donderdag, mei 23, 2019

Rattenvanger



Ik maak van deze mooie meidag gebruik om wat orde op zaken te stellen in de tuin. Vanmorgen vroeg was ik al bij de fysiotherapeut, die mijn onwillige achillespees hard heeft aangepakt, zodat hij zich voorlopig gedeisd houdt. Nog vroeger ben ik gaan stemmen voor het Europese parlement. Zonder Europa heeft ons land, klein als het is, menige wereldstad heeft meer inwoners, geen toekomst.

Mijn stem is naar een vrouw gegaan. Ik stem al jaren op een vrouw. Dat komt omdat ik mij al heel lang stoor aan het haantjesgedrag van veel mannelijke politici. Ja hoor, ik weet het, ze zijn niet allemaal zo, ik heb zelfs vrienden onder mannelijke politici, en er zitten ook krengen van wijven in de politiek, maar toch. Ik vind het gedrag van veel heren in pak, met of zonder stropdas, vaak een beetje eng en daarbij komt dat vrouwen ook nog eens ondervertegenwoordigd zijn. Waarom hebben wij trouwens nog nooit een vrouwelijke minister-president gehad? Niet dat ik zit te wachten op types als Margaret Thatcher, Theresa May of Rita Verdonk, maar er zijn vrouwen genoeg die het land uitstekend zouden kunnen leiden. Neem bijvoorbeeld de huidige voorzitter van de Tweede Kamer.

Ik heb op een vrouw gestemd die zich in het Europarlement als rapporteur bekommert om de mensenrechten. Een dappere vrouw, want mensenrechten zijn in grote delen van de wereld in het gedrang, ook, en dat is erg bedreigend, in en aan de grenzen van Europa. Mensenrechtenschenders zijn niet de aangenaamste figuren om te moeten bekritiseren. Denk aan die meneer die een lange arm wordt toegedicht en die niet alleen talloze journalisten in het gevang werpt en argeloze types die op Facebook een grapje over hem maken (mensenrechtenschenders zijn doorgaans volstrekt humorloos), maar die ook al vijfenveertig jaar het noorden van Cyprus, een EU-lidstaat, bezet houdt. Nu ja, hij niet persoonlijk, maar hij is wel de baas van dat bezettende land. Denk ook aan het onfrisse type in Hongarije, een land dat echt niet toetrad tot de EU vanwege de idealen van blijvende vrede door economische (en op den duur politieke) samenwerking, maar alleen om mee te kunnen vreten uit de welgevulde Europese ruif. Zo ken ik in dat deel van Europa nog wel een paar landen, maar dit terzijde.

Nadat ik was geknepen en gekneed, na mijn Europese plicht te hebben gedaan, ben ik geraniums gaan kopen om mijn bloembakken te vullen. Niet vanwege mijn lichtgevorderde leeftijd, maar ik vind die bloemen mooi. Ze doen mij denken aan mijn geliefde Dordtse grootouders, die ik veel te jong verloor. De geranium is ook het symbool van Charles Dickens, symbool voor de armen waarvoor hij opkwam in de tijd dat het nietsontziende roofkapitalisme ontstond. Dat roofkapitalisme heet tegenwoordig neoliberalisme en daar is de partij van de mevrouw waarop ik stemde ook tegen, zij het dat ze dat wat harder mogen roepen, wat mij betreft.

Ik geloof dat ik vandaag enigszins tevreden kan genieten van mijn tuin. Hoewel, met zoveel idioten die blindelings achter de op het Binnenhof piano spelende, Rattenvanger van Hamelen aanlopen, kan de zon zomaar ineens voor een heel lange tijd ondergaan en wat moet ik dan met mijn geraniums?

Foto: auteur


zondag, mei 19, 2019

Frivool



Eind jaren zeventig, begin jaren tachtig ging ik regelmatig met vrienden naar Parijs. Meestal was een tentoonstelling van een of andere bekende kunstenaar de aanleiding. Zomaar een weekeinde op stap gaan strookte niet met de opvatting van soberheid die ons door de Reformatie in de genen is geperst. Het moest ook op een koopje, wat soms tot wonderlijke toestanden leidde. Zo logeerden we aanvankelijk in een schamel en nogal rumoerig hotel in de Rue St. Honoré, waar we slechts een tientje per nacht betaalden, maar toch iedere dag van schone lakens werden voorzien. Een bordeel begrepen we, met een handjevol naïeve toeristen als vlag om de lading te dekken. Dat verklaarde die vriendelijk glimlachende meisjes die je steeds op de trap tegenkwam.

Langzamerhand begonnen we ons aan de frivoliteit van Parijs over te geven. Mondjesmaat, want we studeerden nog of waren net begonnen aan ons eerste, onderbetaalde baantje. We maakten eens een uitstapje naar de Place Pigalle, waar we op één consumptie steeds dezelfde meisjes zagen strippen, tot een klerenkast verscheen die nadrukkelijk meedeelde dat de voorstelling was afgelopen. Een andere keer bezochten we een veel te dure tent op de Boulevard de Malesherbes, waar je vanachter pantserglas werd aangestaard door een levensecht luipaard en op een avond verwarden we in een zaak aan de Avenue des Champs-Élysées bij het bestellen van een fles wijn de begrippen goedkoopste en duurste. Gelukkig waren water en stokrood goedkoop en hadden we in onze vierdehands lelijke eend nog een pot pindakaas.

Ik herinner mij dat we naar een grote Renoirtentoonstelling in het Grand Palais wilden. Voor de ingang troffen we een enorme rij wachtenden. We besloten daar niet in te gaan staan, maar bij een nabije boekhandel de catalogus te kopen en naar een terras te gaan. De frivoliteit had het definitief gewonnen.

Foto: archief auteur.


dinsdag, mei 14, 2019

Keurig op schema



In 2015 verscheen bij uitgeverij Liverse mijn boek Het is er niet van gekomen, dat bestond uit vijftig brieven die ik schreef aan mijn in 2007 overleden vrouw Stella. Een 'eenzijdige dialoog', een roman in brieven, een exercitie in het epistolaire genre. Ik ben ook na het verschijnen van het boek Stella brieven blijven schrijven, wat uiteindelijk moet resulteren in een tweede, omvangrijkere roman in brieven. Een aantal van die brieven zijn in de loop der tijd op dit weblog gepubliceerd, enkele ook in het literaire tijdschrift Ballustrada. Brieven die hun uiteindelijke, soms nogal gewijzigde vorm, gaan vinden in het boek, dat dit najaar, of, haast hebben we niet, in het voorjaar van 2020 verschijnt. Tegen de tijd dat het zover is, volgt wellicht nog een voorpublicatie, maar voorlopig is dit de laatste brief aan Stella op mijn weblog. Geschreven tijdens mijn verblijf aan het Nederlands Instituut in Athene.


Lieve Stella,

De zon heeft ons vandaag in de steek gelaten. Nu en dan druppelt het een beetje. Het gebeurt vaker dat ik mijn neiging om met het weerbericht te beginnen niet kan onderdrukken, maar het stralende meisje met uitzicht op de Akropolis was er vandaag weer. Dat maakt het begin van de zaterdag goed. Ik heb mij na het ontbijt in mijn kamer teruggetrokken om tijdens het schrijven te luisteren naar Studio De Witt. Dordrecht in Athene en dat allemaal dankzij de zegeningen van het internet. 

Ik moet ineens denken aan de reis die ik in 1980 door Ierland maakte, samen met Marion [Vomberg], Herbert [Bos] en Thijs [Waaifoort]. Wifi en mobiele telefoons kenden we nog niet. Ergens in een plaatsje aan de westkust wilden we naar huis bellen, om even te laten horen dat het ons goed ging. Dat moest via een telefooncel met nog een laat negentiende-eeuwse haak en een slinger. Na enig geslinger kregen we contact met de centrale. We gaven die het nummer door, waarna we ophingen. Na een minuut of vijf belde de centrale terug en moesten we als de bliksem munten in een gleuf gooien, anders werd het contact weer snel verbroken. 
Nu hebben we de wats-ep en wie weet op wat voor manier we over vijftig jaar communiceren. 'Beam me up Scotty!' Of de mensheid bestaat tegen die tijd niet meer. De Noord-Koreanen zijn weer met raketten aan het spelen, ik bedoel maar, en in Nederland worden overal bomen gerooid in naam van de biodiversiteit, die van levensbelang wordt geacht, maar zonder bomen geen zuurstof en waar blijf je dan met je levensbelang? Als ik niet zo'n hekel aan idealisten en activisten had, zou ik een beweging oprichten om de wereld te redden. 

Waarom die hekel, zul je misschien vragen. Tja, waarom? Ik denk vanwege dat altijd opgeheven vingertje, dat moralisme, dat voor je het weet overgaat in betutteling, en vaak het fanatisme. Aan dat soort lui hebben we het te danken dat we niet meer in het café mogen roken, straks zelfs buiten op het terras niet meer. Niet dat het mij echt raakt, want als ik weer zou willen gaan roken doe ik dat wel thuis, of hier in Griekenland, waar niemand, inclusief de president, zich iets van een rookverbod aantrekt. 
Een kennis van mij zette een foto van zijn hamburger op Facebook. Waarom iemand in godsnaam een foto van een hamburger op Facebook wil zetten is mij een raadsel, maar daar gaat het nu niet om. Een lokale dierenactivist met een rare naam, vast weer door een of andere Indiase zweefvlieger geïnspireerd, begon een scheldkanonnade vanwege die hamburger en dat was nog mild. Soms schieten ze een politicus dood. Weet je nog? We waren op Cyprus toen paljas-Pim werd neergeschoten. Die man heeft niets dan onzin verkondigd en is voor een flink deel debet aan het feit dat we nu zoveel ongeletterde idioten in de politiek hebben, maar dat is nog geen reden om iemand dood te schieten. Ik bedoel maar. Ik moet niet aan zo'n beweging beginnen. Ik zou niemand willen doodschieten, maak je geen zorgen, maar ik zou binnen de kortste keren ook met mijn wijsvinger zwaaien en het beter weten dan een ander en dingen willen verbieden. Het stemrecht voor domme mensen, bijvoorbeeld. Ik zat niet voor niets zesendertig jaar in het onderwijs, dus je zou kunnen zeggen dat ik ervoor heb doorgeleerd.
Ken u zelf, zeg ik altijd maar. Heel bijbels, waaraan je kunt zien dat ik keurig zes jaar zondagsschool heb gevolgd. Prachtig die wijsheden en verhalen, een geweldige collectie briljante verzinsels. Ik smulde altijd van verhalen als dat over Jozef en de vrouw van Potifar, of van David, die er bij Bathsheba in wilde. Moord, doodslag, landverraad, enge plagen en ziekten, natuurrampen met dubieuze afloop, overspel, het staat er allemaal in, maar geschiedenis is het niet. Wel goed materiaal voor spannende films, alhoewel, die mannen, die soms onnoemelijk veel ouder werden dan wij nu, denk maar aan Methusalem, deden het maar al te vaak met veel te jonge meisjes. Voor je het weet staan ze aan de deur met een arrestatiebevel.
Een actiegroep is dus niets voor mij, dat wilde ik maar even zeggen. Dat was leuk op mijn zestiende, toen de oudere generatie er, volgens ons, veelbelovende en alleswetende jongeren, allemaal geen reet meer van begreep met hun niet ophoudende gezanik over de oorlog. Nu ben ik daar echt te oud voor geworden. Ik zie me al voor gek lopen met een mallotig petje op en een bord 'Roken moet mogen!'

Bij Zorbas hadden ze gisteren levende muziek. Toch was het tot mijn verbazing minder druk dan op voorgaande avonden. Aan de muzikanten, een duo met gitaar en bouzouki zal het niet liggen. Op mijn verzoek speelden ze het favoriete lied van Frans van Hasselt en dat deden ze zo mooi, dat ik aardig heb bijgedragen in de kosten. Voor een Hollander dan. 
Het is nu bijna acht jaar geleden dat Frans overleed, maar hij is nog altijd aanwezig. Niet alleen zijn portret in Zorbas, met in het kort het verhaal van zijn leven, maar er wordt nog regelmatig over hem gesproken. Hij zou nu negentig zijn geworden, tegenwoordig niet zo heel bijzonder meer, al haalt iemand zelden de leeftijd van jouw tante Parthena. Honderdzeven, maar die werd dan ook in de Kaukasus geboren. Op het eiland Kithyra hebben ze ook zo'n tovermiddel waardoor mensen heel oud worden, maar, zoals ik al eerder schreef, het moet wel leuk blijven, dus niet allerlei gebreken, maar de geest scherp en zonder voortdurend kwijlen. Nu en dan een leuk meisje erbij, net als in de bijbel, wordt op prijs gesteld. Jij bent gelukkig niet jaloers. Naast idealisten en activisten kan ik jaloerse mensen slecht verdragen. 
Morgen ben ik hier alweer voor het laatst. Ik lig met het boek keurig op schema. Je kunt hier goed werken, ondanks bouwvolk bij de buren, dat af en toe een geweldig lawaai maakt. O Glykys, het Atheense Visser, en Zorbas zijn makkelijk beloopbaar, zelfs met mijn achillespees, die zich nogal wisselvallig gedraagt. Ik wil er niet te veel over klagen. 
Langzamerhand beginnen de reiszenuwen al een beetje op te spelen, alsmede de vraag of ik maandag de metro naar het vliegveld zal nemen of een taxi. Naar het metrostation Syntagma is het een klein kwartier lopen. Een probleem van niks, maar gelukkig heb ik nog twee dagen om er over na te denken. 
Ik liep mij almaar af te vragen op wie het stralende meisje met uitzicht op de Akropolis toch zoveel lijkt en nu schiet het mij ineens te binnen: op Sandra Sangiao die prachtige zangeres van het Barcelona Gypsy Klezmer Orchestra. Daar heb ik even niet van terug!

In gedachten, altijd,
Kees

Athene, 4 mei 2019

Foto: auteur

vrijdag, mei 10, 2019

Aan het gas



Vandaag lees ik in de krant dat het opwekken van energie met biomassa-centrales veel meer Co2-uitstoot geeft dan met gasgestookte centrales. Overal hoor je terecht gejammer over het kappen van bomen, maar als het om 'milieuvriendelijke' biomassa gaat, wat gewoon hout stoken is, dan lijkt dat kappen niet zo erg en het gaat, volgens sommigen, slechts over afgewaaide takken of door onweder getroffen geboomte. Ja, dat geloven we direct, dat spreekt.

Ik begin van het milieugedoe steeds minder te begrijpen. Gas is zo smerig nog niet, er is voor de komende decennia ruim voldoende van, maar de Haagse politici menen bijna unaniem, alleen wat fatten en querulanten liggen nog dwars, dat wij van het gas af moeten. Vanwege de aardbevingen in Groningen. Nou, dan haal je dat gas toch ergens anders vandaan? Ik ben in ieder geval nog lang niet van plan om mijn gasketel de deur uit te doen. En ik heb een open haard! Daarnaast een boek lezen is heel gezellig, vooral op winteravonden, al stook ik er geen 'biomassa' in, maar van die geperste blokken, die ook wel van iets gemaakt zullen zijn waar milieubezwaren tegen bestaan, maar waar je een paar uur lang geen omkijken naar hebt. 

Mijn milieubezwaren, die worden gedeeld door duizenden, zo niet tienduizenden mensen langs het spoor in onze regio, worden fijntjes genegeerd. Ik bedoel de vele giftreinen die dwars door dichtbevolkt gebied, op nog geen halve kilometer van mijn huis door de scherpste en dus gevaarlijkste spoorwegbocht van Nederland moeten. Zulk levensgevaarlijk transport mag wel door de stad, de meeste intercity's mogen er omheen, via het HSL-traject, zodat ze station Dordrecht, met een achterland van 250.000 bewoners, gemakshalve kunnen mijden. Je zou er haast van radicaliseren, maar gelukkig word ik gerustgesteld door de gedachte dat als het een keer misgaat, wij de vraag 'gaan we van het gas of niet' nooit meer zullen stellen.

Foto: auteur


donderdag, mei 02, 2019

Vraag het maar aan de belastingdienst



Lieve Stella,

Het bouwvolk van hiernaast is terug en maakt weer op volle kracht herrie en ook de malloot die zo gruwelijk saxofoon speelt hebben ze nog niet van de sokken gereden. Gisteren had de avli* een oase van rust moeten zijn, 1 mei = vrij, maar toen had iemand bedacht dat het wel aardig zou zijn om een reclamevliegtuigje urenlang boven de stad te laten rondcirkelen. Zo'n ronkend, eenmotorig ding met een spandoek er achter. Alsof er al niet genoeg reclame is die het leven verzuurt. Het was bovendien fris voor de tijd van het jaar, toen ik 's avonds terugkeerde van Zorbas heb ik zelfs een trui onder mijn jasje gedragen. 

Dat jasje, daar zou ik eens iets nieuws voor moeten kopen. Er zit geen knoop meer aan de manchetten (waarom naaien ze trouwens knopen aan die manchetten, dat is toch volkomen zinloos?) en het is behoorlijk vies, maar waar vind ik hier een stomerij met 'klaar terwijl u wacht'? We hebben wel een kleine grutter op loopafstand en een bakkerij, maar voor een winkel waar je een fatsoenlijk jasje kunt kopen, moet ik helemaal naar Kolonaki, voorbij de Nationale Tuin, want in Plaka kun je slechts toeristische truttigheden aanschaffen of uit eten gaan. Dat jasje dat ik in oktober in Thessaloniki kocht is een dure miskoop. Ik bedoel, het staat me prima, heeft een zekere sjiek, maar als ik mijn agenda of een notitieboekje in een binnenzak doe, gaat het raar hangen. 
Toen ik een kind was, zat ik altijd goed in de kleren. Die maakte mijn moeder gewoon zelf, of anders kochten we ze bij Roodfeld. Dat was (en is, ik geloof dat de zaak nog bestaat) een winkel waar dure, doch degelijke waar werd verkocht, die wij met vijftig procent korting konden aanschaffen, want de eigenaar was een boezemvriend van mijn oom Henk, die jij helaas nooit hebt gekend. Hij is net voor zijn pensioen aan een hartaanval overleden, oom Henk, niet meneer Roodfeld, wat mij indertijd nogal heeft aangegrepen. Twee ooms op te jonge leeftijd aan het hart bezweken en ik maar denken dat mij zoiets nooit zou overkomen. Ik ben de afgelopen jaren tweemaal net aan de dood ontsnapt. De eerste keer bij die hartstilstand, de tweede keer toen ik bijna stikte in een stukje biefstuk tijdens een diner van de Dickens Fellowship in Kraantje Lek. Wel een eervolle plek om op te stappen, maar ik geef toch de voorkeur aan de Dordtse Pottenkade met voorlopig nog even uitstel als ik voldoende inspraak krijg. 

Anke en Lienke (de tweeling van Syros) hebben tijdens hun verblijf in Thessaloniki een heleboel foto's gemaakt, waarvan ik een deel in mijn digitale archief heb zitten. Misschien dat ik daar een soort album van laat afdrukken, want al dat digitale is prachtig en snel (ik stuur een epje naar Archie in Berg en Dal aan de Surinamerivier dat binnen enkele seconden arriveert), maar als de stroom uitvalt heb je er niets meer aan. Het kan nooit kwaad om een paar postduiven te houden en papier en vulpen onder handbereik te hebben, maar dit terzijde. Aan de andere kant ben ik in Dordt nu en dan doende oude foto's uit mijn albums te digitaliseren, want dan kun je er op de computer weer van alles mee doen. Nog niet zolang geleden heb ik foto's opgeslagen uit de tijd dat ik met Annemarie in Llangollen, in Wales verbleef. Toen fotografeerde ik nog veel zwartwit. Kun je je dat nog herinneren, Llangollen? Die romantische vallei, eigenlijk het verwilderde deel van de tuin van Plas Newydd, waar lady Eleanor Butler en Sarah Ponsonby woonden? Ik denk er nog regelmatig aan terug, zeker nu ik gisteren bericht kreeg van Bart en Claudia, die door Wales reizen, dat ze vandaag Plas Newydd bezoeken. Wales, ik wil er ook weer naartoe, maar eerst maar afwachten wat er van die ellendige Brexit terecht gaat komen. Hopelijk leidt uitstel tot afstel.

In 1968 ging ik in Wales kamperen, als jonge en nog vrijwel onbedorven begeleider van de welpen van de padvindersclub van Newton-le-Willows. Die stond onder bevel van Mister Keene, nog niet zolang geleden op hoge leeftijd overleden, maar geestelijk tot op het laatste ogenblik scherp. Net de oude Drees. Daar heb in IJzeren logica een verhaal over. Dat stond eerst in het tijdschrift Kreatief. Een onbeduidende naam voor een uitstekend literair blad, dat echter, zoals dat gaat als het succes te groot wordt, na enige tijd werd opgeheven. Met Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift, dat sinds een jaar of twee G. (Gee-punt) heet, heb ik de samenwerking opgezegd, evenals mijn abonnement, omdat ze zomaar een paar keer mijn naam als Cees schreven, in plaats van als Kees en ik ben wat dat betreft minder mild dan Kees Buddingh'. Als het na een dringend verzoek niet direct wordt rechtgezet kunnen ze het lazarus krijgen. Betalen deden ze ook niet, ik begrijp niet dat ik zo achterlijk ben geweest om dat over mijn kant te laten gaan. Als ik in Kreatief publiceerde, kreeg ik keurig een honorarium. Dat krijg ik van alle tijdschriften waar weleens iets van mij inkomt, vraag het maar aan de belastingdienst, maar die lui hebben jarenlang van mijn scheppende kwaliteiten mogen profiteren en dan ineens Cees gaan schrijven! Ik moet aan mijn bloeddruk denken.

Ik schrijf 'vrijwel onbedorven', want ik had kort voor vertrek ergens bij een tuinfeest de veertienjarige Isabeau uit Frankrijk ontmoet, die mij achter een bloeiende rododendron de kunst van het tongzoenen had bijgebracht. Moet je nagaan, ik was al zeventien, maar Isabeau viel nu eenmaal op oudere mannen. Tijdens dat kamperen inspecteerden wij als begeleiders 's morgens met militaire precisie de tenten van de jeugd, die keurig moesten zijn opgeruimd en schoongehouden, anders volgde strafcorvee. Ga jij maar eens voor veertig man aardappels zitten schillen, van die Engelse zandaardappels die nooit kruimelen, maar waarvan je wel slappe frieten kunt bakken. Die in geolied papier verpakken en in een krant en daarna overgieten met azijn en klaar is Kees (met een K dus).
Naast ons kamp, gelegen op een glooiing in het plaatsje Corwen, niet ver van Llangollen, was dat van een groep padvindsters, ik geloof dat je die kabouters moet noemen, al waren ze de welpenleeftijd al een beetje ontgroeid. Dat kamp werd op een avond verlucht door een kampvuur en bij dat kampvuur kwam ik Wendy tegen. Ook veertien en niet alleen verzot op tongzoenen. Zij was het eerste meisje met wie ik door die romantische vallei zwierf en die ik achter het oude doopvont, dat oorspronkelijk in de abdij van Valle Crucis stond, op innige wijze onzedelijk betast en beknepen heb. Dat leidde tot een verkering van maar liefst twee jaar, voornamelijk per brief, maar tijdens de zomermaanden ook lijfelijk. Ik logeerde met enige regelmaat bij haar en haar ouders in het gehucht Hooton op de Wirral, met uitzicht op de schoorstenen van de chemische fabriek bij Ellesmere Port. Ze had weelderig, rood haar en was echt een kind van de jaren zeventig. Ik heb haar later ingeruild voor een meisje uit Dordrecht, maar dat speelde allemaal al heel lang voor ik jou leerde kennen. Ik heb je er beslist weleens over verteld, maar zonder details, want ik ben pas in 1975 met mijn dagboeken begonnen. 

Er moeten ook nog foto's zijn van ons verblijf in Llangollen, of was dat al nadat ik door een onhandigheid de camera had laten vallen op het marmer van het British Museum? Of was het de National Gallery? Je weet nooit waar je aan toe bent met die Engelsen, maar het ding was wel onherstelbaar kapot. Erg duur was hij niet geweest, maar je kon er mooie foto's mee maken. Ik denk het eigenlijk van wel, want ik kan me foto's uit Londen herinneren, maar niet uit Wales eigenlijk. In dat geval zouden we terug moeten om het allemaal nog eens over te doen. Dát zou ik nu graag eens willen, maar ik ben Orpheus niet, jammer genoeg, al zou ik wel uitkijken om mijn kop om te draaien alvorens we de poort uit waren. Ik ga toch nog eens zoeken in mijn albums.

In gedachten, altijd,

Kees

Athene, 2 mei 2019

* binnenplaats

Foto: auteur

zaterdag, april 27, 2019

Brief aan W. te Nieuwegein



Dordrecht, 5 juni 2008

Beste W.,

Je brief van april heeft mij ontroerd. Ik had er eerder op moeten antwoorden, maar dat is mij om allerlei redenen die er hier niet toe doen en vanwege mijn reis naar Griekenland, naar huis, in mei, niet gelukt. Wat je schrijft over Stella’s poëzie doet mij goed, ik denk ook dat veel van je bemerkingen raak zijn. Ik hoop dat je mening gedeeld wordt door de poëzieredacteur van Liverse, bij wie ik een postume bundel van haar wil uitgeven. Ik zit te wachten op een oordeel. 

Nee, W., je hebt 'nooit geweten wat een knappe, innemende, intelligente en innerlijk rijke vrouw' Stella was. Dat was ze inderdaad en nu ze er niet meer is besef ik hoeveel rijker ze mijn leven heeft gemaakt in de twintig jaar die ik met haar heb gedeeld. We hadden elkaar natuurlijk veel eerder in het leven moeten tegenkomen, maar het is al een wonder dat we elkaar ooit ontmoet hebben, toen, in 1987, aan de Universiteit van Minnesota. Een leraar aan een ingedutte, provinciale, middelbare school in een waterige uithoek van Nederland en een docente aan de Experimentele School van de Universiteit van Thessaloniki met haar wortels in de Pontus in noordoost Turkije. Dat haar vader en moeder als kinderen de Turkse vervolgingen van de Pontiërs in de jaren 1917-1923 hebben overleefd en dat Stella zodoende geboren heeft kunnen worden, aan het begin van de Griekse burgeroorlog, waarin haar vader als linkse Griek ternauwernood aan moord door de fascisten is ontsnapt, is evenzeer een wonder. Hangt het leven van toeval aan elkaar? In ieder geval wel van dramatische gebeurtenissen.

Je vroeg hoe lang voor haar dood Stella het gedicht ‘Ooit’ schreef. Dat was op 2 november, bijna acht weken voor haar overlijden. Haar laatste gedicht, ‘Eindeloze nachten,’ is van 22 december, vier dagen voor haar dood. De doktoren spraken toen nog van 'enkele weken,' maar dat ze die dag van uitputting niet meer in haar dagboek kon schrijven was voor mij een veeg teken. Toch heeft haar overlijden, in haar slaap, zonder dat er iemand bij was, mij nog overvallen. Ik kan nog steeds het verschrikkelijke gevoel niet omschrijven waarmee ik om half zeven die ochtend op de parkeerplaats van de school stond (die ligt naast het ziekenhuis, veel dichterbij dan de officiële parkeerplaats van het hospitaal, ik kijk dagelijks vanuit mijn lokaal op de kamer waarin ze is overleden). Laat ik hier niet op doorgaan, het is allemaal nog te vers, te schrijnend, ik weet nog steeds niet waar dat vlot, waarop ik nu in een donkere stormnacht voortdrijf, naartoe koerst. Ik begin langzamerhand uit de verdoving van de eerste schok te raken, maar het besef dat ik haar onherroepelijk kwijt ben maakt de pijn en het verdriet eigenlijk alleen maar erger. Het is een fase, zegt men, waar je doorheen moet. Jij hebt het allemaal ook meegemaakt, misschien is het waar, in ieder geval is het niet anders. 

Wat jij afleidde uit de zin:

Ik wilde de avond niet bederven

namelijk dat Stella mij vroeg om op wat voor manier ook, waardig door te leven, is ook zeer goed gezien. Ze heeft mij bezworen om mijn leven zo goed mogelijk voort te zetten op de wijze waarop wij samen voortgingen. Ik zie dat als een opdracht die ik naar vermogen tot een goed einde zal brengen. Voortaan bewandel ik onze weg alleen, hoe godvergeten moeilijk dat soms is. 

Ik lees uit je brief dat jij de dood van Maria ook nog niet werkelijk hebt geaccepteerd. Zo is het met mij ook. Dat diepe gevoel van onrechtvaardigheid waarover je het hebt, inderdaad. Een paar dagen geleden stond er weer een wijsneus in de kroeg te oreren dat weet ik wat welke groenten, bloemkool, geloof ik, mits in die en die hoeveelheid en zus en zo bereid, niet alleen kanker kon voorkomen, nee, zelfs genezen. Dat gelul, daar kan ik niet meer tegen. Stella heeft haar hele leven lang op haar voedsel gelet, het gezonde Mediterrane dieet: alles met olijfolie, zelden iets gebakken, matig met alles, weinig vlees, bij voorkeur vis, veel peulvruchten en wat zij in een jaar aan alcohol dronk sla ik in een week naar binnen, zelden rookte ze, een héél enkele keer een sigaartje of een krèteksigaretje, maar niet meer dan drie of vier per jaar en dan maagkanker krijgen! 

Je hebt gelijk, het had ‘mijn gasten verstijfden’ moeten zijn. Toen Stella het gedicht schreef twijfelde ze en vroeg ze mij om advies. Ik zei ‘versteven.’ Jan Lul met ook nog een bevoegdheid Nederlands, al heb ik dat vak in twintig jaar niet meer gegeven. Stella’s taalgevoel was sowieso beter dan het mijne. Zij schreef na enkele jaren in Nederland haar Nederlands vrijwel foutloos, terwijl ze het vlot en accentloos sprak. Mijn Grieks, hoewel uit beleefdheid veelgeprezen, lijkt daarbij vergeleken nergens op. Ik mis haar ook erg als rechterhand bij het vertalen uit het Engels en ondertussen is Jan Eijkelboom, mijn linkerhand, ook weggevallen. En haar geweldige gevoel voor poëzie: wat ik niet van haar geleerd heb, hoeveel dichters ik niet door haar heb leren kennen! André van der Veeke schreef in zijn In Memoriam in de jongste Ballustrada: 'Ze geloofde onvoorwaardelijk in de kracht en betekenis van poëzie.' 

Genoeg, W. Als het zondag niet al te slecht weer is ga ik mijn narigheid eruit wandelen met G., vorig jaar gepensioneerd collega en hoofdredacteur van The Dutch Dickensian, die zich enkele weken geleden een boerderij met enige hectaren grond op de Drentse Hondsrug heeft verworven, waarop hij uien wil gaan verbouwen. We lopen dan van Gorinchem naar Leerdam, een mijl of veertien, tijdens welke onderneming we allebei tot bezinning hopen te komen.

De avond is in een gevorderd stadium geraakt en voor ik ga slapen wil ik de jongste Wiener uitlezen, een schrijver met wie ik verwantschap voel, al was het alleen al omdat ik zijn moeder heb gekend. Die was net als voornoemde G. en ik lid van de Haarlem Branch van de Dickens Fellowship. Het ga je goed,

een hartelijke groet,

Kees

Foto: auteur


vrijdag, april 19, 2019

De long van Thessaloniki



Ten noorden van Thessaloniki ligt het bos van Seïch-Sou. De long van Thessaloniki wordt het wel genoemd. Een long die al verschillende keren door brand werd getroffen. Voor het laatst een jaar of vijftien geleden, als ik het mij goed herinner. Dat was aan de oostkant, waar wij tot voor kort dichtbij woonden. Een minuut of tien lopen en we stonden aan de bosrand. Via een viaduct moest je eerst nog wel de Περιφερειακό oversteken, de rondweg om de stad, waarvoor bij de aanleg, eind jaren tachtig van de vorige eeuw, een stuk van het bos is opgeofferd.

We gingen bijna dagelijks wandelen in Seïch-Sou. 's Morgens in alle vroegte, voor het ontbijt. Ons doel was meestal een kapelletje vanwaar je een mooi uitzicht had over de stad. Vrijwilligers, die het bos zo goed en zo kwaad mogelijk onderhielden, hadden er bankjes geplaatst. De plek lag op ongeveer een uur lopen van ons huis in Ano Toumba. We rustten wat op zo'n bankje, genoten van het uitzicht en maakten soms een praatje met andere wandelaars. Opvallend was de rijke schakering bloemen in het voorjaar. Als je vroeg genoeg was zag je hazen rennen en regelmatig werd ons pad gekruist door wegschietende hagedissen of een gemoedelijk rondscharrelende landschildpad.

In de zomer hielden we ons hart vast, vooral als het wekenlang niet had geregend en er een harde wind woei. Griekenland wordt veelvuldig geteisterd door bosbranden, niet zelden gevolgd door erosie. Na de laatste brand in Seïch-Sou werd kordaat opgetreden. Er werden rietmatten geplaatst om erosie tegen te gaan, waardoor het bos zich verrassend snel begon te herstellen. Toch moet je er niet aan denken dat de long van Thessaloniki, van eminent belang voor milieu en recreatie, ooit volledig in vlammen zou opgaan. 

Ik herinner mij augustus 2007, toen het land met tientallen bosbranden te kampen had. Groot was de angst dat ook Seïch-Sou zou worden getroffen. Het bos werd zelfs enige tijd voor het publiek afgesloten. In die dagen bestond het radioprogramma De Avonden nog. Ik werd gebeld met het verzoek verslag te doen. De meeste branden waren op de Peloponnesus. De Griekse televisie besteedde er urenlang aandacht aan en ik vertelde wat ik zag door aan de journalist van dienst. 'Hebben jullie ook last van de rook?' was een van zijn vragen. 'Nee hoor,' antwoordde ik, 'wij zitten in de rookvrije zone.' Het werd even stil in Hilversum. Gelukkig bleef Seïch-Sou dit keer gespaard.

Of de waarde van het bos tot alle inwoners van Thessaloniki is doorgedrongen, waag ik te betwijfelen. De overheid doet zijn best. Regelmatig kom je een brandkraan tegen en er zijn brandgangen aangelegd waardoor de wagens van de brandweer op veel plekken kunnen komen. Crossmotoren helaas ook en ondanks de waarschuwingsborden om voorzichtig te zijn met vuur, zijn de paden bezaaid met sigarettenpeuken en wordt op sommige plekken naar hartelust gebarbecued. Barbecuen, de gemiddelde Griek is eraan verslaafd.

Een ander probleem is afval. Hoewel er bij de toegangen tot het bos afvalcontainers staan, zijn er nog steeds mensen die een eindje Seïch-Sou inrijden om daar hun grofvuil, of soms zelfs bouwpuin, achter te laten. Onvoorstelbaar eigenlijk, want het is makkelijker om het in die containers te gooien. Kennelijk zit het misbruik maken van de openbare ruimte en anderen opzadelen met jouw troep bij sommige mensen diep in de genen.

Het kapelletje en de zitbanken zijn op een dag door de gemeente gesloopt. Op instigatie van een communistisch lid van de gemeenteraad. Hij was bang dat de plek een 'bedevaartsoord' zou worden. Ook bossen ontkomen niet aan het kleinzielig gedweep van sommige politici.

Eerder gepubliceerd in Griekenland Magazine, zomer 2018.

Foto: auteur