vrijdag, juni 19, 2026

Weg van de waan




Soms, bijvoorbeeld op een zomerdag als deze, heb ik even geen zin in het hier en nu, in de waan van de dag, in het gezeur over de 'hitte' als de temperatuur eens een keertje hoger dan dertig graden wordt, in het dagelijkse nieuws over Israël, dat door niemand gehinderd moordt en brandschat in Libanon en Gaza en dat hard bezig is het wankele vredesakkoord tussen de VS en Iran te saboteren, zodat die zinloze oorlog daar nog een poosje door kan gaan. Ik heb ook geen zin in het voortdurende, valse geleuter over immigratie, die van alle problemen in Nederland de oorzaak zou zijn, terwijl iedereen die in het afgelopen decennium weleens een krant heeft gelezen of een journaal heeft gezien kan weten dat de grote schuldige aan de talloze problemen die maar onopgelost blijven de vier opeenvolgende kabinetten Rutte zijn, met als nabrander het totaal mislukte kolderkabinet-Schoof.


Als ik geen zin in dat alles heb, trek ik me het liefst terug in het verleden, de geschiedenis in het algemeen en die van mezelf in het bijzonder. Ik heb zojuist de radio, met het gemauw over extreme hitte en code dit of code dat afgezet en bevind me ineens in Schotland in het voorjaar van 2007. Ik was op reis met Stella om John Burnside, de geniale Schotse dichter en romancier (zoals veel geniale mensen veel te jong gestorven), te bezoeken in verband met een door mij vertaalde bloemlezing uit zijn werk, die later bij Uitgeverij Liverse zou verschijnen onder de titel Het bal in de inrichting.


Het was prettig voorjaarsweer. Van de beruchte Schotse regens merkten we niets. We spraken John op de universiteit van St. Andrews, waar hij hoogleraar literatuur was, en gingen daarna met hem uit eten. We bezochten charmante vissersdorpjes aan de Firth of Forth en we namen een dagje de trein naar een zonnig Edinburgh. Stella was vaak moe en voelde zich niet helemaal senang, wat wij weten aan de aircondition aan boord van de veerboot die ons van Europoort naar Rotterdam had gebracht. We hadden geen idee dat toen de kanker zich al in haar maag had genesteld.


Na ons verblijf in Fife deden we Newton-le-Willows aan, het dorp in Merseyside waar mijn oudste neef en collega historicus Brian woont. Merseyside, ach zo heet het sinds de provinciale herindeling van jaren geleden, maar voor onze familie is het nog gewoon Lancashire, we zijn niet zo van veranderingen. Een van de ergste gruwels die ik me kan voorstellen is dat mijn stad, Dordrecht, nog eens onderdeel wordt van 'Drechtstad', zo'n conglomeraat van Dordt en enge plekken aan de overkant van de rivier, zoals het criminele Zwijndrecht en het PVV-dorp Papendrecht, maar dit terzijde.


We overnachtten in Newton in The Kirkfield Hotel, dat toen nog Kirkfield's Private Hotel heette, in een nette, maar benauwd kleine kamer met uitzicht op de begraafplaats bij de kerk van St. Peter, waar mijn oom en tante liggen. Achter de kerk is een romantisch park, waar ik ooit met een van mijn eerste liefdes, een buurmeisje uit Birleystreet, uit wandelen ging. Bij een familiebezoek hoort een etentje bij The Gates of India, inderdaad een India's restaurant. Dat was de dag voor vertrek. De volgende dag moesten we naar Hull voor de terugtocht naar het vaderland. Voor we wegreden haalden we nog snel even fish-and-chips op de Highstreet, ook een traditie. The Gates of India, fish-and-chips, allemaal veel aangenamer dan die kop van Trump, verpester van het wereldkampioenschap voetbal, dagelijks op de buis.


Foto: Stella Timonidou


zondag, juni 07, 2026

Als gegoten




Hoe lang is het niet geleden dat ik een gitaar heb aangeraakt? Ik bedoel om erop te spelen. In ieder geval niet sinds ik in het huis woon waar ik dit schrijf. Dat is op de kop af zesenveertig jaar. Ik was veertien toen we met vrienden ons eerste bandje begonnen. Van H. kreeg ik gitaarles, met liedjes als Het ritme van de regen en Brandend zand. Later werden dat nummers als The House of the Rising Sun, You really got me en A well Respected Man. Veel Animals en Kinks.


Uiteindelijk kwamen we terecht in de Amerikaanse oldtime muziek en ontstond een band die The Oldtime Cityslickers heet. Ze bestaan nog steeds, maar ik heb het als muzikant niet al te lang volgehouden. Door een combinatie van gebrekkig talent en drukte door studie ben ik op een gegeven ogenblik als gitarist gestopt. Een paar jaar was ik nog hun geluidsman, maar ook daar kwam uiteindelijk een einde aan. De gitaar ging in de hoes en daarin zit ze nog steeds. Een paar jaar geleden heb ik nog eens spontaan een setje nieuwe snaren gekocht, maar die nooit op het instrument gezet en inmiddels ligt het ergens onvindbaar in huis.


In mei 1967 kwam de elpee Sergeant Pepper's Lonely Hearts Club Band van The Beatles uit. Ineens verkocht een antiekzaakje in de Vleeshouwersstraat oude legerjasjes à la sergeant Pepper. Die moesten we natuurlijk hebben voor de band. Van mijn bescheiden zakgeld kocht ik het goedkoopste exemplaar dat me paste. Geen idee waar het vandaan kwam. Dat bleek later het KNIL te zijn. Mijn moeder stopte de mottengaatjes, zette de knopen vaster en deed het ding grondig in de was, want er hing een onbestemde lucht aan. Ik moest nog zestien worden toen ik poseerde voor de foto, op de kolenbunker, want we verwarmden in die tijd nog met ouderwetse kachels. Het jasje heb ik nog steeds als aandenken aan de goede, oude tijd. Het zat als gegoten, maar dat was wel toen.


Foto: archief auteur



vrijdag, mei 15, 2026

Geheugenstreken



Als je op latere leeftijd je memoires wil schrijven en je hebt geen dagboekaantekeningen uit vroegere tijden of andere ego-documenten, zoals kopieën van brieven die je ooit schreef, dan ben je afhankelijk van je geheugen. Juist het geheugen is een nogal onbetrouwbare bron, die naarmate je ouder wordt allerlei streken uithaalt, waardoor je je zaken anders kunt herinneren dan ze werkelijk waren. Zo overkwam het me een tijdje geleden dat ik met een van mijn oudste vrienden, waarmee ik in mijn studententijd een aantal keren weekeinduitstapjes naar Parijs maakte, over onze jeugdavonturen in gesprek raakte. Een paar gebeurtenissen herinnerde hij zich heel anders dan ik. 


Pas in augustus 1975 begon ik met het regelmatig bijhouden van een dagboek, de mooie jaren daarvoor, met de eerste liefdes, de zomers in Engeland, de avonturen met studentes van de Klos, de toenmalige kleuterleidstersopleiding aan de Gemeentelijke Pedagogische Akademie in Dordrecht en de jaren dat Bobby Kinghe ontstond, hullen zich daardoor in een soort van mist. Herinner ik het me wel zoals het was? Een aantal keren dus kennelijk niet, of niet helemaal. Toch waren het de vormende jaren van mijn leven. Ik haal ze terug in mijn in 2012 verschenen boek Op koers (Uitgeverij Liverse), waar het in het eerste deel gaat om een aantal verhalen over mijn vroege jeugd. Ik hoop maar dat het allemaal klopt en zo niet, dan is het misschien niet de werkelijkheid, maar nogal altijd wel mijn werkelijkheid.




Ik denk met een zekere nostalgie terug aan onze Engelse zomers, wanneer ik met mijn ouders en zusje, en later ook wel alleen, bij familie in Newton-le-Willows verbleef. Die nostalgie komt ook hier en daar terug in mijn poëzie. Op mijn veertiende werd ik verliefd op buurmeisje S. uit Birleystreet. Het is nooit echt wat geworden, maar er ontstond wel een vriendschap, die tot op de dag van vandaag voortduurt. Vier jaar later ontmoette ik W., wat leidde tot een verkering op afstand, die bijna drie jaar duurde. Daarna bleek de Noordzee alsnog een onoverkomelijk obstakel. Met S. en haar man heb ik nog steeds contact. Naar W. heb ik lang tevergeefs gezocht op internet. Misschien leeft ze niet meer of leeft ze voort onder de naam van een echtgenoot, geen idee. Die zoektocht heb ik opgegeven. Misschien maar goed ook, want stel je voor dat ze in mijn herinnering een heel ander meisje is geworden dan ze in werkelijkheid was.


Foto's: archief auteur



donderdag, april 30, 2026

Krasse bejaarde




Een man van negenentachtig heeft een paar dagen geleden in Athene een kantoor van de ziektekostenverzekering en het hooggerechtshof beschoten. Daar zijn enkele lichtgewonden bij gevallen. Het had veel erger kunnen zijn. Wat vooral verbaast is de leeftijd van de dader. Een krasse bejaarde, dat kun je wel zeggen, die ook nog heeft geprobeerd het land te ontvluchten. Hij werd in Patras opgepakt met een kaart voor de boot naar Italië op zak.


Op Facebook keurde mijn goede vriend I. het geweld af, maar hij had alle begrip voor de wanhoop van de man. De gevolgen van de financiële crisis, vooral ontstaan door het beleid van wijlen Andreas Papandreou, de corruptie in het ambtenarenapparaat, de bureaucratie waar iedere Griek tijdens zijn leven weleens mee in conflict raakt (en niet alleen Grieken, ik kan er als Nederlander met Griekse banden over meepraten) kunnen iemand tot volstrekte wanhoop brengen.


Vriend I. is door die financiële crisis alles wat hij in vele jaren had opgebouwd kwijtgeraakt. Zijn boekhandel en prachtige kafeneion Loxias, een trefpunt voor literatoren en wetenschappers in Thessaloniki, waar ik jarenlang kwam en dat een belangrijke rol speelde in mijn leven na het overlijden van Stella. Het heeft jaren geduurd voordat hij er weer een beetje bovenop kwam. Ook een tachtiger, evenals de schutter, maar een wijs man wiens filosofische instelling hem tenslotte door de moeilijkheden heen hielp.


Op Facebook pleit hij voor het gezond maken van de in zijn ogen bizar slecht functionerende staat en voor een democratie zonder corrupte, slechts voor hun eigen belang opkomende politici. Gezien de geschiedenis van Griekenland na 1821 betwijfel ik of I. en ik dat nog zullen meemaken. Er is weliswaar veel meer vrijheid in het land dan in de jaren voor 1974, toen de laatste dictatuur ten val kwam, maar Griekenland staat nog wel heel laag in het rijtje van landen die het goed doen wat de persvrijheid betreft. Eén blik op veel actualiteitenprogramma's en het televisienieuws is voldoende om te beseffen dat de kiezers bij het ene schandaal na het andere niet zelden door de overheid worden misleid en dat belooft weinig goeds voor de toekomst.


Foto: auteur


zondag, april 19, 2026

Geen idee




Als de perenboom in bloei staat moet ik altijd even denken aan de tuin die ik aantrof nadat ik het huis, zesenveertig jaar geleden, had gekocht. Nogal verwaarloosd, met een grasveld in het midden om een perenboom. Een bejaarde hoogstam. Er was, behalve aan de tuin, ook nogal wat te doen aan het huis. Op een goede dag was ik met Marion, mijn toenmalige vriendin, de werkkamer in wording aan het behangen toen we merkten we dat we licht onder stroom stonden. Oorzaak: verkruimelde stroomdraden uit het bouwjaar van het huis (1914) die door ijzeren buizen liepen. Dat betekende snel de bedrading vervangen.


Ook mankeerde er nogal wat aan het dak, na zoveel jaar nog steeds een zorgenkind trouwens, en zo waren er nog wel wat problemen die in de loop der tijden grotendeels zijn opgelost. Ik vind het huis heerlijk om in te wonen en moet er niet aan denken om naar zoiets als nieuwbouw te verkassen. De hoge plafonds, de ruimte daardoor om je heen, het sfeervol gebrandschilderd glas, voor zover door de barbaren die er voor ons woonden niet gesloopt, die tuin en een 'koloniale' veranda, waardoor je je op mooie zomeravonden nostalgisch in 'Ons Indië' kunt wanen.


Op een dag woei de perenboom om. Hij bleek van onderen vrijwel geheel te zijn doorgerot. We hebben hem vervangen door de huidige, een laagstam, zodat we geen halsbrekende toeren met een ladder meer hoeven uit te halen tijdens de pluk. In het begin hing er een kaartje aan waarop de soort stond vermeld. Dat kaartje is weggewaaid en aangezien ik er de ballen verstand van heb, zou ik niet weten wat voor soort we plukken. Om de twee jaar een grote hoeveelheid, dat schijnt bij peren normaal te zijn. Het is in ieder geval een soort die half augustus al rijp is en als handpeer en stoofpeer heerlijk smaakt. Dat vindt het gevogelte des velds ook, vandaar dat ik wel blij ben met de buurtkatten die gratis en voor niks een oogje in het zeil houden.


Foto: auteur




vrijdag, april 10, 2026

Voorrang





Ik heb maar twee foto's waar alle vier mijn grootouders gezamenlijk op staan. Ze zijn genomen op de trouwdag van mijn ouders, 29 oktober 1947. De eerste op de trappen van het Dordtse stadhuis, de tweede bij de ingang van de Augustijnenkerk. Er werd in die dagen nog met de hoge hoed getrouwd. Uitzondering daarop is mijn Rotterdamse grootvader, Aart Klok. Dat zijn zoon niet alleen in het stadhuis, maar ook in een kerk trouwde, moet voor hem, overtuigd atheïst die zich had losgemaakt van het streng gereformeerde Nijkerkse milieu waaruit hij afkomstig was, even slikken zijn geweest. Hoe mijn oma, de uit Den Haag afkomstige Sophia Groeneweg, daar over dacht weet ik eigenlijk niet. Mijn opa en oma waren het maar over weinig dingen eens, kreeg ik als kind weleens de indruk.




Op de eerste foto staan mijn Dordtse grootouders, Cornelis Bekker en Magcheltje Rijkhoek vooraan. Op de tweede is dat precies omgekeerd. Wat daarvan de reden is weet ik niet. Toeval denk ik. Ik ben vernoemd naar mijn twee grootvaders: Cornelis Aart. Dat m'n Dordtse opa daarbij voorrang kreeg zal geen toeval zijn, daar is over nagedacht. Vreemd dat ik nooit aan mijn ouders heb gevraagd waarom ze dat zo hebben besloten. Daar is het nu te laat voor.


Mijn twee grootvaders waren mijn helden. Opa Bekker was in zijn jonge jaren zeeman, opa Klok machinist bij de spoorwegen. Beter kon een klein jochie het in de sobere jaren vijftig niet treffen. Of dat nog zo is in dit dubieuze tijdperk van gaming en loeren naar de smartphone, betwijfel ik. Ik mis ze nog steeds, mijn opa's, zelfs nu ik zelf de grootvaderlijke leeftijd heb bereikt.


Foto's: H.G. Beerman, Dordrecht



zaterdag, april 04, 2026

Schokland




Een paar jaar geleden hielden wij familiedag in de Noordoostpolder. In een plaatsje dat Nagele heette. In de buurt van Nagele was een bescheiden bult in het verder vlakke, saaie landschap. Die bult was vroeger het eiland Schokland. Het werd in 1859 ontruimd omdat de Zuiderzee er steeds verder aan vrat. Toen de Noordoostpolder werd aangelegd, werden Schokland en het nabije Urk door het land verzwolgen. Zo gaat dat in Nederland, waarvan men zegt dat niet God, maar de Nederlanders zelf het land hebben geschapen. Aangezien God een fictionele figuur uit een heel oud sprookjesboek is kan het eerste kloppen. Wat de Nederlanders betreft gaat het wel een beetje op, althans in het westen, waar in den beginne de windmolen was.


Omstreeks 1900 hadden we er daar nog meer dan veertig van in Dordrecht, nu staat er nog een, maar die is wel springlevend, werkt nog steeds en je kunt er uitstekend meel kopen om je eigen brood te bakken, een activiteit die ik iedereen van harte kan aanbevelen.


Schokland is dus gereduceerd tot een bult in het landschap. Een fraaie bult, een natuurgebied in het klein, lichtelijk bebost en voorzien van een bescheiden, maar buitengewoon interessant museum waar je kennis kunt maken met een voormalige bewoningsgeschiedenis die zo'n tienduizend jaar teruggaat in de geschiedenis. De bodem van het IJsselmeer, voorheen Zuiderzee, is van grote archeologische waarde. Alleen al vanwege al die schepen die er in de afgelopen honderden jaren zijn gezonken en weer gedeeltelijk opgedoken.


Naast zelf broodbakken beveel ik iedereen een bezoek aan het museum aan. Kun je en passant Urk aandoen, het diep religieuze drugswalhalla waar ooit een verre achterneef van me predikant is geweest. Op zondag heb je daar de keuze uit ontelbare kerken in bedrijf, op andere dagen kun je er voor of na het blowen een smakelijk visje nuttigen, of zou dat in dit bolwerk van progressiviteit nog 'vischje' heten?


Foto: auteur