In het café hangt een aangename geur van verse koffie, vermengd met tabaksrook. Het loopt tegen het middaguur. Erg druk is het niet. Aan het belendende tafeltje leest een charmante Portugese een tijdschrift. Verderop zitten wat toeristen. De cappuccino die wordt geserveerd is groter dan die ik gisteren op het terras kreeg. Hij is ook goedkoper. Het Franse systeem, dus. Ik heb er al een flink deel van de dag op zitten. Om half zes precies werd ik wakker, half zeven in Nederland, de gebruikelijke tijd om op te staan. Ik heb geprobeerd nog wat te slapen, wat niet lukte. Ondertussen bedacht waarover mijn volgende stuk voor het Griekenland Magazine moet gaan. Een onderwerp uit Thessaloniki, dan kan ik volgende week eventueel foto's maken. Er wordt hier ook heel wat gefotografeerd. De ene toerist na de andere schiet een plaatje van het interieur, zonder zich te bekommeren of we dat prettig vinden of niet.
A Brasiliera vraagt erom gefotografeerd te worden. Het is een van de mooiste Jugendstilcafés die ik ken. Het heeft iets van Principas in Thessaloniki, maar rijker gedecoreerd en wat kleiner. Nadat ik mij gisteren in het hotel had geïnstalleerd, ben ik op het terras gaan zitten, tot het te fris werd. Op het plein speelde een jongen in een vreemd, zakachtig gewaad weemoedige muziek op een oliedrum. De toeristen fotografeerden elkaar op de lege stoel bij het standbeeld van Pessoa. Stella heeft daar ook een foto van mij genomen. Ik zat met mijn pijp te genieten van het licht en voelde mij zo thuis, dat ik de neiging had bij het bestellen en afrekenen Grieks te spreken.
Toen het tegen half vijf te kil werd, heb ik een wandeling gemaakt door de Baixa, door de straten uit Het Boek der Rusteloosheid. Ze waren versierd voor de kerst, maar minder uitbundig dan doorgaans in Thessaloniki. Minder zelfs dan in Dordrecht. (Het leuke meisje staat op, trekt haar jas aan en groet mij vriendelijk als ze wegloopt. Kom daar in Dordt eens om.) Via het Rossio en de Rua Augusta kwam ik terecht bij S. Martinho da Arcada, volgens eigen zeggen het oudste café van Lissabon. Tegenwoordig is het grotendeels restaurant. Ik ben buiten, onder de arcade gaan zitten voor een gul geserveerd glas uitstekende, rode wijn. Het Terreiro do Paço is op het ogenblik een grote bouwput. Nergens in Europa schijn je meer te kunnen ontkomen aan De Bouwput. Na een pijp en een tweede glas een tafel besproken voor later op de avond en teruggelopen naar het hotel om mijn jas en pet op te halen.
Ik denk aan de lege vliegtuigstoel naast mij. Symbolisch. Daar had Stella moeten zitten, net als toen we in 1998 naar Lissabon vlogen. Ook nu, tegenover me, weer een lege stoel. Toen ik in het grauwe, druipnatte Dordrecht besloot naar Portugal te gaan, dacht ik aan de weemoedige herinneringen die ik hier zou hebben en dat die vooral de toon zouden gaan bepalen van het verhaal dat in Lissabon moest worden geschreven. (Er stappen Nederlanders binnen. Te herkennen aan de alwetende blik van mij verkoop je niks en de slonzige kleding.) In plaats van een sombere, aan saudade lijdende stad, trof ik een zonnige metropool. Het licht deed me goed na weken regen in het zompige moeras, met zijn hysterische, altijd ontevreden mensen. Het kortelontjesvolk, direct klaar met een grote bek of erger. Dat ik het Portugees niet versta en geen idee heb van de plaatselijke waan van de dag, helpt om illusie en zelfbedrog in stand te houden.
Ook gisteravond tijdens het diner weer die lege stoel en de herinneringen aan het bezoek met Stella. Aan hoe ze de andere gasten zou observeren en becommentariëren. Er zat een man van mijn leeftijd in het gezelschap van een Afrikaanse pastoor, een jongeman met de geloofsijver twinkelend in zijn ogen. Hij zag er vriendelijk uit, maar leek mij van de gevaarlijke, bekerende soort. Verder een gezelschap van drie mannen rond de veertig en een jonge vrouw in een bankiersmantelpakje. Er waren veel gereserveerde tafels, die de gehele avond onbezet bleven. Aan de wanden overal foto's van Fernando Pessoa, ooit een van de stamgasten. Veelal dezelfde foto's die ik in de slecht geschreven, of slecht vertaalde, Pessoa-biografie van Angel Crespo heb. Er liepen vier obers, alle vier nog geen een meter zestig, die vriendelijk, maar wat afstandelijk bedienden. Alle andere gasten kwamen na mij en waren eerder weg. Ik genoot op mijn gemak van een goede spinaziesoep, een bacalhao met bechamelsaus en een halve fles rode wijn, een heerlijke Cabriz. Ik had er nog wel eentje willen nemen, maar alleen, ver van huis, dat zet niet aan tot overmatig drinken. In plaats van het dessert twee espresso's genomen en een glaasje aguardente. Even na elven liep ik terug naar het hotel. De meeste terrassen en cafés waren al dicht of aan het sluiten, alleen op het Chiado was het nog levendig. Ik had geen fut meer voor de kroeg. In bed nog wat in Tussenjaar gelezen en daarna gaan slapen.
Ik wenk de serveerster, die volgens een naamplaatje op haar schort Anisia heet en vraag om een glas rode wijn. Ze zegt dat die alleen in flessen wordt geserveerd, halve of hele. Ik bestel een halve. In plaats van rode wijn brengt ze vinho verde. Ik vraag weer om rood, maar even later komt ze zich verontschuldigen. De halve flessen rode wijn zijn op. Een hele vind ik op dit tijdstip te veel, dan maar bier. Superbock, vermeldt het etiket.
Vanmorgen, na het ontbijt, dat werkelijk niets voorstelde (er lagen wat mini-croissantjes met jam en je kon jezelf helpen aan mierzoete vruchtensap en waterige koffie), een wandeling gemaakt. Eerst door de buurt en daarna een heel eind de Avenida da Libertade op. Het was winderig en fris, maar zonnig. Ik stuitte op een ruzie tussen een Portugees en twee Afrikanen en heb mij direct uit de voeten gemaakt. Het was ongeveer op de plek waar Stella en ik het busongeluk meemaakten. We kwamen in een overvolle lijnbus terug van het Gulbenkian Museum. Een auto reed door rood, we knalden er bijna op. De chauffeur remde zo hard dat we door de bus tuimelden. Ik kwam op een mevrouw terecht, zonder wederzijdse schade. Stella kreeg een dikke kerel op haar voet. Aanvankelijk leek het niets, maar het werd allengs pijnlijker en de volgende dag kon ze nauwelijks lopen. Na dat ongeluk kwamen we op verhaal bovenin de lift van S. Justa, vanwaar je een prachtig uitzicht op de stad hebt. Daarna zagen we op het Largo do Como de processie met de Maagd, waarover ik in mijn gedicht 'Het is al laat' schrijf.
Alleen reizen heeft het voordeel dat je precies kunt doen wat je wil, je hoeft niet met een reisgenoot rekening te houden, maar je kijkt wel altijd tegen een lege stoel aan. De Nederlanders zijn inmiddels het café uit gestommeld. Ik ga mijn bier opdrinken en lunchen.
Als ik het café verlaat spreekt een jonge vrouw mij aan met de vraag of ik van poëzie houd. Natuurlijk, zeg ik, ik bén dichter. Ze toont me een dikke map vol gedichten en haalt er een uit. Ik zal hem voor u in het Engels proberen te lezen, zegt ze. Ik lees mee in het Portugees en vraag daarna of ze een bundel heeft. Nee, vertelt ze, want dat brengt niets op. Bovendien laten de meeste uitgevers je meebetalen aan de kosten van de uitgave. Van het verkopen van losse gedichten kan ze leven. Ze heet Leonora. Ik vertel haar over het Middeleeuwse gedicht 'De foltering van Leonora,' van de Cyprioot Leondias Machairas. Daarna vraag ik wat ze voor het gedicht wil hebben. Ik mag het zelf weten, waarop ik het voor vijf euro koop. Ze signeert het met haar naam en de datum. Op de foto wil ze niet. Ze is 'somewhat jumpy' en heeft al drie koppen koffie op.
Ik wandel naar de Baixa, op zoek naar een eenvoudige lunch. Ik kom terecht bij een zaakje in de Rua Correeiros, waar ik een garnalensoepje en, om in lijn te blijven, een garnalenomelet neem, met twee glazen rode wijn. De glazen worden ruimhartig tot de rand volgeschonken. Een sprekend verschil met de kleine, tot de helft gevulde glaasjes in de Dordtse kroegen waar ik kom. De omelet wordt geserveerd met frites. Ik besluit al die calorieën er na de lunch meteen maar af te lopen. Het is mooi, zonnig weer, met bijna geen wind. Ik steek een plein over en beklim een trap in de zekerheid dat ik onderweg ben naar het kasteel van Sao Jorge. Ik ken immers mijn Lissabon, maar in plaats van rechtsaf te slaan, ga ik naar links, beklim een een indrukwekkend hoge trap en kom midden in Mouraria terecht. Na een vermoeiende klimpartij eindig ik bij de Miradoura da Graça, vanwaar je een adembenemend gezicht hebt op de stad. En op het kasteel. Ik ga genietend op een bank zitten en volg een vliegtuig dat over de Taag komt aanglijden, een bocht neemt en pal over het centrum waardig afdaalt naar de luchthaven. Net als die dag dat ik met Stella van het kasteel uitkeek over de stad en er een vliegtuig net zo statig kwam langszweven. Daardoor word ik mij bewust van de lege plek naast mij op de bank. Tijd voor weemoed en saudade, zou je denken. Wat zou ik er niet voor geven om haar bij me te hebben, om al die angst en wanhoop, al dat lijden uit te wissen en te vergeten. De zon schijnt. Niet bijtend, zoals in de zomer, maar mild strelend. Op het plein achter mij, voor de witgepleisterde kerk, spelen kleine kinderen onder het oog van twee kletsende oma's. Hun zangerige Portugees klinkt als troostende muziek, al versta ik er geen woord van. Na een poosje begin ik aan de lange, steile afdaling, helemaal tot aan het einde van de Rua da Graça. Mijn kuitspieren doen zeer, Lissabon eist een behoorlijke conditie. In het hotel ga ik een uurtje op bed liggen om bij te komen.
Als ik verkwikt A Brasiliera binnenstap vind ik hetzelfde tafeltje, op de een na achterste rij, onbezet. Ik begin er te schrijven aan het verhaal dat me hier bracht. Dat me steeds aan die lege stoel doet denken. Het is aangenaam warm en gezellig druk, zonder overvol te zijn. Het vaatwerk klettert dat het een aard heeft en de koffie-automaten fluiten, blazen en rochelen. Anisia brengt me een cappuccino en en asbak. Ze heeft een mooie, matbruine teint, een mengeling tussen Portugees en Indiaas, lijkt me. Ik vraag me af waarom ze zo ernstig kijkt, er kan geen lachje vanaf. Later brengt ze nog tweemaal een half flesje vinho verde, de laatste keer wel met iets van een droeve glimlach. Ik schrijf een tijdje lekker door, wonderbaarlijk ongehinderd door de geluiden om mij heen. Dan tikt een jonge vrouw, ik schat haar tegen de dertig, mij op de schouders. Ze zegt stralend dat ze een foto van mij heeft gemaakt, omdat ze het mooi vond dat ik zo geconcerteerd zat te schrijven. Van haar vriendin had ze gehoord dat ik dichter ben. Achter haar staat Leonora, ook al stralend. Monica heet ze, ze is fotograaf en doet aan visual arts. Ze laat me de foto in de camera zien, belooft dat ze hem via het internet zal sturen. Ik geef haar mijn e-mail en de adressen van mijn homepage en weblog. Ze vraagt hoeveel boeken ik heb gepubliceerd en of die ook zijn vertaald in een taal 'die wij Zuid-Europeanen kunnen lezen.' Ik moet haar teleurstellen, tenzij ze Grieks leest. We nemen afscheid, Leonora met een handkus. Ik zie de lege stoel tegenover mij en verwijt mij m'n lompheid dat ik ze niets te drinken heb aangeboden.