zondag, april 19, 2026

Geen idee




Als de perenboom in bloei staat moet ik altijd even denken aan de tuin die ik aantrof nadat ik het huis, zesenveertig jaar geleden, had gekocht. Nogal verwaarloosd, met een grasveld in het midden om een perenboom. Een bejaarde hoogstam. Er was, behalve aan de tuin, ook nogal wat te doen aan het huis. Op een goede dag was ik met Marion, mijn toenmalige vriendin, de werkkamer in wording aan het behangen toen we merkten we dat we licht onder stroom stonden. Oorzaak: verkruimelde stroomdraden uit het bouwjaar van het huis (1914) die door ijzeren buizen liepen. Dat betekende snel de bedrading vervangen.


Ook mankeerde er nogal wat aan het dak, na zoveel jaar nog steeds een zorgenkind trouwens, en zo waren er nog wel wat problemen die in de loop der tijden grotendeels zijn opgelost. Ik vind het huis heerlijk om in te wonen en moet er niet aan denken om naar zoiets als nieuwbouw te verkassen. De hoge plafonds, de ruimte daardoor om je heen, het sfeervol gebrandschilderd glas, voor zover door de barbaren die er voor ons woonden niet gesloopt, die tuin en een 'koloniale' veranda, waardoor je je op mooie zomeravonden nostalgisch in 'Ons Indië' kunt wanen.


Op een dag woei de perenboom om. Hij bleek van onderen vrijwel geheel te zijn doorgerot. We hebben hem vervangen door de huidige, een laagstam, zodat we geen halsbrekende toeren met een ladder meer hoeven uit te halen tijdens de pluk. In het begin hing er een kaartje aan waarop de soort stond vermeld. Dat kaartje is weggewaaid en aangezien ik er de ballen verstand van heb, zou ik niet weten wat voor soort we plukken. Om de twee jaar een grote hoeveelheid, dat schijnt bij peren normaal te zijn. Het is in ieder geval een soort die half augustus al rijp is en als handpeer en stoofpeer heerlijk smaakt. Dat vindt het gevogelte des velds ook, vandaar dat ik wel blij ben met de buurtkatten die gratis en voor niks een oogje in het zeil houden.


Foto: auteur




vrijdag, april 10, 2026

Voorrang





Ik heb maar twee foto's waar alle vier mijn grootouders gezamenlijk op staan. Ze zijn genomen op de trouwdag van mijn ouders, 29 oktober 1947. De eerste op de trappen van het Dordtse stadhuis, de tweede bij de ingang van de Augustijnenkerk. Er werd in die dagen nog met de hoge hoed getrouwd. Uitzondering daarop is mijn Rotterdamse grootvader, Aart Klok. Dat zijn zoon niet alleen in het stadhuis, maar ook in een kerk trouwde, moet voor hem, overtuigd atheïst die zich had losgemaakt van het streng gereformeerde Nijkerkse milieu waaruit hij afkomstig was, even slikken zijn geweest. Hoe mijn oma, de uit Den Haag afkomstige Sophia Groeneweg, daar over dacht weet ik eigenlijk niet. Mijn opa en oma waren het maar over weinig dingen eens, kreeg ik als kind weleens de indruk.




Op de eerste foto staan mijn Dordtse grootouders, Cornelis Bekker en Magcheltje Rijkhoek vooraan. Op de tweede is dat precies omgekeerd. Wat daarvan de reden is weet ik niet. Toeval denk ik. Ik ben vernoemd naar mijn twee grootvaders: Cornelis Aart. Dat m'n Dordtse opa daarbij voorrang kreeg zal geen toeval zijn, daar is over nagedacht. Vreemd dat ik nooit aan mijn ouders heb gevraagd waarom ze dat zo hebben besloten. Daar is het nu te laat voor.


Mijn twee grootvaders waren mijn helden. Opa Bekker was in zijn jonge jaren zeeman, opa Klok machinist bij de spoorwegen. Beter kon een klein jochie het in de sobere jaren vijftig niet treffen. Of dat nog zo is in dit dubieuze tijdperk van gaming en loeren naar de smartphone, betwijfel ik. Ik mis ze nog steeds, mijn opa's, zelfs nu ik zelf de grootvaderlijke leeftijd heb bereikt.


Foto's: H.G. Beerman, Dordrecht



zaterdag, april 04, 2026

Schokland




Een paar jaar geleden hielden wij familiedag in de Noordoostpolder. In een plaatsje dat Nagele heette. In de buurt van Nagele was een bescheiden bult in het verder vlakke, saaie landschap. Die bult was vroeger het eiland Schokland. Het werd in 1859 ontruimd omdat de Zuiderzee er steeds verder aan vrat. Toen de Noordoostpolder werd aangelegd, werden Schokland en het nabije Urk door het land verzwolgen. Zo gaat dat in Nederland, waarvan men zegt dat niet God, maar de Nederlanders zelf het land hebben geschapen. Aangezien God een fictionele figuur uit een heel oud sprookjesboek is kan het eerste kloppen. Wat de Nederlanders betreft gaat het wel een beetje op, althans in het westen, waar in den beginne de windmolen was.


Omstreeks 1900 hadden we er daar nog meer dan veertig van in Dordrecht, nu staat er nog een, maar die is wel springlevend, werkt nog steeds en je kunt er uitstekend meel kopen om je eigen brood te bakken, een activiteit die ik iedereen van harte kan aanbevelen.


Schokland is dus gereduceerd tot een bult in het landschap. Een fraaie bult, een natuurgebied in het klein, lichtelijk bebost en voorzien van een bescheiden, maar buitengewoon interessant museum waar je kennis kunt maken met een voormalige bewoningsgeschiedenis die zo'n tienduizend jaar teruggaat in de geschiedenis. De bodem van het IJsselmeer, voorheen Zuiderzee, is van grote archeologische waarde. Alleen al vanwege al die schepen die er in de afgelopen honderden jaren zijn gezonken en weer gedeeltelijk opgedoken.


Naast zelf broodbakken beveel ik iedereen een bezoek aan het museum aan. Kun je en passant Urk aandoen, het diep religieuze drugswalhalla waar ooit een verre achterneef van me predikant is geweest. Op zondag heb je daar de keuze uit ontelbare kerken in bedrijf, op andere dagen kun je er voor of na het blowen een smakelijk visje nuttigen, of zou dat in dit bolwerk van progressiviteit nog 'vischje' heten?


Foto: auteur