zondag, december 26, 2010

Zwijgende stenen


Onsterfelijk als goden

verzinken ze in eeuwigheid

boven of in de aarde.


Ruw noch bewerkt

kunnen ze spreken

maar ze tonen wel duidelijk

hun eigenschappen.


In vorm, in kleur of

in scheikundige samenstelling

letterlijk en figuurlijk:

edelstenen, kunststenen,

een helse steen

of een steen des aanstoots.


Als graniet, marmer of basalt

vergezellen ze ons thuis

in het bureau, op straat

of in een park.


Betrouwbaar en hard

koud en onverschillig

kan alleen druppelend water

hen beschadigen,


maar dan kunnen zij nog

als stalactieten en stalagmieten

een paleis bouwen in een grot.


We leven en spelen met stenen.

Zij blijven, wij verdwijnen.


Stella Timonidou (1946-2007)
































Uit: Eindeloze nachten. Gedichten. Liverse 2009


































maandag, december 20, 2010

Nieuwe kroniek Kees Klok

"Dordtse schrijver levert commentaar op leven en dood"






















Bron: AD-Drechtsteden 1-11-2010

donderdag, december 16, 2010

John Burnside - Het bal in de inrichting



We hebben er lang op moeten wachten, maar ze zijn verschenen, mijn vertalingen van John Burnsides gedichten. Het boek zou oorspronkelijk verschijnen bij Wagner & Van Santen. Waarom dat uiteindelijk niet gebeurde doe ik uit de doeken in deel drie van mijn literair-dagboek (kroniek), dat in de toekomst zal verschijnen. Uitgeverij Liverse heeft het vaandel overgenomen en aanstaande zondag wordt Het bal in de inrichting, als onderdeel van de Bordeauxreeks gepresenteerd. Hieronder een voorproefje:


DE GOEDE BUURMAN


Ergens in deze straat, zonder dat ik het weet,

achter een doolhof van appelbomen en sterren,

staat hij in de kleine uurtjes op, zoekt een boek

en gaat bij een raam of aan een bureau zitten

om de ochtend binnen te laten, bij uitzondering alleen,

naamloos, zonder last, innerlijk gelukkig.


Ik weet niet wie hij is; ik heb hem nooit ontmoet,

onderweg naar het vispakhuis, of de bank,

en toch denk ik op nachten als deze aan hem,

terwijl ik alleen ontwaak in mijn eigen huis, mijn andere buren

rustig in hun bed, als dommelende vliegen.


Hij kijkt naar waar ik naar kijk, proeft wat ik proef:

in winternachten de sneeuw, ’s zomers de hemel.

Hij spitst het oor voor het zingen van vogels in de wolken

en, evenmin als die geest, die metgezel uit de verhalen van

vroegere ontdekkingsreizigers, dat spook in de smurrie,

de vijfde in een club van vier, is hij eigenlijk aanwezig,

maar toch ook niet helemaal onbestaand;


en als hij zijn boek neerlegt, kijkt hoe laat het is

en een ketel water opzet, blijft er iets stilstaan met een kap op,

terwijl mijn ene goede buurman zichzelf opzijschuift,

cel voor cel, hartslag na hartslag,

en verandert in iemand die ik heb gekend:

een vreemdeling die voorbij gaat op de weg naar verdriet,

echtgenoot en vader; rijke man; arme man; dief.



John Burnside – Het bal in de inrichting. Gedichten. Vertaling Kees Klok. Uitgeverij Liverse 2010. 181 pagina's met nawoord van de vertaler. Tweetalige uitgave. ISBN 978 90 76982 79 3. Euro 12,=


http://www.liverse.nl

woensdag, december 15, 2010

STAALKAART DER DORDTSE POËZIE


STAALKAART DER DORDTSE POËZIE


Zondagmiddag 19 december vindt voor de eerste maal de Staalkaart der Dordtse poëzie plaats. In het historische Dolhuis worden geschiedenis, heden en helden voor de toekomst van de Dordtse poëzie samengebracht.


De middag zal worden gevuld met voordrachten van dichters, coole jazz, een gezamenlijke gratis maaltijd, de korte film 'Dordtse dichters bewogen de tijd' en twee bundelpresentaties van Uitgeverij Liverse; de Bordeaux-reeks samengesteld door Kees Klok en de essaybundel 'Boksbout en gewassen kers' van Pieter Breman.


De kern van voordragende dichters zal bestaan uit de Dordtse dichtkring en dichters uit de Nacht van de jonge Dordtse dichters. De Nacht van de jonge Dordtse dichters levert Amber Alblas, Daniël Vis, Amarantha Groen (video) en Josse Kok. Daarnaast zijn andere lokale dichters geprogrammeerd, zoals Casper Markesteijn, Dennis Korthof, Wim Jilleba, Simon van Dam en Wim van Pelt.


Er zal ook klassiek poëziewerk uit vervlogen eeuwen worden voorgedragen uit het rijke archief van erfgoedcentrum DiEP, de selectie wordt voorgedragen door o.a Jéhanne Hulsman, Casper Markesteijn, Jacoline de Heer, Marieke van Leeuwen, Josse Kok en organisator Peter M. van der Linden. Het Dolhuis is te vinden in de Dolhuisstraat 55 te Dordrecht, de aanvang is 16.00 uur en de entree is vijf euro.




vrijdag, december 10, 2010

C. Buddingh': Het houdt op met zachtjes regenen










In het eerste nummer uit 2007 van het literaire tijdschrift Ballustrada (http://www.ballustrada.eu) verzorgde ik de rubriek De Gesel en de Veer, waarin het hoogtepunt en het dieptepunt in het oeuvre van een schrijver wordt behandeld. In 'mijn' aflevering schreef ik over het werk van C. Buddingh', dat door de recente publicatie van zijn verzamelde gedichten opnieuw in de belangstelling is komen te staan. Het grootste deel van onderstaande tekst is gebaseerd op het artikel in Ballustrada.


Op het omslag van mijn editie van C. Buddingh’s Lexicon der poëzie staat een prent van Carl Spitzweg getiteld Der arme Poet. Zij toont een armoedig ingerichte zolderkamer waarin een dik ingepakte dichter onder een paraplu, vanwege de lekkage, bezig is een vers te componeren. Het is het traditionele beeld van een dichter: straatarm, eenzaam en bij voorkeur ook nog eens gezegend met een buitengewoon ongelukkige jeugd. Het beeld waaraan de veelzijdige dichter C. Buddingh’ in ieder geval niet voldoet. Hij was niet straatarm, ook niet rijk, maar toch zeer wel in staat een behoorlijk huis in de Dordtse Bankastraat te bewonen. Hij was niet eenzaam, maar gelukkig getrouwd met een mooie vrouw en hun twee zoons zijn uitstekend terechtgekomen (de jongste onder andere als vertaler van de Harry Potter-boeken). Hij had ook een, naar eigen zeggen, maar er is geen enkele reden om eraan te twijfelen, gelukkige jeugd. En dan toch een bundel schrijven als Het houdt op met zachtjes regenen, verschenen in 1976, een boek dat ik beschouw als het hoogtepunt van Buddingh’s poëzie.


Het houdt op met zachtjes regenen is het zoveelste bewijs dat het idee dat een slechte jeugd, armoede en eenzaamheid bepalend zijn voor een groot dichterschap, berust op een vooroordeel. Het is een bundel waarin de grote thema’s van het leven, liefde, dood, verlies en het onverbiddelijk voortstormen van de tijd, allemaal aan de orde komen en waarin Buddingh’ een groot meesterschap toont. De bundel, die uiteenvalt in drie delen, odes, gedichten gericht aan andere schrijvers en in memoriams, kenmerkt zich door een voor Buddingh’ typerend parlando, waarin het opvallende stemgeluid van de dichter sterk meeklinkt. Het is een stijl waarmee je voorzichtig moet zijn. Buddingh’ beheerst hem tot in de puntjes, bij veel andere dichters, ik behoor daar ook toe, is het resultaat niet zelden desastreus en wordt het hinderlijk gebabbel.


Het indrukwekkendst zijn de in memoriams, omdat daar het drama, dat uiteraard ook een rol speelde in het ogenschijnlijk zo gelukkige bestaan van de dichter, krachtig aan de orde komt. Kort na de Tweede Wereldoorlog bracht Buddingh’ lange tijd door in het sanatorium Zonnegloren, wegens een ernstige vorm van longtuberculose. Hij overleefde omdat net op tijd een nieuwe operatieve behandeling tegen deze slopende ziekte werd uitgevonden en leefde, zoals hij zelf stelde, sindsdien on borrowed time. Zijn traumatische sanatoriumervaringen heeft hij lange tijd verdrongen, maar in 1978 kwamen zij met overweldigende kracht bij hem boven. Dat was enkele weken nadat W.F. Hermans zijn infame aanval op Buddingh’ deed in het NRC-Handelsblad. De inzinking die hij kreeg en die hem enkele jaren beletten om productief te zijn, is direct te herleiden tot deze trauma’s en heeft niets te maken met het geschimp van de Grote Nurks in de Nederlandse letteren. Ik herinner mij dat Buddingh’ de dag na de publicatie van Hermans aanval een mooie schaakpartij speelde aan het eerste bord van het team van Bobby Kinghe, waarin ik bescheiden aan het vierde bord zat, en dat hij absoluut niet aangedaan was door het stuk. Wel opmerkelijk is dat Buddingh’ twee jaar daarvoor in zijn in memoriams enkele prachtige gedichten wijdt aan lotgenoten in het sanatorium, zonder dat dit tot geestelijke turbulenties leidde, althans daarvan blijkt niets in zijn dagboeken. Dat Buddingh’, doorgaans de vriendelijkheid en mildheid zelf, ook een andere kant van zijn karakter bezat, blijkt uit de laatste strofe van zijn ontroerende gedicht In memoriam Beertje van M.:


Je weet, Beer, ik ben een vredelievend mens,

bijna even vredelievend als jij was, die net

als ik, geen mug ooit kwaad zou doen, maar soms, als ik

weer aan je denk, heb ik de neiging om een machinegeweer

te stelen, de straat op te rennen en domweg

tussen al die vadsig-blozende gezichten

links en rechts om mij heen te knallen en luidkeels

uit te krijsen: ‘Daar! daar! daar! voor wat niemand

Beertje heeft aangedaan!’


In 1985 overleed de dichter onverwacht terwijl hij herstellende leek van een darmoperatie. Aanvankelijk werd zijn literaire nalatenschap beheerd door Ares Koopman. Het kwam echter tot een breuk tussen hem en de weduwe Buddingh’ en sindsdien ontfermt de beoogde Buddingh’-biograaf Wim Huijser zich over het nagelaten werk. Huijser kwijt zich nauwgezet en serieus van zijn taak om de nagedachtenis van Buddingh’ levend te houden. Zo maakte hij een alleszins lezenswaardige fotobiografie Een mens in de tijd en schreef hij Een stad is een boek: het Dordrecht van Buddingh’ en Het Engeland van C. Buddingh’. Ook maakte hij een aardig boek met Buddingh’s uitspraken over voetbal: Net zo links als Willem van Hanegem: het voetballeven van C. Buddingh'.


Zijn laatste wapenfeit is de uitgave van Buddingh’ Gebundeld, waarin alle poëzie van de dichter is ondergebracht. Waarom dan niet een echt Verzameld Werk met ook al Buddingh’s proza, inclusief zijn alleszins lezenswaardige dagboeken, vraag ik mij af. Misschien dat het nog komt, al zullen de kosten zo'n uitgave wel in de weg staan. Waar wij nu werkelijk op zitten te wachten, zijn een Buddingh'- biografie en een echte Buddingh’-laan in Dordrecht, in plaats van dat foeilelijke parkeerpleintje waarmee ze hem hebben afgescheept. Onlangs stelde iemand voor de Vleeschhouwerstraat, een van Dordrechts oudste straten, naar de dichter te noemen, omdat hij er weleens kwam in de boekhandel van Koos Versteegh. Een idioot voorstel dat geen enkele rekening houdt met de historische traditie en dat snel de prullenbak in moet. Dat er ergens echter een fatsoenlijke Buddingh'-laan komt, dat is Dordrecht toch wel aan Kees verplicht.


woensdag, december 08, 2010

Wat staat de terugkeer van de Elgin Marbles eigenlijk nog in de weg?


Sinds de opening, in juni 2009, van het nieuwe Akropolis Museum in Athene is de discussie weer opgelaaid over de Elgin Marbles, de beelden van het fries van het Parthenon, die aan het begin van de 19e eeuw naar Engeland werden overgebracht door Lord Elgin en nu berusten in het British Museum. Al in de tijd dat die gebeurtenis plaatsvond was het een omstreden zaak. Zo keerde de philhelleen Lord Byron zich tegen wat tegenwoordig in Griekenland, en niet alleen daar, als een ordinaire diefstal van kunstwerken wordt beschouwd. De discussie waar de Elgin Marbles thuishoren, in het British Museum of op de Akropolis van Athene, is al heel oud. Het was de Griekse actrice Merlina Mercouri, die haar als minister van cultuur eind vorige eeuw nieuw leven inblies. Zij vond dat Groot-Brittannië een ereschuld had om de beelden terug te sturen naar Griekenland. Daar wilden de Britten niet van horen. Door de luchtvervuiling in Athene zouden zij onherstelbare schade kunnen oplopen, zoals met meerdere monumenten is gebeurd, en het museum op de Akropolis was veel te klein en te slecht uitgerust om de kunstwerken op een fatsoenlijke wijze te kunnen conserveren. Daar hadden ze wel gelijk in, maar dat gelijk is inmiddels door de tijd achterhaald. Nog steeds is Athene een stad waar de luchtvervuiling behoorlijk kan toeslaan, maar sinds het autovrijmaken van het gebied rond de Akropolis en allerlei maatregelen van de Griekse regering om de smog terug te dringen, is de situatie wel verbeterd. Daar komt bij dat het nieuwe Akropolis Museum zeer goed geoutilleerd is en daarom uitstekend in staat om de beelden op de best mogelijke manier te conserveren.


De Britse argumenten hebben hierdoor hun geldigheid verloren. Wat staat dan nog de terugkeer van de Elgin Marbles naar Athene in de weg? Misschien de hoge toon waarop sommige Grieken de kunstwerken terugeisen. Ongetwijfeld horen de beelden op de Akropolis, in casu in het nieuwe museum, maar men dient wel één ding in het oog te houden, namelijk dat de Gieken niet het alleenrecht op de Elgin Marbles hebben. Het klassieke Griekenland is de bakermat van de Europese cultuur, de Elgin Marbles zijn een hoogtepunt van klassieke beeldhouwkunst. Als Europeanen hebben wij het volste recht om de beelden evenzeer op te eisen als een deel van onze cultuur. De nationalistische toon waarop sommige kranten en smaakmakende Grieken de eis tot repatriëring van de beelden kracht bij zetten, wekt wrevel in Europa. De klassieke Griekse cultuur is Europees gemeengoed en niet het exclusieve eigendom van de moderne Grieken.


Een en ander neemt niet weg dat de Elgin Marbles in Athene horen en dat het de Britten zou sieren dat te erkennen en de beelden zo snel als maar kan aan het Akropolis Museum af te staan, onder dank van die zijde voor de goede zorgen. De nu in Athene geëxposeerde gipsafgietsels zouden dan naar Londen kunnen. Anderzijds legt dat de Grieken, als eerst rechthebbenden, maar niet als enig rechthebbenden, zekere verplichtingen op, zoals het ruimhartig beschikbaar stellen van de beelden voor tentoonstellingen elders in Europa, en natuurlijk om een perfecte zorg voor het erfgoed te betrachten. Wat dat laatste betreft zit het, gezien de uitrusting en de deskundige staf van het nieuwe museum, wel goed.



Eerder gepubliceerd in Griekenland Magazine, jg. 7, herfst 2009.

vrijdag, december 03, 2010

Solidair met de postbode!

De postbodes gaan volgende week opnieuw een paar dagen staken. Ik geef hen groot gelijk. Onbegrijpelijke kortzichtigheid van de kant van de overheid, gepaard met een naïef geloof in de heilzame werking van 'de markt' hebben ertoe geleid dat de ooit zo eerbiedwaardige PTT als geprivatiseerde TNT aan de rand van de ondergang staat. 'Hindert niet,' hoor je sommige domoren denken, 'we sturen wel een e-mail.' Zonder te beseffen dat veel niet met e-mail gaat of niet per e-mail kan. Ik zie iemand zo gauw nog niet een stapel rouwkaarten als e-mail versturen, ik moet er niet aan denken dat bijvoorbeeld een brief met mijn medische gegevens over een onbetrouwbaar, door kwaadwillenden gemakkelijk in te zien medium als internet, wordt getransporteerd en hoe verstuur ik een aangetekende e-mail? Ik kan zo nog wel wat voorbeelden bedenken die illustreren dat een goede en betrouwbare postdienst in de samenleving onmisbaar is.


De oude Perzen wisten dat al, hun schier onmetelijk rijk kon alleen maar goed bestuurd worden door een goed functionerende postdienst en ook de Romeinen waren daarvan overtuigd en handelden ernaar. Zo niet de Nederlandse overheid. Die gaf een vitaal instituut als de PTT uit handen, met alle rampzalige gevolgen van dien. Een van die gevolgen is het ontstaan van particuliere bedrijven, die opereren op plaatsen waar de post gemakkelijk is te bestellen, met onderbetaald personeel onder arbeidsvoorwaarden waar de honden geen brood van lusten. Daardoor houden we de kosten laag, de winsten hoog en maken we TNT, dat uiteraard nog PTT had moeten heten en zowel de post als de telefoon in één hand had moeten hebben, kapot. Die is wel verplicht in alle uithoeken van het land post op te halen en te bestellen. De loonslaven van de particuliere uitbuiters zie je niet in een afgelegen polder of op een uithoek van de Drentse hei.


De manier waarop de overheid de ondergang van de postdienst in de hand heeft gewerkt toont ons hoe schadelijk de invloed is van het geloof in economische theorieën, die gezien de vigerende crisis, grotendeels op lucht en op de verwoestende hebzucht van het rauwe kapitalisme zijn gegrondvest. Instituten die pijlers vormen van de samenleving, zoals de nutsbedrijven, dienen onder controle van die samenleving te staan, niet in handen te zijn van particulieren die er beter van willen worden. Ik hoop dat de staking van de postbodes een paar ogen opent bij de overheid, misschien dat er ergens een enkele hersencel wat sneller door gaat werken, al zal het met de huidige regering wel ijdele hoop blijven.


Behalve de maatschappelijke ramp die de ondergang van TNT (PTT) betekent, is er ook het persoonlijke drama van vele postbodes, die soms na jaren door weer en wind met onze brieven en pakketten te hebben gezeuld op straat dreigen te komen, of hetzelfde werk moeten gaan doen voor minder geld en onder slechtere arbeidsvoorwaarden. Het is een schande dat we dat laten gebeuren. Daarom sta ik vierkant achter de komende stakingen en zullen ze mij niet horen klagen als de kerstpost pas in februari komt. Wij kunnen de stakers ook enigszins de helpende hand reiken, eenvoudig door poststukken van particuliere bedrijven te weigeren. Ik roep iedereen op die massaal terug te sturen naar de verzenders onder de mededeling: wij accepteren alleen poststukken die worden besteld door de TNT. Het is een kleine moeite, die grote gevolgen kan hebben.

dinsdag, november 30, 2010

Bergman: een nurks die zelden verveelt


Wat maakt dat ik een roman of dichtbundel de moeite van het lezen waard vind? Emotie, identificatie en stijl, denk ik en zo iets ondefinieerbaars als mijn eigen smaak. Een goed boek of gedicht moet een emotie teweeg brengen, bijvoorbeeld een gevoel van ontroering, zoals bij het einde van Vogelvlucht, de memoires van Inez van Dullemen. Of ik moet mij tranen in de ogen lachen, zoals bij Changing Places van David Lodge. Of een beklemmende spanning voelen na het lezen van het gedicht Settlements van John Burnside. Identificatie, zeker, ik moet mij kunnen vereenzelvigen met een karakter of in het geval van ego-literatuur met de schrijver. Kruipen in de huid van, even iemand anders denken te zijn, herkenning, dat speelt allemaal een rol. En tenslotte stijl. Een goede stijl is een absolute voorwaarde om van een boek of gedicht te genieten, al kan ik ook niet precies aangeven wat dat dan is. Daar komt ook smaak bij om de hoek kijken. Het al eerder genoemde Vogelvlucht is geschreven in een prachtige stijl, vind ik. Kon ik het maar zo, dacht ik regelmatig terwijl ik het las. De stijl van Harry Mulisch vind ik niet te pruimen, voor een nieuw boek van Gerard Reve (het zal nooit meer gebeuren, tenzij Joop Schafthuizen ooit in een oude schoenendoos een levenslang verborgen gehouden manuscript ontdekt) kan men mij ten allen tijde uit bed bellen. Van Rosita Steenbeek heb ik, met alle respect, nooit een boek kunnen uitlezen, maar ik zit hunkerend te wachten op de volgende roman van Nicole Montagne, na haar prachtige Souvernir. Gelukkig komt de tweede van Wil Boesten er binnenkort ook aan.


Ik ben een beetje bezeten van ego-literatuur. Dagboeken, brieven en memoires behoren tot het liefste dat ik lees. Dat heeft ongetwijfeld te maken met het feit dat ik zelf een fervent dagboek- en brievenschrijver ben. Paul Léautaud werd al vroeg een van mijn literaire helden. Jarenlang heb ik vol ongeduld gewacht op het volgende Geheim Dagboek van Hans Warren. Tussenjaar van J. Rentes de Carvalho heeft een ereplaats in mijn boekenkast en hoewel het niet van W.F. Hermans mag, lees ik graag in de dagboeken van C. Buddingh'. The Mitfords, de fascinerende briefwisseling tussen de zes zusjes Mitford, waarover ik al eens op dit weblog schreef, is een andere favoriet, evenals Brieven van Willem Walraven. Dat niet alle ego-literatuur mij mag bekoren heeft, behalve met de inhoud, veel met stijl te maken. De dagboeken van Arnold Bennett heb ik teleurgesteld terzijde gelegd en, ik zeg het maar eerlijk, ook die van Virgina Woolf. Soms speelt de uitvoering van een boek ook enigszins een rol. Ik eet liever van een bord dan van een krant, om een wat banale vergelijking te bezigen. Zo is er bij een Amerikaanse uitgever een Engelstalige selectie uit het dagboek van Yorgos Seferis verschenen die qua typografie zo ongelofelijk lelijk is dat je een doorzetter moet zijn wil het gerecht toch nog smaken. Alle lof voor de Arbeiderspers met zijn Privé Domein, waarin ooit De tijd te lijf van Bergman (pseudoniem voor Aart Kok) verscheen. Mooi uitgevoerde, goed verzorgde boeken. Jammer alleen dat er slechts een selectie is gepubliceerd uit de dagboeken van Paul Léautaud in plaats van zijn integrale Journal Littérair. Idem dito wat betreft de gebroeders De Goncourt. Ik prijs mij gelukkig dat ik op de middelbare school behoorlijk Frans heb geleerd.


Van Bergman is onlangs zijn Nagelaten Werk verschenen, bestaande uit het dagboekachtige Bevond van Zaken (een vervolg op De tijd te lijf) en de verhalenbundel Vreemdgaan. Het boek werd bezorgd door Wim Huijser, van wie ik hoop dat hij nu eindelijk de tijd zal vinden om zich aan de biografie van Kees Buddingh' te zetten, waarvoor hij al jaren materiaal aan het verzamelen is, maar dit terzijde. Op verzoek van de uitgever deed ik de eindredactie. Ik ben daarom bevooroordeeld, maar dat ik diverse malen door de tekst ben gegaan, waarbij ik mij zelden verveelde of dacht 'nu is het wel genoeg,' zegt wel iets. Allereerst iets over de verzorgde stijl van Bergman, die zijn boek tot een genot maakt om te lezen. Toegegeven, soms zijn zijn beweringen nogal apodictisch en ik weet niet of ik hem wel als mijn onderwijzer zou willen hebben. Ik ben zelf het tegendeel van de punctuele schoolmeester die zijn werkkamer, als we Wim Huijser in de inleiding mogen geloven, tot in de puntjes heeft verzorgd. Dat doet niet af aan het feit dat ik bij het werken aan het boek menigmaal heb gesmuld. Het allereerste begin al:


Er wonen in dit land te veel mensen die te veel van elkaar weten en te dicht op elkaar huizen in te goed bereikbare gebiedjes. Een degelijke middeleeuwse pestepidemie zou zuiverend kunnen werken, alleen, epidemieën werken zonder onderscheidingsvermogen en gaan gepaard met godsdienstwaanzin en politieke heksenjacht, wat in Nederland op hetzelfde neerkomt.


Het is cynisch, het is sarcastisch, het is zuur en ik vind het heerlijk om te lezen. De passage zet wat mij betreft de toon van het boek, al is Bergman ook regelmatig beschouwelijk, vooral als hij over taalfenomenen schrijft. Er komt soms boosheid voor in Bevond van Zaken. Dat is weleens de boosheid van de burgerman, maar door de superieure wijze waarop Bergman die verwoordt wil je er toch meer van lezen, ook al ben je het er niet altijd mee eens. 'Kom, kom,' dacht ik weleens, en soms haalde ik mijn schouders op, maar dat doe ik ook bij de aan waanzin grenzende, zij het prachtig geschreven passages waarin Gerard Reve, al dan niet ironisch, uitweidt over zijn religieuze opvattingen. Een andere keer verwoordt Bergman trefzeker wat ik ook geschreven zou kunnen hebben:


De vooruitgang kent geen genade. Voorwaarts Zimbabweroept president Robert Mugabe en hij balt daarbij de vuist. Zulke beelden wekken mijn angst. Sociale rampen gebeuren in en uit naam van het volk: opvoedingskampen, uitroeiing van banditisme, volksverhuizingen, heilige oorlogen, kuddevorming en genocide. Wie zich het frequentst op het volk beroept, is de grootste despoot.


Ik heb Bergman nooit persoonlijk ontmoet. Wil ik mij een beeld vormen van zijn persoonlijkheid, dan moet ik afgaan op wat ik hoor van anderen, die hem wel hebben gekend. Hij komt op mij over als een schoolmeester van de beter wetende soort, iemand die vooraan staat om het eigen gelijk met opgezette borst te verdedigen. Dat maakt niet altijd een prettige indruk, maar als dat eigen gelijk parellel loopt met het mijne, zie ik hem als een bondgenoot. Dat geldt bijvoorbeeld als hij het heeft over godsdienst. Zo schrijft hij:


De herdenking van de bevrijding volgens EO-programmamaker Ad de Boer: 'Voor ons is het heel nadrukkelijk de bevrijding door Gods hand uit een verschrikkelijke nachtmerrie. De grote daden van God moeten worden herdacht.'

Vraag: Waarom heeft Gods hand het dan zover laten komen?


of:


Het communisme, de islam, het pausdom en streng calvinistische denominaties, autoritaire godsdiensten die door hun onderling geharrewar over het hoofd zien dat zij veel gemeen hebben. De chaos begint bij pornografie, homorelaties, naaktstranden, voorbehoedmiddelen en levenslust. Geslachtsdelen dienen aan het oog onttrokken door rolluiken degelijk textiel. Een eenvoudig dienstboek regelt het beheer over de erogene zones. Veel mag niet en het weinige dat wel mag, mag eigenlijk ook niet.


Het zijn dat soort uitspraken die mij trekken in Bergman. Vaak ironische, cynische tot sarcastische beweringen, die mij treffen door stijl of verwantschap met mijn eigen opvattingen. Waar we bij het lezen van zijn Nagelaten Werk overigens wel rekening mee moeten houden, is dat hij schrijft over de wereld in het op een na laatste decennium van de vorige eeuw. Dat tekent sommige van zijn uitspraken, hoewel veel ook nu nog als actueel kan gelden:


In 1975 hebben militairen in Yunnan meer dan duizend moslims gedood die in opstand waren gekomen omdat zij werden gedwongen varkens te fokken en te consumeren. De goden blijven dorsten.


Misschien word ik, als tegenbeeld van de punctuele schoolmeester in die geordende werkkamer, met alle boeken op de millimeter in het gelid, ook wel gefascineerd door wat ik absoluut niet zou willen zijn, een vorm van contra-identificatie, maar wat Bergman wel op een treffende wijze verwoordt. Kortom, ik heb me bij het Nagelaten Werk vrijwel geen ogenblik verveeld, ook niet toen ik het boek na publicatie eindelijk als boek las en niet meer als zoveelste drukproef.


Bergman – Nagelaten Werk is een uitgave van Uitgeverij Liverse: http://www.liverse.nl


zondag, november 28, 2010

Literair-dagboek: Schotland (slot)


Op 29 oktober jl. verscheen bij uitgeverij Liverse mijn kroniek, of zo men wil literair-dagboek, Idioten ontloop je nergens. Begin december komt bij dezelfde uitgever de door mij vertaalde poëzieselectie Het bal in de inrichting van de Schotse dichter en romancier John Burnside uit. In mei 2007 reisde ik, deels met een beurs van het Fonds voor de Letteren, naar Schotland om de vertalingen met Burnside te bespreken en de omgeving te leren kennen waarin het meeste van zijn werk is geschreven. Uiteraard hield ik daarvan ook een dagboek bij.


Zondag, 6 mei:

Newton-le-Willows

Goed geslapen al had het bed veel weg van een trampoline, maar ik slaap als het moet overal. Stella heeft daar meer moeite mee. We betalen voor een tweepersoonskamer, maar het is gewoon een eenpersoonskamer, voor 90% gevuld met een dubbel bed. Wel staat er een tafeltje waaraan ik met enig wrikken en wringen kan schrijven. Er is een mogelijkheid om koffie en thee te maken, maar er is maar één kopje bijgeleverd, zoals er ook maar één glas in het badhok staat. Haken om iets op te hangen zijn er nergens en het ding dat een klerenkast moet voorstellen heeft maar drie hangers. Wel werkt de verwarming goed, gelukkig voor Stella, en we hebben een mooi uitzicht op St. Peter's church en een deel van Willow Park. Het is erg goedkoop, zodat ik geen drukte ga maken. We pakken straks in en we zijn weg. Waar aan de overkant vroeger The Blue Bell was, heet het nu Sam's Bar and Restaurant en te oordelen naar het dronken tuig dat er gisteravond voor de deur zat, is dat geen vooruitgang.


Gisteren met Brian gegeten bij de Indiër op Highstreet, nadat Stella, die zich ietsje beter voelt, wat had gerust en nadat we hadden gedoucht (de hotelhanddoeken zijn ook van tweeëndertig jaar terug: gerafelde, grauwe lappen). Die Indiër is niet duur, maar de kwaliteit was er naar: zeer matig. De wijn daarentegen was goed. Bij Brian koffie en een afzakker genomen. Rond kwart over elf terug naar het hotel. Voor de drie nabije pubs op Highstreet volop dronken gebral. Gezegende bijwerking van het rookverbod.


Brian had van de hotelier gehoord dat een bedrijf onlangs een groep Nederlandse monteurs in Kirkfield's had ondergebracht. Het eerste waar naar werd gevraagd waren de nachtclubs en de bordelen. In Newton-le-Willows! Het enige wat je hier nog treft, voor zover niet op de fles, zijn haveloze kroegen met dronken arbeidersjeugd. En de Tory-club, maar daar moet je door een lid worden geïntroduceerd.


De kastanjebomen staan in bloei, overal bloemen in de tuinen. Ik voel een beetje nostalgie naar vroeger, naar de zomers die we hier bij de familie doorbrachten. Na de maaltijd zijn we even gaan kijken in Birleystreet. Tegenover het oude huis gestaan, nu eigendom van neef John en verhuurd. Daar borrelden de herinneringen op. Ze moeten allemaal nog eens ergens een plaats krijgen: Stuart Mitchell, Bessie Lister, de Dye's van nummer 49, de bowling green in Mesnes Park, de Barnby's, tante Theresa en oom Stanley, oom Harold en tante Ann...Ik zou de wereld uit die tijd willen herscheppen, maar de romanticus in mij moet er niet mee op de loop. Geen larmoyante melancholie.


Maandag, 7 mei:

Vanmorgen om kwart over negen thuis na een levensgevaarlijke rit in de spits, door de gietregen, vanuit Europoort. Het was moeilijk wakker worden, vanmorgen vroeg, na de copieuze en rijk bedrenkte maaltijd gisteravond aan boord. De hutten mogen te klein zijn, het restaurant en de bediening mogen er wezen. We werden bediend door een Filippijnse ober, die meer dan zijn best deed om het ons naar de zin te maken. Op de Pride of Hull zijn veel bemanningsleden Portugees, op de Pride of Rotterdam komen ze merendeels van de Filippijnen. Onderweg naar de boot sloeg het weer om en begon het te regenen en te stormen. Aan boord hebben we er weinig van gemerkt. Het schip is zo groot dat er heel wat moet gebeuren om het flink te laten deinen. Vanmiddag, op weg naar de supermarkt, kwam ik kunstbroeder Theun Okkerse tegen, die ik over de reis vertelde. Hij vond de overtocht op de kleine schepen van vroeger, zoals de Norwind en de Norwave, een stuk romantischer, maar wat is er romantisch aan een schip vol kotsende passagiers?


Nadat we gisteren hadden afgerekend koffie gedronken bij Brian, waar Stella een paar berichten van een Cypriotische kennis voor hem in het Engels vertaalde. Vervolgens nog een wandelingetje door het Mesnespark en het wijkje achter Crow Lane, gebouwd op de plaats waar vroeger Brian's grammar school stond. De putting green is weg, de vijver, waar we ooit onze speelgoedbootjes te water lieten, is gedempt. Alleen de bowling green is er nog, met een massief hek er omheen tegen de vandalen. Neergezet nadat idioten een paar jaar geleden voor de lol het clubhuis van de bowlingvereniging in brand hadden gestoken. Om twee uur reden we weg uit Newton. Via Winwick, waar vroeger het gekkenhuis stond, ook verdwenen, maar dat zien we maar als een goed teken, naar de M62. In principe is het dan gewoon rechtdoor naar Hull, waar we om kwart over vier bij de terminal arriveerden.