donderdag, maart 15, 2012

In DWDD


'Maar waag het niet om ooit te verschijnen in de platvloerse beroemdheidskermis van DWDD,' schrijft een collega dichter mij in een e-mail. DWDD zie ik zelden. Om half acht 's avonds zit ik te eten en dan kijk ik geen televisie, want ik ben netjes opgevoed. Of ik ben blijven hangen in de kroeg. Cafébezoek kreeg ik niet mee in mijn opvoeding, maar is een beroepsdeformatie. Ik ben namelijk dichter. Dichter in Dordrecht en soms in Thessaloniki. Er zijn een paar redenen waarom ik niet voor DWDD hoef te vrezen. Een dichter is zelden of nooit interessant, zeker zijn werk niet, tenzij er sprake is van een spectaculaire, kijkcijfersbevorderende levenswandel. Ik water weleens tegen een boom in het Oranjepark als ik te veel bier op heb en ik fiets weleens door rood, spectaculairder is mijn levenswandel niet. Een dichter uit Dordrecht is een zonderling type dat zich ophoudt in een moerasgebied ver van Amsterdam. Wie in Nederland wordt opgewonden van een orakelende moerasbewoner? Tenslotte koester ik mij regelmatig in de Griekse zon, zit daar urenlang op het balkon op mijn luie krent naar het gebulder in het aanpalende Paok-stadion te luisteren of van jullie Hollandse belastingcenten in ledigheid mijn pijp en sigaren te roken. Daar word ik zeker niet gebeld door de redactie van DWDD, want een retourtje Thessaloniki – studio DWDD is iets duurder dan de taxi vanuit Dordrecht. Te prijzig, denk ik, voor een sukkel die versjes schrijft. Het is een rustgevende gedachte dat de vriendschap met de e-mailende collega niet in gevaar zal komen.


Ik schrijf ook dagboeken. Pas is deel drie, Reisgriep, gepubliceerd bij uitgeverij Liverse. Literaire dagboeken, want het gaat mij allereerst om het verhaal, de compositie, de sfeer en wat je er allemaal nog bij kunt verzinnen, dan om de waarheid. De waarheid is de basis van mijn verhaal, maar het is wel mijn waarheid en daar goochel ik weleens mee, als het zo uitkomt, alsof ik mijn naamgenoot Hans Klok ben. Hans is geen familie, dat wordt mij regelmatig gevraagd, zoals hij ook steeds te horen krijgt: 'Kees Klok, is dat familie?' Als hij wel familie was, dan zou hij in het familieboek staan. Wij hebben een echt familieboek, in 2005 uitgegeven in Nijkerk, waar de familie Klok, mijn tak van de familie Klok, zijn wortels heeft. Hij, Hans, zou in dat geval schaker zijn geworden, in plaats van goochelaar. Ik gebruik bij het schrijven van mijn literair dagboek soms mijn fantasie en soms ben ik zo doodernstig dat de werkelijkheid als oude stront aan de pagina's zit vastgekoekt. De lezer mag het uitzoeken. Ik heb geen idee hoeveel tijd van leven ik nog heb, maar ik sluit niet uit dat over een aantal jaren iemand in een van mijn boeken leest dat ik op een avond in DWDD mijn geslacht heb ontbloot en dat, gedrapeerd met wat blaadjes peterselie en wat schijfjes komkommer, op een schotel aan Matthijs van Nieuwkerk heb gepresenteerd, terwijl ik met mijn andere hand zwaai met mijn nieuwste boek. Wedden dat de sukkel die het gelooft niet door heeft dat ik dat van Gerard Reve heb gejat?


maandag, maart 12, 2012

Senang



Ik ben geen depressief type, maar er zijn van die ogenblikken dat ik door een zekere weemoed en somberheid word aangestreken. Bijvoorbeeld vanmiddag toen ik tegen het vallen van de avond naar huis wandelde. De winkels waren al gesloten en zoals gewoonlijk vult dan een dorpse leegte de Dordtse straten. Ik heb waarachtig niet te klagen. Mijn nieuwe boek is uit. Over een paar dagen signeer ik het in mijn stamcafé en daarvoor heeft zich al een groot aantal liefhebbers gemeld. Vooral op Facebook. Ik heb gemerkt dat veel 'facebookvrienden' altijd luchthartig aanklikken dat ze naar je 'evenement' komen en vervolgens niet verschijnen, maar dat zal niet voor iedereen gelden. Twee weken geleden schreef Kees van Tol een mooi stuk in AD-Drechtsteden over Reisgriep, ik ben al een week lang iedere avond te zien op RTV-Dordt, in gesprek met Ad v.d. Herik, en er is een lovend stuk over het boek aanstaande in De Stem van Dordt door Emile v.d. Velden. Van mensen die Reisgriep al hebben gelezen krijg ik mooie reacties. Daar ben ik blij mee. Eigenlijk moeten alleen De Volkskrant, het NRC-Handelsblad, De Standaard, Het Parool, Trouw, Vrij Nederland, De Groene Amsterdammer en De Wereld Draait Door nog over de brug komen en dan kan ik er ongeveer zeker van zijn dat Reisgriep volgend jaar op de Avond van het Boek de prijs van de leraren Nederlands in de wacht sleept. Mijn uitgever werkt al aan een tweede druk, waarvoor ik rap de tekst nog een keer moet corrigeren. Onvermijdelijk staan er wat achtergebleven foutjes in, zoals vlijen in plaats van vleien. Perfectie bestaat niet, maar dat hoeft geen reden tot somberheid te zijn.


Ik zou blij huppelend huiswaarts moeten gaan, maar het vallen van de avond zit er tussen. Is het eenmaal donker en zit ik knus achter de gordijnen naar mijn favoriete radioprogramma De Avonden te luisteren op Radio 6, dan voel ik mij weer helemaal senang. Daarvoor moet ik er bijna iedere avond even doorheen. Dat ogenblik dat het gaat schemeren en ik word teruggeworpen op mezelf. Het klinkt dramatischer dan het is, maar door de schemering word je steeds weer even met de neus op je eigen schemering gedrukt. Dat is geen prettig gevoel voor een geest van 21 in een lichaam dat nog wel geen drie keer 21 is, maar daar wel een beetje bij in de buurt komt. Ik vind het prachtig, al die levenservaring die mij toegewaaid is, hoewel niet altijd van de aangenaamste soort. Ik ben blij met al die boeken die ik heb kunnen lezen, al besef je meer en meer hoeveel je er door gebrek aan levensduur onberoerd zult moeten laten. Ooit bezocht ik met enkele collega's en een groep leerlingen een wijnmakerij in Griekenland. In de opslag lagen anderhalf miljoen flessen kostelijke wijn. De wetenschap dat je die nooit van je leven opgedronken krijgt, al doe je nog zo hard je best, doet je het onvermogen van de mens beseffen. Hoe harder je je best doet, hoe minder flessen je zult kunnen ledigen. Dan geeft de lever het op. Soms moet je je neerleggen bij de onvermijdelijkheid der dingen. Bij de wetenschap dat dat meisje van even in de dertig, waarop je heimelijk verliefd bent, wel iets anders op haar verlanglijstje heeft dan jouw uitgeleefde kop. Dat je beter de laatste fles niet kunt leegdrinken. Dat leidt alleen maar tot vroegtijdige opname in het verpleegtehuis, waar je dan je teleurstellingen kunt verbijten.


De avond is definitief gevallen. Ik doe de lampen aan, trek de gordijnen dicht, schakel de radio in en voel mij weer helemaal senang.


zondag, maart 11, 2012

Poedelprijs



In 1981 won ik op het Fokker-schaaktoernooi in Papendrecht de Poedelprijs. Een fraaie beker werd mijn deel. Hij prijkt nog steeds op de schoorsteenmantel in mijn werkkamer als herinnering aan dat bijzondere wapenfeit. Het was mij gelukt geen enkele wedstrijd te winnen of remise te spelen. Ik moest daaraan denken toen ik dinsdagavond door een enorme blunder plotseling mat werd gezet in een competitiewedstrijd bij De Willige Dame. Mijn vader zou mij ernstig hebben beknord. Hij leerde mij schaken, maar ik heb hem in dat edele spel nooit kunnen overtreffen. Dat was anders in het geval van mijn vriend Lupius. Ik leerde hem schaken en deed dat zo voortreffelijk dat hij al spoedig veel sterker speelde dan ik en vrijwel zijn gehele schaakloopbaan in de bovenste regionen van de Dordtse schaakwereld doorbracht. Lupius, zoals we Gerrit de Wolf noemden, een naam die mijn studiemaatje Peter Bonte ooit verzon, is alweer twee jaar geleden overleden. Peter overleed deze maand zeventien jaar geleden. Ik zit graag op een terras. Dan heb ik vaak het idee dat zij er nog steeds bij zitten. Het is zoals de oude Grieken zeiden: zolang je wordt herinnerd leef je voort.


Ook Lupius zou mij gisteravond zeer beknord hebben. Dan kon hij heel streng kijken en mompelde hij iets in zijn baard dat ik met mijn slechte gehoor zelden opving. Het hield wel een duidelijke boodschap in: wees toch eens wat minder slordig en denk even een minuutje langer door. Als ik beter sta in een partij begin ik mij bij voorbaat te verkneukelen op de overwinning, denk dat er niets meer mis kan gaan en ga snel en onzorgvuldig spelen omdat ik zit te popelen om thuis de vlag uit te gaan hangen. Dan sta je weleens plotseling mat. Het gebeurde mij twee weken geleden, vorige week en gisteren weer. Poedelprijs! Zou De Willige Dame straks ook zo'n mooie beker voor mij hebben?


Kort geleden droeg ik een gedicht voor tijdens de prijsuitreiking van het Open Nederlands Kampioenschap Snelschaak, in het prachtige gebouw van het Da Vinci College op het Dordtse Leerpark. Voor ik het vers declameerde had ik het over mijn schaakclub, die eigenlijk een schaaksociëteit is. Gezelliger en minder streng dan de gemiddelde schaakclub. Omdat het een internationaal gezelschap betrof, schaakdichterde ik in mijn tweede mother tongue, het Engels. Ik sprak over 'The Willing Lady.' Eigenlijk had ik 'The Willing Queen' moeten zeggen, maar voor je het weet krijg je gedonder met de Rijksvoorlichtingsdienst en mijn bloeddruk stijgt nu eenmaal meer bij willing lady's dan bij willing queens. Mij zie je niet met een oranje toeter op mijn kale knar op koninginnedag, tenzij ik net zo dronken ben als gisteravond na die poedelmat. Toernooiwinnaar Yasser Seirawan bleek zo geamuseerd door The Willing Lady, dat ik er, volgens boze tongen, want zelf heb ik het stuk gemist, het AD mee heb gehaald. Nu sta ik dus als schakende seksmaniak te boek. Daarvoor zou ik ook wel een poedelprijs willen. Een beker met de afbeelding van een troostende jongedame.



vrijdag, maart 09, 2012

Schippersdochter



Ooit had ik iets met een schippersdochter. Haar hele familie voer ergens op. Schepen, sleepboten, ver weg ook een pontveer, meen ik, tussen twee onbekende gehuchten diep in Limburg. Zij was van nature blond, maar had haar haren rood geverfd. Dat vond ik mooi. Ze was verder ook niet lelijk. Ik vroeg mij weleens af waar ik het als klein, ietwat waggelend door het leven gaand studentje aan een Pedagogische Akademie (in die tijd met een k!) aan te danken had. Later begreep ik dat het een natuurwet was. Mooie meisjes vallen op lelijke jongens en andersom. Ik had altijd mooie vriendinnetjes en was tot haar overlijden getrouwd met een prachtige vrouw, uiterlijk maar ook qua karakter. Die dingen gaan niet altijd samen. Een slecht karakter had mijn schippersdochter niet, maar ze was zo wispelturig als de wind. Het heeft dan ook niet lang geduurd of ze zeilde weg met een nog lelijker jongen.


Mijn vrienden waren jaloers. Niet alleen omdat ze knapper waren dan ik, beter konden voetballen en dus op de spreekwoordelijke uitzondering na, veroordeeld tot muurbloemen en puistige, of loensende meisjes met een verkeerd deodorant. Ook omdat mijn schippersdochter en ik weleens een eindje meevoeren op een vaartuig van de familie. Ze had een oudere, getrouwde zus die met haar man een groot schip bezat. Achter op het lange gevaarte was de ruime schipperswoning, helemaal vooraan een kleine hut, waar de dekknecht sliep. Als de dekknecht een weekeinde vrijaf had en er moest toch gevaren worden, mochten wij in die hut en was ik de dekknecht. In zo'n weekeinde dekte ik voor twee, tijdens de reis die van Zwijndrecht naar Emmerik ging of van Emmerik naar Zwijndrecht. Maar één keer heb ik een andere route gevaren, een week lang op een sleepboot, die heen en weer ging tussen de Eemshaven en een zandplaat op de wadden waar bagger moest gestort. Die sleepboot was van een oom van mijn schippersdochter. Hij zat een week zonder matroos en ik had toevallig vakantie. Nichtjelief had op het laatste ogenblik geen zin om mee te gaan. Toen ik terugkwam van het karwei bleek zij het anker te hebben gelicht met een aap uit Gorinchem. De Eemshaven, dat was regenachtig weer, veel bagger en niets te dekken.


woensdag, maart 07, 2012

Scheepsrecht



Als ik het gehype op de Nederlandse radio zat ben, zet ik de BBC op. Al is het maar omdat daar doorgaans op kalmere toon wordt gesproken en omdat er deels een andere waan van de dag heerst. De BBC is de rots in de branding van een vervuilde mediazee, waarin de tabloids als reusachtige kwallen ronddrijven. Bij zo'n tabloid vergeleken is een herriemakersomroep als PowNed een kinderbewaarplaats en bestaat het puberale duo dat op zondag te middernacht zijn onbeschaafde onmacht komt uitkraaien onder de naam Echte Jannen, uit twee hersenverweekte watjes. De BBC werkt soms verademend, maar er zijn dagen dat ik ook de adellijke dame in internationaal omroepland moeilijk kan verdragen. Op zulke dagen heb ik de neiging mij af te wenden van het woeden van de wereld. Dat heb ik van mijn vader. Die kondigde dan aan het liefst te gaan wonen in een hutje op de hei. Daar is het nooit van gekomen. Hij was namelijk als de dood van het kruipend gedierte dat zich in de vrije natuur ophoudt. Ik geef in zulke gevallen de voorkeur aan een afgelegen Grieks eiland, dat nog niet is ontdekt door het massatoerisme. Het is even zoeken, maar die zijn er nog. Ben ik niet in staat terstond af te reizen naar Limnos, Samothraki of Skyros, dan wil uitzetten van de telefoons ook nog weleens helpen. Even onderduiken in eigen huis en hopen dat er niemand aan de deur komt. Geen idee hoe ik de bel moet afzetten, maar die hoor ik toch de helft van de tijd niet. Daarom moet ik mijn buren regelmatig lastigvallen als er weer eens een pakket boeken door de post bij hen is afgegeven, terwijl ik nietsvermoedend op mijn werkkamer zat.


Helemaal consequent is dat niet, want op gezette tijden, als het om Griekenland gaat, doe ik ook mee aan het mediacircus en geef ik als historicus volop commentaar. Nietzsche zei echter al iets in de trant van jeder Konsequenz führt zum Teufel en daar ben ik het mee eens. Meestal komt dat commentaar geven neer op geleid koffiedik kijken. Ik bedoel daarmee vanuit het verleden doorredeneren naar de toekomst, ook al weten we nooit goed hoe die er gaat uitzien. Zo sta je als minister van financiën op krenkende wijze de Grieken de les te lezen vanwege hun begrotingstekort, en zo moet je zelf in Brussel op de knieën omdat je eigen begrotingstekort onverwacht hoger is dan je dacht en vrijwel alle wetenschappers roepen dat bezuinigen de economie meer kwaad dan goed doet. Dat hebben ze in Griekenland inmiddels ervaren. Daar groeit het leger van meer dan 25.000 daklozen in Athene met de dag. Voorlopig valt het in Nederland nog mee. Eén keertje met Oud & Nieuw géén vuurwerk afsteken betekent voor een flink aantal Nederlanders al dat hun koopkracht dit jaar niet of nauwelijks daalt. Mij over dat soort dingen een tijdje niet druk maken, ik snak er soms naar. Ik voel me weleens verwant aan de struisvogel. Lekker de kop in het zand. Als het water langs de muur loopt omdat mijn hoogbejaard dak weer eens lekt, even doen alsof je niets ziet.


Ik heb mijn leven lang heen en weer gezweefd tussen een ingeboren behoefte om mij overal mee te bemoeien en de wereld van mijn gelijk te overtuigen en de even ingeboren behoefte de hele kolerezooi de kolerezooi te laten en ergens ver weg gedichten te gaan schrijven. Daarom is het met mij nooit iets geworden in de politiek. Ik ben weleens lid van een partij geweest, vond dat zo'n beetje mijn burgerplicht, maar als er dan na een paar vergaderingen werd voorgesteld dat ik op een lijst moest voor de gemeenteraad, ongeveer het makkelijkste wat er te bereiken is, je hoeft er alleen maar glad voor te babbelen en toneel te spelen, zag ik een toekomst voor mij met beleidsnota's, vergaderingen, commissies en zeikerds uit de bevolking die je over iedere scheet aanspreken. Dan rende ik weer gillend de partij uit. Dat is mij drie keer overkomen. Drie keer is scheepsrecht, luidt het gezegde.


zondag, maart 04, 2012

Onverbeterlijke puber, of romanticus?



Na het Achtuur-journaal gaat de televisie meestal af. Soms kijk ik nog even naar de Dordtse t.v., als mijn getalenteerde oud-leerlinge Flora v.d. Berg een programma presenteert, maar daarna keer ik terug tot de radio. Behalve gisteravond. Ik zapte nog even en viel bij BBC-1 pardoes midden in een programma met de schilder David Hockney. Hij werd geïnterviewd door Andrew Marr, naar aanleiding van een tentoonstelling in de Royal Academy in Londen. Hockneys werk ken ik wel, ik ben een liefhebber, maar de man zelf had ik nooit eerder in levende lijve gezien. Wat mij direct voor hem innam waren zijn welluidende Noord-Engelse accent en zijn humor. Een man die plezier heeft in zijn kunst en daarover aanstekelijk vertelde in het mooie landschap van Noordoost-Yorkshire. Ergens in de buurt van Bridlington, 'on a road to nowhere,' zoals hij het uitdrukte. Opvallend zoals Hockney openstaat voor de modernste technologie en hoe hij die bij zijn projecten gebruikt. Dat doet niet iedereen meer die als geboortejaar 1937 heeft. Hockney lijkt nog even sprankelend als in de late jaren zestig en het tegenbeeld van die zeverende kunstenaars, wier werk ondanks omslachtige explicaties vaag en onbetekenend blijft. 'You can teach the craft, but you can't teach the poetry,' merkte hij op. Bij de zeveraars ontbreekt meestal die craft al, laat staan de poetry. Die poëzie, die heb je of die heb je niet. Een paar dagen geleden was ik bij een literaire bijeenkomst waar voornamelijk rappende dilettanten voortreffelijk bleken te rijmen, maar de poëzie was ver te zoeken. Daardoor werd het pathetisch en zielloos, verspilde tijd en zonde van het entree.


Hockneys accent wekte herinneringen aan de zomer van 1968. Ergens in juli. Een warme avond in een weiland bij Corwen in Wales, waar wij kampeerden. Ik moest nog zeventien worden, Wendy was veertien. Kalverliefde, dachten onze ouders, maar er volgde een intense correspondentie, waarin de liefde almaar dieper werd. Dachten wij. Twee jaar zag ik haar niet, maar in 1970 verbleef ik langdurig in Engeland en in die zomer logeerde ik vaak bij haar. Ze woonde in Hooton, een gehucht op het schiereiland Wirral, onder de rook van Birkenhead, vanwaar je de veerboot naar Liverpool kon nemen. Ze viel op mijn Engels, dat enigszins neigt naar het accent van Liverpool, als ik spreek zoals wij in de familie spreken. Sprak ik Engels zoals we dat hadden geleerd op school, van de voortreffelijke dr. Rudolf Dekker, naamgenoot van de historicus, dan speelde zij verontwaardiging en schold mij uit voor posh bastard. Ze had lang koperrood haar en alleen daarom al werd ik graag door haar uitgescholden. Aan het einde van de zomer namen wij in tranen afscheid in een pub in Chester. Het bleek voor altijd. Haar pad werd gekruist door een bleke puistenkop die echt Liverpools sprak. Ik kreeg verkering met een kleuterleidster met peper- en zoutkleurig haar. Dat liep niet goed af, maar dit terzijde.


Ik heb aan die episode een warm gevoel voor de Wirral overgehouden, ondanks de chemische hel van Ellesmere Port. David Hockney zou er een volgend project aan moeten wijden. Ook zwerf ik graag door de straten van Chester en ik heb nog altijd een zwak voor vrouwen met weelderig rood haar. Misschien ben ik een onverbeterlijke puber, of romanticus. De dame die het weet, mag het komen zeggen.


Father and Son



If there was one to take this ceremonial place
it would have been my father
who taught me to play chess
though never well enough to surpass him.

Poetry he did not teach me
and neither speed nor haste.
A quiet man he used to play at ease
taking time quite often too easy.

Remaining at the top of our competition of two
he earned his respect at the local club
while I fled into poetry opening up visions
he'd already discovered in the game.

He would have been
ninety five by now
honouring the winner
of this speedy competition.

He would have respected him
albeit not really understand.

It turns us once again into
two bodies, one split soul.

©Kees Klok


On the occasion of the Open Dutch Rapid Chess Championship/
Open Nederlands Kampioenschap Snelschaken


Da Vinci College, Leerpark, Dordrecht, March 3, 2012





http://www.snelschaakmarathon.nl/SSM2011

vrijdag, maart 02, 2012

Snel



Er wordt in de straat gegraven, want er moet een glasvezelkabel worden gelegd. Voor een vlotte communicatie. Ik ben wat terughoudend in die dingen: ik communiceer al vlot genoeg en ik heb al een kabel. Twee zelfs. Eentje voor de telefoon en het internet en een andere voor de radio en de televisie. Dat lijkt mij genoeg voor de rampberichten en de waan van de dag. Ik hoef die glasvezelkabel niet en daarom heb ik de uitbaters van deze vernieuwing schriftelijk mededeling gedaan dat men niet aan mijn deur hoeft te kloppen. Ondanks de stapel propagandistisch drukwerk die ik al een jaar lang in de brievenbus krijg. De kern daarvan is dat je via die kabel razendsnel kunt internetten en tegelijkertijd kunt telefoneren en televisie kijken. Dat kan ik met mijn huidige kabels ook. Nee, niet razendsnel internetten, maar snel genoeg. Ik val niet op een honderdste seconde en ik vind het wel een prettig idee dat buis en telecommunicatie niet in handen van dezelfde firma zijn. Je voelt je daardoor minder afhankelijk en veel maakt het in prijs niet uit. Ook kan ik nu gemakkelijker over op een schotelantenne, als het aanbod van mijn televisieverzorger te mager wordt. Of als de brieven van deze firma nog onbeschofter worden, wanneer ik door een verblijf in Griekenland eens een weekje of wat te laat ben met het voldoen van de rekening.


Ik luister veel naar de radio. Het valt mij op dat er op de radio almaar sneller, jachtiger en hijgeriger wordt gesproken. Snel, snel, snel. Het toverwoord waar de samenleving op lijkt te draaien. 'We zeggen geen goedemiddag,' hoor ik regelmatig van de regie bij BNR-nieuwsradio, 'we vallen direct in de uitzending, dan houden we de vaart erin.' Ik probeer mijn commentaar altijd op kalme toon uit te spreken. Dan kan ik minder vertellen dan ik zou willen, maar ik kan sowieso niet veel kwijt in die paar minuten. Het hoeft niet met een slakkengang, maar de hemel beware ons voor de racebabbel. De hemel slaagt daar slecht in. Vandaar dat oude radiofragmenten, zoals je die weleens hoort bij OVT van de VPRO, soms een licht bevreemdende indruk beginnen te wekken. Een enkele keer merk ik, als ik mijn commentaar nog eens beluister, dat ik mij door de presentator laat meeslepen. Dan heb ik de pest in.


Ik heb een grote hekel gekregen aan het woordje snel. Aan de betekenis en de klank. 'Snel!' Het klinkt als een venijnige zweepslag. Ik doe mijn boodschappen het liefst lopend of desnoods op de fiets. De auto heb ik een paar jaar geleden de deur uit gedaan. Reizen met het openbaar vervoer is doorgaans niet bepaald snel. In de file staan evenmin, maar in de file kun je niet lezen. Als de reis te ingewikkeld lijkt, je zou maar van Dordrecht naar Den Briel moeten, met trein, metro en bus, dan zie ik er vanaf, tenzij de club die me uitnodigt mij dolgraag wil horen. Dan halen ze me maar op in Rotterdam. In heel uitzonderlijke gevallen huur ik een auto, maar tegenwoordig hebben we ook de reddende OV-fiets.


Ik sta voor een keuze. In de zomer ga ik, als alles loopt zoals bedoeld, naar een conferentie in Engeland. Maar hoe? Noodgedwongen vlieg ik al genoeg heen en weer tussen Nederland en Griekenland. De claustrofobische sigaar wil ik daarom mijden. Blijft de keuze tussen de snelle Eurostar en de trage veerboot. Mijn ene grootvader was machinist bij het spoor, de andere zeeman. Voor beiden koester ik bewondering. Ik houd van treinreizen, ik houd van varen. Ik moet er nog eens goed over denken. Alleen als ik van de trap tuimel en de ambulance moet komen, krijg ik bij snel heel even een warm gevoel.