Op het ogenblik ben ik hard aan het werk aan deel tien van mijn serie literaire-dagboeken. Ik ben aangeland bij begin jaren negentig. De jaren dat Stella nog in Düsseldorf werkte, waardoor we in de praktijk een weekendhuwelijk hadden, en 's zomers en met Kerst onze reizen naar Griekenland maakten. In de zomer van 1991 voor het eerst met de auto, via Duitsland, Zwitserland naar het Italiaanse Ancona en vandaar met de boot over de Adriatische Zee. Het was de tijd dat je nog Duitse marken, Zwitserse franken, Italiaanse lires en Griekse drachmen op zak moest hebben tijdens zo'n reis, betaalpasjes nog niet bestonden en je buitenlands geld haalde bij een bank met een betaalcheque.
's Winters namen we het vliegtuig. De kerstvakantie was te kort voor een lange rit door Europa. Mijn schoonvader woonde in die jaren voornamelijk in Theodosia, het dorp waar hij als elfjarig kind was terechtgekomen na de gedwongen volkerenuitwisseling in 1923 een gevolg van de Grieks-Turkse oorlog (1919-1923). Hij had problemen met zijn longen en de zuivere berglucht was beter voor hem dan de uitlaatgassen in de stad. De foto is genomen tijdens een decemberbezoek aan Theodosia halverwege de jaren negentig. Ik was er samen met Stella en haar oudste broer Savvas. Het was een koude dag, er lag sneeuw in het dorp, maar de houtkachel, de xilosoba, stookte de kamer heerlijk warm.
Eergisteren kwam het bericht dat Savvas, na een strijd van twee jaar tegen kanker, in zijn slaap is overleden. Hij heeft Stella negentien jaren overleefd. Het huis in Theodosia staat leeg, mijn jongste zwager woont met zijn vrouw in de buurt van Drama en komt er maar zelden. De weinige keren dat ik er kom is als ik met familie Stella's graf bezoek. Dan zie ik het langzame verval van het dierbare huis in dat afgelegen dorp. Ik denk aan de onvermijdelijkheid der dingen.
Foto's: archief Kees Klok & auteur







