donderdag, januari 29, 2026

Lissabon




Ik ben te lang niet in Lissabon geweest, die heerlijke stad, waar ik toen ik er voor het eerst in 1983 kwam zomaar de weg wist. Alsof ik er jaren had gewoond. Althans in het historisch centrum, in de buitenwijken had en heb ik niets te zoeken, behalve in Belem.


Als ik in Lissabon ben logeer ik altijd in hotel Borges aan het Chiado. Officieel heet het daar nog net Rua Garret (naar de dichter Almeida Garret als ik het me goed herinner), maar het ligt tegen het Chiado aan, naast het wereldberoemde café A Brasileira, waar ik graag een slaapmutsje haal in de vorm van een aguardente velha.


Op het terras van A Brasileira zit de in brons gegoten dichter en schrijver Fernando Pessoa, met naast hem een lege stoel, waarop toeristen plaatsnemen om zich met de grootheid te laten fotograferen. Dat gaat me iets te ver, maar ik heb ergens nog wel in mijn archief een foto waarop Pessoa op de achtergrond is te zien. Puur toeval natuurlijk.


Op dat terras ontmoette ik ooit een zekere Leonora, een jonge dichteres, die daar haar gedichten, handgeschreven of getypt, dat herinner ik me niet meer, aan voorbijgangers probeerde te verkopen. Hoewel ik geen Portugees kende, kocht ik er een paar en bood haar wat te drinken aan. We hadden een prettig gesprek, waarbij zich later een vriendin van haar, een beeldend kunstenares, voegde. Bij mijn volgende bezoek ontmoette ik haar weer en vertelde ik over Leontios Machairas, de middeleeuwse dichter uit Cyprus die schreef over Leonora. Daarna ben ik haar uit het oog verloren. Wel begon ik aan een cursus Portugees, maar een paar maanden later ontmoette ik Stella, waarna ik overschakelde op Grieks.


Het hoogtepunt van mijn bezoeken aan Lissabon was dat met Stella. Daar heb ik prachtige herinneringen aan. We brachten uren door in de weldadige hortus botanicus, wandelden naar het kasteel van Sao Jorge, voormalige residentie van de koningen, genoten van het uitzicht bij de miradouro de Sante Lucia, doorkruisten de stad in de iconische trams en namen de trein naar Sintra, in het voetspoor van lord Byron.


Lissabon paste perfect bij ons, we zouden er zeker nog vaker naartoe gaan. Daar stak de dood een stokje voor, maar net als Thessaloniki blijft Lissabon trekken. Misschien dat ik eerstdaags gewoon weer even in het vliegtuig stap.


Foto: archief auteur


maandag, januari 12, 2026

Jubileumspeldje




Een van mijn beste vrienden koestert al vele jaren het vooroordeel dat ik niet echt geïnteresseerd ben in muziek. Een nogal onzinnige gedachte, die vele malen is gelogenstraft, maar waaraan hij vasthoudt vanwege het feit dat ik nu eenmaal mijn hele leven slecht ben in het onthouden van namen en vaak niet op de naam van een zanger, een zangeres of een band kan komen, terwijl ik toch geniet van hun muziek.


Dat zelfde heb ik met boeken. Ik kan, zeker als het om geschiedenisboeken gaat, iemand vrij nauwkeurig vertellen waar bepaalde beweringen in een boek staan, zonder dat ik op dat ogenblik de naam van de auteur kan reproduceren. Dat betekent niet dat ik niet van lezen houd. Vanaf het ogenblik dat ik leerde lezen, op de Montessori-kleuterschool, toen nog in de Cornelis de Wittstraat in Dordrecht, maakten mijn ouders mij lid van de Openbare Bibliotheek en begon ik met veel genoegen te lezen. Ik ben daar nooit mee opgehouden. Ik ben overigens nog steeds lid van die bibliotheek, dat is dus bijna zeventig jaar. Ik vraag me af wanneer ik mijn jubileumspeldje ontvang, maar dit terzijde.


In tegenstelling tot namen onthoud ik nummers gemakkelijk. Op de lagere school bestond de geschiedenisles voor een deel uit het uit het hoofd leren van een aantal kantjes A4 met jaartallen. Veel daarvan ken ik nog steeds uit het hoofd en hoewel geschiedenis veel meer is dan jaartallen, zijn ze een ideale kapstok om het verhaal aan op te hangen. Hoeveel plezier heb ik tijdens mijn studie geschiedenis niet aan die kantjes van meester De Kramer gehad!


In 1970 bracht ik een aantal maanden door bij mijn oom en tante in Noord-Engeland. Daar had ik verkering met Wendy, een meisje uit een gehucht achter Birkenhead. Om haar te zien nam ik regelmatig de Ferry cross the Mersey. Ook belde ik haar vaak. Haar telefoonnummer ken ik na zesenvijftig jaar nog uit mijn hoofd. Misschien moet ik het nog eens draaien. Ik heb haar na een droevig afscheid op een regenachtige middag in Chester nooit meer gezien en alle zoektochten op internet leverden niets op, maar ach, het nummer is zo goed als zeker niet meer actief en mocht ze nog leven, dan zit ze misschien helemaal niet te wachten op een stem uit het verleden.


Foto: auteur


woensdag, januari 07, 2026

Malheur




Elf jaar woonden mijn vrienden Guus en Pita in het Drentse Weerdinge op het landgoed De Landtsheerlijkheid. Daarna keerden ze terug naar Dordrecht, want dat is een wet die voor velen opgaat: Dordtenaren in de diaspora keren vaak terug op hun eiland. Er zijn ook Dordtenaren, zoals ik, die er niet over piekeren te vertrekken. Dat is weleens anders geweest. In de jaren zeventig was de stad lang niet zo bruisend als nu en had ik weleens het idee om uit te wijken naar Utrecht. Daar heb ik gestudeerd, maar ik ben er nooit gaan wonen.


In die Drentse tijd richtte Guus een leeskring op van de Dickens Fellowship. Ik werd Loa, lid op afstand. Een paar keer per jaar ondernam ik een treinreis naar Emmen, alwaar een koetsier op mij wachtte om me naar het landgoed te rijden. Hoogtepunt was het jaarlijkse Dickensdiner, waar niet alleen werd gegeten (alle leden droegen iets culinairs bij), maar ook voorgedragen en gemusiceerd.


Weerdinge is een dorp dat valt onder de gemeente Emmen, maar indertijd met een eigen karakter (hoe dat nu is weet ik niet, ik ben er al zeker zes jaar niet meer geweest), met een hecht dorpsleven, een toneelvereniging, een basisschool en het onvolprezen café De Roos, dat werd uitgebaat door het echtpaar Alfred en Marleen. Enkele jaren nadat Guus en Pita De Landtsheerlijkheid gingen bewonen werd het café helaas gesloten. Geen nood. Alfred en Marleen bouwden achter hun huis een 'zuipkeet', waar we van harte welkom waren.


In café De Roos verkocht men op voorstel van Guus een Belgisch bier, Malheur, van brouwerij De Landtsheer. Ik dronk dat graag, al moet je met de nummer tien oppassen, die is nogal straf. Tegenwoordig ben ik niet meer zo'n liefhebber van bier, vooral vanwege de eigenaardige Nederlandse gewoonte om donkere bieren ijskoud te serveren, iets wat onaangenaam is voor de maag en de smaak grondig verpest. Geef mij daarom maar rode wijn. Toch hoop ik Malheur nog eens in een Dordts etablissement tegen te komen. Dan zal ik er zeker eentje nemen, ook als het veel te koud wordt geserveerd. In dat geval vraag ik maar of ze het even in de magnetron willen zetten.


Foto: auteur



dinsdag, december 23, 2025

Echte kaarsen




Dit jaar doe ik maar eens niet aan een kerstboom. Hoewel ik de kerstverlichting in de stad feestelijk vind, heb ik er thuis geen zin in. Ik heb een open haard (met van die briketten die niet of nauwelijks vervuiling veroorzaken) en een heleboel kaarsen en waxinelichtjes, dat is voldoende. Als kind vond ik een kerstboom geweldig, met al die glimmende ballen, kabouters, 'besneeuwde' huisjes en echte kaarsen. Er stond altijd een emmer water naast, voor het geval dat. Toen mijn ouders elektrische kaarsen kochten, verdween die emmer.


Met de zondagsschool vierden we kerst in de remonstrantse kerk. Voor mij een thuiswedstrijd, want ik woonde er achter. Mijn moeder was tot haar zeventigste de koster. Er stond altijd een reusachtige kerstboom in de kerk. Aanvankelijk ook met echte kaarsen. Die waren door een lont met elkaar verbonden. Als die werd aangestoken schoot het vuur door de boom en gingen de kaarsen branden. Naast de boom hield een levensechte brandweerman de wacht, want geheel zonder risico was het niet. Wij vonden die man nog indrukwekkender dan de boom. Ik weet niet wanneer die viering is opgehouden, maar op een gegeven ogenblik was het klaar met boom en brandwacht.


Op mijn zestiende schreef ik romantische gedichten, gericht aan het mooiste meisje van de klas. Gedichten die ik haar niet durfde te sturen en die gelukkig verloren zijn gegaan. Heel veel later vertaalde ik gedichten, samen met Stella, mijn grote liefde. Zij overleed achttien jaar geleden, op tweede kerstdag. Ook het mooiste meisje van de klas overleed jong. Voor hen steek ik altijd een extra kaars aan.


Foto: auteur


vrijdag, december 12, 2025

Paraat!




Gut Mark, wat heb je nou toch allemaal staan roepen op die conferentie in Berlijn? Staat Putin al bijna in de brandgang achter ons huis? Een oorlog zoals onze ouders en grootouders die meemaakten? En dat voor een collega historicus die beter zou moeten weten. Heb je The Story of Russia van Orlando Figes weleens gelezen?


Als baas van de Navo weet je toch hoe de krachtsverhoudingen liggen? Tja, Amerika is niet meer onze grote vriend sinds Trump in het Witte Huis zit, omringd door een schare vals geïnformeerde, rechtsextremistische complotdenkers, maar zo verschrikkelijk bezorgd zijn over de weerbaarheid van de Europese Navolanden lijkt me zwaar overdreven. Jammer dat je niet in Utrecht hebt gestudeerd, zoals ik, want mijn oud-leermeester Maarten van Rossem zei gisteren bij Pauw een paar heel verstandige dingen als reactie op jouw panische woorden.


Zou het zo maar kunnen zijn dat je het angstvuur eens flink wilde opstoken omdat wij misschien helemaal niet staan te trappelen om zo verschrikkelijk veel geld aan defensie uit te geven? Geld dat ten koste gaat van ons onderwijs, onze zorg en onze culturele voorzieningen, om eens wat te noemen? Ben je bang dat wij het wel genoeg vinden omdat we er nu al heel wat beter voorstaan dan de Russen, zowel militair als economisch?


Ik zou het haast denken. Toegegeven, Putin is geen lieverdje, ik vertrouw hem voor geen cent en het kan geen kwaad om dat in gedachten te houden, maar overdrijf het niet en zaai geen onnodige angst want dat is nog altijd een slechte raadgever. Weet je wat: breng de padvinderij in opperste staat van paraatheid, richt voor het geval dat een Nederlandse versie van Dad's Army op en neem dat boek van Orlando Figes mee op je volgende vakantie. Misschien ben je dan de volgende keer wat minder in gespeelde paniek.


Selfie: auteur



dinsdag, november 25, 2025

Van harte gelukgewenst!




Vandaag viert Suriname vijftig jaar onafhankelijkheid. Een opgedrongen onafhankelijkheid. Voor het feestje begon was een flink deel van de bevolking voor de zekerheid al uitgeweken naar Nederland. Gevolg: er wonen minder mensen in Suriname dan in een stad als Rotterdam. In feite was het land al verregaand autonoom sinds 1954. In 1975 was dat voor menig Surinamer wel voldoende, maar Nederland wilde er vanaf, geen koloniale smet meer op het vaderland.


In de zomer van 1980 bezocht ik Suriname. Samen met Surinaamse vrienden bereisde ik het land van oost tot west en van noord tot zuid. Stoelmanseiland, Djoemoe, Nieuw-Nickerie, Albina, we voeren dagenlang over de Surinamerivier, passeerden stroomversnellingen, bezochten scholen in het binnenland, feestten in Paramaribo, zwommen in de Colakreek, kortom, een mooie en fascinerende reis door een land dat ondertussen wel onder de duim van een militaire dictatuur zat. Gelukkig was het de zomer van 1980, nog voor de beruchte decembermoorden.


Economisch was Suriname een puinhoop, maar er was hoop op een betere toekomst. De militairen flirtten met Cuba. Fidel Castro stuurde af en toe een bandje om het moreel hoog te houden. De Cubanen die een feest op de universiteit opluisterden, waar we te gast waren, toeterden bedroevend vals.


Na die zomer ben ik niet meer in Suriname geweest. Wat is er in al die jaren van het land terechtgekomen? Niet al te veel, heb ik de indruk, maar er is nog steeds hoop. Er zit een heleboel olie in de bodem voor de kust. De oliedollars moeten over enkele jaren ruim gaan stromen. Waar zullen die terechtkomen, bij corrupte politici, Amerikaanse oliereuzen of de bevolking zelf?


Suriname is een land met een prachtige natuur, deels vergiftigd door al dan niet illegale goudzoekerij, een land dat zo vruchtbaar is dat, zoals een Surinaamse vriend mij eens lachend bezwoer, een paraplu nog bladeren krijgt als je die in de grond plant. Een land met een hartelijke, gastvrije, cultureel prettig gevarieerde bevolking, maar ik moet het allemaal nog zien, die mooie toekomst. Voorlopig is het nog steeds het land van de eeuwig durende hoop.


Foto: auteur


donderdag, november 13, 2025

Buddingh' verbeeld




Op 24 november is het veertig jaar geleden dat Kees Buddingh' overleed. Ik herinner me die dag alsof het gisteren was. Wim de Vries belde, nog voordat het nieuws in De Dordtenaar kwam. Het bericht kwam hard aan. Kort voor Kees moest worden geopereerd aan een spastische darm, bij hem aan de overkant, in het Gemeenteziekenhuis in de Bankastraat, was ik nog bij Stientje en hem op bezoek geweest. Bij de open haard met een sigaartje, een glaasje whisky en onze wederzijdse verhalen over Engeland.


Twee jaar later leerde ik in Minneapolis Stella uit Thessaloniki kennen, met wie ik in 1990 trouwde. Zij had een fabelachtig gevoel voor talen en was een groot liefhebster van poëzie. Nadat ze Nederlands had geleerd, een taal die ze als Griekse vrijwel accentloos sprak, vertaalde ze onder meer een reeks gedichten van Kees. Die werden in Athene gepubliceerd in het literaire tijdschrift Το Δέντρο. We hebben ooit eens een exemplaar in de bus gedaan bij het Buddingh' Genootschap en daar nooit enige reactie op ontvangen. We hebben het altijd betreurd dat Stella Kees nooit persoonlijk heeft gekend, maar we waren nog lange tijd met Stientje bevriend, met wie Stella lange gesprekken voerde over Kees en over zijn poëzie.


Het heeft lang geduurd voordat een biografie over Kees verscheen. Deels kwam dat doordat Ares Koopman, de beoogde biograaf, uiteindelijk niet de juiste man voor het karwei bleek. Nadat Ares zijn vrouw in de steek liet, brak een zeer verontwaardigde Stientje met hem. Uiteindelijk zou Wim Huijser de biografie schrijven. Een voortreffelijk boek dat even stevig staat als het huis van de Buddingh's in de Bankastraat.


Als ik langs Pictura loop denk ik aan de dag dat ik Kees in 1969 leerde kennen. Daar had hij toen een werkkamer. Daarvoor werkte hij in het voormalig brugwachtershuisje bij de Leuvebrug. Daar kom ik ook regelmatig langs. Ook het Leprooshuis doet me aan Kees denken, want daar had hij korte tijd een werkkamer tot hij tenslotte zijn werkruimte inrichtte in het huis in de Bankastraat. De kinderen waren oud genoeg om hem niet meer te storen bij zijn werk en de Buddingh's hadden inmiddels de woning boven die van hen bij hun huis kunnen trekken. Daar bezocht ik hen regelmatig, want zij waren niet alleen buitengewoon gastvrij, maar Kees was ook altijd bereid om beginners in het dichtersvak, zoals ik, met raad en daad terzijde te staan.


Wat ik helaas mis als ik door de stad loop, is een standbeeld van Kees Buddingh'. We hebben Johan en Cornelis de Witt op de Visbrug, Ary Scheffer op de Beurs, burgemeester Wichers in park Merwesteijn, graaf Dirk IV op de Grote Markt, het monument voor Albert Cuyp in de Vriesestraat en die afgrijselijke Hulk, die Willem de Zwijger moet voorstellen, in de Hofstraat, maar nergens in het centrum ontmoeten we Buddingh'. Daar komt hopelijk snel verandering in. Als ze hem naar niet neerzetten op die schamele achterafparkeerplaats die Buddingh'plein heet.


Foto: auteur