vrijdag, juni 15, 2018

Ad fundum!



Mijn literaire helden? Ik heb daar geloof ik weleens een stukje over geschreven. Daarin noem ik een aantal schrijvers die ik meer dan alleen maar waardeer. L.H. Wiener, bijvoorbeeld, A.L. Snijders, J. Rentes de Carvalho, Franca Treur, Tahmina Akefi en nog een flink aantal meer. Ik kan er mijn huis mee vullen. Als dode schrijvers mee mogen doen, moet ik het huis van mijn buurvrouw erbij lenen. Ik heb de leukste buurvrouw van Nederland. Ze heeft het omslag van mijn jongste verhalenbundel ontworpen en maakt nog veel meer mooie dingen, maar dit terzijde. Soms valt een literaire held af, bijvoorbeeld als je zijn of haar boeken herleest en het na zoveel jaren tegenvalt. Met ieder boek dat ik lees, bestaat de kans dat er weer een literaire held bij komt. 

Ooit liep ik door de opslagkelder van wijnmaker Boutaris in Griekenland. 'Hier ligt een half miljoen flessen,' vertelde de dame die mij begeleidde. Ik heb ze niet nageteld en vrees dat ze een tikje overdreef, maar ook als het een tiende was, zou ik ze niet allemaal bij leven kunnen opdrinken. Een frustrerende gedachte. De wetenschap dat je, tenzij je onsterfelijk wordt, niet alle boeken kunt lezen die zijn uitgegeven, zelfs als je je tot het Nederlands beperkt, kan ook behoorlijk frustrerend zijn. In ieder geval benauwend. Er lopen literaire helden rond, die ik nooit zal leren kennen.

Soms heb je geluk en staan ineens twee helden zomaar voor je neus. Dat was in 2015 in Haarlem, toen het boek Huil maar, ik wens je uitstel toe van Joubert Pignon werd gepresenteerd in een plaatselijke boekhandel. Joubert Pignon leerde ik kennen als schoonzoon van mijn eerste vrouw, met wie ik nog steeds warme vriendschapsbanden onderhoud. Inmiddels is hij geen schoonzoon meer en hoe het met zijn vriendschapsbanden is gesteld, is mij niet bekend. Met steke de neus niet in andermans leven. Tenzij die anderman daar mooi over schrijft. 

Die twee helden waren L.H. Wiener en A.L. Snijders. Snijders las een zeer kort verhaal voor en sprak waarderende woorden over Pignon. Wiener prees de schrijver eveneens. Daarna kwam iemand aan het woord die ik alleen van naam kende, van wie ik het eerste boek nog moest lezen, A.H.J. Dautzenberg. Uiteindelijk was er receptie met wijn. Daarna ging ik met Joubert en een handvol andere schrijvers naar een kroeg, ergens in de stad, die ooit een fabriek was geweest. Hij was groot, druk, lawaaierig en ik werd er erg dronken. Anton Dautzenberg zat helemaal aan het andere einde van de tafel, daardoor ontstond er geen gesprek. Hoe de avond is afgelopen, weet ik niet meer. Ik werd wakker in mijn hotel met het boek van Pignon op mijn hoofdkussen en een gat in mijn geheugen.


Zolang de onsterfelijkheid nog niet is bereikt, kun je in ieder geval proberen een bepaalde reeks in zijn geheel te lezen. Bijvoorbeeld alles wat er in Privé Domein verschijnt. Twee dagen geleden kocht ik Ik bestaat uit twee letters van A.H.J. Dautzenberg. Als ik een fles zeer goede wijn opentrek, moet hij achter elkaar leeg. In het boek van Dautzenberg ben ik reeds op bladzijde 157 en als het zou kunnen, las ik de andere 560 pagina's in één ruk uit. Ad fundum! Het zou zo maar kunnen dat ik er een literaire held bij heb.

Foto's: auteur

zondag, juni 10, 2018

Korte broek



Ik ben geen vriend van de korte broek. Wie mijn boeken leest, weet dat. Een man kan op veel manieren voor lul lopen en een van de ergste daarvan is in korte broek, of in een half lange. Eentje met ruitmotief is het toppunt van verschrikking, vooral als de voor-lul-loper daaronder ook nog sokken draagt. Wie zonder zonden is, werpe de eerste steen. Wie kent die bijbelse spreuk niet? Ik ben niet zonder zonde. Ooit heb ik mij weleens in een korte broek buiten mijn tuin gewaagd, vorig jaar, toen het heel heet was. Ik moest mijn vrienden in de stamkroeg beloven het nooit meer te doen. Zij waren naar eigen zeggen onvoorbereid en hadden de lasbrillen thuis gelaten.

Ik heb het nog weleens bonter gemaakt. Lang geleden in Suriname. Niet alleen waagde ik mij nu en dan in korte broek op straat in Paramaribo, ik geeft toe, onder druk van mijn reisgenoten, een mens blijft een kuddedier, maar op een tocht naar het binnenland, in een korjaal richting Djoemoe, droeg ik op een dag mijn zwembroek. We moesten nu en dan door een stroomversnelling en dan is zo'n kledingstuk best handig. Die zwembroek had mijn eerste echtgenote ooit voor mij gekocht. Zij was dol op pastelkleuren. De zwembroek was zuurstokroze, met pijpjes. 

In die broek stapte ik in Gujaba, aan de Surinamerivier, waar we de nacht zouden doorbrengen, uit de korjaal. Onmiddellijk werd ik omringd door tientallen kinderen, die dolle pret hadden om deze wonderlijke verschijning. Spierwit, zuurstokroze zwembroek en rode strepen van de zon op het aankomend buikje, dat zag men zelden in het binnenland. De enige die later op de avond nog meer lachers op de hand kreeg was een blanke medereiziger die in een blauw gestreepte pyjama in zijn hangmat kroop. Zwembroek en korte broeken zijn inmiddels veiligheidshalve meegegeven met de ophaaldienst van het Leger des Heils.

Foto: archief auteur


donderdag, juni 07, 2018

Pantzerkampfwagen



Omdat we toch in de buurt waren, besloten we een kijkje te nemen in Banneux. Dat was op 18 augustus 1983. We waren nog jong en onbedorven. Maria was nog nooit aan ons verschenen, maar dat kon kloppen. Zij verschijnt alleen aan goede katholieken, niet aan langharige, maar licht kalende, ongelovige leraren. We hadden een paar uur door de Ardennen gereden en waren toe aan een verzetje. Langs de weg naar de ingang van het bedevaartsoord, waar Maria zich naar verluidt in de jaren dertig enkele malen had vertoond, stond een lint van kramen, waar de meest schaamteloze relikitsch werd verkocht. Wij hadden daar wel schik in. Ik kocht een klein, plastic flesje, met de beeltenis van de heilige maagd, dat ik even later, bij de bron met wijwater vulde. 

Voor ons liep een gezet mannetje van een jaar of vijftig, met een echt kaal hoofd. Bij de bron aangekomen nam hij met zijn handen een ruime schep water en stortte dat uit over zijn schedel, alsof hij zichzelf doopte. Daarna sloeg hij een kruis en liep verder. Wij vonden die avond een hotel in Houffalize, een dorpje aan de Ourthe, waar tijdens het Ardennenoffensief stevig is gevochten. Dat zag je aan een Duitse Pantzerkampfwagen op het dorpsplein. Duitsers weten vrijwel overal een mooie naam aan te geven. Een paar weken eerder reisde ik met vrienden per trein van Nederland naar Wenen. Ergens in de schaduw van de Lorelei kwam een conducteur de kaartjes controleren. Die had ik op zak. 'Ah, sie sind der Minigruppenführer,' kraaide de man, waarna mijn vrienden mij de rest van de reis aanspraken als Herr Führer.

Aan de Ourthe dronken we Rochefort, een zes of een acht, daar wil ik vanaf zijn, en de volgende dag bezochten we Bastenaken, bekend van de wielerklassieker Luik-Bastenaken-luik. Daar is in de oorlog zo zwaar gevochten, dat ze er twee musea aan overhielden en een monument, die we allemaal bezochten. We hadden niet voor niets geschiedenis gestudeerd, mijn reisgenoot aan de University of Lancaster, ik aan de Universiteit Utrecht. Door onze studie waren wij nogal sceptisch ten aanzien van Mariaverschijningen en het effect van wijwater, maar om Pantzerkampfwagens kon je niet heen. Wij besloten nog een nachtje aan de Ourthe te blijven.

Eenmaal thuis zette ik het flesje wijwater naast mijn bejaarde platenspeler. Baat het niet, het schaadt ook niet. Die pick-up heeft nog jaren goed gewerkt, tot ik Stella leerde kennen, die een gloednieuwe stereotoren meebracht toen ze bij me kwam wonen. Zij was van huis uit orthodox. Het verschil tussen katholieken en orthodoxen zit hem in het kruis, dat sla je op een andere manier. In Rome van links naar rechts, in Constantinopel net andersom. Het flesje wijwater vond ze niet om aan te zien. Het is, zoals L.H. Wiener zo prachtig zegt 'verdwenen in de mist der mensen.'

Foto: Brian Lord


maandag, juni 04, 2018

Rijkdom



Het is mooi wakker worden, met uitzicht op het groen, met het gekwinkeleer van de vogelen des velds, het geblaat van schapen op de achtergrond en de wetenschap dat hier in Drenthe ergens een wolf moet rondlopen, die volgens de plaatselijke bewoners zo mak is als een lammetje. Bij mijn tandarts in de wachtkamer lees ik altijd de Donald Duck, met Wolfje en zijn vader, de grote boze Wolf, die immer achter de onschuldige vriendjes van zoonlief aanzit, maar dat zijn biggetjes. Toch weet ik het niet. Als ik die schapen was, zou ik zachter blaten.

Het platteland, de natuur, ik vind het allemaal prachtig. Muggen, teken, wespen, oorwurmen, adders, kikkers en ooievaars, al die rijkdom bij elkaar. Hand in hand met Claire, die wel zo verstandig is geweest zich in te smeren met een dikke lading insectenwerend smeersel, over de bospaden huppelen. Nu en dan steekt een boomwortel vervaarlijk uit de grond met alle gevolgen van dien. Vanaf mijn zevende, ik had net 'gewisseld' tot mijn zeventiende heb ik met een half afgebroken voortand gelopen, omdat ik genietend van het bos, over een boomwortel struikelde en letterlijk iets te hard op mijn bek ging.

Naar men zegt dringt de natuur steeds meer de stad binnen. De vos schijnt al een alledaags verschijnsel te zijn, in de Dordtse havens (Amsterdam heeft grachten, maar wij hebben echte havens!) zwemt nu en dan een bever, er huist een gedomesticeerde reiger op een paal in de Voorstraatshaven, die klokslag negen uur 's avonds met een ijselijk kreet een rondje vliegt en het wachten is op de eerste beer die in de buitenwijken de vuilnisbakken induikt. Er breken met de zomer mooie tijden aan. Nog even en we gaan weer geloven in Roodkapje en de Wolf.

Foto: auteur


donderdag, mei 31, 2018

Oerwoud



Ik kwam terug van een paar weken Griekenland. Voor ik vertrok brak het voorjaar uit. Er begon van alles in mijn tuin te groeien. Vooral onkruid. 'Onkruid bestaat niet,' zegt mijn goede vriend C.. Misschien is ongewenst kruid een beter woord. Ik liet het ongewenst kruid staan, zodat de tuin bij mijn terugkeer was veranderd in een oerwoud. Een kleinschalig oerwoud, want het is maar een stadstuin. Het kan hard gaan in drie weken. 'Maak je niet druk,' zei mijn moeder weleens, 'over een week kun je dood en begraven zijn.'

Mijn goede vriend C. heeft geen computer, is daarom niet aangesloten op het internet, heeft geen weet van het geraas en getier van de beroepsverontwaardigden in de sociale media, heeft sowieso geen weet van sociale media en voelt zich daar tevreden bij. Om de bijdragen op mijn weblog te kunnen lezen moet hij wachten tot mijn uitgever de best gelukte stukjes verzamelt in een boek. Hij (C., niet de uitgever) heeft een mobiele telefoon uit de vorige eeuw. Zolang hij het doet, vervangt hij hem niet.

Vanaf mijn veranda overzie ik het oerwoud. Om orde te scheppen in de chaos heb ik de keuze tussen een duurbetaalde hovenier of mijn goede vriend C.. C. gebruikt een schoffel en een spade, de hovenier allerlei elektrische apparaten. Hij is daardoor sneller. Het resultaat is hetzelfde, maar wat als iemand over een week dood en begraven kan zijn? 

Foto: auteur


zondag, mei 27, 2018

Industriële Revolutie en Romantiek




Lieve Stella,

Een paar dagen geleden ben ik aangekomen op Skyros. Een kort bezoek, overmorgen vlieg ik naar Thessaloniki voor de laatste week in Griekenland. Tot gisteren was het prachtig weer, maar in de loop van de avond sloeg het om. Vanmorgen werd ik wakker met regen en laaghangende wolken over de berg aan de overkant. Na een slechte nacht, waarin muggen mij nogal hebben geterroriseerd, ondanks dat ik zo'n elektrisch apparaatje met een gifgastablet had aangezet. Ik heb in de loop van de nacht wel een stuk of zeven, acht van die krengen doodgeslagen. Mijn rechter ooglid is opgezwollen. Door dat gifgas, of gewoon door pollen, want de hooikoortstijd is weer aangebroken. Veel last heb ik er in Griekenland niet van, in Nederland trouwens ook veel minder dan vroeger, maar zo'n dik ooglid overkomt me wel vaker. Meestal trekt het na een dag of wat weer bij. Hoe dan ook, het is een opgave dat leven dichtbij de natuur. Veel te veel vieze vliegjes en ander eng gedierte.

Dit keer ben ik te land en ter zee gekomen. Met een bus van de KTEL vanuit Athene en daarna met de boot vanuit Kymi naar Linaria. Ik wilde die ervaring weleens hebben. Je ziet wat van het land, varen is prettig, al moet het niet te hard stormen (ik heb er geen last van, maar al die kotsende mensen is minder), en het is goedkoper dan vliegen. In dit geval dan, want mijn (boot- en trein)reis naar Cambridge was een stuk duurder dan een vlucht. Bovendien compenseerde het een beetje voor het missen van de treinreis Thessaloniki - Athene, door die staking.

Ik heb weer een les geleerd: reis nooit door Griekenland op 1 mei. Althans niet met het openbaar vervoer. Ik moest niet alleen noodgedwongen met het vliegtuig, maar als Vaso en Alexis me niet hadden opgehaald, had ik op het vliegveld van Athene heel lang moeten wachten op een taxi, omdat de rest van het openbaar vervoer in de hoofdstad vrolijk staakte. Natuurlijk werd er ook in het centrum gedemonstreerd. 1 Mei mag niet voorbij gaan zonder gezwaai met de rode vlag. Op mijn zeventiende heb ik dat ook nog weleens gedaan, maar gelukkig ben ik geen zeventien meer.

Op mijn zeventiende schreef ik liefdesbrieven aan Wendy L. in Engeland. Mijn langbenige, roodharige vlam in die tijd. Ik denk nog steeds met genoegen terug aan de logeerpartijtjes bij haar, nu ja, bij haar ouders, in het gehucht Hooton op het schiereiland Wirral, achter Birkenhead. Twee jaar geleden heb ik in Liverpool nog eens over de Mersey staan staren naar Birkenhead. Toen kwamen die herinneringen weer krachtig boven. Avondwandelingen tussen de hagen met op de achtergrond de schoorstenen van de chemische industrie bij Ellesmere Port. Industriële Revolutie en Romantiek en te jong om dat allemaal goed te beseffen. Ik vraag me af of ze nog leeft, wat er van haar is geworden en of ik haar zou herkennen als ik haar onverwacht tegenkwam. Als ik zie hoe mijn eigen kop is veranderd, koester ik geen illusies en hoef ik er al helemaal niet mee in een of ander televisieprogramma.

Ik ben in Athene toch maar niet langs het pensioenfonds gegaan. Ik wacht eerst af wat er na dertig mei gebeurt. Nikos gaat morgen nog wel een keer voor me bellen naar zijn kennis op het ministerie om te vragen wanneer mijn verzoek om het pensioentje stop te zetten eindelijk eens wordt behandeld, maar het schijnt zo'n zootje te zijn, nu ze bezig zijn allerlei overheidspensioenfondsen samen te voegen, dat antwoord nog wel even kan uitblijven. Misschien maakt de 'mei-route', nu ik geen verklaringen van goed gedrag meer instuur, tenslotte een einde aan deze malle soap.

Een dag voor ik naar Athene ging belde Tilly, die een weekend in de hoofdstad was. Ze had gehoord dat Zorbas de deuren had gesloten. Ik schrok daarvan. Zou weer een gerenommeerde zaak, waaraan we zoveel herinneringen hebben, zijn verdwenen? Nog geen half uur nadat ik in het Herodion was aangekomen stond ik bij Zorbas voor de deur. Het was gewoon open en het was behoorlijk druk. Ik werd hartelijk ontvangen met een ouzo. Die avond ben ik in Hymittos uit eten gegaan met Vaso, Alexis en Alexis zijn moeder, om Vaso's verjaardag te vieren, maar de andere avonden heb ik bij Zorbas gegeten. De eerste na de boekpresentatie van Angelos Avgoustidis, met Shereen el Sherbini en Cornelia Maria van Zanten, een goede vriendin van Frans van Hasselt, de tweede alleen. Hoewel ik altijd aanspraak heb in Zorbas en weer gezellig heb gekletst met 'de jongens,' zoals Frans de obers noemde (het zijn ook nog steeds dezelfde 'jongens' uit de tijd van Frans), zag ik toch steeds weer die lege stoel waar jij had moeten zitten. Soms heb ik van die malle, romantische gedachten, net als op mijn zeventiende.

Het was een interessante presentatie van Angelos' boek, 400 Ouzo 400, in boekwinkel Epi Lexi. Karina Lampsa, journaliste en schrijfster, gaf een uitgebreide analyse, waarna voormalig minister van buitenlandse zaken, Dimitris Droutsos, het boek aanprees met een fraaie speech, maar het hoogtepunt was het lezen van een aantal fragmenten door Angelos zelf. De avond werd humorvol geleid door de jonge journaliste Eleonora Orfanidou. Na afloop was er receptie met wijn. Wijn die zo pijnlijk ontbrak bij de presentatie van jouw vertaling van Afrodite en Europa in Thessaloniki, maar goed, laten we dat maar wijten aan een misverstand, tenslotte heeft University Studio Press het later goed gemaakt met de mooie, postume uitgave van jouw dichtbundel.

Toen ik vanmorgen koffie ging drinken op de platia, moest ik vanaf de parkeerplaats, waar Nikos mij had afgezet, een hele omweg maken door allerlei steegjes, want de hoofdstraat wordt opnieuw geplaveid. Dat bracht mij op plekken waar ik normaal gesproken nooit kom en wat mij nog eens deed beseffen hoe schilderachtig Skyros-stad is. Het is nog tamelijk rustig, maar ik kan mij voorstellen hoe gezellig het hier in de zomer is. Ik speel nog steeds met de gedachten om in de zomer ooit eens literatuurworkshops te gaan geven, maar wie is daar zo in geïnteresseerd om er de reis voor te maken? Nu ja, Skyros heeft behalve dat natuurlijk heel wat meer te bieden. Het fijne hotel Achilleion van Nikos en Roos, bijvoorbeeld, met het prachtige strand voor de deur. Niet dat ik er gebruik van maak, want ik ben geen strandmens, dat weet je, maar toch, na 's morgens lekker te hebben geschreven kunnen de deelnemers naar het strand of mee naar de platia voor vertier, of een wandeling door de bergen maken en dan 's avonds heerlijk eten bij Lambros, waarna de strandbar in. Poëtischer kan het niet, toch?

FC Dordrecht heeft gisteravond voor een geweldige stunt gezorgd door Cambuur uit te schakelen in de eerste ronde van de nacompetitie voor promotie naar de Eredivisie. De thuiswedstrijd werd met 1-4 verloren, waarna niemand meer een cent gaf voor de Schapenkoppen. In de rust (ik heb het gevolgd via de iPad) stond Cambuur, geheel volgens de verwachting, voor met 1-0, maar in de tweede helft maakte Dordt vier doelpunten binnen twintig minuten, waarna, na een doelpuntloze verlenging, de strafschoppen volgden. Cambuur vier, Dordrecht vijf. FC Dordrecht is door en dat na zeven verloren wedstrijden en een gelijkspel! Nu moeten ze tegen Sparta, waar wel van zal worden verloren. Dat geeft niets, want voor de Eredivisie is er toch geen budget en dit Wonder van Leeuwarden heeft wat mij betreft het hele seizoen gered.

In gedachten, altijd,

Kees

Aspous, Skyros, 6 mei 2018


Foto: auteur


vrijdag, mei 25, 2018

Tsipouro in de Ano Polis



Lieve Stella,

De rest van de vulling is inmiddels ook uit de kies gevallen. Zo goed mogelijk schoonhouden maar en duimen dat ik pijnloos Holland haal. Werden we maar met een kunstgebit geboren. Dat zou veel narigheid schelen. Het is vandaag bewolkt en er viel zojuist een minimaal spatje regen. Of er tussen het een en ander een oorzakelijk verband is, weet ik niet, maar er is vast een theoloog te vinden die meent van wel.

Ik was vandaag bij University Studio Press om een exemplaar van Afrodite en Europaop te halen. Ik kreeg te horen dat de vertaling van De 'reddende' revolutievan Djamila Zon eind mei van de drukker komt. Ergens in het najaar, waarschijnlijk in oktober, willen ze de presentatie houden. Ik wil daar wel bij zijn, maar eerst moet ik het boek in handen hebben voor ik het geloof. Het is al zo vaak uitgesteld. Weet je nog hoe we in de zenuwen zaten toen Afrodite en Europa een week voor de presentatie nog bij de drukker lag? Al is dat uiteindelijk op de valreep goedgekomen.

Morgen vlieg ik naar Athene. Bij Connection Travel hadden ze gelijk, er wordt 1 mei bij de spoorwegen gestaakt. Alsof de Griekse spoorwegen nog niet noodlijdend genoeg zijn. Waarom die man op het boekingskantoor met een ander verhaal kwam, weet ik niet. Uit schaamte wellicht, al zou dat de eerste Griek zijn die ik ontmoet die zich voor een staking schaamt. Ze zijn eerder trots op hun nationale liefhebberij. Het bevalt me wel dat 1 mei een vrije dag is. Daardoor konden Vaso en Alexis aanbieden mij op te halen van het vliegveld.

Gisteren had ik een onverwachte ontmoeting met Wim van Til (van het Poëziecentrum Nederland) en zijn vrouw. Op Facebook kondigde hij aan dat ze 'zojuist' in Thessaloniki waren aangekomen. Ik nodigde hen uit voor een borrel bij Melkiades, waar ik met Eliza K. had afgesproken. Je weet wel, de koumbaravan Vaso en Alexis, die eigenlijk civiel ingenieur is, maar de kost verdient met Engelse les geven. Ik vind haar erg aardig en ze is heel slim. Als ik nog niet van gevorderde leeftijd was en zij al wat meer gevorderd, je weet wel, zoals in dat gedicht van Driek van Wissen, zou ik haar misschien wel een aanzoek doen. Jij zou dat vast goedkeuren, maar zij moet een man van haar eigen leeftijd, vind ik, met een goed gebit. Als het maar geen enge macho met een motor en extreme politieke opvattingen is, of zo'n griezel waar de vroomheid vanaf druipt. 

Het was gezellig met zijn drieën, met voor ons het indrukwekkende uitzicht over Thessaloniki. We hadden het ondermeer over NEC (het Poëziecentrum zit in Nijmegen). Dat had afgelopen zaterdag bij FC Dordrecht kunnen promoveren naar de Eredivisie, als het had gewonnen. Het werd 3-3. We kwamen tot de conclusie dat de bal rond is, enz. enz., maar evengoed was Dordt gewoon te sterk om van te winnen. Ik dronk tsipouro. Daarom had ik vanmorgen geen kater, maar waarover we het na NEC hadden, kan ik mij niet zo goed meer herinneren. Ja, over Eliza's werk, meen ik, en het museum van Vergina. Ik heb ook nog het een en ander over Thessaloniki verteld en hen een aardige wandelroute vanuit de Ano Polis naar de benedenstad gewezen.

Vrijdag heb ik geluncht met onze koumbaroi. Socrates en Anastasia zijn alweer een maand of vier, vijf grootouders. Natalia heeft een dochter gekregen. Ik herinner mij Natalia nog toen wij voor het eerst bij Socrates en Anastasia gingen logeren, in hun zomerhuis in Mikiverna. Vier was ze toen en net begonnen aan haar eerste vioollessen. We waren al niet jong meer, maar toch nog lekker onbezonnen, zodat we er serieus over dachten daar ook een buitenhuis te kopen. Dat ging niet door omdat we eerst de grote verbouwing van ons Dordtse huis tot een goed einde wilden brengen. Ik denk nog steeds aan de badkamer en de keuken in termen van 'nieuw', al zijn alle huishoudelijke apparaten, alsmede de warmwaterketel al minimaal één keer vervangen. Al jouw Griekse vriendinnen zijn nu opoe (heerlijk ouderwets woord). Jij zou die kleinkinderen voortdurend vertroetelen, maar je zou ook verdriet hebben over het gemis van eigen kinderen en kleinkinderen. Ik troost me met de gedachte dat de mensheid bezig is de planeet naar de verdommenis te fokken en dat het prima is dat wij daar niet aan hebben meegedaan, al was dat niet helemaal vrijwillig. Toch ben ik dol op kinderen. In de goede zin van het woord, want anders heb je zo een horde hysterische heksenjagers achter je aan.

Hoewel Natalia en haar man allerminst kerks zijn, wordt het meisje toch gedoopt. In augustus, in Athene, waar de andere grootouders wonen. Een tegemoetkoming aan Mario's familie, want het huwelijk vond plaats in Thessaloniki. Ze moeten er helemaal voor uit Berlijn komen, dat wel, waar Natalia inmiddels Oberärztin(gynaecoloog) is. Ik ben uitgenodigd. Het zou een mooie aanleiding voor een paar dagen Athene zijn, maar het is dan net ons familie-weekend en dat geef ik er niet voor op. Dat ze het kind laten dopen toont de grote invloed die de kerk nog steeds heeft in Griekenland en de druk van de traditie. Een Griekse die niet Grieks-orthodox is gedoopt, hoort er eigenlijk niet bij.

Het doet mij aan mijn eigen familie denken. Als er iemand een hekel aan kerk en geloof had, was het opa Klok wel, maar mijn vader geraakte weer behoorlijk in de Heere, zij het, die Heere zij dank, door de invloed van mijn moeder niet al te fanatiek. Ik ben daardoor als baby wel gedoopt. Men zegt dat ik toen een jurk droeg. Dat kwam later, toen wij wilden trouwen, goed uit, want hoewel ik naar de opvattingen van opa Klok neig, zijn we omwille van jouw moeder toch maar in de kerk getrouwd en in wat voor kerk: de Agia Sofia, de alfa en omega van al die gelukkige jaren met jou. Dat zou niet mogelijk zijn geweest als ik niet was gedoopt. Nu ja, wel als dat alsnog was gebeurd, maar dat had ik beslist niet gedaan. Toen ik de pope bij de voorbespreking desgevraagd zei niet te geloven, antwoordde hij, 'hindert niet, je bent gedoopt,' waarna hij nog een ouzo voor me inschonk, weet je nog?

Een paar dagen geleden ben ik me bijna te pletter gevallen in de Agia Sofiastraat, vlakbij de Piramatiko, die nog steeds zucht onder een dikke laag gore graffiti. Je weet dat de trottoirs op zich al gevaarlijk zijn voor iedere voetganger die niet voortdurend naar dubbeltjes loopt te zoeken, maar omdat er al jaren nauwelijks sprake is van onderhoud, worden ze steeds gevaarlijker. Overal vallen er gaten in. Ik zwikte mijn voet in zo'n gat, in een seconde van onoplettendheid, en ging meteen door de knieën. Ik kon me nog net op tijd vastgrijpen aan een hek dat daar was neergezet door iemand met een vooruitziende blik. Vorig jaar heeft Fotini op die manier in de Lambrakisstraat haar been gebroken. 

Na die bijna uitglijder vond ik dat ik recht op een sigaartje had, dus ben ik naar die aardige mevrouw met haar tabakswinkel achter de Agia Sofia gelopen. Haar voorraad was bijna op. ik kon nog net een doosje Vasco da Gama's kopen, voor de helft van de prijs. 'We gaan over tien dagen verhuizen,' deelde ze mede, 'al moeten we nog bedenken waarheen. De tijden zijn slecht en in deze straat is de loop er helemaal uit.' Weer iemand dus die ik waarschijnlijk nooit meer zal spreken, net als die aardige mevrouw van de kiosk in de Lambrakisstraat, bij het gesloopte meisjesweeshuis, bij wie ik jarenlang bus-, telefoon- en internetkaarten kocht. De kiosk is verdwenen, zonder een spoor achter te laten. Nog geen afdruk op het plaveisel.

Wie er nog wel zijn: de vele bejaarden die, al dan niet leunend op een stok, langs de terrassen gaan met aanstekers of papieren zakdoekjes, omdat ze in Europa geloven dat Griekenland bezig is aan een economisch herstel. Het is niet om aan te zien, maar je kunt niet steeds je portemonnee trekken. Ik ben de ECB niet, maar wel zeer bezorgd voor de nabije toekomst. De nazi's groeien als kool, uit dat fijne buurland Turkije komen weer dagelijks honderden vluchtelingen, te land of overzee, en de EU blijft maar stug de andere kant op kijken. 'Internationale solidariteit!' riepen we toen ik zeventien was en van de wereld nog niet wist. Je kunt je op die leeftijd beter bezighouden met muziek, meisjes en veel seks. Hadden we dat maar gedaan, maar nee, we moesten zonodig de wereld verbeteren, al ging de lol daar betrekkelijk snel vanaf.

In Athene logeer ik in het Herodion. Even een paar dagen luxe en mij niets aantrekken van het wereldleed. Daarna een paar dagen wakker worden bij het kraaien van de hanen. Ik ga met de bus en de boot, want ik wil Skyros ook weleens zien opdoemen uit zee, zoals Rupert Brooke op zijn laatste, fatale, reis. We hadden het ooit een keer samen moeten doen, maar in die tijd dachten we nog dat we onsterfelijk waren.

In gedachten, altijd,

Kees

Thessaloniki, 30 april 2018

Foto: auteur