woensdag, oktober 17, 2018

Dokter in de horeca



Lieve Stella,

Afgelopen maandag heb ik een nieuw colbertje gekocht bij Chytiroglou in de Egnatia, dichtbij de Agia Sofiastraat. Voor Griekse begrippen vrij duur, maar van goede kwaliteit. Als ik het een jaar of vier, vijf draag, kost het eigenlijk nauwelijks iets en als je de prijs vergelijkt met wat een gemiddelde Dordtenaar afsteekt op oudejaarsavond, is het gratis. De mouwen waren iets te lang, die moesten worden vermaakt. Vrijdagochtend was het klaar en kon ik het ophalen. Het gaat me niet om dat jasje, maar in de buurt van die winkel is de Kastritsiou, waar ik regelmatig doorheen ben gelopen om een spoor van het nieuwe kafeneion Odysseas te ontdekken. Dat was me tot nu toe niet gelukt. Donderdag hoorde ik van Ioannis A., vaste klant van het oude Odysseas, dat het huisnummer 11 was. Daar vond ik het inderdaad. Het bleek vorige week zaterdag voor het eerst open te zijn gegaan. Ruimer dan het oude Odysseas, maar met dezelfde aangename sfeer, dat kun je wel aan Rita overlaten. Voor mij vanuit de Akropoleos ook gunstiger gelegen, ik hoef de Agia Sofiastraat maar af te dalen, en in een beduidend betere buurt. 

Gisteren heb ik er geluncht met Socrates en Thassoula en 's avonds ontmoette ik er een aantal vrienden uit het oude Loxias, waaronder Sofia, die nu voor een particulier kookt, Thanassis, die nog steeds muziekprofessor is, en zijn zus Ana. Ana is een schat. Bij iedere ontmoeting brengt ze iets aardigs voor me mee, terwijl deze lompe Hollander er nooit aan denkt om dat ook eens te doen. Ze is bovendien verschrikkelijk mooi, maar ik moet mij natuurlijk netjes blijven gedragen, anders kom ik op een lijst en roept de goegemeente dat het een schande is. Wonderlijk, niet waar, dat ik een paar dagen geleden nog dwars langs de zaak ben gelopen, zonder iets te zien. Misschien moet ik nieuwe glazen in mijn bril of ben ik gewoon een sukkel die beter moet leren kijken. Jij mag het zeggen.

Het was een druk weekje. Ze mogen in Dordrecht dan denken dat ik lekker op vakantie ben, ik ben flink aan het werk geweest. Woensdag en vrijdag heb ik mijn gastcolleges gegeven. Omdat ik vrij laat van professor Dagkas hoorde dat ik voor de twee onderwerpen minder tijd had dan ik dacht, heb ik een geheel nieuwe opzet voor de presentaties gemaakt, wat meer werk was dan verwacht, maar het was de moeite waard, want de colleges liepen gesmeerd en te oordelen naar de vragen achteraf vielen ze bij de studenten in goede aarde. Woensdag had ik een groep eerstejaars van de universitaire lerarenopleiding, ongeveer veertig studenten, bijna allemaal meisjes, vrijdag aan het eind van de middag stond ik in een enorme collegezaal in het gebouw van de Economische Faculteit waar zeker achthonderd mensen in konden en die voor ongeveer de helft was gevuld. Studenten economie, die ook iets moeten weten van economische geschiedenis. Ook daar enthousiaste reacties en goede vragen.  
Het laatste college was om zes uur in de middag, maar eer de computer en projector voor de powerpoint, die de hoogleraar zelf moest meesjouwen uit zijn kantoor, waren geïnstalleerd en de laatste studenten waren binnengedruppeld, waren we een klein half uur verder. Na een uur college en een half uur vragen en antwoorden (het eerste deden we in het Engels, het laatste in het Grieks) kon ik er vandoor, maar de professor ging nog een onderwerp behandelen. Ik moest daarom alleen over de campus naar de uitgang en dat was geen fijne ervaring. Je schrikt als je ziet wat voor gespuis daar 's avonds rondhangt. Dat heeft misschien iets te maken met het 'universitair asiel', de wet die bepaalt dat de politie de campus niet op mag zonder toestemming van de rector magnificus of zijn rechterhand. Er lopen wel wat particuliere bewakers rond, maar die hebben weinig effect, lijkt het, al valt het ook niet mee om een labyrint van drieëndertig hectaren te beveiligen. Verslaafden, hangjongeren die in Engeland met een mooi woord undesirables heten en verwarde zwervers, die allemaal vage dingen doen in het halfduister. Ik ben niet zo gauw bang, maar het was aangenaam dat enge sfeertje achter me te kunnen laten.
Tussen het sleutelen door heb ik het een en ander voor het weblog geschreven en verder gewerkt aan de lezingen die ik in november ga geven in respectievelijk Dordt, Breda en Groningen, terwijl ik ook hoognodig een aantal e-mails moest beantwoorden. Op de een of andere manier werkt de gewone mail niet. Als ik een bericht wil verzenden, zegt de computer dat de server niet kan worden bereikt, maar de binnenkomende post werkt wel gewoon. Ik heb geen zin om lang met het ding te gaan zitten tobben, dus nu werk ik maar even via de webmail. Dat betekent wel extra inloggen en soms enig knip- en plakwerk, maar het werkt altijd nog sneller dan schrijven op de iPad, waarop de mail het dan weer wel probleemloos doet. Ook af en toe lekker gelezen in de verhalenbundel Something like Happy van John Burnside. Fascinerende verhalen, soms met een wat mystieke sfeer, zoals in veel van zijn gedichten, maar ook met veel gewelddadige en kansloze figuren uit de Engelse lower classes en mannen en vrouwen die vastzitten in uitgebluste huwelijken.

Nog steeds ontdek ik bij elk verblijf in Thessaloniki iets nieuws. Zoals donderdagavond toen ik met Kostas K. een wijntje ben gaan drinken bij Argofago, een zaakje in de Apellou, die van de Svolou naar het Navarinoplein loopt. We dronken heerlijke xinomavro van het vat, met wat kleine hapjes, want echt honger had ik niet. 's Middags had ik je oudste broer en schoonzus uit eten genomen bij Jev Zein, dat aardige zaakje in Ano Toumba dat wordt uitgebaat door een endocrinoloog en zijn zwager. Een dokter in de horeca, bijbaantje naast de privé-kliniek, maar prettige prijzen en een prima keuken. Het was alvast een afscheidsetentje want vandaag is mijn laatste dag. Straks wordt het de koffer pakken, vanavond nog ergens iets eten, ik denk een salade bij Baraka (Odysseas is op zondag dicht en ik vind het bij Baraka ook aangenaam toeven) en morgenochtend om negen uur richting vliegveld. Als er geen vertraging is en als alles loopt zoals bedoeld, kan ik morgenavond gewoon een pizza eten in Costa d'Oro, want traditiegetrouw ga ik de eerste avond na thuiskomst niet voor mezelf koken. Ach, ik denk nog weleens aan de uitstapjes die ik met vrienden naar Parijs maakte, in de jaren zeventig. Die sloten we ook altijd af bij Costa d' Oro. Ik word er bijna nostalgisch van, opa vertelt. Gelukkig is er in Costa d' Oro sinds die tijd nauwelijks iets veranderd en hopelijk gaat dat nooit gebeuren ook. 
De tweede ontdekking is het meer dan voortreffelijke restaurant Nea Folia in de Aristomenou, op nog geen tien minuten lopen hier vandaan. Naast een keur aan gerechten, waar je bij een gemiddelde Griek in Nederland niet om hoeft te komen, heb je keuze uit meer dan veertig soorten inheemse kazen. Ik werd na mijn woensdagcollege meegevraagd door Olympia V. en haar vriend Dimitris K. Ik ken Olympia al jaren, via je nichtje Vaso. Tijdens de presentatie van mijn Griekse dichtbundel in Loxias, heeft zij de foto's genomen, maar fotograferen is maar een hobby. Ze werkt aan een proefschrift over Byzantijnse poëzie. Dimitris is filoloog en werkt bij het Centrum voor Griekse Taal van de universiteit. Ze waren vorige week op de grote conferentie van het Europese Genootschap voor Nieuwgriekse Studies in Lund, waar ze allebei een presentatie gaven. Ik heb er ook even aan gedacht om naar die conferentie te gaan, maar ik had geen zin om alles uit eigen zak te betalen. Het zou mooi zijn als de volgende conferentie in Nederland plaatsvindt, dan kan ik gewoon in mijn eigen bed slapen en napraten in Visser. Visser, ik hoop er dinsdag weer te zitten, lekker knus op mijn eigen Eiland van Dordrecht.

In gedachten, altijd,

Kees

Thessaloniki, 14 oktober 2018

Foto: auteur

zondag, oktober 14, 2018

Beatle



In de zomer van 1963 maakte ik voor het eerst kennis met de Beatles. She loves you, heette het plaatje dat in augustus verscheen. Net op tijd om mee te nemen naar Nederland. In het dorp in de buurt van Liverpool waar ik logeerde, waren ze al behoorlijk populair, ik weet niet of men in Nederland toen al van de Beatles had gehoord. Misschien was ik wel de eerste in Dordrecht die het plaatje bezat. 

De Beatles, dat was muziek waaraan mijn vader zich ergerde. De Beatles, dat was lang haar waaraan mijn vader en moeder zich ergerden. Alle reden dus om de Beatles te draaien en mijn haar te laten groeien, daar was je puber voor. Toen het echt over mijn oren kroop, zei de leraar Duits op een keer 'vieze Beatle' tegen me. Een erenaam. Van mijn moeder kreeg ik vijfentwintig gulden, toen een heel bedrag, als ik naar de kapper ging. Ik ging naar de kapper. Ik bespeurde een kip met gouden eieren, maar toen het weer over mijn oren kroop, bleef de subsidie uit.

Het duurde niet zo heel lang voor mijn ouders hun verzet tegen Beatles, Stones, Kinks en andere modernismen opgaven. Datzelfde gold voor het afkeuren van lang haar. Ik zei, naar ik dacht voorgoed, de kapper vaarwel. Haar en mijn familie verdragen elkaar echter niet zo goed. Ooms en neven waren rond hun dertigste vaak al zo kaal als een biljartbal. Ik wist dat ik niet erg lang zou rondlopen met haar tot op mijn schouders. Een jaar of tien, hooguit, tot ik twee leerlingen hoorde zeggen: 'Kijk daar gaat die Beatle met dat open dak.' Ik kreeg tot hun een schrik een enorme lachbui. Daarna ben ik toch maar weer naar de kapper gegaan.

Foto: archief Kees Klok


donderdag, oktober 11, 2018

Potsenmakers



In mijn studietijd, ja jongens en meisjes, dat is lang geleden, ontstond er in Nederland een ware spellingstrijd. Een aantal meneren en mevrouwen begon te pleiten voor een fonetische spelling. Je moest iets gewoon spellen zoals je het uitsprak, dan maakte je ook nooit meer een spelfout. Spelling was tenslotte maar een afspraak en die afspraak kon je zonder meer vervangen door een andere. Ik hoor het mijn toenmalige leraar Nederlands, net van de universiteit en vol revolutionair vuur, nog roepen. Remco Campert liet zich meedrijven op de zogenaamd progressieve stroom en schreef Tjeempie of Liesje in Luilekkerland, een bijzonder komisch boek in fonetische spelling. Hij heeft het daarna bij mijn weten nooit meer gedaan. Een fonetische spelling. Als het was doorgegaan hadden Groningers en Limburgers elkaars teksten nauwelijks meer kunnen lezen en hoe zou dat hebben gemoeten met de spellingcontrole op de pc? Ach, die was er nog helemaal niet. Werkstukken schreven we op een schrijfmachine, met een beetje geluk een elektrische, en als er veel moest worden gewijzigd, typte je het hele rotding over.

Ja, mijn leraar Nederlands had gelijk. Spelling is een afspraak, maar wel eentje die, eenmaal gemaakt, zo weinig mogelijk, liefst helemaal niet, moet worden veranderd. Waarom kunnen we het Engels van James Boswell uit de achttiende eeuw, redelijk gemakkelijk lezen? En zelfs dat van Shakespeare, die nog een flinke tijd eerder schreef? Omdat de Engelsen, zo dom als ze zijn met hun Brexit, met hun spelling heel wat verstandiger omgaan dan wij. Nauwelijks veranderingen. Dickens spelde het Engels vrijwel hetzelfde als ik vandaag de dag doe. Wij Nederlanders zijn in een bepaald opzicht een uiterst merkwaardig volk. Als we een afspraak hebben die goed werkt, zeggen we na verloop van tijd: het wordt tijd voor verandering. Wij geloven dat verandering onverbiddelijk verbetering brengt, een opvatting die even jammerlijk is als geloven dat je kind door inentingen autistisch wordt of dat 'de markt' zaligmakend is voor de economie.

De taal verandert, maar daar hoeft de spelling niet voor mee te veranderen. Wel ben ik het met A.L. Snijders eens dat het raar is om, zoals altijd wordt gedaan, de geschiktheid van een sollicitant af te meten aan het feit of de betrokkene al dan niet foutloos spelt. Als iemand in zo'n brief 'het gebeurd mij weleens' schrijft kan hij een even goede magazijnchef worden, of barbediende, of postbode, als iemand die 'het gebeurt mij weleens' schrijft, al geldt dat natuurlijk niet voor een schooljuffrouw of een journalist, beroepen waarin het goede voorbeeld moet worden gegeven. Ernstiger zou ik het vinden als iemand het bastaard-Nederlands gebruikt van de generatie die, idioot als het is, als 'millenials' wordt aangeduid. Ik ben geen taalpurist. Talen beïnvloeden elkaar en dat kan soms verrijken, maar iemand die voor de helft, of soms meer, Engelse woorden uitkraamt, terwijl er niets mis is met het Nederlandse equivalent, die neem ik niet serieus. Dan ben je in mijn ogen een irritante potsenmaker, ook al spel je de boel correct.

Foto: auteur


maandag, oktober 08, 2018

Studentenleven



Oplettende lezers weten het al, want ik heb het weleens eerder opgeschreven. Ik ben zo'n typische stapelaar. Begonnen op een 'opleidingsschool,' waarvoor mijn ijver niet toereikend was, verder gegaan op een gewone lagere school, daarna naar een mulo gestuurd, waar ik in de tweede struikelde, ook uit gebrek aan ijver, waarna ik het licht zag, die school met prachtige cijfers afmaakte en mij door een slecht geïnformeerde schooldecaan de havo liet aanpraten, want dat zou in 1968 hetzelfde zijn als de hbs, maar dan met minder vakken. Toen ik van die havo afkwam, met een handvol negens, een acht en een zeven, maar die lag aan de leraar Duits, bleek ik toch niet naar de universiteit te kunnen. 

Ik begon aan mo-Engels, maar kon niet wakker blijven bij de lessen grammatica en fonetiek, terwijl de literatuur, het enige dat mij echt boeide, pas bij de akte-b aan bod kwam. Dan maar de pedagogische akademie, daar had ik de havo-top tenslotte ook gedaan. Na het behalen van de 'Akte van bekwaamheid als volledig bevoegd onderwijzer' ging ik op een lagere school aan de slag en daarnaast begon ik in deeltijd aan de studie voor Geschiedenis-mo. Ik haalde mijn mo-1 en daarna mijn mo-2. Tenslotte rondde ik de studie af met een doctoraalexamen in Utrecht, bij Maarten van Rossem, die niemand toen nog kende als mediafiguur.

Hoewel ik een groot deel van mijn studie uit eigen zak heb betaald en er een aanzienlijk deel van mijn sociale leven aan heb opgeofferd, heb ik geen seconde spijt van de weg die ik bewandelde. Die havo-top aan de Gemeentelijke Pedagogische Akademie te Dordrecht leidde weliswaar niet direct tot de universiteit, maar het was een fantastische school, waar veel jonge docenten met moderne opvattingen werkten en waar vooral ook je creativiteit werd gestimuleerd. Dat was op de onderwijzersopleiding idem dito, al irriteerde het mij weleens dat sommige leraren je al te nadrukkelijk wilden 'vormen'. Mijn latere opleidingen kon ik in hoge mate naar mijn eigen wensen inrichten en dat beviel ook uitstekend. Bovendien was de, inmiddels helaas verdwenen, mo-opleiding zo degelijk, dat het doctoraal daarna in een handomdraai kon worden behaald. Dat ik als een van de twee specialisaties voor kunstgeschiedenis koos in plaats van voor sociaal-economische, is ook iets dat ik nooit heb betreurd. In tegendeel, ik heb er bij ieder museumbezoek plezier van. 

Het enige dat mij een beetje spijt is dat ik, door al dat college lopen in deeltijd, het echte studentenleven heb gemist. Ik bedoel het studentenleven van voor de tijd dat de rendementsgruwel zich in het hoger en wetenschappelijk onderwijs invrat. Toen studeren nog wat meer inhield dan in razend tempo door de universiteit te worden gejaagd en je nog iets meer ervoer dan een blikken reet van de collegebanken. Ach, er echt onder lijden doe ik niet. Ik speel dat studentenleven, nu ik niet meer in het onderwijs werk, gewoon met mijn vrienden na. En dat bevalt uitstekend.

Foto: auteur


zaterdag, oktober 06, 2018

Te Nikíti



Nu heerst nog het vertrouwde geduld
van oeroude olijfbomen, waartussen 
herinneringen zich verweven met de avondwind.
De bergen staan scherp
tegen een wolkenloze hemel,
zodat er hoop is
op vallende sterren in de nacht,
op geheime wensen die,
nog voor het ontwaken, 
al natrillen in onbezielde leegte.

Het geruststellende gezoem
van een hommel, een roerloze
hagedis die afwacht:
als de natuur
tot vrede stemt
ligt bloedvergieten op de loer.

We zwijgen over het vallen
van de morgen, 
dat blikkerende licht, koud en scherp
als pas geslepen staal.

In: Het is al laat. Gedichten. Uitgeverij Liverse 2008.

Foto: auteur


dinsdag, oktober 02, 2018

Tot zover het weerbericht



Lieve Stella,

Toen ik hier maandagmorgen aankwam vanuit Nederland, in veel te warme kleren, was het nog volop zomer. 's Avonds begon het ineens hard te waaien, zakte de temperatuur snel met zo'n tien graden en brak de herfst aan. Het is somber buiten, bewolkt, nat en het waait een beetje, want ten zuiden van Thessaloniki trekt een zware storm, bijna orkaan zeggen de kranten, voorbij en daar krijgen we misschien een uitlopertje van mee. Tot zover het weerbericht. 
   
Ik zit weer in dezelfde studio als de vorige keer, in het Tijdelijk Schrijfhok dus, heb al verschillende avonden bij Konaki gegeten, ben gisteren met je nichtje Eleni en haar vriend Nikos aan de zwier geweest in de buurt van Platia Athonos, heb Yorgakis, de liefhebber van Engelse literatuur, gezien in een drankhol om de hoek bij het voormalige Loxias en ben daar toen ook maar een uur of wat op een paar glazen wijn gaan zitten. Hoe het heet ben ik vergeten te noteren, maar het zijn de buren van keizer Galerius en het is letterlijk een hol. Duister, met een niet onvriendelijk, maar Eucalypta-achtig vrouwtje achter de bar en één vaste klant, een reus die voortdurend verbaasd uit zijn ogen kijkt, maar niet echt gevaarlijk is, geloof ik. Yorgakis komt er af en toe met Yiannis de Pontiër, maar die was wegens handel buiten de stad. Yiannis verhandelt de wijnen van zijn zwager, maar doet ook in andere dranken en daar rijdt hij van in een tot disco omgebouwde mercedes. Ik ben een keer met hem meegereden naar de oude Karaisas, de schilder die in een Dali-achtig appartement woont in Konstantinoupolitika (probeer dat maar eens uit te laten spreken door een Nederlander) en daar ben ik drie dagen doof van geweest. 
   Voorts heb ik Baraka, aan de andere kant van de familie Galerius, voorlopig benoemd tot het Visser van Thessaloniki, waar ik vrijwel iedere dag aan het eind van de middag koffie ga drinken en iets substantieels daarna, want het knusse kafeneion Odysseas van Rita, de voormalige rechterhand van Loxias, is gesloten en oogt inmiddels als een troosteloze puinhoop. Nee, Rita is niet failliet, ze heeft iets gehuurd in de Kastritsiou, waar ze het kafeneion gaat voortzetten, maar daar is de verbouwing uitgelopen, zodat het, althans volgens Sofia, de voormalige kokkin uit Loxias, die ook weleens in Baraka komt, pas volgende week open gaat. Ik reken nergens op, maar ik denk wel dat ik er bij mijn volgende bezoek terecht kan, als ze maar niet in de kelder gaan graven, want dan heb je voor je het weet de Archeologische Dienst over de vloer. Denk maar aan de metro, dat gebed zonder end. 

Hoewel het T.S. wel een beetje klein is, ongeveer de helft van mijn werkkamer thuis, is het van alle gemakken voorzien. Een badhokje waar ik net in pas als ik niet te veel kilo's aankom, een ruim bed, een aardig balkonnetje met uitzicht op een binnenplaats en een keukentje waar ik eventueel kan koken, wat ik met Konaki op twee minuten afstand lopen, uiteraard niet doe. Ik maak wel een ontbijtje en zet koffie. Je begrijpt dat ik die koffie uit Dordrecht heb meegenomen, Dordtse blend uit het Theewinkeltje in de Nieuwstraat, want die is veel meer naar mijn smaak dan de Jacobs die ze bij het supermarktje in de Mouson verkopen. Aardige mensen daar, dat wel. Ik ging om lijm, want mijn orthopedische hakjes zaten niet meer goed vast, maar kon in de chaos niets vinden. De winkelier is tien minuten aan het graven geweest in een stapel dozen en kwam toen met een brede glimlach met een aantal tubes Uhu aan. Ik heb er maar direct drie gekocht.
   Omdat ik lekker ver van de straat zit, kan ik hier goed werken. Ik heb al een artikel geschreven voor Lychnari, dat boeiende tijdschrift over het Griekenland van nu, waaraan jij ook weleens het een en ander hebt bijgedragen, en de laatste hand gelegd aan de voorbereiding van de gastcolleges die ik op 10 en 12 oktober geef bij Alex Dagkas aan jouw oude Alma Mater. Wandelen doe ik ook, maar vanwege het gelazer met mijn achillespees ga ik wel te voet naar de benedenstad, of een klein stukje van hier naar boven als ik bij Melkiades, met dat mooie uitzicht over de stad, wat wil drinken, maar ik ga meestal met een taxi terug. Als ik de bus wil nemen, nummer 23 stopt voor de deur, moet ik helemaal naar de halte bij de haven lopen, vlakbij het Holocaustmonument, anders zit het ding te vol, want het is maar een kleine bus vanwege de steegjes waar hij doorheen moet. Nu weet je ook meteen waarom ik orthopedische hakjes in mijn schoenen heb. Ik moet van de dokter ook allerlei rekoefeningen doen. Gelukkig heb ik weinig inkijk, anders denken de buren dat ik 's morgens al iets te veel heb gedronken, terwijl je weet wat voor toonbeeld van matigheid ik ben. 

Dinsdag moet ik langs de boekhouder, in dat grauwe hok bij het station dat hij kantoor noemt, om te vernemen hoe het staat met de aanhoudende troebelen met de belastingdienst. Ik heb nog steeds geen reactie op de aangifte. Ze zullen wel weer een of ander niet-bestaand papier uit Nederland willen, compleet met vertaling en apostille, want hier leggen de ambtenaren wetten en regels geheel op eigen wijze uit. Ik vrees dat we weer naar de fiscus zelve moeten. Dat betekent om half zeven op en om half acht de deur uit, want als je daar niet bent op hetzelfde ogenblik dat de boel open gaat, loop je de kans de rest van de ochtend op je beurt te moeten wachten.
   Op 4 oktober 2017 heb ik persoonlijk in Athene een verzoekschrift ingediend om het nabestaandenpensioentje stop te zetten. Door de dubbele belasting en de kosten van de vertalingen en de boekhouder, houd ik nauwelijks iets over, dat heb ik je, meen ik, al eens geschreven. Ik heb nog steeds geen antwoord, maar dankzij een telefoontje door Vaso weten we inmiddels wel dat het protocolnummer in een computer staat en het verzoek op een stapel ligt bij een juffrouw die het zo druk heeft dat ze de telefoon niet opneemt. Ik voorzie een nieuw bezoek aan Athene. Gelukkig kan ik dat altijd combineren met leukere dingen.
   Vorige week heb ik trouwens nogal wat Atheners ontmoet in Amsterdam. Bij de inaugurale rede van de nieuwe professor Nieuwgrieks aan de UvA, Maria Boletsi. Wat zou het fijn zijn geweest als je erbij had kunnen zijn, want ze was leerlinge van de Peiramatiko toen jij daar lesgaf. Niet aan Maria, zij koos voor Duits, maar ze kan zich jou goed herinneren. Haar vader, Spyros, werkte er toen als filoloog en jullie waren goed bevriend. Vandaar dat ik hem ook ken. Maria bezet als bijzonder hoogleraar de Marilena Laskaridis Leerstoel in Nieuwgriekse Studies. Haar benoeming is een belangrijke stap in de strijd om de studie Nieuwgrieks voor Nederland te behouden. 
   De UvA heeft Nieuwgrieks ondergebracht bij de Capaciteitsgroep Romaanse talen en culturen, wat voor mij een teken is dat het College van bestuur het niet helemaal begrijpt. Grieks een Romaanse taal en cultuur? Nu ja, Nederlands is aan de Aristotelesuniversiteit een onderdeel van de studie Duitse taal en letteren en niet alleen daar, vrees ik. 

In de tijd dat ik hier zit, logeren de vrienden uit Up Holland in het huis in Dordrecht. Zo weet ik zeker dat, mocht de (na)zomerse droogte nog steeds voortduren, de tuin adequaat wordt besproeid. Ik heb niet voor niets een smak geld betaald aan de hovenier. Met genoegen, want het is mooi geworden, maar het moet, nog tot ver in de herfst, wel mooi blijven. Voor mijn vertrek heb ik zelf nog flink wat tuinwerk gedaan, waardoor mijn tennisarm weer terug is. Pijntje hier, pijntje daar, maar zo lang het niet erger wordt dan het is, is het te doen. FC Dordrecht heeft, na een gelijkspel in de eerste wedstrijd van het seizoen, tot nu toe alles verloren, inclusief de eerste bekerwedstrijd. Dat is pas erg!

In gedachten, altijd,
Kees

Thessaloniki, 30 september 2018

Foto: auteur



zaterdag, september 29, 2018

Koloniale geschiedenis



Ik vind het prima dat de discussie over ons koloniale verleden in Indonesië, Nederlands-Indië, de Gordel van Smaragd, of Insulinde, weer eens oplaait. Onze voorvaderen, nu ja de voorvaderen van sommigen onder ons, hebben er mooie dingen gedaan, ze hebben er verschrikkelijke dingen gedaan, ze hebben de inlanders (ja, zo noemde men dat, moet je even aan wennen dezer dagen) onderdrukt of ze kwamen voor ze op. Jan Pieterszoon Coen, Herman Willem Daendels, Eduard Douwes Dekker, Willem Walraven, om maar een paar namen te noemen. Ze hebben met vele andere een rol ten goede of ten slechte gespeeld, of iets daar tussenin. Persoonlijk heb ik veel op met Walraven, een van de weinige totoks die trouwde met een inlandse (Soendanese) vrouw en zich daardoor bij de Nederlandse gemeenschap niet populair maakte, en die prachtige, kritische stukken schreef in verschillende Nederlands-Indische kranten. Een columnist avant-la-lettre. 

De Java-oorlog, het Cultuurstelsel, de Atjeh-oorlog, de oorlog die leidde tot de onafhankelijkheid, maar ook de Ethische Politiek met sterke verbeteringen op het gebied van onderwijs, gezondheidszorg en infrastructuur. De Ethische Politiek had als onbedoeld gevolg de opkomst van het nationalisme onder leiding van mensen als Hatta en Sukarno. De reactie van het Nederlands bestuur op de opkomst van dat nationalisme was dom en tamelijk gewelddadig, denk maar aan het ballingsoord Boven-Digoel, maar daar kwam ook onmiddellijk kritiek op, zowel in Nederland als in Indië.

De geschiedenis van de Nederlands-Indonesische koloniale betrekkingen is buitengewoon interessant, maar ook ingewikkeld (probeer maar eens tot een eenduidig oordeel over het Cultuurstelsel te komen). Ik kwam er al jong mee in contact. De buurman van mijn Rotterdamse grootvader was bemanningslid van de Zeven Provinciën tijdens de muiterij en de fatale bom. Mijn Dordtse grootvader bevoer in zijn jonge jaren als zeeman de Indische archipel. Later had ik biologie van een oud KNIL-officier die vol verhalen zat over zijn belevenissen voor en tijdens de Japanse bezetting. Tijdens mijn universitaire studie heb ik mij met veel genoegen verdiept in de geschiedenis van Nederlands-Indië (en de West). 

Ik verbaas mij weleens over opmerkingen in de media dat er in het onderwijs onvoldoende aandacht wordt besteed aan het onderwerp. Tijdens mijn drieëndertig jaar in het voortgezet onderwijs was de geschiedenis van Nederlands-Indië/Indonesië regelmatig eindexamenonderwerp en als het dat niet was, behandelde ik, en ik zal zeker niet de enige in Nederland zijn geweest, die voor een schoolonderzoek. 

In die drieëndertig jaar heeft de overheid er alles aan gedaan om het geschiedenisonderwijs zoveel mogelijk te beschadigen. Minder uren, geen verplicht eindexamenvak meer, tamelijk schadelijke nadruk op vaardigheden ten koste van kennis, het afschaffen van de MO-opleidingen, terwijl op de lerarenopleidingen meer wordt gezanikt over 'reflecteren op jezelf' en dat soort quatsch dan op grondige kennis van je vak. Ik heb wat stagiaires eerst zelf les moeten geven voor ze een onderwerp voor de klas konden behandelen.

Wat de koloniale tijd in Nederlands-Indië in ieder geval aan moois heeft opgeleverd is de Indische literatuur. Denk bijvoorbeeld aan P.A. Daum, Maria Dermoût, Hella Haasse, inderdaad, ook Willem Walraven, Rob Nieuwenhuys (van de Oost-Indische Spiegel) en vele anderen. Ik wil trouwens ook graag even het tijdschrift Moesson noemen. Een aanbeveling om dat eens te lezen, maar waar het uiteindelijk om gaat, is dat iedereen gewoon weer verplicht geschiedenis in het eindexamenpakket moet hebben, zoals het hoort.

Foto: auteur