woensdag, december 07, 2016

Vooruitgang




Gisteravond moest ik aan de in 1985 gestorven dichter C. Buddingh' denken, wiens roepnaam, Kees, door de onwetenden en onnozelen der aarde steevast als Cees wordt gespeld, want die C, hè. Dat je die voor een E als een K uitspreekt en ook schrijft, want Cornelis dient afgekort als Kees of Cor, wil er bij menig medemens maar niet in, zelfs niet bij de familie van de dichter, die, hoewel deze zich vaak tegen die C heeft uitgesproken, doodleuk Cees op zijn grafsteen liet zetten. Toch is zijn jongste zoon een begaafd en door mij zeer bewonderd vertaler.

Het ligt ook een beetje aan Buddingh' zelf, die in zijn jonge jaren Cees wel tolereerde op het omslag van enkele van zijn uitgaven. Een jeugdzonde die hem zijn leven lang werd nagedragen, zoals ik zo dom was mijn naam ooit één keer in 1967, op zestienjarige leeftijd, in een blaadje te schrijven als Cees A. Klok, waarna het afschrikwekkende Cees ook mij begon te achtervolgen. Ik heb inmiddels negentien boeken gepubliceerd met Kees Klok op het omslag en nog schrijft de Dordtse journalist Hans Berrevoets af en toe Cees, maar die is dan ook voorzitter van de Raad van Kerken. Daar straffen ze tot in het zevende geslacht. Goed dus dat ik geen kinderen heb.

Ik was gisteravond in het FC Dordrecht-stadion. Tot zijn dood was Kees Buddingh' daar regelmatig te vinden. Ik stel mij voor dat hij ook bij de legendarische bekerwedstrijd was, op 17 januari 1982, van DS'79, zoals FC Dordrecht toen even heette, tegen Ajax, waar Hakim Braham Johan Cruijff aftroefde en Dordt aan de overwinning hielp. Buddingh' voetbalde ooit in het eerste van DFC, de moederclub van FC Dordrecht, evenals mijn goede vriend Gerrit de Wolf. Met Buddingh' en Gerrit heb ik een tijdje in hetzelfde schaakteam gespeeld, wat ik al vaker heb opgeschreven. Ze zijn beiden te jong overleden, maar enig verband tussen deze feiten is nooit aangetoond. Wel was het ook toen tobben met FC Dordrecht, waar ieder seizoen in de eredivisie wordt afgewisseld door twintig seizoenen in de eerste. Toch komen we graag in het stadion, altijd op de noordtribune, het meest vervallen, maar ook gezelligste deel van die unieke optrek aan de Krommedijk. Het is geen toeval dat zich daar een aantal Buddingh'-liefhebbers, met oog voor het humoristische detail, verzamelt. Ook nu werd ons weer een curieuze wedstrijd voorgeschoteld, met veel klunzig gestuntel en een enkel geniaal hoogtepunt. Het werd 2-2, want ook de tegenstander, FC Den Bosch, was regelmatig de weg kwijt op het kunstgras. Kunstgras, dat lag er nog niet in Buddingh's tijd, maar zelfs FC Dordrecht kan niet altijd om de vooruitgang heen.


zondag, december 04, 2016

Damocles




In het najaar van 1970 werkte ik als kantoorbediende, in de functie van assistent-expediteur, voor de firma Königsfeld, gevestigd aan de Willemskade te Rotterdam, zo'n beetje tegenover de steiger waar tegenwoordig de waterbus afmeert. Halve dagen. 's Morgens van half negen tot half een. Daarnaast studeerde ik Engels MO-A, een bijzonder vervelende studie, want er werd niets aan literatuur gedaan. Het ging uitsluitend over grammatica en fonetiek en daarbij kon ik niet wakker blijven. Begin 1971 zou ik de studie opgeven, mij er niet van bewust dat ik die grammatica nog hard nodig zou hebben bij het vertalen van poëzie, maar dat ik zoiets ooit zou doen, lag nog ver in de toekomst.

Toen hing boven de toekomst een zwaard van Damocles. Dat zwaard heette dienstplicht. Begin september had ik mij, daartoe gedwongen door een oproep van de boven ons gestelde Autoriteiten, gemeld bij een pand in Delft, waar een of andere sergeant-majoor uit de voormalige overzeese gebiedsdelen de verzamelde jeugd toebrulde dat wij die dag 'onder de krijgstucht' vielen ten einde medisch te worden gekeurd. Iemand moest daar zo onbedaarlijk om lachen, dat hij meteen naar huis werd gestuurd.

In het leger gaan leek mij een verschrikkelijke ervaring. Ik had het bij de padvinderij al niet lang uitgehouden. Discipline verafschuwde ik van nature en gedichten schrijven vond ik vele malen belangrijker dan ergens in Duitsland, door het eten van gevulde koeken en het almaar innemen van accijnsvrij bier, de Russen tegen te houden. Ik had een poster van Che Guevara op mijn kamer hangen en van het idee een slaapzaal te moeten delen met een roedel onverstaanbare Limburgers of Groningers uit het strokartongebied, lag ik bij voorbaat 's nachts wakker. Gelukkig was het leger toen nog niet populair bij vrouwen, want als ik ergens ongehoord bedroefd van word, is het van meisjes in legeruniform. Behalve dan van dat ene lieve luchtmachtmeisje dat mij op Skyros betoverde.




Aan het einde van de keuringsdag kreeg ik geen uitsluitsel. Ik had een klein mankement aan mijn schouder flink opgeblazen en moest tekenen dat men mijn behandelend arts, een orthopeed, nadere inlichtingen kon vragen. Daarna begon het lange wachten. Tot er op 19 november een envelop kwam vanwege het gemeentebestuur van Dordrecht. Daarin zat een briefje, ondertekend door de luitenant-kolonel der Jagers, J.W.A. Notten, dat mij voorgoed ongeschikt verklaarde. Een papier dat ik sindsdien koester. De behandelend arts heeft mij nooit meer gezien. Ik heb het als een ware overwinning gevierd, ondanks het nogal schamele loon dat ik bij rederij Königsfeld verdiende.


Foto: auteur


vrijdag, december 02, 2016

Scheffersplein




Ik ken dit plein van toen er nog een pisbak stond
en 's zaterdags de markt voor leven zorgde

rondom het beeld van een schilder
die in Dordrecht nooit schilderen zou.

Van Gogh woonde hier om de hoek
al was het kort, zoals veel

kort was bij Van Gogh -
hij had langer moeten leven.

Hij had de stad misschien dan wél geschilderd,
zoals ooit Witsen deed, dobberend door de havens.

Het plein herinner ik mij het liefst in zwart-wit
vol heren met degelijke hoeden.

Ze hebben mijn overgrootvader nog gekend en
wie weet dronk Van Gogh wel koffie in zijn kroeg,

daar bij de brug, voorbij het rood van de eetgevels
dat het plein 's avonds overschreeuwt,

alsof het altijd zomer is, alsof Vincent
elk ogenblik weer langs kan lopen

met in zijn ogen die brandende blik
van de geloofsfanaat.


Dordrecht, 1 december 2016

Foto: auteur


dinsdag, november 29, 2016

Desi Bouterse-expres




Felicita was mijn heldin, ook al was het taalkundig behelpen. Ze sprak van huis uit Spaans en daarnaast maar een paar woorden Engels. Meestal als ze foto's liet zien van een kind in Santo Domingo. Alle vrouwen in de Tammengastraat hadden een kind in Santo Domingo, althans foto's van een kind in Santo Domingo. Ze wilden ook allemaal met een bakra mee naar Holland. Zelfs als de bakra stokoud was. Dat waren de bakra's die naar de Tammengastraat kwamen doorgaans niet, maar ze waren meestal maar al te bereid om hun aangeboren, calvinistische schuldgevoel op vertoon van een babyfoto met wat extra guldens af te kopen. Desi Bouters was er al, in de zomer van 1982, maar de dollar moest nog komen, evenals de schietpartij in het fort en de brug over de Surinamerivier.

Soms ging ik lopend terug van de Tammengastraat naar onze Bruynzeelwoning in de Morpurgostraat, in de buurt van het kamp, zoals de Memre Boekoekazerne in de volksmond heette. Dat was meestal als de whisky iets te heftig had gestroomd. Je werd 's avonds altijd gevolgd door een roedel honden. Wanneer je een steen opraapte, deinsden ze automatisch achteruit. Het was beter een taxi te nemen, maar als bakra werd je standaard getild. Tot iemand van ons zich een keer bij de poort van het kamp liet afzetten, in plaats van bij de Bruynzeelwoning, en slechts de halve prijs werd gevraagd. Zo werd de 'Desi Bouterse-expres' geboren.

Felicita had iets moederlijks. Als ze je omhelsde was het alsof ze zich over je ontfermde. Afscheid heb ik nooit genomen. Ik verdween, zoals zij op een dag ook zomaar zou verdwijnen, om plaats te maken voor een andere dame met een foto van een kind uit Santo Doningo.

Foto: auteur



zaterdag, november 26, 2016

Tegengif




De storm is gaan liggen. Ik loop de tuin in om de schade op te nemen. Er is geen schade. De oude perenboom is al jaren geleden omgewaaid en het exemplaar dat hem vervangt is nog jong en vitaal. Er ligt wel veel afgevallen blad van andermans bomen. Dat moet opgeruimd. Het is na de storm gaan regenen. We leven in een moeras, maar ik heb geen zin om in de modder te wroeten.

Ik denk aan de dichtbundel De wind houdt het droog van C. Buddingh'. De donkere dagen voor kerst komen in zicht. Een beroerde tijd. Ellendig lange, donkere avonden, wind, regen en kou. Je beklagen over het weer is even zinloos als je beklagen over de kortzichtige en irrationele natuur van de mens. Er zijn er echt die geloven dat het allemaal beter wordt als je de weerman van het journaal met de dood bedreigt.

Poëzie lezen is een goed tegengif tegen de 'sociale' media en alle verongelijktheid die je daar tegenkomt. Alle leugens, bedrog, kwaadaardigheid, fanatisme, waandenkbeelden en sneu moralisme, gelardeerd met onnozelheid en al dan niet geslaagde humor. Soms zet iemand er een verwijzing naar muziek op, een schilderij of een gedicht. We doen er net alsof we in de echte wereld zijn, waar ik tevreden blader in De wind houdt het droog.


woensdag, november 23, 2016

Brief aan Stella uit Thessaloniki




Lieve Stella,

Na tien dagen wolken, met af en toe een spetter regen, zien we vandaag een streepje zon. Het werd tijd. Mijn humeur klaarde er van op, al ben ik van mezelf geen chagrijnig en klagerig type. Je zult mij ook nooit in een korte broek in de stad zien. De laatste keer dat ik dat deed, was ik een tienjarige padvinder. Nu, vijfenvijftig jaar later, is het dik herfst. De bomen zijn prachtig aan het verkleuren, maar het is wel de opmaat tot het seizoen van de dood. Demeter, die hier gewoon Dimitra heet, is weer op weg naar haar tijdelijk verblijf in Hades en je moet altijd maar weer hopen dat ze tijdig terugkeert.

Toen ik op weg naar het Varken langs de Experimentele School kwam, werd ik van achter het hek aangeroepen door een paar leerlingen: 'Meneer, meneer, onze bal ligt onder een auto! Die Mercedes daar!' Ik heb die bal onder de auto vandaan geplukt en hem met een zwierige boog, zoals een fan van FC Dordrecht dat doet, teruggeschopt. Die kinderen moesten eens weten, dacht ik, hoeveel voetstappen jij en ik op die school hebben liggen. Jij toen je er Engels gaf, wij samen ten tijde van de uitwisseling met mijn school in Dordrecht. Er werkt niemand meer uit 'onze tijd', neem ik aan. Als ik zou binnenstappen, zou ik vermoedelijk met enig wantrouwen worden bekeken. Welke docent kent onze namen en foto's uit het herdenkingsboek voor het vijfenzeventigjarig bestaan? Ja, jij staat nog wel in de lijst van (oud)docenten op de internetpagina, maar voor de huidige leerlingen is die tijd al bijna de oudheid. Zoals het gepraat over de oorlog, de breuklijn in het leven van mijn ouders, voor mij als kind de oudheid was. Ik moest zelf op zekere leeftijd geraken om te begrijpen hoe actueel die periode nog voor hun was en waarom hij eigenlijk altijd actueel is gebleven.

FC Dordrecht blijft een zorgenkind. Het vorige seizoen verliep tamelijk rampzalig en nu zit het weer in de kelder van de Eerste Divisie. Er wordt meestal wel met enthousiasme en inzet gespeeld, maar vaak is de selectie net een maatje te klein. Het is een jongensteam met beperkte ervaring. Wat zou helpen is een oudere speler met inzicht en een zeker pedagogisch overwicht, een soort Dirk Kuijt, maar dat kan Dordt niet betalen. Ik maak mij zorgen over degradatie naar de Tweede Divisie. Ik zou dan nog wel naar de wedstrijden gaan, maar ik vrees dat degradatie de doodssteek is voor de club. Althans in zijn huidige vorm. Dan moet de boel maar weer opgaan in de moederclub, DFC. Kan het stadion worden gesloopt, zodat de gemeente er villa's kan laten bouwen. Dat zo pakweg tweeduizend mensen dan hun tweewekelijkse wedstrijd zullen missen, zal de meeste raadsleden worst zijn. Er wordt regelmatig hoog opgegeven over Dordrechtpromotie en ja, er is van alles verbeterd in de stad, maar er blijven altijd een paar assepoesters. Ik denk dat het komt omdat het stadion aan de verkeerde kant van de spoorlijn ligt en Beter Voor Dordt niet Het Beste Voor Dordt blijkt.

Nu Loxias er niet meer is, kom ik regelmatig bij Baraka. Mooi uitzicht op het paleis van Galerius, muziek van Ross Daly, geen loeihard sprekende tavlispelers, maar op beschaafde toon pratende bezoekers, die soms gaan zitten schaken. Dat staat me weleens tegen in het verder mooie Prinkipos, die schreeuwende mensen en die veel te luide muziek, die dat tetteren noodzakelijk maakt. Zeg me niet dat dat de leeftijd is, want te harde muziek en geblèr in de kroeg staan me al vijftig jaar tegen, evenals die typisch Nederlandse afzeikhumor.

Overmorgen is het Ochidag en hebben we weer die parades. Zojuist denderden er een paar straaljagers laag over de stad. Er moet namelijk worden geoefend. Onderwijs en gezondheidszorg zijn grotendeels ingestort door gebrek aan financiën, maar voor dat soort vertoon is altijd geld te vinden. Desnoods betalen we de ambtenarensalarissen maar wat later. Vlak voor ik aankwam hebben de buschauffeurs bijna twee weken achter elkaar gestaakt, omdat hun salaris te laat werd uitbetaald. Geweldig voor de taxibranche natuurlijk, maar je zal als arme, autoloze bejaarde maar hier in de bovenstad wonen.

De Grieken worden trouwens steeds zenuwachtiger door de agressieve, nationalistische taal van de Turkse president Erdogan. Ze hebben natuurlijk al decennia ruzie met de buren over het continentale plat en de afbakening van het luchtruim en al die tijd is Turkije de agressieve, provocerende partij. Je zou van een NAVO-bondgenoot goed nabuurschap verwachten, bereidheid tot overleg en tot het desnoods voorleggen van de conflicten aan het Internationaal Gerechtshof, maar niets van dit alles. Turkije gedraagt zich hufterig, zoals de grootste jongen op het schoolplein die alle anderen met zijn vuisten intimideert. Omdat de Grieken even akelig nationalistisch zijn als de Turken, kan er gemakkelijk een explosieve situatie ontstaan, vooral nu Erdogan wel wat afleiding voor zijn binnenlandse problemen kan gebruiken. Die prachtige Egeïsche Zee als het nieuwe kruitvat van Europa. Ik ben er niet gerust op.

Gisteravond heb ik in Baraka koffie en tsipouro gedronken met Haido, die het laatste jaar in Loxias werkte. Ze is erg aangedaan door de sluiting. Niet alleen omdat ze haar baan kwijt is, op zich al een ramp in het Griekenland van nu, maar ook voor haar was Loxias een thuis. 'Ik loop nog steeds niet door de straat,' zei ze met tranen in haar ogen. Ze is op zoek naar werk, maar voorlopig moet ze thuis voor haar inwonende grootmoeder en haar zieke moeder zorgen. Ze vertelde dat ze lid is van een vereniging die de feestdagen van de Olympische goden in ere houdt, met bijbehorende rituelen. 'Niet die extreem-rechtse fanatiekelingen,' haastte ze zich te zeggen, maar meer een soort van theatergezelschap. Later op de avond voegden zich nog twee Loxianen, Giorgos (de liefhebber van Engelse literatuur) en Yiannis (de zwager van jouw oud-leerling Aïdarinis, de wijnmaker), bij ons. Het was goed hen weer te zien.

Vanmorgen koffie gedronken met Menelaos, in de citadel, waar we een aardig kafeneion vonden, met een mooie tuin. net achter de Byzantijnse muren. Daar heb ik voor de zoveelste keer het verhaal van mijn hartstilstand verteld. Het wordt routine, met steeds dezelfde grapjes, want je moet zulke dingen een tikje luchtig houden. Ik hoorde van Haido, die ook aan EHBO doet, dat er hoop en al twee AED's in Thessaloniki zijn. Als het klopt is dat wel erg weinig voor meer dan een miljoen inwoners. Ik heb in ieder geval geluk gehad dat het me niet hier overkwam, want dan had ik het vrijwel zeker niet overleefd, zoals Sofronis twee jaar geleden.

Na de koffie naar het Agia Sofiaplein gegaan, waar ik geld moest trekken. Daarna heb ik een tijdje in het Varken zitten schrijven. Ik herinner mij de eerste keer dat ik bij het Varken kwam, toen de zaak anders heette en nog niet was verbouwd. Het was het sjofele kafeneion waar veel gepensioneerde onderwijzers kwamen. Nu is het een café voor het sjiekere segment. Ik ga er al jaren 's morgens koffie drinken als ik in de stad ben. Dan kocht ik onderweg een paar kranten bij Newsstand, maar daar hadden ze vorige week ineens niets meer. 'Ik ga sluiten,' zei de eigenaar, met wie ik vaak een praatje maak. 'Ik kan het financieel niet meer volhouden.' Ik zag de kop van Dijsselbloem voor me, die weer eens beweerde dat het beter gaat met de Griekse economie. Ondertussen kan ik straks nergens meer een Guardian en een Times Literary Supplement kopen.

Toen ik gisteren een hapje ging eten bij Myrovolos Smyrni, kwam de baas tot mijn verbazing aan met een papiertje met Hebreeuwse woorden, die hij begon voor te lezen. Nu weet ik wel dat er regelmatig groepen Israëliërs komen eten, die hun wortels in Thessaloniki hebben, maar wat moet ík met Hebreeuws? Toen ik dat vroeg, bleek hij me te verwarren met een Israëliër die ieder jaar het filmfestival bezoekt en die nogal op mij schijnt te lijken. Ik word hier meestal wel voor buitenlander aangezien, wat ik ook ben, maar voor Israëliër, dat is nieuw. Ik droeg niet eens mijn zwarte, maar mijn bruine hoed. Ik vraag me af hoe lang deze zaak nog zal bestaan. Ze hadden wat tafels buiten (in de stoa), maar het binnengedeelte zat op slot. Van die tafels waren er maar twee bezet, terwijl het volop Griekse lunchtijd was. Het eten smaakte er niet minder om

In gedachten, altijd,

Kees

Thessaloniki, 25 oktober 2016

Foto: auteur




zondag, november 20, 2016

Lelijke eend




In de Agia Sofiastraat staat een lelijke eend geparkeerd. Als hij nog rijdt is dat een klein wonder. Hij zit vol deuken, is stevig verroest en de achterbumper hangt half los. Je ziet vaker zulke auto's in Griekenland, alleen niet van zo'n hoge leeftijd. Hij roept herinneringen op aan mijn studentenjaren. Aan de eend, een besteleend, waarmee we naar Parijs reden. Plankgas het avontuur tegemoet. Het avontuur was een vlinderachtig zigeunermeisje achter een flipperkast, in een café nabij het Gare St. Lazare. Het was een avontuur dat zich geheel in ons hoofd afspeelde. Harder dan tachtig kon de eend niet.

Een andere associatie dringt zich op: met een filmpje van Athene-TV, dat rondgaat op internet. Er wordt Grieks in gesproken, maar ook zonder kennis van die taal is het te begrijpen. Het is een aaneenschakeling van gruwelijke verkeersongelukken, met tussendoor beelden van een fulminerende man in een zaaltje, die roept dat wie door rood rijdt een boete van tienduizend euro verdient. Dat zal niet helpen, denk ik, maar ik begrijp hem wel. Het filmpje komt dicht bij de werkelijkheid van het Griekse verkeer. Ik denk aan de taxirit van het vliegveld naar het centrum van Thessaloniki, die ik noodgedwongen steeds weer riskeer. Het zijn niet alleen veel taxichauffeurs die zich op de weg beestachtig gedragen. In Griekenland spreekt men van 'de oorlog op het asfalt.'

Ik loop de straat uit naar het Agia Sofiaplein en krijg bijna pijn aan mijn ogen van de graffiti, die de gebouwen in dikke lagen bedekt. Het is één gore, caleidoscopische troep. Er is werkelijk nauwelijks een plek die niet is onder gekalkt. Zelfs in de schilderachtige bovenstad. Deze stad moet vol boze, puberale puistenkoppen zitten. Tegen de tijd dat ze zijn uitgespoten, hebben ze de leeftijd bereikt om auto te gaan rijden.

Ik kan niet vaak genoeg herhalen dat ik van Griekenland houd. Alleen al om haar geschiedenis en verbluffend natuurschoon. Het verbaast me steeds weer dat Griekenland zo haar best doet mij die liefde af te leren.

Foto: auteur