zondag, december 30, 2018

Timoer Lenk



Iemand op 28 december 2018 een aanslag sturen, waarvan het eerste gedeelte moet zijn betaald voor 31 juli 2018, dat kan alleen de Griekse belastingdienst. Een illegale aanslag bovendien, want in strijd met het Nederlands-Griekse belastingverdrag, dus we gaan hem, zoals ieder jaar, aanvechten. De aanslag kwam een week na het bericht dat ik mijn beroep over de vorige had gewonnen. Ik zal binnenkort maar weer eens afreizen naar de rafelrand van Europa, om daar met de vuist op tafel te slaan. Ik neem mij iedere keer voor de eerste de beste ambtenaar in het belastingkantoor in Thessaloniki over de balie te trekken, maar gelukkig keert het gezond verstand tijdens de vlucht erheen meestal al terug. Het valt niet mee, ruim twee, soms drie, uur in zo'n enge sigaar, volgepropt met onbekenden. Daar word je bedachtzaam van. 

Het was me de maand wel en dan heb ik het niet over de feestdagen, maar over de menselijke fouten. In het Griekenland Magazine viel een stuk van een regel uit mijn column, zodat er onzin staat, en in mijn artikel in het tijdschrift Lychnari veranderde een beter wetende redacteur zonder overleg een zin, waardoor er nu een aperte fout staat, zodat de lezers denken dat ik nog nooit in Thessaloniki ben geweest. In januari komt Tetradio uit, het jaarboek van het Griekenlandcentrum van de Universiteit Gent en ik houd nu al mijn hart vast voor mijn stuk daarin over de geschiedenis van mijn favoriete, Griekse stad.

Ik ben in de kersttijd vergevensgezinder dan anders. We leven niet meer in de tijd van Timoer Lenk. Die liet piramides achter van menselijke schedels, als we de hoofdpersoon in De ommegang van Jan van Aken mogen geloven, maar hij bezorgde het zieltogende Oost-Romeinse Rijk, dat wij kennen als het Byzantijnse, wel enig uitstel van executie. In ieder mens schuilt wel iets goeds, ook in een belastingambtenaar, en ja, als ik in Thessaloniki Timoer Lenk zou spelen, kan ik die teruggave helemaal vergeten.

Foto: auteur


woensdag, december 26, 2018

Stella Timonidou-Klok (26-7-1946 - 26-12-2007)



Ongenode gast

Hij kwam ongenood en stiekem.
In het begin deed ik alsof ik
zijn aankloppen niet hoorde,
maar toen hij de tuinpoort sloopte
kon ik hem niet meer tegenhouden.

Ik heb hem opengedaan
en hij kwam binnen als een wervelwind.
De muziek zweeg.
Mijn gasten versteven op hun plek
met hun glas in de hand.

Hij heeft iedereen nieuwsgierig bekeken,
van top tot teen.
Uiteindelijk greep hij mij en we begonnen
een tango van Piazzola te dansen.

Harmonische bewegingen met ingewikkelde figuren. 
Ik volgde trouw zijn passen.
Ik wilde geen ruzie maken.
Ik wilde de avond niet bederven.

Albert Schweitzerziekenhuis, Dordrecht, 14.10.2007

In: Stella Timonidou - Eindeloze nachten. Gedichten. Liverse, Dordrecht 2009.


Απρόσκλητος επισκέπτης

Ήρθε απρόσκλητα και ύπουλα.
Στην αρχή έκανα πως δεν άκουγα 
τα χτυπήματά του.
Όταν όμως γκρέμισε την αυλόπορτα
δε μπόρεσα άλλο ν’ αντισταθώ.

Του άνοιξα και μπήκε
σα σίφουνας.
Η μουσική σταμάτησε.
Οι καλεσμένοι μου μαρμάρωσαν
στις θέσεις τους με τα ποτήρια στο χέρι.

Τους περιεργάστηκε έναν-έναν
από την κορυφή ώς τα νύχια.
Τελικά άρπαξε εμένα κι αρχίσαμε
να χορεύουμε ένα τανγκό του Piazzola.

Αρμονικές κινήσεις με δύσκολες φιγούρες. 
Ακολούθησα πιστά τα βήματά του.
Δεν ήθελα να κάνω φασαρία.
Δεν ήθελα να χαλάσω τη βραδιά.

Νοσοκομείο Albert Schweitzer, Ντόρντρεχτ, 14.10.2007

Στο: Στέλλα Τιμωνίδου - ατελείωτες νύχτες. Συλλογή Ποιημάτον. University Studio Press, Θεσσαλονίκη 2008.


vrijdag, december 21, 2018

Brexidiots



Lieve Stella,

Gisteren was de zeventiende sterfdag van Hans Warren. Ik herinner mij nog hoe wij schrokken van het nieuwsbericht. Ik ben een groot liefhebber van zijn werk, vooral van zijn indrukwekkende reeks Geheim Dagboek. Je herinnert je vast wel dat ik steeds reikhalzend uitkeek naar het verschijnen van een volgend deel. Het laatste is na zijn overlijden door zijn partner, Mario Molegraaf, afgemaakt. Hij heeft ook alle delen bezorgd die bij de dood van Hans nog niet waren gepubliceerd. Wat moet dat een verschrikkelijk zware, maar wellicht ook dankbare, taak zijn geweest. Ik weet nog hoe moeilijk, maar ook hoe troostend, het voor mij was om jouw postume bundel te redigeren en samen met je nichtje Vaso daarna de Griekse editie persklaar te maken. 

Over zes dagen is het elf jaar geleden dat jij overleed. Een paar weken daarvoor kwam een meisje van Radio5 mij en Klaas Blokhuis interviewen voor het programma De Avonden over het onderwerp wat is uw favoriete schrijver en waarom? Ik heb toen uitgebreid over het Geheim Dagboek gesproken. We ontvingen haar in de woonkamer. Jij was er speciaal voor opgestaan, het was net in de periode dat je een opleving had, zelfs weer een beetje kon eten, maar het interview was nauwelijks begonnen of je moest hevig overgeven, waarna je terugging in bed, het ziekenhuisbed dat hier beneden in de kamer stond. Dat meisje, ik meen dat ze Bente heette, Klaas en ik hebben de interviews toen boven, in mijn werkkamer afgemaakt. Je hebt de uitzending nog gehoord, maar kort daarop ging je zo sterk achteruit dat je terug moest naar het ziekenhuis, tot het einde, op die stormachtige, zwaarbewolkte tweede kerstdag. 
Dingen veranderden in die elf jaar, logisch natuurlijk. Ik heb mensen leren kennen die jij nooit hebt ontmoet, of die indertijd slechts een naam voor je waren, in een boek of tijdschrift. Vrienden zijn overleden, zoals Klaas Blokhuis en Lupius. Mijn regelmatige uitstapjes naar Skyros zijn van na jouw tijd en sinds 2015 heb ik het vruchtgebruik van het huis in Ano Toumba niet meer. Een hele kopzorg minder, maar ik vraag me nog altijd af of ik dat niet te vroeg heb opgegeven. Soms weet je niet wat verstandig is. Ik zit prima in mijn pied-à-terre in de Ano Polis van Thessaloniki, maar ik moet het altijd wel lang van tevoren bespreken om zeker te zijn dat het niet al verhuurd is, en ik krijg steeds meer moeite met dingen plannen op de lange termijn. Bovendien is het wel comfortabel, maar klein en heb ik er mijn boeken niet. Ik reis, eigenlijk tegen mijn zin, met een e-reader, die ik steeds als ik thuiskom weer snel opberg. In Griekenland koop ik er altijd nog wel een paar boeken bij, die ik soms opstuur via de post (of via een koerier, want de posterijen zijn tegenwoordig niet echt betrouwbaar meer), om te voorkomen dat ik flink moet bijbetalen voor mijn koffer tijdens de terugreis. Ook die aardige, Griekse consul in Rotterdam, Kyriakos Amiridis, leeft niet meer. Hij werd overgeplaatst naar Brazilië, waar hij door de minnaar van zijn vrouw is vermoord. Gelukkig dat Kyriakos de dag na jouw overlijden de helpende hand bood, want als het aan de idioot op het consulaat had gelegen die de begrafenisondernemer in eerste instantie te woord stond, was jouw laatste reis naar Griekenland een drama geworden.
De Grieken hebben het consulaat in Rotterdam gesloten, je moet nu voor alle consulaire zaken naar Den Haag, maar dat heeft niets met die moord te maken. Een geldkwestie, zoals er sinds het uitbreken van de economische crisis ook een einde is gekomen aan de jaarlijkse recepties ter gelegenheid van de nationale feestdagen op 25 maart en 28 oktober in de residentie van de ambassadeur. Ik weet op het ogenblik niet eens hoe de Griekse ambassadeur in Den Haag heet. Dat kun je, zoals dat tegenwoordig heet, 'goegelen', maar ik heb wel iets beters te doen dan naar het schermpje van mijn telefoon staren. De Cyprioten hielden hun recepties, waaraan door de crisis voorlopig ook een einde is gekomen, vaak in het Crown Plaza hotel. Ik heb mij altijd verbaasd dat je daar zomaar kon binnenlopen, bij de Griekse recepties trouwens ook, alsof er geen terroristen en andere griezels bestonden. Geen agent voor de deur, geen particuliere beveiligers in zicht, ze zullen er wel zijn geweest, neem ik aan, maar niet zichtbaar, en er werd nooit naar onze namen gevraagd. Nu ja, we waren daar toen bekend als de bonte hond, vooral jij, als oud-onderwijsattaché.

De donkere decemberdagen werden in het afgelopen weekeinde verlicht door de kerstbijeenkomst van de Haarlem Branch van de Dickens Fellowship, traditiegetrouw in Haarlem. Omdat de kas het dit jaar niet toeliet, was er voor het eerst sinds jaren geen spreker uit Engeland, maar de mooie lezing door Dick Kooiman, over Dickens en het koesteren van herinneringen, maakte veel goed. De bijeenkomst was traditiegetrouw in heerensociëteit Trou moet blycken in de Grote Houtstraat, waar het altijd bijzonder sfeervol is, al weet men het pand, mooi gerestaureerd na een brand, enkele jaren geleden, nog steeds niet goed warm te stoken. Vooraf lunchte ik met Annemarie, mijn eerste vrouw, met wie ik na onze scheiding altijd bevriend ben gebleven, in Brinkman aan de Groote Markt (in Haarlem hanteert men nog de klassieke spelling, mooi zo!), waar ze je er zowat uit stookten. Weet je nog dat we eens wat dronken in café Louvre in Praag? Dat het daar bloedheet was, maar dat de kachels niet lager werden gezet? Nee, het personeel deed gewoon een paar ramen wijd open. Daar leefden ze nog helemaal in de herinnering van het zegenrijke communisme, toen verwarming niets kostte. Je mocht er ook gewoon roken, maar dit terzijde.
In Engeland leeft een deel van het volk ook nog in het nostalgische verleden. Daarom willen ze een Brexit. Dan wordt het weer als vroeger, toen alles beter was. Terug naar de vervallen resten van het verdampte wereldrijk, met de vreeswekkend geslonken Royal Navy in het Kanaal om het buitenlandse tuig buiten de deur te houden. Als ik niet zoveel familie en vrienden in Engeland had en niet heimelijk nog steeds anglofiel was, zou ik zeggen: 'good riddance', donder maar op na meer dan veertig jaar zieken en lijntrekken, maar dat is natuurlijk een even stompzinnige en simpele gedachte als de opvatting van cartooneske figuren als Jacob Rees-Mogg en Boris Johnson, die geloven dat het Verenigd Koninkrijk het beste zonder enige overeenstemming uit het huwelijk met de Europese Unie kan stappen. Ik vind die Brexidiots eigenlijk gewoon landverraders, maar ik ga er gelukkig niet over. Ik wil naar de Annual Conference van de Dickens Fellowship in Eastbourne, in juli, maar als ik daarvoor vanwege de Brexidiots een paspoort moet aanvragen of misschien zelfs een visum, dan sla ik maar een keertje over.

Het jaar loopt ten einde. Eerst nog even Yule en daarna kan het vuurwerk weer losbarsten. Het 'volk', alleen God weet wat dat is, maar God bestaat uitsluitend in het menselijk brein, schreeuwt moord en brand als de patat, de kapsalon of het treinkaartje een grijpstuiver duurder worden, maar als het om vuurwerk gaat trekt het onbekommerd de zogenaamd krap gevulde beurs. Ik doe er dit jaar maar eens niet aan mee. Ik steek lekker de open haard aan, schenk een Metaxa met twaalf sterren in, een cadeautje van een lieve oud-leerlinge en haar vriend, en pak er een spannend boek bij. Het mag natuurlijk niet van de activisten, die open haard, maar die moeten er eerst maar eens voor zorgen dat vuurwerk wordt verboden en roken in de kroeg weer toegestaan. Misschien schrijf ik je voor die tijd nog wel en anders wordt het, bij leven en welzijn, en dat weet je met al die proleten in de wereldpolitiek maar nooit, volgend jaar.

In gedachten, altijd,

Kees

Dordrecht, 20 december 2018

Foto: auteur




maandag, december 17, 2018

Olympische prestatie



Toen Stella nog leefde, gingen we er af en toe op uit. Een van die uitjes voerde naar Lochem. Ik herinner mij van Lochem niet veel, behalve een bomenrijk plein en een oud café. De omgeving was mooi. We maakten daarom iedere dag een lange wandeling. We logeerden in een klein hotel, dat werd uitgebaat door een mevrouw die erg uit de hoogte deed toen Stella klaagde dat er geen zeep in de badkamer was. Je moest direct bij aankomst betalen. Er waren keuken noch bar, het ontbijt moest elders worden genoten. 

Onlangs reisde ik per trein van Haarlem terug naar Dordrecht. Op een mistige, door natte sneeuw bedorven zondagochtend. Op het station het ene omroepbericht na het andere. Overal wisselstoringen die voor vertraging of busvervoer zorgden. Een enkel vlokje sneeuw en de spoorwegen raken volledig ontspoord. Mijn trein was de enige die op tijd reed én op tijd aankwam. Een prestatie van Olympisch formaat. 

Onderweg zag ik hoe lelijk Nederland aan weerszijden van de spoorlijn is geworden. Ogentergende kantoorbouw, droevige bedrijfsloodsen, suïcidaal makende Vinex-wijken, met als kers op de taart het rangeerterrein Kijfhoek. Toen we op de spoorbrug over de Oude Maas reden, benam mist ons het uitzicht op de Grote Kerk. Lochem ligt ook aan het spoor, bedacht ik. Gelukkig waren wij indertijd met de automobiel.

Foto: auteur


woensdag, december 12, 2018

Verdwenen



Ik zie hen in gedachten nog weleens zitten, aan de bar van café De Vrijheid: Nico de Lijkensnijder, Dokter Henk en Dichter Flip. De Lijkensnijder had zijn bijnaam te danken aan zijn beroep. Hij werkte als veterinair patholoog-anatoom, onderzocht gestorven vee op ziekten, en gaf daarnaast les bij diergeneeskunde in Utrecht, beweerde hij. Hij zat vol verhalen, maar of ze klopten wist niemand. Internet, laat staan googelen, was nog een futuristische droom. Na sluitingstijd stapte hij op zijn brommer en reed daarmee naar Zwijndrecht, waar hij woonde. Waar precies wist ook niemand, maar hij was met het geven van rondjes even gul als met zijn verhalen. Je was nog niet binnen of je hoorde aan de bar: 'Jaap, geef dat stuk protoplasma een alcoholische consumptie van me.' Als hij zijn blaas moest ledigen, zei hij steevast: 'Ik ga even mijn slurf in de bak hangen.' 

Dokter Henk kwam uit het oosten des lands, ergens vanachter het oerbos. Hij was na zijn scheiding naar Dordt gekomen, werkte met verslaafden en werkte na dat werken grote hoeveelheden bier onder zijn walrussnor naar binnen. Niet zelden stuitte een om hulp vragend alcoholist 's morgens in de spreekkamer op de forse kegel van de goedlachse psychiater. Hij woonde in een knoepert van een huis, in de buurt van de rechtbank, maar reed rond in een Morris Mini. Omdat vrijwel alle horeca die er in die dagen in Dordrecht toe deed hopeloos verspreid lag, gebeurde het niet zelden dat wij ons met vijf, zes man in het blikje propten, om met Dokter Henk van De Vrijheid naar De Bombardon te rijden of vice versa, afhankelijk van welk bandje waar stond te spelen. Soms vroeg hij wat tegen sluitingstijd nog aan de bar hing mee naar huis. Daar ging het drinken dan nog een poosje door. Als het hem uiteindelijk te laat werd zei hij: 'De laatste doet het licht maar uit en trekt de deur achter zich dicht,' waarna hij naar bed ging.

Dichter Flip was van een ander kaliber. Een filosoof die uiterst verzorgd Nederlands sprak met een keurig accent. Bloemendaal of het Gooi waren er niks bij. Niemand wist of hij ook werkelijk uit Bloemendaal of het Gooi kwam, of waar hij, als hij na een periode van afwezigheid ineens weer opdook, altijd platzak, altijd dorstig en altijd zo innemend dat wij wel weer voor hem dokten, in de stad verbleef. Ja, hij sliep weleens bij bekenden in een kraakpand, paste een poosje op een boot in de Wijnhaven, waarop je, zoals hij zei, 'enigszins ruim' kon slapen, maar je zag hem ook weleens de nachtopvang van het Leger des Heils uit sluipen. Hoewel hij veel wist van poëzie en literatuur, heeft niemand ooit een vers van zijn hand gelezen, maar Dichter Flip was Dichter Flip. Geen stamgast die daar aan twijfelde.

Zo rond dezelfde tijd zijn ze uit het café en uit ons leven verdwenen. De Lijkensnijder ging met pensioen en stak de rivier daarna maar weinig over. Ik zag hem nog een keer, opmerkelijk snel verouderd, in Visser, maar daarop volgde permanente radiostilte. Dokter Henk was de verslaafden beu en zocht een nieuwe baan, een woning en een stamcafé in Rotterdam, van waaruit ons slechts vage geruchten bereikten over almaar meer drank, uitmondend in een hersenbloeding en Dichter Flip verdween eveneens definitief uit beeld. Mijn literaire held L.H. Wiener heeft daar een prachtige uitdrukking voor: Verdwenen in de mist der mensen. De weemoed die mij weleens bevangt als ik aan die jaren denk, wordt er niet minder door.

Foto: Stockfoto


zaterdag, december 08, 2018

Gele hesjes



Het was kerst 1967. Ik was zestien, een magere puber die zijn haar, zeer tegen de zin van z'n ouders en leraren, over zijn oren liet groeien. Met een groepje vrienden vonden we dat de wereld moest worden verbeterd. Om dat te bewerkstelligen gingen we tijdens de kerstdagen hongerstaken op het Dordtse Scheffersplein. Een avontuur waarvan ik mij vooral de kou herinner en de vele, zeer vele, dronken Dordtenaren die in de avond- en nachtelijke uren langs wankelden. Pissen deden we in het urinoir, dat toen nog aan de rand van het plein stond. Voor de grotere behoefte hadden we café de Beurs. Daar werd om ons gelachen. In het gunstigste geval enigszins meewarig. 

De wereld trok zich niets aan van ons protest. Dat kwam natuurlijk omdat er alleen door de plaatselijke pers aandacht aan werd besteed. De journalist van huis-aan-huisblad Merwesteijn arriveerde, een teken aan de wand, op het ogenblik dat wij aan het opbreken waren, tweede kerstdag tegen zes uur, om thuis het kerstmaal te gaan gebruiken. Er waren grenzen. Er was nog geen lokale radio, laat staan televisie, van mobiele telefoons en internet had nog niemand gehoord en ik was wel klaar met actievoeren. 

De wereld is ondertussen veranderd. Het urinoir is verdwenen (alle pisbakken verdwenen uit de stad, wat vooruitgang heet), het Dordtse stadshart wreed verbouwd, waardoor naargeestige pleinen als de Grote Markt en het Statenplein ontstonden. Er is veel ogentergende nieuwbouw verrezen.

De wereld draaide door en bekeerde zich grotendeels tot het geloof in neo-liberalisme. De markt die al onze problemen zou oplossen. We hebben internet, die fijne broedplaats van nog ongezondere ideeën dan de nl-illusie, die uitgeschreeuwd worden door de akeligste types. Een overgroot deel van de wereld wordt geleid door proleten van het zuiverste water. Je kunt een geel hesje aantrekken en boos de straat op gaan. Die pisbak zal er niet door terugkomen, de proleten blijven zitten waar ze zitten. Ik blijf lekker binnen. Ik ben geen zestien meer.

Foto: auteur




zaterdag, december 01, 2018

Voedselfarizeeër



"Al die niet-rokers, al die niet-drinkers, het kunnen beste mensen zijn, maar ik blijf ze wantrouwen," schreef C. Buddingh' op bladzijde 62 van zijn dagboek Een mooie tijd om later te worden. Inmiddels kunnen we daar de dierenactivisten uit de veganistische kerk aan toevoegen. Daar zullen ook wel beste mensen tussen zitten, maar af en toe bekruipt mij het gevoel dat Folkert van der G. niet de enige doorgeslagen fanaat in die kringen is. 

Onlangs werd een bekende van mij door zo'n dolgedraaide vegafundamentalist uitgescholden voor moordenaar, omdat hij een foto op het internet had gezet van twee gebakken garnalen en een brokje sateh. Iemand reageerde op de schuimbekkende voedselfarizeeër met de verstandige raad 'zoek een hobby.' Ik denk eerder aan een goede psychiater. Als je zo door je stootblokken gaat, spoor je niet en dat zou zo maar kunnen eindigen met een bloedbad in de vleeswarenafdeling van de plaatselijke super.

Ik ben niet uitermate dol op vlees en gevogelte, eet ook weleens vegetarisch, maar houd daarentegen wel van een visje en laat mij door niemand de garnalen van het brood eten. Alles met mate. Dat zeiden de oude Grieken al. Ik heb een gruwelijke bloedhekel aan alles en iedereen die zijn (of haar, anders krijgen we dat gezeur weer) opvattingen, geloof en levenswijze desnoods te vuur en te zwaard aan anderen wil opdringen. Hoed u voor respect- en humorloze dwepers en drammers. Van dat soort is de wereld nog nooit een millimeter beter geworden.

Foto: auteur


woensdag, november 28, 2018

Alleen op dinsdag



Door Nederland reizen met de trein is tegenwoordig een opgave. Dan wordt er hier en dan weer daar aan het spoor gewerkt, zodat je om moet rijden, of een bus in. Bussen vermijd ik zoveel mogelijk. Ik weet ook niet hoe het komt, ik wil het ook niet weten, maar in een bus kan ik niet lezen, in een trein wel. Onlangs was het weer zo ver. Ik moest naar Groningen, maar kon niet langs Utrecht, als ik niet met een bus wilde. Dat betekende omreizen tot Zwolle, via Leiden, Almere en Lelystad. Wat is Nederland op het traject Leiden-Zwolle, via Flevoland, bedroevend lelijk geworden. Alleen al de aaneenschakeling van rommelige bedrijventerreinen, verwaarloosde volkstuincomplexen met van die traag inzakkende, 'knusse' tuinhuisjes en vervolgens al die tot wanhoop stemmende zelfmoordnieuwbouw. Waar vinden ze toch de derderangsarchitecten die verantwoordelijk zijn voor zoveel betonzooi? 

Ja, het zal binnen allemaal wel geweldig zijn, met van die spierwitte muren waaraan weinig hangt (niet zelden omdat het anders niet bij de bank kleurt), een kille laminaatvloer en een open keuken, wat ik toch altijd als een teken van binnenhuisarchitectonische armoede zie, al moet je ze niet de kost geven die dat 'lekker makkelijk' of zelfs wel 'gezellig' vinden, maar ik ben als een kind zo blij dat ik in een huis van meer dan honderd jaar oud woon met een trapgevel, geen open keuken, Nepalese en Perzische tapijten op de vloer, volgehangen muren, hoge plafonds en een Victoriaanse open haard. Heel fout, maar de milieufundamentalisten kunnen water achter het hart krijgen, zo vaak stook ik dat ding niet en bovendien gebruik ik geen hout, maar van die haardblokken uit de super die het een uur of twee, drie blijven doen zonder dat je ernaar hoeft om te kijken.

Het was karakteristiek, grauw novemberweer, dat vrolijkt zo'n reis ook niet op. Er waren tijden dat je troost kon zoeken in een pijp (weet u nog: 'Van Rossems troost'?) of een sigaartje, maar daar heeft de anti-rooktaliban een stokje voor gestoken. Fatsoenlijke stationsrestauraties zijn er, als de overstaptijd wat langer duurt dan gewenst, omdat de zoveelste idioot zonder vervoers- en legitimatiebewijs ergens door een paar klerenkasten uit je aansluitende trein moet worden geplukt om een prent uitgereikt te krijgen, ook nauwelijks meer te vinden. Sta je bij zo'n povere kiosk met te hete koffie in een te dun kartonnetje te vernikkelen tussen al die andere chagrijnige koppen.

Uiteindelijk kwam ik te Groningen. Het was inmiddels donker. Wintertijd. Door de waterkoude ging ik op pad naar het schamele zaaltje waar ik voor een appel en een ei mijn boodschap moest brengen. Daarna raakte ik verzeild in een café waar iemand mij erop wees dat ik de vaste stoel van Jean Pierre Rawie bezet hield, maar dat het niet gaf, want hij zat er alleen op dinsdag. Dat fleurde op. 

Foto: auteur


donderdag, november 22, 2018

Verrast en ontroerd




Lieve Stella,

Bij het voorbereiden van een lezing vond ik in de beeldbank van het Regionaal Archief Dordrecht een foto uit 1995, toen Ton van Dalen bezig was zijn project Ars Celare Artem (het is kunst om kunst te verbergen) uit te voeren op de Noordendijk. Je weet wel, waarover Gert van Engelen en Ton dat mooie boek Putjes in de dijk publiceerden. Op de voorgrond, tussen het toekijkend publiek, sta jij. Ik was verrast en ontroerd. Ik kende de foto niet, hij zal toen wel in een van de plaatselijke kranten hebben gestaan. Ik kom je graag onverwacht tegen.

Ik herinner mij die zonnige voorjaarsmiddag nog goed. Toen de laatste van de vierenvijftig putjes met persoonlijke herinneringen van buurtbewoners was dichtgelast, gingen we met Ton en enkele vrienden wat drinken in het nabije café De Vrijheid, de kroeg waar ik, toen we nog studeerden, vaak kwam met mijn maatje Peerke, de historicus die noodgedwongen boekhouder werd. Het was amper drie maanden na Peerkes overlijden. Hij woonde een tijd op de Noordendijk, ingang Fortuinhof, in een krot dat alweer jaren geleden is gesloopt en vervangen door dubieus ogende nieuwbouw. Toen hij aan kanker bezweek, leefde hij in ballingschap in het gewest Gelre. Je weet wel waarom. Ik heb mij voor het titelverhaal van mijn boek IJzeren logica enigszins laten inspireren door zijn vrij dramatische levenswandel. Een goeie jongen wie het noodlot slecht gezind was. Hij kon uitstekend koken en wist tijdens de indertijd fameuze etentjes in zijn krot een geweldige sfeer te scheppen. Daarover deden wilde verhalen de ronde, maar waarover doen ze dat niet in het roddeldorp dat Dordrecht eigenlijk is?
We konden Peerkes begrafenis niet bijwonen omdat we in Griekenland waren voor de uitvaart van je vader. Eerst de dienst in het kerkje van Chatzibayram in de bergen van Grieks-Macedonië, waarna de kist op een soort ijskar naar het romantische kerkhof onderaan het dorp werd gereden, waar jij inmiddels ook ligt. Als ik vertrokken ben, wil ik dat mijn as daar bij jou wordt bijgezet. Dat zal wel een hoop bureaucratisch gezeik met zich meebrengen, leer mij Griekenland kennen, maar met een beetje geluk kan dat worden omzeild. Gewoon even de dekplaat oplichten, als niemand kijkt, die asbus erin en klaar is Kees. Wordt leuk zoeken voor de vele bewonderaars van mijn boeken op pelgrimstocht.

Ik heb maar van twee dingen spijt. Van het weggooien van de brieven van mijn eerste, Engelse, vriendinnetje en van het feit dat ik jou nooit heb meegenomen naar Parijs, om een roos te leggen op het graf van Oscar Wilde. Ook iemand met een tamelijk dramatische levensloop, dat hoef ik jou als Angliciste niet te vertellen. Peerke was een zeer talentvolle student en als alles net iets anders was gelopen, had hij een groot historicus kunnen worden. Met hem heb ik het graf van Wilde wel bezocht. In de jaren voor ik jou kende gingen we met onze vriendengroep regelmatig naar Parijs. Niet alleen voor Wilde (en niet te vergeten Jim Morrison), maar ook om tentoonstellingen te bezoeken, veel Pelforth te drinken, te eten bij onze vaste Vietnamees in het Quartier Latin en moed te verzamelen om de hoertjes in de Rue de Budapest te bezoeken. Helaas was die moed nooit toereikend, wat beslist een zegen betekende voor onze krappe beurzen. Van die vrienden is niet alleen Peerke inmiddels dood, ook Wim en Gerrit leven niet meer en ook door dezelfde kutziekte. Als het noodlot mij slechter was gezind dan tot nu toe, hadden ze mij op 21 maart 2016 in het rijtje kunnen bijschrijven, zodat we in het hiernamaals konden klaverjassen.
Het hiernamaals, tja, je hebt mensen die erin geloven. Als het had bestaan, zou ik er vast van jou op mijn falie krijgen vanwege mijn misdragingen op aarde. Dat ik afgelopen vrijdag, na een zeer geslaagd etentje bij goede vrienden, met aanklevend naspoelen, niet van mijn fiets ben getuimeld, mag een klein wonder heten. Je weet, ik ben een bescheiden mens en dan valt het al snel verkeerd.

Er waren meer reizen die we voor ons uitschoven. Later, dachten we, als we met pensioen zijn. We hadden tenslotte het eeuwige leven, nietwaar? Er ligt ergens in mijn werkkamer nog een lijstje met reisdoelen, maar inmiddels ben ik steeds minder happig geworden om van mijn eiland af te gaan. Zeker niet nu de winter voor de deur staat. Tijdens die afschuwelijke, donkere dagen voor kerst kun je maar beter thuis lekker zitten lezen bij de open haard, met de jongedame die nu en dan mijn bestaan wat opluistert op het Nepalese tapijt ervoor. Het lieve kind heeft griep, zodat ik rustig kan werken aan de lezingen die ik binnenkort moet geven.
Vrijdag ga ik naar Oudenbosch, dat dorpje in Brabant met die reusachtige, bordkartonnen kerk, voor een verhaal over de geschiedenis van Kreta. Dat is vanuit Dordrecht nog wel te doen met de trein, maar zaterdag heb ik een lezing in Groningen. Over Macedonië, een onderwerp dat ik tegenwoordig vooral associeer met schreeuwend en vlaggen zwaaiend straattuig. Ik begrijp niet waarom ik die lezing heb aangenomen, al weet ik er meer van dan de verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Het onderwerp staat me niet aan, vanwege die associatie, al moet je daar als historicus natuurlijk afstand van nemen. De hele geschiedenis is tenslotte doordrenkt van de walgelijkste types. Groningen is een mooie stad, 'maar wel wat te ver weg,' zou Drs.P. zingen. Er wordt ook weer aan het spoor gewerkt, zodat de reis nog langer duurt dan normaal. Ik moet met een flinke omweg, want ik ga niet in een bus zitten. In een bus kan ik niet lezen, in een trein gelukkig wel.
Ik heb eigenlijk alleen maar ja gezegd omdat ik werd gevraagd door een aardig medelid van het Nederlands Genootschap voor Nieuwgriekse Studies en omdat ik na afloop met Hero Hokwerda, die bezig is aan een serie nieuwe vertalingen van Kazantzakis, maar dit terzijde, naar café Wolthoorn & Co ga. Ik mis nu wel de marathonavond, in het Dordtse Kunstmin, met alle nog levende winnaars van de C. Buddingh'-prijs. Toen ik van die avond hoorde, was de afspraak al gemaakt. Ik had natuurlijk een smoes kunnen verzinnen, maar je houdt je aan je afspraken, vind ik, al is dit wel de laatste keer dat ik een lezing geef op meer dan anderhalf uur sporen van huis.

Wat ik erg aardig vond om te doen, was mijn lezing voor de vereniging oud-Dordrecht, vorige week. Over de geschiedenis van Dordrecht en mijn eigen geschiedenis ter stede. In de Remonstrantse kerk, een thuiswedstrijd dus. Ik zie mij daar als zoontje van de koster nog op mijn rode driewielertje tussen de kerkbanken door scheuren. Ik raak de laatste tijd meer en meer geboeid door lokale geschiedenis. Misschien dat ik in de nabije toekomst wel weer terugkeer tot mijn oude liefde, Dordrecht in de achttiende eeuw en dan vooral het reilen en zeilen van de Patriotten tussen 1780 en 1787, met die pamflettenstrijd. Ook de middeleeuwse geschiedenis van de stad is machtig interessant, maar daar hebben we Henk 't Jong al voor, die onlangs een indrukwekkend boek heeft gepubliceerd over de opkomst van het graafschap Holland (De dageraad van Holland. Geschiedenis van het graafschap 1100-1300). Lokale geschiedenis heeft in ieder geval het voordeel van het archief om de hoek en niet te vergeten het studiecentrum Augustijnenhof, waar ze mij bij mijn voorbereiding voor die Dordtse lezing uitstekend hebben geholpen.
Bij die voorbereiding kwam ik jou dus tegen en ik zal zeker nog vaker in de beeldbank grasduinen, want je weet maar nooit wat voor verrassingen dat nog oplevert. De grootste verrassing deze week was trouwens het bezoek van een journalist die mij kwam interviewen voor de krant. Hij bleek uitstekend voorbereid! Het resultaat ligt straks in de bus, als de bezorger zich niet laat afschrikken door het ijzige novemberweer, maar over het weer klagen we voorlopig niet, na de mooiste zomer sinds 1976.

In gedachten, altijd,

Kees

Dordrecht, 21 november 2018

Foto: Beeldbank Regionaal Archief Dordrecht.

maandag, november 19, 2018

Chinezen



In 1923 maakte mijn grootvader een reis om de wereld. Met het ss. Sloterdijk van de Holland Amerika Lijn. Hij schreef daarvan een verslag, in keurig schoolschrift. Mijn moeder was net zeven jaar. Een uitstekende leerlinge op de lagere school. Ze heeft haar rapporten altijd bewaard, een regen van negens en tienen, maar doorleren mocht niet van opa: 'Meisjes trouwen toch.' 

Zo achterlijk was Nederland tot ver in de jaren vijftig: meisjes die trouwden werkten niet meer. Mijn kleuterjuf ging trouwen, dus ontslag! Ik heb haar nooit meer gezien. Ze was misschien twintig. Theoretisch kan ik haar nog steeds tegen het lijf lopen. Ik denk dat wij elkaar niet zullen herkennen. 

Als grootvader terugkwam van een reis, hadden zijn kinderen moeite hém te herkennen. Hij was een vreemde man met een snor geworden. Na de geboorte van nummer vijf, mijn oom, die wel mocht doorleren (hij werd waterstaatkundig ingenieur), moest Cornelis van oma aan wal. Hij werd winkelier, een melkboer vol zeemansverhalen. In Indië, vertelde hij vaak, kwamen Chinese koelies aan boord voor het laden en lossen. Ze leefden aan dek. Als ze een zeeslang vingen, werd die in mootjes gehakt en geroosterd. Steeds liepen de rillingen over mijn rug. Zeeslang.... terwijl ik dacht dat Chinezen uitsluitend pinda's aten. Maar ja, toen geloofde ik ook nog in Sinterklaas.

Afbeelding: C. Bekker - De 101e reis van het ss. Sloterdijk. Handschrift, archief Kees Klok.



donderdag, november 15, 2018

Kaarsen



We wilden ook weleens luxe, dus boekten we een viersterrenhotel in de buurt van St. Andrews. Toen we, na een lange rit vanuit Hull, arriveerden, hing er een briefje aan de deur: 'We 'll be back in a minute.' Het leek meer een boerderij dan een hotel. De tuin aan de oostzijde lag er prachtig bij. Aan de westzijde stonden een klein huis en enkele schuren. Er liepen schapen in een wei. Bij de voordeur was een verlaten terras, waarop wij plaatsnamen, tot er iemand kwam. Een minuut of tien na aankomst. Een jonge vrouw heette ons welkom, toonde de kamer, inderdaad luxe, van van alles voorzien, behalve van een fatsoenlijke tafel om te schrijven. Het bleek een viersterren bed en breakfast. Na het breakfast werd men geacht de dag buiten de accommodatie door te brengen.

In de kamer stonden een half gevulde fles whisky (Old Pulteney) en enkele glazen. 's Avonds voor we gingen slapen, nam ik daar een flink glas van. Overdag, als we naar St. Andrews waren, vulde de gastvrouw de whisky aan. Dat verzoende ons met het verzoek na het ontbijt op te hoepelen en met het feit dat er geen restaurant was, iets wat ons was ontgaan. Dat krijg je als je zo lui bent dat je via internet boekt. Het dichtstbijzijnde restaurant was een kwartiertje rijden in de richting van Pittenweem. Dat kenden we uit de gedichten van John Burnside. Pittenweem, niet het restaurant, al was dat een prettige verrassing. 

We aten ook een keer in Crail, in een hotel met bed, breakfast, lunch en dinner, maar met weinig sterren. Uiteindelijk bleek het verzoek overdag te vertrekken vooral gericht op mensen met kinderen. Men hield niet van kinderen, of liever, van hun lawaai. Wij waren rustige mensen en mochten blijven.

's Morgens schreef ik in de ontbijtkamer, meestal maakten we 's middags een ritje door Fife en op een donkere, verregende middag bezochten we John Burnside op de Universiteit van St. Andrews. Daar was nog niets veranderd sinds het bezoek van Dr. Johnson en James Boswell in 1773. Ja, toch wel, de open haarden waren door centrale verwarming vervangen en er was elektriciteit. Die viel tijdens ons bezoek uit. Er werden kaarsen tevoorschijn gehaald. Het was zo authentiek als het maar kon zijn.

Foto: Stella Timonidou


zondag, november 11, 2018

Intocht van de Remonstranten



Op 13 november 1618 werd, in de Grote Kerk te Dordrecht de Synode van de Nederduits Gereformeerde Kerk geopend. Een Synode die zou leiden tot het uitstoten van de Remonstranten uit de kerk. 

Op 11 november keerden de Remonstranten terug in de Grote Kerk. Per boot landde een gezelschap Remonstranten aan de Dordtse Bomkade, waar zij werden onthaald door de Dordtenaren, om zich vandaar, voorgegaan door de stadsomroeper, Darja de Caluwé, via de Pottenkade naar de Grote Kerk te begeven voor een gezamenlijke kerkdienst met de gemeente van de Protestantse Kerk in Nederland, de opvolger van de oude Nederduits Gereformeerde Kerk. Voorafgaande aan de dienst hield radiomaker Ben Corino een inleiding, waarin hij refereerde aan de gebeurtenissen van 1618 en 1619. Hieronder een klein fotoverslag.













Foto's: Kees Klok







donderdag, november 08, 2018

Vol genoeg



Bij het aantreden van het nieuwe Dordtse college van B&W werd het voornemen aangekondigd de stad te laten groeien. Er is nu sprake van een teruggang in het aantal inwoners. Groei zou nodig zijn om de openbare voorzieningen op peil te houden. 

Bij zo'n mededeling schrik ik. Toen ik werd geboren, hing het aantal inwoners van Dordrecht ergens tussen de 60.000 en 70.000. Terwijl ik groeide, groeide de stad mee. De Vogelbuurt, Wielwijk, Crabbehof, Zuidhoven, de Sterrenburgen, Stadspolders, de Staart. Toen ik eindelijk volwassen was kwamen daar nog slaapwijken als de Hoven en het Dordtse Hout bij. Nieuwbouw die grotendeels niet is aan te zien, zoals Plan Tij, of dodelijk slaapverwekkend, zoals De Hoven. Deels crisisbouw, Wielwijk, Crabbehof, Vogelbuurt, die nu al hard aan vervanging toe is, sommige wijken met veel groen, Sterrenburg, Stadspolders, maar die tegelijk een doolhof vormen met een krankzinnig makende huisnummering. 

Goddank hoef ik er niet te wonen. Ik zit prima in mijn 'negentiende eeuwse schil', op tien minuten lopen van de binnenstad, het echte Dordrecht, die niet werkelijk helemaal negentiende eeuws is, want mijn huis is van 1914. Toen was het hier de rand van de stad, aan de overzijde van de spoorlijn was het nog Dubbeldam. Er was in de negentiende eeuw zelfs een grenswijziging tussen Dordrecht en Dubbeldam nodig anders had het Dordtse station in Dubbeldam gestaan. In de vorige eeuw heeft de kat langzaam aan de muis verslonden. Dat betekende in Dubbeldam, dat in 1970 Dordrecht werd, ook veel nieuwbouw met weinig fantasie.

Het is zinloos om nostalgisch terug te verlangen naar een Dordrecht met 60.000 inwoners, ten noorden van het heerlijk landelijke Dubbeldam, waarover mijn moeder vaak vertelde. Haar grootouders van vaders zijde behoorden tot de betere Dubbeldamse stand. Als geboren en getogen Dordtenaar heb ik landelijke wortels. Niet alleen in Dubbeldam, ook in 's-Gravendeel, waar een verre voorvader ooit schout was en wat minder verre voorvaderen in het vlas zaten. Je kunt moeilijk de helft van de bevolking van het eiland sturen, al kan ik een flinke lijst maken van Dordtenaren die ik het liefst vandaag nog de rivier over joeg. Krimp is niet goed voor de toekomst, maar moeten we nog meer uitbreiden? Ik weet het niet, maar ik heb zo het idee dat het Eiland van Dordrecht vol genoeg is. We willen het hier nog een beetje groen en leefbaar houden, toch? Het grote gevaar is dat we het in de hoogte gaan zoeken. Dat Dordrecht een soort Rotterdam, naar mijn smaak een stedenbouwkundige nachtmerrie, wordt. Dat we nog meer van die spuuglelijke woontorens krijgen als aan de Overkampweg worden gebouwd, of meer van die veel te hoge kolossen, zoals het speeltje van Van Pelt, dat gepland staat voor de Spuiboulevard. Daar heb ik soms slapeloze nachten van.

Afbeelding: Beeldbank Regionaal Archief, Dordrecht.



zaterdag, november 03, 2018

Hoezo ode?



Op 13 november 1618 begon in Dordrecht de Nationale Synode van de Nederduits Gereformeerde Kerk. Een gebeurtenis die in Dordt op allerlei manieren wordt herdacht, onder de ietwat kolderieke kreet 'Ode aan de Synode'. Een ode is een lofdicht en het is nog maar de vraag of de Synode een lofdicht verdient. De kreet bekt ongetwijfeld lekker, maar is een beetje misplaatst. 

De Synode ging over een theologisch geschil binnen de kerk tussen de Gomaristen (ofwel Contra-Remonstranten) en Arminianen (ofwel de Remonstranten). De kern van het conflict was de interpretatie van het begrip predestinatie, iets waarvan weinig mensen heden ten dage wakker zullen liggen, maar dat in het door godsdiensttwisten verscheurde begin van de zeventiende eeuw de gemoederen hoog deed oplopen. Vooral omdat het godsdienstige geschil verbonden was met een politiek conflict. Dat tussen de opvattingen van landsadvocaat en pensionaris van Holland, Johan van Oldenbarnevelt, die een positie bekleedde die min of meer vergelijkbaar is met een minister-president nu, en die van graaf Maurits van Nassau, sinds de dood van zijn halfbroer Filips Willem (in februari 1618) ook prins van Oranje. Maurits was stadhouder van Holland, Zeeland, Gelderland, Utrecht en Overijssel en kapitein-generaal van het Staatse leger. Twee machtige mannen waarvan de visies op de buitenlandse politiek van de Republiek dermate heftig botsten dat het Van Oldenbarnevelt uiteindelijk letterlijk de kop kostte. De landsadvocaat steunde de Remonstranten, Maurits koos de kant van de Contra-Remonstranten. U kunt in menig geschiedenisboek nalezen hoe het precies zat, bijvoorbeeld in A. Th. van Deursen - Maurits van Nassau. De winnaar die faalde (Amsterdam 2000) of in Geschiedenis van de Nederlanden van J.H.C. Blom (vader van Wolkersbiograaf Onno Blom, maar dit terzijde) en E. Lamberts (Rijswijk 1993). Leuke kost voor   donkere winteravonden.

De Synode die, als we de Remonstrantse predikant Bernardus Dwinglo mogen geloven, waarover Kees Sigmond schrijft in jaargang 2018 nummer twee van het tijdschrift van de vereniging oud-Dordrecht [Randverschijnselen bij de Dordtse Synode (1618-1619)], één grote scheld- en pestpartij was van de calvinistische Contra-Remonstranten jegens de Remonstranten, ofwel een voortdurende tirade van de scherpslijpers en fanatiekelingen tegen de meer verdraagzamen. Dwinglo, zo stelt Sigmond, zal enigszins hebben overdreven, maar uiteindelijk werden de Remonstranten de kerk uitgebonjourd en kon je als predikant na de Synode maar beter de op deze vergadering opgestelde Dordtse Leerregels ondertekenen, anders dreigde vervolging en verbanning, wat nooit een pretje is, maar zeker in die tijd niet. De vervolgingen duurden maar kort en uiteindelijk werden de Remonstranten wel weer getolereerd, al konden zij tot het einde van de Republiek geen bestuursfuncties vervullen, een lot dat zij deelden met de katholieken en anderen die niet tot de staatskerk behoorden, maar de Synode is in dit opzicht vooral een manifestatie van verdeeldheid. Hoezo ode?

Wel van positieve betekenis is het synodale besluit om de bijbel in het Nederlands te vertalen. Die vertaling was in 1637 gereed en werd bekrachtigd (en betaald) door de Staten-Generaal, zodat we sindsdien spreken over de Statenbijbel. De Statenbijbel is van groot belang voor het scheppen van meer eenheid in de Nederlandse taal en de ontwikkeling naar het huidige Algemeen Beschaafd Nederlands. Hadden we in de jaren tussen 1637 en nu maar niet zoveel spellingwijzigingen gehad, dan zou je het oorspronkelijke boek ook nu nog min of meer moeiteloos kunnen lezen. 

Het is van belang om invloedrijke historische gebeurtenissen te herdenken of te overdenken. Hopelijk gaan we daardoor ook meer de noodzaak beseffen van goed onderwijs in de geschiedenis. Sinds halverwege de vorige eeuw heeft de overheid een kwalijke rol gespeeld in de geleidelijke afbraak van het geschiedenisonderwijs. Zo'n beetje de helft van de middelbare schooljeugd heeft het vak niet eens meer als eindexamenvak. Daar krijg je mensen van die met een kreet als 'Ode aan de Synode' op de proppen komen.

Afbeelding: Beeldbank Regionaal Archief, Dordrecht.


maandag, oktober 29, 2018

Doodzonde



Het is in de psychologie algemeen bekend dat geur een sterke herinnering kan oproepen. De geur van koffie, bijvoorbeeld, voert mij onmiddellijk terug naar mijn kindertijd en wel naar de zolder van mijn Dordtse grootouders. Opa dreef, nadat er een einde was gekomen aan zijn carrière als zeeman, een melkzaak, annex kruidenierswinkel. Op die zolder lagen de winkelvoorraden, waaronder ook koffiebonen. Sommige klanten maalden zelf, anderen wilden gemalen koffie. Daarom stond er ook een grote molen, waaromheen altijd de zalige geur van versgemalen koffie. Ik ben er nog steeds dol op.

Waar ik ook dol op ben is de geur van sigaren en van, een beetje goede, pijptabak. Een geur die mij aan mijn beide grootvaders doet denken. Allebei rookten ze pijp en sigaren, iets wat door het fanatieke zootje rondom het fantoom Fons Nijpels van de zelotenclub CAN, tegenwoordig als een doodzonde wordt beschouwd. Ik ben heel lang een tevreden roker van pijp en sigaren geweest, tot mijn hartstilstand, twee en een half jaar geleden, een spaak in het rokerswiel stak. Van sigaretten moest ik nooit veel hebben, al rookte ik lang geleden, in mijn onbezonnen jeugd, wel shag van Javaanse Jongens, maar ook al als een soort sigaar, nooit over mijn longen. 

Heel af en toe bega ik nog weleens een doodzonde en steek ik een sigaartje of een pijp op. Dan droom ik op die geur weg naar de jaren vijftig en hoor ik de stem van opa met zijn zeemansverhalen. Het grootste deel van zijn leven sleet hij melk en kruidenierswaren, maar toen hij op zijn oude dag op straat eens werd geïnterviewd door een plaatselijke krant, zei hij mooi: 'Ik heb mijn hele leven gevaren.' Hij had gelijk. Je bent niet wie je eigenlijk bent, je bent wie je eigenlijk wil zijn. De geur van koffie en edele toeback, de zeemansverhalen, de zon die in mijn herinnering altijd scheen, al zal het in werkelijkheid vaak hebben geregend. Het is fijn soms een doodzonde te begaan.

Foto: archief Kees Klok



vrijdag, oktober 26, 2018

List



Jarenlang had ik een abonnement op het NRC-Handelsblad. Een prettige krant, al kwam hij 's middags, met een boekenbijlage waarin regelmatig aandacht voor poëzie. Met als stripverhaal Heer Bommel. Met op de Achterpagina een column van Gerrit Komrij en illustraties door mijn oud-leerlinge Wibbine Kien. Een NRC-Handelsblad zonder Heer Bommel kon ik mij niet voorstellen. Toch kwam op een dag het bericht dat Bommel uit de krant werd verbannen.

Ik schreef de redactie een brief. Daarin stond dat ik het verbannen van Bommel een slechte zaak vond en dat ik, mocht het doorgaan, mijn abonnement zou opzeggen. Uiteraard hoopte ik op een verstandige reactie, maar het ging door, waarna ik een tijdje een andere krant las, met een zurig, moralistisch, semi-progressief smaakje, en daarna lange tijd mijn kranten betrok uit de vrije verkoop.

Nu lees ik alweer een tijdje Trouw. Een bedachtzame krant. Een verademing, zeker vergeleken met het geschreeuw van trollen en onbeheerste reaguurders op het internet. Goede onderzoeksjournalistiek ook, maar geen Bommel. Zijn schepper, Marten Toonder, is weliswaar doorgedrongen tot Van Dale en onze Heer bewandelt tegenwoordig Facebook, maar who the hell is Facebook? Heer Olivier hoort natuurlijk in een krant, door de dreven snellend in de Oude Schicht. Daarom, Tom Poes, verzin een list. Je kunt het, dat heb je al vele malen eerder bewezen.

Foto: auteur