donderdag, juli 14, 2011

Ruzie om 'Macedonië'


In 1995 sloten Griekenland en zijn buurland, de Former Yugoslav Republic of Macedonia (FYROM), een Interimakkoord, waarbij een hoogoplopende ruzie tussen de twee staten voorlopig werd beslecht. Die ruzie ging over de vraag of de FYROM zich wel of niet Republiek Macedonië mocht noemen. Athene vond van niet, Skopje vond van wel. De commotie over de naam Macedonië was vooral voer voor nationalisten, die aan beide kanten van de grens met veel tamtam en getetter het heilige vuur van de vaderlandsliefde aanwakkerden. Het kleine, onbetekenende FYROM, dat zich in september 1991 onafhankelijk verklaarde van Joegoslavië, speelde op slimme wijze de underdog, wat veel internationaal begrip opleverde. De weinig diplomatieke wijze waarop Athene opereerde, deed Griekenland al snel in de beklaagdenbank belanden als bully van een klein en zwak derdewereldland. Vooral de agressieve retoriek van Andreas Papandreou, tijdens zijn tweede en laatste periode als premier (1993-1996), genereerde veel sympathie voor de FYROM. Toch was het onder Papandreou dat het akkoord er kwam. Het was niet de enige keer dat zijn woorden en daden een opmerkelijke discrepantie vertoonden.


De Europese media en de Europese politici blonken, op een enkele uitzondering na, uit door een pijnlijk gebrek aan kennis van de historische achtergronden van het conflict. Historici uit beide landen droegen bij aan de verwarring, door veelal nationalistische mythologieën te propageren, in plaats van met een zo objectief mogelijk, op feiten gebaseerd verhaal op de proppen te komen.


Op grond van het Interimakkoord liet Griekenland zijn verzet tegen erkenning van 'Skopje' door de EU en toelating van het land tot de VN varen. Voorlopig zou in internationale fora de naam FYROM moeten worden gebruikt. In de Europese media wordt al jarenlang meestal over Macedonië gesproken als men de FYROM bedoelt. De vraag onder welke officiële naam het land uiteindelijk door het leven zal gaan, sleept zich echter tot op heden voort. Voor een beschouwer van buiten de arena is het inmiddels zonneklaar dat een compromis in de trant van een combinatienaam (Noord-Macedonië, Vardar-Macedonië of Nieuw-Macedonië) een logische oplossing is. Skopje haalt daarmee de naam Macedonië binnen, voor Griekenland is van belang dat er geen verwarring met Grieks-Macedonië meer is. Vooral de regering in Skopje wil er nog niet aan. Hoe sterker de nationalistische sentimenten en het daaruit voortvloeiende wantrouwen jegens de buren, des te minder beweging in de standpunten. Vooruitlopend op het onvermijdelijke zal ik de FYROM in de rest van dit artikel aanduiden als Noord-Macedonië.


De vraag is waarom Noord-Macedonië persé Republiek Macedonië wilde heten en waarom de Grieken daar zo tegen waren. Het antwoord is te vinden in de turbulente historie van het gebied, dat nog tot 1912 onder Osmaans bestuur stond en een bonte mengeling van bevolkingsgroepen kende. Een gebied waarop zowel Griekenland, Servië als Bulgarije rond 1900 aanspraak maakten. Om die aanspraken te rechtvaardigen werden etnische verwantschap en vooral de geschiedenis in stelling gebracht. Voor een goed begrip van het conflict is het noodzakelijk ver terug te gaan in het verleden.


De precieze aard van de Macedoniërs in de oudheid is enigszins omstreden. Zelf zagen zij zich als Grieken, hoewel ze niet altijd door de rest van de oude Grieken als zodanig werden geaccepteerd. Voor een deel kwam dat door een superioriteitsgevoel jegens de boerse bergbewoners uit het noorden. In de vierde eeuw voor Christus kwam daar de anti-Macedonische propaganda bij, vooral vanuit Athene, die werd gevoed door de angst voor de groeiende macht van de Macedonische koningen. Inmiddels zijn er zoveel historische bronnen voorhanden dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden aangenomen dat de oude Macedoniërs Dorische Grieken waren, die in de noordelijke periferie zijn blijven hangen en niet verder naar het zuiden zijn getrokken, zoals de eveneens Dorische Spartanen. Het grondgebied van het Macedonië in de oudheid was overigens kleiner dan wat we er tegenwoordig onder verstaan. Het was beperkt tot min of meer het huidige Griekse deel, zonder het schiereiland van Halkidíki. Het huidige geografische Macedonië kreeg vorm na de komst van de Romeinen.


Van enige etnische verwantschap van de bewoners van Noord-Macedonië met de Macedoniërs uit de oudheid is geen enkele sprake. De meerderheid wordt gevormd door Slaven, die linguïstisch verwant zijn aan de Bulgaren. De Albanezen zijn de grootste minderheid. Daarnaast treft men er kleine minderheden van zigeuners (Roma), Turken en Vlachen. Op de Albanezen na, van wie wordt aangenomen dat zij afstammen van de oude Illyriërs, hebben deze volken zich vanaf de zevende eeuw van lieverlee in het gebied gevestigd.


Na de Eerste en Tweede Balkanoorlog (respectievelijk 1912 en 1913) werd Macedonië bij het Verdrag van Boekarest verdeeld. Griekenland verkreeg ongeveer 50%, Servië 40% (het huidige Noord-Macedonië) en Bulgarije, de verliezer van de Tweede Balkanoorlog, 10%. De Grieken in de Servische en Bulgaarse delen zijn na de Eerste Wereldoorlog onder druk van de omstandigheden vrijwel volledig naar Griekenland vertrokken. Dat geldt eveneens voor de Bulgaren, die werden uitgewisseld met Grieken. De Slaven in Grieks-Macedonië emigreerden vooral tussen de wereldoorlogen en tijdens de Griekse burgeroorlog naar Servië (vanaf 1918 Joegoslavië), Canada of Australië. In Grieks-Macedonië resteert van hen nog slechts een kleine minderheid. Na de Grieks-Turkse oorlog (1919-1923) werd een aanzienlijk deel van de 1,2 miljoen Grieken die Turkije moesten verlaten geherhuisvest in Grieks-Macedonië.


Waarom wordt zelfs de oudheid er in de ruzie om de naam van Noord-Macedonië bijgehaald? Omdat de geschiedenis een grote rol speelt bij de vorming van de nationale identiteit van Grieken en Noord-Macedoniërs. In beide landen is een sterk nationalistische geschiedschrijving dominant. Een geschiedschrijving die in dienst staat van de natievorming en waarbij verheerlijking van eigen land en volk, en vooral van de eigen helden, cruciaal is. De natie komt als glorieuze overwinnaar uit de strijd tegen haar vijanden. Dat zijn zonder uitzondering buurvolken, vreemde overheersers en/of etnische minderheden die de eenheid en het karakter van de natie zouden bedreigen. Soms leidt dat tot opvattingen die nogal afwijken van de werkelijkheid.


Zo is een extreme opvatting in de historiografie van Noord-Macedonië dat de Slaven, of althans een deel ervan, zouden afstammen of zich zouden hebben vermengd met de oorspronkelijke Macedoniërs, waarvan het Griekse karakter wordt ontkend. Volgens deze zotte bewering, waarvoor tot op heden geen enkel bewijs is geleverd, is Alexander de Grote dus geen Griekse held, maar een voorvader van de Slaven in Noord-Macedonië, die tot vroeg in de 20e eeuw in vrijwel alle historische bronnen overigens nog als Bulgaren werden aangeduid. Om die reden draagt het vliegveld van Skopje tegenwoordig zijn naam. Het is vooral deze extreme opvatting, die overigens lang niet door alle historici uit Noord-Macedonië wordt gedeeld, die de Grieken de stuipen op het lijf jaagt.


Volgens de nationalistische Griekse historiografie is de Griekse staat in rechte lijn een voortzetting van het Griekenland uit de oudheid. Deze continuïteitstheorie is midden 19e eeuw geboekstaafd door Konstantinos Papparigopoulos, die een ononderbroken band zag vanaf de oude Grieken, via het rijk van Alexander de Grote, Byzantium en het hooghouden van de Griekse vlam door de orthodoxe kerk, tijdens het Osmaanse bestuur, tot en met de Griekse staat die in 1821 werd geboren. Deze uit wat wonderlijke bochten bestaande theorie is nog steeds de basis van het geschiedenisonderwijs op de lagere en middelbare school. Op de universiteit is zij niet meer dominant en ontmoet zij steeds meer kritiek van prominente historici waaronder John Koliopoulos en Thanos Veremis. Hun moderne opvattingen en het doorprikken van allerlei nationalistische mythologieën, zijn echter allerminst populair bij nationalisten en de invloedrijke Griekse kerk.


Toen de ruzie om de naam Macedonië uitbrak, legden de Grieken sterk de op de (oude) geschiedenis. Het gebruik door 'Skopje' van deze naam zou neerkomen op een onverhulde poging tot het kapen van Grieks erfgoed. De Grieken voelden zich in dit standpunt gesterkt door een aantal domme provocaties van de kant van Noord-Macedonië. Zo werd als embleem voor de nieuwe staat een zonneteken gekozen dat in de oudheid overal in Griekenland, maar zeker in Macedonië, als symbool werd gebruikt. In de preambule van de grondwet werd opgenomen dat de regering van Noord-Macedonië zich ook moest bekommeren om de belangen van Macedoniërs buiten de grenzen, wat door de Grieken als een mogelijke opening tot inmenging in hun binnenlandse

aangelegenheden werd gezien. Nationalisten in Skopje lieten namaak-muntbiljetten circuleren met daarop de Witte Toren van Thessaloniki en landkaarten waarop Grieks-Macedonië als bezet gebied werd aangemerkt. De Grieken op hun beurt plakten havens en vliegvelden vol met stickers, waarop aan buitenlandse bezoekers in het Engels werd verkondigd dat Macedonië Grieks was, is en zou blijven, waaraan de oproep 'study history' werd toegevoegd. Menig toerist keek daar verbaasd van op. Menig journalist ook, want de Griekse campagne tegen erkenning door de EU van de Republiek Macedonië onder die naam, riep in de Europese pers meer weerstand dan bijval op. Het historisch argument werd niet begrepen, als onzinnig beschouwd, of beiden. Binnen de EU kreeg Athene schoorvoetend bijval. Dat had meer te maken met de toestand in het uiteengevallen Joegoslavië dan met sympathie voor het Griekse standpunt. Net voor de Grieken in januari 1994 het voorzitterschap van de EU (toen nog EG) zouden aanvaarden, erkenden Denemarken, Frankrijk, Duitsland, Italië, Groot-Brittannië en Nederland de jonge staat officieel. Weliswaar voorlopig als FYROM, maar de boodschap aan Athene was duidelijk.


Wellicht had Griekenland op meer begrip in het conflict kunnen rekenen als zijn bezwaren niet vergezeld waren gegaan van veel nationalistisch geschreeuw en gelamenteer over het historisch erfgoed. Inderdaad, men had een punt waar het om het Griekse karakter van de oude Macedoniërs ging, maar in wezen was dat irrelevant. Wat werkelijk van belang was, waren de reële angsten die in Athene leefden voor territoriale claims van het noordelijke buurland op Grieks grondgebied. Die leken in 1913 bij het Verdrag van Boekarest ter rustte te zijn gelegd, maar niets was minder waar. Tijdens en kort na de Tweede Wereldoorlog was het Joegoslavische bewind wel degelijk uit op inlijving van Grieks-Macedonië bij Joegoslavisch-Macedonië. Dat was een van de redenen, wellicht de belangrijkste, voor de Joegoslaven om de Griekse communisten te steunen in de burgeroorlog, die duurde tot 1949. In de gelederen van de Griekse communisten vocht een proportioneel groot aantal Slavischsprekenden mee. Na de burgeroorlog liet Joegoslavië haar aanspraken vallen. In 1954 sloot het zelfs met Griekenland en Turkije een pact van bijstand, dat trouwens maar een kort leven beschoren was. Bulgarije handhaafde zelfs tot 1956 haar aanspraken op Grieks-Macedonië.



Met het onafhankelijk worden van Noord-Macedonië ontwaakte de Griekse angst voor territoriale aanspraken opnieuw. Voor de buitenwereld leek er weinig aan de hand. Noord-Macedonië was een buitengewoon arm bergstaatje van ruim 25.000 vierkante kilometer (ongeveer even groot als Zwitserland) met een bevolking van nauwelijks twee miljoen inwoners. Griekenland leek daar een reus bij. Gegeven het feit dat Noord-Macedonië na het uitroepen van de onafhankelijkheid nauwelijks beschikte over een leger, laat staan over modern oorlogstuig, en Griekenland een van de hoogste defensiebudgetten van de NAVO had, leek het Griekse gevoel van bedreigd te worden paranoïde onzin. Toch kunnen we de zaak daarmee niet zomaar afdoen. De Balkan was net voor een deel geëxplodeerd door het bloedige uiteenvallen van Joegoslavië. Er bestond een niet geheel te verwaarlozen kans dat de oostelijke Middellandse zee eveneens in vlammen zou opgaan. Daar speelde een aantal conflicten, waaronder diepgaande onenigheid tussen Griekenland en Turkije over de Turkse bezetting van Noord-Cyprus, de afbakening van het continentaal plat in de Egeische Zee, de afbakening van het luchtruim en de uitbreiding van de territoriale wateren. Het uitsturen van een exploratievaartuig door Ankara naar de Egeïsche Zee in 1987, bracht beide landen op de rand van oorlog. De grote angst nu in Griekenland was dat Turkije zich zou opwerpen tot beschermheer van Noord-Macedonië om zijn positie tegenover Athene te versterken. Dat was gezien de snelle erkenning door Turkije van de Republiek Macedonië geen onzinnige gedachte. Wellicht had het uitspelen door Athene van de strategische kaart in plaats van de nationalistisch-historische tot meer begrip binnen Europa geleid. Of dat ook voldoende zou zijn geweest om de regering van Noord-Macedonië, die zich tot nu toe zeer compromisloos opstelt, tot een definitieve oplossing te bewegen, is nog maar de vraag.


De regering in Skopje hield vooral onder druk van het zeer populaire nationalisme voet bij stuk. Een wat overgevoelige angst voor roof van het Griekse erfgoed en een reële angst voor territoriale aanspraken en Turkse bemoeienis zorgden voor een hard standpunt in Athene. Het Interimakkoord, dat na moeizame bemiddeling tot stand kwam, was in beider belang. Noord-Macedonië kon ongehinderd een rol gaan spelen op het internationale toneel en zich economisch gaan ontwikkelen. Dat laatste was ook een Grieks belang, als relatief grote investeerder op de Balkan. De mogelijkheid van een as Skopje-Ankara werd aanzienlijk minder waarschijnlijk. Wanneer de tijd rijp is voor een definitieve oplossing van de ruzie is niet te voorspellen. Conflicten kunnen taai zijn, zeker in gebieden waar het nationalisme een sterk bepalende kracht is in de politiek.

Geen opmerkingen: