donderdag, maart 29, 2012

Lentedag


Het is een uitzonderlijk mooie lentedag. Een soort bevrijding na maanden van overwegend grijze dagen. Ik stap op de fiets, liever gezegd Stella's fiets, want de mijne, een afdanker van mijn vader, is na veertig jaar trouwe dienst en vergaand verroest naar een Pools kindertehuis gestuurd, waar hij na te zijn opgeknapt nog een paar jaren van nut kan zijn. Het weer noodt tot een tochtje over mijn eiland. Ik wil naar de Kop van 't Land, waar ik vroeger vaak met Stella koffie ging drinken, maar ik volg niet onze gebruikelijke route richting Noordendijk en verder over de Schapendijk, want dan moet ik de Reeweg over en die ligt nog steeds open vanwege de hemel weet welke werkzaamheden. Doodziek ben ik zo langzamerhand van het graven, bestraten en onmiddellijk weer voor iets anders openbreken van de straten in mijn buurt. Dan voor dit, dan voor dat en alles met zo weinig mogelijk planning. De Transvaalstraat na jaren bakkeleien mooi geasfalteerd en hup, een paar maanden later de boel weer open, laatstelijk voor de nieuwste snelheidstrent, het glasvezelnet. Het trottoir voor mijn huis was amper dicht of er stond een opdringerige jongeman voor de deur, die mij wist te vertellen dat ik wel zo'n aansluiting moest nemen. Vandaag of morgen gingen de andere aansluitingen eruit, meende ik te begrijpen, en dan zat ik. Niks zitten. Hij kletste maar wat uit zijn nek en mocht het ooit toch gebeuren, dan zetten we een schotel op het dak en kan ik zelfs naar de Griekse televisie kijken. Die schotel zweeft al tijden in mijn gedachten. Mochten ze ooit BBC 1 of 2 van de kabel halen, dan is de beslissing daarmee genomen. Aan opdringerige types aan de deur, die mij iets willen verkopen, heb ik een meer dan gemiddelde hekel. Liever heb ik dan nog de getuigen van Jehova. Die stuurden een tijd lang de mooiste meiden op mij af, maar omdat ook dat zonder resultaat bleef, lijken ze mij te hebben opgegeven.


Ik koers naar het zuidoosten, langs het terrein van DFC. Als clubdichter kijk ik even spiedend rond of ik geen onraad zie, maar alles ligt er vredig en onverstoord bij. Daarna langs Dubbeldam en voorbij de watertoren het boerenland in. Het is vijf jaar geleden dat ik hier reed, realiseer ik mij ineens. In het voorjaar van 2007, enkele maanden voor Stella overleed. Ze wilde per se leren fietsen toen ze zich in Nederland vestigde en wat leent zich daar beter voor dan het almaar slinkende polderland ten zuiden van Dordrecht? Voorbij de Oudendijk doemt aan de linkerkant van de weg de nieuwste stadsuitbreiding op, de Hoven, met scheepslengten voor de saaiste villawijk van Nederland. Het zal binnen in die kasten allemaal prachtig zijn, maar zelfs de zwaarste insomnia-patiënt krijgt slaapneigingen bij het zien van zo'n aangeharkte boel. Rechts ligt een vers geploegde akker. Hoe lang nog, vraag ik mij angstig af. Heel veel Dordtenaren hebben bij de laatste raadsverkiezingen gestemd op de lokale partij die zich keerde tegen het verder volbouwen van het buitengebied, maar heeft de wethouder van ruimtelijke ordening die overambitieuze en over weinig 'Dordt-gevoel' beschikkende ambtenaren, die over de Zeedijk willen bouwen, wel voldoende onder de duim? De tijd zal het leren en die is meestal in het voordeel van de projectontwikkelaar en zijn medestanders.


Ik fiets tegen de Zeedijk op. Plotseling ligt de Nieuwe Merwede voor mij. In kalm tempo komt het veer naar Werkendam aanknorren. Zal ik wel of niet overvaren? Dat gaat te veel tijd kosten, want ik heb later op de middag een afspraak bij Visser. Ik drink koffie op het terras van het Fluitenkruid. Een naam die me doet denken aan de 'groenzoeters en bosneukers' van Gerard Reve, maar het is er aangenaam. Aardige mensen, beschaafde prijzen en een rustgevend gezicht op de rivier. Hoe vaak zaten Stella en ik hier niet op zonnige middagen, bedenk ik. Bij het zomerse brommen van een overtrekkend vliegtuigje. In de verte de motoren van een langsglijdend schip en vooral het geluid van de vogels, de bijen, soms van een hommel. Drie mussen zitten op korte afstand in de heg schel te kouten. Even trekt er een gevoel van weemoed voorbij, maar al snel is het tijd om terug te rijden naar de stad. Terwijl ik Stella's fiets van het slot zet hoor ik mijn naam. Collega-dichter Wim Jilleba en zijn vrouw. Wim, die in zijn bundel Drie stromen zulke mooie gedichten over dit polderland schrijft. Mochten de projectontwikkelaars het pleit ooit winnen, dan hebben we gelukkig die verzen nog.


zondag, maart 25, 2012

Rommeltaal

Iemand schrijft mij bezwaar te maken tegen de zinsnede 'daar is het niet van gekomen.' Het zou 'dat is er niet van gekomen,' moeten zijn. Ik weet het niet. Ik ben historicus, geen taalkundige. Formeel heeft de man wellicht gelijk. Het ging om iemand die op de hei wilde gaan wonen, maar dat nooit heeft gedaan. Dat deed hij niet. Niet daar deed hij niet. Toch klinkt 'daar is het niet van gekomen' mij even correct in de oren. Dat komt omdat de taal voortdurend in beweging is en steeds verandert. Als een foutieve constructie gemeengoed wordt, dan wordt zij op een gegeven ogenblik correct. Je leert je taal door de mensen in je omgeving na te praten. Dat kopieergedrag raakt de mens nooit kwijt. Het is de basis van modieus taalgebruik en van de onstuitbare veranderlijkheid van de taal. Veranderingen zijn ook hier niet altijd verbeteringen. Soms wordt de taal er wolliger, onduidelijker, in mijn ogen ondoordachter en niet altijd mooier door.


Ik ben geen taalpurist en ik verwerp niet per definitie iedere verandering, maar dat mal jargon (iets 'communiceren'), contaminaties (iemand 'inhuren' of informatie 'aanleveren'), verbasteringen uit andere talen (inschatten), modieus gekakel ('het kan toch niet zo zijn dat...') of foutieve woordbetekenissen (de zaak is helder) populariteit genieten, vind ik jammer. Ik schaam mij regelmatig plaatsvervangend voor de schaapachtigheid van iemand die ik kromtaal hoor gebruiken als: 'Ik heb aangegeven dat ik liever iets anders ga doen.' Ik lees regelmatig literair bedoelde manuscripten. Wordt daarin aangeleverd naar iemand toe die dat communiceert en met een ander doorexcerceert en vervolgens inschat dat helder is wat er moet worden gedaan om de tragische heldin toch best wel een stuk levensblijheid te laten invoelen, dan leg ik zulke huisvlijt als hopeloos terzijde.


Verder dan zelf zoveel mogelijk rommeltaal vermijden, ga ik niet. Mijn vader wilde in zijn cursiefjes nog weleens tegen de bierkaai ten strijde trekken. Ik ben berustender. Ik heb lange tijd leerlingen gecorrigeerd die zeiden: 'Meneer ik heb mijn boek niet bij.' 'Ik heb mijn boek niet bij mij, jonge vriend.' Tot ik het ook begon te horen in de lerarenkamer. Laat maar, dacht ik, al hoop ik dat ze mij nooit zullen betrappen op 'ik heb mijn huissleutels niet bij.' Vroeger waren wij weinig beter. We gebruikten om het hardst 'weet je wel' als stoplap en 'te gek.' Er waren in die tijd zelfs doorgedraaide heethoofden die een fonetische spelling bepleitten, maar nu dwaal ik af, want taal en spelling zijn twee geheel verschillende zaken. Het behoeft geen betoog dat ik een voorkeur heb voor de spelling van voor 1997. Als ik meer verstand had van naamvallen, zou ik die van voor 1948 mieters vinden, maar dit alles terzijde.


Het is even zinloos om je tegen het bestaan van regen te verzetten als tegen het veranderen van de taal. Dat betekent niet dat je moet nalaten je dak te repareren en de hemelwaterafvoer goed te regelen. Napraten doen we allemaal, maar het is zaak je hoofd erbij te houden en het niet klakkeloos te doen. Ik gebruik nog altijd duidelijk in plaats van helder omdat ik geen suf schaap in een kudde wil zijn. Daarom ga ik ook nog eens nadenken over 'daar is het niet van gekomen.'


donderdag, maart 22, 2012

Kunst


Op de middelbare school hadden we een leraar kunstgeschiedenis die enigszins moeilijk liep, met behulp van een stok. Hij had een wilde, grijze kuif en een gezicht dat een beetje deed denken aan een buldog. Hij was bezeten van kunst en kon in feite alleen maar over zijn vak praten. Tijdens de middagpauze ging hij op de parkeerplaats van de school in zijn auto zitten, met een plastic trommeltje, en at in eenzaamheid zijn brood. Het was in die tijd normaal dat op onze school kunstgeschiedenis werd aangeboden. Daar hoorde ook een jaarlijkse excursie bij. Op een dag reden wij in een touringcar naar Brugge. Bij het Groeningemuseum werden we uitgeladen en schuifelden we achter de leraar aan naar binnen. Hij kon geweldig vertellen en raakte daarbij regelmatig in extase. Dan wees hij van alles aan met zijn stok, die vervaarlijk op enkele millimeters afstand langs de schilderijen zwiepte. In welk museum hij ook kwam, overal was bij zijn verschijnen de paniek onder de suppoosten voelbaar. Ik moet er nog weleens aan denken als ik Brugge bezoek, al was ik op die bewuste dag meer gefascineerd door Janneke B., waarop ik niet alleen een oogje had vanwege haar betoverende schoonheid, maar ook omdat ze de kleindochter was van een beroemde Rotterdamse schrijver, die helaas enkele jaren daarvoor was overleden en dus niets meer kon doen om mijn carrière als dichter te bevorderen. Ik mocht die dag hand in hand met haar lopen, maar in de week daarop ontdekte zij een jongen uit de parallelklas, een kop groter dan ik, waarmee zij later zou trouwen.


Onze leraar verkondigde dat er in feite geen definitie van kunst was te geven, hoe vaak ook geprobeerd. Allemaal tevergeefse moeite, vond hij. Een man van de Renaissance, noemde hij zichzelf. Hij leerde ons dat de mens de maat van alle dingen was. Daaruit trok ik de conclusie dat kunst kunst was als ik vond dat het kunst was. Een opvatting die mij niet langer bevredigde toen ik als specialisatie voor de Acte Geschiedenis M.O. kunstgeschiedenis koos. Op de opleiding werd fanatiek reclame gemaakt voor de specialisatie sociaal-economische geschiedenis, in lijn met de tijdgeest, maar ik wist niets van economie. Alleen dat het een pseudo-wetenschap was en een machteloos middel tegen geldhaaien en graaiende bankiers. Ik liet me nog wel overhalen om een soort van introductiecollege economie voor historici te volgen. Toen ik aan het einde daarvan wakker werd, besloot ik definitief voor kunstgeschiedenis te kiezen. Een feit waarover ik later mijn leerlingen graag vertelde, al was het maar om hen van de onbegrijpelijk populaire studie economie af te houden. Wat kunst was werd tijdens de specialisatie bepaald door H.W. Janson en E.H. Gombrich, wiens respectievelijke handboeken we bestudeerden. Ik haalde tijdens het mondeling tentamen een negen, omdat ik niet alleen een reeks voor mij uitgestalde afbeeldingen van kunstwerken van het juiste commentaar voorzag, maar ze en-passant op chronologische volgorde legde, wat door de examinatoren als een formidabele prestatie werd gezien. Ik kon voortaan als kunstkenner door het leven.


Het zal ongeveer terzelfder tijd zijn geweest dat ik een passage las bij Gerard Reve, waarin hij zijn definitie van kunst gaf. Iets onmogelijks, was mij geleerd, maar Reve was tot meer onmogelijks in staat, zoals geslachtelijk met God verkeren. Ik weet niet of ik hem helemaal correct citeer en ik ben te gemakzuchtig om het op te zoeken, maar ik geloof dat hij het ongeveer zo stelde: kunst is een gestileerde handeling die ontroering teweeg brengt. Het is in ieder geval een omschrijving van kunst waarin ik mij tot nu toe het best kan vinden. Kunst moet mij kunnen ontroeren. Is dat niet het geval dan ga ik er schouderophalend aan voorbij, hoe technisch knap zij ook mag zijn. De schuine lijnen van de Rotterdamse Kunsthal ontroeren mij niet, evenmin als de mathematische kleurvlakken van Mondriaan. Was hij maar doorgegaan in de trant van zijn jeugdwerk. Ik ben blij met de verbouwing van het Dordrechts Museum, want nu kan ik na de ingang direct rechtsaf de 19e eeuw in en hoef ik niet, zoals vroeger, op volle kracht door de afdeling eigentijdse kunst te snellen. Nee, ik ben geen behoudende zak op gevorderde leeftijd die perse moet kunnen zien 'wat of dat het voorstelt,' maar van veel eigentijdse kunst moet nog maar blijken of zij de tand des tijds doorstaat en kunstwerken die slechts tot leven komen door het erbij geleverde verhaal zijn tot nu toe niet in staat gebleken bij mij enige ontroering teweeg te brengen.


Hoewel ik in menig opzicht een 19e eeuwer ben, een man van inktstel en stoomtractie, blijf ik proberen mij door hedendaagse kunst te laten ontroeren en soms lukt dat wonderwel. Enkele jaren geleden bezocht ik in Dordrecht een kleine tentoonstelling van schilderijen door Richard van den Dool, de man achter de helaas teloor gegane poëzie-uitgeverij Wagner & Van Santen. Er hing een tiental werken, allen behorend tot het non-figuratieve genre. Ieder schilderij maakte in eerste instantie de indruk van een kleurrijke, willekeurige verzameling streken en stippen, maar als je er even geconcentreerd voorstond, opende zich een verrassend, zich steeds verdiepend, ja bijna magisch landschap. Ik heb er meer dan twee uur volstrekt gefascineerd rondgelopen. Het waren gestileerde handelingen die bij mij een diepe ontroering teweeg brachten. Kortgeleden had ik weer een aangenaam verrassende ervaring, toen ik naar Galerie Witt in Dordrecht ging, voor de opening van een tentoonstelling van Liesbeth Rahder. Een zeer gevarieerde expositie. Transparante olieverfschilderingen op doek, met opvallende okers en aardkleuren. Poëtische schilderijen vond ik het, evenals die van Van den Dool, maar volkomen anders qua beeldtaal. Er hing een opvallend strandtafereel dat mij in de verte aan Mesdag deed denken, hoewel zij een geheel andere techniek gebruikt. Schilderijen die mij een soort van aha-erlebnis gaven, zoals me wel overkomt als mij plotseling een bruikbare dichtregel invalt. Er lopen in de wereld van de eigentijdse kunst minstens evenveel oplichters en charlatans rond als in de gewone wereld, maar ook kunstenaars als Richard van den Dool en Liesbeth Rahder. Dat geeft moed.


De tentoonstelling in Galerie Witt ( http://www.galeriewitt.com ) is nog te bezichtigen tot en met 22 april 2012.



maandag, maart 19, 2012

Roken


Een fanatieke roker ben ik niet. Ik rook dagelijks graag een enkele sigaar en steek nu en dan een pijp op. Nooit meer dan de vingers van een hand. Sigaretten rook ik niet en ik inhaleer nooit. Volgens mijn huisarts rook ik daarom niet. Roken in de horeca is vrijwel overal in Europa verboden. In de Verenigde Staten ook. Het rookverbod is van daaruit komen overwaaien. Eerst vond men er de sigaret uit, drong die aan de rest van de wereld op, en nu moet roken weer worden uitgebannen, omdat het ongezond is. Amerikanen behoren tot de dikste mensen van de wereld. Ze eten er als gekken, liefst enorme brokken vlees, met vette sauzen, patat en ander smaakvol voedsel. Daarna stapt men in de auto. De meeste Amerikaanse steden zijn gebouwd op de auto. Als je er geen auto hebt ben je een absolute pauper, maar vaak nog wel te dik. In Amerika is men ook erg tegen het beperken van de CO2-uitstoot. In Europa zien we Amerika vaak als een lichtend voorbeeld, omdat de Amerikanen zich hebben ingespannen om het nazisme te verslaan. De Amerikanen worden terecht gezien als onze bevrijders. Dat ging niet geheel zonder eigenbelang, maar dat hindert niet. Landen zijn geen filantropische instellingen. Wel vergeten wij nogal eens de bijdrage van de Russen, die nog aanzienlijk groter was dan die van de Amerikanen. Over het heldhaftige optreden van de Polen in de slag om Arnhem praten we liever zo weinig mogelijk. Polen zijn mensen waarover je klachten indient. In mijn straat woont een aantal Polen. Jonge stellen die 's morgens tijdig naar het werk gaan, niet in alle vroegte of 's avonds laat met autodeuren slaan, de geluidsinstallatie op beschaafde toon houden en die auto ook nog eens in een daarvoor bestemd vak parkeren. Ik loop weleens spiedend rond. Iedere Poolse auto heeft een parkeervergunning. Ik word in mijn klagen gefrustreerd. Dat moet ik die Polen natuurlijk kwalijk nemen.


Ik ben ook, ik geef het toe, een tikje gefrustreerd door het rookverbod, dat ik vooral associeer met hypocriete geestdrijvers die ondanks alle nadelen voor het milieu autorijden, vliegen en wintersporten. Sinds het rookverbod is de klandizie in de horecagelegenheden waar ik kom, behalve verminderd, qua karakter niet of nauwelijks veranderd. Wel is het minder gezellig omdat er voor de deur moet worden gerookt, of in een aparte ruimte. In Nederland is voor de deur roken niet zelden buitengewoon onaangenaam, we hebben nu eenmaal overwegend een keldervloerklimaat. Ik ga niet buiten roken, behalve als het terrasweer is, en in een rookruimte ga ik alleen zitten als ik in ander, rokend gezelschap ben. Als ik verkouden ben rook ik soms dagen niet. Dat is geen probleem, omdat ik niet inhaleer en derhalve niet nicotineverslaafd ben. Waarom die frustratie dan? Ik ben tegen bedillerige, paternalistische en moralistische overheden die mij iets opleggen 'voor mijn eigen bestwil.' Ik ben tegen hypocriete mensen, vooral het soort dat vroeger zelf als een ketter rookte, die voor mij beslissingen denken te moeten nemen. Ik ben tegen geestdrijvers, want die zijn de motor achter de moord en doodslag die wij de wereldgeschiedenis noemen. Iedereen dient zelf te weten of hij een bromfietshelm wil dragen, een autogordel gebruikt, buiten de piste gaat skiën, zich doodeet of -drinkt of een peuk opsteekt. Ja, meeroken is slecht. Het mede opsnuiven van uitlaatgassen ook. Leven op deze planeet is onvermijdelijk een dodelijke activiteit. Wie gezond wil blijven kan zichzelf maar beter zo snel mogelijk ophangen. Dat van mijn ziektekostenpremie ook een deel naar mensen gaat die zo nodig hun botten moeten breken met schaatsen of andere riskante sporten, vind ik geen probleem. Ik betaal via de belasting ook mee aan de kinderen van een ander, al heb ik ze zelf niet. Geen probleem. Solidariteit is een groot goed. Als je dat niet vindt, moet je allereerst het autorijden verbieden. Dat risicogedrag dat veel slechter voor het milieu is dan het roken van een sigaartje. In plaats daarvan verhogen wij de maximumsnelheid en verbieden het roken in de kroeg.


Ik zal de laatste zijn om risicogedrag te stimuleren, maar dat is weer wat anders dan verbieden en zonder dat gedrag valt er weinig te genieten op deze toch al zo treurige aardkloot. Toen ik nog in het onderwijs zat, zei ik weleens tegen mijn leerlingen: 'roken, begin er niet aan,' hoewel dat voor menigeen juist een aansporing was, vrees ik. Zo werkt de pubergeest nu eenmaal. 'En u dan, meneer, met die pijp?' vroegen ze weleens. 'Ik?' zei ik dan, 'ik heb van de dokter gehoord dat ik niet rook,' waarna ik in de pauze tevreden een pijp opstak.


donderdag, maart 15, 2012

In DWDD


'Maar waag het niet om ooit te verschijnen in de platvloerse beroemdheidskermis van DWDD,' schrijft een collega dichter mij in een e-mail. DWDD zie ik zelden. Om half acht 's avonds zit ik te eten en dan kijk ik geen televisie, want ik ben netjes opgevoed. Of ik ben blijven hangen in de kroeg. Cafébezoek kreeg ik niet mee in mijn opvoeding, maar is een beroepsdeformatie. Ik ben namelijk dichter. Dichter in Dordrecht en soms in Thessaloniki. Er zijn een paar redenen waarom ik niet voor DWDD hoef te vrezen. Een dichter is zelden of nooit interessant, zeker zijn werk niet, tenzij er sprake is van een spectaculaire, kijkcijfersbevorderende levenswandel. Ik water weleens tegen een boom in het Oranjepark als ik te veel bier op heb en ik fiets weleens door rood, spectaculairder is mijn levenswandel niet. Een dichter uit Dordrecht is een zonderling type dat zich ophoudt in een moerasgebied ver van Amsterdam. Wie in Nederland wordt opgewonden van een orakelende moerasbewoner? Tenslotte koester ik mij regelmatig in de Griekse zon, zit daar urenlang op het balkon op mijn luie krent naar het gebulder in het aanpalende Paok-stadion te luisteren of van jullie Hollandse belastingcenten in ledigheid mijn pijp en sigaren te roken. Daar word ik zeker niet gebeld door de redactie van DWDD, want een retourtje Thessaloniki – studio DWDD is iets duurder dan de taxi vanuit Dordrecht. Te prijzig, denk ik, voor een sukkel die versjes schrijft. Het is een rustgevende gedachte dat de vriendschap met de e-mailende collega niet in gevaar zal komen.


Ik schrijf ook dagboeken. Pas is deel drie, Reisgriep, gepubliceerd bij uitgeverij Liverse. Literaire dagboeken, want het gaat mij allereerst om het verhaal, de compositie, de sfeer en wat je er allemaal nog bij kunt verzinnen, dan om de waarheid. De waarheid is de basis van mijn verhaal, maar het is wel mijn waarheid en daar goochel ik weleens mee, als het zo uitkomt, alsof ik mijn naamgenoot Hans Klok ben. Hans is geen familie, dat wordt mij regelmatig gevraagd, zoals hij ook steeds te horen krijgt: 'Kees Klok, is dat familie?' Als hij wel familie was, dan zou hij in het familieboek staan. Wij hebben een echt familieboek, in 2005 uitgegeven in Nijkerk, waar de familie Klok, mijn tak van de familie Klok, zijn wortels heeft. Hij, Hans, zou in dat geval schaker zijn geworden, in plaats van goochelaar. Ik gebruik bij het schrijven van mijn literair dagboek soms mijn fantasie en soms ben ik zo doodernstig dat de werkelijkheid als oude stront aan de pagina's zit vastgekoekt. De lezer mag het uitzoeken. Ik heb geen idee hoeveel tijd van leven ik nog heb, maar ik sluit niet uit dat over een aantal jaren iemand in een van mijn boeken leest dat ik op een avond in DWDD mijn geslacht heb ontbloot en dat, gedrapeerd met wat blaadjes peterselie en wat schijfjes komkommer, op een schotel aan Matthijs van Nieuwkerk heb gepresenteerd, terwijl ik met mijn andere hand zwaai met mijn nieuwste boek. Wedden dat de sukkel die het gelooft niet door heeft dat ik dat van Gerard Reve heb gejat?


maandag, maart 12, 2012

Senang



Ik ben geen depressief type, maar er zijn van die ogenblikken dat ik door een zekere weemoed en somberheid word aangestreken. Bijvoorbeeld vanmiddag toen ik tegen het vallen van de avond naar huis wandelde. De winkels waren al gesloten en zoals gewoonlijk vult dan een dorpse leegte de Dordtse straten. Ik heb waarachtig niet te klagen. Mijn nieuwe boek is uit. Over een paar dagen signeer ik het in mijn stamcafé en daarvoor heeft zich al een groot aantal liefhebbers gemeld. Vooral op Facebook. Ik heb gemerkt dat veel 'facebookvrienden' altijd luchthartig aanklikken dat ze naar je 'evenement' komen en vervolgens niet verschijnen, maar dat zal niet voor iedereen gelden. Twee weken geleden schreef Kees van Tol een mooi stuk in AD-Drechtsteden over Reisgriep, ik ben al een week lang iedere avond te zien op RTV-Dordt, in gesprek met Ad v.d. Herik, en er is een lovend stuk over het boek aanstaande in De Stem van Dordt door Emile v.d. Velden. Van mensen die Reisgriep al hebben gelezen krijg ik mooie reacties. Daar ben ik blij mee. Eigenlijk moeten alleen De Volkskrant, het NRC-Handelsblad, De Standaard, Het Parool, Trouw, Vrij Nederland, De Groene Amsterdammer en De Wereld Draait Door nog over de brug komen en dan kan ik er ongeveer zeker van zijn dat Reisgriep volgend jaar op de Avond van het Boek de prijs van de leraren Nederlands in de wacht sleept. Mijn uitgever werkt al aan een tweede druk, waarvoor ik rap de tekst nog een keer moet corrigeren. Onvermijdelijk staan er wat achtergebleven foutjes in, zoals vlijen in plaats van vleien. Perfectie bestaat niet, maar dat hoeft geen reden tot somberheid te zijn.


Ik zou blij huppelend huiswaarts moeten gaan, maar het vallen van de avond zit er tussen. Is het eenmaal donker en zit ik knus achter de gordijnen naar mijn favoriete radioprogramma De Avonden te luisteren op Radio 6, dan voel ik mij weer helemaal senang. Daarvoor moet ik er bijna iedere avond even doorheen. Dat ogenblik dat het gaat schemeren en ik word teruggeworpen op mezelf. Het klinkt dramatischer dan het is, maar door de schemering word je steeds weer even met de neus op je eigen schemering gedrukt. Dat is geen prettig gevoel voor een geest van 21 in een lichaam dat nog wel geen drie keer 21 is, maar daar wel een beetje bij in de buurt komt. Ik vind het prachtig, al die levenservaring die mij toegewaaid is, hoewel niet altijd van de aangenaamste soort. Ik ben blij met al die boeken die ik heb kunnen lezen, al besef je meer en meer hoeveel je er door gebrek aan levensduur onberoerd zult moeten laten. Ooit bezocht ik met enkele collega's en een groep leerlingen een wijnmakerij in Griekenland. In de opslag lagen anderhalf miljoen flessen kostelijke wijn. De wetenschap dat je die nooit van je leven opgedronken krijgt, al doe je nog zo hard je best, doet je het onvermogen van de mens beseffen. Hoe harder je je best doet, hoe minder flessen je zult kunnen ledigen. Dan geeft de lever het op. Soms moet je je neerleggen bij de onvermijdelijkheid der dingen. Bij de wetenschap dat dat meisje van even in de dertig, waarop je heimelijk verliefd bent, wel iets anders op haar verlanglijstje heeft dan jouw uitgeleefde kop. Dat je beter de laatste fles niet kunt leegdrinken. Dat leidt alleen maar tot vroegtijdige opname in het verpleegtehuis, waar je dan je teleurstellingen kunt verbijten.


De avond is definitief gevallen. Ik doe de lampen aan, trek de gordijnen dicht, schakel de radio in en voel mij weer helemaal senang.


zondag, maart 11, 2012

Poedelprijs



In 1981 won ik op het Fokker-schaaktoernooi in Papendrecht de Poedelprijs. Een fraaie beker werd mijn deel. Hij prijkt nog steeds op de schoorsteenmantel in mijn werkkamer als herinnering aan dat bijzondere wapenfeit. Het was mij gelukt geen enkele wedstrijd te winnen of remise te spelen. Ik moest daaraan denken toen ik dinsdagavond door een enorme blunder plotseling mat werd gezet in een competitiewedstrijd bij De Willige Dame. Mijn vader zou mij ernstig hebben beknord. Hij leerde mij schaken, maar ik heb hem in dat edele spel nooit kunnen overtreffen. Dat was anders in het geval van mijn vriend Lupius. Ik leerde hem schaken en deed dat zo voortreffelijk dat hij al spoedig veel sterker speelde dan ik en vrijwel zijn gehele schaakloopbaan in de bovenste regionen van de Dordtse schaakwereld doorbracht. Lupius, zoals we Gerrit de Wolf noemden, een naam die mijn studiemaatje Peter Bonte ooit verzon, is alweer twee jaar geleden overleden. Peter overleed deze maand zeventien jaar geleden. Ik zit graag op een terras. Dan heb ik vaak het idee dat zij er nog steeds bij zitten. Het is zoals de oude Grieken zeiden: zolang je wordt herinnerd leef je voort.


Ook Lupius zou mij gisteravond zeer beknord hebben. Dan kon hij heel streng kijken en mompelde hij iets in zijn baard dat ik met mijn slechte gehoor zelden opving. Het hield wel een duidelijke boodschap in: wees toch eens wat minder slordig en denk even een minuutje langer door. Als ik beter sta in een partij begin ik mij bij voorbaat te verkneukelen op de overwinning, denk dat er niets meer mis kan gaan en ga snel en onzorgvuldig spelen omdat ik zit te popelen om thuis de vlag uit te gaan hangen. Dan sta je weleens plotseling mat. Het gebeurde mij twee weken geleden, vorige week en gisteren weer. Poedelprijs! Zou De Willige Dame straks ook zo'n mooie beker voor mij hebben?


Kort geleden droeg ik een gedicht voor tijdens de prijsuitreiking van het Open Nederlands Kampioenschap Snelschaak, in het prachtige gebouw van het Da Vinci College op het Dordtse Leerpark. Voor ik het vers declameerde had ik het over mijn schaakclub, die eigenlijk een schaaksociëteit is. Gezelliger en minder streng dan de gemiddelde schaakclub. Omdat het een internationaal gezelschap betrof, schaakdichterde ik in mijn tweede mother tongue, het Engels. Ik sprak over 'The Willing Lady.' Eigenlijk had ik 'The Willing Queen' moeten zeggen, maar voor je het weet krijg je gedonder met de Rijksvoorlichtingsdienst en mijn bloeddruk stijgt nu eenmaal meer bij willing lady's dan bij willing queens. Mij zie je niet met een oranje toeter op mijn kale knar op koninginnedag, tenzij ik net zo dronken ben als gisteravond na die poedelmat. Toernooiwinnaar Yasser Seirawan bleek zo geamuseerd door The Willing Lady, dat ik er, volgens boze tongen, want zelf heb ik het stuk gemist, het AD mee heb gehaald. Nu sta ik dus als schakende seksmaniak te boek. Daarvoor zou ik ook wel een poedelprijs willen. Een beker met de afbeelding van een troostende jongedame.



woensdag, maart 07, 2012

Scheepsrecht



Als ik het gehype op de Nederlandse radio zat ben, zet ik de BBC op. Al is het maar omdat daar doorgaans op kalmere toon wordt gesproken en omdat er deels een andere waan van de dag heerst. De BBC is de rots in de branding van een vervuilde mediazee, waarin de tabloids als reusachtige kwallen ronddrijven. Bij zo'n tabloid vergeleken is een herriemakersomroep als PowNed een kinderbewaarplaats en bestaat het puberale duo dat op zondag te middernacht zijn onbeschaafde onmacht komt uitkraaien onder de naam Echte Jannen, uit twee hersenverweekte watjes. De BBC werkt soms verademend, maar er zijn dagen dat ik ook de adellijke dame in internationaal omroepland moeilijk kan verdragen. Op zulke dagen heb ik de neiging mij af te wenden van het woeden van de wereld. Dat heb ik van mijn vader. Die kondigde dan aan het liefst te gaan wonen in een hutje op de hei. Daar is het nooit van gekomen. Hij was namelijk als de dood van het kruipend gedierte dat zich in de vrije natuur ophoudt. Ik geef in zulke gevallen de voorkeur aan een afgelegen Grieks eiland, dat nog niet is ontdekt door het massatoerisme. Het is even zoeken, maar die zijn er nog. Ben ik niet in staat terstond af te reizen naar Limnos, Samothraki of Skyros, dan wil uitzetten van de telefoons ook nog weleens helpen. Even onderduiken in eigen huis en hopen dat er niemand aan de deur komt. Geen idee hoe ik de bel moet afzetten, maar die hoor ik toch de helft van de tijd niet. Daarom moet ik mijn buren regelmatig lastigvallen als er weer eens een pakket boeken door de post bij hen is afgegeven, terwijl ik nietsvermoedend op mijn werkkamer zat.


Helemaal consequent is dat niet, want op gezette tijden, als het om Griekenland gaat, doe ik ook mee aan het mediacircus en geef ik als historicus volop commentaar. Nietzsche zei echter al iets in de trant van jeder Konsequenz führt zum Teufel en daar ben ik het mee eens. Meestal komt dat commentaar geven neer op geleid koffiedik kijken. Ik bedoel daarmee vanuit het verleden doorredeneren naar de toekomst, ook al weten we nooit goed hoe die er gaat uitzien. Zo sta je als minister van financiën op krenkende wijze de Grieken de les te lezen vanwege hun begrotingstekort, en zo moet je zelf in Brussel op de knieën omdat je eigen begrotingstekort onverwacht hoger is dan je dacht en vrijwel alle wetenschappers roepen dat bezuinigen de economie meer kwaad dan goed doet. Dat hebben ze in Griekenland inmiddels ervaren. Daar groeit het leger van meer dan 25.000 daklozen in Athene met de dag. Voorlopig valt het in Nederland nog mee. Eén keertje met Oud & Nieuw géén vuurwerk afsteken betekent voor een flink aantal Nederlanders al dat hun koopkracht dit jaar niet of nauwelijks daalt. Mij over dat soort dingen een tijdje niet druk maken, ik snak er soms naar. Ik voel me weleens verwant aan de struisvogel. Lekker de kop in het zand. Als het water langs de muur loopt omdat mijn hoogbejaard dak weer eens lekt, even doen alsof je niets ziet.


Ik heb mijn leven lang heen en weer gezweefd tussen een ingeboren behoefte om mij overal mee te bemoeien en de wereld van mijn gelijk te overtuigen en de even ingeboren behoefte de hele kolerezooi de kolerezooi te laten en ergens ver weg gedichten te gaan schrijven. Daarom is het met mij nooit iets geworden in de politiek. Ik ben weleens lid van een partij geweest, vond dat zo'n beetje mijn burgerplicht, maar als er dan na een paar vergaderingen werd voorgesteld dat ik op een lijst moest voor de gemeenteraad, ongeveer het makkelijkste wat er te bereiken is, je hoeft er alleen maar glad voor te babbelen en toneel te spelen, zag ik een toekomst voor mij met beleidsnota's, vergaderingen, commissies en zeikerds uit de bevolking die je over iedere scheet aanspreken. Dan rende ik weer gillend de partij uit. Dat is mij drie keer overkomen. Drie keer is scheepsrecht, luidt het gezegde.


zondag, maart 04, 2012

Father and Son



If there was one to take this ceremonial place
it would have been my father
who taught me to play chess
though never well enough to surpass him.

Poetry he did not teach me
and neither speed nor haste.
A quiet man he used to play at ease
taking time quite often too easy.

Remaining at the top of our competition of two
he earned his respect at the local club
while I fled into poetry opening up visions
he'd already discovered in the game.

He would have been
ninety five by now
honouring the winner
of this speedy competition.

He would have respected him
albeit not really understand.

It turns us once again into
two bodies, one split soul.

©Kees Klok


On the occasion of the Open Dutch Rapid Chess Championship/
Open Nederlands Kampioenschap Snelschaken


Da Vinci College, Leerpark, Dordrecht, March 3, 2012





http://www.snelschaakmarathon.nl/SSM2011

vrijdag, maart 02, 2012

Snel



Er wordt in de straat gegraven, want er moet een glasvezelkabel worden gelegd. Voor een vlotte communicatie. Ik ben wat terughoudend in die dingen: ik communiceer al vlot genoeg en ik heb al een kabel. Twee zelfs. Eentje voor de telefoon en het internet en een andere voor de radio en de televisie. Dat lijkt mij genoeg voor de rampberichten en de waan van de dag. Ik hoef die glasvezelkabel niet en daarom heb ik de uitbaters van deze vernieuwing schriftelijk mededeling gedaan dat men niet aan mijn deur hoeft te kloppen. Ondanks de stapel propagandistisch drukwerk die ik al een jaar lang in de brievenbus krijg. De kern daarvan is dat je via die kabel razendsnel kunt internetten en tegelijkertijd kunt telefoneren en televisie kijken. Dat kan ik met mijn huidige kabels ook. Nee, niet razendsnel internetten, maar snel genoeg. Ik val niet op een honderdste seconde en ik vind het wel een prettig idee dat buis en telecommunicatie niet in handen van dezelfde firma zijn. Je voelt je daardoor minder afhankelijk en veel maakt het in prijs niet uit. Ook kan ik nu gemakkelijker over op een schotelantenne, als het aanbod van mijn televisieverzorger te mager wordt. Of als de brieven van deze firma nog onbeschofter worden, wanneer ik door een verblijf in Griekenland eens een weekje of wat te laat ben met het voldoen van de rekening.


Ik luister veel naar de radio. Het valt mij op dat er op de radio almaar sneller, jachtiger en hijgeriger wordt gesproken. Snel, snel, snel. Het toverwoord waar de samenleving op lijkt te draaien. 'We zeggen geen goedemiddag,' hoor ik regelmatig van de regie bij BNR-nieuwsradio, 'we vallen direct in de uitzending, dan houden we de vaart erin.' Ik probeer mijn commentaar altijd op kalme toon uit te spreken. Dan kan ik minder vertellen dan ik zou willen, maar ik kan sowieso niet veel kwijt in die paar minuten. Het hoeft niet met een slakkengang, maar de hemel beware ons voor de racebabbel. De hemel slaagt daar slecht in. Vandaar dat oude radiofragmenten, zoals je die weleens hoort bij OVT van de VPRO, soms een licht bevreemdende indruk beginnen te wekken. Een enkele keer merk ik, als ik mijn commentaar nog eens beluister, dat ik mij door de presentator laat meeslepen. Dan heb ik de pest in.


Ik heb een grote hekel gekregen aan het woordje snel. Aan de betekenis en de klank. 'Snel!' Het klinkt als een venijnige zweepslag. Ik doe mijn boodschappen het liefst lopend of desnoods op de fiets. De auto heb ik een paar jaar geleden de deur uit gedaan. Reizen met het openbaar vervoer is doorgaans niet bepaald snel. In de file staan evenmin, maar in de file kun je niet lezen. Als de reis te ingewikkeld lijkt, je zou maar van Dordrecht naar Den Briel moeten, met trein, metro en bus, dan zie ik er vanaf, tenzij de club die me uitnodigt mij dolgraag wil horen. Dan halen ze me maar op in Rotterdam. In heel uitzonderlijke gevallen huur ik een auto, maar tegenwoordig hebben we ook de reddende OV-fiets.


Ik sta voor een keuze. In de zomer ga ik, als alles loopt zoals bedoeld, naar een conferentie in Engeland. Maar hoe? Noodgedwongen vlieg ik al genoeg heen en weer tussen Nederland en Griekenland. De claustrofobische sigaar wil ik daarom mijden. Blijft de keuze tussen de snelle Eurostar en de trage veerboot. Mijn ene grootvader was machinist bij het spoor, de andere zeeman. Voor beiden koester ik bewondering. Ik houd van treinreizen, ik houd van varen. Ik moet er nog eens goed over denken. Alleen als ik van de trap tuimel en de ambulance moet komen, krijg ik bij snel heel even een warm gevoel.