zaterdag, september 29, 2018

Koloniale geschiedenis



Ik vind het prima dat de discussie over ons koloniale verleden in Indonesië, Nederlands-Indië, de Gordel van Smaragd, of Insulinde, weer eens oplaait. Onze voorvaderen, nu ja de voorvaderen van sommigen onder ons, hebben er mooie dingen gedaan, ze hebben er verschrikkelijke dingen gedaan, ze hebben de inlanders (ja, zo noemde men dat, moet je even aan wennen dezer dagen) onderdrukt of ze kwamen voor ze op. Jan Pieterszoon Coen, Herman Willem Daendels, Eduard Douwes Dekker, Willem Walraven, om maar een paar namen te noemen. Ze hebben met vele andere een rol ten goede of ten slechte gespeeld, of iets daar tussenin. Persoonlijk heb ik veel op met Walraven, een van de weinige totoks die trouwde met een inlandse (Soendanese) vrouw en zich daardoor bij de Nederlandse gemeenschap niet populair maakte, en die prachtige, kritische stukken schreef in verschillende Nederlands-Indische kranten. Een columnist avant-la-lettre. 

De Java-oorlog, het Cultuurstelsel, de Atjeh-oorlog, de oorlog die leidde tot de onafhankelijkheid, maar ook de Ethische Politiek met sterke verbeteringen op het gebied van onderwijs, gezondheidszorg en infrastructuur. De Ethische Politiek had als onbedoeld gevolg de opkomst van het nationalisme onder leiding van mensen als Hatta en Sukarno. De reactie van het Nederlands bestuur op de opkomst van dat nationalisme was dom en tamelijk gewelddadig, denk maar aan het ballingsoord Boven-Digoel, maar daar kwam ook onmiddellijk kritiek op, zowel in Nederland als in Indië.

De geschiedenis van de Nederlands-Indonesische koloniale betrekkingen is buitengewoon interessant, maar ook ingewikkeld (probeer maar eens tot een eenduidig oordeel over het Cultuurstelsel te komen). Ik kwam er al jong mee in contact. De buurman van mijn Rotterdamse grootvader was bemanningslid van de Zeven Provinciën tijdens de muiterij en de fatale bom. Mijn Dordtse grootvader bevoer in zijn jonge jaren als zeeman de Indische archipel. Later had ik biologie van een oud KNIL-officier die vol verhalen zat over zijn belevenissen voor en tijdens de Japanse bezetting. Tijdens mijn universitaire studie heb ik mij met veel genoegen verdiept in de geschiedenis van Nederlands-Indië (en de West). 

Ik verbaas mij weleens over opmerkingen in de media dat er in het onderwijs onvoldoende aandacht wordt besteed aan het onderwerp. Tijdens mijn drieëndertig jaar in het voortgezet onderwijs was de geschiedenis van Nederlands-Indië/Indonesië regelmatig eindexamenonderwerp en als het dat niet was, behandelde ik, en ik zal zeker niet de enige in Nederland zijn geweest, die voor een schoolonderzoek. 

In die drieëndertig jaar heeft de overheid er alles aan gedaan om het geschiedenisonderwijs zoveel mogelijk te beschadigen. Minder uren, geen verplicht eindexamenvak meer, tamelijk schadelijke nadruk op vaardigheden ten koste van kennis, het afschaffen van de MO-opleidingen, terwijl op de lerarenopleidingen meer wordt gezanikt over 'reflecteren op jezelf' en dat soort quatsch dan op grondige kennis van je vak. Ik heb wat stagiaires eerst zelf les moeten geven voor ze een onderwerp voor de klas konden behandelen.

Wat de koloniale tijd in Nederlands-Indië in ieder geval aan moois heeft opgeleverd is de Indische literatuur. Denk bijvoorbeeld aan P.A. Daum, Maria Dermoût, Hella Haasse, inderdaad, ook Willem Walraven, Rob Nieuwenhuys (van de Oost-Indische Spiegel) en vele anderen. Ik wil trouwens ook graag even het tijdschrift Moesson noemen. Een aanbeveling om dat eens te lezen, maar waar het uiteindelijk om gaat, is dat iedereen gewoon weer verplicht geschiedenis in het eindexamenpakket moet hebben, zoals het hoort.

Foto: auteur


donderdag, september 27, 2018

Met de haren



Je kon er natuurlijk op wachten. Het is 450 jaar geleden dat de Tachtigjarige Oorlog begon, met de slag bij Heiligerlee, en daar wordt uiteraard bij stilgestaan. Voor sommigen een ideaal ogenblik om weer eens de staf te breken over het koloniale verleden van Nederland. Degene die dat verleden, waar we niet trots op hoeven te zijn, maar waarvan we de positieve kanten evenmin hoeven te verzwijgen, nu een beetje tegen wil en dank oprakelt, is Stephanie Archangel, conservator geschiedenis bij het Rijksmuseum.

Stephanie Archangel is afgestudeerd in de sociologie. Misschien dat ze daarom een wat eenzijdige visie ontvouwt in haar opstel over de Tachtigjarige Oorlog op Historiek.net. Ik wil niet zo ver gaan om het een tunnelvisie te noemen, maar beweren dat de VOC in 1602 uitsluitend werd opgericht om kaapvaart tegen de Spanjaarden te bedrijven, is wel een beetje simpel.

Dat de kaapvaart de Spanjaarden schade toebracht en voor de Nederlanders lucratief was (denk maar aan Piet Hein en de zilvervloot), zal ik niet ontkennen. Toen er niets meer te kapen viel, na 1648, raakte de tegenhanger van de VOC, de WIC (opgericht in 1621) al snel in financiële problemen. Dat neemt niet weg dat beide compagnieën allereerst handelsmaatschappijen waren, al werd handel in die dagen nog niet bedreven volgens onze normen en waarden en werd er soms veel geweld bij gebruikt. Geweld dat ook in de Gouden Eeuw al door sommigen werd bekritiseerd, wat wel eens over het hoofd wordt gezien.

Wat ook nog weleens over het hoofd wordt gezien is dat niet de handel met de koloniën de motor van de economie was, al was het een nuttige hulpmotor, maar de kurk waar Nederland tijdens de Tachtigjarige Oorlog op dreef, was vooral de Oostzeehandel, de Moedernegotie. We moeten de rol van VOC en WIC niet onderschatten, maar evenmin uitvergroten, zoals Stephanie Archangel wel een beetje probeert.

Wat ik trouwens altijd mis als weer eens wordt geschreven over 'ons' slavernijverleden, is aandacht voor het niet aflatende enthousiasme van Afrikaanse heersers om Afrikanen tot slaaf te maken en te verkopen aan Europeanen of Arabieren (misschien wel de ergste slavenhandelaren ter wereld, die zich zelfs vergrepen aan ons Europeanen). Zonder die heersers geen trans-Atlantische slavenhandel van de omvang zoals die plaatsvond.

Natuurlijk is het van belang op de hoogte te zijn van het koloniaal verleden. Een bijzonder interessant verleden op de koop toe, maar het hoeft niet overal met de haren bij te worden gesleept. Tenslotte: ik doe niet aan 'als-als-geschiedenis', maar toch vraag ik mij weleens af hoe Suriname er nu voor zou staan als het in 1975 niet, tegen de wil van een aanzienlijk deel van de bevolking, door een Nederland, dat zich schaamde voor zijn koloniaal verleden, de onafhankelijkheid zou zijn ingeschopt.

Foto: auteur

dinsdag, september 25, 2018

Meningen & feiten


     Apostolou Pavlou-straat, Thessaloniki

Nee, het is de leeftijd niet, ik had er in mijn jonge jaren al geen waardering voor. Graffiti, bedoel ik. De achterlijke gewoonte van alles wat niet van jou is te bekladden. Sommigen mensen vinden dat kunst. Sommige mensen lopen met een vergiet op hun kop. Geloven in de mythe van het spaghettimonster. Dat begon als een grap, maar als iets ruim in de aandacht komt, zijn er altijd een paar gekken die het gaan geloven.

Ik ben een mild mens. Ik ga bij voorkeur niet hard bedreigingen uitschreeuwen als ik een kop in de krant of op Facebook zie die me niet bevalt. Ik zal ook weleens in nepnieuws trappen, maar ik probeer berichten wel zoveel mogelijk te controleren en als ik ergens een mening over heb, baseer ik die op feiten. Jarenlang heb ik het verschil tussen een feit en een mening uitgelegd en toch zie ik sommige oud-leerlingen die begrippen in de sociale media steeds weer verwarren. Tja, er zat niet altijd een hoog IQ voor mijn neus en ook dat is trouwens geen garantie voor rariteiten. Als de emotie gaat overheersen komt er soms veel onzin uit een intelligent mens.

Ik kom regelmatig in Griekenland. Dat hele land zit duimendik onder de graffiti. Auto's worden er standaard a-sociaal geparkeerd. Ze staken er om de haverklap, ook al is het land economisch volledig kapot en ze worden woedend als de buren hun land Noord-Macedonië willen noemen, terwijl die toch wonen in een gebied dat aardrijkskundig gezien het noordelijk deel van Macedonië is. Nu ja, niet van het klassiek-Griekse Macedonië, maar van dat uit de Romeinse tijd, toen de Romeinen er een stukje aan plakten. Toch zijn de Grieken, een enkele uitzondering daargelaten, de aardigste, gastvrijste en hartelijkste mensen die ik ken.

Ik behoor goddank ook niet tot de beroepsverontwaardigden. Van die mensen die zich moreel zo hoogwaardig achten dat ze jou over van alles en nog wat de les denken te kunnen lezen. 'Uit idealisme!' roepen ze dan, maar in beroepsverontwaardigde kringen vind je opvallend veel narcisten. Toen ik puber was, dacht ik ook als beter mens de wereld te moeten redden. Tot de pubertijd over was. Tijdens dat wereldredden heb ik nooit iets beklad, dat ging me te ver, maar wel nu en dan een meisje lekker in haar borsten geknepen.

Foto: auteur


zaterdag, september 22, 2018

Prinsjesdag



Prinsjesdag is weer achter de rug. We zullen zien wat er terechtkomt van alle mooie woorden. Ik ben er niet gerust op met die Brexit, waarmee een heel volk zichzelf onbekommerd in de voet schiet, alle handelsconflicten die Trump in gang heeft gezet en de kwalijke bankiersmentaliteit in de top van de ING. Ooit had ik een rekening bij die brave Postbank, keurig van de staat, net als de post zelf, die toen nog PTT heette, maar voor ik er erg in had zat ik bij een bank waarbij ik helemaal niet wilde zitten. 

Rondom Europa is er ook van alles aan de hand dat niet optimistisch stemt en aan de rafelrand van de EU kraakt het, omdat nationalisten bezig zijn er een breekijzer in te zetten. Hongarije, Polen..... je vraagt je af wat ze in de unie doen. De hand ophouden, uiteraard, en zich verder weinig aantrekken van afspraken. Ik vrees dat binnen een paar jaar de Griekse crisis in alle hevigheid explodeert. Daar is geen enkel structureel probleem goed opgelost, is het overheidsapparaat kleiner, maar nog even zwak en krakkemikkig als voorheen en is de stakingsbereidheid bij de op een andere planeet levende vakbondsbestuurders nog even groot als toen het nog het Luilekkerland van Andreas Papandreou was.

Het ergst van alles is natuurlijk het feit dat prinsjesdag over twee jaar prinsjesdag niet meer is. Dan begint namelijk de verbouwing van het Binnenhof en hoewel de ridderzaal zelf niet wordt gerestaureerd, dat is al gebeurd, gaat de rest van het complex grondig op de schop en dat moet maar liefst vijf jaar duren. Hopelijk wordt er minder gekloot dan bij de Hoekse lijn, maar reken maar dat daar nog wel wat jaartjes bijkomen. Waar moeten we dan heen met de gouden koets, de marinierskapel, de hoedjes en de jurk van Marianne Thieme? 

De discussie over een alternatieve opening van het parlement begint langzamerhand op gang te komen. Waarom doen we in die verbouwingsjaren niet een rondje Nederland? Ieder jaar een andere stad, al sla ik Amsterdam liever over. Dat heeft de kroning al en de jaarlijkse nieuwjaarsreceptie voor de buitenlandse ambassadeurs. Historisch gezien ligt het voor de hand om als eerste voor Dordrecht te kiezen. Ooit was Holland het belangrijkste gewest binnen de Republiek, zo'n beetje als Duitsland nu in de EU, en was Dordrecht de Eerste Stad van Holland. Dat wil zeggen, de Dordtse afgevaardigde had als eerste spreekrecht in de Staten van Holland. We hebben een prachtige locatie, de Grote Kerk, op loopafstand van het stadhuis, waar de koning en koningin na afloop op de koffie kunnen, en zolang je ze maar niet over gruwels als de Spuiboulevard, het Achterom of de Sarisgang laat rijden, kun je een mooie toer door de historische binnenstad uitstippelen. In de jaren daarop zijn er genoeg andere steden om het feestje te vieren, tot we weer terug kunnen naar Den Haag. Groningen bijvoorbeeld, of Maastricht.

Foto: auteur


zondag, september 16, 2018

Ouderwets degelijk



Lieve Stella,

Afgelopen donderdag is mijn nieuwe boek, Dijkbewaking, uitgekomen. Een volgend deel in de serie literaire dagboeken. Het gaat over de jaren 1980-83. Niet de prettigste jaren uit mijn leven, al heb ik in 1982 wel die mooie reis naar Suriname gemaakt, waarover ik jou regelmatig vertelde. De presentatie was in Visser. Mario Molegraaf, die zelf net in de schijnwerpers staat vanwege zijn vertaling van Mein Kampf, was zo aardig het eerste exemplaar in ontvangst te willen nemen. Ik had hem gevraagd vanwege mijn grote waardering voor hem als bezorger van Hans Warrens dagboeken en zijn Kavafisvertalingen, maar zeker ook omdat wij beiden een band hebben met Visser. Mario kwam er als kind bij zijn oom Kees van Dijk, de toenmalige uitbater. Ik kom er al vanaf mijn vijftiende, zij het in het begin wat minder regelmatig dan nu. Hoewel, ik herinner mij 1968, het jaar dat Gerrit de Wolf en ik ons mulo-diploma haalden. Na het eindexamen zaten we die zomer bijna dagelijks bij Visser, maar toen hield ik nog geen dagboek bij. Jammer eigenlijk, want ik had graag eens teruggelezen wat ik zou hebben geschreven over de vrijpartijen met mijn eerste meisje. Niet dat die zo onconventioneel waren, maar het was een spannende tijd van ontdekken en experimenteren. 

Mario hield een mooie toespraak, een mengeling van persoonlijke herinneringen en waardering voor het boek, dat hij grondig had gelezen. Ik had hem een tijdje geleden een kopie van het manuscript gestuurd. Ik heb daarna een paar fragmenten voorgelezen, die sloegen op de drie lijnen in het boek: de perikelen in het onderwijs, waar toen de fusies begonnen die tot zoveel narigheid hebben geleid, de reizen die ik maakte en mijn relatie met Marion. Na afloop veel boeken moeten signeren, wat tot grote tevredenheid leidde bij uitgever Henk Verweerd. Normaliter ga je na zo'n presentatie lekker aan de drank, maar dit keer moest ik mij inhouden, omdat ik later op de avond als medepresentator moest invallen bij het radioprogramma Via Cultura. Er was iemand ziek geworden en misschien kwam dat wel goed uit, want het behoedde mij de volgende ochtend voor 'vermoeid' wakker worden.
Het boek ziet er goed uit. Henk Van Troyen heeft een fraai omslag ontworpen, maar de letter van het binnenwerk is me net iets te groot. Mijn eigen schuld, want ik heb er bij het corrigeren van de drukproeven niets over gezegd. Bij proza is een iets te grote letter niet zo heel erg. Bij poëzie wel. Dan staat het al snel amateuristisch. Wat de inhoud betreft is het beter geworden dan ik aanvankelijk dacht. De oorspronkelijke aantekeningen zijn niet altijd gelukkig geformuleerd. Ik schrijf nu veel vlotter en beter. Ik moest veel herschrijven om een leesbaar boek te krijgen. Qua stijl, maar ook om er een lijn in te krijgen. Het is wel een dagboek, maar het moest geen grabbelton worden. 

Grabbeltonnen, bestaan die nog? Tijdens ons familieweekeinde, het derde weekeinde van augustus, bezochten we Den Oever. Op de fiets, uiteraard, dat weekeinde staat altijd in het teken van de fiets. In Den Oever werden de havendagen gehouden en daarom was er kermis. Daar zag ik wel een moderne versie van een grabbelton. Zo'n glazen bak waar je geld in gooit om dan met een soort grijper een of ander prul op te vissen (als je handig genoeg bent), maar zo'n ouderwetse ton, met zaagsel waarin een flauwe verrassing, kreeg ik niet in beeld. Het stormde en er dreigden steeds buien, maar tijdens de enige keer dat het echt even regende zaten wij aan de haven in een restaurant een visje te eten. Ik moest, tegen de storm op fietsend, denken aan de titel van een dichtbundel van C. Buddingh': De wind houdt het droog.
We verbleven op het voormalige waddeneiland Wieringen, in een prachtige accommodatie die de Wierschuur heette. Dat werd bij ons natuurlijk de Wietschuur. Ruim, sfeervol, van alle gemakken voorzien (open keuken waar je voor een groot gezelschap kon koken, toilet en douche bij iedere kamer, lekker privé) en dat alles tegen een schappelijke prijs. Ideaal voor een paar dagen, maar daarna moet je weer snel naar de stad, want op wandelen en fietsen na is er weinig te doen. Die havendagen waren mooi meegenomen, maar niet echt spectaculair, en om een uur of twaalf zat er bij sommige bewoners al zoveel drank in het systeem dat je het matten 's avonds al vroeg aan voelde komen. Hippolytushoef ziet er brandschoon en zeer aangeharkt uit, maar van de fameuze kroegen die daar vroeger kennelijk waren, zijn er nog maar drie over en die waren gesloten. Logisch, want we fietsten er op zondagmorgen doorheen.
We waren met een relatief klein gezelschap want 'Londen' was verhinderd en de jongere generatie was voor een deel bij het vriendje of vriendinnetje. Neemt niet weg dat het goed was om weer een paar dagen onder elkaar te zijn en de familiebanden aan te halen. Volgend jaar zijn de vriendjes en vriendinnetjes ook welkom.
Wieringen, waar eind jaren twintig van de vorige eeuw de Wieringermeerpolder aan vast werd geplakt, is het thuisland van de schrijver Gerbrand Bakker, maar daar was niet veel van te merken. Een tijdje geleden las ik Jasper en zijn knecht, verschenen in Privé Domein. Een interessant dagboek over zijn leven in de Eiffel, waar hij ergens een huis met een tuin heeft, waarin hij lustig hoveniert. Jasper was zijn, inmiddels overleden, ietwat prettig gestoorde hond.

Na drie maanden heeft de hovenier eindelijk de rekening gestuurd voor het opknappen van de tuin. Een tot in details gespecificeerde nota, getypt op een klassieke schrijfmachine, waardoor ik nu eindelijk weet wat er allemaal groeit en bloeit. Zo'n wat ouderwetse rekening maakt een aangenaam degelijke indruk. Misschien haal ik mijn oude Royal ook nog eens tevoorschijn. Dat het uiteindelijke bedrag tweehonderd euro meevalt is een prettige bijkomstigheid waarvan ik een broek, een overhemd en een paar schoenen heb gekocht.
Voor die schoenen ben ik naar Van Driel op de Voorstraat gegaan. Een zaak waar niet alleen kwaliteit wordt verkocht, maar waar je ook deskundig wordt geholpen. Dat is nodig vanwege de aanhoudende achillespeesontsteking die ik heb opgelopen door de verkeerde schoenen te kopen bij zo'n dozenschuiver waar je het allemaal zelf maar moet uitzoeken. Koopjesjagen wreekt zich altijd. Ik ben uitstekend geslaagd en kon gisteren, toen ik naar Kraantje Lek moest, het hele stuk vanaf station Overveen tot de Duinlustweg bijna pijnloos lopen.

Je begrijpt dat ik naar Kraantje Lek ging voor een bijeenkomst van de Haarlem Branch van de Dickens Fellowship. De mensen van het  Dickenstheater uit Laren gaven een lezing over Dickens en de tijd van de pre-cinema, ofwel het tijdstip van de toverlantaren. Boeiend om te horen (en te zien) wat voor slimme, technische foefjes al werden gebruikt om bewegende beelden te vertonen. Ook interessant om over de geschiedenis van de toverlantaren te vernemen. Christiaan Huijgens was de eerste die een laterna magica van geslepen lenzen voorzag. Dickens blijkt ook voorstellingen met de toverlantaren te hebben gegeven. Jammer dat de tijdmachine nog niet bestaat, ik had daar graag eens bij willen zijn.
Ik ben gebleven voor het diner, zoals wij dat meestal ook deden als we samen gingen. Ik had, net als met het kerstdiner, voor vegetarisch moeten opteren, want er wordt bijna altijd biefstuk geserveerd en dat vind ik toch meer iets voor Neanderthalers. Dit keer werd het ding mij bijna fataal, want er bleef een stukje in mijn keel steken. Ik kreeg geen lucht meer, maar gelukkig kwam er een kokhalsreactie waardoor het er tijdig uitschoot. Het was even schrikken en natuurlijk zit je voor schandaal. Volgende keer vis, als die er is, of anders vegetarisch. Je kunt rustig vegetarisch eten als je geen vegetariër bent, want er wordt nooit naar het lidmaatschap gevraagd.
Van de weeromstuit heb ik meer water dan wijn gedronken. Daardoor ben ik in de trein terug niet in slaap gevallen, maar heb ik lekker zitten lezen in de biografie van Jane Austen door Claire Tomalin. Dat maakte veel goed.

In gedachten, altijd,
Kees

Dordrecht, 16 september 2018

Foto: auteur


woensdag, september 12, 2018

Verdwenen


   Voormalige Monterssori kleuterschool Dordrecht (beneden) kort
    voor de sloop.

Op foto's uit die tijd zag ik er misschien wel uit als een lief ventje, maar al op de kleuterschool kon ik behoorlijk dwars en druk zijn. Alle kans dat, als ik vandaag de dag op de kleuterschool zou zitten, ach nee, sorry, in groep één, iemand ADHD of een ander modieus woord zou roepen en aan zou komen zetten met een potje pillen. 'Ga maar buiten spelen,' zei mijn moeder, als ik weer eens een beetje te druk was, want op de kleuterschool zat je alleen in de ochtend, 's middags was je thuis.

Het gemeentebestuur was in de tijd dat ik jong was een bestuur van fanatiek slopen. Toegegeven, een deel van de binnenstad was verkrot en aan sanering toe, maar anders dan in veel vergelijkbare steden ging dat saneren in Dordrecht te snel, te voortvarend en werd er te veel ruimte gegeven aan architecten die wellicht dachten iets van esthetiek te weten, maar gespeend waren van elk besef van de schaal die een historisch stadscentrum aankan. Kortom, er werd vaak te hoog gebouwd in vormen die geen enkel gevoel voor de geschiedenis van de stad verraadden. Aan de landzijde van het centrum werd het hart eruit gerukt en verrezen bouwkundige gruwels als de Spuiboulevard, het Achterom, de Sarisgang, het Statenplein en de Grote Markt. De Bleijenhoek is nog steeds, alle pogingen er iets van te maken ten spijt, een troosteloze mislukking. 

Ook de negentiende eeuwse schil rondom het historisch centrum had te lijden. Door die vermaledijde Spuiboulevard en door de barbaarse afbraak van een reeks schitterende villa's aan de Johan de Wittstraat en de Burgemeester de Raadtsingel. Villa Avondzon, bijvoorbeeld, en de villa van orthopedisch chirurg dr. Klementschitsch. Zij werden vervangen door onooglijke flats en een postkantoor dat alles wat het saneringsplan teweeg bracht in esthetische gruwelijkheid overtrof. Ondertussen werd het sierlijke, goed in het stadsbeeld passende postkantoor aan het Bagijnhof gesloopt om plaats te maken voor de derderangsarchitectuur van C&A en HEMA. De Dordtse bevolking heeft dat het stadsbestuur nooit vergeven. Ook het oude Johan de Witt-gymnasium bij het Beverwijcksplein werd geslachtofferd. Bijna even onvergefelijk was de sloop van het mooie hotel Ponsen. Er kwam een klomp gestapelde baksteen voor in de plaats. Daar tegenover, waar ooit villa Simpang stond, gebombardeerd in de oorlog, verrees het Tomado-gebouw. Door velen geprezen als een architectonisch pareltje, maar ik kan er niet meer in zien dan een saai brok glas en beton.

                                       Hotel Ponsen

Ik heb het, vanuit mijn jongenskamer achter de Remonstrantse kerk, met uitzicht op de Johan de Wittstraat, allemaal zien gebeuren. Ik werd er niet minder dwars van, maar strijden tegen de Moloch van doorgeslagen modernisme heeft vaak iets van strijden tegen de bierkaai. Ik kon indertijd nog net een foto maken van mijn oude kleuterschool aan de Cornelis de Wittstraat, waar ik als ventje een prettige tijd had, totdat de juf ging trouwen en ontslag nam. Dat moest nog in die tijd. Ik was verliefd op de juf, dat spreekt, maar net als veel ander moois uit mijn omgeving verdween zij. Ik heb haar nooit meer gezien. 

Foto Montessori kleuterschool: Kees Klok.
Foto hotel Ponsen: Beeldbank Regionaal Archief, Dordrecht.


zaterdag, september 08, 2018

Uitnodiging



Toen een neef van mij nog in de Utrechtse Schoolstraat woonde en ik niet lang daarna de status van weledelgeleerd zou bereiken, kwam ik daar eens samen met mijn moeder naar buiten om terug te rijden naar Dordrecht. Voor we in de auto stapten, liep er een sjofele, in het zwart geklede, bestoppelbaarde man langs, die vriendelijk 'hallo' tegen mij zei. 'Gut,' reageerde mijn moeder, 'ik wist niet dat zwervers je hier gedag zeggen.' 'Dat is geen zwerver, ma, dat is Maarten van Rossem, bij wie ik binnenkort afstudeer.' 

Ik was een late student, pas op mijn veertigste werd ik doctorandus, maar wel in deeltijdstudie, met enige tussenpozen, en alles geheel op eigen kosten. Daarna ben ik nog enige jaren bezig geweest aan een proefschrift over de troebelen tussen Griekenland en Joegoslavisch Macedonië, maar gaandeweg ging ik mij zo ongelofelijk ergeren aan de talloze nationalistische schreeuwlelijken die ik op mijn academische pad, maar helaas ook al te vaak in de werkelijkheid, ontmoette, dat ik de noodzakelijke afstand tot mijn onderwerp niet meer kon bewaren en mij er uiteindelijk walgend van heb afgewend. Daarom is het bij weledelgeleerd gebleven.

Maarten van Rossem groeide uit tot een mediafiguur, waarvoor mijn moeder en haar oudere zus uiteindelijk een opvallend enthousiasme aan de dag legden, maar gelukkig is hij daarbij zijn kritisch-wetenschappelijke instelling nooit kwijtgeraakt en is hij tot op de dag van vandaag een van de scherpzinnigste historici die ons land kent. Ik vraag me weleens af wat er zou zijn gebeurd als hij in de jaren tachtig minister van onderwijs zou zijn geweest in plaats van de al bijna vergeten Jo Ritzen, maar ik heb geleerd dat 'als-als-geschiedenis' weinig zinvol is. Een soort beschrijven van dromenland. 

Mijn boek Dijkbewaking, dat volgende week verschijnt, is een literair dagboek over de jaren 1980-1983. De jaren tachtig waren voor het onderwijs, inclusief het universitair onderwijs, tamelijk rampzalig. Ook in Dordrecht en ik zat midden in die ellende. Ik ga de inhoud niet verklappen, maar neem van mij aan dat de betiteling 'afdeling onwijs,' voor de afdeling onderwijs van de gemeente Dordrecht, denktankje van dorpsniveau dat aan de wieg stond van een ruime serie kaalslagveroorzakende schoolfusies, nog een uiterst vriendelijke kwalificatie is voor dit onheilsclubje.

Ik ga in dat boek ook naar Suriname. Dat was een mooie reis, maar daarna sloeg Bouterse toe en ben ik er nooit meer terug geweest. Grote reizen, doen als je jong bent, maar wat iemand er in godsnaam toe beweegt om met een rugzakje door een strafkolonie als Australië te gaan lopen, vraag ik mij af. Australië, daar werd je in de achttiende eeuw door de Engelse justitie naartoe gestuurd als je een paar sokken uit een marktkraam had gestolen en dan mocht je nog blij zijn dat je niet meteen aan de galg was geëindigd. Een draconisch rechtssysteem hadden ze daar, misschien dat ze daardoor zo eigenaardig zijn geworden. Brexit, een heel volk dat zich blijmoedig in de voet schiet, maar dit terzijde. 

In Dijkbewaking ontvouw ik ook de plannen die ik met vrienden had om een scene te verfilmen uit Lasterpraat van Adriaan Morriën. Op de achterkant van dat boek staat de schrijver zedig naakt met zijn dochters. Die scene was nogal geil en wij hadden voor de hoofdrol een knappe oud-leerlinge van mij op het oog. Dat zou nu schandaal veroorzaken, toen kon dat allemaal nog, net voordat de generatie Hysterisch, Bekrompen & Preuts begon op te komen. Hoe het afliep kunt u lezen vanaf 13 september, 17.00u. Dan neemt Mario Molegraaf, schrijver, vertaler en criticus in Visser's Poffertjes aan de Groenmarkt 9 in Dordrecht het eerste exemplaar in ontvangst. U bent welkom. 



zaterdag, september 01, 2018

Cadeautje



Er is al enige tijd reuring in de stad vanwege de komst van Willem van Oranje. Nu ja, een beeld van Willem van Oranje. De eerste Willem, want inmiddels zijn er al acht Oranjes met die naam door de vaderlandse geschiedenis gewandeld. Deze Willem wordt de Zwijger genoemd, omdat hij door sommige tijdgenoten een beetje als een stiekemerd werd gezien. Hij wordt ook wel de Vader des Vaderlands genoemd, maar de waardering voor Willem onder moderne historici is niet meer wat hij in de door nationalisme besmette geschiedschrijving uit mijn middelbare schooljaren was.

Ik ben ervan overtuigd dat het de meeste Dordtenaren geen ruk kan schelen of er een beeld van Willem de Zwijger komt of niet. Het college van B&W lijkt er echter mee verguld, want het is gratis en een cadeautje krijgen is altijd leuk. Jammer dat er altijd weer van die zeikerds opstaan om de pret te bederven. Nu, volgens De Dordtenaar, twee middenstanders, die een handtekeningenactie tegen de komst van Willem zijn begonnen. Een burgerinitiatief dat de gemeenteraad ertoe moet dwingen over de zaak te debatteren. Toe maar. Een van de heren, als de krant hem correct heeft weergegeven (ik ben er niet bij geweest, maar ik heb zo mijn ervaringen met het journaille), sprak zelfs over Oranje als 'de verrader van de Republiek.'

Waar hééft die man het over? dacht ik. In ieder geval niet over wat zich in het verleden heeft afgespeeld. Natuurlijk, er werd, wat voortdurend in de discussie over het beeld gebeurt, een verband gelegd met de moord op de gebroeders De Witt. Een verkeerd verband. Willem de Zwijger heeft helemaal niets met die moordpartij te maken. Dordrecht is weliswaar 'de stad van Jan en Kees de Witt' en dat zou een argument kunnen zijn om hier geen standbeeld van koning-stadhouder Willem III neer te zetten, maar dat cadeautje is ons, voor zover ik weet, nog niet aangeboden. 

Er zijn twee redenen waarom ik Willem de Zwijger liever niet in Dordrecht zie. In de eerste plaats zijn de banden tussen Willem en Dordrecht flinterdun. Natuurlijk, hij is een aantal keren in Dordrecht geweest, meestal op doorreis, en het zou vreemd zijn als hij als stadhouder nooit eens in de Eerste Stad van Holland zou zijn gesignaleerd, maar hij heeft er nooit gewoond, zoals ondermeer in Antwerpen en Delft, hij was niet als edelman op de een of andere manier met Dordrecht verbonden, zoals hij dat wel met Breda was, en dat een van zijn dochtertjes in de Grote Kerk is gedoopt, is meer toeval dan opzet. Tijdens de eerste 'vrije' vergadering van de Staten van Holland in 1572 was hij niet eens aanwezig, maar werd hij vertegenwoordigd door Marnix van Sint Aldegonde, u weet wel, van dat 'de koning van Hispanje heb ik altijd geëerd.'

In de tweede plaats riekt het plaatsen van dat beeld mij iets te veel naar achterhaalde, negentiende eeuwse, nationalistische heldenverering. Daar kunnen we ons maar beter verre van houden. Van mij hoeven die helden uit vroegere tijden, zoals generaal Van Heutsz, Jan Pieterszoon Coen of Christiaan de Wet, niet te worden weggehaald, dat zou een domme ontkenning van het verleden zijn, terwijl zulke symboolpolitiek de historische feiten niet verandert, maar om er nu nog eentje aan toe te voegen...... Nee, dan zie ik liever het idee van Ton Delemarre verwezenlijkt worden: een dubbelstandbeeld van tekenaar Otto Dicke en dichter Kees Buddingh'. Mannen die voor de stad veel meer hebben betekend dan Willem de Zwijger.

Foto: auteur