vrijdag, december 25, 2009

Stella, 26.07.1946 - 26.12.2007






























Ooit


Ooit droomde ik me

groene weiden met gouden zonnen.


Ooit maakte ik plannen

hoe ik wilde leven.


Ooit was mijn leven

helder stromend water, een kristal.


Nu verlies ik me in vragen

zonder antwoorden te krijgen.


Nu leef ik met de dag,

van iedereen afhankelijk.


Nu hangt mijn leven

aan een dunne draad.



Stella Timonidou



Dordrecht, 2.11.2007


In: Eindeloze nachten. Gedichten. Liverse 2009.



Κάποτε


Κάποτε ονειρευόμουν

πράσινα λιβάδια με χρυσούς ήλιους.


Κάποτε έκανα σχέδια

πώς θα ήθελα να ζήσω.


Κάποτε η ζωή μου ήταν

γάργαρο νερό, κρύσταλλο.


Τώρα χάνομαι σ’ ερωτήσεις

χωρίς να παίρνω απαντήσεις.


Τώρα ζω με τη μέρα

εξαρτημένη απ’ όλους.


Τώρα η ζωή μου κρέμεται

από μια λεπτή κλωστή.



Στέλλα Τιμωνίδου



Ντόρντρεχτ, 02.11.2007 


'Απο: Ατελείωτες νύχτες. Συλλογή Ποιημάτων. University Studio Press 2008.


woensdag, december 23, 2009

De lege stoel (slot)


Om een uur of acht wandel ik de Bairro Alto in, zonder veel idee wat en waar ik wil eten. In de Rua do Norte zie ik een Indiaas eethuisje, dat een warme, intieme indruk maakt. Ik neem een matige garnalenkerrie met een half flesje rode wijn, die weer uitstekend smaakt. Bij de koffie vraag ik een aguardente. Er verschijnt een enorm cognacglas op tafel, dat tot de helft wordt volgegoten. Om veiligheidsredenen laat ik een derde staan, werp een laatste blik op de lege stoel tegenover mij en zet koers naar het Chiado. Het is net tien uur als ik vermoeid mijn bed in rol.


Zondagmorgen half elf. Ik zie een enkele wandelaar op het stille, zonovergoten Chiado. Ik ben zojuist voor het eerst van mijn leven door een virus overvallen, dat zich had genesteld in de computer van het hotel waarmee ik mijn e-mail ging bekijken. Ineens begon ik een groot aantal door mezelf verstuurde berichten te ontvangen, die als onbestelbaar retour kwamen. Het niet regelmatig bijwerken van je contactenlijst heeft in ieder geval het voordeel dat je snel een virus ontdekt. Het onderwerp was een Portugese kreet en in het attachment zat het virus. Ik heb de computer direct afgesloten, dan maar geen e-mail, en zal het euvel thuis met mijn Apple te lijf gaan. De man aan de balie, die behoorlijk Engels spreekt, doet eerst of hij mij niet begrijpt, maar reageert, als hij mijn ergernis bemerkt, met een 'we zullen iemand bellen.' Ik heb dat niet afgewacht en waag me niet meer op die computer. Een aantal bekenden waarvan het nummer in mijn mobiel zit, heb ik per sms gewaarschuwd, voor de rest hoop ik maar dat de virusscanners hun werk doen. Terwijl ik de Rua do Carmo afloop om een krant te kopen zie ik in gedachten een brandstapel met een stel virusmakers erop. Verschillende keren word ik aangeklampt door padvinders die loten verkopen. Hoofdprijs een televisie. Uiteindelijk zwicht ik voor twee meisjes in de brugklasleeftijd, vanwege hun lieve ogen en hun aandoenlijke poging om Engels te spreken. De kiosk op het Rossio heeft geen Harald Tribune en uit Nederland alleen de Telegraaf. Dan liever geen krant. Ik begrijp nooit waarom het NRC-Handelsblad en Trouw het overal in het buitenland laten afweten en je ook een Volkskrant zelden ziet, maar wel altijd dat blad waarmee ik niet dood wil worden gevonden.

Ik loop terug naar het Chiado en sla de Rua Serpa Pinto in, waar zich het Museum voor Contemporaine kunst moet bevinden, dat naar ik vernam een behoorlijke collectie negentiende eeuwse schilderijen bezit. Het gebouw dat ik voor het museum houd zit stevig op slot. Geërgerd daal ik de steile straat af, richting Taag, sla linksaf en kom weer in de Baixa terecht. S. Martinho da Arcada blijkt gesloten, Nicola zit vol en uiteindelijk kom ik weer in A Brasileira, mijn tijdelijke werkkamer, terecht voor mijn ochtendkoffie, nadat ik eerst Tussenjaar heb opgehaald. Tussen het lezen door kijk ik naar het nu voornamelijk Portugese publiek. Een jonge vrouw met een zwart, koket bedoeld hoedje met voile, rookt een sigaret aan de bar en praat met een oudere man in een duur ogend kostuum, maar met groezelig vet haar. Het hoedje is dopvormig en doet mij aan het hoofddeksel van Wammes Waggel denken. Een deel van de tafels wordt gevuld door gezinnen met kinderen, de vrouwen en kinderen zitten, de mannen, rijk gedecoreerde officieren van de lucht- en landmacht, staan er omheen te roken en wijn te drinken. Het valt mij op dat vrijwel geen enkele bezoeker lang blijft. Weinig mensen nemen een tweede consumptie en meestal is men na zo'n twintig minuten, hooguit een half uur, alweer verdwenen. 

Ik krijg trek en loop naar het restaurant naast het museum dat ik eerder gesloten vond. Ik blijk me te hebben vergist. Het is het gebouw van het Teatro San Carlos. Het restaurant is aan de deftige kant, de bediening zeer correct, de wijn zeer goed en de bacalhao niet te eten. Als de ober vraagt of het smaakt knik ik beleefd van ja. Stella zou tactvol hebben laten blijken dat het misschien iets beter had gekund, maar de stoel tegenover mij staart me met een lege, nietszeggende blik aan. Ik herinner mij de maaltijd die we hadden in de Cervejaria da Trinidade. Daar ga ik vanavond herkansen. Een flink deel van het niet al te grote restaurant wordt in beslag genomen door een kinderrijke familie die iets te vieren heeft. Ze produceert minder decibellen dan ik in zo'n geval in Griekenland gewend ben, maar ze is toch iets te nadrukkelijk aanwezig. Door de wijn en de geweldige Portugese cognac daarna, is mijn zin in museumbezoek verdwenen. Ik ga een uurtje slapen. 


Voor ik ga herkansen wil ik nog wat verder werken aan mijn verhaal. Het is nu druk in het café. Met moeite vind ik een plek naast een jongeman met lang, zwart haar, een baard en een zwarte bril. Hij heeft iets van een taliban of een priesterstudent. Hij leest een dichtbundel, waarin hij soms met potlood aantekeningen maakt. Daarna pakt hij een schrift en begint zelf iets te noteren. Hoewel ik nieuwsgierig ben naar wat hij doet, vind ik het ongepast hem te storen. Het ogenblik dat hij vriendelijk vraagt of hij ook gebruik mag maken van mijn asbak, geeft aanleiding tot een gesprek. Ik laat het moment echter voorbij gaan, wil geen opdringerige buitenlander lijken en zet me aan het verhaal. Even later vertrekt de jongen. Ik schuif naar zijn plek tegen de wand. Naast mij strijken nu een gezette vrouw en een man van middelbare leeftijd neer. Ze bestellen koffie, halen bladmuziek tevoorschijn, lopen liedteksten door en zingen soms heel zachtjes een paar maten. Ook zij blijven nauwelijks een half uur. 

Ik schrijf tot de tijd gekomen is naar de Cervejaria da Trinidade te gaan, een oud klooster dat is verbouwd tot restaurant. Twee zalen, rijkelijk versierd met azulejos, de beschilderde en geglazuurde tegels waar ook veel gebouwen in de stad mee zijn gedecoreerd. Ik had eerder moeten gaan, de zaak is afgeladen vol. Er staat zelfs een rij gasten te wachten tot er plaats is. Aan in een rij staan om ergens te mogen eten, heb ik een vreselijke hekel. Dan maar ergens anders naartoe om terug te denken aan elf jaar geleden, toen we in gesprek raakten met een Canadese filmmaker, die bezig was met een opdracht voor de wereldtentoonstelling. Zoals gebruikelijk wisselden we kaartjes uit en zouden we contact houden. Daar is niets van terecht gekomen. Ook gebruikelijk. Zo verwacht ik evenmin dat Monica die foto opstuurt en dat ik haar ooit nog eens zal zien. Bij die Indiër was het wel gezellig gisteren, het is vlakbij, men is gul van schenken en ik zal vragen of de maaltijd dit keer op Indiase wijze gekruid kan worden. Als ik binnenstap zie ik een beeldschone vrouw aan een tafel bij het raam. Ze heeft iets bekends, al heb ik haar nooit eerder gezien. Als ik in Mariaverschijningen zou geloven, dan zou ik haar beslist voor de Maagd houden. De lege stoel tegenover haar wordt even later gevuld een een wat pokdalige, oudere man, van wie ik niet weet of hij vader of minnaar is. Ik verlies me al snel in de wijn en de nu goed gekruide maaltijd, maar omdat ik in het hotel nog wat wil lezen, waag ik mij niet meer aan de aguardente. 


Tot mijn verbazing zit A Brasileira op maandagmorgen om tien uur al stampvol. Ik neem daarom mijn ochtendkoffie in de voorname, fraai betimmerde pastelaria Bernard, waar ik het hotelontbijt aanvul met een grote chocoladecroissant. Toen ik er met Stella was, hadden we zonnig meiweer. Nu is het een koude decemberochtend. Evengoed staat de deur wagenwijd open. Ik ga zo ver mogelijk achterin zitten, maar de kou trekt onaangenaam langs mijn benen. Het is rustiger dan in A Brasileira, maar ook hier stomende koffiemachines en kletterend vaatwerk. Er komt een deftig geklede dame binnen, die eruit ziet alsof ze al een heel lang leven bij Bernard komt. Ze hoeft niet te bestellen, haar koffie wordt direct gebracht. In 1998 zat aan diezelfde tafel zo'n zelfde dame voortdurend te bellen met een mobiele telefoon. Stella en ik verbaasden ons daarover en ergerden ons een beetje. Nu voel ik mij onthand als ik mijn mobiel niet bij me heb. Drie meisjes nemen plaats aan het tafeltje vlak naast mij. Een van hen pakt, zonder iets te zeggen, de lege stoel tegenover mij, draait die om en gaat met haar rug naar me toe zitten. Ik denk ondertussen aan elf jaar geleden, hoe wij, nog altijd verliefd, door Lissabon zwierven, maar ik word gestoord door het gekrijs van een baby in een kinderwagen bij de toonbank. Dat en de kou verdrijven me uit Bernard. 

Ik pak mijn koffertje, kijk of ik niets in de hangkast en badkamers heb achtergelaten, leg de loten van de padvinderij op het nachtkastje, met een briefje voor het kamermeisje, en vraag beneden om de rekening. De receptionist is zwijgzaam. Verlegen, slecht geslapen of gewoon een nurks, wie zal het zeggen? Ik bedwing de aanvechting om te vragen hoe het met het virus is, groet beleef, aan mij zal het niet liggen, en loop naar de taxistandplaats, twintig meter verderop. Een beleefde chauffeur, die bovendien behoorlijk Engels spreekt, brengt me voor negen euro naar de luchthaven en schrijft ongevraagd een bon voor me uit. Ik betaal vijftien en ga op zoek naar de incheckbalie. Daar is bijna niemand, ik word direct geholpen. Een glimlachende dame geeft me mijn boardingcard en wenst me een goede vlucht. Bij de controle wordt mijn usb-stick ontdekt, voor het eerst in al die jaren dat ik hem draag, maar alleen omdat ik mijn vulpen in m'n borstzak had, in plaats van in mijn jasje. Het vliegtuig, een Fokker-100 vertrekt met bijna een uur vertraging. Vanwege de drukte in Amsterdam. legt de piloot uit. Uiteindelijk stijgen we op en zie ik de Taag onder ons wegglijden. Het toestel is half vol, naast mij heb ik drie lege stoelen. Het kan niet op, denk ik, waarna ik mij in de laatste bladzijden van Tussenjaar verdiep.


 


zondag, december 20, 2009

De lege stoel (2)


In het café hangt een aangename geur van verse koffie, vermengd met tabaksrook. Het loopt tegen het middaguur. Erg druk is het niet. Aan het belendende tafeltje leest een charmante Portugese een tijdschrift. Verderop zitten wat toeristen. De cappuccino die wordt geserveerd is groter dan die ik gisteren op het terras kreeg. Hij is ook goedkoper. Het Franse systeem, dus. Ik heb er al een flink deel van de dag op zitten. Om half zes precies werd ik wakker, half zeven in Nederland, de gebruikelijke tijd om op te staan. Ik heb geprobeerd nog wat te slapen, wat niet lukte. Ondertussen bedacht waarover mijn volgende stuk voor het Griekenland Magazine moet gaan. Een onderwerp uit Thessaloniki, dan kan ik volgende week eventueel foto's maken. Er wordt hier ook heel wat gefotografeerd. De ene toerist na de andere schiet een plaatje van het interieur, zonder zich te bekommeren of we dat prettig vinden of niet.

A Brasiliera vraagt erom gefotografeerd te worden. Het is een van de mooiste Jugendstilcafés die ik ken. Het heeft iets van Principas in Thessaloniki, maar rijker gedecoreerd en wat kleiner. Nadat ik mij gisteren in het hotel had geïnstalleerd, ben ik op het terras gaan zitten, tot het te fris werd. Op het plein speelde een jongen in een vreemd, zakachtig gewaad weemoedige muziek op een oliedrum. De toeristen fotografeerden elkaar op de lege stoel bij het standbeeld van Pessoa. Stella heeft daar ook een foto van mij genomen. Ik zat met mijn pijp te genieten van het licht en voelde mij zo thuis, dat ik de neiging had bij het bestellen en afrekenen Grieks te spreken. 

Toen het tegen half vijf te kil werd, heb ik een wandeling gemaakt door de Baixa, door de straten uit Het Boek der Rusteloosheid. Ze waren versierd voor de kerst, maar minder uitbundig dan doorgaans in Thessaloniki. Minder zelfs dan in Dordrecht. (Het leuke meisje staat op, trekt haar jas aan en groet mij vriendelijk als ze wegloopt. Kom daar in Dordt eens om.) Via het Rossio en de Rua Augusta kwam ik terecht bij S. Martinho da Arcada, volgens eigen zeggen het oudste café van Lissabon. Tegenwoordig is het grotendeels restaurant. Ik ben buiten, onder de arcade gaan zitten voor een gul geserveerd glas uitstekende, rode wijn. Het Terreiro do Paço is op het ogenblik een grote bouwput. Nergens in Europa schijn je meer te kunnen ontkomen aan De Bouwput. Na een pijp en een tweede glas een tafel besproken voor later op de avond en teruggelopen naar het hotel om mijn jas en pet op te halen. 

Ik denk aan de lege vliegtuigstoel naast mij. Symbolisch. Daar had Stella moeten zitten, net als toen we in 1998 naar Lissabon vlogen. Ook nu, tegenover me, weer een lege stoel. Toen ik in het grauwe, druipnatte Dordrecht besloot naar Portugal te gaan, dacht ik aan de weemoedige herinneringen die ik hier zou hebben en dat die vooral de toon zouden gaan bepalen van het verhaal dat in Lissabon moest worden geschreven. (Er stappen Nederlanders binnen. Te herkennen aan de alwetende blik van mij verkoop je niks en de slonzige kleding.) In plaats van een sombere, aan saudade lijdende stad, trof ik een zonnige metropool. Het licht deed me goed na weken regen in het zompige moeras, met zijn hysterische, altijd ontevreden mensen. Het kortelontjesvolk, direct klaar met een grote bek of erger. Dat ik het Portugees niet versta en geen idee heb van de plaatselijke waan van de dag, helpt om illusie en zelfbedrog in stand te houden.

Ook gisteravond tijdens het diner weer die lege stoel en de herinneringen aan het bezoek met Stella. Aan hoe ze de andere gasten zou observeren en becommentariëren. Er zat een man van mijn leeftijd in het gezelschap van een Afrikaanse pastoor, een jongeman met de geloofsijver twinkelend in zijn ogen. Hij zag er vriendelijk uit, maar leek mij van de gevaarlijke, bekerende soort. Verder een gezelschap van drie mannen rond de veertig en een jonge vrouw in een bankiersmantelpakje. Er waren veel gereserveerde tafels, die de gehele avond onbezet bleven. Aan de wanden overal foto's van Fernando Pessoa, ooit een van de stamgasten. Veelal dezelfde foto's die ik in de slecht geschreven, of slecht vertaalde, Pessoa-biografie van Angel Crespo heb. Er liepen vier obers, alle vier nog geen een meter zestig, die vriendelijk, maar wat afstandelijk bedienden. Alle andere gasten kwamen na mij en waren eerder weg. Ik genoot op mijn gemak van een goede spinaziesoep, een bacalhao met bechamelsaus en een halve fles rode wijn, een heerlijke Cabriz. Ik had er nog wel eentje willen nemen, maar alleen, ver van huis, dat zet niet aan tot overmatig drinken. In plaats van het dessert twee espresso's genomen en een glaasje aguardente. Even na elven liep ik terug naar het hotel. De meeste terrassen en cafés waren al dicht of aan het sluiten, alleen op het Chiado was het nog levendig. Ik had geen fut meer voor de kroeg. In bed nog wat in Tussenjaar gelezen en daarna gaan slapen.


Ik wenk de serveerster, die volgens een naamplaatje op haar schort Anisia heet en vraag om een glas rode wijn. Ze zegt dat die alleen in flessen wordt geserveerd, halve of hele. Ik bestel een halve. In plaats van rode wijn brengt ze vinho verde. Ik vraag weer om rood, maar even later komt ze zich verontschuldigen. De halve flessen rode wijn zijn op. Een hele vind ik op dit tijdstip te veel, dan maar bier. Superbock, vermeldt het etiket. 

Vanmorgen, na het ontbijt, dat werkelijk niets voorstelde (er lagen wat mini-croissantjes met jam en je kon jezelf helpen aan mierzoete vruchtensap en waterige koffie), een wandeling gemaakt. Eerst door de buurt en daarna een heel eind de Avenida da Libertade op. Het was winderig en fris, maar zonnig. Ik stuitte op een ruzie tussen een Portugees en twee Afrikanen en heb mij direct uit de voeten gemaakt. Het was ongeveer op de plek waar Stella en ik het busongeluk meemaakten. We kwamen in een overvolle lijnbus terug van het Gulbenkian Museum. Een auto reed door rood, we knalden er bijna op. De chauffeur remde zo hard dat we door de bus tuimelden. Ik kwam op een mevrouw terecht, zonder wederzijdse schade. Stella kreeg een dikke kerel op haar voet. Aanvankelijk leek het niets, maar het werd allengs pijnlijker en de volgende dag kon ze nauwelijks lopen. Na dat ongeluk kwamen we op verhaal bovenin de lift van S. Justa, vanwaar je een prachtig uitzicht op de stad hebt. Daarna zagen we op het Largo do Como de processie met de Maagd, waarover ik in mijn gedicht 'Het is al laat' schrijf.

Alleen reizen heeft het voordeel dat je precies kunt doen wat je wil, je hoeft niet met een reisgenoot rekening te houden, maar je kijkt wel altijd tegen een lege stoel aan. De Nederlanders zijn inmiddels het café uit gestommeld. Ik ga mijn bier opdrinken en lunchen.


Als ik het café verlaat spreekt een jonge vrouw mij aan met de vraag of ik van poëzie houd. Natuurlijk, zeg ik, ik bén dichter. Ze toont me een dikke map vol gedichten en haalt er een uit. Ik zal hem voor u in het Engels proberen te lezen, zegt ze. Ik lees mee in het Portugees en vraag daarna of ze een bundel heeft. Nee, vertelt ze, want dat brengt niets op. Bovendien laten de meeste uitgevers je meebetalen aan de kosten van de uitgave. Van het verkopen van losse gedichten kan ze leven. Ze heet Leonora. Ik vertel haar over het Middeleeuwse gedicht 'De foltering van Leonora,' van de Cyprioot Leondias Machairas. Daarna vraag ik wat ze voor het gedicht wil hebben. Ik mag het zelf weten, waarop ik het voor vijf euro koop. Ze signeert het met haar naam en de datum. Op de foto wil ze niet. Ze is 'somewhat jumpy' en heeft al drie koppen koffie op.

Ik wandel naar de Baixa, op zoek naar een eenvoudige lunch. Ik kom terecht bij een zaakje in de Rua Correeiros, waar ik een garnalensoepje en, om in lijn te blijven, een garnalenomelet neem, met twee glazen rode wijn. De glazen worden ruimhartig tot de rand volgeschonken. Een sprekend verschil met de kleine, tot de helft gevulde glaasjes in de Dordtse kroegen waar ik kom. De omelet wordt geserveerd met frites. Ik besluit al die calorieën er na de lunch meteen maar af te lopen. Het is mooi, zonnig weer, met bijna geen wind. Ik steek een plein over en beklim een trap in de zekerheid dat ik onderweg ben naar het kasteel van Sao Jorge. Ik ken immers mijn Lissabon, maar in plaats van rechtsaf te slaan, ga ik naar links, beklim een een indrukwekkend hoge trap en kom midden in Mouraria terecht. Na een vermoeiende klimpartij eindig ik bij de Miradoura da Graça, vanwaar je een adembenemend gezicht hebt op de stad. En op het kasteel. Ik ga genietend op een bank zitten en volg een vliegtuig dat over de Taag komt aanglijden, een bocht neemt en pal over het centrum waardig afdaalt naar de luchthaven. Net als die dag dat ik met Stella van het kasteel uitkeek over de stad en er een vliegtuig net zo statig kwam langszweven. Daardoor word ik mij bewust van de lege plek naast mij op de bank. Tijd voor weemoed en saudade, zou je denken. Wat zou ik er niet voor geven om haar bij me te hebben, om al die angst en wanhoop, al dat lijden uit te wissen en te vergeten. De zon schijnt. Niet bijtend, zoals in de zomer, maar mild strelend. Op het plein achter mij, voor de witgepleisterde kerk, spelen kleine kinderen onder het oog van twee kletsende oma's. Hun zangerige Portugees klinkt als troostende muziek, al versta ik er geen woord van. Na een poosje begin ik aan de lange, steile afdaling, helemaal tot aan het einde van de Rua da Graça. Mijn kuitspieren doen zeer, Lissabon eist een behoorlijke conditie. In het hotel ga ik een uurtje op bed liggen om bij te komen.


Als ik verkwikt A Brasiliera binnenstap vind ik hetzelfde tafeltje, op de een na achterste rij, onbezet. Ik begin er te schrijven aan het verhaal dat me hier bracht. Dat me steeds aan die lege stoel doet denken. Het is aangenaam warm en gezellig druk, zonder overvol te zijn. Het vaatwerk klettert dat het een aard heeft en de koffie-automaten fluiten, blazen en rochelen. Anisia brengt me een cappuccino en en asbak. Ze heeft een mooie, matbruine teint, een mengeling tussen Portugees en Indiaas, lijkt me. Ik vraag me af waarom ze zo ernstig kijkt, er kan geen lachje vanaf. Later brengt ze nog tweemaal een half flesje vinho verde, de laatste keer wel met iets van een droeve glimlach. Ik schrijf een tijdje lekker door, wonderbaarlijk ongehinderd door de geluiden om mij heen. Dan tikt een jonge vrouw, ik schat haar tegen de dertig, mij op de schouders. Ze zegt stralend dat ze een foto van mij heeft gemaakt, omdat ze het mooi vond dat ik zo geconcerteerd zat te schrijven. Van haar vriendin had ze gehoord dat ik dichter ben. Achter haar staat Leonora, ook al stralend. Monica heet ze, ze is fotograaf en doet aan visual arts. Ze laat me de foto in de camera zien, belooft dat ze hem via het internet zal sturen. Ik geef haar mijn e-mail en de adressen van mijn homepage en weblog. Ze vraagt hoeveel boeken ik heb gepubliceerd en of die ook zijn vertaald in een taal 'die wij Zuid-Europeanen kunnen lezen.' Ik moet haar teleurstellen, tenzij ze Grieks leest. We nemen afscheid, Leonora met een handkus. Ik zie de lege stoel tegenover mij en verwijt mij m'n lompheid dat ik ze niets te drinken heb aangeboden.


dinsdag, december 15, 2009

De lege stoel (1)


Het was een opwelling om Nederland in het weekeinde van 5 december te willen ontvluchten. Ik denk met een zekere weemoed terug aan de St. Nicolaasavonden uit mijn kindertijd, maar in de wetenschap dat die nooit meer zullen terugkeren, vind ik het beter om de geforceerde gezelligheid te mijden. Ik besloot dat weekeinde naar Lissabon te gaan, om daar te werken aan een verhaal over de reizen die ik met Stella maakte. Een hoofdstuk voor een boek in wording. Het moest beginnen in een stad die ons allebei fascineerde. Lissabon lag daarom voor de hand. Ik zocht op het internet het hotel waar we in 1998 samen logeerden. Borges, op het Chiado, boven café A Brasileira en naast de pastelaria Bernard, twee etablissementen met een lange en eerbiedwaardige geschiedenis. Er was een kamer beschikbaar, maar om voor mij onbekende redenen bleek die een weekeinde later de helft goedkoper. De Hollander in mij besloot dan maar een week later te vertrekken en het St. Nicolaasweekeinde berustend over me heen te laten gaan. Daarom bevind ik mij nu op Schiphol, in de buurt van uitgang B13, in afwachting van de vlucht naar Lissabon.


Als je op Schiphol niet zulke schandelijke parkeertarieven zouden gelden, had ik de auto genomen, dacht ik vanmorgen. Er heerste chaos op het station van Dordrecht, vanwege een stroomstoring ergens in Brabant. De trein was overvol, zodat ik zelfs in de eerste klas tot Rotterdam moest staan, maar we kwamen met weinig vertraging aan. In de vertrekhal nu eens niet de gebruikelijk chaos die ik aan het begin van iedere vakantie moet ondergaan, maar natuurlijk was er weer wel het hinderlijke gedoe bij de controle. Overjas uit, colbert uit, broekriem af, poortje door, broekriem aan, colbert aan, overjas aan. Mijn potje met vulpeninkt bleef onopgemerkt, evenals de usb-stick om mijn nek. 

Ik drink een cappuccino en eet er een croissant met ham en kaas bij. De bar ligt tegenover uitgang 15 en ik heb nog een uur. Dat breng ik door met Tussenjaar van J. Rentes de Carvalho, een van de boeken die mij tot En vooral: de gordijnen dicht! heeft geïnspireerd. Ik stond vanmorgen vroeg in tweestrijd welk boek mee te nemen: een reisboek van Patrick Leigh Fermor of Tussenjaar. Uiteindelijk besloot ik mij geheel in Portugese sferen te dompelen. Ik herlees Rentes boek voor de derde keer en kom er nog steeds interessante verrassingen in tegen. Ook heb ik zijn Portugal. Een gids voor vrienden, bij me.


De enige onbezette stoel in het vliegtuig is die tussen mij en een juffrouw aan het raam. Ze maakt een lome, vermoeide indruk en strijkt voortdurend door haar verwarde, onverzorgde haar. Soms leest ze de Volkskrant, meestal slaapt ze of doet alsof. We spreken de gehele vlucht geen woord met elkaar. In plaats van de verwachte lunch wordt ons een broodje met een soort visschnitzel aangereikt. Het smaakt goed, maar ik had meer verwacht. Ik betaal tenslotte geen prijsvechtersprijs voor de vlucht. Kennelijk bezuinigt de TAP ook al op de catering. Wel is men gul met de goed smakende, rode wijn, de vinho tinto.


Precies op schema landen we in Lissabon. Dat overkomt je niet vaak als je van Schiphol vertrekt. Hoewel er een goedkope busverbinding is, neem ik een taxi en het risico te worden opgelicht. Ik herinner me mijn eerste bezoek aan de stad, samen met Lupius. Ik zie nog diens beteuterde gezicht toen de vriendelijke en vlotte chauffeur zich rap uit de voeten maakte met zijn belastingvrije slof sigaretten nog in de kofferbak. De chauffeur van dienst is een vriendelijke, oude baas. Hij zet de meter niet aan en ik vind het beneden mij om daar iets van te zeggen. Wel lieg ik hem in het moeizame gesprek dat we hebben, hij spreekt nauwelijks Engels en mijn Portugees is minimaal, voor dat ik vaak in Lissabon kom. Ik vraag me af wat de rit me gaat kosten. Ik heb me laten vertellen dat het normale tarief een euro of twaalf is. Bij het hotel aangekomen vraagt hij er vijftien. Dat valt me mee. Opgewekt maak ik er zeventien euro van.


Stella zou het er niet mee eens zijn, maar hoewel ik een kamer aan de voorzijde had gevraagd, zit ik nu toch achter in het hotel. Op aanraden van de receptionist. Je hebt er geen straatrumoer. Aan de voorkant gaat het leven tot laat op de avond door. Ik zit in 224, een soort suite met een slaapkamer, kleine zitkamer en twee badkamers. Ruim, maar ontstellend ongezellig ingericht. Geen enkele decoratie aan de muur, net als een pelgrimsonderkomen op Athos, maar daar hangt altijd nog wel een icoon. Er is wel een comfortabele schrijftafel en er staat een kleine televisie. Enig uitzicht is er niet, de ramen komen uit op een smalle, kokerachtige binnenplaats, maar met de ruimte, het feit dat ik niet al te hoog in het gebouw zit en A Brasiliera naast de deur vind ik het wel goed zo.


(wordt vervolgd)



maandag, december 07, 2009

Saudade


Er hangt een regensluier over de rivier, zodat het lijkt alsof het mist. Het is typisch zo'n decemberdag waarop Peerke, de vriend waarmee ik jarenlang in deeltijd geschiedenis studeerde, zou zeggen: 'we hebben recht op een uurtje triest staren over de rivier.' Of hij die uitspraak van zichzelf had, weet ik niet zeker. Je moest oppassen met uitspraken van Peerke. Lang geleden publiceerde ik een van mijn eerste verhalen in een Vlaams tijdschrift, ik meen dat het naar de naam Creare luisterde. Daarin sprak ik over 'de Calvinistische doem,' een uitdrukking die Peerke vaak in de mond nam als we op een grauwe winterzondagmiddag op weg waren naar de kroeg. Van Peerke kon ik wel wat pikken, meende ik. Het bewijsnummer was nog niet gearriveerd of ik kwam de Calvinistische doem tegen in een verhaal van Simon Carmiggelt. 


Ik zit in het Veerhuis, waar vanmiddag het Genootschap ter Bevordering van Eb & Vloed bijeen zal komen, een gezelschap overwegend gepensioneerde collega's, dat op gezette tijden het glas heft op betere getijden. Ik ben vroeg van huis gegaan. Ik vond dat ik recht had op een uurtje triest staren. Ik ben geen depressief type, maar dagenlang regen en zelden een zonnestraal veroorzaakt een gevoel dat de Portugezen saudade noemen. Een moeilijk te omschrijven gevoel van droefenis, dat misschien nog het best wordt gedekt door het Griekse melancholía. Melancholie in het Nederlands, maar ook weer niet helemaal, want het is een niet geheel onaangenaam gevoel. Er speelt een soort troostende ondertoon doorheen, waardoor het moeilijk valt te definiëren. Als ik bezocht word door mijn saudade wil ik naar de rivier of, als ik in Griekenland ben, naar de Ano Polis, de oude bovenstad van Thessaloniki, vanwaar je ongestoord zwervend door de stegen zicht hebt op de baai, zonder je op de boulevard te hoeven storen aan het gehengst en getetter uit de vele, veel te dure bars en discotheken.


Gehengst en getetter is vanmiddag niet aan de orde. Het is stil in de zaak. Enkele tafels verderop zitten twee Nederlandse zakenlieden aan de lunch met een stuk of zes Chinezen, Japanners of Koreanen, mensen die in Ons Indië vroeger te boek stonden als Vreemde Oosterlingen. Onder het nagerecht luisteren ze naar een Engels praatje van een van de zakenlui, dat vertaald wordt door een jong meisje. Ik hoor de man het woord disaster-organization gebruiken en denk even dat zijn firma in rampen handelt, maar uit wat ik verder opvang blijkt men tentenkampen in de aanbieding te hebben. Ik kijk naar de waterbussen die op gezette tijden aanmeren en naar een enkele duwboot die langs ploetert. De kop van de Merwedekade was al vroeg bekend terrein. Hier zat ik als jochie met mijn grootvader op een bank bij de oude gasfabriek en luisterde naar zijn zeemansverhalen. Avonturen met walvissen in Zuid-Afrika, metershoge golven die de luiken van het schip dreigden in de slaan, groepen Chinese koelies die in Ons Indië hielpen met laden en lossen en wekenlang aan dek bivakkeerden, waar zij zich grotendeels voedden met zelf gevangen vis en zeeslangen. Zeeslangen. Ik kijk naar de keurige, ingetogen Oosterlingen. 


Peerke heeft ook een tijd gevaren, in de periode voor wij gingen studeren. Op de middelbare school hadden we de afspraak dat we na ons eindexamen naar zee zouden gaan. Hij heeft zich daaraan gehouden. Ik niet. Ik ging tijdelijk werken op een scheepvaartkantoor aan de Rotterdamse Willemskade. Vanachter mijn bureau had ik een fraai uitzicht over de Nieuwe Maas, maar de Nieuwe Maas is de Oude niet en er was weinig gelegenheid tot het koesteren van mijn saudade. Die had ik op die leeftijd ook nog niet, meen ik, hoewel ik eindeloos kon mijmeren over Wendy en Susan, mijn twee Engelse geliefden, beiden ontmoet tijdens lange zomervakanties in Newton-le-Willows, die ik zou weerzien als ik genoeg had verdiend om een paar maanden naar Albion te vertrekken. Ook daar is het niet van gekomen. Ik kwam een Dordtse kleuterleidster tegen die, al was het ook maar van korte duur, alle plannen in het honderd deed lopen. Ik verliet het kantoor en begon aan de opleiding voor volledig bevoegd onderwijzer. Volledig bevoegd, dat klonk wel goed na enkele maanden tussen het geratel van telexen, het beantwoorden van vragen die ik vaak maar half begreep en het uitschrijven van connossementen voor landbouwwerktuigen, waarmee de lading van Zweedse pantserwagens voor de Portugezen in Angola werd gedekt. In de begintijd van zijn zeemansbestaan kwam Peerke met enthousiaste verhalen aan. Van een iets andere aard dan die van mijn grootvader, maar zoals de golven in opa's avonturen steeds hoger werden, zo werden de meisjes in het verre Azië steeds begeerlijker en williger. Tot hij voor vast op een lijndienst naar de Perzische Golf werd geplaatst. Na een jaar nam hij ontslag met de mededeling dat hij nooit meer een Arabier wenste te zien.


Ik denk aan de verrassende wendingen die mijn leven heeft genomen sinds ik als volledig bevoegd onderwijzer afstudeerde en aan mijn eerste school begon, een charmante bouwval in de Hoogstraat in Hendrik-Ido-Ambacht. Van dat gebouw, dat zo lekte dat bij iedere regenbui een dozijn emmers her en der in de gangen moest worden gezet, waarover menig kind bijna de benen brak, is niets meer over. Zelfs de buurt herkende ik een paar jaar geleden niet. Toen ik daar op het schoolplein op mijn manier aan de derde klas gymnastiekles stond te geven had ik nog geen idee dat ik ooit nog eens een halve Griek zou worden, door toedoen van een dame die ik aan een Amerikaanse universiteit ontmoette en die mijn grote liefde worden zou. De regen verdicht zich. Er verschijnen nu en dan dikke tranen op de ruiten. Het is begin december en deze week twee jaar geleden dat Stella voor het laatst werd opgenomen in het ziekenhuis. Ze zou daar nog enkele prachtige gedichten schrijven voor ze op tweede kerstdag overleed. Kerst, ik zal het nooit meer met een hoofdletter schrijven.


Peerke kwam aan de wal waar hij in zijn bestaan voorzag door een kantoorbaan bij een ijzerwarenfabriek. Nadat ik de Pedagogische Akademie (nadrukkelijk met een k, want we waren progressief) erop had zitten schreven we ons in bij de opleiding Geschiedenis M.O. aan de Haagse School voor Taal- en Letterkunde, in het inflatoire Nederland tegenwoordig The Hague University geheten. We gingen naar Den Haag in plaats van Rotterdam omdat de Dordtse dichter C. Buddingh', voor wie ik grote waardering koesterde, daar had gestudeerd. De colleges waren op zaterdag, afwisselend in een vervuilde ruïne aan de Fahrenheitstraat en in het Gymnasium Haganum aan de Laan van Meerdervoort, waar wij constateerden dat de toiletten nog hetzelfde waren als in Buddingh's gedicht kloppen svp. Het zou nog wel even duren en we zouden er nog heel wat werk voor verzetten, maar het stond voor ons vast dat wij uiteindelijk als historicus aan een universiteit zouden eindigen. Het is iets anders gelopen. Peerke, als student nog wel een maatje groter dan ikzelf, is inmiddels al veertien jaar dood, nog vroeger door kanker gegrepen dan Stella. En evenals Stella overleden in een plaats die hij beschouwde als een ballingsoord. De Vreemde Oosterlingen en de zakenlieden verlaten de zaak. Ik kijk ze na terwijl ze weggedoken onder paraplu's in de richting van het Groothoofd lopen. Het wachten is op de vrienden van Eb & Vloed, die mijn saudade komen verdrijven.


©Kees Klok


 


donderdag, december 03, 2009

Verplichte toets voor Kamerleden


Gisteren werd onderwijzend Nederland op pijnlijke wijze geschoffeerd door het voorstel van Kamerlid van Dijk om een taal- en rekentoets verplicht te stellen voor alle docenten in het primair en voortgezet onderwijs. Het voorstel werd direct enthousiast omhelsd door staatssecretaris van Bijsterveld. Ik heb er weer een reden bij om blij te zijn dat ik in augustus aanstaande het onderwijs verlaat. Deze docent met 35 jaar ervaring, in het bezit van ongeveer een kilo aan bijscholingscertificaten (een woord dat menig politicus niet kan spellen), een volledige bevoegdheid voor het basisonderwijs, drie tweedegraads bevoegdheden voor het voortgezet onderwijs, een eerstegraads, een doctoraalbul, alsmede een aantal boeken op zijn naam, laat zich deze belediging niet aanleunen en poneert daarom de volgende stelling:

Gezien het ontstellend lage taalniveau van politici en hun gebrek aan historische kennis zou het behalen van een toets Nederlands en van een toets Geschiedenis en Staatsinrichting op VWO-niveau voorwaarde moeten zijn voor het zitting nemen in de Tweede of Eerste Kamer.


woensdag, december 02, 2009

Neanderthalers met een kernbom


Langzamerhand nadert mijn nieuwe kroniek zijn voltooiing en aangezien driemaal scheepsrecht is volgt hier nog eenmaal een voorpublicatie uit het boek. De notities gaan over een deel van de maand december 2005, waarin de altijd verschrikkelijke donkere dagen voor kerst het leven beheersen. Mijn voorgaande kroniek, verschenen bij Uitgeverij Liverse onder de titel En vooral: de gordijnen dicht (ISBN 9789076982472) is aldaar te bestellen via info@liverse.nl.



Donderdag, 1 december:

Onze leerlingen hebben vanmiddag het Johan de Witt-debat gewonnen. Een nipte overwinning in de finale op het Johan de Wittgymnasium. We hebben onze tijd er dus niet voor niets ingestoken. Stella is meegegaan om te luisteren, wat de kinderen heel interessant vonden. Naar iets of iemand uit je privéleven zijn ze altijd heel nieuwsgierig. 

Na afloop als een haas naar de afscheidsreceptie van collega Gezinus Buter gereden, die met pensioen gaat. Helemaal achteraan de Staart, bij het Bieschbosbezoekerscentrum. Doordat ik laat was de officiële toespraken gemist. Ik kon direct onbekommerd aan de wijn, maar na twee glazen en wat geklets ben ik vertrokken. Ik was met de auto. In deze rotkou ga je niet drie kwartier naar de wildernis fietsen.

 

Zondag, 4 december:

Fa Claes stuurde een zeer lovende e-mail over mijn essay over John Burnside voor de Revisor. Daarna heb ik het nog een keer grondig doorgenomen met Stella, wat tot een paar kleine veranderingen leidde. Vervolgens heb ik het per e-mail naar Toef Jaeger gestuurd. Het ei is gelegd, nu zien of het uitkomt. 


Maandag, 5 december:

De ziektenkostenverzekering biedt ons vrijwel dezelfde verzekering aan als die we nu hebben, voor ongeveer de helft van de prijs. Niet dat we er iets mee opschieten, want nu moet ik voor Stella het premie-aandeel gaan betalen dat vroeger door mijn werkgever werd afgedragen. Veel verandert er in feite dus niet. Ook van andere verzekeraars krijgen we, ongevraagd, aanbiedingen, maar ik ga na eenendertig jaar goede ervaringen natuurlijk niet voor een handvol euro's van verzekeraar veranderen. Ik begrijp niet waarom de overheid al die heissa met het zorgstelsel overhoop haalt. Weer die stupide, alleen maar tot minder service en meer chaos leidende privatisering. Je denkt toch ook niet dat ik van telefoonmaatschappij en energieleveraar ga wisselen? Kom nou toch, het gaat al jaren goed en je weet maar nooit wat voor beunhazen je voor een paar tientjes per jaar minder binnenhaalt, afgezien van alle bureaucratische gedoe, dat je stapels malle formulieren moet gaan invullen.


Vrijdag, 9 december:

Er stond weer schandalig weinig over poëzie in de boekenbijlage van het NRC-Handelsblad. Tja, als de pers de meeste dichtbundels negeert en zelden meer iets schrijft over de literaire tijdschriften, dan moet men niet gek opkijken dat het publiek er niet of nauwelijks weet van heeft. Zo ontstaan er van die vreemde discussies, wanneer een of andere wijsneus weer eens begint te roepen dat die tijdschriften geen subsidie meer moeten krijgen omdat ze te weinig worden gelezen. Ik heb niet veel vertrouwen in de invloed van het internet, maar het zou mooi zijn als daar de voorlichtende taak van de gedrukte media zou kunnen worden overgenomen. Dat zal wel wishful thinking blijven. De krant krijg je in de bus, op het net moet je zelf naar dingen op zoek. Je moet altijd maar afwachten wie de moeite neemt om langs je virtuele vitrine te wandelen.

 

Zondag, 11 december:

Gisteren naar de kerstbijeenkomst van de Dickens Fellowship geweest, in de sociëteit Trou Moet Blijcken in Haarlem. We hebben de trein genomen, want het hele land zat dicht van de mist. Dit keer was de Haarlemse stadsdichter, George Moormann aanwezig, die een gedicht over de Fellowship voorlas, dat we daarna in ambachtelijke druk kregen uitgereikt. Een cadeautje van Cees v. Steijnen, die vóór Guus de redactie van The Dutch Dickensian deed. De kerstlezing werd gehouden door professor Hornback, een Amerikaan die in Amsterdam is komen wonen en sinds kort lid is. Hij las als Dickens de Christmas Carol in een voortreffelijke, zeer goed gelijkende imitatie van de grote schrijver.


Vooraf bij Van der Pigge, die mooie, klassieke tabakszaak in de Grote Houtstraat, sigaren gekocht. Ik loop graag door Haarlem, hoewel bij voorkeur niet op zaterdagmiddag, als er te veel winkelend volk op straat is. Het is een intieme stad en niet zo provinciaal als Dordrecht. Er hangt een minder agressieve sfeer dan in Dordt of in het nabije Amsterdam. Er waren in de jaren '80 simpelweg geen banen in het Haarlemse onderwijs, maar ik heb indertijd wel rondgelopen met plannen om mij er te vestigen. Stella en ik zouden liever in Haarlem wonen dan in Dordt, maar nu heeft het weinig zin om er nog iets te zoeken, met ons vertrek naar Griekenland in zicht. We gaan niet voor twee of drie jaar een hoop heisa in gang zetten.


Maandag, 12 december:

Meestal kijken we niet naar Netwerk. Negen van de tien keer hijgen ze daar hysterisch achter de waan van de dag aan, maar vandaag ging het over de praktijken van onze Amerikaanse bondgenoten in hun strijd tegen het terrorisme. Ontvoeringen, verdwijningen en martelpraktijken. Ondanks mooie woorden van juffrouw Rice, minister van buitenlandse zaken, toont Washington een diepe minachting voor het internationaal recht. Daardoor heeft de regering Bush de VS omlaag gehaald tot het niveau van een schurkenstaat. Neanderthalers met een kernbom.


Er kwam een e-mail van een mevrouw uit Vlaanderen met het verzoek om bij te dragen aan een poëziebloemlezing over de stad Groningen. Over Dordrecht, Thessaloniki, Haarlem desnoods, daar kan ik nog wat mee, maar wat moet ik met Groningen? Het is ver weg, het is er altijd koud en winderig, ze hebben zo'n beetje het lelijkste museumgebouw van West-Europa, op de Rotterdamse Kunsthal na, en ik herinner me nog de hopen stront en bebloed papier in het toilet van een gerenommeerd café op de Grote Markt, in hetzelfde rijtje als hotel de Doelen, toen ik daar in mijn onschuld eens een plasje wilde doen. In de Doelen heb ik overigens twee keer gelogeerd. Een keer met Lupius, in december 1975, toen we werkten aan een theaterstuk, maar onze tijd voornamelijk doorbrachten in een café dat 1672 heette, omdat je daar rustig kon schaken. De tweede keer met Stella, toen ik een lezing gaf voor een handvol studenten over de Macedonische kwestie. Dat was twintig jaar later. Het hotel, dat mij de eerste keer tamelijk chique leek, maakte bij die gelegenheid een ietwat afgetrapte indruk. Groningen: Bommen Berend, Blut und Dreck en dan nog die hoogtevreeswekkende Martinitoren, maar geen gedicht ben ik bang.

 

Zondag, 18 december:

Op zoek gegaan naar het gebruik van de term 'de zieke man van Europa' voor het Osmaanse rijk in zijn nadagen. Alle Engelstalige en Nederlandse geschiedenishandboeken die ik heb ingezien (waaronder Palmer & Colton en Elseviers Wereldgeschiedenis), spreken over de zieke man van Europa. Bij de Griekse presentatie van Afrodite en Europa beweerde professor Basil Gounaris dat het 'de grote zieke' moest zijn. Een merkwaardige uitglijder voor iemand die in Oxford is gepromoveerd. Behalve een handvol artikelen over Macedonië ken ik het werk van Gounaris niet, maar hij heeft een aantal jaren bij het extreem-nationalistische Museum of the Macedonian Struggle in Thessaloniki gewerkt. Dat hoeft op zich niets te betekenen, maar ik vraag me toch af of het wel een onbedoelde vergissing was.


Gisteren niet naar de bijeenkomst van De Tweede Ronde gegaan. Ik had geen zin om met dit afschuwelijk koude en natte stormweer alleen naar Amsterdam te sporen. Vanwege het weer wilde Stella niet mee en het oorspronkelijke plan om na afloop met Herbert Bos ergens te gaan eten ging niet door omdat hij in Dordt logeerde. 's Middags wel even met Stella naar de kerstmarkt gegaan, waar ik geen enkele kraam kon vinden die iets interessants te bieden had. Het enige aardige is de ijsbaan op het Scheffersplein, maar van die rondjes draaiende kinderen in de gietregen werden we niet echt vrolijk. Al snel naar Visser gevlucht.