zondag, januari 26, 2020

Grenzen aan de groei



Er zijn van die dingen waaraan ik nooit hoop te beginnen. Ballonvaren, bijvoorbeeld. Van de gedachte alleen al krijg ik nachtmerries. Een paar honderd meter boven de aarde zweven in zo'n mand, afhankelijk van de wind. Ik hoor van mensen die het weleens hebben gewaagd dat het geweldig moet zijn. Ik hoef dat soort geweldigheid niet. 
Het is minstens twintig jaar geleden dat ik op de toren van de Grote Kerk ben geweest. Dan moet je die vermoeiende wenteltrap op, dat zie ik mezelf niet meer doen. Bovendien is mijn hoogtevrees in de loop der jaren alleen maar toegenomen. Ik geniet daarom wel van het uitzicht op Dordt door middel van foto's.

Als de mens voor de hoogte was bestemd, had de evolutie hem wel vleugels gegeven. Ik kan me niet meer voorstellen dat ik ooit op het dak van het World Trade Centre in New York heb gestaan en het is uitgesloten dat ik mij in een woontoren vestig. Ik heb het al eens geschreven: Rotterdam, met al die hoge gebouwen, is mij een gruwel. Ik hoop dat Dordrecht nooit tot dat soort griezelige architectuur zal vervallen, al toont het verleden dat ons stadsbestuur er ook wat van kon als het om verkeerd uitvallende besluiten ging.
Wat de nabije toekomst betreft ben ik niet helemaal gerust. De wens om de stad te laten groeien tot 140.000 inwoners wantrouw ik. Ik vrees de zoveelste aanval van megalomanie. Het zou nodig zijn 'om de voorzieningen op peil te houden', maar het lijkt mij meer iets uit de koker van overambitieuze beleidsambtenaren en handenwrijvende projectontwikkelaars.

Onlangs trad ik op bij een plaatselijke boekenbeurs. Ik las een aantal van mijn gedichten over Dordrecht. Verzen die deels zijn geïnspireerd door het werk van de schilder Willem Witsen. Die kwam af en toe naar Dordt, waar hij al schetsend met een bootje door de havens voer. Hij was lang niet de enige. Dordrecht is vele malen getekend en geschilderd. Daardoor weten we hoe de stad eruit zag voor zij langzamerhand uit haar krachten begon te groeien. Terug willen naar die tijd is natuurlijk onzin, maar er zijn wel grenzen aan de groei. Laten we die maar eens gaan stellen.

Foto: auteur


dinsdag, januari 21, 2020

Mist



Moeten we dat nu willen, nog eens 20.000 inwoners erbij op ons toch al zo veel te dichtbevolkte eiland? De Boven Ons Gestelde Autoriteiten vinden van wel. Ze rekenen ons voor dat dat goed is voor het behoud van allerlei voorzieningen en dat de stad daarom gebaat is bij groei. Ik weet het niet. Ooit zei een wethouder van onderwijs tijdens een vergadering over een fusie van middelbare scholen, waar wij als docenten mordicus tegen waren: 'Over drie jaar heeft de nieuwe scholengemeenschap zo'n negenhonderd leerlingen.' Onze mavo had er op dat ogenblik zo'n vijfhonderd. Er kwamen drie honderd zieltjes bij door die fusie. Drie jaar later stond de boel op instorten, want er waren nog maar zo'n tweehonderdvijftig leerlingen over.

Ik ben dus niet zo onder de indruk van de voorspellende waarde van politici. Tenslotte is het zelfs voor ons historici al onmogelijk om de toekomst te voorspellen. Ja, dat het binnenkort weer eens ergens goed misgaat, kunnen we wel met zekerheid zeggen, maar dat ligt meer aan het kennelijke onvermogen van de mens om ook maar enige lering te trekken uit het verleden dan aan de vooruitziende blik der geschiedkundigen. Dat klinkt mooi: 'vooruitziende blik der geschiedkundigen'. Lijkt een beetje op een oxymoron.

Toen ik vanmorgen wakker werd en de gordijnen opende, hing er mist boven mijn eiland. Nu, net na het middaguur, is het nog steeds een beetje nevelig. Ik vind dat wel mooi. Mist onttrekt veel lelijkheid aan het oog, al die dozen op die deels overbodige bedrijfsterreinen, die onze gemeente in de loop der jaren heeft laten aanleggen, om maar eens iets te noemen. Daar werd ook veel over voorspeld. Nu moet een tsunami van nieuwe inwoners de stad redden, lijkt het. Ik hoop dat het in de toekomst nog heel veel gaat misten.

Foto: auteur


maandag, januari 13, 2020

De week



De week begint met het nieuws dat Aart Staartjes is overleden. Als gevolg van een verkeersongeval. Iets met een auto en een brommobiel, maar ik hoef geen details. Het bericht is al naar genoeg. Ik kende hem niet persoonlijk en ik ben te oud voor de Sesamstraatgeneraties, al heb ik Meneer Aart natuurlijk weleens voorbij zien komen. We waren wel collega's. Jarenlang schreef hij een column voor het Griekenland Magazine, zoals ik dat ook al jaren doe. Meestal ging het over voorvallen op het eiland Patmos, waar hij tot voor kort delen van het jaar verbleef. Patmos, waar Johannes zijn griezelige Openbaringen schreef. Ik lees liever de columns van Meneer Aart, die van een veel aangenamer toon en inhoud zijn. Misschien gaat iemand ze nog weleens bundelen.

De week gaat verder met akelig nieuws uit Perzië, waar ze eerst per ongeluk een verkeersvliegtuig met een groot aantal eigen mensen erin neerschoten en nu het vuur openen op demonstranten die tegen dat neerschieten demonstreren. Ik moet denken aan de oudheid, toen dat land een van de grootmachten van de ons bekende wereld was. Een keizerrijk met een hoge beschaving en een rijke cultuur. Een land dat ik graag zou bezoeken, maar niet zolang dit moorddadige, theocratische regiem er zit. 
Ik herinner mij de woorden van mijn neef, ook historicus, die eind jaren zeventig waarschuwde tegen het enthousiasme waarmee wij, naïeve Westerlingen, probeerden ons ideaal van democratie aan de hele wereld, dus ook aan de Perzen, op te dringen. 'Als ze die shah wegjagen, komt er een veel verschrikkelijker regiem voor terug', voorspelde hij. We geloofden hem niet, vonden het conservatieve zwartkijkerij. Ik moet denken aan het boek Teheran een zwanenzang van F. Springer. Het stond eigenlijk op alle muren geschreven, maar wij wilden het niet zien. 

De week gaat nog vijf dagen door. Vijf dagen die vermoedelijk weer veel ellende zullen opleveren. In de wereld, maar evengoed in de dorpspolitiek op mijn eiland. De raadsfractie van D'66 is uit elkaar gevallen en men rolt nu genoegelijk knokkend door de kolommen van de plaatselijke pers. Een verzetje in de doorgaans saaie januarimaand na het reces en dat terwijl het vijftig jaar geleden is dat D'66 voor het eerst in de Dordtse gemeenteraad kwam. Er is een overval gepleegd op een Grieks restaurant, door twee in het zwart geklede losers op een brommer, heel Dordt kijkt inmiddels naar hen uit, en de stad wacht volgens sommige optimisten een verkeersinfarct, omdat een brug in de N3 moet worden gerenoveerd. Ach ja. Ondertussen heeft mijn uitgever een doos vol exemplaren van mijn nieuwe boek afgeleverd en is de zon, zij het waterig, gaan schijnen. De week, met een beetje geluk zal die mijn tijd wel duren.

Foto: Kees Klok

vrijdag, januari 10, 2020

Feestje



Het is het seizoen van de nieuwjaarsborrels. Ik ben er dol op, al loop ik ze niet allemaal af. Tenslotte hebben we net de feestdagen gehad en hangen er weer enkele broeken in de kast die niet of met moeite dichtgaan. Dan zijn al die bitterballen, kaasstengels, vlammetjes en noten iets te veel van het goede. Het is dus ook het seizoen van nog meer wandelen en veel salades. Nieuwjaarsborrels waar geen alcohol wordt geschonken of waar uitsluitend rauwe wortels, radijzen en dergelijke onzin worden geserveerd, mijd ik. Ik vind het namelijk nogal aanmatigend, onbeleefd en betweterig als je gasten uitnodigt en meteen maar voor hen beslist wat ze wel en wat ze niet drinken. Wat dat betreft is de nieuwjaarsreceptie van de gemeente Dordrecht op het randje, met het eerste uur geen en het tweede uur wel alcohol. In Zwijndrecht gingen ze wat dat betreft dit jaar geheel over de schreef, maar ja, Zwijndrecht, daar kijken we als Dordtenaren toch enigszins op neer. Daar hebben ze niet eens een historisch centrum.

Een speciale nieuwjaarsborrel is die van het Lira-fonds. Het Lira-fonds bekommert zich onder meer om het leengeld dat schrijvers ontvangen. Het leengeld, lieve kinderen, is geld dat een auteur krijgt als zijn of haar boek door een bibliotheek wordt uitgeleend. Ik ben al jaren aangesloten bij het Lira-fonds en kijk ieder jaar met spanning uit naar de afrekening. Soms kan ik daar in mijn stamcafé wel twee glaasjes wijn van kopen. Eigenlijk zou ik wekelijks naar de bibliotheek moeten gaan om mijn eigen boeken te lenen, maar daar komt het niet altijd van. Daarom ben ik blij met de nieuwjaarsborrel, ook al wordt die gehouden in Amsterdam. In de eerste plaats kun je je leengeld flink aanvullen door hem goed te raken en ten tweede kun je schrijvers en schrijfsters zien rondlopen die van hun leengeld wel regelmatig een rondje kunnen geven. Heerlijk om als provinciaaltje in het grote en belangrijke Amsterdam tussen de eredivisionisten van de literatuur te mogen verkeren, al zijn het natuurlijk vooral de liquide middelen die trekken.

Dat brengt mij op een idee voor het achthonderdjaar-Dordrecht-feestje dat we in 2020 vieren. Weliswaar had Dordrecht iets eerder stadsrechten dan 2020, dat kun je hier lezen, maar de uitbreiding van het stadsrecht in dat jaar is belangrijk genoeg om een feestje aan te verbinden. Bij wat ik tot nu toe aan plannetjes heb gezien, is de geschiedenis alleen nogal karig bedeeld. Als de gemeente Dordrecht nu eens alle historici in Nederland die weleens een boek hebben gepubliceerd (dat kunnen ze navragen bij het Lira-fonds of de Koninklijke Bibliotheek) uitnodigt op een nieuwjaarsborrel, of een Dordtse verjaardagsborrel, of hoe je het ook noemt, in het Hof, of in het stadhuis, en ze daarna op een meerdaags congres eens ernstig van gedachten laat wisselen over, bijvoorbeeld, 'nut en noodzaak van lokale geschiedenis', dan is een deel van de feestsubsidie in ieder geval goed besteed. En als het stadsarchief daarna nog een mooi boek met de resultaten publiceert, wordt een deel van het geld misschien wel via die Lira terugverdiend, want natuurlijk gaan wij Dordtenaren dat massaal lenen. Kom, organisatoren, wees eens creatief!

Foto: auteur


zaterdag, januari 04, 2020

Debiteuren Crediteuren



Wie weleens met de waterbus, voor mij een van de prettigste manieren van reizen, van Dordrecht naar Rotterdam gaat, ziet tegenover de aanlegsteiger aan de Willemskade dit gebouw. Een fraai, rond hoekpand, dat aan de Duitse bommen is ontsnapt. Daar ben ik mijn loopbaan als werkende Nederlander begonnen, in 1970, bij rederij Koenigsfeld, toen een onderdeel van de Holland-Amerika Lijn. Koenigsfeld hield zich vooral bezig met de binnenvaart, maar er was ook een bescheiden afdeling, gevestigd op de bovenste verdieping, voor de zeevaart. Twee kleine containerschepen, iets nieuws voor die tijd, voeren tussen Rotterdam en Helsinki en tussen Rotterdam en Passages in Spanje, met een tussenstop in het Engelse Felixstowe. 

Ik werd aangesteld als assistent-expediteur. Dat bleek uit het getuigschrift toen ik na tien maanden weer vertrok. Ik dacht heel de tijd dat ik gewoon de jongste bediende was. Hoewel ik niets te klagen had over mijn collega's, vriendelijke mannen, die bijna allemaal net als ik pijp rookten, een klassiek blonde secretaresse van de directeur, die bij het langslopen altijd wat moeilijk keek naar de banaan die op mijn bureau lag te wachten en een niet rokende heer met een toupet, die de geschiedenis is ingegaan als de eerste donateur van de stichting Bobby Kinghe, had de hele bedoening iets van Debiteuren Crediteuren avant la lettre, vooral op maandagochtend, als het over Feyenoord ging. Er stond voortdurend een telex te rammelen en eens per maand kwam de boekhouder van een verdieping lager naar boven met je loonzakje, waarin het strookje voor de fiscus. Die boekhouder was een, in mijn ogen, stokoude en bijzonder lelijke man, maar het bedrag, dat je geacht werd zorgvuldig in zijn bijzijn na te tellen, klopte altijd tot op de cent.

Ik moest mij bezighouden met de afrekeningen van transporten, met verschepingsdocumenten (die deftig 'connossementen' werden genoemd) en met het regelen van vervoer, per vrachtwagen of spoorwegwagon van binnenkomende containers. Dan ging het over veertig voet, twintig voet, open top, bederfelijke lading of spul dat wel een weekje op de kade kon blijven staan. In het begin vond ik een afrekening nog weleens wat te ingewikkeld. Ik herinner mij twee of drie dossiers die ik voorlopig maar in mijn bureaulade had gelegd en daarna voorgoed vergat. Toch stond in mijn getuigschrift dat ik 'een nauwgezet en plichtsgetrouw medewerker' was. Het waren aardige mensen, die Koenigsfelders. Ik vraag me weleens af wat er van hen is geworden. Ik zei mijn baan op om naar de Pedagogische Akademie, met progressieve k, te gaan en heb daarna nooit meer op een kantoor gewerkt.

Foto: auteur


dinsdag, december 31, 2019

Burgeroorlog



Nog geen maand geleden werd mijn boek Met gemengde gevoelens op reis. Brieven aan Stella in mijn stamcafé Visser gepresenteerd. De tijd vliegt, luidt het cliché. 'Nee,' placht stadsdichter Jan Eijkelboom te zeggen op bijeenkomsten van de Dordtse Dichterskring, 'niet de tijd vliegt, wij stormen door de tijd.' Inmiddels zijn we aanbeland op de laatste dag van het tweede decennium van de eenentwintigste eeuw. Over een paar uur zullen er weer honderden gewonden vallen en zullen misschien ook wel meerdere mensen sneuvelen in de veldslag die de Nederlander van de jaarwisseling maakt. Het hele land, waar je anders voortdurend wordt lastiggevallen door anti-rookzeikerds en doorgeslagen milieulio's, een oorlogszone! Fascinerend zoals een toch al tot doorslaan geneigd, matig beschaafd en matig opgevoed volk een op zich aardige traditie (het met lawaai en licht verjagen van boze geesten, de Germanen deden het al) volkomen uit de hand heeft laten lopen. 

Zo volkomen dat het hoog tijd wordt om in te grijpen. Niet alleen omdat tijdens het hoogtepunt van de burgeroorlog idioot veel slachtoffers vallen, nee, onder meer ook omdat de dwaasheid al eerder begint. De eerste ernstig gewonden vielen enkele dagen geleden al. Vannacht om vijf uur werd mijn buurt opgeschrikt door een of andere a-sociaal die nog steeds liep te knallen. Ik begrijp de fascinatie voor dat vuurwerk wel en met een goede balans van beschaving, opvoeding en gezond verstand zou een verbod niet nodig zijn. Die balans ontbreekt echter bij een deel van de inwoners van ons land. Dat pubertjes over de schreef gaan, voilà, dat doen pubertjes vaker, maar dat volwassen kerels als idioten te keer gaan is goed beschouwd behoorlijk zielig. Ook zielig is dat verwende-kinderen-gedrag van Haagse onruststokers die hun vreugdevuur niet mogen houden, omdat ze die 'traditie' vorig jaar tot bijna rampzalige proporties uit de hand hebben laten lopen. Overigens onder de gesloten ogen van de gemeente Den Haag, die wat dat betreft vele kilo's boter op het hoofd heeft. Dit jaar dus op het strand geen polonaise. Wie niet horen wil moet maar voelen. Doe een keer normaal, dan mag je volgende jaar je fikkie misschien weer stoken.

Ik had willen stilstaan bij die afgelopen twee decennia. Bij alles wat er in mijn leven veranderde door sterfgevallen en geboortes in de familie- en vriendenkring, door nieuwe vriendschappen en ervaringen, zoals het verlaten van het onderwijs en de publicatie van een aantal boeken. Bij al die kleine en grote gebeurtenissen die hun invloed hebben gehad. Ik had willen stilstaan bij menselijke kwaadaardigheden als de aanslagen van 11 september 2001, de onverstandige, Westerse interventies in het Nabije Oosten, waardoor met name de VS, zoals Maarten van Rossem terecht beweert, ongewild een terreurbeweging als IS heeft geschapen, bij de Brexit, die naar het zich laat aanzien een ramp voor het Verenigd Koninkrijk gaat worden. De wereldmacht van weleer leed vergeleken bij imperia als het Perzische, het Romeinse of het Chinese, al een kortstondig bestaan, maar de reductie tot wat het eigenlijk in de aard is, een klein eiland voor de westkust van Europa, gaat nu door eigen blindheid wel supersnel. Ach, ze komen wel weer terug, die Engelsen, ooit, met hangende pootjes, nadat de Ieren zich hebben verenigd, de Schotten zich hebben afgescheiden en de Welsh misschien ook wel dat voorbeeld hebben gevolgd. Als een sneu, berooid volk. Triest want hoe je het ook wendt of keert en of ze het willen of niet, het zijn wel onze vrienden. Ik laat dit alles verder echter onbesproken. Het is elf uur in de ochtend, overal wordt alweer geknald en ik ben daar schijtziek van. Ik denk dat ik tot volgend jaar maar met een kussen over mijn kop onder het bed ga liggen, net als de kat.

Afbeelding: archief auteur


zaterdag, december 28, 2019

Gekrompen wereld



Tegen het einde van het jaar worden we min of meer geteisterd door al die terugblikken in de media op wat veelal nog steeds de waan van de dag is, om niet te spreken van al die lijstjes van beste boeken, beste liedjes en meer van die flauwekul. Als historicus blik ik voortdurend terug, maar wel met een zekere distantie door de tijd. Om iets te kunnen overzien moet je de nodige afstand nemen. Het is een oude waarheid, die nog altijd geldt. Ooit, in een grijs verleden, toen ik nog lesgaf, zei ik, als zich iets wereldschokkends had voorgedaan, weleens schertsenderwijze tegen mijn leerlingen: 'Over vijfentwintig jaar lever ik er commentaar op.' 

Als ik vijfentwintig jaar terugkijk, beland ik in 1995. Stella leefde nog en stond op het punt zich definitief in Nederland te vestigen. In die jaren organiseerden mijn school en haar voormalige school in Thessaloniki een succesvolle leerlingenuitwisseling, die in '97 de nek werd omgedraaid door een kortzichtige, net aangestelde rector, die ook weer snel het veld ruimde, maar toen was de schade al aangericht. Ik denk er nog vaak met genoegen aan terug. Niet aan die rector, aan die uitwisseling. Stella en ik zaten vol plannen om te gaan reizen, maar die stelden we uit tot na mijn pensioen, want dan hadden we de tijd aan onszelf. Tegen de tijd dat ik, voor mijn pensioen, want ik had dingen te doen die ik nog belangrijker vond dan jonge mensen over de geschiedenis der mensheid te onderwijzen, het onderwijs verliet, was Stella overleden en daarmee mijn reislust behoorlijk bekoeld.

Overigens niet alleen door het wegvallen van Stella, maar ook omdat de wereld in de afgelopen vijfentwintig jaar op een bepaalde manier kleiner is geworden. Ik bedoel: het aantal landen in de wereld is niet verminderd, maar het aantal landen waar ik met goed fatsoen naartoe kan, of wil, is almaar aan het afnemen. Zo wil ik niet naar landen waar een regiem heerst dat kritische journalisten en burgers met onwelgevallige opvattingen opsluit. Ik wil niet naar landen waar theocratische regiems, per definitie vijandig aan de mensenrechten, het voor het zeggen hebben. Ik wil evenmin naar landen waar men elkaar de tent uit vecht of waar mensen wonen die op een nogal agressieve manier hun toeristische prullaria uitventen. Ik heb het niet op fanatieke moralisten, maar ook voor mij zijn er grenzen. Dat betekent dat bijna al die landen waar als historicus mijn belangstelling naar uitgaat, landen zijn waar ik op dit ogenblik geen voet wil zetten. Het komt dus eigenlijk wel goed uit dat ik een toenemende hekel heb aan vliegen. Niet alleen die paar uur in die sigaar, vooral het gedoe ervoor, maar het blijft triest dat ik steden als Constantinopel, Smyrna, Alexandrië en Aleppo, om er maar een paar te noemen, waarschijnlijk nooit zal bezoeken. Behalve in mijn eigen bibliotheek, op mijn eigen eiland.

Foto: auteur