zaterdag, december 30, 2017

'Moet kunnen'



Mijn moeder was een wijze vrouw en veel van haar uitspraken staan mij nog bij. Meestal had ze gelijk, maar met één bewering sloeg ze achteraf gezien de plank mis. Ik herinner mij dat ik als kind in de jaren vijftig op de radio iets hoorde over revolutie en geweld in een of ander ver land, waar ze een vlakte met kruiken hadden, en toen vroeg: 'Kan zoiets in Nederland ook gebeuren?' 'Welnee,' zei mijn moeder, 'daar hoef je niet bang voor te zijn, daar zijn wij veel te nuchter voor.'

De Nederlanders een nuchter volk? Laat me niet lachen zeg ik zestig jaar later, na weer eens wat scrollen op Facebook en Twitter. De opgefoktheid druipt er bij veel te veel mensen vanaf. Bij de laatste verkiezingen werd een dandy-achtige querulant met duistere, extreem rechtse gedachten in de Tweede Kamer gekozen. Bij wie in die gedachten gelooft, is de nuchterheid ver te zoeken.

Met Oud & Nieuw bestoken we elkaar met vuurwerk dat krachtiger is dan een handgranaat. Dat wordt geinig gevonden, 'moet kunnen.' Schouderophalend gaan de liefhebbers voorbij aan de vele gewonden, soms met blijvende invaliditeit, en een enkele dode. Jammer dan, ongelukje. Ongelukken gebeuren wel meer. Het is een Nederlandse traditie en Nederlandse tradities moeten desnoods met geweld verdedigd worden. Denk maar aan de Pietenhysterie.



woensdag, december 27, 2017

Niet tobben!



Af en toe word ik gevraagd om commentaar te geven op ontwikkelingen in Griekenland of op Cyprus. Meestal door de radio, een enkele keer ook door de televisie. Ik doe dat als historicus. Iemand van de Tros had een artikel van mij, over de geschiedenis van het moderne Griekenland, gelezen in Trouw en zo kwam ik op een ochtend, begin jaren negentig, in de Tros Nieuwsshow op Hilversum1, dat nu NPO1 heet. Daar trof ik Wim Bosboom, die mij al snuivende in de microfoon allerlei vragen stelde die geheel buiten de lijnen van het voorgesprek vielen, maar omdat ik goed op de hoogte was van de geschiedenis, alsmede moeilijk te intimideren, lukte het de ex-Varacoryfee niet om mij van mijn stuk te brengen en een afgang te bezorgen. Zodoende kwam mijn naam ergens in een boek als 'Griekenlandkenner' en sindsdien verschijnt op mijn telefoon nu en dan een Hilversums nummer, of een Amsterdams, want BNR-Nieuwsradio heeft mij in de loop van de tijd ook ontdekt.

Er is een constante als ik weer eens achter de microfoon zit. Steevast vraagt de journalist van dienst hoe ik denk 'dat het in de toekomst verder zal gaan.' Dat is voor een historicus een probleem. Wij proberen het heden te verklaren vanuit het verleden, soms in de hoop dat wie ons leest of hoort daar iets van leert, maar daarin worden we voortdurend zwaar teleurgesteld. Weer een constante. In de toekomst kunnen we niet kijken. Verder dan nu en dan een vermoeden uiten gaat het niet en dan nog. De toekomst is in hoge mate onvoorspelbaar. Eind maart 2016 was ik onderweg naar de Dordtse rechtbank om een apostille op een vertaling te laten zetten. Een verklaring waarmee ik de Griekse bureaucratie te lijf wilde. Ik had beter moeten weten, want die bureaucratie was al ondoorzichtig, nodeloos ingewikkeld en incompetent bij het ontstaan van het moderne Griekenland en dat is hij nog steeds. Derde constante. Als er in de Museumstraat in Dordrecht niet bliksemsnel hulp was geboden aan die man die ineens omviel, was er voor mij geen toekomst meer geweest. Ik heb lering getrokken uit die gebeurtenis en ben, na door het oog van de naald aan een wisse dood te zijn ontsnapt, een cursus reanimeren gaan doen. Of ik het geleerde ooit in praktijk moet brengen, ligt in de toekomst verborgen.

Ik heb zo mijn zorgen over de toekomst. In een wereld met politici als Trump, Kim Yong-un en Thierry Baudet aan de macht, kunnen zomaar dingen gebeuren die tot een onvoorstelbare ramp leiden. Het kan ook van niet, maar ik ben er weinig gerust op. Ik ben ook weinig gerust op het heilzame effect op de samenleving van al die mensen die zich zonodig tot een of ander geloof moeten bekeren. Van het geloof in een godheid tot het geloof in de kankerwerende werking van bonenkruid. Ik ben meer van de wetenschap. Een wetenschappelijk geschoold cardioloog heeft ervoor gezorgd dat mijn hart het voorlopig weer prima doet, maar er zijn ook wetenschappelijk geschoolde types die de meest verschrikkelijke wapens bedenken. Hoe het daarmee in de toekomst verder moet? Soms houd ik mijn hart vast. Vooral ook als ik hoor dat er in mijn land doorgedraaide idioten rondlopen die zwaar vuurwerk naar treinen gooien.

Ik vrees weer heel veel gewonden en heel veel schade met Oud & Nieuw, maar of dat ook werkelijk gaat gebeuren, dat leert alleen de toekomst. Wij wensen elkaar straks een gelukkig 2018, maar je kunt in dat jaar zomaar plotseling doodgaan, zoals de sympathieke presentator Joost Karhof van Nieuwsuur, bij wie ik ook weleens aan tafel heb gezeten. Gelukkig denk ik regelmatig aan Gerard Reve, die sommige van zijn brieven placht te ondertekenen met: 'Niet tobben. Het komt toch nooit meer goed.'


zondag, december 24, 2017

Nee! Geen stemadvies.



'Dordrecht was in de zeventiende eeuw een aristocratische stad,' aldus Luc Panhuysen, auteur van de dubbelbiografie over de gebroeders De Witt, deze zomer in het radioprogramma Studio De Witt. Ik geloof het graag. Na Amsterdam het belangrijkste culturele centrum van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, maar economisch al flink onderweg om door datzelfde Amsterdam te worden overvleugeld en nog later door Rotterdam. In de zeventiende eeuw hadden de regenten het voor het zeggen en regent werd je als je geboren was in een van de rijke koopmansfamilies, die gewoon waren de baantjes onder elkaar te verdelen. De middenstand had, door middel van de gilden, af en toe een klein beetje invloed, maar het eenvoudige volk, waarvoor men termen reserveerde als het grauw, het janhagel, het plompe gemeen of het profanum vulgus had niets in te brengen.

Van die aristocratische uitstraling zijn we in Dordrecht verlost door een serie kortzichtige stadsbesturen, die in de negentiende en twintigste eeuw zonder veel historisch besef talloze waardevolle gebouwen en stadspoorten heeft laten slopen, gevolgd door vrijwel altijd smakeloze nieuwbouw, met het idee dat de stad daardoor in de vaart der volkeren zou worden opgestoten. In de twintigste eeuw was de sloop- en nieuwbouwwoede vooral de verantwoordelijkheid van de grootste partij in de gemeenteraad, de PvdA. De partij die werd opgericht om het grauw, het janhagel, het plompe gemeen dan wel het profanum vulgus te verheffen. De partij heeft in de loop der geschiedenis, na de Tweede Wereldoorlog, met steun van de KVP (de rooms-rode coalitie) veel bereikt op het gebied van de sociale zekerheid, maar voor de Dordtse stadsontwikkeling betekende zij lange tijd een ramp. Toch nam een PvdA-burgemeester het initiatief om de schandelijke afbraak in de jaren zestig van de vorige eeuw (saneringsplan) te stoppen en een begin te maken met behoud van wat nog over was aan waardevols. Gelukkig heeft Dordrecht daardoor naast gruwelijk lelijke plekken ook nog een aantal staaltjes van grote bouwkundige schoonheid.

Sinds de PvdA de handlanger werd van de VVD bij het weer afbreken van de sociale zekerheid, is er van de partij weinig meer over. In het ooit rode bolwerk Dordrecht houdt een dapper clubje diehards het verbleekte, ooit rode vaandel hoog, terwijl het grauw, het janhagel, het plompe gemeen of wel het profanum vulgus, mort. Dat doet het op Facebook en Twitter, waar de holle vaten het hardst bommen. De media luisteren vooral naar Facebook en Twitter. Daardoor kon het belachelijke idee ontstaan dat er van alles verschrikkelijk mis is in Nederland en dus ook in Dordrecht.

Uit recent onderzoek is gebleken dat het aantal morders en roeptoeteraars aanzienlijk minder is dan de media voortdurend veronderstellen. We moeten het Facebook- en Twittergedoe met een stevige zak zout nemen, zoals we dat ook met borreltafelgezwets doen. Dat neemt niet weg dat in de politiek het extreem rechtse gedachtengoed steeds meer geaccepteerd lijkt te worden. Daarbij spelen het nepnieuws, de leugens en de ongefundeerde angsten die door de extreem rechtse kerk worden verspreid een belangrijke rol. Twee van die kerken zijn de PVV, niet eens een partij, maar de eenmanszaak van Wilders, bij wie zijn aanhangers, als het erop aankomt, niets hebben in te brengen, net als in de regententijd. De andere club heet FVD, waar een dandy en een advocaat, die ik mijn portemonnee nooit zou toevertrouwen, als leidend duo optreden. Als die twee hun zin krijgen gaan we met Nederland terug naar de negentiende eeuw, toen volgens hen alles beter was. Toen Dordrecht een kleine, armlastige stad was, waar bijna iedere zomer cholera uitbrak, door het ontbreken van waterleiding en riolering, en vrouwen nog geen kiesrecht hadden. Je zou bijna de PvdA een kans gunnen om haar oude idealen maar weer eens op te poetsen, om iets goed te maken van wat ze recentelijk met de VVD heeft gesloopt.

Foto: auteur





donderdag, december 21, 2017

Terugblikken



Eind december. De traditionele tijd om terug te kijken op het jaar. Als historicus ben ik eigenlijk voortdurend bezig met terugblikken. Het verleden is dan ook heel wat interessanter dan de waan van de dag. 2017 Is nog niet eens helemaal afgelopen, ik moet nog zien dat ik de komende tien dagen zonder kleerscheuren doorkom. Het is dus nog een beetje waan van de dag, maar vooruit, wat heeft het jaar geboden? Een paar aardige reisjes. Ik bezocht Samothraki en Skyros, verbleef in Athene en, tamelijk lang, in Thessaloniki, maakte een uitstapje naar Up Holland in Engeland en was op Texel, op een landgoed in de buurt van Emmen en in de onvolprezen Achterhoek.

Aan een spectaculaire wereldreis ben ik maar niet begonnen. Het liefst zit ik op het Eiland van Dordt, ondanks alle drukte om genx en ander gif dat door onze lokale chemiereus werd uitgestoten, met goedvinden van de Boven Ons Gestelde Autoriteiten. Ik had een rijke oogst aan peren en die heb ik allemaal gestoofd en opgegeten. Je wil niet weten wat er allemaal aan vuiligheid boven Nederland hangt, de prijs van onze welvaart, zodat die paar stofjes vanaf de Staart er niet echt toe doen. Het zou leuk zijn als ze uit ons milieu zouden verdwijnen, maar het zal het veel te hoge aantal gevallen van kanker niet werkelijk verminderen. Ik ken iemand van buiten de stad die met de auto naar Dordt is gereden om bij die fabriek te protesteren. Ik bedoel maar. Er was ook een doorgedraaide makaak die de werknemers met de dood bedreigde. 'Poëzie en actiewezen trekken vaak gekken aan,' heb ik eens een dichteres horen zeggen.

Op mijn eiland is het afgelopen jaar veel gebeurd, te veel om op te noemen, maar weinig van wereldschokkend belang, vrees ik. Nu ja, de publicatie van mijn verhalenbundel Oude dromen misschien en mijn dichtbundel Over de vloedlijn. Mijn stamcafé Visser is heropend, na een goed geslaagde opknapbeurt, en daar ben ik bijzonder blij mee. Ook blij ben ik met de prachtige tentoonstelling Jongkind en vrienden, die nog tot eind mei te zien is in het Dordrechts Museum. 

Bedroefd ben ik over de sloop van het lyceum op de Noordendijk, maar daar heb ik onlangs al over geschreven. Mijn favoriete Italiaan, voor mij DE Italiaan van Dordt, pizzeria Costa d' Oro, bestond onlangs vijfenveertig jaar. Ik zou willen dat een aantal vrienden, met wie ik daar in die vijfenveertig jaar regelmatig at, het had kunnen meevieren. Dat is de schaduwkant van terugblikken: je realiseren dat er ieder jaar weer minder vrienden zijn om de oudejaarsborrel mee te drinken.

Foto: auteur



maandag, december 18, 2017

Een mooie tijd



Er was eens, lang geleden, een kerstweek waarin ik gedichten schreef voor een meisje waarop ik heel erg verliefd was. Zo verliefd als een puber maar kon zijn. Liefde maakt blind, daarom vond ik haar natuurlijk het mooiste meisje van de klas. Misschien was zij dat ook wel. Later, toen ik dagelijks aan pubers lesgaf, kwam ik met mijn collega's tot de conclusie dat ze eigenlijk nog ontoerekeningsvatbaar zijn. Pubers bedoel ik, niet die collega's.

Uiteindelijk blijven meestal de goede herinneringen aan de pubertijd hangen, maar toen je er in zat, was het vaak tomeloze ellende. De gedichten die ik toen schreef hebben dat meisje nooit bereikt en gelukkig zijn ze allang zoekgeraakt. Toch moet ik rond kerst altijd even aan haar denken. Ze is veel te jong gestorven, evenals Stella. Stella overleed op tweede kerstdag, daarom schrijf ik kerst nooit meer met een hoofdletter.

Claire en het kind hadden deze week een nare ervaring. Het kind is langzamerhand een puber geworden en gelooft eigenlijk niet meer in kind zijn. Dat geeft weleens problemen, maar, zoals Gerard Reve zegt: 'Je staat ervoor en je moet erdoor.' Het kind ziet dat anders, nog ontoerekeningsvatbaar, nietwaar? Het moet maar veel gedichten gaan schrijven en die later, als de ellende van de pubertijd voorbij is, stilletjes in de prullenbak laten verdwijnen.

Foto: auteur


vrijdag, december 15, 2017

Kapitaalvernietiging




Poëzie kom je niet dagelijks tegen in de Dordtse huis-aan-huisbladen. Daarom was ik aangenaam verrast door het gedicht van Nelleke Wander in Dordt Centraal van deze week. Minder blij was ik met het onderwerp: de sloop van het schoolgebouw op de Noordendijk. Het gebouw waar ik in 1986 binnenstapte als docent en waar ik zou lesgeven tot we door een fusie gedwongen werden eind jaren negentig het pand te verlaten en onze intrek te nemen in dat van het Stedelijk Dalton Lyceum aan de Overkampweg. Een gebouw dat als tijdelijk schoolgebouw werd neergezet en dat ondanks een ingrijpende verbouwing en uitbreiding, waarbij het ondermeer een theaterzaal kreeg, niet in de schaduw kan staan van het schoolgebouw op de Noordendijk.

Daar waren de plafonds hoog, de lokalen ruim en het uitzicht op het Vlij mooi. Prettig voor dromers in de klas. De bomen voor mijn lokaal gaven in de zomer schaduw en koelte. Er was een mooie binnentuin, een ruime fietsenkelder en een bijna professsioneel theater met kleedkamers en al, naast een ruime aula, drie gymzalen, voor iedere vaksectie een kabinet, waar je je in kon terugtrekken en rustig kon werken tijdens tussenuren, en een forse docentenkamer. Nooit eerder en nooit meer daarna gaf ik les in een prettiger en beter geoutilleerd gebouw dan dat. Ik dacht er vaak met smart aan terug als het op warme dagen weer eens boven de dertig graden was, of op koude dagen nauwelijks zestien, in mijn lokaal op de Overkampweg, waar men er, althans toen ik er werkte, nooit in is geslaagd de klimaatbeheersing, een stelsel van indrukwekkende buizen, enig effect te laten hebben.
 
De preciese reden waarom het gebouw moet worden gesloopt, weet ik eerlijk gezegd niet. Wel betwijfel ik of Dordrecht verantwoord omgaat met zijn schoolgebouwen. Mijn lagere school aan de Bankastraat had nog jaren meegekund. Het was gloednieuw toen ik er in 1959 leerling werd. Toen ik in 1968 naar de havo-top van de Pedagogische Akademie aan de Hugo van Gijnweg ging, was dat gebouw eveneens gloednieuw. Beiden zijn inmiddels alweer afgebroken, om over het treurige lot van zowel het oude als het nieuwe gebouw van de HTS aan de Oranjelaan maar te zwijgen. Het lijkt me allemaal een behoorlijke kapitaalvernietiging.

Het zij zo. Het schoolgebouw in mijn straat wordt op het ogenblik van buiten geschilderd. Daar werd half augustus mee begonnen. Ondanks een geweldig mooie nazomer, zijn de schilders nu, veertien december, nog niet klaar. Ja, ik weet het, ik wijk van mijn onderwerp af, maar komt het niet allemaal neer op de vraag hoe nauwkeurig er eigenlijk op onze belastingcenten wordt gelet.


dinsdag, december 12, 2017

Brieven aan de toekomst



In 1998 organiseerden het Nederlands Centrum voor Volkscultuur, het Meerstens Instituut en het Nederlands Openluchtmuseum een interessant project. Aan de inwoners van Nederland werd gevraagd een brief te schrijven over hoe zij de 15e mei hadden doorgebracht. Daardoor ontstond een beeld van het dagelijks leven los van de koppen in de krant en de waan van de dag.

Meer dan 50.000 mensen schreven een brief. Al die brieven vormen een collectie met een groeiende, historische waarde. Een jaar na het project verscheen een boek met een kleine selectie uit de brieven. Het werd op een zonnige meidag gepresenteerd in het Openluchtmuseum. Stella en ik waren erbij want mijn brief was voor het boek gekozen. Op 15 mei 1998 hadden we een groep Griekse middelbare scholieren te gast in Dordrecht, in het kader van de uitwisseling tussen scholengemeenschap Dordtwyck en de Experimentele School van de Universiteit van Thessaloniki.

In mei 2018 is het twintig jaar geleden dat de brieven werden geschreven. Een mooie aanleiding om het boek te herlezen. Dordtwyck bestaat niet meer. Niemand verbaast zich meer over het veelvuldige gebruik van de mobiele telefoon. Facebook en Twitter waren nog niet uitgevonden. De leerlingen van toen zijn inmiddels ouders van nu. Stella is overleden en ik ben al ruim zeven jaar uit het onderwijs. In een aantal brieven wordt 's morgens voor het opstaan aan seks gedaan. Het komt mij voor dat daar weinig verandering in is gekomen.

Ik weet niet of ik het boek vijftig jaar na dato weer zal kunnen herlezen, maar al na bijna twintig jaar is het fascinerend om te zien hoe wij zijn voortgeraasd door de tijd. Vreemd eigenlijk dat zo'n project niet iedere tien jaar wordt herhaald.


donderdag, december 07, 2017

Donkere dagen



De donkere dagen voor kerst zijn weer aangebroken. We kunnen de onverkwikkelijke discussie over de kleur van Piet, in beide kampen, voor of tegen, gedomineerd door griezelige fanaten, weer een poosje achter ons laten. Voor we ons gaan storten op die andere 'traditie', de mythe van dat onbevlekt ontvangen ventje in het bakske vol met stro, symbool voor vrede op aarde en in de mensen een welbehagen, draagt Disaster Donald nog even een steentje bij aan de wereldvrede door, tegen het advies van bijna de hele wereld in, Jeruzalem te erkennen als de hoofdstad van Israel. Dat maakt voor pelgrims een bezoek aan de Geboortekerk extra spannend en DD houdt wel van een beetje reuring.

Op de radio is het kerstgedrein begonnen. Iemand beweert in een actualiteitenprogramma dat er duizenden beestjes in een kerstboom zitten en dat die allemaal je huis binnendringen. Daarom moet je die boom eerst een nachtje in een verwarmde schuur neerzetten. Ik denk aan de liedregel 'allemaal beestjes, allemaal beestje om mij heen,' maar die had, naar ik meen, minder met hars uit een spar dan met iets dat bijna net zo klinkt te maken. Ik ben dol op die donkere dagen voor kerst, op het miezerige, kledderige regenenofnattesneeuwweer, dat zo goed bij de menselijke geest past.

De menselijke geest van de MeToo-heksenjacht, die er inmiddels toe heeft geleid dat een of andere achterlijke muts een petitie is begonnen om een schilderij van een jong meisje uit het Metropolitan Museum of Art te verwijderen. Zou iets met seksueel geweld te maken hebben. Als ik zoiets lees heb ik even de neiging om heel hard te roepen dat er eens een ruige zeeman over het wijf heen zou moeten, wat ik natuurlijk niet doe. Voor je het weet sta je op de proscriptielijst en bonkt een roedel stekelhaarfeministen op de deur.

Ondertussen haalt Facebook een link van mij weg omdat die naar een prent uit de zeventiende eeuw verwijst, waarin de vrouw van Potifar Jozef probeert te verleiden, door het tonen van een tiet. Facebook, daar zou de hele koninklijke marine maar eens overheen moeten. Alleen, dat schrijf ik niet op, dat soort uitspraken lijkt me toch meer iets voor Disaster Donald en zijn aanhang. Ik ga liever op zoek naar het klachtenloket waar ik kan protesteren tegen het weer, tegen die ellendige en lamlendige donkere dagen. Ik geloof dat Gerard Reve daarover iets verstandigs heeft gezegd.

Foto: auteur


maandag, december 04, 2017

Hoepla



Op 9 oktober 1969 verscheen Phil Bloom, toen 21, naakt in het VPRO-televisieprogramma Hoepla. Nederland was te klein. Als een bosje vlooien stoven de moraalridders op. SGP-leider Van Dis stelde vragen in de Tweede Kamer en vond dat de regering het programma moest verbieden. De roeptoeters van De Gewone Man, Twitter en Facebook, bestonden nog niet, maar als ze wel hadden bestaan, waren er weken van geraas en getier gevolgd. In ingezonden brieven werd geroepen om ontslagen en verboden. Dat had in zoverre succes dat de VPRO, toen nog onder voorzitterschap van een dominee, het programma al snel liet vallen. Preuts Nederland in volle glorie. Zo'n beetje als nu de reacties op die grap van radio 538, die een naakte vent liet dansen voor een zangeresje. Of dat meisje nog nooit een pik zou hebben gezien. Goed, een flauwe grap uit het onderbroekenlolcircuit, maar verder nogal onschuldig.

Het meest staat mij nog de reactie van mijn eigen vader bij. Die ontstak ook in grote woede. Hij maakte zelfs schoppende bewegingen richting het televisietoestel, zodat mijn moeder hem moest manen een beetje rustig aan te doen. Als ultieme daad van afkeuring zegde hij ons lidmaatschap van de VPRO op. De dag daarna werd ik lid, zodat de radiobode nog altijd op het ouderlijk adres werd bezorgd, tot ik op mijzelf ging wonen.

Ik genoot van programma's als Hoepla, Het Gat van Nederland, de Fred Haché Show (ik herinner mij een aflevering met Willeke van Ammelrooij in bad), Van Oekels Discohoek en Waldolala. Het was een mooie tijd, waarin niet werd gezeken over een tiet of een piemel meer of minder. Een tijd die met de hedendaagse Grote Vertrutting van Nederland voorgoed voorbij lijkt. Natuurlijk, ik word op mijn lichtgevorderde leeftijd enigszins nostalgisch, maar ik vraag mij af of er nog een middelbare school te vinden is, die een grote groep leerlingen een dagje of twee vrijaf geeft om bij filmopnamen te figureren. Ik was figurant bij Professor Columbus. Een geflopte film, maar wel met een blote Phil Bloom, toen al, nog voor haar televisieoptreden. Tieten live, ja, het was een geweldige tijd.

Foto: nl.wikipedia.org/wiki/Phil_Bloom



donderdag, november 30, 2017

Geslaagd



De foto is van 1 december 1978. Genomen in de Statenzaal van Het Hof te Dordrecht. Daar werd door de Culturele Raad mijn eerste verhalenbundel, Centre Ville, ten doop gehouden. Ik las er uit voor, Han van Gorkom hield een gloedvolle toespraak en het Willem Breuker Collectief blies de gobelins zo ongeveer van de muren.

Het was de vooravond van wat ik dacht dat een glansrijke literaire carrière zou worden. Dat Willem Breuker goed bevriend was met mijn held Jan Wolkers, wist ik toen nog niet. Daar kwam ik pas achter tijdens het lezen van Het litteken van de dood, de geweldige biografie van Wolkers door Onno Blom.

Eerlijk gezegd was die presentatie erg veel eer voor een boekje van zeventien pagina's. Ik had de tijd moeten nemen om meer verhalen in te leveren. Ongeduld en zelfoverschatting tekenen de jeugd en zo oud was ik nog niet. De vormgever, Bas Damme, had er iets moois van gemaakt, met een erg klein lettertype. Dat scheelde ook enkele bladzijden, maar zo werd het boekje in ieder geval niet te duur en schoot er iets over voor het feestje met Willem Breuker.

Ik herinner mij dat de zaal goed gevuld was. Het spreekt vanzelf dat al die mensen voor mij en Centre Ville kwamen. De avond was daardoor bijvoorbaat  al geslaagd.

Foto: archief auteur




maandag, november 27, 2017

Amsterdams uitje



Het is vrijwel windstil in Amsterdam. Op mijn wandeling van het centraal station naar het PC. Hooft-gebouw van de universiteit, in de Spuistraat, word ik al snel omring door de zware lucht van hasj. De stad meurt als een open riool. Het is vrijdagmiddag. Dat betekent dat onder de toeristen die door het centrum krioelen, ook nog eind november, relatief veel Engelsen zijn. Van de soort die mijn Grootbritse neef altijd fijntjes undesirables noemt. Ze zuipen en blowen alsof we helemaal niet afkoersen op een rampzalige Brexit, die ons een stuk armer gaat maken, en Groot-Brittannië economisch zal ruïneren.

De illusie van een wereldrijk dat zichzelf wel kan redden heeft bizarre vormen aangenomen, maar na de Brexit zijn we voorlopig even van die undesirables af, denk ik. Tegen die tijd zullen de Amsterdamse hasjboeren het Aziatische toerisme wel hebben ontdekt. Een groeimarkt die voor nog veel meer stank in de hoofdstedelijke stegen kan zorgen. Terwijl ik bijna van de sokken word gereden door een ploegje op huurfietsen voorbij slingerende Chinezen, Japanners, of Koreanen, ik zie het verschil niet, denk ik aan de tijd van de witte fietsen. De tijd waarin wij als provinciale pubers nu en dan een dagje Amsterdam deden en, helemaal te gek, weet je wel, diep tevreden 's avonds in de trein naar Dordrecht stapten, omdat we een paar uur in Fantasio op de Prins Hendrikkade hadden gezeten en nu dus helemaal bij de alternatieve wereld hoorden.

Ik heb nog even de tijd voor mijn lezing begint. Ik zie dat het bij Scheltema op de Nieuwezijds nog rustig is en besluit even koffie te gaan drinken. Als we het bij Fantasio hadden gezien, gingen we naar Scheltema. Daar kon je Rijk de Gooyer zien zitten en, zei men, veel bekende journalisten van het Handelsblad. Bij ons thuis werd De Dordtenaar gelezen. Wij kenden geen journalisten van het Handelsblad. Wij kenden alleen Harry K., de stadsverslaggever die vierentwintig uur per dag dronken was en desondanks zijn stukjes schreef. Tot hij eraan dood ging. Hij was altijd te vinden in de Meyereische Kar en later in de Vrijheid. Na de koffie loop ik door het Keizerrijk naar de Spuistraat. Ook hier wordt geblowd dat het een aard heeft. Half stoned zoek ik een plek in de collegezaal.

Foto: archief Kees Klok



maandag, november 20, 2017

Komedie



Het is van dat treurig stemmende, druilerige novemberweer. Ik ben een café in gevlucht. Vijf uur in de middag, en alle lichten al aan. Wintertijd. Wie dat heeft bedacht, weet ik niet, maar ik verwed er een goekope fles wijn onder dat het een broeder uit calvinistische kring was. Van dat geloof dat tot soberheid noodt en tot het dragen van stemmige kledij.

Iemand in de familie liet zich dopen in een of andere sekte. Of wij ook kwamen. Stella was nieuwsgierig. Ik ging met tegenzin mee. Speciaal voor de gelegenheid kocht Stella een hoedje in de refowinkel en trok ik het zwarte pak aan, waarin mijn vader vroeger lekenpreekte. Wij zouden ons niet laten kennen.

In het gebedshuis werden we nogal vreemd aangekeken. Wat wij aanzagen voor iets in de orde van de Gekrookte Rieters, bleek een hoela-hoela-kerk te zijn, met zang en dans. De dopelingen werden gekleed in een witte soepjurk in een soort zwembad gemikt. Als ik het zwarte pak niet had gedragen, zou ik onbedaarlijk hebben gelachen.

Claire belt. Waar of ik ben en of we een pizza gaan eten bij Costa d' Oro, ons gebedshuis in barre tijden. Dat refohoedje heb ik haar op een dag gegeven toen ze een rolletje had bij het amateurtoneel. Een komedie waar ik erg vrolijk van werd.

Foto: auteur


donderdag, november 16, 2017

Natuurgeweld



Toen ik in 1987 een tijdje studeerde aan de Universiteit van Minnesota, verbleef daar ook een Portugese, Maria Teresa, uit Porto. Een tengere, wat stille, jonge taalwetenschapster, die op een dag bekende dat ze doodsbang was van tornado's. Daar had ze vreselijke dingen over gehoord en verschrikkelijke dingen van gezien. Ik geef toe dat ik ook niet echt gecharmeerd ben van dergelijk natuurgeweld, maar toen er op een avond een tornado over een deel van de stad trok, was ik mij daar niet eens van bewust. Het was de eerste avond dat ik Stella mee uit eten nam, naar een Mexicaans restaurant, ergens in een shopping mall, waar ook een Nederlands pannenkoekenrestaurant was gevestigd, maar dit terzijde. Terwijl de andere deelnemers aan het seminar in American Studies de avond doorbrachten in de schuilkelder van Middlebrook Hall, romantisch gelegen aan de oever van de Missisippi, zaten wij te tortelen bij de tortilla's en de chili-con-carne.

Dat er een tornado was geweest, die in een van de buitenwijken aanzienlijke schade had aangericht, merkten we pas toen we thuiskwamen en daar een aantal bezorgde deelnemers aan het seminar troffen. Maria Teresa vertelde huiverend over Ragnar, mijn IJslandse kamergenoot, die tegen alle adviezen in op het dak van Middlebrook Hall was gaan zitten, met zijn camera in de aanslag, om de foto van zijn leven te schieten. Ragnar was een tamelijk onversaagde viking. Als hij naar zijn vrouw in Reykjavik belde, hoorde je soms ineens een Nederlands woord in zijn IJslands.

Aan het einde van het seminar maakten we een rondreis door de Verenigde Staten, die ons in Albequerque, New Orleans, Washington, Boston en New York bracht. Maria Teresa stapte steeds zuchtend in het vliegtuig, angstig dat we uit de lucht zouden worden gezwiept door een van de tornado's, die in haar idee onophoudelijk over de prairies raasden. Dat viel mee. Behalve een stevige onweersbui in het broeierige New Orleans, bleef verder natuurgeweld ons bespaard. In New York namen we afscheid. Maria Teresa was nog niet terug in Porto, of Portugal werd getroffen door een windhoos, die in enkele dorpen schade aanrichtte. Een windhoos is gewoon een tornado die minder dreigend klinkt. Ik denk nog weleens met weemoed terug aan dat Mexicaanse restaurant.

Foto: Brabants Historische Informatie Centrum





maandag, november 13, 2017

Dromen



In de jaren tachtig, grofweg tussen dat het uit ging met Marion en aankwam met Marjan, had ik regelmatig akelige dromen. De droom die het meest voorkwam, ging zo:

Ik was in gezelschap van koningin Beatrix op staatsbezoek bij een Papoeahoofdman op Nieuw-Guinea. Aan het banket droeg de koningin inlandse kleding, dat wil zeggen dat ze het bovenlichaam bloot had. Haar borsten, erg bruin, stonden op een abnormale manier naar opzij. Tijdens het diner zag ik dat een grote, fel groen en geel gekleurde slang langzaam langs de poot van mijn stoel omhoog kroop. In paniek sprong ik op, gooide de stoel van mij af en rende naar de andere kant van de hut. Langzaam en kaarsrecht gleed de slang tegen de wand onhoog. De rest van het gezelschap bleef volkomen kalm. De hoofdman wees me op een geladen luchtbuks die aan de wand hing. Ik nam de buks, richtte en schoot de slang in de kop. Die was nog niet helemaal dood, maar hij begon langzaam, en nog steeds kaarsrecht, van de muur af te vallen, in mijn richting.....

Ik zocht panisch naar een nieuw kogeltje om de buks te laden. Ondertussen kwam een spiernaakte Miranda H. (een leerlinge) door een deur links van mij binnen met de woorden: 'Ik zal je wel even helpen.' Ze pakte de slang op, liep naar me toe en wilde hem met een snelle beweging in mijn gezicht duwen. Toen hij zo dichtbij was dat ik zijn tong kon voelen, zag ik kans het ondier achter de kop te grijpen en van mij af te werpen.

Op de zondagsschool, die ik niet kon ontlopen omdat mijn eigen vader er lesgaf, hadden we enige tijd een juffrouw met een horrelvoet. Horzelvoet, zeiden wij. Ze kon mooi vertellen, al leidde die voet soms af. Het verhaal ging dat ze in haar jeugd polio had gehad, kinderverlamming. Dat kreeg je als je ouders zo achterlijk waren om je niet te laten inenten.

De juffrouw met de horzelvoet vertelde ons het bijbelverhaal van Jozef en de vrouw van Potifar. Jozef was een rechtschapen jongeling, die door zijn ontaarde broers als slaaf was verkocht. Zo kwam hij, als ik het mij goed herinner, in huis bij Potifar, wiens vrouw terstond geil werd op het knaapje. Jozef weigerde het wijf aan te raken, dat wraak nam door hem bij Potifar aan te geven wegens seksueel grensoverschrijdend gedrag. Jozef kwam in het gevang, waar hij dromen uit ging leggen. Ook die van de farao en zo maakte hij onverwacht een mooie carrière in het Egyptische staatsapparaat. Ik ken niemand die mijn droom zou kunnen uitleggen. Wel moet ik vaak denken aan het verhaal van Jozef, als ik lees wie er nu weer op de proscriptielijst van de eigentijdse moraalfetisjisten is beland.


Afbeelding: Lucas van Leyden - Jozef en de vrouw van Potifar (1512). Museum Boijmans van Beuningen.


donderdag, november 09, 2017

Wintertijd



De wintertijd is weer ingegaan. De normale tijd, legde iemand uit op de radio, de zomertijd schijnt later te zijn uitgevonden. Als verklaard tegenstander van de winter, met al dat vocht, die rotkou, die smerige sneeuw en gladheid, vind ik de wintertijd maar niets. Ook die zogenaamde ijspret kan me gestolen worden, inclusief het Elfstedentochtenthousiasme, maar daar zijn we gezien de klimaatverandering voorlopig wel van af, geloof ik. De enige goede winter is een voorbije winter, bij voorkeur vastgelegd op een mooi schilderij van een van onze zeventiende eeuwse meesters. Als je zonodig winter wil, dan ga je maar naar het Dordrechts Museum, daar hebben ze vast iets van je gading om zo lang als je wil, nu ja, van openings- tot sluitingstijd, de winter te beleven. Ik herinner mij een prachtig wintergezicht van Albert Cuyp, rondom het Huis te Merwede.

Een andere naam voor het Huis te Merwede is kasteel Ter Merwe. Jarenlang had je aan de Groenmarkt de Taveerne 'Ter Merwe'. Als de Engelse familie in de zomervakantie kwam logeren, gingen mijn vader en oom Harold daar hun oude jenever drinken. In mijn ogen waren het stokoude mannen van ergens in de veertig. Nu ik zelf op licht gevorderde leeftijd ben geraakt, denk ik anders over het begrip stokoud, maar dit terzijde.

Taveerne 'Ter Merwe' maakte deel uit van de nu grotendeels vergane glorie van de naoorlogse Dordtse horeca: hotel Ponsen, Statenhof, Americain, Ter Merwe en hotel Bellevue waren de namen die vielen als er in de familie iets groots moest worden gevierd. Een huwelijk, een jubileum of een kroonjaar. Ter Merwe was bij vader en oom ook in zwang voor de dagelijkse borrel. Ik was te jong om het mee te maken. Toen ik de horecaleeftijd had bereikt lonkten andere gelegenheden. Ter Merwe was Ter Merwe al niet meer, maar leefde, of liever sukkelde, voort onder allerlei namen. Ik herinner mij Paradijs, met Chinees-Indische keuken, geloof ik, Multatuli, met Indische cuisine, en er was, dacht ik, ook een tijdje een Griek gevestigd, maar om precies na te gaan wat er allemaal heeft gezeten tot Baloe Beer er introk, waarmee het ooit statige Ter Merwe zich definitief tot het volkse bekeerde, zou ik naar het Stadsarchief moeten. Van al die oude glorie is alleen Bellevue nog over, al heeft het er weleens om gespannen of dat zou blijven bestaan. Oom Harold heeft er in 2001, toen het tenslotte tijdig gestuite verval zich al begon aan te dienen, nog zijn negentigste verjaardag gevierd. Met als aperitief een oude jenever.

Foto: Kees Klok



maandag, november 06, 2017

Parade



Omdat ik een tekst moet schrijven voor een documentaire, drink ik koffie in het Tijdelijk Schrijfhuis. Aan de deur hangt een bordje 'niet storen,' maar dan in het Grieks. Het Tijdelijk Schrijfhok ligt aan de achterkant van het gebouw, waar je geen last hebt van bulderende motoren en knetterende brommers. Er is niemand in Griekenland die defecte uitlaten repareert.

De herrie komt vandaag van boven. Al de hele ochtend scheuren straaljagers laag over de stad. De luchtmacht oefent voor de parade van 28 oktober. Dan viert het land dat het zevenenzeventig jaar geleden betrokken raakte bij de Tweede Wereldoorlog. Ieder jaar marcheert het leger, rijden er tanks en kanonnen door de straten, vliegen straaljagers en helicopters over en mag de aartsbisschop van Thessaloniki, een extreem rechtse boekverbrander, met de president en de generaals op het podium.

Vóór de militaire parade marcheren de schooljeugd, de studenten, de oud-strijders, de volksdansverenigingen en het verplegend personeel. De knapste leerling mag voorop lopen. Er zijn overal veel vlaggen en er is opwekkende marsmuziek, zodat iedereen netjes in de maat blijft. Het leukst zijn de studentes in hun korte rokjes, die ieder jaar korter lijken te worden, maar verder moet ik vooral denken aan de uitspraak uit 1908 van Paul Léautaud: 'Er zijn nog steeds idioten die warm lopen voor al dat gebral over het leger, de vlag en het vaderland. Dergelijke ideeën zijn al even ongezond als die over de godsdienst.'

Ik ben tijdens de parade niet meer in het land, maar thuis, op mijn eigen eiland. Om eindelijk die tekst eens af te maken.

Foto: Ekathemerini


vrijdag, november 03, 2017

Eitje



Omdat het nog mooi nazomer weer is, wordt het ontbijt op het dakterras van het hotel geserveerd. Links palmbomen waarachter de Akropolis oprijst. Aan de andere kant aanzienlijk minder fraaie hoogbouw uit de jaren zeventig. Als ik recht voor mij uit kon kijken, zou ik de Romeinse agora zien, maar er staat een afrastering voor. Je kunt kiezen tussen Engels en continentaal. Ik wil weleens een eitje kiezen, maar het spek, de worstjes en de glibberige substantie die witte bonen in tomatensaus moet voorstellen, laat ik aan mij voorbij gaan.

Na het ontbijt neem ik in mijn kamer de pilletjes die de dokter in haar wijsheid heeft voorgeschreven. De bedoeling is dat ik geen hartstilstand meer krijg, want het is niet gegarandeerd dat ik er dan even goed vanaf kom als de eerste keer. Er is helemaal niets gegarandeerd, hoe bekwaam mijn cardiologe ook is. Als ik op het spreekuur kom, begint mijn hart weliswaar sneller te kloppen, maar hoe lang het feestje nog duurt krijg je van niemand te horen.

Mijn kamer ziet uit op een binnenplaats, maar hier werkt de wifi wel, zodat ik de foto van mijn ontbijt op Facebook kan zetten. Dat maakt het ontbijt compleet. Er zijn mensen die er heel ongelukkig van worden als ze hun ontbijtje niet tijdig wereldkundig hebben gemaakt.


Foto: auteur


dinsdag, oktober 31, 2017

Engels meisje



Zo geobsedeerd als de Engelsen zijn met veiligheid, zo zorgeloos lijken op dat gebied de Grieken. Ik weet wel dat het een algemeenheid is en dat je niet iedereen over één kam kunt scheren, maar het verschil valt nogal op als je na een bezoek aan Engeland naar Griekenland reist.

In Engeland werd ik uitgenodigd voor een fietstochtje. Langs een van de kanalen die werden gegraven aan het begin van de Industriële Revolutie. Ik moest en zou een fietshelm op, anders mocht ik niet mee. 'Ik fiets al vijftig jaar zonder zo'n ding,' voerde ik aan als trefzeker argument. Het hielp niet.

Kort daarna, op het Griekse eiland Skyros, scheurde een motorrijder langs, met zijn helm stoer aan het stuur. Ik zag regelmatig stelletjes op een motor, waarvan hij met helm en leren pak en zij helmloos in een zomerjurkje. Vrouwen zijn nu eenmaal onbevreesder dan mannen.

De Engelsen hielden zich angstvallig bij het pad, waarop geen ander verkeer reed. Als ze een voetganger tegenkwamen, dan werd flink afgeremd. Moest een brug worden gepasseerd of een weg overgestoken, dan werd afgestapt en gelopen. Pas zag ik een meisje op de fiets, zonder licht, dat met wapperende haren door het hectische verkeer van Thessaloniki slalomde. Het waren rode haren, maar het was vast geen Engels meisje.

Foto: auteur


zaterdag, oktober 28, 2017

Politici



In zijn dagboekdeel Wat je zegt ben jezelf schrijft C. Buddingh': 'Bijna iedere keer als er een ongure kop op het tv-scherm verschijnt, blijkt het een politicus te zijn.' Badinerend bedoeld, ongetwijfeld, en het klinkt leuk, maar het riekt me net iets te veel naar 'het zijn allemaal zakkenvullers!' Het stupide borreltafelsentiment dat tegenwoordig ook breed wordt uitgedragen in de sociale media. Daarmee is het nog niet waar. De politiek, en laat ik het nu maar houden bij de Nederlandse, is een afspiegeling van de samenleving. In die samenleving heb je keurige, gewetensvolle mensen, geslepen oplichters en losgeslagen idioten die met hun bezopen hersens met een hamer inslaan op een barman.

Je hoort alom roepen dat de maatschappij en de omgangsvormen verruwen. Het zal wel, maar mij valt op dat automobilisten steeds vaker stoppen als ik een zebra wil oversteken. Of dat komt door mijn leeftijd, mijn indrukwekkende gestalte of toenemend verkeersfatsoen, zou ik niet weten, maar aangenaam is het wel. Daar staat tegenover dat de politiek ontegenzeggelijk verruwt. De manier waarop sommige Kamerleden met elkaar omgaan staat in schril contrast met de relatief bedeesde manier van debatteren voor de opkomst van het populisme. Holle vaten bommen het hardst, zei mijn moeder altijd. De grote bek is populair. Ik verbaas mij over de grofheid van sommige tweets van een bepaald Dordts gemeenteraadslid, maar nog meer als ik de man ontmoet en hij buitengewoon vriendelijk blijkt te zijn. Soms zijn we de weg kwijt.

Het is verstandig om de macht en de uitoefenaars ervan, de politici, te wantrouwen. Je weet maar nooit. Macht corrumpeert, dat wisten de Romeinen tweeduizend jaar geleden al en voor je het weet breken ze de zorg af of beginnen ze een oorlog. Dat neemt niet weg dat er ook politici zijn die netjes stoppen als je een zebra oversteekt. Die moeten we een beetje koesteren.


Foto: auteur (fragment van het gebrandschilderde raam De verrassing van Dordrecht door Jan van Egmont. Grote Kerk, Dordrecht)


dinsdag, oktober 24, 2017

Willy Wortel



Ik zit met vrienden in café Jan de Winter aan de Utrechtse Oudegracht. Het café is van 1947, staat op het raam. De inrichting lijkt echter zo uit de jaren twintig te komen. Uit de tijd van net na de Spaanse griep. Die eiste meer slachtoffers dan het geweld van de Eerste Wereldoorlog. Ieder jaar laat ik mij inenten tegen griep, voor de zekerheid, al groeit het aantal mensen dat het nut ervan betwijfelt. Niet zelden zijn dat van die lui die geloven dat je geen kanker krijgt als je maar voldoende koenjit door je eten mengt. Waarom zulke gedachten opkomen in Jan de Winter, is mij niet duidelijk. (De moderne Nederlander zegt tegenwoordig 'helder', alsof bij ieder inzicht een lamp gaat branden, zoals bij Willy Wortel, de grootste geest uit de Donald Duck op oom Dagobert na.)

In de jaren zestig raakte de macrobiotiek in zwang. Vlees noch vis, wel bakken vol onbespoten groente, bergen zeewier en veel mediteren. Een collega had zich tot dat, uit het immer lokkende, mystieke Oosten overgewaaide, geloof bekeerd. Het zeewier ontbrak eraan, maar verder stond zijn tuin vol biologisch geteelde gewassen. Toen de getalenteerde schrijfster Laurie Langenbach kanker kreeg, stortte zij zich in de armen van een of andere macrobiotische zweefgoeroe. Toen dat niet hielp was het te laat. Evenals bij Sylvia Millecam, die ook het spoor der misleiding volgde.

Volgens mijn, inmiddels oud-collega, zijn alle pillen en smeersels van de dokter onderdeel van een complot dat is gesmeed door de farmaceutische industrie. Daarom verbouwde hij ook geneeskrachtige kruiden in de achtertuin. Op een dag bleek zijn huis gebouwd op een laag gifgrond. De hele wijk moest gesloopt, de grond gesaneerd. Mijn oud-collega, de Willy Wortel van het atheneum, gelooft nog steeds heilig in dat complot.

Foto: auteur


dinsdag, oktober 17, 2017

Sneeuw



Halverwege mijn wandeling kom ik Claire tegen. 'Ik denk dat het gaat sneeuwen,' zegt ze. We lopen samen op. Ze zegt dat de kou op haar oren slaat. Ze draagt haar kloeke muts niet. Ze heeft mij gisteren gezien, lacht ze, bij de Griek, maar ze had geen tijd om binnen te komen. Haar zus en daarna haar moeder. We vinden dat het tijd voor de lente wordt, voor het terras en voor een wandelvakantie door Ierland. Daarna vertelt ze over een foute man op Facebook. Er zitten veel foute mensen op Facebook, dat zelf misschien ook wel niet deugt. Het is een loerend monster, dat veel te veel weet. Op een dag worden we van ons bed gelicht.

We komen bij haar straat, die vol afvalzakken met plastic ligt. Ze zijn nog niet langs geweest. Ik schop er een paar voor haar opzij. Hadden ze maar eerder langs moeten komen. 'Heb je een paraplu bij je?' vraagt ze. 'Leen er maar een van mij.' Ik wil geen paraplu lenen. Ik denk niet dat het gaat sneeuwen.

We spreken af waar we straks gaan eten. 'Als het lukt,' zegt ze, 'anders bestel jij maar vast voor jezelf.' Ze gaat naar binnen. Heel even komt de zon tussen de wolken tevoorschijn, maar even snel trekt de lucht weer dicht.

Foto: auteur




dinsdag, oktober 10, 2017

Rebetika



Omdat ik geen zin had om naar de benedenstad te gaan, zit ik in het kleine restaurant om de hoek bij het Tijdelijk Schrijfhuis. Het is er nog rustig. Ik ben vroeg voor Griekse begrippen, maar ik ben het verleerd om 's avonds pas na een uur of half tien te gaan eten. Een tijd geleden, op Cyprus, maakte ik een uitzondering. Toen ging ik heel laat met vrienden uit eten, na een rebeticaconcert. Als ik wil wegdromen naar de jaren dat ik met Stella door Griekenland reisde, luister ik naar rebetica. Als ik in een sombere bui ben, zet ik klezmer op. Dat helpt. Daarom wil ik klezmer op mijn crematie. Iedereen swingend achter de kist aan. Op Cyprus had het late uur mijn trek verdreven. Ik vulde de ruimte in mijn maag met wijn en wat kruimels geitenkaas.

Ook hier klinkt rebetica. De taverniaris zingt af en toe mee, hard, maar zuiver. Een geschoolde stem. Ik moet denken aan Zorbas, waar ik altijd eet als ik in Athene ben. Er hangt een portret van Frans van Hasselt, meer dan vijftig jaar, tot zijn dood, NRC-correspondent in Griekenland. Ik reisde af en toe vanuit Thessaloniki naar Athene, alleen om met Frans bij Zorbas te eten. Hier geen portretten, maar wel veel foto's van de buurt, Agios Pavlos, in de jaren vijftig. Ik zie een bus waaruit zomaar Louis de Funet zou kunnen stappen. Ik luister naar de muziek en zie Stella voor mij. We eten in een taverna in Sparta, na een wandeling door de Byzantijnse ruïnestad Mistras. Even later zijn we in Skala Prinou op Thassos, in een idyllische achteraftent met een nare ober die naar zwerfkatten schopt. Frans nam iedere avond twee blikjes kattenvoer mee voor Frosso, de vrouw die de terrassen langs ging met bloemen en zich over de buurtkatten bij Zorbas ontfermde.

Er komt een stel binnen met een jongetje van een jaar of twee. De kleine Miltos wil niets liever dan door de zaak rennen en schreeuwt door de muziek heen. Zijn ouders hebben hun handen vol aan hem. De taverniaris brult over het leed van de liefde en het eenzame gevangenisbestaan. Ik bestel nog een glaasje tsipouro. Het beeld van Stella begint te wijken, maar het is nog geen tijd om afscheid te nemen.

Foto: auteur


dinsdag, oktober 03, 2017

Verleden



Ik heb meer met het verleden dan met het heden. Dat komt door tante Christien. Een vriendin van mijn oma en een groot kindervriend. Ik mocht vaak bij haar spelen. Een nachtje logeren was een hoogtepunt. Ze vertelde altijd over vaderlandse geschiedenis. Toen ik naar de kleuterschool ging was ik al volkomen vertrouwd met figuren als Jan van Schaffelaar, Willem de Zwijger en Michiel Adriaansz de Ruyter.

Vanaf mijn eerste stukje in de schoolkrant van de mulo, beschouwde ik mezelf als dichter en schrijver. Al maakte ik toen vaak romantische rijmpjes voor meisjes waarop ik verliefd was, maar die ik dat als verlegen puber niet durfde vertellen. Eén keer zou ik naar Heerjansdam fietsen, waar een lieftallig klasgenootje woonde, om een zwijmelende blik op haar kamerraam te werpen. In Zwijndrecht begon het te stortregenen. Dat betekende het einde van een ontluikende liefde.

Omdat met dichten weinig of niets te verdienen viel, ben ik historicus geworden. Ik kijk nog altijd met grote belangstelling achterom. Tot 2010 gaf ik ook geschiedenisles. Daarbij vertelde ik vooral verhalen, al mocht dat eigenlijk niet meer van de 'vernieuwers' op het ministerie. Die kregen in gedachten een dikke middelvinger. Tot het uiteindelijk te bar werd. Toen ben ik gestopt om alleen nog maar te schrijven. Over veel verleden en weinig waan van de dag.

Foto: archief auteur