donderdag, juni 04, 2020

Het bruine monster



Hij is gisteren even naar het terras van de stamkroeg geweest. Hij wil niet direct beweren dat het aanvoelde als een soort bevrijding, maar wel als een opluchting. Langzaam gaat het richting normaal. Niet 'het nieuwe normaal', wat hij een misleidende en populistische term vindt, maar het normaal van voor de coronaramp. Het was niet druk, ondanks het mooie weer. Er werd wat lacherig gedaan over het afstand houden, maar toch hield iedereen zich als een braaf schoolklasje aan de regels. 'Voor zolang als het duurt', dacht hij, toen hij na een paar biertjes naar huis fietste.

'Doe ik het wel of niet', vraagt hij zich af. De tuin heeft hard water nodig, maar er zijn buien voorspeld. Hij zet voor de zekerheid de regenton open, maar besluit eerst de fiets naar het stadion te nemen om zijn seizoenkaart te bestellen. Hij denkt aan dichter Kees Buddingh', de man die nog vaak wordt uitgemaakt voor Cees. Vooral door journalisten die nooit de moeite namen zijn dagboeken of biografie te lezen. Buddingh', oud-speler van DFC, was met grote regelmaat te vinden in het FC Dordrecht stadion. 

Dichters en voetbal. Je vindt het of een geweldige combinatie, of je vindt het niets. Leve het bruine monster! Hij vindt dat het hoog tijd wordt voor een uitgave van Buddingh's verzameld proza. 

Foto: auteur

woensdag, juni 03, 2020

Diakenhuismannetjes



In haar column in Trouw breekt onderwijzeres Naomi Smits een lans voor het literatuuronderwijs. Zij heeft haar leerlingen aan het lezen gekregen en kennelijk doen die dat met plezier. Hij vindt het bemoedigend. Hij herinnert zich het povere literatuuronderwijs op de mulo. Per vreemde taal werden klassikaal twee boeken gelezen. Als het je beurt was, moest je een bladzijde of wat oplepelen. De leraar vertaalde een paar moeilijke woorden, die je moest leren, en dat was het wel. 

Voor Nederlands lazen ze de Camera Obscura en De herberg met het hoefijzer. Voor het examen leerde je twee gedichten per taal uit je hoofd. Hij herinnert zich: 'Kaal staat hij voor de blankheid der gordijnen', uit De cactus van Jan van Nijlen. Wie Jan van Nijlen was, leerden ze er niet bij. 

In 1968 kwam de Mammoetwet. Hij stapte over naar de havo. Wat literatuuronderwijs betreft was dat een warm bad. Een leraar Engels die zo geïnspireerd over de Engelse literatuurgeschiedenis sprak, dat hij nu nog grote stukken uit het hoofd kent. Een leraar Nederlands die bewees dat letterkunde niet alleen uit diakenhuismannetjes bestond. Hij had alle vreemde talen, moest voor zijn examen 70 titels lezen, want literatuuronderwijs stelde nog iets voor. Tussen zijn boeken in coronadetentie, beseft hij hoe waardevol die basis voor zijn verdere leven is geweest.

Foto: auteur


dinsdag, juni 02, 2020

Fata morgana



Zijn eiland kent een aantal mooie, vanaf de openbare weg aan het oog onttrokken, bij weinig mensen bekende plekjes. Gisteren was hij in zo'n landelijk paradijsje, uitgenodigd voor de maaltijd bij vrienden. Langs een sloot, die de allure van een bosbeek heeft, overal weelderig groen, een oosters ogend prieel en dat alles in de luwte van een nieuwbouwwijk waarin hij voor geen goud zou willen wonen. Het was een beetje met de rug naar de stad in je eigen wereld vertoeven. Ideaal in tijden van corona. 

Hij moest denken aan de fietstochten met vrienden, vele zomers geleden, over het eiland of door het omliggende land. Populair was de rit via de Kop van 't Land over Sleeuwijk naar Woudrichem. Daar gingen ze dan uit eten en noodgedwongen terug via Gorinchem en Papendrecht, want tegen de tijd dat ze bij de pont zouden arriveren, had die zijn laatste vaart al gehad.

Op een middag ontdekten ze ergens in de buurt van Sleeuwijk een theetuin, een beetje verscholen onderaan de dijk, met kippen, eenden en een loslopende geit. De plek stal zijn romantische studentenhart, maar toen hij er een paar weken later weer naartoe wilde, bleek hij van de aardbodem verdwenen. Hij heeft zich vaak afgevraagd hoe dat kon. Toch een fata morgana, of een overijverige, om vergunningen zeurende ambtenaar?

Foto: auteur


maandag, juni 01, 2020

Bordeaux



Hij leest in De oudste stad van Holland van Henk 't Jong dat de Dordtse schepenen in de middeleeuwen allesbehalve vies waren van een wijntje. Op vergaderingen gingen er heel wat glazen bij de heren naar binnen. Een van de oudste straten van de stad heet niet voor niets de Wijnstraat.

Er ligt een manuscript te wachten van een dichter die in de Bordeauxreeks van uitgeverij Liverse wil. Hij vraagt zich af wie weet waarom die poëziereeks is genoemd naar een Zuidfranse stad. Een tamelijk eenvoudig raadsel. De gedichten in het manuscript zijn minder eenvoudig. Voor zover hij ze heeft gelezen, kan hij er geen touw aan vastknopen. Hij vreest dat hij al weet wat hij de uitgever gaat adviseren.

Voor zover door werkelijk talent geschreven, staat de dichtkunst bij hem op de hoogste trede van de letteren. 'De mooiste muze', zegt hij weleens, maar zij trekt raar volk aan. Talentloze ijdeltuiten, lijders aan rijmdwang, types die klaarkomen op flauwe grappenmakerij, gestoorden op zoek naar verlossing. Het ergst vindt hij 'dichters' die roepen dat ze nooit poëzie lezen omdat dat hun 'originaliteit' beïnvloedt. Met niets beters te doen tijdens deze coronaramp, laten ze luid van zich horen en dat stapelt zich op op zijn bureau. Om de moed erin te houden, trekt hij nog maar een flesje open.

Foto: auteur


zondag, mei 31, 2020

Droevig



Warnaar heeft deze maand meer dan vierhonderd euro overgehouden doordat hij niet naar de kroeg kon en hij heeft het idee dat dat de komende maand ook wel het geval zal zijn. Morgen mogen de cafés weer open, daarom heeft hij een rondje gemaakt langs verschillende internetpagina's en daar is hij nogal droevig van geworden. Een wirwar van regeltjes, geboden en verboden, die er vooral op gericht lijken de klant buiten de deur te houden. 

Vooral het moeten reserveren staat hem tegen. Bij sommigen zelfs voor het terras! Roomser dan de Paus, daar moet je bij hem niet mee aankomen. De kroeg is voor hem een plek waar hij spontaan mensen wil ontmoeten en niet van tevoren moet bedenken in welk 'tijdslot' hij wil gaan zitten om aan het einde daarvan, terwijl het gesprek misschien nog lang niet is afgelopen, te moeten ophoepelen.

Hij is door de noodtoestand zijn huis en tuin meer gaan waarderen. De behoefte dagelijks naar de kroeg te gaan is behoorlijk 'afgevlakt', zeker nu ze in de vriendenkring regelmatig bij elkaar thuis borrelen. Natuurlijk mist hij de gezelligheid en gastvrijheid van het café, maar hij vreest dat die met deze 'coronaregels' voorlopig ver te zoeken zijn. Hij heeft met de toch al zwaar getroffen kroegbazen te doen, maar wie heeft hen deze onzin ingefluisterd? 

Foto: auteur



zaterdag, mei 30, 2020

Wraak



Hij zet zijn basilicumstekken in potten. Van één armzalig en te duur betaald plantje uit de supermarkt trek je zo zeven à acht stekken. Genoeg om de winter door te komen. Hij moet weleens lachen als hij die zakjes met tien laurierbladen ziet, die ze voor meer dan een euro verkopen. Hij oogst jaarlijks een voorraad laurier waar je decennia mee zou kunnen doen als het grootste deel niet naar vrienden ging. 

Het maggiekruid tiert alweer welig. Tijd voor de derde oogst. Die wordt gedroogd en gevijzeld voor de wintervoorraad. Ook de munt en het citroenblad doen het goed. Alleen de oregano blijft achter, maar daarvan heeft hij nog voor maanden uit Griekenland liggen.

De Grieken hebben bekend gemaakt wie vanaf 15 juni weer het land in mogen. Nederlanders zijn daar niet bij. Hij is niet van plan om in de hete zomermaanden naar het zuiden te gaan en al helemaal niet zolang hij in trein en vliegtuig een mondmasker moet dragen, maar toch voelt hij zich geraakt. Stel dat zich iets voordoet met iemand uit de familie, dat hij desnoods toch met zo'n viruslap op moet reizen, omdat nood wet breekt? Hij kan zich niet aan de indruk onttrekken dat er iets van wraak in schuilt voor de hufterige manier waarop Nederland Athene tijdens de eurocrisis behandelde.

Foto: auteur



vrijdag, mei 29, 2020

Stadsdichter



Twee jongemannen aan de deur. Na vier jaar denken 'ik zou toch eens moeten' heeft hij een besluit genomen. Ze komen de nieuwe tuinstoelen afleveren. 'Zet maar tegen de gevel', zegt hij, 'ik breng ze zelf wel binnen'. Afstand! Afstand is geboden. Stel dat er iemand van Handhaving de straat in fietst en hen op de bon slingert. We leven in rare tijden. Hij wenst de jongemannen een fijne dag en sleept de buit zijn huis in. Hij pakt de stoelen uit en controleert of alles klopt. Alles klopt. Hij kijkt op zijn horloge. Ook nog stipt op de afgesproken tijd bezorgd. Geen wonder dat de zon al dagen schijnt.

Hij leest de huis-aan-huis-krant. Er staat een vraaggesprek in met de nieuwe stadsdichter van Dordrecht. Na een stadsdichterloze periode van zes jaar is er eindelijk weer iemand benoemd. Hij leest met instemming over de plannen van de stadsdichter, die vertelt dat zijn debuutbundel nog niet in de Dordtse bibliotheek staat. Dat vindt hij merkwaardig, vooral omdat de directrice van de bibliotheek in de benoemingscommissie zat. 

Wekelijks publiceert het krantje een brief van de burgemeester. Over de coronamaatregelen. De burgemeester probeert vooral de moed erin te houden. Hij waardeert dat, ondanks vragen en twijfels. De stadsdichter is tevens nachtburgemeester. Samen helpen die twee de stad de crisis wel door.

Foto: auteur