dinsdag, augustus 09, 2022

Biblebelt




Lieve Stella,


In 1984 kocht ik een derdehands kever, die op dat ogenblik al veertien jaar oud was. Een bijzonder exemplaar met een opzichtige streep, brede banden, racekuipjes voorin, een klein stuur en een motor die uit een VW bus was overgezet. Oorspronkelijk was hij van een monteur van een volkswagengarage. Ik kocht hem van de man die hem van de monteur had overgenomen, maar er zelden mee reed. Hij kon, met de wind mee, over de 160 kilometer per uur, wat ik maar één keer heb gedaan, want dan reed hij één op vier. Het zuinigst reed hij bij 90 kilometer, wat ik dan ook meestal deed. Ik ben sowieso niet erg van snelheden. Al die lui op waterscooters en in speedboten die op mooie zomeravonden voor het Groothoofd blufracen tussen de duwbakken en binnenschepen door vind ik eigenlijk maar zielepoten die waarschijnlijk iets te compenseren hebben.


Ik vertel je dit omdat ik afgelopen zondag in een auto van vijftig jaar oud door de polder ben gereden. Die auto, een Citroën DS, is van een bekende van me. Het ding, ook wel snoek of strijkijzer genaamd, is in even perfecte staat als mijn kever toen. Hij heeft daar een 'mannetje' voor, die alles van dit type auto schijnt te weten, zoals de kever (die in mijn dagboeken voorkomt als Kever, want ik houd van logische oplossingen) voor mij werd onderhouden door de broer van een van mijn beste vrienden. Die zat bij de wegenwacht en verdiende graag wat bij. Die broer is later uit Nederland vertrokken en schijnt ergens in Frankrijk zonder stikstofzorgen te boeren, wat maar goed is, want hoe hang je een Franse vlag uit protest op zijn kop? Mijn Citroënbezitter heeft die auto al jaren, ik kon Kever na twee jaar van de hand doen aan een verzamelaar. Die bood de dubbele prijs die ik ervoor had betaald en zeg dan maar eens nee als je eigenlijk niet eens een auto nodig hebt. Twee maanden later werd Kever van zijn oprijlaan gestolen. Hij is daarna nooit meer gezien, maar dit terzijde.


Het uitje in de Citroën ging van Dordrecht naar fort Asperen. Dat ligt aan de Linge en is onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Die linie heeft een interessante geschiedenis, maar wordt niet meer als verdedigingslinie gebruikt, want sommige van de forten waren al verouderd voordat ze waren afgebouwd. Fort Asperen ligt op een mooie plek en heeft een curieuze, ronde vorm, maar is wel van baksteen. Daar heb je weinig aan als iemand er een raket op laat neerkomen. We besloten de provinciale weg te nemen, dwars door de Biblebelt. In tegenstelling tot al het andere in het plaatsje Asperen waren het fort en de aanklevende horeca wel open. Het was prachtig weer, dus het was aangenaam op het terras. In het fort zelf, dat wordt onderhouden door vrijwilligers, was het kil en tamelijk vochtig. Ik kan me voorstellen dat je gezondheid er niet beter op werd als je hier in de mobilisatie was gelegerd. 


Veertien achttien, dat waren me jaren, ik hoor het mijn opa aan moederskant nog zeggen. Vier jaar lang verdedigde hij het vaderland. Eerst aan de Duitse grens. Daarna, toen hij gepakt werd wegens botersmokkel, kreeg hij een strafoverplaatsing naar Dordrecht, nota bene de stad waar hij was geboren en nog steeds woonde, om daar oppasser van een officier te worden. Toen deugde er ook al het een en ander niet in de dossiers van defensie, dat indertijd nog het ministerie van oorlog heette. Opa ging niet in beroep, zwaaide in 1918 in volle tevredenheid af en kreeg daarna korte tijd, voor hij naar de grote vaart ging, het commando over het beurtschip van een neef, die geveld was door de Spaanse griep. Opa had zijn Rijnpatent, de reden dat ik ook nog een tijdje heb gestudeerd voor een vaarbewijs. Ik weet er nog veel van al begint de kennis, nooit gebruikt immers, wel te slijten. Je moest het Binnenvaartpolitiereglement (3x woordwaarde), dat wel op de Waddenzee geldt, maar niet op de Westerschelde, het Kanaal van Gent naar Terneuzen en stroomopwaarts op de Lek en de Rijn, al weet ik dat laatste niet helemaal zeker meer, zo'n beetje uit het hoofd leren. Dan was je al een heel eind op weg over de Nederlandse vaarwegen.


Ik wilde vroeger eigenlijk wel een plezierjacht, maar jij was wat angstig voor water en hield niet van varen. De vraag was ook, waar gaan we het ding gebruiken? In Nederland of in Griekenland? Als we een boot hadden gekocht die korter was dan 15 meter en niet harder had gekund dan 20 kilometer per uur, dan was al dat leren van het BPR onnodig geweest, al is het handig om de regels op het water te kennen. Zie het maar als het verschil tussen een automobilist en een fietser. Het zal er nooit van komen, want op mijn licht gevorderde leeftijd heb ik de energie er niet meer voor en een plezierjachtje kopen om daar heel de zomer met mooi weer in de haven koffie op te drinken, daar ben ik het type niet voor. Ik troost mij met de herinneringen aan de zeiltochtjes in mijn middelbare schooltijd met m'n maatje Peter, dezelfde met wie ik later geschiedenis MO studeerde, en de enkele keer dat ik bij mijn zwager in het weekend de matroos verving toen ik nog getrouwd was met Annemarie. Zwagermans moest soms om een of andere dringende reden op zaterdag van Zwijndrecht naar Kleef of Emmerich en als zijn matroos verlof had, moest ik maar matrozen. Dan stond ik onverwacht aan het roer van een schip van 2500 ton. Een schip, jazeker, want als je een binnenvaartschip een boot noemt, kom je uit de verkeerde familie. Een sleepboot is wel een boot en natuurlijk dat plezierjacht dat we nooit hebben gekocht, dat mag je dan weer niet uitschelden voor schip. Het is allemaal niet zo heel ingewikkeld. Wie het desondanks niet snapt kan uitleg krijgen bij het Maritiem Museum.


Na de bezichtiging van het fort zijn we nog even voor een kleine alcoholische versnapering naar Gorinchem gereden. Daar hadden ze ooit een burgemeester die Ridder van Rappart heette en die in mijn jeugd gold als een onuitstaanbare fatsoensrakker die moderne kunstenaars en ander veil, langharig en werkschuw tuig uit zijn gemeente weerde. Mijn vader, ambtenaar der rijkspolitie, vond die Van Rappart een geweldenaar en zo speelde Gorinchem, of Gorkum, een aanzienlijke rol in de generatiekloof die in mijn pubertijd bij ons aan de eettafel ontstond. Later ging die kloof weer gewoon dicht, toen mijn vader met vervroegd pensioen ging, dat deden ze indertijd allemaal bij de politie, geloof ik, en ik een keurige onderwijzer werd op een lagere school. Daar werd de scepter nog gezwaaid door een echt Hoofd der School en niet door een of andere kwast met een malle titel als bovenschools manager. Dat was zo'n beetje in de tijd dat die Citroën werd gefabriceerd. Ik heb daar drie jaar lesgegeven, in de tijd van mijn korte huwelijk met Annemarie. Voor de klas en aan het roer. Misschien is het lang genoeg geleden om er eens een boek over te schrijven, vind je niet?


In gedachten, altijd,


Kees


Dordrecht, 9 augustus 2022.


Foto: auteur



maandag, augustus 01, 2022

Professor




Lieve Stella,


Vorige week ben ik een paar dagen naar Brussel geweest. Allereerst om Anke en Lienke van Nugteren te bezoeken, maar ook om er even uit te zijn. Je kent het gezegde wel van die verandering van spijs en hoewel ik doorgaans genoeg heb aan Dordrecht, is het kort vertoeven in een andere sfeer wel eens heilzaam. 


Op de middelbare school was ik tamelijk goed in Frans, maar nadat ik jou leerde kennen, mij het Grieks eigen had gemaakt en zelden meer in een streek kwam waar men Frans spreekt, is die taal langzaam naar achteren gedrongen in mijn brein. Ooit vroeg een Fransman me in Dordrecht de weg. Hij keek me stomverbaasd aan toen ik na vier woorden Frans automatisch overschakelde op het Grieks. Hij dacht waarschijnlijk de lokale idioot te hebben getroffen. Na een paar uur in Brussel kwam mijn Frans weer helemaal boven, net zoals dat gebeurde toen ik, nu alweer dertien jaar geleden, in Parijs was, op doorreis naar vrienden in de Berry. Het is spijtig voor de Flaminganten, maar in Brussel hoor je voornamelijk Frans al is de stad officieel tweetalig.


Tenzij je de Thalys neemt, die ik voor die 110 kilometer (in vogelvlucht) te duur vind, en je trein geen vertraging heeft, duurt de rit van Dordt naar Brussel Centraal twee uur (met een paar minuten). Dat is langer dan toen de intercity van Amsterdam naar Brussel Dordrecht nog aandeed, want sinds dat kreng over de hogesnelheidslijn rijdt (zonder dat er van een hoge snelheid iets is te merken, maar dit terzijde) moet je of naar Rotterdam of naar Breda om over te stappen. Breda is logischer, want dan heb je al een deel van de route afgelegd, maar er rijden nauwelijks intercity's tussen FC Dordrecht en NAC, dus dan ben je meestal op zo'n ellendige sprinter aangewezen, die bij iedere molshoop stopt. Lage Zwaluwe, bijvoorbeeld, welk weldenkend mens wil er nu uitstappen in Lage Zwaluwe? Er is in de buurt van dat station niet eens een dorp te bekennen. Toch ben ik maar in de sprinter gestapt, waarna ik in Breda verrast werd door een overvolle trein naar Brussel, waar zelfs in de eersteklas (ik reis altijd eerste klas sinds je vanaf salarisschaal 9.8 door de onderwijsvakbond een eersteklas kaartje vergoed kreeg als je naar een landelijke vergadering ging) alleen nog maar staanplaatsen waren.


Wat zou de NS nu weer voor een kutsmoes hebben, vroeg ik me af, nadat ik op Japanse wijze de coupé in was geduwd. Personeelstekort? Te veel zieken? Sneeuwvlokken op de rails? Natte bladeren? Een dood konijn? Toen stond een allerliefste jongedame op die me haar zitplaats aanbood 'als ik dan wel op de leuning mag zitten'. Ze mocht zeker op de leuning zitten. Tot Antwerpen maar, want daar liep de trein half leeg en was er ineens plaats voor iedereen. De lieve juffrouw voegde zich bij een kortgebroekte, harige heer en tegenover mij kwam een oudere man te zitten die zich al snel bekend maakte als gepensioneerd hoogleraar in vier disciplines met als hoofdvak economie. Dan denk je al snel aan een fantast, zeker vanwege dat economie, maar je nichtje Vaso is naast master in Finance, master in Informatica en master in European Studies ook nog civiel ingenieur, dus misschien sprak de man de waarheid. We hebben in ieder geval tot Brussel Centraal aangenaam gekeuveld, waarbij ik mezelf ook maar even tot professor promoveerde.


Van de weeromstuit nam ik de verkeerde uitgang, dus niet bij de taxi's, maar na enig verloren lopen stopte een taxi vlakbij me, die enkele mensen afzette en mij vervolgens meenam naar de Chaussée de Vleurgat. Ik ben dol op mijn moedertaal, maar dat klinkt toch iets voornamer dan Vleurgatse Steenweg. Begin negentiende eeuw reisden we tenslotte ook liever met de diligence dan met de postkoets. Meestal als ik in Brussel ben logeer ik naast het centraalstation, maar dit keer wilde ik enigszins in de buurt van Anke en Lienke zitten. Ik bleek Elsene te hebben verkozen boven Ukkel, waar ze wonen, maar met een bushalte voor de deur en een tramhalte om de hoek, bleek het geen slechte keuze te zijn. Bovendien werd ik in het hotel allervriendelijkst begroet door een receptioniste die hoge ogen zou hebben gegooid bij de Miss België-verkiezingen, al bleek ze uit Roemenië te komen. Leve de Europese Unie, in Brussel nadrukkelijk aanwezig, zij het niet in de fraaiste gebouwen van de stad.


Met Anke en Lienke heb ik het er eens goed van genomen. Koffie en een wijntje in een van de passages, bij zo'n mooie zaak waar al tientallen jaren niets is veranderd en waarvan ik natuurlijk de naam niet heb genoteerd. Sommige van mijn afwijkingen zijn chronisch geworden. Ik herinner me wel ooit eens een documentaire te hebben gezien waarin Drs.P. de trein naar Brussel nam (de echte, die in Dordrecht stopte) om in een van die passages wat te eten en te drinken om vervolgens terug te sporen naar Amsterdam. Kun je je nog herinneren dat we met hem in gesprek raakten in Mulliner's Wijnlokaal aan de Lijnbaansgracht, toen daar een nummer van De Tweede Ronde werd gepresenteerd, waarin wij uit het Grieks vertaalde gedichten hadden gepubliceerd? Van wie ook weer? Dat zou ik moeten opzoeken, maar dat is me te veel werk in de chaos op mijn werkkamer, sorry, volgende keer beter. Dat Van Oorschot De Tweede Ronde uiteindelijk de deur uit heeft gedaan aan Mouria, die er Kort Verhaal van maakte en het tenslotte helemaal opdoekte, is een van de letterkundige schandalen die jij niet meer hebt meegemaakt, maar ik herinner me nog wel dat je Drs.P. een heel aardige, oude heer met klasse vond. Jaren later heb ik nog eens een reclameboekje uit Nederlands-Indië met Engelstalige versjes van hem naar het Nederlands vertaald, dat Liverse uitgaf als verjaardagscadeautje voor meneer Polzer.


Na de passage zijn we naar café Metropole gegaan aan het De Brouckèreplein. Een prachtig Art Nouveau-café dat me aan café Central in Wenen doet denken, al ben ik daar sinds 1983 niet meer geweest, dus kan mijn geheugen me gemakkelijk een loer draaien. Hoewel het een fantastisch mooie zaak is, leidt het een enigszins kwijnend bestaan, vrees ik, want dat De Brouckèplein is verder een malle puinhoop. De gemeente heeft er een voetgangersgebied van gemaakt, dat is nog zo gek niet, maar middenin liggen een rolschaatsbaan en een soort fietscrossbaan waar een enorme pestherrie vandaan komt, zodat we maar binnen zijn gaan zitten en niet op het ruime terras, en de gevelwand tegenover Metropole wordt door een ijselijk lelijke constructie omhoog gehouden, waarachter leegte heerst. Het is de bedoeling dat er achter die gevels nieuwe gebouwen komen, maar volgens Anke en Lienke is er in jaren niets meer gebeurd. Zo'n situatie kennen we van het Vrieseplein in Dordrecht, waar een incompetente, door zichzelf tot aannemer benoemde timmerman, de zuidwand in elkaar heeft laten donderen. Achter het gapend gat is nu een parkeerplaats. Al jaren zegt men dat er een hotel komt, maar ik moet het nog zien.


's Avonds hebben we gegeten in het Griekse restaurant Strofilia. Het zat er vol met Grieken, geen tent dus met van die onzin als een Pargaschotel, een Thessalonikischotel of een Kretaschotel, alles met veel, heel veel vlees voor een prikkie, want dat vreten de lokalen graag, maar met volop heerlijke gerechten als papoutsaki, bouyourdi, imam Bayldi en dergelijken. Er werden ook alleen maar Griekse wijnen geserveerd, wat helaas niet bij alle Hollandse Grieken meer het geval is. Ik heb getrakteerd op een voortreffelijke xinomavro van het wijnhuis Gerovassiliou. Daarna heb ik de hotelbar, hoe aantrekkelijk ook, maar overgeslagen.


De volgende dag heb ik zeer aangenaam doorgebracht bij Anke en Lienke thuis. Ze hebben een appartement in een rustige straat in een nette buurt. Jij zou er genoten hebben van de oosters aandoende inrichting. Geen wonder, want ze hebben in Cairo, Bagdad, Beiroet en nog wat plaatsen in het Nabije Oosten gewoond. Dat kun je lezen in hun boek Are you TwinsBeslist een aanrader. We hebben de dag ook in Griekse sferen doorgebracht met veel muziek van onder meer Dalaras, Glikeria en Arvanitaki. Onze muzieksmaak komt wonderwel overeen en dat zou met de jouwe ook het geval zijn geweest. 


En dan stap je uit een taxi op Brussel Centraal, begint plots het alarm te loeien en wordt het station ontruimd. Hoe nu? dacht ik, maar na een minuut of tien wachten, ik wilde eigenlijk net een café in de buurt opzoeken, bleek het loos alarm, er zat ergens een draadje los. Omdat ik altijd ruim op tijd ben, haalde ik de geplande trein nog en twee uur later was ik weer op mijn eiland. Het bleef nog lang onrustig bij Visser.


In gedachten, altijd,


Kees


Dordrecht, 1 augustus 2022.


Foto: auteur



maandag, juli 25, 2022

Hoe sneller hoe dommer




Lieve Stella,


Je weet dat ik veel naar de radio luister, behalve als de waan van de dag me een beetje te veel wordt en ik mijn heil bij Spotify zoek. Zojuist hoorde ik dat er problemen op Zestienhoven zijn, omdat daar mensen al meer dan een dag op hun vliegtuig naar Turkije zitten te wachten. Het werd een beetje sensationeel gebracht door Radio 1 en dan kun je er vergif op nemen dat mensen op Facebook van alles gaan roepen. Ik werd op mijn wenken bediend. Het domste volk kraaide zoals gewoonlijk het hardst. Van die types die zichzelf moreel boven het vakantievee verheven voelen. Zonder ook maar iets van de achtergronden te weten lezen zulke moraalridders en -ridderessen vlieglustigen de les. Teutebel A. roept dat het gelukkig mensen zal demotiveren om met een vliegtuig te reizen, zeurkous B. dat vakantie geen plicht is, maar een recht en dat je beter in Nederland kunt blijven en ouderling D. predikt dat wie vliegt om ellende vraagt en daarom gewoon de auto moet nemen.


Waarom erger ik me aan die reacties? Ik denk vanwege de opmerkingen die ik onvermijdelijk krijg als ik zeg dat ik weer eens naar Griekenland ga. Goed bedoelde opmerkingen, maar waar ik vaak niet tegen kan. 'O, heerlijk, ik vind het ook zo'n fijn vakantieland', of 'geniet ervan, wij zijn er ook heerlijk tot rust gekomen' en meer van dat soort uitingen van medeleven. Wij, vooral jij, leefden altijd op als we naar Griekenland gingen, maar niet vanwege het geweldige vakantiegevoel. We gingen gewoon naar het land waar je was geboren en getogen, de familie bezoeken, vrienden na zoveel tijd terugzien en vooral dingen regelen. Met de belastingdienst, met het bedrijf dat de gasketel controleerde, met de vereniging van eigenaren van ons appartementengebouw, met het ziekenfonds. Ja, daar zaten ook wel uitjes naar een eiland tussen of een paar dagen in het vakantiehuis van vrienden, natuurlijk, maar nog steeds, ook nu jij er niet meer bent, ga ik vooral naar Griekenland om noodzakelijke dingen te regelen, vooral met de bureaucratie, met wie ik sinds jouw overlijden wel niet direct op voet van oorlog leef, maar die ik ieder jaar weer een beetje meer begin te haten. Een vakantiegevoel heb ik toch echt eerder als ik door de Dordtse Biesbosch fiets dan wanneer ik in Thessaloniki een afspraak heb met mijn belastingconsulent. Ach, B. weet natuurlijk helemaal niet dat je sommige zaken in Griekenland persoonlijk moet regelen en niet vanuit een vakantiepark aan de Zeeuwse kust. Zeg eens, A., hoe moet ik in Griekenland komen zonder te vliegen nu ik al jaren, mede uit milieu-overwegingen en nog een heleboel andere, geen auto meer heb? Drie dagen in een peperdure trein, dat geloof je zelf toch niet? Over die ouderling zal ik maar zwijgen, die zou eens moeten kijken naar het aantal slachtoffers in het autoverkeer en in de luchtvaart.


Je verbaast je misschien dat ik me druk maak over wauwelkousen die op Facebook beter hun mond kunnen houden, maar doorgaans het hoogste woord hebben. Moet ik ook niet doen, maar ik kan nu eenmaal slecht tegen domheid en tegen figuren die hun bek maar een duw geven. 'Jij houdt je mond ook zelden', denk je misschien, en dat is waar, maar als ik wat beweer, heb ik daar over nagedacht, weet ik waarover ik praat en als iemand met argumenten komt die sterker zijn dan de mijne, wil ik het niet per se beter weten. Wie heeft dat ook alweer gezegd, dat domme mensen altijd alles zeker weten en mensen die nadenken per definitie twijfelen?


Vorige week hadden we een nogal warme dag, over de onzinnige paniek daarover schreef ik je in mijn vorige brief. Hij was prima uit te houden. Ik hield de ramen en deuren beneden dicht, zodat het keurig vierentwintig graden bleef en heb de hele dag lekker zitten werken. Aan het eind van de middag, het kwik stond toen op achtendertig graden, ben ik op mijn gemak naar Visser gefietst, waar ik aansloot op het terras bij een klein groepje stamgasten. De harde kern zat lekker in een briesje te genieten van de rust op straat, al scheurt onvermijdelijk zelfs op zo'n dag af en toe wel een idioot op een quad met een bloedvaart langs het terras. Er moeten natuurlijk eerst doden vallen voor ze die teringdingen van die snotjongens afpakken. Sinds ze de pollers hebben weggehaald en er camera's staan, hebben we minder last van motorduivels in de binnenstad, maar die quadkinderen hebben waarschijnlijk ouders die het goed lijden kunnen, zodat ze niet schrikken van een prent. 


Toen Visser ging sluiten, ben ik nog even naar het Groothoofd gefietst, waar ik zag dat de leeghoofdigheid zich naar het water had verplaatst. Tientallen mafkezen stoven af en aan op waterscooters en daar tussendoor scheurden de speedboten. Hoe sneller hoe dommer. Ook hier moeten eerst doden vallen voor er iets wordt gedaan. Tussen al die racende waterkevers door stoomden onverstoorbaar de voetbalveldgrote duwcombinaties en de binnenschepen. Het wachten is op ongelukken en de onvermijdelijke krokodillentranen van de BOGA's (Boven Ons Gestelde Autoriteiten, het is maar dat je het onthoudt). Een enkele onverantwoordelijke dwaas daalde ook nog van de steiger af om een rondje te zwemmen. 


Toen ik er echt niet meer tegen kon, ben ik naar huis gefietst, heb me daar van top tot teen ingesmeerd met muggenolie en ben tot laat in de nacht op de veranda gaan lezen. Eerst de krant, die door alle drukte was blijven liggen, en daarna de laatste hoofdstukken uit de prachtige biografie van Hella S. Haasse, door Aleid Truijens. In de krant stond een stuk over straatraces. Daar schijnen ze in dat lelijke dorp aan de andere kant van de Zwijndrechtse brug, met dat prachtige uitzicht op Dordrecht, vooral op zomeravonden erg veel hinder van te hebben. Dat verbaast me niets. Warme leidt bij sommigen kennelijk tot hersenverweking.


In gedachten, altijd,


Kees


Dordrecht, 25 juli 2022


Foto: auteur



maandag, juli 18, 2022

Op het lelijkste plein van Nederland




Lieve Stella,


Weken, zo niet maanden, hebben we uitgekeken naar het Big Rivers festival, dat dit weekend in Dordt plaatsvond. Twee jaar lang kon het niet worden gehouden, of in zeer afgeslankte vorm (vorig jaar) vanwege de coronatoestanden. Nu mocht het gelukkig weer. Ik heb met volle teugen genoten, al heb ik de 'afterparty's' grotendeels aan me voorbij laten gaan. Na urenlang rondsjouwen langs al die podia in het stadscentrum merk je weer even dat je op lichtgevorderde leeftijd bent. 


Het weer werkte ernstig mee, het was droog en zonnig, zonder dat het overdreven warm werd. Festivalweer bij uitstek. Dat wordt, als we de voorspellingen mogen geloven, morgen anders. Dan dreigt de temperatuur boven de vijfendertig graden te komen. Daardoor is het land alweer helemaal in paniek. Voortdurend gezwets op de radio over 'de komende hitte' en wat je daar al dan niet tegen moet doen. Zojuist meldde Radio 1 dat veel kinderdagverblijven morgen sluiten wegens de warmte. Wat een idioterie, kinderen in de Mediterrane landen, waar het vaak langdurig veel warmer is dan dat ene tropische dagje hier, gaan desondanks gewoon naar de opvang. De eerste dag van de Nijmeegse vierdaagse is afgelast. In hoeverre dat terecht is kan ik moeilijk beoordelen, maar al die verdere aanstelleritis over de hitte lijkt me hogelijk ridicuul. Het wordt hier thuis, onder het platte dak, al snel een graadje of dertig, vijfendertig, maar onder een lakentje met de ventilator erbij, slaap ik boven prima. Als het echt te gek wordt, kan het veldbed naar beneden, waar het aanzienlijk koeler is, maar dat is eigenlijk nog nooit nodig geweest.


Voor mij was Visser het epicentrum van Big Rivers. Van daaruit is ieder podium gemakkelijk te belopen, maar ook bij Visser zelf was het dolle pret. Op vrijdag en zaterdag waren er twee dj's die voor vrolijkheid zorgden, terwijl we op vrijdagavond een heerlijke avond hadden met Los Smoking Ciggaars, de bluesband onder leiding van Dusty Ciggaar, en op zondag speelden de Badjak Boys en Salmon On A Leash, twee bands waarin zo'n beetje al Vissers mannelijk personeel (de Visser boys, zeg maar) speelt en dat doen ze nog keigoed ook. Jammer dat het optreden van Thisgirlslife, in de tuin van Brut, niet door kon gaan, omdat Ilona's toetsenist corona had. Er vielen nogal wat muzikanten uit vanwege corona, maar de festivalorganisatie wist dat met de nodige creativiteit prima op te lossen met alternatieve bands. Bravo voor Nevyn, Bas, Liselotte en al die andere mensen die aan Big Rivers meewerkten.


Op zaterdagvond beëindigde Leo Schellinger, die ik al in 1965 leerde kennen, toen hij nog in de Leliestraat woonde, zijn vijfenvijftigjarige carrière als artiest. Zijn band, Leo Schellinger and Friends, had een indrukwekkend afscheid georganiseerd op het podium op de Grote Markt. De Grote Markt is het lelijkste plein van Nederland, ik kan het weten, want ik heb er drie jaar gewoond, in een flat boven wat nu de Action is, maar die avond was het het sfeervolste. Leo is in al die jaren uitgegroeid tot een begrip in het aan muzikanten rijke Dordrecht. Het was geweldig om hem nog één keer Gloria te horen zingen, Bring it on Home to Me en Knocking on Heaven's Door. Dat laatste ontroerde me, want dat was het lied waarmee we afscheid namen van Gerrit de Wolf, op die gruwelijk koude, besneeuwde dag, eind januari 2010, voor we hem naar zijn laatste rustplaats brachten.


Begin jaren zestig had Leo, samen met mijn vrienden Herbert en Thijs, een playback bandje, maar al snel ging ieder zijns weegs in de echte muziek. Leo was door de jaren heen zanger bij een hele ris bandjes. Ik zou de archieven in moeten om ze allemaal op te noemen. Thijs heeft een tijdje gedrumd, maar is daar op zekere dag mee gestopt, ondanks zijn talent, zodat hij waarschijnlijk een mooie carrière in de muziek is misgelopen, al weet je dat natuurlijk nooit. Ik heb je al eens gezegd, als-als-geschiedenis is geen geschiedenis. Van Herbert heb ik gitaar leren spelen, dat verhaal ken je. Ik vraag me af of ik het nog zou kunnen. Ik was niet de geweldigste gitarist van West-Europa, maar ik heb toch wel wat jaartjes mee getokkeld met de Bobby Kinghe Free Folk Band en The Oldtime City Slickers. Vreemd idee dat ik in de vijfenveertig jaar daarna nooit meer gitaar heb gespeeld. Er staat er nog eentje in jouw werkkamer, die bij gebrek aan een zolder min of meer een opslagplaats is geworden, met de snaren uit die tijd er nog op. Ik zou die natuurlijk kunnen vervangen en weer gaan spelen, maar ik geloof dat ik mijn tijd beter kan gebruiken.


Het was alle drie de dagen erg druk op Big Rivers. Misschien een reactie op alle beperkingen en maatregelen tijdens corona, een tijd waaraan ik met afschuw terugdenk en die hopelijk nooit meer terugkomt. Alleen die volslagen idiote avondklok al, waarvan ik me overigens nooit iets heb aangetrokken, en dan dat gedoe met die vreselijke mombakkesen voor je neus. Ik krijg het er nog benauwd van als ik eraan denk. Ik heb overigens niet het idee dat de regering erg competent bezig is om de gezondheidszorg crisisbestendig te maken, maar daarover heb ik je al eens geschreven en ik wil niet in herhalingen vallen. Gisteren hoorde ik een hoogleraar in de migratiegeschiedenis (of iets dergelijks) zeggen dat de vigerende crisis in de opvang van asielzoekers 'bewust is gecreëerd' en dat adviezen van de eigen adviescommissies van het verantwoordelijke ministerie in de wind worden geslagen, zodat asielzoekers in Ter Apel de nachten buiten moeten doorbrengen, wat toch eigenlijk onvoorstelbaar is. Weer een staaltje van ellende die door de neo-liberale lulkoekenbakkers die dit land al zoveel schade hebben berokkend, is veroorzaakt. Het zou ook best eens kunnen zijn dat zoveel mensen zich in een festival als Big Rivers storten om even te vergeten hoeveel en hoe vaak er van alles misgaat of mis is in dit landje, dat toch een van de rijkste ter wereld is. Nu blijkt de belastingdienst, die toch zou moeten staan voor een integer beleid in het algemeen belang, weer op merkwaardige wijze de taxigigant Uber over de kloten te hebben gestreeld. Na Rijkswaterstaat hebben we met de fiscus zo langzamerhand een tweede staat in de staat.


Het Nederlands damesvoetbalelftal is door naar de volgende ronde en moet dan tegen Frankrijk spelen. Ik denk niet dat onze vrouwen dat gaan winnen, die Fransen zijn wel erg sterk in dit EK-toernooi. Ik volg, als het uitkomt, de wedstrijden met plezier. Eigenlijk vind ik het vrouwenvoetbal veel leuker dan dat van de mannen. Er wordt nauwelijks gezeken tegen de scheidsrechter en ze liggen niet voortdurend te janken en toneel te spelen als ze omver worden gelopen. Alleen moeten we zo snel mogelijk van die alles verpestende VAR af. We moeten trouwens ook van die achterlijke buitenspelregel af, vind ik, maar niemand bij de voetbalbond die naar mij luistert. Ook bij FC Dordrecht niet, vrees ik, terwijl ze daar toch horen te weten dat ik vind dat ze snel met een vrouwenselectie moeten beginnen.


In gedachten, altijd,


Kees


Dordrecht, 18 juli 2022


Foto: auteur


zondag, juli 10, 2022

Feestgedruis




Lieve Stella,


Dordrecht is deze maand, ik heb het je al eerder geschreven, een ware feestlocatie. Dit weekeinde hebben we het zogenaamde Hoffestival. In mijn jeugd hadden we de Hoffeesten. Die zijn, meen ik, in 1972 voor het laatst gehouden. Net als de Hoffeesten is dit festival in het leven geroepen om wat men de 'eerste vrije' statenvergadering noemt te herdenken, een bijeenkomst van een aantal Hollandse steden in Dordrecht in 1572, met als doel gelden te fourneren aan Willem van Oranje, zodat hij zijn strijd tegen de hertog van Alva kon volhouden. Ik ga die geschiedenis is deze brief niet uitgebreid uiteen zetten, ik heb er in een eerdere brief al wat over gezegd en ik ben niet van plan om je een lesje geschiedenis te geven. Dat heb ik, samen met collega Henk 't Jong wel min of meer gisteren gedaan in een radio en televisie-uitzending van Via Cultura, een van de Dordtse media-organisaties, waarin het over die statenvergadering ging. We vonden die herdenking, die pas in de 19e eeuw in de schoolboekjes is terechtgekomen, toen de sterk nationalistisch gekleurde geschiedschrijving opkwam, een nogal opgeklopte zaak, al is een feestje nooit weg. 


Van die oude Hoffeesten herinner ik me de zomerkermis, die werd gehouden op het Beverwijcksplein en de Veemarkt. Wij woonden daar niet ver vandaan in de Cornelis de Wittstraat, zodat ik als kind 's avonds ging slapen met op de achtergrond vrolijke kermisgeluiden. Bij ons in de straat stond altijd een aantal wagens van de kermisgasten geparkeerd. Er was een rijdende school bij, wat ik verwonderlijk vond: les krijgen in een grote woonwagen, maar ook een beetje zielig. Had je een avontuurlijk leven als kermiskind, althans dat stelde ik me voor, moest je toch de hele dag op school zitten. 


Als kind vond ik een kermisbezoek wel aardig, maar ik ben er nooit geweldig warm voor gelopen. De kermis leek in veel opzichten niet op wat hij vandaag de dag is. Ik heb niets met al dat gedraai en gezwier en de oorverdovende herrie waarin ik terechtkwam toen ik onlangs een nieuw paspoort moest ophalen. Tegenwoordig staat de zomerkermis, losgezongen van het Hoffestival, halverwege de maand juni op de Spuiboulevard bij het Stadskantoor. Mijn kermis was die van de vrouw met de baard, de schiettent, het spookhuis, de poffertjestent, als je geluk had kreeg je ook nog geld voor een zuurstok, de draaimolen (maar dan moest ik wel op een paard) en vooral de botsautootjes. Wat me aan de andere kant tegenstond, ook al als kind, was het vele tuig dat door de kermis werd aangetrokken, met aanklevende opstootjes en vechtpartijen. Ik kom al jaren niet meer op de kermis en heb geen idee hoe de sfeer nu is, maar ik heb mij er nooit echt helemaal senang gevoeld.


Tijdens de Hoffeesten werd ook een wandeltocht georganiseerd. Veel herinner ik mij daar niet van, maar ik moet daar een paar keer aan hebben meegedaan. Mijn vader was een enthousiaste wandelaar en sleepte ons als kinderen daarin mee. Ik heb een aantal keren de avondvierdaagse gelopen, toen heel wat minder vanzelfsprekend dan nu, want scholen deden er bijvoorbeeld nog niet aan mee, en kennelijk ook weleens zo'n Hoffeestwandeltocht. Ik heb er een paar medailles van en die komen niet uit de curiositeitenwinkel. Als je de beeldbank van het Regionaal Archief bekijkt, werd er tijdens die feesten flink uitgepakt met allerlei voorstellingen, optochten, concerten en bosjes hoogwaardigheidsbekleders, tot aan leden van het koninklijk huis aan toe. Ik heb in mijn eigen archief gezocht, maar veel over de Hoffeesten heb ik niet gevonden, behalve één foto. Die moet zijn gemaakt in 1958, toen ik in de eerste klas zat van School Brans (die nu School Vest heet). We deden mee aan een optocht en moesten een of ander verhaal met regen uitbeelden, al was het, als ik het me goed herinner, maar je weet wat voor vreemde dingen je geheugen kan uithalen, mooi zomerweer. Of die optocht iets met de Hoffeesten te maken heeft? Geen idee. 


Ik sta op die foto op de voorgrond, tweede van rechts. Het meisje links van me is Patricia van Liempt (of van Liemt, dat wil ik kwijt zijn). Haar vader was chirurg. Ze woonde in een groot huis op de Singel, waar ik weleens ging spelen. De herinnering daaraan was aanleiding voor mijn gedicht Het huis aan de Singel, dat in mijn bundel Hoe de wereld zich zou openen (2012) is opgenomen. Ik ben aan het eind van klas twee van school gegaan en overgestapt naar de Boermanschool in de Bankastraat. Over de reden zullen we het niet hebben, maar het was niet vanwege mijn goede gedrag, vandaar dat ik het wel grappig vond dat ik jaren later een tijdje als kwekeling heb rondgelopen op Vest, die zich ondertussen had getransformeerd tot een geheel andere en bijzonder prettige school. Hij is inmiddels van de Vest verdwenen en staat nu op de Blekersdijk. De Boermanschool is afgebroken. Daar staat nu een flatgebouw. Patricia is in 1959 uit mijn leven verdwenen, zoals vrijwel alle klasgenoten uit die tijd, behalve Hans Barendrecht, die later de groentezaak in de Vriesestraat van zijn vader overnam. Daar zijn we jarenlang klant geweest, tot Hans met pensioen ging.


Het huis aan de Singel


De massieve voordeur

is nog dezelfde als die

waardoor hij na schooltijd

het meisje volgde.


Er was een moeder die altijd

bleek op een sofa lag.

Er waren reusachtige fauteuils

die dienst deden als slagschip.


Het was een groot, grof meisje

dat soms aan zijn haren trok

en boos deed als de moeder

haar verbood te vloeken.


Ze was gespierd als een jongen,

speelde te wild voor hem.

Maar hij kwam steeds mee,

durfde geen nee te zeggen.


Later was het er opmerkelijk stil.

Dat begon op de dag dat de sofa

leeg was en het meisje

weigerde te spelen.


Ze zaten bewegingloos

in die enorme kamer.

De slagschepen lagen er bij

als verwaarloosde wrakken.



In gedachten, altijd,


Kees


Dordrecht, 10 juli 2022


Foto: archief auteur



dinsdag, juli 05, 2022

Vriendelijk glimlachend



Lieve Stella,


Gisteren kwam het nieuws dat Remco Campert is overleden. Niet geheel onverwacht, hij was twee en negentig, ondanks al die rode wijn en al die sigaretten die hij zijn hele leven heeft gedronken en gerookt, maar toch schrik je ervan. Ik bedoel: Campert was een soort constante in de literatuur. De laatste jaren schreef hij weliswaar niet meer, maar hij wordt nog volop gelezen, althans door mij en ik ga er gemakshalve maar even vanuit dat ik in de literatuur de maat van alle dingen ben.


Ik ben in ieder geval een groot Campert-fan, vooral van zijn poëzie. Zoals velen begon ik in mijn pubertijd met het schrijven van gedichten. Twee dichters waren mijn grote voorbeeld en bron van inspiratie: Kees Buddingh' en Remco Campert. In de bundel Dit gebeurde overal uit 1962, die ik als zestienjarige kocht op advies van Gerrit de Wolf, klasgenoot en mederedacteur van de schoolkrant, viel mijn oog als eerste op het gedicht Niet te geloven, waarvan de laatste twee strofen luidden:


Alles zoop en naaide,

heel Europa was één groot matras

en de hemel het plafond

van een derderangshotel.


En ik bedeesde jongeling

moest nodig

de reine berk bezingen

en zijn bescheiden bladerpracht.


Het werd een van zijn bekendste gedichten, graag gelezen door even bedeesde jongelingen uit de generatie na hem.


Zijn Tjeempie! Of Liesje in luiletterland (1968) las ik voor mijn eindexamen. Eigenlijk vond de leraar Nederlands dat maar niks, maar er ging net een progressieve geest waaien door de school, die de stoffige gangen en lokalen danig begon op te frissen, dus veel weerwoord gaf hij wijselijk maar niet en bovendien had ik ook Julia van Rhijnvis Feith op de lijst staan, waar hij veel waardering voor had. Niet voor Feith, maar voor het feit dat ik dat boek had gelezen. Van Julia herinner ik me niet veel meer, maar de avonturen van Liesje staan me nog helder voor de geest.


Campert en ik waren geen goede bekenden. Wel heb ik hem enkele keren ontmoet en gesproken. Een vriendelijke roker, waarvoor ik vol ontzag was, zeker toen ik hem de eerste keer ontmoette. Dat was in het voorjaar van 1969, toen Jan van der Geer, Gerrit de Wolf en ik de manifestatie Poëzie in het Minitheater organiseerden. Een avond geïnspireerd door Poëzie in Carré, maar iets minder groots opgezet, want daar was de subsidie van de Dordtse Boekverkopersbond en de Culturele Raad Dordrecht niet toereikend genoeg voor. 


Ik presenteerde Poëzie in het Minitheater (gehouden in het toenmalige theatertje onder het Stadskantoor), waaraan Campert en een aantal andere grote namen uit die dagen deelnamen, een manifestatie die overigens zonder de enthousiaste hulp van Kees Buddingh', die de dichters namens ons om medewerking vroeg, niet van de grond was gekomen. Buddingh' introduceerde er zijn vriend Wim de Vries, die als optredend dichter debuteerde. Ik was zo vermetel aan het eind van de avond een gedicht van mezelf voor te dragen. Gelukkig is die jeugdzonde daarna verloren gegaan en ik hoop dat hij nooit uit de vergetelheid terugkeert, maar Campert kon er vriendelijk om glimlachen.


Jij hebt hem voor zover ik me herinner nooit ontmoet, hoewel we regelmatig naar Poetry International gingen, maar ook jij las zijn gedichten graag. Het was een kwestie van tijd voor je werk van hem in het Grieks zou gaan vertalen, zoals je ook deed met gedichten van Buddingh', Jan Eijkelboom en Judith Herzberg, maar eerst wilde je de vertaling van Max Havelaar voltooien. Je bent er niet meer aan toe gekomen en ik vraag me ook een beetje af of je een gedicht als Strip, uit Betere Tijden (1970) zou hebben gekozen, dat eindigt met:


maar daar heb je 't drama al


terwijl hij met de ene hand

zijn zuster in haar buik grijpt

rukt hij met de andere zijn zwager af


ze weten tegenwoordig

van gekkigheid niet meer

wat ze bedenken moeten


In de vroege jaren zeventig, toen Griekenland in de greep was van het achterlijke, fascistische kolonelsregiem, was daar geen sprake van een seksuele revolutie, laat staan van dichters die het fenomeen met milde ironie bezongen, maar ik vraag me af of de Grieken, inmiddels vol problemen het tweede decennium van de 21e eeuw ingesukkeld, er nu wel aan toe zouden zijn. De meisjes in Thessaloniki lopen er vaak uiterst aantrekkelijk bij in hun sexy zomerkleedjes, maar dat verhult slechts het oerconservatieve karakter van de Griekse maatschappij. Geen tepel te zien op de Griekse familiestranden, maar wel bij elke gebeurtenis van enig belang zo'n wierook zwaaiende zwartrok.


Mijn laatste ontmoeting met Campert dateert van 7 september 2008. Hij was een van de gasten bij de literaire manifestatie Drechtsteden Gedicht. Die werd op een druilerige, frisse middag buiten gehouden op het Hof, nog voordat de boel verbouwd werd tot museum. Het gebouw was eigenlijk al niet meer als theater in gebruik, maar de foyer was er nog en bij Gods gratie mochten de deelnemende dichters daar na hun optreden schuilen. Ik praatte er na afloop met Campert, Jules Deelder, Levi Weemoedt en Tjitske Jansen nog wat na. Deelder, goed bekend met Dordrecht en sommige Dordtenaren, gaf een persiflage ten beste van de laatste seksshopuitbater op de Riedijk (hij is overleden, ik zal uit piëteit zijn naam niet noemen). Die was zo hilarisch dat Campert zich snel moest vastgrijpen om niet gillend van de lach van zijn stoel te vallen. Een mooie herinnering aan een groot inspirator.


In gedachten, altijd,


Kees


Dordrecht, 5 juli 2022




zondag, juni 26, 2022

Op de rand van een vulkaan






Lieve Stella,


Een paar dagen geleden ben ik, na twee glazen chocomel en twee slokken bier in Visser, maar weer op de fiets naar huis gestapt om daar met een beetje verhoging en lichtelijk zielig onder een dekentje naar een aflevering van The Midsummer Murders te kijken en vervolgens het Nederlands vrouwenelftal met 5-1 te zien verliezen van Engeland. Je begrijpt, de tweede booster is binnen. Dat moet in het Engels, als je herhaalvaccinatie zegt werkt het niet tegen corona, geloven we in Nederland. Het was deze keer niet in een per openbaar vervoer schier onbereikbaar gat ergens in de polder, maar in een voormalig schoolgebouw op nauwelijks vijf minuten fietsen van huis. Ik kreeg ook nog iets te drinken aangeboden. Goed van de GGD, maar mag het volgende keer misschien samen met de griepprik, gewoon bij mijn eigen dokter?


De overlast bleef beperkt. Ik kreeg deze keer Pfeizer, werd me verteld, in plaats van Moderna, waar ik toen aanzienlijk meer last van had. Dat kwam natuurlijk ook omdat ik voor dat spuitje het Eiland van Dordrecht af moest, helemaal naar een beruchte wijk in de grote stad Rotterdam. Nu was ik de volgende morgen weer geheel fit en kon ik gewoon aan de training beginnen. Zo noem ik de oefeningen maar die ik 's morgens moet doen om mevrouw Ischias buiten de deur te houden, wat dankzij mijn beweegtherapeute goed lukt, al moet je het wel volhouden. Na een zware avond schiet die training er weleens bij in.


Het lijkt een mooie zomer te gaan worden, vol feesten en festivals in Dordrecht. Natuurlijk, het is als dansen op de rand van een vulkaan, feesten in Herculanum of Pompeï, want behalve de inktzwarte schaduw van de oorlog in Oekraïne, het raaskallen van bad Boris in Engeland, de terugkeer naar fundamentalistische achterlijkheid van de VS, door het afschaffen van het federale recht op abortus, doemt ook het covidspook weer op. Dat laatste zou niet zo erg zijn als er krachtige maatregelen zouden zijn getroffen om de intensive care capaciteit in de ziekenhuizen uit te breiden, maar ik zie of hoor daar niets over. Ik weet ook wel dat dat niet zomaar gaat, maar ik weet ook dat nieuwe coronamaatregelen tot nog grotere problemen in de samenleving gaan leiden dan we nu al hebben.


Je weet, ik ben allerminst een onheilsprofeet, maar geen weldenkend mens kan er omheen dat drie kabinetten onder aanvoering van die leuke en vriendelijke meneer Rutte niet alleen veel problemen op hun beloop hebben gelaten, maar van een aantal een ongehoorde puinhoop hebben gemaakt. Denk aan de belastingdienst, een soort staat in de staat, denk aan zorg en onderwijs, denk aan Groningen en aan stikstof en de boze boeren. Allemaal aanwijzingen dat neo-liberalisme tot maatschappelijke ontwrichting leidt. Gelukkig gaat mijn pensioen na jaren stilstand met 2,39% omhoog en komt er voortaan iedere maand een rijk met dubbeltjes geladen schip mijn haven binnen.


Een mooie zomer dus. Volgende week verjaart FC Dordrecht. Dan is het vijftig jaar geleden dat het beroepsvoetbal zich onder die naam afsplitste van DFC. Wordt uiteraard een feestje met een wedstrijd van beroeps- en amateurcoryfeeën uit het verleden. Een dag erna is het Nooit Terug- poëziefestival. Die naam vind je misschien raar, maar die houdt verband met het gedicht Wat blijft komt nooit terug van Jan Eijkelboom. Ik kijk daar ook naar uit, al vind ik het vreemd dat de stadsdichter van Dordrecht niet van de partij is. Diens termijn loopt trouwens af, dus komt er binnenkort een nieuwe. Ik ben benieuwd wie het wordt. Als hij of zij maar niet wordt benoemd via een belachelijke wedstrijdprocedure, zoals bij de vorige twee stadsdichters, en er geen discriminatoir criterium als 'aansprekend voor jongeren' wordt gehanteerd, want poëzie is voor alle leeftijden. Ik heb bijvoorbaat laten weten dat ik niet beschikbaar ben, ik heb het al druk genoeg.


Voor ik het vergeet: aan het eind van Nooit Terug hebben we het 'Boekenmarktbal' in de Kunstkerk, waar ik uit mijn dak hoop te gaan met een of andere leuke dichteres, maar dat mag je niet verder vertellen. Als ik die dagelijkse training natuurlijk maar volhoud. Het valt niet mee om licht gevorderd te zijn in leeftijd. Voor je het weet deelt een onbekende deegsliert van de overheid je in bij de bejaarden en moet je therapeutisch bingo gaan spelen in een buurthuis. Dan liever de lucht in, wat bij de huidige staat van chaos op Schiphol ook geen sinecure is. De dag daarna hebben we de Dordtse boekenmarkt. Dit jaar zijn mijn boeken te koop in de kraam van uitgeverij Avenir, in de Nieuwstraat. Ik ben daar blij om, want Liverse staat niet meer op de boekenmarkt.


Op 8 en 9 juli vieren we dat het 450 jaar geleden is dat de Staten van Holland in Dordrecht bijeen kwamen om Willem van Oranje de nodige centjes te verschaffen voor de opstand tegen de hertog van Alva. Om dat nou direct 'de geboorte van Nederland' te noemen gaat veel te ver, het was slechts een stap in het verzet tegen de landvoogd. Er moest daarna nog heel wat water onder allerlei bruggen door voor in 1588 de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden werd geboren (ze probeerden het niet voor niets na de afzwering van Philips II nog even met de graaf van Leicester en de hertog van Orleans, beiden geen succes). Uit die Republiek werd in 1795 de Bataafse Republiek geboren, daaruit in 1806 het jong overleden Koninkrijk Holland en tenslotte, na nog krap drie jaren Frankrijk, in 1813 Nederland. Ik bedoel maar, herdenken is mooi, maar geschiedenis is nooit in een kreet te vangen.


Waar ik ook naar uitkijk is het Big Rivers Festival, op 15, 16 en 17 juli. Op die dagen is het overal muziek wat de klok slaat in de stad, maar daarvoor is er ook al een opera op het Grotekerksplein in samenwerking met Muziektheater Hollands Diep. Ga ik ook eens naar een opera. Ik kan me niet herinneren dat ooit te hebben gedaan. Ik was, zij het in de coulissen, wel vaak bij het Belcantofestival, toen Dordrecht dat nog had. De coulissen waren in dat geval de open ramen van een bevriend echtpaar dat op de hoek van het Hof woonde. Ontspannen luisteren met prima zicht op het toneel en met een wijntje erbij. Ik moet nu even denken aan de openluchtbioscoop waar wij 's zomers in Thessaloniki weleens naartoe gingen, of naar het openluchttheater in het bos boven de stad. Weet je nog dat we bij dat prachtige optreden daar waren van Ross Daly? Ik zet nog weleens een CD-tje van hem op, tot ik er weemoedig van word. Gelukkig heb ik dan de klezmer om me op te vrolijken.


Na Big Rivers zit je voor je het weet in augustus, met wespen, veel regen en aan het eind van de maand onze familiedag. Dan is voor mijn gevoel de zomer al wel zo'n beetje voorbij. Misschien ga ik ergens in die maand nog een paar dagen naar Texel. Even uitwaaien in het hoge noorden en wie weet loop ik er mijn oud-hoogleraar Maarten van Rossem tegen het lijf. Dat zou me niets verbazen.


In gedachten, altijd,


Kees


Dordrecht, 26 juni 2022


Foto: auteur