zaterdag, mei 19, 2012

Op het matje


Ergens in de jaren zestig, ik zat in de derde of vierde klas van de middelbare school, werd ik op het matje geroepen bij de heer Baljet, de directeur. ‘C.C. Baljet’ stond onderaan de rapporten gedrukt. Pas veel later hoorde ik dat die eerste C voor Carel stond. Meneer Baljet was in wezen een milde, zachtaardige man, maar hij droeg een bril met een donker montuur waar hij heel streng door kon kijken. Dat deed hij, toen ik mij meldde. De aanleiding was een ingezonden brief, die ik samen met een vriend naar het dagblad De Dordtenaar had gestuurd en die tot onze verbazing was geplaatst. In die brief pleitten wij voor de legalisering van softdrugs. Dat een leerling van zijn school zoiets openlijk in de krant zette, riep om ingrijpen. Al was het maar om vragen van de oudercommissie voor te zijn. Pleiten voor de legalisering van hasjiesj en marihuana was in die jaren nog een revolutionaire daad. Dat de mede-auteur van de brief een jaar tevoren wegens belediging van de leraar Duits van school was verwijderd, speelde misschien ook wel een rol.

Niet gehinderd door de vrijheid van meningsuiting en doof voor onze alleszins redelijke argumenten, las meneer Baljet mij de les. Dit moest niet meer gebeuren, de naam van de school te grabbel, nooit verwacht van iemand uit een goed nest, vader nota bene bij de politie. Kortom, een preek zoals het hoorde en waar ik later, zelf inmiddels leraar, nog weleens een voorbeeld aan nam. Wij hadden het plan om de brief ook te laten afdrukken in de alternatieve, illegale schoolkrant Het Ballonnetje (herkenbaar door een speels condoom op het omslag), die werd uitgebracht door het duo Le Loup et de la Gère. Daarachter gingen mijn klasgenoten Gerrit de Wolf en Jan van der Geer schuil. Hij is er nooit in verschenen. Ik ben geen martelaarstype.

Ondertussen zetten de softdrugs hun opmars onstuitbaar voort, wat de boven ons gestelde Autoriteiten ook deden om dat te verhinderen. Zelf was ik er geen liefhebber van. Ik heb een keer of twee, drie wat van het spul gerookt, met als enig effect schele hoofdpijn. Die kreeg ik ook van de goedkope, Spaanse rode wijn, die we in mandflessen van vijf liter kochten, maar daar werd je vóór de kater in elk geval aangenaam dronken van. Met het pleidooi voor legalisering had dat niets te maken. Ik gun anderen graag waar ik zelf niet zo dol op ben, zoals lever, gevogelte of barbecuevlees. Jarenlang sloeg ik op mijn verjaardag, bij een bevriende uitbater van kruiden, een voorraadje wiet in, voor tussen de pinda´s en de chips. Mijn verjaardag vier ik allang niet meer en de bevriende kruidenuitbater woont inmiddels in India.

Onze alleszins redelijke argumenten voor het legaliseren van softdrugs gelden inmiddels alle verdovende middelen, van welke aard dan ook. In mijn literaire dagboeken heb ik ze verschillende keren overtuigend uiteengezet. Ik zou er zelf onder geen voorwaarde aan beginnen. Evenmin laat mij er nog voor op het matje roepen.

dinsdag, mei 15, 2012

Spelen met vuur


In februari gaf ik een lezing voor een Utrechtse studentenvereniging. Na afloop togen wij met een groepje naar een etablissement om nog even na te borrelen. Ik raakte aan de praat met een studente Italiaans. Ik vertelde haar over Thessaloniki. Thessaloniki, waar ligt dat? vroeg ze. Het verbaasde mij dat ze dat niet wist. Ik moest aan haar denken toen ik onlangs van Thessaloniki naar Amsterdam vloog. Achter mij zat een groepje pubers met een volwassen man die heel plat Rotterdams sprak. Misschien een clubje sporters met hun trainer. Een vechtsport, of strandvolleyballers, wie weet. Op een gegeven ogenblik hoorde ik een van die jongens vragen: Leipzig, waar ligt Leipzig? Bij het overstappen in Frankfurt maakten ze een enorm kabaal en droegen zo bij aan de bedroevende naam die Nederlanders in het buitenland hebben gekregen sinds het kabinet-Rutte.  

Dat een puber, die voor joker loopt met een petje omgedraaid op zijn puistenkop, niet weet waar Leipzig ligt, het zij zo. Ik liep op mijn vijftiende ook voor joker, met een oude hoed van mijn vader en een buitenmodel winterjas, maar ik wist wel waar Thessaloniki lag en waar op de kaart ik Leipzig kon vinden. Het viel mij tegen van die studente Italiaans, maar ze was erg mooi en aardig, dus slikte ik een hatelijke opmerking op het laatste ogenblik in. Van jonge mensen kun je een zekere algemene ontwikkeling verwachten, maar al te hoge eisen moet je niet stellen. Ze moeten nog veel lezen en vooral nog heel veel op de knopjes van hun blackberry drukken en hopelijk vullen die koppen zich dan met enige nuttige kennis. Het ontbreken van een grote mate van algemene ontwikkeling en vooral van kennis van aardrijkskunde en geschiedenis bij politici is onvergeeflijk. Omdat het leidt tot vooroordelen, misverstanden en soms een rampzalig onvermogen om de complexe waan van de dag op zijn merites te beoordelen. 

Neem de Griekse crisis. Waar de Europese politici, die allemaal zo goed schijnen te weten wat Griekenland moet doen om de rampzalige maatschappelijke en economische ineenstorting die zich daar voltrekt te stuiten, vooral niet over praten, is de Griekse geschiedenis. Vooral omdat ze er naar alle waarschijnlijk niets van weten, vrees ik. Dat betekent dat ze spelen met vuur. De Griekse democratie is nog maar heel jong. Echt democratisch werd het land pas na de val van het kolonelsregiem. Daarvoor toont de geschiedenis van het land een aaneenschakeling van staatsgrepen, dictaturen en half-dictaturen, een burgeroorlog en perioden van extreem politiek geweld tussen ultra-links en ultra-rechts. De Europese politici, Jan Kees de Jager voorop, hebben Athene op harteloze, meedogenloze en intens beledigende wijze de duimschroeven aangedraaid. Een deel van de Europese media heeft van harte meegedaan aan het beschimpen en kleineren van de Grieken, een trots, nationalistisch volk, dat zich tot op het bot gekrenkt voelt. Als er geen kentering komt in de behandeling van Griekenland en de crisis zich daar verder verdiept, is het risico groot dat de draad van bloedvergieten en geweld weer wordt opgepakt. Wie onvoldoende kennis van de Griekse geschiedenis heeft, beseft dat risico niet, zoals veel politici ook geen notie hadden van wat er in de jaren negentig in Joegoslavië stond te gebeuren.

vrijdag, mei 11, 2012

International Baccalaureate


Terug op mijn oude werkplek, alleen in lokaal 216 in plaats van 201. Ik houd toezicht bij het IB-examen van V6. Er moet een essay worden geschreven. Een keuze uit tien onderwerpen. Een van de opdrachten luidt: 'Works of literature can often function as social commentary. Discuss with reference to at least two literary works you have studied.' Ga er maar aanstaan als je zeventien, achttien jaar bent. Ik weet niet welke 'works of literature' ze hebben bestudeerd, maar in ieder geval iets van Dickens. Tijdens een van de periodes dat ik niet in Griekenland was, heb ik hen gastlesgegeven over Dickens, met de nadruk op Hard Times. Daarmee kunnen degenen die deze opdracht kiezen aardig uit de voeten, dunkt me. Ik heb die les later nog eens gegeven als gastcollege voor een Utrechtse studentenvereniging. Stond ik in mijn oude collegezaal, waar Maarten van Rossem mij ooit de finesses van de Koude Oorlog bijbracht. Hij rookte daarbij lustig, omdat dat, zoals hij zei, 'de kwaliteit van het werkcollege ten goede komt.' Inmiddels is het roken in lokalen verboden, ik mag daar noch hier mijn pijp opsteken. Misschien is dat maar goed ook. Roken doe je op een plek waar het gezellig is, bijvoorbeeld in een café, en waar je je kunt ontspannen, het liefst met een borrel erbij. Ik heb vrijwel nooit een leslokaal gezien dat echt gezellig was, al is dit een verademing bij de kille grauwheid van die collegezaal. En ik mag dan ontspannen zijn, dat geldt allerminst voor de ploeterende jongelui.

'Works of literature can often function as social commentary...' Ik moet denken aan Tess of the d' Urbervilles en Jude the Obscure van Thomas Hardy, maar dat kan zijn omdat ik de biografie lees die zijn tweede vrouw, Florence, over hem heeft geschreven. Tess en Jude hebben heel wat stof doen opwaaien in het preutse, Victoriaanse Engeland. Wat sociale conventies betreft was Hardy zijn tijd ver vooruit. Niet in zijn persoonlijk leven, maar in zijn boeken. Te ver voor de smaak van veel benepen Victorianen. Hardy zag zichzelf als dichter uit roeping en als prozaschrijver uit noodzaak. Na de storm van kritiek op Jude the Obscure schreef hij de rest van zijn lange leven voornamelijk poëzie. Ik weet niet of de jongelui iets van Hardy hebben bestudeerd. Het hoofd van de sectie Engels is op hem afgestudeerd, maar de inhoud van het IB-curriculum wordt in Cardiff bepaald, heb ik mij laten vertellen. Wie weet denken ze bij de naam Hardy alleen maar aan de dikke en de dunne.



In het lokaal is het stil. Zelfs de bel is afgezet, anders klinkt er om de veertig minuten een ijselijke geloei. Op een keer heb ik in lokaal 201 het snoer van de luidspreker doorgeknipt, we wisten toch wel wanneer het tijd was. Ik vraag me af of ze het ooit hebben gerepareerd. Hinderlijk lawaai is er wel. Geregeld wordt er een verdieping lager met stoelen en tafels geschoven, optillen is altijd te veel moeite, en buiten wordt ergens in de buurt geheid. Mij doet het weinig, ik kan ook schrijven in een kroeg vol herrie, maar ik kan mij voorstellen dat het voor de leerlingen hinderlijk is. Zeker als je zit te zwoegen op zo'n opstel.

Eigenlijk is er op het oog nauwelijks verschil tussen hen en eerste- of tweedejaars studenten. Ik ben nu twee jaar weg van het Stedelijk Dalton en voor pakweg een derde van de leerlingen, de eerste- en tweedeklassers, een volkomen vreemde. 'Wie is die opa?' voel je zo'n brugger denken. Deze V6-ers had ik voor het laatste in de tweetalige derde klas. Ze waren net zo'n beetje uit de fase van ontoerekeningsvatbaarheid die we puberteit noemen. Ze zijn gegroeid, geestelijk en lichamelijk. Jonge volwassenen, die op het punt staan de wereld in te trekken, naar wie weet welk lot. De naam Sarah komt me in gedachten. De ene Sarah, nu een succesvol strafrechtadvocaat, en de andere Sarah, die ons zoveel verdriet bezorgde door een einde aan haar leven te maken. Een van de andere opdrachten luidt: 'Social isolation affects many people and can lead to other social problems. Discuss with reference to your study of this option.' Een onderwerp waarover je een boek zou kunnen schrijven, maar nog niet op je zeventiende. Tenzij je natuurlijk Gerard Reve bent.



woensdag, mei 09, 2012

'Welsh rabbit'


Welsh rarebit, een gerecht met kaassaus op geroosterd brood, werd door ons onvermijdelijk verbasterd tot 'Welsh rabbit.' Als wij de zomervakantie doorbrachten in Newton-le-Willows werd het soms door tante Ann gemaakt bij wijze van traktatie. In Nederland aten we het nooit, al is het eenvoudig te bereiden. Soms is voedsel strikt landgebonden. Dat gold niet voor patat. Patat aten we overal, maar toch verschillend. In Engeland gooiden wij er azijn overheen en als je het haalde bij de friteszaak in de Highstreet, at je het uit een krant met een inlegvel van vetvrij papier. Op het Vrieseplein in Dordt, bij ons om de hoek, kon je er mayonaise, mosterd of piccalilly bij krijgen, maar wel voor een stuiver meer. Later begreep ik dat dat een significant cultuurverschil was.

Ik moest daaraan denken toen onlangs in een Dordtse café waar ik weleens kom de jenever plots op was. De jeneverdrinkers stonden droog totdat de wekelijkse bestelling een paar dagen later binnenkwam. In mijn Griekse stamcafé was op een keer de tsipouro op. De kroegbaas vroeg ons een ogenblik geduld, liep naar het einde van de straat en leende een fles bij een collega. Ook hier is sprake van een significant cultuurverschil.

'Welsh rabbit' at ik lang geleden voor het laatst in een snackbar in Caernavon. Het was kort na de inhuldiging van de Prince of Wales. Het kasteel was nog versierd. Van een van de torens wapperde de vlag van Wales, waarvan de rode draak mooi kleurde bij het haar van het vriendinnetje waarmee ik op stap was. Een deel van de Welshmen was misschien niet blij met hun Engelse prins. Ik bestelde Welsh rarebit, maar de uitbater deed provocerend of hij mijn Engels niet verstond. Ik moest maar Welsh leren. Met mijn aardigste gezicht deed ik mijn bestelling in het Nederlands. De man vroeg waar ik vandaan kwam en veranderde daarop in een vriendelijke gastheer. Geen cultuurverschil, maar nationalisme. Nationalisme is een destructief sentiment, daar weten ze in voormalig Joegoslavië over mee te praten.

Een paar jaar later, in 1974, had ik een andere ervaring in Wales. Met een paar vrienden kampeerde ik in Llangollen. Het was in de tijd dat de Grootbritse horeca tussen drie en zes 's middags verplicht sloot. Dat was ook het geval op de dag van de WK-finale tussen Nederland en Duitsland. Bovendien was het zondag en in Llangollen heerste ook nog eens de zondagsrust. Wij wilden die wedstrijd heel graag zien. Wat te doen? We stapten met ons probleem naar de plaatselijke politie. Een begripvolle bobby nam ons mee naar een snackbar, belde aan en legde uit wat er aan de hand was. We werden binnengelaten, de televisie ging aan en we werden ruim voorzien van frisdrank en chips. Daarna verdween de uitbater naar zijn woning boven de zaak. Na de onterechte nederlaag kwam hij aangedaan naar beneden. Dit had hij zijn gasten niet gegund. We mochten onder geen beding betalen. Wij zijn nog een paar dagen in Llangollen gebleven, maar of wij er ook 'Welsh rabbit' hebben gegeten kan ik mij niet meer herinneren.

maandag, mei 07, 2012

Homo ludens


De Griekse verkiezingsdag heb ik in Nederland meegemaakt, waar ik in Baarle-Nassau gedichten voordroeg bij de presentatie van de verhalenbundel Rafelranden van Annemarie Bolsius, door Uitgeverij Liverse. Het was een koude middag, maar binnen stond de verwarming hoog. De temperatuur steeg in de goedgevulde zaal al snel tot Griekse waarden. Woensdagavond nog was ik bij een voorstelling van volksverhalen en muziek, door Sophia Nikolaïdou en Dimitris Sklivanos (Blacky), in een kafeneion in de kapani (de centrale markt) in Thessaloniki. Het was een zwoele zomeravond, maar in Baarle-Nassau was het warmer. Het was een beetje een informele, want niet strak geregisseerde presentatie, met wijnen en Bourgondische hapjes. Er werd gul geschonken. Zo'n café waar de kroegbaas even een fles bij de buurman leent als de jenever onverwacht op is. In Dordt wordt zulk een fles niet geleend. Er werden mooie fragmenten gelezen uit Rafelranden. De electorale opwinding aan de rafelrand van Europa drong echter niet tot Baarle-Nassau door.

Misschien was dat maar beter ook, want de voorspelde trek naar extreem links en extreem rechts, alsmede de afstraffing van de regeringscoalitie, bleek zich inderdaad te hebben voltrokken. De conservatieven van Samaras zijn nog wel de grootste partij gebleven. Een kleine grootste partij. Hij moet nu gaan proberen een coalitie te vormen die het extreme bezuinigingsbeleid wil gaan voortzetten. Van de twee grote winnaars hoeft hij geen steun te verwachten. Dat zijn de linksradicale Syriza en de ultra-rechtse Gulden Dageraad, een partij van pure nazi's, inclusief een soort swastika als symbool, de groet met de gestrekte arm en een diepgeworteld racisme. De white trash van Griekenland, maar dan nog een slag erger. Bij de linkse winnaars hebben we ook nog de KKE van Aleka Papariga, de Eucalypta van de Griekse politiek. De KKE is een dogmatische, communistische partij van de zeer oude stempel die erop uit is van Griekenland een soort Cuba te maken. Ook een zonnig vakantieland. Je ziet er weinig dissidenten, want die zitten in het gevang of ze zijn naar het buitenland gevlucht.

Het is alsof Adolf Hitler en Josef Stalin bezig zijn uit hun graf te herrijzen. Daar moet Europa zich zorgen over maken: in de bakermat van de democratie zijn de bruinhemden wederopgestaan en wapperen de vlaggen met hamer en sikkel fier op de meltemi. Een rechtstreeks uitvloeisel van het door Europa en het IMF opgelegde beleid. Dit keer zijn de immigranten de zondebok, want joden zijn er niet veel meer in Griekenland sinds andere bruinhemden in Europa de baas waren. Na de presentatie terug in Dordrecht hebben we nog een poosje geborreld in Visser. Het was er gezellig. Veel mensen die waren afgekomen op het Nederlands Kampioenschap Stoepranden. Hier had de homo ludens het voor het zeggen. Dat was mij eerlijk gezegd een stuk aangenamer dan de berichten uit Athene.




Annemarie Bolsius - Rafelranden. Verhalen. Liverse 2012. ISBN 978-90-76982-84-7

dinsdag, mei 01, 2012

Bijna in het paradijs


Het is zo'n zwoele avond waarop je de tijd een poosje zou willen stilzetten. Ik zit op het terras van café Aristoteles en vermaak mij met het bekijken van het voorbij wandelende publiek. Een liefhebberij van jaren. Vanmiddag ben ik vanaf mijn buitenwijk op de heuvel te voet afgedaald naar café Xarchakos, in het park van Xanth, een wandeling van net een uur. Ik heb er een tijd in de biografie van Thomas Hardy gelezen. Officieel geschreven door zijn tweede vrouw, Florence, maar voor een aanzienlijk deel autobiografisch. Voor het einde van de middag het centrum gemeden, waar de traditionele 1 mei-demonstraties werden gehouden. Ooit heb ik een keer op 1 mei door Dordt gelopen achter een rode vlag, maar toen al, en het is lang geleden, voelde ik mij er ongemakkelijk bij. Ik heb een aangeboren hekel aan groepen schreeuwende en met vlaggen zwaaiende mensen. De keren dat ik meedeed met een staking van het onderwijs en we in optocht ergens moesten gaan protesteren, dook ik altijd bij de eerste de beste gelegenheid een café in om mijn solidariteit in liquide middelen om te zetten. Tegen de tijd dat de laatste vlaggenwaaier was verdwenen ben ik hierheen gewandeld.

Een tafel verder zit een monnik van het klooster om de hoek, in de Ermoustraat, met twee Engelstalige jongemannen. Naar het accent te horen een Amerikaan en een bekakt sprekende Engelsman. Het gesprek gaat over het probleem van het filioque, de oorsprong van de Heilige Geest, de aanleiding, hoewel niet de oorzaak, van het schisma van 1054 tussen de orthodoxe en de roomse kerk. Er wordt nog steeds over geruzied, het is tenslotte pas een kleine duizend jaar geleden. Midden in crisistijd. Ik moet denken aan een eerdere crisistijd, in Nederland, toen men elkaar in bevindelijke kringen in de haren vloog over de vraag of de slang in het paradijs werkelijk had gesproken of dat het een symbolisch verhaal was.

Ik drink mijn wijn en rook mijn pijp. Bij wijze van uitzondering legaal, want buiten mag het. Het rookverbod in de horeca wordt tot mijn genoegen overigens massaal genegeerd en ik doe daar enthousiast aan mee. Ik moet nog zien dat een controleur mij op de bon slingert. Dan zal hij toch eerst een tolk moeten vinden, want in dat geval spreek ik plotseling geen Grieks, Engels, Duits of Frans meer, maar alleen Nederlands. Gecontroleerd wordt er allang niet meer. Griekenland heeft belangrijker problemen dan de geestdrijverij van de anti-rookterroristen. De verkiezingsstrijd is in volle gang. Gisteren heeft heksje Papariga, het fantoom van de KKE, de enige stalinistische partij van Europa, op het plein hier vlakbij met haar apostelen de transformatie van Griekenland in een soort van Noord-Korea verkondigd. Aan de andere kant van het politieke spectrum groeit de populariteit van Chrissi Afghi, de partij van de Griekse nazi's. Ze lopen nog net niet rond met een portret van oom Adolf, maar het zou me niet verbazen als zijn tronie eerstdaags opduikt. De echo's van de burgeroorlog en het kolonelsbewind beginnen angstwekkend luid te klinken. De ineenstorting van de economie en de daaruit voortvloeiende verpaupering leiden tot een zorgwekkende radicalisering. Ik houd mijn hart vast voor de verkiezingsuitslag van zondag. Het voelt alsof we in een vliegtuig zitten dat neerstort, maar wie weet worden de motoren toch nog op tijd herstart.

Een ongelofelijk aardig meisje spreekt mij aan en vraagt of ik misschien een Rizospastis wil kopen, de krant van de communistische partij. Vroeger hadden we in Nederland De Waarheid, op De Telegraaf na de grootste leugenaar van het land. Ik val altijd als een blok voor aardige meisjes. Misschien is dat de reden dat de Jehovagetuigen, voordat ze het definitief opgaven, een paar keer schatten van meisjes langs stuurden om mij te bekeren. Dat is ze niet gelukt, maar het was op het randje. Nu ook. Ik sta bijna op het punt om het vod te kopen, maar nee, ik houd mij sterk en wimpel haar af met de goedkope smoes dat ik een buitenlander ben en dus niet in Griekenland stem. Eigenlijk had ik met haar in discussie moeten gaan en haar op het hart moeten drukken The Siege en The Betrayal van Helen Dumore te lezen. Ik vraag me af of ze daarna Stalin nog steeds als de oplossing van Griekenlands problemen ziet.

Langzamerhand valt de avond. De straatlantaarns gaan aan. Bij het belendende politiebureau arriveert een squadron motoragenten. Iemand komt naar buiten met een fles en een blad met glazen. De heren gaan gemoedelijk aan de ouzo, althans daar lijkt het op. Wellicht om het onverwacht rustige verloop van de eerste mei, officieel dag van de arbeid, maar in de praktijk dag van rellen en geweld, te vieren. En waarom ook niet? Als ik illegaal rook in de kroeg, mogen zij wat mij betreft best een neutje in diensttijd. Zeker op deze mooie avond, waarop het maar langzaam afkoelt en er nauwelijks wind staat. Als je niet beter wist zou je denken dat je bijna in het paradijs was.


maandag, april 23, 2012

Skyros (slot)


Aan het eind van de ochtend naar Linaria gewandeld voor een cappuccino. Toen ik er eergisteren met de auto naartoe reed, leek het mij een kippeneindje, maar daarin vergiste ik mij. Ik deed er bijna een uur en een kwartier over, maar ik ben hier en daar blijven staan om foto's te maken of te filmen. Het is een zomerse dag, de voorspelling van 24 graden is dit keer wel uitgekomen, waardoor het asfalt van de weg goed wordt opgewarmd. Kennelijk vinden de koudbloedige sabritsa's, salamandertjes, dat heerlijk, want voortdurend schoten ze voor mijn voeten weg, de berm in, of ze renden met grote snelheid voor hun nietige omvang naar de andere kant van de weg. Ik vond het een vermakelijk gezicht, maar ben op een gegeven ogenblik opgehouden ze te tellen. Het waren er te veel. Misschien wel evenveel als de veertigduizend geiten en schapen (als ik goed onthouden heb wat Nikos mij vertelde) die Skyros rijk is. De weg was grotendeels vlak, tussen de heuvels door, maar net voor Linaria moest ik toch nog een flinke helling nemen. Dan blijkt dat je als chauffeur veel mist van het landschap, je neemt maar oppervlakkig waar omdat je je op het rijden concentreert. De bochten en huizen langs de weg herinnerde ik mij wel, maar die helling al niet meer. Wat mij chaufferend ook was ontgaan is de graffiti. Veel is het niet, maar diverse keren zag ik op een stuk muur 'Chrissi afgi' gespoten. De partij van de neo-nazi's die kans maakt op een paar zetels in het parlement. Ik hoop maar dat het niet meer dan een onbezonnen daad van een achterlijke puber is. Het politiek extremisme heeft in het verleden genoeg slachtoffers geëist in Griekenland.


De veerboot naar Kimi lag afgemeerd, maar het vertrek zou nog wel even op zich laten wachten, want de motoren zwegen en van de bemanning was niemand te zien. Ik legde aan op het terras van Meltemi (de harde zuidenwind die vaak op deze hoogte waait) voor mijn koffie en een tosti. Even gedacht aan een elliniko sketto, maar uiteindelijk toch voor een cappuccino gekozen. Het was stil in Linaria. De eigenaar en het meisje van de bediening zaten bij gebrek aan klandizie een tafeltje verderop. Af en toe liep een visser voorbij, of iemand met een tasje boodschappen. Regelmatig klonk het 'chronia polla' (nog vele jaren), dat men elkaar hier voor en na feestdagen als kerst, nieuwjaar en Pasen toewenst. Een eenzaam jongetje met een bal was op het parkeerplaatsje aan het oefenen voor Cruijff. Even dacht ik: zal ik hem als clubdichter van DFC even wat techniek bijbrengen, maar het enige doelpunt dat ik ooit maakte, als invaller bij het zomeravondvoetbal, was in eigen goal en ik zag die bal daarom al in het water verdwijnen. Ik was bovendien pas op de helft van mijn wandeling, vandaag dus sport genoeg. In plaats daarvan de geest gevoed door mij wat in te lezen voor een artikel over Cyprus dat ik binnenkort moet insturen.

Er verscheen een weldoorvoede pope op het terras, prototype voor een spotprent, waarop je nooit een magere priester ziet, maar altijd eentje die oogt alsof hij van het goede leven is. Hij zat nog niet of hij begon met zijn mobiel te bellen, waarna er binnen een kwartier een stuk of zes, zeven collega's arriveerden. Werkoverleg van alle Skyriaanse popes? Ik weet het niet, maar de rust was voorbij voor het meisje van de bediening, dat op een holletje glazen water en kopjes koffie begon aan te dragen. Ik zag ondertussen dat het tijd was om aan de terugweg te beginnen, rekende af en beklom de helling in omgekeerde richting, blij dat ik toch maar wijlen oom Panagiotti zijn wandelstok had meegenomen. Op het hoogste punt weer een mooi vergezicht. Nog steeds sneeuw op de hoogste bergtop van Evia in het westen. Even flink tempo gemaakt, want de zon stond op zijn hoogst en dan weet weer je waarom ze bij het KNIL in 'Ons Indië' het ding de koperen ploert noemden. Een mild briesje zorgde echter voor wat koelte. Nu en dan werd de landelijke rust, waarin je alleen de bellen en het gemekker van geiten en schapen hoorde en nu en dan het blaffen van een erfhond, verstoord door een auto. Soms claxonneerde een chauffeur bij wijze van groet en stak ik mijn hand op alsof ik al jaren op Skyros ben in plaats van een week.