maandag, december 17, 2018

Olympische prestatie



Toen Stella nog leefde, gingen we er af en toe op uit. Een van die uitjes voerde naar Lochem. Ik herinner mij van Lochem niet veel, behalve een bomenrijk plein en een oud café. De omgeving was mooi. We maakten daarom iedere dag een lange wandeling. We logeerden in een klein hotel, dat werd uitgebaat door een mevrouw die erg uit de hoogte deed toen Stella klaagde dat er geen zeep in de badkamer was. Je moest direct bij aankomst betalen. Er waren keuken noch bar, het ontbijt moest elders worden genoten. 

Onlangs reisde ik per trein van Haarlem terug naar Dordrecht. Op een mistige, door natte sneeuw bedorven zondagochtend. Op het station het ene omroepbericht na het andere. Overal wisselstoringen die voor vertraging of busvervoer zorgden. Een enkel vlokje sneeuw en de spoorwegen raken volledig ontspoord. Mijn trein was de enige die op tijd reed én op tijd aankwam. Een prestatie van Olympisch formaat. 

Onderweg zag ik hoe lelijk Nederland aan weerszijden van de spoorlijn is geworden. Ogentergende kantoorbouw, droevige bedrijfsloodsen, suïcidaal makende Vinex-wijken, met als kers op de taart het rangeerterrein Kijfhoek. Toen we op de spoorbrug over de Oude Maas reden, benam mist ons het uitzicht op de Grote Kerk. Lochem ligt ook aan het spoor, bedacht ik. Gelukkig waren wij indertijd met de automobiel.

Foto: auteur


woensdag, december 12, 2018

Verdwenen



Ik zie hen in gedachten nog weleens zitten, aan de bar van café De Vrijheid: Nico de Lijkensnijder, Dokter Henk en Dichter Flip. De Lijkensnijder had zijn bijnaam te danken aan zijn beroep. Hij werkte als veterinair patholoog-anatoom, onderzocht gestorven vee op ziekten, en gaf daarnaast les bij diergeneeskunde in Utrecht, beweerde hij. Hij zat vol verhalen, maar of ze klopten wist niemand. Internet, laat staan googelen, was nog een futuristische droom. Na sluitingstijd stapte hij op zijn brommer en reed daarmee naar Zwijndrecht, waar hij woonde. Waar precies wist ook niemand, maar hij was met het geven van rondjes even gul als met zijn verhalen. Je was nog niet binnen of je hoorde aan de bar: 'Jaap, geef dat stuk protoplasma een alcoholische consumptie van me.' Als hij zijn blaas moest ledigen, zei hij steevast: 'Ik ga even mijn slurf in de bak hangen.' 

Dokter Henk kwam uit het oosten des lands, ergens vanachter het oerbos. Hij was na zijn scheiding naar Dordt gekomen, werkte met verslaafden en werkte na dat werken grote hoeveelheden bier onder zijn walrussnor naar binnen. Niet zelden stuitte een om hulp vragend alcoholist 's morgens in de spreekkamer op de forse kegel van de goedlachse psychiater. Hij woonde in een knoepert van een huis, in de buurt van de rechtbank, maar reed rond in een Morris Mini. Omdat vrijwel alle horeca die er in die dagen in Dordrecht toe deed hopeloos verspreid lag, gebeurde het niet zelden dat wij ons met vijf, zes man in het blikje propten, om met Dokter Henk van De Vrijheid naar De Bombardon te rijden of vice versa, afhankelijk van welk bandje waar stond te spelen. Soms vroeg hij wat tegen sluitingstijd nog aan de bar hing mee naar huis. Daar ging het drinken dan nog een poosje door. Als het hem uiteindelijk te laat werd zei hij: 'De laatste doet het licht maar uit en trekt de deur achter zich dicht,' waarna hij naar bed ging.

Dichter Flip was van een ander kaliber. Een filosoof die uiterst verzorgd Nederlands sprak met een keurig accent. Bloemendaal of het Gooi waren er niks bij. Niemand wist of hij ook werkelijk uit Bloemendaal of het Gooi kwam, of waar hij, als hij na een periode van afwezigheid ineens weer opdook, altijd platzak, altijd dorstig en altijd zo innemend dat wij wel weer voor hem dokten, in de stad verbleef. Ja, hij sliep weleens bij bekenden in een kraakpand, paste een poosje op een boot in de Wijnhaven, waarop je, zoals hij zei, 'enigszins ruim' kon slapen, maar je zag hem ook weleens de nachtopvang van het Leger des Heils uit sluipen. Hoewel hij veel wist van poëzie en literatuur, heeft niemand ooit een vers van zijn hand gelezen, maar Dichter Flip was Dichter Flip. Geen stamgast die daar aan twijfelde.

Zo rond dezelfde tijd zijn ze uit het café en uit ons leven verdwenen. De Lijkensnijder ging met pensioen en stak de rivier daarna maar weinig over. Ik zag hem nog een keer, opmerkelijk snel verouderd, in Visser, maar daarop volgde permanente radiostilte. Dokter Henk was de verslaafden beu en zocht een nieuwe baan, een woning en een stamcafé in Rotterdam, van waaruit ons slechts vage geruchten bereikten over almaar meer drank, uitmondend in een hersenbloeding en Dichter Flip verdween eveneens definitief uit beeld. Mijn literaire held L.H. Wiener heeft daar een prachtige uitdrukking voor: Verdwenen in de mist der mensen. De weemoed die mij weleens bevangt als ik aan die jaren denk, wordt er niet minder door.

Foto: Stockfoto


zaterdag, december 08, 2018

Gele hesjes



Het was kerst 1967. Ik was zestien, een magere puber die zijn haar, zeer tegen de zin van z'n ouders en leraren, over zijn oren liet groeien. Met een groepje vrienden vonden we dat de wereld moest worden verbeterd. Om dat te bewerkstelligen gingen we tijdens de kerstdagen hongerstaken op het Dordtse Scheffersplein. Een avontuur waarvan ik mij vooral de kou herinner en de vele, zeer vele, dronken Dordtenaren die in de avond- en nachtelijke uren langs wankelden. Pissen deden we in het urinoir, dat toen nog aan de rand van het plein stond. Voor de grotere behoefte hadden we café de Beurs. Daar werd om ons gelachen. In het gunstigste geval enigszins meewarig. 

De wereld trok zich niets aan van ons protest. Dat kwam natuurlijk omdat er alleen door de plaatselijke pers aandacht aan werd besteed. De journalist van huis-aan-huisblad Merwesteijn arriveerde, een teken aan de wand, op het ogenblik dat wij aan het opbreken waren, tweede kerstdag tegen zes uur, om thuis het kerstmaal te gaan gebruiken. Er waren grenzen. Er was nog geen lokale radio, laat staan televisie, van mobiele telefoons en internet had nog niemand gehoord en ik was wel klaar met actievoeren. 

De wereld is ondertussen veranderd. Het urinoir is verdwenen (alle pisbakken verdwenen uit de stad, wat vooruitgang heet), het Dordtse stadshart wreed verbouwd, waardoor naargeestige pleinen als de Grote Markt en het Statenplein ontstonden. Er is veel ogentergende nieuwbouw verrezen.

De wereld draaide door en bekeerde zich grotendeels tot het geloof in neo-liberalisme. De markt die al onze problemen zou oplossen. We hebben internet, die fijne broedplaats van nog ongezondere ideeën dan de nl-illusie, die uitgeschreeuwd worden door de akeligste types. Een overgroot deel van de wereld wordt geleid door proleten van het zuiverste water. Je kunt een geel hesje aantrekken en boos de straat op gaan. Die pisbak zal er niet door terugkomen, de proleten blijven zitten waar ze zitten. Ik blijf lekker binnen. Ik ben geen zestien meer.

Foto: auteur




zaterdag, december 01, 2018

Voedselfarizeeër



"Al die niet-rokers, al die niet-drinkers, het kunnen beste mensen zijn, maar ik blijf ze wantrouwen," schreef C. Buddingh' op bladzijde 62 van zijn dagboek Een mooie tijd om later te worden. Inmiddels kunnen we daar de dierenactivisten uit de veganistische kerk aan toevoegen. Daar zullen ook wel beste mensen tussen zitten, maar af en toe bekruipt mij het gevoel dat Folkert van der G. niet de enige doorgeslagen fanaat in die kringen is. 

Onlangs werd een bekende van mij door zo'n dolgedraaide vegafundamentalist uitgescholden voor moordenaar, omdat hij een foto op het internet had gezet van twee gebakken garnalen en een brokje sateh. Iemand reageerde op de schuimbekkende voedselfarizeeër met de verstandige raad 'zoek een hobby.' Ik denk eerder aan een goede psychiater. Als je zo door je stootblokken gaat, spoor je niet en dat zou zo maar kunnen eindigen met een bloedbad in de vleeswarenafdeling van de plaatselijke super.

Ik ben niet uitermate dol op vlees en gevogelte, eet ook weleens vegetarisch, maar houd daarentegen wel van een visje en laat mij door niemand de garnalen van het brood eten. Alles met mate. Dat zeiden de oude Grieken al. Ik heb een gruwelijke bloedhekel aan alles en iedereen die zijn (of haar, anders krijgen we dat gezeur weer) opvattingen, geloof en levenswijze desnoods te vuur en te zwaard aan anderen wil opdringen. Hoed u voor respect- en humorloze dwepers en drammers. Van dat soort is de wereld nog nooit een millimeter beter geworden.

Foto: auteur


woensdag, november 28, 2018

Alleen op dinsdag



Door Nederland reizen met de trein is tegenwoordig een opgave. Dan wordt er hier en dan weer daar aan het spoor gewerkt, zodat je om moet rijden, of een bus in. Bussen vermijd ik zoveel mogelijk. Ik weet ook niet hoe het komt, ik wil het ook niet weten, maar in een bus kan ik niet lezen, in een trein wel. Onlangs was het weer zo ver. Ik moest naar Groningen, maar kon niet langs Utrecht, als ik niet met een bus wilde. Dat betekende omreizen tot Zwolle, via Leiden, Almere en Lelystad. Wat is Nederland op het traject Leiden-Zwolle, via Flevoland, bedroevend lelijk geworden. Alleen al de aaneenschakeling van rommelige bedrijventerreinen, verwaarloosde volkstuincomplexen met van die traag inzakkende, 'knusse' tuinhuisjes en vervolgens al die tot wanhoop stemmende zelfmoordnieuwbouw. Waar vinden ze toch de derderangsarchitecten die verantwoordelijk zijn voor zoveel betonzooi? 

Ja, het zal binnen allemaal wel geweldig zijn, met van die spierwitte muren waaraan weinig hangt (niet zelden omdat het anders niet bij de bank kleurt), een kille laminaatvloer en een open keuken, wat ik toch altijd als een teken van binnenhuisarchitectonische armoede zie, al moet je ze niet de kost geven die dat 'lekker makkelijk' of zelfs wel 'gezellig' vinden, maar ik ben als een kind zo blij dat ik in een huis van meer dan honderd jaar oud woon met een trapgevel, geen open keuken, Nepalese en Perzische tapijten op de vloer, volgehangen muren, hoge plafonds en een Victoriaanse open haard. Heel fout, maar de milieufundamentalisten kunnen water achter het hart krijgen, zo vaak stook ik dat ding niet en bovendien gebruik ik geen hout, maar van die haardblokken uit de super die het een uur of twee, drie blijven doen zonder dat je ernaar hoeft om te kijken.

Het was karakteristiek, grauw novemberweer, dat vrolijkt zo'n reis ook niet op. Er waren tijden dat je troost kon zoeken in een pijp (weet u nog: 'Van Rossems troost'?) of een sigaartje, maar daar heeft de anti-rooktaliban een stokje voor gestoken. Fatsoenlijke stationsrestauraties zijn er, als de overstaptijd wat langer duurt dan gewenst, omdat de zoveelste idioot zonder vervoers- en legitimatiebewijs ergens door een paar klerenkasten uit je aansluitende trein moet worden geplukt om een prent uitgereikt te krijgen, ook nauwelijks meer te vinden. Sta je bij zo'n povere kiosk met te hete koffie in een te dun kartonnetje te vernikkelen tussen al die andere chagrijnige koppen.

Uiteindelijk kwam ik te Groningen. Het was inmiddels donker. Wintertijd. Door de waterkoude ging ik op pad naar het schamele zaaltje waar ik voor een appel en een ei mijn boodschap moest brengen. Daarna raakte ik verzeild in een café waar iemand mij erop wees dat ik de vaste stoel van Jean Pierre Rawie bezet hield, maar dat het niet gaf, want hij zat er alleen op dinsdag. Dat fleurde op. 

Foto: auteur


donderdag, november 22, 2018

Verrast en ontroerd




Lieve Stella,

Bij het voorbereiden van een lezing vond ik in de beeldbank van het Regionaal Archief Dordrecht een foto uit 1995, toen Ton van Dalen bezig was zijn project Ars Celare Artem (het is kunst om kunst te verbergen) uit te voeren op de Noordendijk. Je weet wel, waarover Gert van Engelen en Ton dat mooie boek Putjes in de dijk publiceerden. Op de voorgrond, tussen het toekijkend publiek, sta jij. Ik was verrast en ontroerd. Ik kende de foto niet, hij zal toen wel in een van de plaatselijke kranten hebben gestaan. Ik kom je graag onverwacht tegen.

Ik herinner mij die zonnige voorjaarsmiddag nog goed. Toen de laatste van de vierenvijftig putjes met persoonlijke herinneringen van buurtbewoners was dichtgelast, gingen we met Ton en enkele vrienden wat drinken in het nabije café De Vrijheid, de kroeg waar ik, toen we nog studeerden, vaak kwam met mijn maatje Peerke, de historicus die noodgedwongen boekhouder werd. Het was amper drie maanden na Peerkes overlijden. Hij woonde een tijd op de Noordendijk, ingang Fortuinhof, in een krot dat alweer jaren geleden is gesloopt en vervangen door dubieus ogende nieuwbouw. Toen hij aan kanker bezweek, leefde hij in ballingschap in het gewest Gelre. Je weet wel waarom. Ik heb mij voor het titelverhaal van mijn boek IJzeren logica enigszins laten inspireren door zijn vrij dramatische levenswandel. Een goeie jongen wie het noodlot slecht gezind was. Hij kon uitstekend koken en wist tijdens de indertijd fameuze etentjes in zijn krot een geweldige sfeer te scheppen. Daarover deden wilde verhalen de ronde, maar waarover doen ze dat niet in het roddeldorp dat Dordrecht eigenlijk is?
We konden Peerkes begrafenis niet bijwonen omdat we in Griekenland waren voor de uitvaart van je vader. Eerst de dienst in het kerkje van Chatzibayram in de bergen van Grieks-Macedonië, waarna de kist op een soort ijskar naar het romantische kerkhof onderaan het dorp werd gereden, waar jij inmiddels ook ligt. Als ik vertrokken ben, wil ik dat mijn as daar bij jou wordt bijgezet. Dat zal wel een hoop bureaucratisch gezeik met zich meebrengen, leer mij Griekenland kennen, maar met een beetje geluk kan dat worden omzeild. Gewoon even de dekplaat oplichten, als niemand kijkt, die asbus erin en klaar is Kees. Wordt leuk zoeken voor de vele bewonderaars van mijn boeken op pelgrimstocht.

Ik heb maar van twee dingen spijt. Van het weggooien van de brieven van mijn eerste, Engelse, vriendinnetje en van het feit dat ik jou nooit heb meegenomen naar Parijs, om een roos te leggen op het graf van Oscar Wilde. Ook iemand met een tamelijk dramatische levensloop, dat hoef ik jou als Angliciste niet te vertellen. Peerke was een zeer talentvolle student en als alles net iets anders was gelopen, had hij een groot historicus kunnen worden. Met hem heb ik het graf van Wilde wel bezocht. In de jaren voor ik jou kende gingen we met onze vriendengroep regelmatig naar Parijs. Niet alleen voor Wilde (en niet te vergeten Jim Morrison), maar ook om tentoonstellingen te bezoeken, veel Pelforth te drinken, te eten bij onze vaste Vietnamees in het Quartier Latin en moed te verzamelen om de hoertjes in de Rue de Budapest te bezoeken. Helaas was die moed nooit toereikend, wat beslist een zegen betekende voor onze krappe beurzen. Van die vrienden is niet alleen Peerke inmiddels dood, ook Wim en Gerrit leven niet meer en ook door dezelfde kutziekte. Als het noodlot mij slechter was gezind dan tot nu toe, hadden ze mij op 21 maart 2016 in het rijtje kunnen bijschrijven, zodat we in het hiernamaals konden klaverjassen.
Het hiernamaals, tja, je hebt mensen die erin geloven. Als het had bestaan, zou ik er vast van jou op mijn falie krijgen vanwege mijn misdragingen op aarde. Dat ik afgelopen vrijdag, na een zeer geslaagd etentje bij goede vrienden, met aanklevend naspoelen, niet van mijn fiets ben getuimeld, mag een klein wonder heten. Je weet, ik ben een bescheiden mens en dan valt het al snel verkeerd.

Er waren meer reizen die we voor ons uitschoven. Later, dachten we, als we met pensioen zijn. We hadden tenslotte het eeuwige leven, nietwaar? Er ligt ergens in mijn werkkamer nog een lijstje met reisdoelen, maar inmiddels ben ik steeds minder happig geworden om van mijn eiland af te gaan. Zeker niet nu de winter voor de deur staat. Tijdens die afschuwelijke, donkere dagen voor kerst kun je maar beter thuis lekker zitten lezen bij de open haard, met de jongedame die nu en dan mijn bestaan wat opluistert op het Nepalese tapijt ervoor. Het lieve kind heeft griep, zodat ik rustig kan werken aan de lezingen die ik binnenkort moet geven.
Vrijdag ga ik naar Oudenbosch, dat dorpje in Brabant met die reusachtige, bordkartonnen kerk, voor een verhaal over de geschiedenis van Kreta. Dat is vanuit Dordrecht nog wel te doen met de trein, maar zaterdag heb ik een lezing in Groningen. Over Macedonië, een onderwerp dat ik tegenwoordig vooral associeer met schreeuwend en vlaggen zwaaiend straattuig. Ik begrijp niet waarom ik die lezing heb aangenomen, al weet ik er meer van dan de verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Het onderwerp staat me niet aan, vanwege die associatie, al moet je daar als historicus natuurlijk afstand van nemen. De hele geschiedenis is tenslotte doordrenkt van de walgelijkste types. Groningen is een mooie stad, 'maar wel wat te ver weg,' zou Drs.P. zingen. Er wordt ook weer aan het spoor gewerkt, zodat de reis nog langer duurt dan normaal. Ik moet met een flinke omweg, want ik ga niet in een bus zitten. In een bus kan ik niet lezen, in een trein gelukkig wel.
Ik heb eigenlijk alleen maar ja gezegd omdat ik werd gevraagd door een aardig medelid van het Nederlands Genootschap voor Nieuwgriekse Studies en omdat ik na afloop met Hero Hokwerda, die bezig is aan een serie nieuwe vertalingen van Kazantzakis, maar dit terzijde, naar café Wolthoorn & Co ga. Ik mis nu wel de marathonavond, in het Dordtse Kunstmin, met alle nog levende winnaars van de C. Buddingh'-prijs. Toen ik van die avond hoorde, was de afspraak al gemaakt. Ik had natuurlijk een smoes kunnen verzinnen, maar je houdt je aan je afspraken, vind ik, al is dit wel de laatste keer dat ik een lezing geef op meer dan anderhalf uur sporen van huis.

Wat ik erg aardig vond om te doen, was mijn lezing voor de vereniging oud-Dordrecht, vorige week. Over de geschiedenis van Dordrecht en mijn eigen geschiedenis ter stede. In de Remonstrantse kerk, een thuiswedstrijd dus. Ik zie mij daar als zoontje van de koster nog op mijn rode driewielertje tussen de kerkbanken door scheuren. Ik raak de laatste tijd meer en meer geboeid door lokale geschiedenis. Misschien dat ik in de nabije toekomst wel weer terugkeer tot mijn oude liefde, Dordrecht in de achttiende eeuw en dan vooral het reilen en zeilen van de Patriotten tussen 1780 en 1787, met die pamflettenstrijd. Ook de middeleeuwse geschiedenis van de stad is machtig interessant, maar daar hebben we Henk 't Jong al voor, die onlangs een indrukwekkend boek heeft gepubliceerd over de opkomst van het graafschap Holland (De dageraad van Holland. Geschiedenis van het graafschap 1100-1300). Lokale geschiedenis heeft in ieder geval het voordeel van het archief om de hoek en niet te vergeten het studiecentrum Augustijnenhof, waar ze mij bij mijn voorbereiding voor die Dordtse lezing uitstekend hebben geholpen.
Bij die voorbereiding kwam ik jou dus tegen en ik zal zeker nog vaker in de beeldbank grasduinen, want je weet maar nooit wat voor verrassingen dat nog oplevert. De grootste verrassing deze week was trouwens het bezoek van een journalist die mij kwam interviewen voor de krant. Hij bleek uitstekend voorbereid! Het resultaat ligt straks in de bus, als de bezorger zich niet laat afschrikken door het ijzige novemberweer, maar over het weer klagen we voorlopig niet, na de mooiste zomer sinds 1976.

In gedachten, altijd,

Kees

Dordrecht, 21 november 2018

Foto: Beeldbank Regionaal Archief Dordrecht.

maandag, november 19, 2018

Chinezen



In 1923 maakte mijn grootvader een reis om de wereld. Met het ss. Sloterdijk van de Holland Amerika Lijn. Hij schreef daarvan een verslag, in keurig schoolschrift. Mijn moeder was net zeven jaar. Een uitstekende leerlinge op de lagere school. Ze heeft haar rapporten altijd bewaard, een regen van negens en tienen, maar doorleren mocht niet van opa: 'Meisjes trouwen toch.' 

Zo achterlijk was Nederland tot ver in de jaren vijftig: meisjes die trouwden werkten niet meer. Mijn kleuterjuf ging trouwen, dus ontslag! Ik heb haar nooit meer gezien. Ze was misschien twintig. Theoretisch kan ik haar nog steeds tegen het lijf lopen. Ik denk dat wij elkaar niet zullen herkennen. 

Als grootvader terugkwam van een reis, hadden zijn kinderen moeite hém te herkennen. Hij was een vreemde man met een snor geworden. Na de geboorte van nummer vijf, mijn oom, die wel mocht doorleren (hij werd waterstaatkundig ingenieur), moest Cornelis van oma aan wal. Hij werd winkelier, een melkboer vol zeemansverhalen. In Indië, vertelde hij vaak, kwamen Chinese koelies aan boord voor het laden en lossen. Ze leefden aan dek. Als ze een zeeslang vingen, werd die in mootjes gehakt en geroosterd. Steeds liepen de rillingen over mijn rug. Zeeslang.... terwijl ik dacht dat Chinezen uitsluitend pinda's aten. Maar ja, toen geloofde ik ook nog in Sinterklaas.

Afbeelding: C. Bekker - De 101e reis van het ss. Sloterdijk. Handschrift, archief Kees Klok.