Posts tonen met het label proza. Alle posts tonen
Posts tonen met het label proza. Alle posts tonen

donderdag, juni 10, 2021

De dood, de hemel en de hel




We mogen in de stamkroeg onder elkaar graag grappen maken over de dood, de hemel en de hel. In de dood geloven we allemaal, er is geen ontkomen aan, met de hemel en de hel ligt dat anders. Het is aardig om je een voorstelling te maken van het leven na de dood, maar ik ken weinig vrienden die er ook werkelijk in geloven. Dat maakt voor de grappen en grollen niets uit. 


In het algemeen stellen we ons de hemel voor als een saai oord, waar weinig te beleven valt, omdat de meeste leden van ons gezelschap er nooit zullen terechtkomen, maar je wel het risico loopt in de eeuwigheid naast iemand als Andries Knevel te moeten zitten. De hel lijkt de meesten van ons een stuk gezelliger. Er is drank, er zijn gevallen vrouwen en over de kou hoef je je geen zorgen te maken.


Dat met de dood niet te spotten valt, beseffen we maar al te goed, zeker nu we op licht gevorderde leeftijd zijn geraakt. Wanneer we definitief de poort door moeten, weet niemand, maar we hopen allemaal dat het grote gebeuren nog even op zich zal laten wachten en dat, als het dan toch eenmaal moet, het snel en pijnloos zal zijn. Machteloos in bed aan de slangen en de kabels, met een verpleegster met ondersteek in de aanslag, is voor de hele kroeg een schrikbeeld. 


Ik heb eens een keer contact gehad met Andries Knevel, toen ik nog geregeld op de radio commentaar gaf over Griekenland of Cyprus. Het bleek bij nader inzien een aardige man. Als ik moet kiezen tussen de slangen en de ondersteek of Andries, dan toch in 's hemelsnaam de hemel maar.


Foto: auteur


donderdag, februari 27, 2020

Katholieken



Omdat de voorspelde regen uitblijft, is hij veel te vroeg. Hij denkt hardop aan de bar. 'Als u een goede plaats wil, kunt u beter vast gaan zitten,' zegt het meisje van de kaartcontrole. Het zaaltje loopt snel vol. Als A.L. Snijders het podium opklimt, wordt het stil. Tommy Wieringa volgt. Een mevrouw heet welkom. Ze zegt dat de gespreksleider ziek is, dat de schrijvers zelf maar moeten.

'Heeft u een vraag?' vraagt Wieringa. De zaal zwijgt. 'We doen wel wat,' zegt Snijders, die eigenlijk Peter Müller heet. 'Hier zit een alias,' glimlacht hij. 'Ja,' beaamt Wieringa, 'die mensen hebben tenslotte vijftien euro betaald.' Er begint een ontspannen gesprek. Twee heren bij de open haard. Soms onderbreken ze elkaar om een kort verhaal voor te lezen. Als het woord katholieken valt, roept een man met een arbeiderspet: 'Die zijn niet te vertrouwen, hoor!' Op het podium wordt gegeneerd gelachen. Het is hier wel biblebelt, maar je weet nooit hoeveel katholieken in de zaal zitten.

Uiteindelijk verloopt het gesprek. 'Hiernaast kunt u een drankje halen en boeken kopen,' roept de mevrouw van achter uit de zaal. Die loopt snel leeg. Tijdens het gesprek blijkt de regen toch gekomen. Nogal hevig ook. Terwijl hij aarzelt, stapt de man met de arbeiderspet naar buiten. Hij zegt: 'Het is maar water, hoor.'

Foto: auteur


maandag, februari 17, 2020

De bovenmeester



Dat het al vroeg donker wordt, is weinig bevorderend voor zijn humeur. Hij zucht en steekt de olielamp op zijn schrijfbureau aan. Daarna roept hij de meid om hout voor de kwijnende haard. Hij huivert. Van achter het huis komen vaag geluiden van de haven. 

De pupillen zijn vertrokken. De lokalen kunnen opgeruimd en gesopt. Dat kan er nog wel af, maar als hij bedenkt hoeveel hij de laatste tijd moet beknibbelen, groeit zijn ergernis weer. De heren van het bestuur met hun onmogelijke eisen en vooral hun gezeur over de lesgelden. Hoezo te hoge lesgelden? Leidt hij een modelschool of niet? Zoals de zijne vind je geen andere in de stad. Zelfs niet nu zijn twee ondermeesters, de ondankbare verraders, zijn vertrokken en hij in arren moede zijn eigen zoon heeft aangesteld. Misschien kan er nog een kwekeling vanaf, dat moet hij berekenen. Het bestuur weet voorlopig nog van niets.

Achter het behang klinkt geritsel. Ook dat nog. De kat sluipt de godganselijke tijd langs de haven, op jacht naar ratten. Een verlate kar ratelt door de straat. De lamp begint te walmen, hij draait de pit wat lager. Nog voor de lantarenopsteker langsloopt pakt hij zijn pen, slijpt met een mesje de punt bij en begint aan zijn brief. Na de aanhef stokt zijn soepele schrift.

Foto: Beeldbank Regionaal Archief Dordrecht

donderdag, januari 31, 2019

Gedichtenweekgedicht



Picasso's leed

Zijn naam was eindeloos langer
dan die van Anton Heyboer.

Zijn vrouwen kwamen een voor een, zoals
de Russen in de tijd van Karel van het Reve.

Bij iedere nieuwe liefde wisselde hij van stijl.
Heyboers vrouwen bleven hem op twee na haremtrouw.

Waar Picasso koos voor Parijs verbleef Heyboer
kortstondig gedwongen te Berlijn, waarna hij vluchtte

naar de Vinkeveense plassen. Het is de vraag of Picasso
ooit van de Vinkeveense plassen heeft gehoord.

Later werd het een boerderij in Den Ilp. Ook daar had
Picasso geen weet van, denken wij.

Foto: auteur


donderdag, december 07, 2017

Donkere dagen



De donkere dagen voor kerst zijn weer aangebroken. We kunnen de onverkwikkelijke discussie over de kleur van Piet, in beide kampen, voor of tegen, gedomineerd door griezelige fanaten, weer een poosje achter ons laten. Voor we ons gaan storten op die andere 'traditie', de mythe van dat onbevlekt ontvangen ventje in het bakske vol met stro, symbool voor vrede op aarde en in de mensen een welbehagen, draagt Disaster Donald nog even een steentje bij aan de wereldvrede door, tegen het advies van bijna de hele wereld in, Jeruzalem te erkennen als de hoofdstad van Israel. Dat maakt voor pelgrims een bezoek aan de Geboortekerk extra spannend en DD houdt wel van een beetje reuring.

Op de radio is het kerstgedrein begonnen. Iemand beweert in een actualiteitenprogramma dat er duizenden beestjes in een kerstboom zitten en dat die allemaal je huis binnendringen. Daarom moet je die boom eerst een nachtje in een verwarmde schuur neerzetten. Ik denk aan de liedregel 'allemaal beestjes, allemaal beestje om mij heen,' maar die had, naar ik meen, minder met hars uit een spar dan met iets dat bijna net zo klinkt te maken. Ik ben dol op die donkere dagen voor kerst, op het miezerige, kledderige regenenofnattesneeuwweer, dat zo goed bij de menselijke geest past.

De menselijke geest van de MeToo-heksenjacht, die er inmiddels toe heeft geleid dat een of andere achterlijke muts een petitie is begonnen om een schilderij van een jong meisje uit het Metropolitan Museum of Art te verwijderen. Zou iets met seksueel geweld te maken hebben. Als ik zoiets lees heb ik even de neiging om heel hard te roepen dat er eens een ruige zeeman over het wijf heen zou moeten, wat ik natuurlijk niet doe. Voor je het weet sta je op de proscriptielijst en bonkt een roedel stekelhaarfeministen op de deur.

Ondertussen haalt Facebook een link van mij weg omdat die naar een prent uit de zeventiende eeuw verwijst, waarin de vrouw van Potifar Jozef probeert te verleiden, door het tonen van een tiet. Facebook, daar zou de hele koninklijke marine maar eens overheen moeten. Alleen, dat schrijf ik niet op, dat soort uitspraken lijkt me toch meer iets voor Disaster Donald en zijn aanhang. Ik ga liever op zoek naar het klachtenloket waar ik kan protesteren tegen het weer, tegen die ellendige en lamlendige donkere dagen. Ik geloof dat Gerard Reve daarover iets verstandigs heeft gezegd.

Foto: auteur


maandag, november 13, 2017

Dromen



In de jaren tachtig, grofweg tussen dat het uit ging met Marion en aankwam met Marjan, had ik regelmatig akelige dromen. De droom die het meest voorkwam, ging zo:

Ik was in gezelschap van koningin Beatrix op staatsbezoek bij een Papoeahoofdman op Nieuw-Guinea. Aan het banket droeg de koningin inlandse kleding, dat wil zeggen dat ze het bovenlichaam bloot had. Haar borsten, erg bruin, stonden op een abnormale manier naar opzij. Tijdens het diner zag ik dat een grote, fel groen en geel gekleurde slang langzaam langs de poot van mijn stoel omhoog kroop. In paniek sprong ik op, gooide de stoel van mij af en rende naar de andere kant van de hut. Langzaam en kaarsrecht gleed de slang tegen de wand onhoog. De rest van het gezelschap bleef volkomen kalm. De hoofdman wees me op een geladen luchtbuks die aan de wand hing. Ik nam de buks, richtte en schoot de slang in de kop. Die was nog niet helemaal dood, maar hij begon langzaam, en nog steeds kaarsrecht, van de muur af te vallen, in mijn richting.....

Ik zocht panisch naar een nieuw kogeltje om de buks te laden. Ondertussen kwam een spiernaakte Miranda H. (een leerlinge) door een deur links van mij binnen met de woorden: 'Ik zal je wel even helpen.' Ze pakte de slang op, liep naar me toe en wilde hem met een snelle beweging in mijn gezicht duwen. Toen hij zo dichtbij was dat ik zijn tong kon voelen, zag ik kans het ondier achter de kop te grijpen en van mij af te werpen.

Op de zondagsschool, die ik niet kon ontlopen omdat mijn eigen vader er lesgaf, hadden we enige tijd een juffrouw met een horrelvoet. Horzelvoet, zeiden wij. Ze kon mooi vertellen, al leidde die voet soms af. Het verhaal ging dat ze in haar jeugd polio had gehad, kinderverlamming. Dat kreeg je als je ouders zo achterlijk waren om je niet te laten inenten.

De juffrouw met de horzelvoet vertelde ons het bijbelverhaal van Jozef en de vrouw van Potifar. Jozef was een rechtschapen jongeling, die door zijn ontaarde broers als slaaf was verkocht. Zo kwam hij, als ik het mij goed herinner, in huis bij Potifar, wiens vrouw terstond geil werd op het knaapje. Jozef weigerde het wijf aan te raken, dat wraak nam door hem bij Potifar aan te geven wegens seksueel grensoverschrijdend gedrag. Jozef kwam in het gevang, waar hij dromen uit ging leggen. Ook die van de farao en zo maakte hij onverwacht een mooie carrière in het Egyptische staatsapparaat. Ik ken niemand die mijn droom zou kunnen uitleggen. Wel moet ik vaak denken aan het verhaal van Jozef, als ik lees wie er nu weer op de proscriptielijst van de eigentijdse moraalfetisjisten is beland.


Afbeelding: Lucas van Leyden - Jozef en de vrouw van Potifar (1512). Museum Boijmans van Beuningen.


dinsdag, oktober 24, 2017

Willy Wortel



Ik zit met vrienden in café Jan de Winter aan de Utrechtse Oudegracht. Het café is van 1947, staat op het raam. De inrichting lijkt echter zo uit de jaren twintig te komen. Uit de tijd van net na de Spaanse griep. Die eiste meer slachtoffers dan het geweld van de Eerste Wereldoorlog. Ieder jaar laat ik mij inenten tegen griep, voor de zekerheid, al groeit het aantal mensen dat het nut ervan betwijfelt. Niet zelden zijn dat van die lui die geloven dat je geen kanker krijgt als je maar voldoende koenjit door je eten mengt. Waarom zulke gedachten opkomen in Jan de Winter, is mij niet duidelijk. (De moderne Nederlander zegt tegenwoordig 'helder', alsof bij ieder inzicht een lamp gaat branden, zoals bij Willy Wortel, de grootste geest uit de Donald Duck op oom Dagobert na.)

In de jaren zestig raakte de macrobiotiek in zwang. Vlees noch vis, wel bakken vol onbespoten groente, bergen zeewier en veel mediteren. Een collega had zich tot dat, uit het immer lokkende, mystieke Oosten overgewaaide, geloof bekeerd. Het zeewier ontbrak eraan, maar verder stond zijn tuin vol biologisch geteelde gewassen. Toen de getalenteerde schrijfster Laurie Langenbach kanker kreeg, stortte zij zich in de armen van een of andere macrobiotische zweefgoeroe. Toen dat niet hielp was het te laat. Evenals bij Sylvia Millecam, die ook het spoor der misleiding volgde.

Volgens mijn, inmiddels oud-collega, zijn alle pillen en smeersels van de dokter onderdeel van een complot dat is gesmeed door de farmaceutische industrie. Daarom verbouwde hij ook geneeskrachtige kruiden in de achtertuin. Op een dag bleek zijn huis gebouwd op een laag gifgrond. De hele wijk moest gesloopt, de grond gesaneerd. Mijn oud-collega, de Willy Wortel van het atheneum, gelooft nog steeds heilig in dat complot.

Foto: auteur


dinsdag, oktober 10, 2017

Rebetika



Omdat ik geen zin had om naar de benedenstad te gaan, zit ik in het kleine restaurant om de hoek bij het Tijdelijk Schrijfhuis. Het is er nog rustig. Ik ben vroeg voor Griekse begrippen, maar ik ben het verleerd om 's avonds pas na een uur of half tien te gaan eten. Een tijd geleden, op Cyprus, maakte ik een uitzondering. Toen ging ik heel laat met vrienden uit eten, na een rebeticaconcert. Als ik wil wegdromen naar de jaren dat ik met Stella door Griekenland reisde, luister ik naar rebetica. Als ik in een sombere bui ben, zet ik klezmer op. Dat helpt. Daarom wil ik klezmer op mijn crematie. Iedereen swingend achter de kist aan. Op Cyprus had het late uur mijn trek verdreven. Ik vulde de ruimte in mijn maag met wijn en wat kruimels geitenkaas.

Ook hier klinkt rebetica. De taverniaris zingt af en toe mee, hard, maar zuiver. Een geschoolde stem. Ik moet denken aan Zorbas, waar ik altijd eet als ik in Athene ben. Er hangt een portret van Frans van Hasselt, meer dan vijftig jaar, tot zijn dood, NRC-correspondent in Griekenland. Ik reisde af en toe vanuit Thessaloniki naar Athene, alleen om met Frans bij Zorbas te eten. Hier geen portretten, maar wel veel foto's van de buurt, Agios Pavlos, in de jaren vijftig. Ik zie een bus waaruit zomaar Louis de Funet zou kunnen stappen. Ik luister naar de muziek en zie Stella voor mij. We eten in een taverna in Sparta, na een wandeling door de Byzantijnse ruïnestad Mistras. Even later zijn we in Skala Prinou op Thassos, in een idyllische achteraftent met een nare ober die naar zwerfkatten schopt. Frans nam iedere avond twee blikjes kattenvoer mee voor Frosso, de vrouw die de terrassen langs ging met bloemen en zich over de buurtkatten bij Zorbas ontfermde.

Er komt een stel binnen met een jongetje van een jaar of twee. De kleine Miltos wil niets liever dan door de zaak rennen en schreeuwt door de muziek heen. Zijn ouders hebben hun handen vol aan hem. De taverniaris brult over het leed van de liefde en het eenzame gevangenisbestaan. Ik bestel nog een glaasje tsipouro. Het beeld van Stella begint te wijken, maar het is nog geen tijd om afscheid te nemen.

Foto: auteur


dinsdag, oktober 03, 2017

Verleden



Ik heb meer met het verleden dan met het heden. Dat komt door tante Christien. Een vriendin van mijn oma en een groot kindervriend. Ik mocht vaak bij haar spelen. Een nachtje logeren was een hoogtepunt. Ze vertelde altijd over vaderlandse geschiedenis. Toen ik naar de kleuterschool ging was ik al volkomen vertrouwd met figuren als Jan van Schaffelaar, Willem de Zwijger en Michiel Adriaansz de Ruyter.

Vanaf mijn eerste stukje in de schoolkrant van de mulo, beschouwde ik mezelf als dichter en schrijver. Al maakte ik toen vaak romantische rijmpjes voor meisjes waarop ik verliefd was, maar die ik dat als verlegen puber niet durfde vertellen. Eén keer zou ik naar Heerjansdam fietsen, waar een lieftallig klasgenootje woonde, om een zwijmelende blik op haar kamerraam te werpen. In Zwijndrecht begon het te stortregenen. Dat betekende het einde van een ontluikende liefde.

Omdat met dichten weinig of niets te verdienen viel, ben ik historicus geworden. Ik kijk nog altijd met grote belangstelling achterom. Tot 2010 gaf ik ook geschiedenisles. Daarbij vertelde ik vooral verhalen, al mocht dat eigenlijk niet meer van de 'vernieuwers' op het ministerie. Die kregen in gedachten een dikke middelvinger. Tot het uiteindelijk te bar werd. Toen ben ik gestopt om alleen nog maar te schrijven. Over veel verleden en weinig waan van de dag.

Foto: archief auteur


vrijdag, september 29, 2017

Mussen



Het is een vergulde najaarsdag. Ik fiets via de Schapendijk naar de Kop van 't Land. Eigenlijk heet de Schapendijk Wantijdijk en uiteindelijk kom je op de Zeedijk, maar er is geen Dordtenaar die niet weet wat ik bedoel. Ik noem het deel van de Spuihaven tussen de Johan de Wittbrug en de St. Jorisbrug ook altijd Vriesehaven. Het heeft nog niet geleid tot de Apocalyps. Dat die op griezelige wijze naderbij komt ligt aan een oude man met raar strohaar en een veel jonger, vetzuchtig kereltje met een pruimenmondje dat iets heeft van de gleuf in een spaarvarken, die elkaar nu al weken bedreigen met de totale vernietiging. Ik ga er niet direct vanuit dat dit mijn laatste fietstochtje is, maar helemaal gerust ben ik er ook weer niet op. Onlangs heeft een dronken idioot in een café op de Voorstraat geprobeerd een barman met een hamer dood te slaan. Op alle niveaus deugt de mensheid maar matig, maar het vriendelijke huiskamercafé Fluitekruid is voor zulke neanderthalers te ver fietsen.

Het verbaast me dat het open is. Op maandag is er nogal wat horeca gesloten. Als vrienden van over de rivier mij willen bezoeken, roep ik altijd 'niet op maandag, dan is Dordt doder dan de Dode Zee.' Ik heb in het weekeinde een hoeveelheid korenwijn en een bierfestival achter de rug. De broekriem spant een beetje. Daarom houd ik het maar op koffie. Lekker uit de wind op het terrasje, met verderop het zachte gebrom van de pont naar Werkendam. Ik herinner mij een foto, op dat pontje, van Annemarie, mijn eerste vrouw en nog steeds een goede vriendin. Het was in de dagen dat ik nog zwartwit fotografeerde. Dan kon ik de boel zelf afdrukken. Kleurenfoto's waren mij te ingewikkeld. De jaren vijftig, toen ik nog heel klein was en kleurenfotografie allerminst gangbaar in de familie, noem ik de zwart-witte jaren, lees mijn boek Op koers er maar op na.


In de jaren vijftig werden er volop kernbommen uitgeprobeerd in de Stille Oceaan. Het was de tijd dat sommige longartsen reclame maakten voor het roken. Dat zou zegenrijk werken als je astma had. Het milieu moest nog worden uitgevonden. De mensen waren te druk bezig met het land opnieuw op te bouwen na de Tweede Wereldoorlog. Dat de oorlogsindustrie in Amerika vrolijk doordraaide, alsof Adolf Hitler in Berlijn nog steeds bezig was veertienjarige soldaatjes in de wang te knijpen, werd alleen door erg linkse rakkers bekritiseerd en naar erg linkse rakkers werd nog niet geluisterd. Je mocht geen seks hebben voor het huwelijk en als katholiek geen condoom gebruiken. Je had wel De Lach, een 'vies blaadje' dat uit de leesmap werd gehaald vanwege de kinderen. Onzedige vrouwen in bikini, genoemd naar het eiland waar veel van die kernproeven werden genomen.

Er fladderen volop vrolijke, bijna tamme mussen om mij heen. Grappige, hondsbrutale beestjes. In mijn tuin in de stad zie ik ze niet zo vaak meer. Ze zijn wat monochroom. Vogels uit de jaren vijftig.

Foto's: auteur


dinsdag, september 26, 2017

Middeleeuwen



Ik kijk uit het raam van mijn hotel in Brugge. Overal middeleeuwen om mij heen. Iemand, ik weet natuurlijk weer niet wie, heeft gezegd dat Brugge het Florence van het noorden is. De middeleeuwen druipen. Boven de stad hangt een droefmakend wolkendek. Binnen toont de televisie beelden van een terreuraanslag, ergens ver weg. De doden liggen verspreid op straat.

Ik moet denken aan Claire en aan het kind. Ze zijn niet eens ver weg, maar ik kan niet zomaar bij hen langs fietsen. Ik onderneem de reis alleen. Ik draag mijn middeleeuwse lot onder een stoïcijns masker. Waren het werkelijk de middeleeuwen, dan zou de terugreis zeker een week vergen. Als ik een paard bezat.

Na de aanslag komt een horde tierende mensen in beeld. Ze zijn tegen iets, dat ik heb gemist. Ik ben een onoplettende leerling. Ze steken vlaggen in brand en slaan met spandoeken in op de politie. Ik ga ontbijten. Er is een ruime keuze aan brood, beleg, fruit en dranken. Iemand brengt mij thee en een gekookt eitje. Daarna kom ik terug in de kamer. Buiten druipt het nog steeds. Ver weg liggen de doden nog altijd verspreid op straat. Ik denk aan de middeleeuwen, die voortleven in de prachtige Gotiek van Brugge en in verwerpelijk geloofsfanatisme dat tot moord en doodslag leidt.

Foto: auteur


woensdag, september 13, 2017

Sloopzucht



De Visbrug is voor mij een beetje historische grond. In zover men bij een brug van grond kan spreken. Mijn grootvader is er geboren, in het pand waar nu Centre Ville is gevestigd, met dat prachtige terras waar je op zondag nooit kunt zitten. Het is de plek waar Johan en Cornelis de Witt met een standbeeld worden geëerd. Lang geleden ging de paardentram van het station naar het Groothoofd en vice versa er overheen. Toen was de brug smaller en reden er nog geen auto's en in de binnenstad zo geliefde quads overheen. Langs de steigers en kaden in de Voorstraats- en Wijnhaven was nog volop leven. Schilders als Willem Witsen, gegrepen door de schoonheid van Dordrecht, roeiden er met bootjes rond en tekenden de unieke watergevels. Diverse hotels hadden zelfs een atelier beschikbaar voor bezoekende beeldend kunstenaars.

Om de zoveel tijd bekruipt het gemeentebestuur van Dordrecht het gevoel dat de stad moet worden opgestoten in de vaart der steden. Dat Dordrecht moet voldoen aan zoiets als de eisen van de moderne tijd. Dat leidde soms tot rampzalige besluiten. Met grote voortvarendheid werden in de negentiende eeuw in naam van de stadsvernieuwing de prachtigste historische panden gesloopt. Als ik Het Dordrecht van Rutten lees, een uitgave van De Bengel en het Stadsarchief Dordrecht, dan springen mij soms de tranen van woede in de ogen als ik zie hoeveel panden van groot historisch belang in naam van de vooruitgang zijn gesloopt. De oudste stad van Holland heeft perioden gekend dat het stadsbestuur totaal was gespeend van ook maar het geringste gevoel voor historie en daardoor zijn latere generaties van veel, heel veel stadsschoon beroofd. Dat er nog genoeg over is om toeristen naar Dordt te trekken en de geschiedenis nog steeds te kunnen voelen, bewijst hoe onnoemelijk rijk Dordrecht wat dat betreft was, maar dat praat de wandaden uit het verleden niet goed.


   De Blauwpoort, gesloopt in de negentiende eeuw.

Een tweede periode van sloopwoede barstte los in de jaren zestig van de vorige eeuw. Ook toen ontbrak bij het gemeentebestuur ieder historisch besef, laat staan gevoel voor schoonheid. Het zogenaamde Saneringsplan dat toen werd uitgevoerd, was een misdaad tegen de stad. Toegegeven, er was veel verkrotting in het centrum en niet alles was misschien te redden, maar met een minder megalomane instelling en meer goede wil, zou er van de historische binnenstad veel meer te redden zijn geweest en was allerlei onnodig gesloop voorkomen. Waarom moesten het oude postkantoor, het Oudemannenhuis, het Oranjehotel en het oude gymnasium worden afgebroken? Deels voor het idiote plan een ringweg om het centrum aan te leggen, van de Zwijndrechtse brug tot aan de Noordendijk. Godzijdank heeft men in de jaren zeventig, na gedeeltelijke realisering van de Spuiboulevard, de lelijkste boulevard van Nederland, afgezien van verdere uitvoering, maar de verantwoordelijken voor de heilloze kaalslag en de gruwzame wederopbouw, zouden alsnog wegens misdadig vandalisme voor de rechter moeten worden gebracht. Voor zover nog in leven. Een deel van historisch Dordrecht is gelukkig vanaf de tweede helft van de jaren zeventig door restauratie gered. Een fractie van wat we ooit hadden.

Onlangs las ik in de krant dat het plan om een gat in de Visbrug, inmiddels ook historisch erfgoed, te maken, teneinde de buurt 'op te leuken' met een steiger onder die brug waar je in een bootje kunt stappen, nog niet van de baan is. Het is een raar en kostbaar plan. De brug is te laag voor een fatsoenlijke steiger, maar je schept eronder wel een ideale plek voor junks en wildplassers en al heeft de wethouder bezworen dat de terrassen niet kleiner worden en de loempiakraam van Xuan Tran mag blijven, ik moet nog zien wat die toezeggingen na de verkiezingen waard zijn. Er zijn steigers en kaden genoeg om het water weer net zo levendig te maken als het ooit was. Ik vraag me af wie er daarom op een duur gat zit te wachten. Ik niet. Ik zeg: blijf met je tengels van mijn Visbrug af!

Foto's: fotos.serc.nl/zuid-holland/dordrecht/dordrecht-30601 & Beeldbank Regionaal Archief Dordrecht



dinsdag, september 12, 2017

Afspraak



Ik had een afspraak met Kostas. We zouden koffie gaan drinken in Baraka aan het Navarinoplein, met uitzicht op het paleis van keizer Galerius, of liever, wat daar nog van rest. Die resten zijn door de Archeologische Dienst netjes geconserveerd. Er is een kantoortje neergezet voor de kaartverkoop, al een paar jaar geleden, en daarna is er niets meer gebeurd. Iets met ruzie tussen de gemeente en de archeologen wordt gefluisterd.

Er woont nu een kattenfamilie die zich ongebreideld voortplant. Het ene nest na het andere. Het scheelt weliswaar drommen toeristen en klassen kwetterende schoolkinderen, maar het is een beetje zonde van alle moeite. Waarom dus niet gewoon het hek overdag opengezet?

Kostas heeft afgebeld. Gisteren is een kennis overleden. Die wordt vandaag begraven. Naast mooie tradities kent Griekenland ook wrede gewoonten. Zoals iemand een dag na het overlijden begraven. Ik had geluk, al klinkt het bizar, dat Stella in Dordrecht overleed. Er was daardoor voldoende tijd om afscheid te nemen. Een ander wreed gebruik is het dopen van kinderen. De manier waarop: hup! onverhoeds kopje onder in een vat met water. Het ene heeft te maken met het klimaat, al had iemand zo langzamerhand eens kunnen bedenken dat de luchtkoeling niet voor niets is uitgevonden. Het andere komt door het middeleeuws geloof dat men nog volop aanhangt.

Foto: auteur


zaterdag, september 09, 2017

Op locatie




Je komt weleens in van die restaurants waar de gemaakte blijheid van het personeel afstraalt. Ze doen van alles om het je naar de zin te maken, maar ondertussen schemert de tegenzin overal doorheen. Die tegenzin slaat weleens om in regelrechte minachting. Dan zie je ze denken: 'Weer zo'n eikel die in ons tructje trapt, wedden dat hij een dikke fooi achterlaat?'

Er zit een ontzettend dikke man op een kruk aan de bar. Het barmeisje probeert van tijd tot tijd een plastic glimlach, maar het is duidelijk dat ze hem net zo lief door de kruk ziet zakken. Ondertussen bestel ik wijn en pasta. Niet bepaald bevorderlijk om iets aan mijn mister Pickwick-postuur te verbeteren.

Een onuitstaanbaar pingelmuziekje vult de ruimte. Het klinkt akelig hol, want het is een slappe avond. Er zijn maar enkele tafels bezet. Toch duurt het lang voor mijn simpele gerecht wordt gebracht. In een soepbord. Ik vraag me af welke idioot dat heeft bedacht. Ik moet het met onverantwoorde snelheid naar binnen werken. Ik moet mij tijdig melden bij de radio. Uitzending op locatie. Gelukkig is het gerecht lauw. Een kok die aan afkoelingsperioden doet, of een ober die even buiten is gaan roken, wie zal het zeggen? Als ik groet en naar de locatie loop, trek ik een gemaakt blij gezicht.

Foto: auteur


woensdag, september 06, 2017

Boekverbranders




Demonstreren, actievoeren, ik heb het lang geleden weleens gedaan en zelfs nog niet eens zo lang geleden stond ik bijna met een bord voor een AZC, toen een oud-leerlinge dreigde te worden gedeporteerd naar een streek waar ze nog weleens zendelingen zachtjes gaar stoven in een reusachtige kookpot. Gelukkig besloot de staatssecretaris op het nippertje dat ze toch mocht blijven in ons paradijselijke koninkrijkje.

Demonstreren, actievoeren, ik heb het nooit van harte gedaan. Ik zal het ook nooit van harte gaan doen, al is iets onaangenaams ondernemen soms onvermijdelijk. Zo moet je ook regelmatig je toilet boenen en je bed verschonen. Ik zie het belang van sommige acties wel in, al komen er te veel voort uit kortzichtigheid, frustratie en de daaraan gekoppelde lust een grote bek op te zetten. Actie heette vroeger buitenparlementaire-actie. Ik denk vaak aan dit citaat van C. Buddingh': In iedere buiten-parlementaire actie schuilt een kiem van fascisme.*

In het Nederlandse actiewezen, een industrie op zich, kom je ook redelijke mensen tegen, maar tegelijkertijd wemelt het er van de fanaten en geestdrijvers, bij wie de verongelijktheid, de onverdraagzaamheid en het eigen gelijk op het voorhoofd staan gebrand. Soms moet je weleens met zulke griezels optrekken, maar als het even kan houd ik hen op ruime afstand. Ze doen mij te veel aan boekverbranders denken.

Foto: auteur

*C. Buddingh' - Een mooie tijd om later te worden (Amsterdam 1978), p. 62.


zondag, september 03, 2017

Namaakpolitie



Toen ik nog op de Vrieseweg woonde, liep de stoep vanaf het Vrieseplein enigszins af. We noemden dat 'de hol.' Ik reed er als kleuter met mijn driewielertje graag vanaf. Beetje vaart maken en dan voeten van de trappers. Met de wind mee reed je zomaar een paar meter door. Op de hoek was een filiaal van De Gruyter, de concurrent van mijn opa. Wie daar kocht was een verrader. Zulke mensen moest je omver rijden. Dat durfde ik niet.

In de eerste van de mulo keek ik weleens jaloers naar de brommers van oudere jongens, in het fietsenhok achter de school. Die jongens deden daar ook andere dingen dan hun brommer stallen. Dan stonden wij op de uitkijk. Als er een leraar aankwam moest je fluiten en kreeg je een stiekeme sigaret. Ik kon niet wachten om zestien te worden, maar het werd een derdehands mobyletje in plaats van een Zundapp of een Kreidler.

Ik fiets alweer jaren. Op een gewone fiets. Aan een elektrische ben ik voorlopig nog niet toe. Die kunnen hard, maar lang niet zo hard als de motoren en quads die op mooie zomernamiddagen loeiend langs het terras van mijn stamkroeg scheuren. Soms sukkelt het autootje van Handhaving er achteraan. De namaakpolitie houdt zich braaf aan de limiet van dertig kilometer per uur.

Foto: archief auteur



donderdag, augustus 31, 2017

Optreden gemist



Gedichten in het Vietnamees worden gezongen in plaats van voorgedragen. Ik ken geen Vietnamees en ik kan niet zingen. Kunstbroeder Xuan Tran, afkomstig uit Vietnam, kan dat wel. Hij kan ook heel goed schrijven en ook al versta je de taal niet, het is indrukwekkend om hem te zien optreden.

Minder indrukwekkend was het aantal mensen dat afgelopen zaterdag toestroomde in het Poëziecentrum Nederland, dat is gevestigd in de openbare bibliotheek van Nijmegen. Toestromen is eigenlijk het woord niet. Er waren nog minder mensen dan bij een wedstrijd van de beloften van FC Dordrecht op een ijzige winteravond. Zo'n wedstrijd is soms een genoegen om te volgen. De middag in het Poëziecentrum was dat ook en in niet geringe mate door het optreden van Xuan Tran.

Behalve Xuan werkten ondermeer Esther de Beun, Jan van der Geer en ondergetekende mee aan het Zomerpodium, georganiseerd door de schrijver Geert Zomer. Jan en Esther verrasten met een poëtisch duet en Jan las de vertalingen die Esther en hij maakten bij het optreden van Xuan. Het terras naast de bibliotheek zat vol mensen die niet weten wat ze hebben gemist.

Op 28 september aanstaande wordt mijn nieuwe verhalenbundel, Oude dromen, door uitgeverij Liverse gepresenteerd bij Visser's poffertjes aan de Groenmarkt in Dordrecht. Om 17.00u neemt Xuan Tran het eerste exemplaar in ontvangst. Ik hoop dat hij een gedicht voordraagt. Dordrecht is geen studentenstad. Wij verwachten een grote opkomst.


Foto: archief auteur


maandag, augustus 28, 2017

Ranzig




Ik moet met Claire naar een crematie. Een gelegenheid waarnaar ik niet met vreugde uitzie. We kennen de dode uit het café, waar hij altijd een montere indruk maakte, ook toen hij al ziek bleek te zijn. Het is de zoveelste die wegvalt uit de kring van vrienden en bekenden. De zoveelste op jonge leeftijd, waaronder ik voor het gemak iedereen rangschik die van mijn leeftijd of jonger is.

De generatie boven mij bestond nog grotendeels uit wat we 'kwieke oudjes' noemden. Mijn moeder werd negentig, mijn vader zesentachtig. Jong vergeleken bij enkele van mijn ooms en tantes. Die mensen hadden de oorlog meegemaakt, de hongerwinter en de gewoonte om 's avonds voor het slapen gaan een lepel Draisma's levertraan te nemen.

Wij babyboomers mochten ook nog even van die levertraan meegenieten. De gezondheidsraad bestond nog niet, of misschien ook wel, maar hij liet nog niet van zich horen. Ik zie de fles met die ranzige walvistroep nog weleens in een droom nadat ik zwaar heb getafeld. Je nam het in met een lepel, of een speciaal daartoe gemaakt, vettig maatglas. Glaasje eigenlijk. Omdat de smaak door geen beschaafd mens was te verdragen, kreeg je een suikerklontje toe. Dat alles ter versterking van de vitale organen. Roken, ook tijdens de zwangerschap, werd toen nog als gezond beschouwd.


vrijdag, augustus 25, 2017

Beeldenstorm



Er is ophef over standbeelden. Er dreigt een nieuwe beeldenstorm omdat het sommige mensen niet zint waar bepaalde beelden voor staan. Vaak beelden van vorsten, politici of militairen. Van iemand die het vaderland heeft gered, of opgestoten in de vaart der volkeren.

Iedere tijd benadert het verleden aan de hand van de waarden en normen van die tijd. Wij keuren de slavernij af. We vinden het een zwarte bladzijde in onze geschiedenis. We zijn daarin wel een beetje selectief. Tegen de slavernij in het oude Griekenland of Rome loopt geen activist meer te hoop. Evenmin tegen die van de vele Europeanen die tot slaaf werden gemaakt door Berberse piraten, ook al is dat nog niet zo gek lang geleden.

In Engeland heeft iemand geroepen dat het beeld van lord Nelson weg moet. Omdat hij niet alleen zeeheld, maar ook fervent voorstander van de slavernij was. Dat is juist, maar dit beeld per se willen zien als verdoezeling van het slavernijverleden is nogal lachwekkend. De oproep het te verwijderen is dom en onvruchtbaar. Het verscherpt nodeloos raciale tegenstellingen. De sporen van het verleden uitwissen leidt nooit tot een beter begrip van de geschiedenis. Laat die beelden staan, maar vertel er het juiste, objectieve verhaal bij. Misschien komen we dan een stapje verder op het glibberige pad der beschaving.

Foto: auteur


donderdag, augustus 24, 2017

Middeleeuwse wraak




Ik ben geen depressief type, maar als je mij vraagt of het ooit nog wat wordt met de mensheid, overvalt mij een diep gevoel van moedeloosheid. In hun Dagboek, deels in het Nederlands uitgegeven in Privé Domein, schrijven Edmond en Jules de Goncourt: 'De vernietigingsdrang is de mens aangeboren. Je zou kunnen zeggen dat de mens een weinig begaafd en van nature moordzuchtig dier is.' Was het maar waar dat de mens weinig begaafd is. Het zijn de foute begaafden die het bestaan van de mensheid bedreigen.

De uitvinders van het buskruit, de uitvinders van de kernbom, de uitvinders van de moordrobot, het nieuwste speeltje van de generaals. Ze hadden beter in de wieg gesmoord kunnen worden. Niet dat de mensheid er minder moordzuchtig door zou zijn, maar het afmaken gebeurde dan in elk geval met eenvoudiger middelen. Je kunt met zwaard, bijl en pijl en boog ook heel wat mensen om het leven brengen, maar het kost meer tijd.

Toen de kruisvaarders in 1099 Jeruzalem veroverden en ter meerdere glorie van God alle inwoners om het leven brachten, was het karwei waarschijnlijk niet in een dagje geklaard. Die kruistocht is volgens eigen zeggen een inspiratie voor de Islamitische Staat, waardoor wij allemaal doelwit zijn geworden van middeleeuwse wraak. Reken maar dat ze daar graag zo'n moordrobot hacken.

Foto: archief auteur