Posts tonen met het label Poëzie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Poëzie. Alle posts tonen

maandag, juli 21, 2025

Telefoonnummer

       



         voor Wendy Lancefield


          When we two parted
        In silence and tears,
        Half broken-hearted
        To sever for years,
        Pale grew thy cheek and cold,
        Colder thy kiss;
        Truly that hour foretold
        Sorrow to this.

                        George Gordon, lord Byron


Ik zette het ooit op muziek en

in een romantische bui

denk ik nog weleens aan dat afscheid

in een pub in Chester waarvan ik

de naam al lang vergeten ben.


Ik weet nog wel dat het regende,

het weer huilde een beetje met ons mee.

Ik was net negentien, jij iets jonger

en we dachten natuurlijk

dat het slechts tijdelijk was,


maar op zo'n leeftijd kan een zee

voor de liefde fataal zijn.

Het leven nam zijn loop,

ik heb je nooit meer gezien, behalve

op de foto's die ik nog van je heb.


Ik ben weleens teruggegaan naar Chester

in de wonderlijke hoop

op een toevallige ontmoeting,

maar we zouden elkaar na al die jaren

waarschijnlijk niet hebben herkend.


Wat ik me nog wel herinner

is de straat waarin je woonde,

in het charmante gehucht op de Wirral

met de middelbare meisjesschool

waar ik je 's middags ophaalde.


Zelfs je telefoonnummer

zit nog in mijn geheugen.

Soms borrelt het op onverwachte

ogenblikken op, maar ik heb het

nooit meer durven draaien.


                    ...


Foto: auteur




dinsdag, februari 04, 2025

Poëzieweek



Omdat het poëzieweek is, voor de verandering een gedicht op dit weblog. Het staat in mijn jongste bundel Voor je het weet, die te bestellen is bij de boekhandel, de uitgever (Liverse) of eenvoudig met een mailtje bij mij. Het adres vind je op keesklok.nl


Vertrek


Op weg naar het vliegveld

reed de taxi langs het bos

waar we ooit dagelijks voor 

het ontbijt gingen wandelen.


Soms droom ik nog de route: de eenzame 

pijnboom, de scheefgeroeste brandkraan,

het benedenkapelletje, de schaduwvallei

die leidde naar de bovenkapel.


Vandaar zagen we de stad in de diepte,

de havenkranen, de schepen op de rede,

met een beetje geluk de Olympos

aan de overzijde van de baai.


Niet lang na je dood kwam ik boven en zag 

dat de bankjes waar we altijd zaten

waren weggehaald. We waren 

niet meer welkom in het bos.






zaterdag, juli 13, 2024

Twee jaar



 Twee jaar


voor Wendy L.


Jong ruiste de beek 

toen we hielpen bij

het zomerkamp van de 

Newton-le-Willows scouts,


rechterhanden van mr. Keene

en mr. Farthing die soms 

zijn naam eer aandeed

al was het goed bedoeld.


De inspectie 's morgens

van de bedauwde tenten,

staf onder de arm, de knapen

benauwd voor corvee.


Er was altijd wel iets 

aan te merken want

iemand moest de aardappels

schillen en de afwas doen.


Onder het toezicht bij

het touwbrugbouwen

(de dikste welp moest eerst)

dachten we aan het kampvuur


die avond met de meisjes

van het buurkamp. Dat leidde

tot een hopeloze liefde op afstand 

die zomaar twee jaar duurde.



Foto: archief auteur


zaterdag, december 30, 2023

Toen alles beter was


leerden we over het Aardappelgat, het Hellegat,

de Hont of Westerschelde, het strokarton

waarin de communisten schuilden,

het zandaardappelijk meel 

en Boerenhol bij Biervliet

waar het haringkaken uitgevonden werd.


Wandkaarten toonden fier het opschrift:

J.B. Wolters, Groningen-Batavia.


Later nog kwam daar het slapen bij

met je handen boven de dekens

want van spelen met je piemel

werd je doof, als je niet al door 

ruggemergtering werd getroffen.


Op zondag gingen we naar opa,

die niet in God geloofde, met zijn 

knoert van een gehoorapparaat 

en altijd klagend over spit. 




Foto: auteur



donderdag, oktober 07, 2021

In het licht van Cuyp




Vanaf 3 oktober 2021 tot 6 maart 2022 is in het Dordrechts Museum de tentoonstelling In het licht van Cuyp te zien. Naast een groot aantal schilderijen van Cuyp, wiens werk grotendeels in buitenlands, met name Brits, bezit is, worden er ook werken van schilders getoond die zich door Cuyp hebben laten inspireren. De bekendste daarvan zijn Turner, Constable en Gainsborough. 


Jaren geleden, ik zou een fors aantal dagboeken moeten doorploegen om de juiste data te reproduceren, was er in hetzelfde museum een tentoonstelling over de Dordtse schildersfamilie Cuyp, waarvan Aelbert de beroemdste telg is. Ik meen dat naar aanleiding van die tentoonstelling door het museum een set ansichtkaarten werd uitgegeven, met een gedicht naar aanleiding van enkele doeken van Albert Cuyp. De meewerkende dichters waren: J.J.A. Mooij, Klaas Blokhuis, Jan Eijkelboom (over wie onlangs de biografie Nooit het hele hart verscheen, geschreven door Kees 'T Hof), Marieke van Leeuwen, Jan Veth, Pieter Breman en ondergetekende.


De kaarten zijn al lang geleden uitverkocht en nooit herdrukt. De reden daarvan weet ik niet, maar ik heb nog een setje liggen, dat ik een beetje koester als curiositeit. Het gedicht is ook opgenomen in mijn debuutbundel In dit laagland, die in 2005 verscheen bij uitgeverij Wagner & Van Santen.



zaterdag, juli 11, 2020

Heilige Wijsheid



Wij trouwden in de Agia Sofia.
Niet de beroemde,
de omstreden,
maar haar jongere zuster.

En toen je doodging hebben we je 
vanuit de Agia Sofia begraven.
Kerk, moskee, kerk,
geboren, geleefd, gestorven.

Men dient zich te hoeden
voor historische analogieën
doceerde mijn hoogleraar.

Dat was in de tijd
dat wij elkaar
nog niet hadden ontmoet.

Foto: auteur

zaterdag, juni 20, 2020

Bonnefooi



Hoewel hij vaak poëzie leest, kent hij weinig gedichten uit het hoofd. 'Waarom zou ik', zegt hij weleens als iemand daar verbaasd over is, 'ze zijn toch niet voor niets opgeschreven?' Uitzondering is het korte gedicht 'Bij Loosdrecht' van K. Schippers, dat luidt: 'Als dit Ierland was, / zou ik beter kijken'. Ierland. Hij was er lang geleden en neemt zich sinds die tijd voor dat hij terug wil naar het enige land dat ook bij stromende regen indrukwekkend mooi is. 

Oorspronkelijk zou hij met zijn vriendin en twee vrienden een boot huren om de Shannon te bevaren. Dat bleek te ambitieus voor het inkomen dat hij als jong onderwijzer verdiende. Zijn vriendin studeerde nog. Een vlucht inclusief huurauto bleek wel te doen. Ze zouden het land op de bonnefooi bereizen. Was er ergens geen betaalbaar hotel of bed and breakfast voorhanden, dan hoopten ze op een hooiberg.

Ze vlogen van Amsterdam naar Cork en vonden even buiten de stad een gerieflijke villa, waar men bed en ontbijt bood. Dat ontbijt werd geserveerd door de twee beeldschone dochters des huizes, beiden in hun late tienerjaren. Hun moeder hield de zaken op de achtergrond in de gaten. Een knappe dame van tegen de vijftig, die sprak met een onverstaanbaar accent. Ierse vrouwen, vaak beeldschoon, nog vaker niet te verstaan. 

Foto: auteur


maandag, juni 01, 2020

Bordeaux



Hij leest in De oudste stad van Holland van Henk 't Jong dat de Dordtse schepenen in de middeleeuwen allesbehalve vies waren van een wijntje. Op vergaderingen gingen er heel wat glazen bij de heren naar binnen. Een van de oudste straten van de stad heet niet voor niets de Wijnstraat.

Er ligt een manuscript te wachten van een dichter die in de Bordeauxreeks van uitgeverij Liverse wil. Hij vraagt zich af wie weet waarom die poëziereeks is genoemd naar een Zuidfranse stad. Een tamelijk eenvoudig raadsel. De gedichten in het manuscript zijn minder eenvoudig. Voor zover hij ze heeft gelezen, kan hij er geen touw aan vastknopen. Hij vreest dat hij al weet wat hij de uitgever gaat adviseren.

Voor zover door werkelijk talent geschreven, staat de dichtkunst bij hem op de hoogste trede van de letteren. 'De mooiste muze', zegt hij weleens, maar zij trekt raar volk aan. Talentloze ijdeltuiten, lijders aan rijmdwang, types die klaarkomen op flauwe grappenmakerij, gestoorden op zoek naar verlossing. Het ergst vindt hij 'dichters' die roepen dat ze nooit poëzie lezen omdat dat hun 'originaliteit' beïnvloedt. Met niets beters te doen tijdens deze coronaramp, laten ze luid van zich horen en dat stapelt zich op op zijn bureau. Om de moed erin te houden, trekt hij nog maar een flesje open.

Foto: auteur


donderdag, april 30, 2020

Holle vaten



Hij vindt dat de tuin wel genoeg water heeft gehad en dat de zon moet doorbreken. Slecht weer verveelt snel, evenals de coronamaatregelen, al noodt het wel tot binnenzitten. In de keuken hangt een brandlucht. Twee dagen geleden had hij het gas te hoog en begon het handvat van een pan te schroeien. Het stinkt nog steeds. Hij moet aan Ierland denken, aan een turfvuur in een open haard. Ook daar kan hij voorlopig niet heen, de Prins onzer Dichters achterna. Die kwam graag in Ierland.

Vandaag wil hij de stapel achterstallige poëziemanuscripten voor de uitgeverij aanpakken. In ieder geval een eerste schifting maken tussen de serieuze inzenders, de goedbedoelende, maar altijd wat beklagenswaardige rijmelaars, de sneue, moreel verontwaardigden, de gekken en de poseurs. Je kunt het zo zot niet bedenken of je komt het tegen. Gelukkig vooral digitaal, dat scheelt in de oud papierbak.

Hij heeft een hekel aan poseurs. Narcistische potsenmakers, opgeblazen ego's die het moeten hebben van veel geschreeuw, gehuppel en armgezwaai op een toneel, maar nooit van het woord. Je bagger slijten met lef en lawaai. Holle vaten bommen het hardst. Zijn moeder zei het vaak. Hij denkt weleens dat iedereen tegenwoordig aan het dichten is, maar poëzie lezen en bundels kopen, ho maar. Heel Nederland bakt, maar bijna niemand die het ook opvreet.

Foto: auteur


dinsdag, februari 11, 2020

Waanland




Kijk hoe het land wolken ademt,
hoe tekenen van wording
achter bomen zijn verborgen,
hoe bedrading, straling, 
torens van hoogmoed
ongeboren achter het canvas schuilen.

Kijk naar dromen over eenvoud,
brieven met de hand geschreven,
water dat tijdloos weerspiegelt,
een hooiberg, het gevaar van broei,
een stier die een toekomst
aan zijn horens spietst.

Herkennen wat de schilder zag
met ogen vertroebeld
door de ontluisterende
waan van onze dag.


Dordrecht, 10 februari 2020

Naar: Willem Bastiaan Tholen, 'Zomers boerenlandschap', collectie Dordrechts Museum


maandag, december 23, 2019

Advent



Hoe zal ik mijn donkere dagen 
voor kerst besteden?
Lijstjes met de beste liedjes van het jaar,
of de beste boeken,
de lekkerste wijnen,
de willigste meisjes,
de glimmendst gepoetste schoenen,
de kruidigst riekende hondendrollen,
de sneuste voetbalclubs,
de kortzichtigste stadsbesturen,
de domste terreurboeren,
of de engste dierenactivisten?

Voor ik eruit ben valt de avond,
ontvlucht ik mijn huis 
naar de stamkroeg.
Ik moet ook het lijstje
voor de kerstboodschappen nog:
een kribbe, een koe, een geit en 
misschien nog zoiets 
als een maagd
met engelen 'bij nachte 
in het veld.'

Foto: auteur


dinsdag, december 03, 2019

De bus kwam zo



Hij vond plaats op zondagmiddag 16 september 1984, de literaire busrit met Dordtse schrijvers. Met een dubbeldekker, want er moest ook publiek mee. Ik weet niet precies meer wie de organisator was, in ieder geval niet de Culturele Raad Dordrecht, want die was een jaar ervoor opgeheven. Als gevolg van een kortzichtig besluit van de Dordtse gemeenteraad, die daarmee de ontwikkeling van het plaatselijke culturele leven in niet geringe mate wist te frustreren. Sinds de oprichting van de CR in 1968 en in zijn voetspoor die van de stichting Produktiegroep Bobby Kinghe en de stichting Perspektief had het culturele leven in de Merwestad een opmerkelijke opleving doorgemaakt, maar kennelijk vonden de vroede vaders en moeders het wel weer mooi geweest. Dat is opmerkelijk bij veel plaatselijke culturele initiatieven. Zodra die een succes worden, lijkt de belangstelling van het stadhuis weg te ebben. Kijk maar naar het Belcantofestival, de Dordtse Dag van de Poëzie en de Debutantenprijs, om enkele voorbeelden te noemen.

Het kan zijn dat Kunstmin de rit organiseerde, omdat ik mij meen te herinneren dat boekverkoper Cees Groesbeek (voorin in het midden), die het programma presenteerde, in die periode ook voor Kunstmin de literaire avonden in het Hof organiseerde, die oorspronkelijk door Bobby Kinghe waren opgezet. Het was in ieder geval een organisatie die betaalde, want volgens mijn dagboek uit die tijd ontving ik voor mijn bijdrage, een kwartier gedichten lezen, een honorarium. Zo hoort het ook, maar dat is niet vanzelfsprekend, zoals iedere dichter, zeker de beginnende dichter, weleens heeft ervaren. Dan belt iemand of je wilt optreden voor een fles wijn of een bosje bloemen, omdat het toch zo goed is voor je naamsbekendheid en omdat optreden 'toch leuk' is. Dat soort gelul waarbij ik tegenwoordig onmiddellijk de verbinding verbreek. 

Het is lang geleden en ik herinner mij niet precies meer wie er allemaal optraden. Dat vermeldt mijn dagboek niet. Wel dat het zomers weer was en mooi in de polder, al weet ik ook niet meer precies welk polderland we allemaal doorkruisten. Op de foto leest Jaap Romijn, die na een periode als directeur van het Prinsessenhof in Leeuwarden in Dordrecht was komen wonen. Ook Kees Buddingh' en Jan Eijkelboom lazen voor en ik vermoed dat Wim de Vries en Wim Valk erbij waren. Ook Ger Brillemans, prominent links vooraan, trad op. Hij was een speciaal geval. Met enige regelmaat gaf hij het geheel door hemzelf volgeschreven blad Pridoproeza uit, dat gratis in de Dordtse boekhandel was af te halen. Een geschrift van gering literair belang, maar een aardig initiatief waar soms weleens iets grappigs in stond. Brillemans, ik weet niet of hij nog leeft, was in de tijd dat ik hem kende een aardige en soms grappige man, die ook vinnige kritiek kon uiten. Dat mocht ik wel.

Foto: Ad Molendijk/Beeldbank RAD (552_300867)





vrijdag, november 08, 2019

SINDS BUDDINGH’...




SINDS BUDDINGH’...

komen we bijeen
in achterzaaltjes, clubhuizen
of een berookt café
waar zich een ritueel
van eenvoud voltrekt
zoals het een samenkomst 
van gelovigen betaamt.

Een groet, de lezing voor
het klein gehoor, 
een lach soms 
die de spanning doorbreekt
en uiteindelijk gelegenheid
het Woord aan te schaffen
tegen aantrekkelijke korting.

Daarna op zachte toon
het nagesprek, het schuifelend
verlaten van het pand.
Wij zijn met weinig
in de wereld,
een sekte noemt men
ons ook wel.


Dordrecht, februari 2007

Foto: Dorien Eijgenraam





zondag, juni 30, 2019

Mieters



Ik luister graag naar De Taalstaat op Radio-1. Meestal beluister ik het programma in omgekeerde volgorde. Het tweede uur op zaterdag, het eerste op zondag, via het internet. Dat is de schuld van Ben Corino, want die zit op zaterdagmorgen met zijn onvolprezen lokale programma Studio De Witt bij Drechtstad FM en Ben wil mijn naam nog weleens noemen, je bent een bekende Dordtenaar of je bent het niet, en dan moet ik natuurlijk onmiddellijk mijn gal spuwen op Twitter, de roeptoeter van halfgaar Nederland. 
Ik overdrijf, want Ben zegt nooit iets onaardigs en met die bekendheid van mij is het maar matig gesteld. Nu en dan kom ik op het Eiland van Dordt weleens iemand tegen die mij kent, meestal een oud-leerling, maar aan gene zijde van de Zwijndrechtse en Papendrechtse bruggen hebben ze nog nooit van me gehoord. Aangezien ik 's nachts wakker kan liggen van het gruwelijke idee dat Dordrecht ooit nog eens met die plaatsen gaat fuseren en dan de weerzinwekkend a-historische naam Drechtstad aanneemt, wil ik dat graag zo houden. Drechtstad FM moet dan ook maar zo snel mogelijk Omroep Dordrecht en Onderhorigheden gaan heten, zodat iedereen weet hoe de zaken liggen en men aan de andere kant van de rivier zijn of haar plaats kent.

Een lelijke constructie dat 'zijn of haar plaats kent,' maar als je zegt 'zijn plaats', gaat er meteen een stel politiek correcte taalfetisjisten los op Twitter. Ik vind het eigenlijk een onmogelijk communicatiemiddel, Twitter. Hooguit goed om snel een afspraakje met Kim Jong-un te regelen. Ik luister liever naar De Taalstaat dan dat ik mijn tijd verdoe op die virtuele apenrots. 
Iedere week komt er bijvoorbeeld een vergeetwoord voorbij, dat iemand adopteert en weer gaat gebruiken. Woorden uit de tijd dat Radio-1 nog Hilversum-1 was, dat Suriname en de Antillen nog gewoon 'overzeese gebiedsdelen' heetten, dat iets nog 'mieters' was (een woord van een bewonderenswaardige lulligheid, maar dit terzijde) en dat we spraken van 'kuiven' en 'oliewijven.' De tijd dat op verjaardagen naast de drank nog keurig sigaretten en sigaren voor het grijpen stonden en mijn astmatische oom Adrie gewoon hoestend met de rest mee dampte.

Ach, die tijd hoeft van mij niet meer terug te komen, maar er met een beetje plezier aan terugdenken kan geen kwaad. Als je maar in de gaten houdt dat in de loop der jaren veel akeligs door je geheugen is gewist of in een heel diep laadje opgeborgen. Dat alle kinderen nog de mazelen kregen, rode hond, de waterpokken en de bof, om maar eens wat te noemen en dat je op school nog rustig van de meester een lel om je oren kon krijgen, wat je thuis angstvallig verzweeg, want dan kreeg je er nog eentje bij. 
Wat van mij wel terug mag komen, zijn die vergeetwoorden. Ik weet wel dat de taal verandert, dat is op zich niet erg, maar het onnadenkende gewauwel in het bastaard-Nederlands dat je tegenwoordig alom hoort, daar kan de onverbeterlijke schoolmeester die ik ben slecht tegen. Dat iemand 'ik kan het niet hendelen' uit zijn (of haar) mond kan krijgen als hij (of zij) bedoelt dat hij (of zij, god wat vermoeiend, die fetisjisten in je nek) iets niet aan kan, vind ik onbegrijpelijk en dat de nieuwste stroming in de poëzie 'spoken word' moet heten in plaats van gesproken woord, wil er bij mij ook niet in. Trouwens, noem het gewoon wat het in de negentiende eeuw ook was: uiterlijke welsprekendheid. Er waren hele genootschappen die zich daar in die tijd mee bezighielden en wij maar denken dat er iets nieuws onder de zon is. Wie die vergeetwoorden nog kent, weet wel beter.

Foto: archief auteur


zaterdag, juni 08, 2019

Stadspark




Als er weinig wind was
viel vooral de lucht op
van het hertenkamp
bijna even zwaar

als de stank van de pisbak
waar je niet mocht komen
gewaarschuwd voor snoep 
van onbekende mannen.

Je was op je hoede voor 
die oude vrouw of liever
voor de kwijlende mongool
die ze dagelijks uitliet.

Onbezorgd als een eend 
wilde je over 
de vijvers glijden.
Je had geen idee van snoeken

van zwerfhonden
van mensen die in de bosjes scheten
van kinderen die 
vliegen vleugels uittrokken

kikkers opbliezen 
elkaar de ogen uitstaken
vliegende stadsratten voerden
al dat gefladder, al die dreigende ziekten.

En steeds weer hoopte je 
op zomeravonden en meisjes
altijd weer meisjes

romantiek op een bankje
in het concurrerend aroma
van pisbak en hertenkamp.



In: Kees Klok - Hoe de wereld zich zou openen. Gedichten. Bordeauxreeks 14, Uitgeverij Liverse 2012.

Foto: auteur


zaterdag, februari 16, 2019

Poëzieparadijs



Het Poëziecentrum Nederland is gevestigd in de Nijmeegse bibliotheek. In het Poëziecentrum heeft Wim van Til een unieke collectie poëzie bijeengebracht, zelfs mijn jeugdzonden, in primitief gestencilde, nog in eigen beheer uitgegeven boekjes, zijn er te vinden, evenals de bundel die ik samen met Jacques Noorman publiceerde in 1978. Die was wel keurig gedrukt, bij Morks in Dordrecht, maar aan een omslagontwerp deden we niet, zodat De Theeman en andere gedichten er weliswaar keurig, maar ook heel saai uitziet. Jacques en ik hebben nooit vermeld welke gedichten van wie zijn, maar wie ons goed kent, komt daar snel achter en ik koester niet de illusie dat ooit een literatuurwetenschapper zich de moeite zal troosten om het, tientallen jaren na ons verscheiden, nog eens uit te zoeken. In de Nederlandse letteren kun je twintig boeken publiceren, nooit in de Volkskrant, het NRC-Handelsblad of Trouw zijn besproken en toch gelukkig zijn.

Ik heb een paar keer het genoegen gehad om in het Poëziecentrum te mogen spreken bij boekpresentaties van uitgeverij Liverse, die gestaag, tegen de draad in, voortbouwt aan een almaar uitdijende poëziereeks, de Bordeauxreeks, of uit eigen werk te lezen. Ik vertoef graag in bibliotheken (toen ik studeerde bracht ik mijn tijd zoveel mogelijk door in de letterenbibliotheek van de Universiteit Utrecht) en zeker in de Nijmeegse. Vanwege dat letterkundig paradijsje dat Poëziecentrum heet, maar er is ook en prettig café. Ik heb begrepen dat we zoiets ook krijgen in de Dordtse bibliotheek, die op het ogenblik wordt verbouwd. Dat café gaat, als ik het goed begrepen heb, 'Americain' heten en dat lijkt me een goede greep, want in het pand van de bibliotheek was ooit het roemruchte café Americain gevestigd. 

In Americain werden weleens feesten gehouden van mijn middelbare school. Nu ja, feesten. Het begon doorgaans om een uur of zes, was niet later afgelopen dan negen uur, er werd geen alcohol geschonken en als je bij een langzaam nummer te dicht bij elkaar danste, stond er altijd wel een leraar aan de kant driftig te gebaren dat je meer afstand moest nemen. De lulligheid van de jaren vijftig was nog niet uitgewerkt, al hing er midden jaren zestig wel verandering in de lucht. In die periode kwam ik in de redactie van de schoolkrant, waarin ik uiteraard mijn eerste gedichten publiceerde. De meeste probeersels van die tijd zijn, zoals L.H. Wiener dat zegt, 'verdwenen in de mist der mensen.' Een paar vind je wellicht nog in het Poëziecentrum Nijmegen. Een plek om zeker eens te bezoeken.



Foto's: auteur


woensdag, december 26, 2018

Stella Timonidou-Klok (26-7-1946 - 26-12-2007)



Ongenode gast

Hij kwam ongenood en stiekem.
In het begin deed ik alsof ik
zijn aankloppen niet hoorde,
maar toen hij de tuinpoort sloopte
kon ik hem niet meer tegenhouden.

Ik heb hem opengedaan
en hij kwam binnen als een wervelwind.
De muziek zweeg.
Mijn gasten versteven op hun plek
met hun glas in de hand.

Hij heeft iedereen nieuwsgierig bekeken,
van top tot teen.
Uiteindelijk greep hij mij en we begonnen
een tango van Piazzola te dansen.

Harmonische bewegingen met ingewikkelde figuren. 
Ik volgde trouw zijn passen.
Ik wilde geen ruzie maken.
Ik wilde de avond niet bederven.

Albert Schweitzerziekenhuis, Dordrecht, 14.10.2007

In: Stella Timonidou - Eindeloze nachten. Gedichten. Liverse, Dordrecht 2009.


Απρόσκλητος επισκέπτης

Ήρθε απρόσκλητα και ύπουλα.
Στην αρχή έκανα πως δεν άκουγα 
τα χτυπήματά του.
Όταν όμως γκρέμισε την αυλόπορτα
δε μπόρεσα άλλο ν’ αντισταθώ.

Του άνοιξα και μπήκε
σα σίφουνας.
Η μουσική σταμάτησε.
Οι καλεσμένοι μου μαρμάρωσαν
στις θέσεις τους με τα ποτήρια στο χέρι.

Τους περιεργάστηκε έναν-έναν
από την κορυφή ώς τα νύχια.
Τελικά άρπαξε εμένα κι αρχίσαμε
να χορεύουμε ένα τανγκό του Piazzola.

Αρμονικές κινήσεις με δύσκολες φιγούρες. 
Ακολούθησα πιστά τα βήματά του.
Δεν ήθελα να κάνω φασαρία.
Δεν ήθελα να χαλάσω τη βραδιά.

Νοσοκομείο Albert Schweitzer, Ντόρντρεχτ, 14.10.2007

Στο: Στέλλα Τιμωνίδου - ατελείωτες νύχτες. Συλλογή Ποιημάτον. University Studio Press, Θεσσαλονίκη 2008.


dinsdag, oktober 23, 2018

Nooit dronken genoeg



Je ontwaakt met 
een grafsmaak
en het gevoel 
van een trap onder je kont.

Tegen de gevel 
leunt je fiets
nog wel op slot gezet
maar stuur en trappers verbogen.

Zo leeft een dichter 
dacht je ooit
die snakt naar
verloedering en ondergang.

Maar je bleek te gierig
voor de hoeren
te bescheten 
voor de zelfkant

en nooit 
dronken genoeg 
om tussen wal en schip 
te springen. 


In: Hoe de wereld zich zou openen. Gedichten. Uitgeverij Liverse 2012.

Foto: auteur


zaterdag, oktober 06, 2018

Te Nikíti



Nu heerst nog het vertrouwde geduld
van oeroude olijfbomen, waartussen 
herinneringen zich verweven met de avondwind.
De bergen staan scherp
tegen een wolkenloze hemel,
zodat er hoop is
op vallende sterren in de nacht,
op geheime wensen die,
nog voor het ontwaken, 
al natrillen in onbezielde leegte.

Het geruststellende gezoem
van een hommel, een roerloze
hagedis die afwacht:
als de natuur
tot vrede stemt
ligt bloedvergieten op de loer.

We zwijgen over het vallen
van de morgen, 
dat blikkerende licht, koud en scherp
als pas geslepen staal.

In: Het is al laat. Gedichten. Uitgeverij Liverse 2008.

Foto: auteur


zaterdag, augustus 11, 2018

Kees & Lou


                   Het Lou-pad

Op zeven augustus was het honderd jaar geleden dat Kees Buddingh' werd geboren, de dichter wiens voornaam met grote hardnekkigheid foutief wordt gespeld als Cees. Het moet je maar overkomen, dat mensen, die beweren belangstelling te hebben voor je leven en werk, nalaten om even na te gaan hoe je naam moet worden geschreven. Cornelis Buddingh', dat wordt Cor of Kees. Zijn ouders kozen voor de roepnaam Kees. Schrijf je het met een C, dan moet je Sees zeggen, zoals bij Sees Nooteboom. Buddingh' is er heel duidelijk over. Ik citeer:

Een heleboel mensen kunnen, vreemd genoeg, niet tegen initialen in een schrijversnaam. Dat je als C. Buddingh' publiceert nemen ze - bewust of onbewust - ergens niet: die 'C' moet en zal een naam worden - en zo prijk je, zonder dat je het zelf wilt - ja, terwijl je het zelfs helemaal niet wilt - op de meest uiteenlopende plaatsen als ' Cees', een voornaam die ik zelf wel als laatste zou uitkiezen. (In: En in een mum is het avond, blz. 231, 10-01-1973).

Bij de honderdste geboortedag van Buddingh', Dordtenaar bij uitstek en clubdichter van DFC, de voetbalclub die hij zijn leven lang trouw bleef, werd stilgestaan door de Dordtse bibliotheek, samen met het Buddingh'-genootschap. In de Blauwe Kamer van de bibliotheek werden we onthaald op Buddingh'-gebak, Ton Delemarre pleitte er zeer terecht voor een dubbelstandbeeld van Kees Buddingh' en Otto Dicke, die beiden veel meer voor de stad betekenden dan Willem van Oranje, die zonodig met een drollig hondje bij de Berckepoort moet worden neergepoot. Op die plek stond vroeger een pisbak. Misschien kunnen ze die Willem hol maken, zodat hij ook als urinoir is te gebruiken, maar dit terzijde. Wim Huijser vertelde over wat er nog aan Buddingh'-uitgaven is te verwachten, waarna hij ons meenam op een korte Buddingh'-wandeling naar Pictura. Daar had Kees een aantal jaren een werkkamer, naast het atelier van Otto Dicke. Op die werkkamer maakte ik voor het eerst kennis met hem, in februari 1969. In de bar van Pictura, waar vroeger Ton en Nelly van Dalen woonden, in de tijd dat Ton beheerder van het gebouw was, dronken wij op de nagedachtenis van Buddingh'.

Tijdens die borrel werd ik even bevangen door alle herinneringen die voor mij zijn verbonden aan Pictura, aan Kees Buddingh', aan Lou ten Bosch, die in januari op hoge leeftijd is overleden. Buddingh' was een voorbeeld als dichter, Lou ten Bosch, die ik voor het eerst pantomime zag spelen in Pictura toen ik een kleuter was, werd later mijn tekenleraar op de Pedagogische Akademie, met scheepslengten voor de beste tekendocent die ik heb gehad. Lou bleef, evenals Kees, een levenslange inspiratiebron, ook al schreef ik en tekende hij. Ruim een jaar voor zijn overlijden sprak ik hem het laatst, op landgoed 't Waliën in de Achterhoek, waar wij wandelden over het heerlijke Lou-pad dat hij daar had aangelegd en nog steeds onderhield. Kees Buddingh' moesten we veel eerder missen. Hij overleed in 1985, op 67-jarige leeftijd, aan de gevolgen van wat een routine-operatie had moeten zijn. Enkele dagen daarvoor had ik nog bij Kees en Stientje thuis een glaasje whisky gedronken. Binnenkort word ik zelf 67 en hoewel ik niet bang ben uitgevallen, geeft dat best een beetje een angstig gevoel.

Foto: auteur