maandag, januari 22, 2018

Lullo's



Op de radio hoorde ik dat er vorig jaar 649 gevallen van vandalisme waren op het spoor en dat daar soms aanzienlijke vertragingen door ontstonden. Iemand die het weten kon had het over levensgevaarlijke toestanden. Ja, dank je de koekoek. Je zou maar een stuk surfplank, ook ergens aangetroffen op de rails, door het raam van je coupé krijgen. Nu zullen die 649 gevallen niet allemaal zijn gepleegd door 649 idioten, maar het is toch weer een aardig bewijs dat mijn grootvader gelijk had met zijn stelling dat er veel meer gekken buiten rondlopen dan dat er in de gestichten zitten. Want dat je, als je van alles op de rails sodemietert omdat, ja waarom eigenlijk? Wat kan de reden van zulk achterlijk gedrag zijn? Als je dus van alles op de rails sodemietert, zit het in je bovenkamer in ieder geval helemaal niet goed.

In wat voor bizar land, leven we toch? Dat ging even door mij heen. Ik stond al met de telefoon in mijn hand om er iets kwaads over te gaan roepen op Twitter. Toen bedacht ik dat van de pakweg zeventien miljoen inwoners van Nederland er minstens 17.999.351 geen troep op het spoor hadden geslingerd. Sommige dingen klinken erger dan ze zijn. 

Ik woon vlakbij het spoor. Zelfs dichtbij de gevaarlijkste spoorbocht van Nederland. Iedere nacht rijden daar treinen met het gruwelijkste gif voorbij. Ondertussen schrapt de NS de ene na de andere intercity. 'Dordrecht wordt een overstapstation,' decreteren de lullo's in Utrecht. Maar wel hullie hun gif door onze stad jagen! Soms heb ik zin om een surfplank te kopen en die op het spoor te leggen, maar dan ben ik natuurlijk net een van de weinige sukkels die wordt gepakt, zoals ik ook altijd met wildplassen de sjaak ben.

Ik woon in een stad zonder openbare toiletten. Dat is leuk als je op waterkoude winteravonden naar huis loopt vanuit het centrum. Wie Dordrecht kent weet hoe kroegarm het in sommige buurten is. De mensen van Toezicht, een soort namaakpolitie, die je veel te weinig ziet als er weer volop wordt gefietst in de wandelstraten in het centrum, zijn altijd in de buurt als je snel even op een incourante tijd om de hoek van een brandgang uit de broek bent. Het zijn wel vriendelijke mensen, je mag rustig afknijpen voor je je bon krijgt uitgereikt. Soms lijken dingen erger dan ze zijn.


Foto: Kees Klok


woensdag, januari 17, 2018

Redder



Gisteren moest ik denken aan de tijd dat mijn vader werkte op het districtsbureau van de rijkspolitie, op de Buitenwalevest. Ik bekeek de film Water tekent de stad, over Dordrecht, van Evelyn Jansen. Naast prachtige beelden van onze stad in de delta van Rijn en Maas, wordt aandacht besteed aan een veelheid van aspecten die het (stads)leven in een rivierdelta beheersen. Er hoeft maar één onzorgvuldige medeburger op de Voorstraat de vloedschotten niet op orde te hebben en heel de boel kan zomaar onderlopen.

Nu ja, zomaar, dan moet het water wel uitzonderlijk hoog komen. Even hoog (of hoger) als toen mijn vader op de Buitenwalevest werkte gebruikelijk was. Sinds de Deltawerken en allerlei projecten om het water de ruimte te geven, zijn de waterstanden zelden meer zo sensationeel hoog. We vinden het tegenwoordig al geweldig spannend als het een paar centimeter over de kaden loopt, maar ik kan mij als kind de tijd nog herinneren dat je soms met een roeiboot door de Wijnstraat kon.

Pa kwam in de wintermaanden geregeld vroeger thuis van kantoor. Dan waren de vloedschotten geplaatst en zou het water meer dan kniehoog tegen de gevels klotsen. Ook moest hij weleens op kantoor laag water afwachten om droog thuis te komen. Gelukkig hadden we mijn oom Arie. Die werkte bij Rijkswaterstaat en bouwde, behalve aan de stuw in de Hollandse IJssel, mee aan de Zandkreekdam, de eerste afsluiting van de Deltawerken. Als beloning kreeg hij een hand van koningin Juliana.

Hoe het districtsbureau kon functioneren als het weer eens was afgesneden door de vloed, weet ik niet, maar ik neem aan dat daarin was voorzien. Om de hoek zat de rijkspolitie te water, wie weet nam die tijdelijk de honneurs waar. Daar maakte je je als kind niet druk om. Het ging om spannende verhalen, zoals die over de watersnood van 1953, toen familieleden uit de Hoekse Waard naar Dordt werden geëvacueerd. Ook bij ons op de Vrieseweg waren een tante en wat nichtjes gelogeerd. Later hoorde je gruwelverhalen over de ramp. Daarbij vergeleken was het overstromen van de Buitenwalevest niet meer dan een ongemakje. De verhalen maakten mij weleens een beetje bang, maar ik nam mij voor om later, als ik groot was, heel stoer de stad met zandzakken te redden. Dat voornemen heb ik eigenlijk nog steeds.

Foto: Beeldbank Regionaal Archief Dordrecht



vrijdag, januari 12, 2018

Duizendpoot



Sommige mensen kunnen vrijwel alles maken wat in hun gedachten opkomt. De ene keer leggen ze een centrale verwarming aan, de volgende keer bouwen ze hun eigen besturingssysteem in de computer, daarna repareren ze tussen neus en lippen door een stofzuiger om vervolgens een humidoor in elkaar te knutselen om de sigarenvoorraad in conditie te houden. Ze bouwen en passant een auto voor recreatieve ritten door Neerlands dreven, verbouwen zelf hun groenten, planten een appelboomgaard en stoken met de vruchten daarvan calvados, met een zelf vervaardigde en door de Boven Ons Gestelde Autoriteiten volledig vergunde ketel. Het kan niet op. Ik word er weleens jaloers van als ik uit het raam kijk, door de grijsheid van een gemiddelde regendag, op mijn tuin, waar nodig moet worden gesnoeid, een karwei dat ik almaar uitstel.

Ooit werkte ik op een school waar de elektricien werd gebeld als er een gloeilamp of een tl-buis kapot was. Niemand die op de gedachte kwam dat de conciërge net zo goed even op een trapleer kon klimmen. Dat veranderde toen door allerlei oorzaken, die veelal waren terug te voeren op het beleid van de landelijke overheid, moest worden bezuinigd. Toen moest je als leraar zelf de trapleer op. Het was het begin van de participatiemaatschappij.

Als je alles kunt maken wat in je gedachten opkomt, heb je misschien niet zoveel problemen met die participatiemaatschappij, een mooi woord voor 'zoek het zelf maar uit, krijg de tering maar.' Als je twee linker handen hebt en geen groene vingers, heb je pech. Hooguit mag je hopen dat je nu en dan een bevlogen gedachte krijgt en dat het lukt die om te vormen tot een geslaagd gedicht. In dat geval stuur ik het naar Claire. Als ze het kind niet heeft, komt ze weleens langs, vaak met een pannetje ingevroren soep of nasi. Ik schenk haar dan een calvadosje van mijn duizendpotige vriend.


Foto: Guus de Landtsheer


maandag, januari 08, 2018

Champs Elysées



In 1972 gingen we voor het eerst naar Parijs. Met zijn vieren. In een Fiat-500 die J. ergens vierdehands op de kop had getikt, voor honderdvijftig gulden. Er zat een roestgat boven de voorbumper en met een beetje geluk haalden we tachtig kilometer per uur. Regelmatig moesten we stoppen om de motor te laten afkoelen, wat niet hinderde: we hadden een halfje gesneden bruin, een potje pindakaas en een fles Rivella bij ons. Als enige vrouw smeerde B. de boterhammen.

Parijs binnenrijden met de auto was ons afgeraden. Fransen konden sowieso niet autorijden, maar vooral in het Parijse verkeer gedroegen zij zich als beesten, kregen we als waarschuwing mee. We besloten daarom in Saint Denis een hotel te zoeken. H. beweerde dat vroeger in Saint Denis de Franse koningen werden gekroond. Dat was vóór de zegeningen van het kolonialisme. Saint Denis werd voornamelijk bevolkt door inwoners van de voormalige koloniën in donker Afrika. Dat gold ook voor de bar van het hotelletje dat we na enig zoeken vonden. Men wees ons vriendelijk de weg naar het dichtstbijzijnde metrostation en als we 's avonds voor het slapen gaan nog een afzakker wilden, werd aan de bar een beetje ingeschoven.

In het Jeu de Paume zag ik voor het eerst Renoirs in het echt, waardoor ik voorgoed verslingerd raakte aan het impressionisme. In het Quartier Latin raakten we verslingerd aan Vietnamees eten. Ergens op de Champs Elysées bestelde ik per abuis de duurste fles wijn in plaats van de goedkoopste, ondanks een acht voor Frans. De laatste twee dagen waren we daarom aangewezen op water en stokbrood. Gelukkig hadden we nog voldoende pindakaas over.

Foto: archief Kees Klok

donderdag, januari 04, 2018

Ik wil niet meer horen




Ik wil niet meer horen
van dit kolken en verklaren
dit uitleggen
van radeloosheid dit
veronderstellend alles weten.

Ik wil een ommuurde tuin
onder wolken die wij ooit
speels duidden
vers gemaaid gras de
geur van meisjesharen.

Geef mij blues, rebetika of fado
meeuwen boven drooggevallen
schorren, een slikrivier
met vissersboten die alleen
weten van roest en rotting.

Geef mij het schuren van
schepen langs de kade
vervagende letters op
doorweekt krantenpapier
en verstomde microfoonstemmen.

Laat mij het ritme van de rivier
de verhalen
van een grootvader
die beter weet.


In: Over de vloedlijn. Gedichten. Liverse 2017.

Foto: auteur



zaterdag, december 30, 2017

'Moet kunnen'



Mijn moeder was een wijze vrouw en veel van haar uitspraken staan mij nog bij. Meestal had ze gelijk, maar met één bewering sloeg ze achteraf gezien de plank mis. Ik herinner mij dat ik als kind in de jaren vijftig op de radio iets hoorde over revolutie en geweld in een of ander ver land, waar ze een vlakte met kruiken hadden, en toen vroeg: 'Kan zoiets in Nederland ook gebeuren?' 'Welnee,' zei mijn moeder, 'daar hoef je niet bang voor te zijn, daar zijn wij veel te nuchter voor.'

De Nederlanders een nuchter volk? Laat me niet lachen zeg ik zestig jaar later, na weer eens wat scrollen op Facebook en Twitter. De opgefoktheid druipt er bij veel te veel mensen vanaf. Bij de laatste verkiezingen werd een dandy-achtige querulant met duistere, extreem rechtse gedachten in de Tweede Kamer gekozen. Bij wie in die gedachten gelooft, is de nuchterheid ver te zoeken.

Met Oud & Nieuw bestoken we elkaar met vuurwerk dat krachtiger is dan een handgranaat. Dat wordt geinig gevonden, 'moet kunnen.' Schouderophalend gaan de liefhebbers voorbij aan de vele gewonden, soms met blijvende invaliditeit, en een enkele dode. Jammer dan, ongelukje. Ongelukken gebeuren wel meer. Het is een Nederlandse traditie en Nederlandse tradities moeten desnoods met geweld verdedigd worden. Denk maar aan de Pietenhysterie.



woensdag, december 27, 2017

Niet tobben!



Af en toe word ik gevraagd om commentaar te geven op ontwikkelingen in Griekenland of op Cyprus. Meestal door de radio, een enkele keer ook door de televisie. Ik doe dat als historicus. Iemand van de Tros had een artikel van mij, over de geschiedenis van het moderne Griekenland, gelezen in Trouw en zo kwam ik op een ochtend, begin jaren negentig, in de Tros Nieuwsshow op Hilversum1, dat nu NPO1 heet. Daar trof ik Wim Bosboom, die mij al snuivende in de microfoon allerlei vragen stelde die geheel buiten de lijnen van het voorgesprek vielen, maar omdat ik goed op de hoogte was van de geschiedenis, alsmede moeilijk te intimideren, lukte het de ex-Varacoryfee niet om mij van mijn stuk te brengen en een afgang te bezorgen. Zodoende kwam mijn naam ergens in een boek als 'Griekenlandkenner' en sindsdien verschijnt op mijn telefoon nu en dan een Hilversums nummer, of een Amsterdams, want BNR-Nieuwsradio heeft mij in de loop van de tijd ook ontdekt.

Er is een constante als ik weer eens achter de microfoon zit. Steevast vraagt de journalist van dienst hoe ik denk 'dat het in de toekomst verder zal gaan.' Dat is voor een historicus een probleem. Wij proberen het heden te verklaren vanuit het verleden, soms in de hoop dat wie ons leest of hoort daar iets van leert, maar daarin worden we voortdurend zwaar teleurgesteld. Weer een constante. In de toekomst kunnen we niet kijken. Verder dan nu en dan een vermoeden uiten gaat het niet en dan nog. De toekomst is in hoge mate onvoorspelbaar. Eind maart 2016 was ik onderweg naar de Dordtse rechtbank om een apostille op een vertaling te laten zetten. Een verklaring waarmee ik de Griekse bureaucratie te lijf wilde. Ik had beter moeten weten, want die bureaucratie was al ondoorzichtig, nodeloos ingewikkeld en incompetent bij het ontstaan van het moderne Griekenland en dat is hij nog steeds. Derde constante. Als er in de Museumstraat in Dordrecht niet bliksemsnel hulp was geboden aan die man die ineens omviel, was er voor mij geen toekomst meer geweest. Ik heb lering getrokken uit die gebeurtenis en ben, na door het oog van de naald aan een wisse dood te zijn ontsnapt, een cursus reanimeren gaan doen. Of ik het geleerde ooit in praktijk moet brengen, ligt in de toekomst verborgen.

Ik heb zo mijn zorgen over de toekomst. In een wereld met politici als Trump, Kim Yong-un en Thierry Baudet aan de macht, kunnen zomaar dingen gebeuren die tot een onvoorstelbare ramp leiden. Het kan ook van niet, maar ik ben er weinig gerust op. Ik ben ook weinig gerust op het heilzame effect op de samenleving van al die mensen die zich zonodig tot een of ander geloof moeten bekeren. Van het geloof in een godheid tot het geloof in de kankerwerende werking van bonenkruid. Ik ben meer van de wetenschap. Een wetenschappelijk geschoold cardioloog heeft ervoor gezorgd dat mijn hart het voorlopig weer prima doet, maar er zijn ook wetenschappelijk geschoolde types die de meest verschrikkelijke wapens bedenken. Hoe het daarmee in de toekomst verder moet? Soms houd ik mijn hart vast. Vooral ook als ik hoor dat er in mijn land doorgedraaide idioten rondlopen die zwaar vuurwerk naar treinen gooien.

Ik vrees weer heel veel gewonden en heel veel schade met Oud & Nieuw, maar of dat ook werkelijk gaat gebeuren, dat leert alleen de toekomst. Wij wensen elkaar straks een gelukkig 2018, maar je kunt in dat jaar zomaar plotseling doodgaan, zoals de sympathieke presentator Joost Karhof van Nieuwsuur, bij wie ik ook weleens aan tafel heb gezeten. Gelukkig denk ik regelmatig aan Gerard Reve, die sommige van zijn brieven placht te ondertekenen met: 'Niet tobben. Het komt toch nooit meer goed.'