. Er zit een heleboel olie in de bodem voor de kust. De oliedollars moeten over enkele jaren ruim gaan stromen. Waar zullen die terechtkomen, bij corrupte politici, Amerikaanse oliereuzen of de bevolking zelf?


Suriname is een land met een prachtige natuur, deels vergiftigd door al dan niet illegale goudzoekerij, een land dat zo vruchtbaar is dat, zoals een Surinaamse vriend mij eens lachend bezwoer, een paraplu nog bladeren krijgt als je die in de grond plant. Een land met een hartelijke, gastvrije, cultureel prettig gevarieerde bevolking, maar ik moet het allemaal nog zien, die mooie toekomst. Voorlopig is het nog steeds het land van de eeuwig durende hoop.


Foto: auteur


donderdag, november 13, 2025

Buddingh' verbeeld




Op 24 november is het veertig jaar geleden dat Kees Buddingh' overleed. Ik herinner me die dag alsof het gisteren was. Wim de Vries belde, nog voordat het nieuws in De Dordtenaar kwam. Het bericht kwam hard aan. Kort voor Kees moest worden geopereerd aan een spastische darm, bij hem aan de overkant, in het Gemeenteziekenhuis in de Bankastraat, was ik nog bij Stientje en hem op bezoek geweest. Bij de open haard met een sigaartje, een glaasje whisky en onze wederzijdse verhalen over Engeland.


Twee jaar later leerde ik in Minneapolis Stella uit Thessaloniki kennen, met wie ik in 1990 trouwde. Zij had een fabelachtig gevoel voor talen en was een groot liefhebster van poëzie. Nadat ze Nederlands had geleerd, een taal die ze als Griekse vrijwel accentloos sprak, vertaalde ze onder meer een reeks gedichten van Kees. Die werden in Athene gepubliceerd in het literaire tijdschrift Το Δέντρο. We hebben ooit eens een exemplaar in de bus gedaan bij het Buddingh' Genootschap en daar nooit enige reactie op ontvangen. We hebben het altijd betreurd dat Stella Kees nooit persoonlijk heeft gekend, maar we waren nog lange tijd met Stientje bevriend, met wie Stella lange gesprekken voerde over Kees en over zijn poëzie.


Het heeft lang geduurd voordat een biografie over Kees verscheen. Deels kwam dat doordat Ares Koopman, de beoogde biograaf, uiteindelijk niet de juiste man voor het karwei bleek. Nadat Ares zijn vrouw in de steek liet, brak een zeer verontwaardigde Stientje met hem. Uiteindelijk zou Wim Huijser de biografie schrijven. Een voortreffelijk boek dat even stevig staat als het huis van de Buddingh's in de Bankastraat.


Als ik langs Pictura loop denk ik aan de dag dat ik Kees in 1969 leerde kennen. Daar had hij toen een werkkamer. Daarvoor werkte hij in het voormalig brugwachtershuisje bij de Leuvebrug. Daar kom ik ook regelmatig langs. Ook het Leprooshuis doet me aan Kees denken, want daar had hij korte tijd een werkkamer tot hij tenslotte zijn werkruimte inrichtte in het huis in de Bankastraat. De kinderen waren oud genoeg om hem niet meer te storen bij zijn werk en de Buddingh's hadden inmiddels de woning boven die van hen bij hun huis kunnen trekken. Daar bezocht ik hen regelmatig, want zij waren niet alleen buitengewoon gastvrij, maar Kees was ook altijd bereid om beginners in het dichtersvak, zoals ik, met raad en daad terzijde te staan.


Wat ik helaas mis als ik door de stad loop, is een standbeeld van Kees Buddingh'. We hebben Johan en Cornelis de Witt op de Visbrug, Ary Scheffer op de Beurs, burgemeester Wichers in park Merwesteijn, graaf Dirk IV op de Grote Markt, het monument voor Albert Cuyp in de Vriesestraat en die afgrijselijke Hulk, die Willem de Zwijger moet voorstellen, in de Hofstraat, maar nergens in het centrum ontmoeten we Buddingh'. Daar komt hopelijk snel verandering in. Als ze hem naar niet neerzetten op die schamele achterafparkeerplaats die Buddingh'plein heet.


Foto: auteur


woensdag, november 05, 2025

Lunch




Geluncht met Monique, vele jaren geleden een leerlinge van me, nu een vriendin. Bij Lef, waar ik lang niet was geweest. Inmiddels een verrassende kaart, bijzonder aardige bediening. De zaak ligt aan het Blauwpoortsplein. Dat was ooit een belangrijke schakel op de route van Brussel naar Amsterdam. In de tijd voor bruggen en tunnels het Eiland van Dordrecht verbonden met de rest van Holland. Je nam vanaf het Blauwpoortsplein, of eigenlijk de aanpalende Buitenwalevest, de pont naar Zwijndrecht en volgde daarna de Rotterdamse weg. Het autoveer heeft daar nog gevaren tot in mijn jeugd.


Ik moest denken aan Marion, met wie ik vier jaar lang een relatie had. In de tijd dat Monique les had van mij. Ze woonde een tijdje aan het Blauwpoortsplein, een deur naast Lef. Rechts daarvan was enige tijd de kunstgalerie van Teunie van 't Hoff, maar dat was veel later.


Vanaf het Blauwpoortsplein kun je de Hoge Nieuwstraat in rijden. Daar woonde tot zijn overlijden Gerrit de Wolf, voor vrienden Lupius. Diverse keren schaakkampioen van Dordt en medeoprichter van de stichting Bobby Kinghe. Verderop in de straat woonde mijn tekenleraar Lou ten Bosch, een van de fijnste leraren die ik ooit had. Ook Jacob Cats moet in de straat hebben gewoond. Dat was iets eerder.


Ga je de Hoge Nieuwstraat daarna uit en naar links dan kom je bij sociëteit Amicitia op 't Vlak. Daar was voor de Tweede Wereldoorlog een dansschool. Mijn moeder gaf er les. Mijn vader werkte lange tijd op het districtsbureau van de rijkspolitie aan de Buitenwalevest. Daar woont ook mijn voormalige uitgever, toen ik publiceerde bij Wagner & Van Zanten. 


Zomaar een buurtje in Dordrecht, een mengeling van historie, familiegeschiedenis en herinneringen.


Foto: auteur


dinsdag, oktober 28, 2025

Wordt Dordtoloog!




Het Historisch Platform Dordrecht organiseert de cursus Dordtologie. In tien lessen leer je over de geschiedenis van Dordrecht en als je de cursus met succes afsluit, mag je je Dordtoloog noemen. Er zijn inmiddels honderden Dordtologen en de cursus is zo populair dat er zelfs wachtlijsten zijn. Ben je eenmaal Dordtoloog dan kun je deelnemen aan de vervolgcursus Dordtologie, die zorgt voor uitbreiding en verdieping van je kennis.


In het kader van die vervolgcursus gaf ik gisteravond een lezing over 'De Dordtse letteren, 1572-heden'. Hoewel de letteren in Dordrecht vergeleken bij de beeldende kunst traditioneel de rol van het ondergeschoven kindje vervullen, valt er een boeiend verhaal over te vertellen.


In de 17e eeuw was Dordrecht, na Amsterdam, het culturele centrum van Holland, met tal van schrijvers, dichters en geleerden die vrijwel allemaal een of andere connectie hadden met de Latijnse School, de voorloper van het Johan de Witt-gymnasium. In de 18e en begin 19e eeuw sudderde het Dordtse literaire leven voort op een bescheiden pitje. Daar komt eind 19e, begin 20e eeuw een einde aan, als onder meer Jacques Perk, Jan Veth, Top Naeff, Marie Schmitz, Kees Buddingh', Wim de Vries en Jan Eijkelboom van zich laten horen. Inmiddels vormt zich de nieuwste generatie Dordtse letterkundigen.


Ik gaf de lezing met veel plezier en wie weet blijft het hier niet bij. Wie belangstelling heeft voor de cursus Dordtologie moet maar eens hier kijken. Wil je een beknopt overzicht van de Dordtse letteren, dan is dit boekje wellicht iets voor jou.



dinsdag, oktober 21, 2025

Een leerzame avond




Op donderdag 16 oktober was er een verhalenavond in Visser, aan de Dordtse Groenmarkt, waar nieuwe Nederlanders, mensen die minder dan vijf jaar in Nederland zijn, in het Nederlands hun verhaal vertelden, een initiatief van Mohammed Benzakour en Walter van de Lagemaat, waarbij ik enige organisatorische hand- en spandiensten verrichtte. Bij sommige vertellers ging dat vrij moeiteloos, anderen moesten nog zoeken naar woorden, maar dapper spraken ze allemaal in een taal die niet hun moedertaal is.


Het was een zeer druk bezochte avond, met niet alleen vrienden of familie van de vertellers, maar vooral met belangstellende Dordtenaren. Er moesten zelfs mensen staan. Dat was hartverwarmend voor deelnemers en organisatoren. We hoorden verdrietige verhalen, maar ook werd de lach niet geschuwd. Een dame uit Iran vertelde met veel vrolijkheid over hoe zij 'de Nederlander' ervoer, een andere uit Vietnam over hoe zij, zonder dat het haar veel hoefde te kosten, Nederlands had geleerd. Een jongeman uit Syrië sprak over zijn lange, gevaarlijke vlucht voor oorlog en geweld, die uiteindelijk eindigde in Nederland (zie hier) en een andere Vietnamese over haar ervaringen in een wankel bootje op zee, waar ze gered werd door een passerend, Nederlands schip. Ontroerend was het verhaal van een Oekraïense over haar verlangen naar de Karpaten en een Russische maakte ons deelgenoot van haar vreugde en dankbaarheid dat ze, na de vlucht uit Rusland, eindelijk met haar vriendin kon trouwen. Tien verhalen, die allemaal diepe indruk maakten, aan elkaar gepraat door de presentator, AD-De Dordtenaar columnist Kees Thies.


Opvallend was het positieve beeld van Nederland en de Nederlanders dat de deelnemers hadden. Een schril contrast met wat we helaas te vaak in de media horen. De haattaal door fascisten en andere extremisten die achter de geblondeerde schreeuwlelijk van de PVV aanlopen of het getetter van lui die geloof hechten aan allerlei leugenachtige shit op X en andere 'sociale' media, waarin immigranten, vooral asielzoekers, de schuld van alle problemen krijgen die vier kabinetten Rutte en het zielige loosersteam van Schoof in alle jaren niet hebben kunnen oplossen, erger nog, voor een aanzienlijk deel hebben veroorzaakt.


Na afloop heb ik met de meeste vertellers nog kunnen napraten. Mensen die soms onvoorstelbaar verschrikkelijke dingen hebben meegemaakt, maar toch positief in het leven staan met de hoop en de wil, ondanks soms huizenhoge obstakels van regelgeving en bureaucratie, daar iets van te maken. Ik heb er veel van geleerd.


Foto: auteur


vrijdag, oktober 17, 2025

Slangentongen




Uiteraard ga ik stemmen. Dat is onze democratische verworvenheid waar mijn voorouders hard voor gestreden hebben. Bovendien wil ik niet dat door niet te stemmen het rechtse en extreem-rechtse gedachtengoed dat zo populair lijkt onder 'de Nederlander' nog meer nadruk krijgt. 'De Nederlander', zo wijst de geschiedenis uit, is een product van eeuwenlange immigratie, maar dat begrijp dat product niet meer, want dat heeft te weinig, wellicht helemaal geen, geschiedenis gehad op school, of het was simpelweg te dom om er iets van te leren.


Ik heb mijn voorouders kunnen traceren in Wallonië en het Rijnland en vermoedelijk komen ze uit nog meer verre streken, al hebben we daar het bewijs nog niet voor gevonden. Ik ben daar trots op. Leuk om te ontdekken dat een betovergrootvader tot de zoveelste macht tot de Brabantse landadel behoorde, maar ja, de eerste nazaat uit die tak die zich in Dordrecht vestigde was kolensjouwer. Tel uit je winst, al is de hoop op ergens een kasteelruïne in Schotland natuurlijk nog niet vervlogen.


Met de verkiezingscampagne heb ik het echter helemaal gehad. Je kunt de televisie of radio niet aanzetten, of daar heb je ze weer. De volstrekt inhoudsloze en ongehoord domme Joost Eerdmans, een type dat werkelijk van helemaal niets iets afweet, met de gebakkenluchtspecialist Annabel Nanninga aan zijn zijde. Ze zijn niet eens geschikt voor kolensjouwer. Wat doet zo'n mannetje met maar één zetel in de Kamer vrijwel dagelijks in de media? Ook die boerentrien van de BBB komt natuurlijk voorbij. Vrouw van het volk, ja, ja. Wat heeft ze voor het volk voor elkaar kunnen krijgen? Een euro en een trekdrop voor wie het weet. Ook van die twee slangentongen, Keizer en Yeşilgöz, die liegend en manipulerend door het politieke leven gaan, heb ik de buik volledig vol en zo kan ik er nog wel een paar noemen.


Ik heb mijn keuze al lang bepaald. Ik ben lid van de partij die mijn stem krijgt. Ik betaal netjes mijn contributie, doneer zo nu en dan iets voor de extra uitgaven, wens de leden die campagne voeren het allerbeste toe en hopelijk veel succes, maar verder bemoei ik me nergens mee. Jammer dat nu net bij mijn partij een integere, wijze en goedwillende politicus de lijst aanvoert. Een man die de statuur heeft van een minister van staat, maar helaas het charisma van een uitgedroogde kikker. Voor mij persoonlijk maakt dat niet uit. Ik stem al vele jaren op een vrouw, maar dan wel op eentje zonder slangentong.



Foto: auteur



zaterdag, oktober 11, 2025

Maarten




Ik denk dat ik tien of elf was op deze foto, die in 1961 of '62 moet zijn gemaakt. We gingen voor het eerst van ons leven niet op vakantie naar de familie in Engeland, maar naar een huisje op de Veluwe. Ons gezin en een bevriend stel, iets jonger dan pa en ma, met een baby. Het vakantiehuisje waar we verbleven heette, als ik het me goed herinner, de Paddenstoel en stond in Vaassen, aan de oostrand van de Veluwe.


's Morgens vroeg, of 's avonds bij zonsondergang, net zoals het ons op dat ogenblik uitkwam, trokken we er op uit om herten en wilde zwijnen te zien. Dat was spannend, want wilde zwijnen konden gevaarlijk zijn. Ik was altijd wel op zoek naar een boom om snel in te kunnen klimmen, mocht het nodig zijn. Het was niet nodig, de zwijnen, om van de herten niet te spreken, waren banger van ons dan andersom.


In de buurt was een kasteel, dat ooit van de Gelderse veldheer Maarten van Rossum was. Kasteel Cannenburch. Toen we het bezochten toonden ze ons een put waarin gevangenen werden gegooid. Daar kwamen ze naar verluidt nooit meer uit. We dachten Maarten van Rossum te kennen van de tabaksreclame waarin iemand in een schandblok stond en van een vriendelijke heer een trek aan een pijp kreeg. Dat moest hem zijn, al werd die naam met een e geschreven in plaats van met een u en leek hij voor geen meter op de afbeelding uit ons geschiedenisboek.






Foto: archief auteur