maandag, juli 25, 2022

Hoe sneller hoe dommer




Lieve Stella,


Je weet dat ik veel naar de radio luister, behalve als de waan van de dag me een beetje te veel wordt en ik mijn heil bij Spotify zoek. Zojuist hoorde ik dat er problemen op Zestienhoven zijn, omdat daar mensen al meer dan een dag op hun vliegtuig naar Turkije zitten te wachten. Het werd een beetje sensationeel gebracht door Radio 1 en dan kun je er vergif op nemen dat mensen op Facebook van alles gaan roepen. Ik werd op mijn wenken bediend. Het domste volk kraaide zoals gewoonlijk het hardst. Van die types die zichzelf moreel boven het vakantievee verheven voelen. Zonder ook maar iets van de achtergronden te weten lezen zulke moraalridders en -ridderessen vlieglustigen de les. Teutebel A. roept dat het gelukkig mensen zal demotiveren om met een vliegtuig te reizen, zeurkous B. dat vakantie geen plicht is, maar een recht en dat je beter in Nederland kunt blijven en ouderling D. predikt dat wie vliegt om ellende vraagt en daarom gewoon de auto moet nemen.


Waarom erger ik me aan die reacties? Ik denk vanwege de opmerkingen die ik onvermijdelijk krijg als ik zeg dat ik weer eens naar Griekenland ga. Goed bedoelde opmerkingen, maar waar ik vaak niet tegen kan. 'O, heerlijk, ik vind het ook zo'n fijn vakantieland', of 'geniet ervan, wij zijn er ook heerlijk tot rust gekomen' en meer van dat soort uitingen van medeleven. Wij, vooral jij, leefden altijd op als we naar Griekenland gingen, maar niet vanwege het geweldige vakantiegevoel. We gingen gewoon naar het land waar je was geboren en getogen, de familie bezoeken, vrienden na zoveel tijd terugzien en vooral dingen regelen. Met de belastingdienst, met het bedrijf dat de gasketel controleerde, met de vereniging van eigenaren van ons appartementengebouw, met het ziekenfonds. Ja, daar zaten ook wel uitjes naar een eiland tussen of een paar dagen in het vakantiehuis van vrienden, natuurlijk, maar nog steeds, ook nu jij er niet meer bent, ga ik vooral naar Griekenland om noodzakelijke dingen te regelen, vooral met de bureaucratie, met wie ik sinds jouw overlijden wel niet direct op voet van oorlog leef, maar die ik ieder jaar weer een beetje meer begin te haten. Een vakantiegevoel heb ik toch echt eerder als ik door de Dordtse Biesbosch fiets dan wanneer ik in Thessaloniki een afspraak heb met mijn belastingconsulent. Ach, B. weet natuurlijk helemaal niet dat je sommige zaken in Griekenland persoonlijk moet regelen en niet vanuit een vakantiepark aan de Zeeuwse kust. Zeg eens, A., hoe moet ik in Griekenland komen zonder te vliegen nu ik al jaren, mede uit milieu-overwegingen en nog een heleboel andere, geen auto meer heb? Drie dagen in een peperdure trein, dat geloof je zelf toch niet? Over die ouderling zal ik maar zwijgen, die zou eens moeten kijken naar het aantal slachtoffers in het autoverkeer en in de luchtvaart.


Je verbaast je misschien dat ik me druk maak over wauwelkousen die op Facebook beter hun mond kunnen houden, maar doorgaans het hoogste woord hebben. Moet ik ook niet doen, maar ik kan nu eenmaal slecht tegen domheid en tegen figuren die hun bek maar een duw geven. 'Jij houdt je mond ook zelden', denk je misschien, en dat is waar, maar als ik wat beweer, heb ik daar over nagedacht, weet ik waarover ik praat en als iemand met argumenten komt die sterker zijn dan de mijne, wil ik het niet per se beter weten. Wie heeft dat ook alweer gezegd, dat domme mensen altijd alles zeker weten en mensen die nadenken per definitie twijfelen?


Vorige week hadden we een nogal warme dag, over de onzinnige paniek daarover schreef ik je in mijn vorige brief. Hij was prima uit te houden. Ik hield de ramen en deuren beneden dicht, zodat het keurig vierentwintig graden bleef en heb de hele dag lekker zitten werken. Aan het eind van de middag, het kwik stond toen op achtendertig graden, ben ik op mijn gemak naar Visser gefietst, waar ik aansloot op het terras bij een klein groepje stamgasten. De harde kern zat lekker in een briesje te genieten van de rust op straat, al scheurt onvermijdelijk zelfs op zo'n dag af en toe wel een idioot op een quad met een bloedvaart langs het terras. Er moeten natuurlijk eerst doden vallen voor ze die teringdingen van die snotjongens afpakken. Sinds ze de pollers hebben weggehaald en er camera's staan, hebben we minder last van motorduivels in de binnenstad, maar die quadkinderen hebben waarschijnlijk ouders die het goed lijden kunnen, zodat ze niet schrikken van een prent. 


Toen Visser ging sluiten, ben ik nog even naar het Groothoofd gefietst, waar ik zag dat de leeghoofdigheid zich naar het water had verplaatst. Tientallen mafkezen stoven af en aan op waterscooters en daar tussendoor scheurden de speedboten. Hoe sneller hoe dommer. Ook hier moeten eerst doden vallen voor er iets wordt gedaan. Tussen al die racende waterkevers door stoomden onverstoorbaar de voetbalveldgrote duwcombinaties en de binnenschepen. Het wachten is op ongelukken en de onvermijdelijke krokodillentranen van de BOGA's (Boven Ons Gestelde Autoriteiten, het is maar dat je het onthoudt). Een enkele onverantwoordelijke dwaas daalde ook nog van de steiger af om een rondje te zwemmen. 


Toen ik er echt niet meer tegen kon, ben ik naar huis gefietst, heb me daar van top tot teen ingesmeerd met muggenolie en ben tot laat in de nacht op de veranda gaan lezen. Eerst de krant, die door alle drukte was blijven liggen, en daarna de laatste hoofdstukken uit de prachtige biografie van Hella S. Haasse, door Aleid Truijens. In de krant stond een stuk over straatraces. Daar schijnen ze in dat lelijke dorp aan de andere kant van de Zwijndrechtse brug, met dat prachtige uitzicht op Dordrecht, vooral op zomeravonden erg veel hinder van te hebben. Dat verbaast me niets. Warme leidt bij sommigen kennelijk tot hersenverweking.


In gedachten, altijd,


Kees


Dordrecht, 25 juli 2022


Foto: auteur



maandag, juli 18, 2022

Op het lelijkste plein van Nederland




Lieve Stella,


Weken, zo niet maanden, hebben we uitgekeken naar het Big Rivers festival, dat dit weekend in Dordt plaatsvond. Twee jaar lang kon het niet worden gehouden, of in zeer afgeslankte vorm (vorig jaar) vanwege de coronatoestanden. Nu mocht het gelukkig weer. Ik heb met volle teugen genoten, al heb ik de 'afterparty's' grotendeels aan me voorbij laten gaan. Na urenlang rondsjouwen langs al die podia in het stadscentrum merk je weer even dat je op lichtgevorderde leeftijd bent. 


Het weer werkte ernstig mee, het was droog en zonnig, zonder dat het overdreven warm werd. Festivalweer bij uitstek. Dat wordt, als we de voorspellingen mogen geloven, morgen anders. Dan dreigt de temperatuur boven de vijfendertig graden te komen. Daardoor is het land alweer helemaal in paniek. Voortdurend gezwets op de radio over 'de komende hitte' en wat je daar al dan niet tegen moet doen. Zojuist meldde Radio 1 dat veel kinderdagverblijven morgen sluiten wegens de warmte. Wat een idioterie, kinderen in de Mediterrane landen, waar het vaak langdurig veel warmer is dan dat ene tropische dagje hier, gaan desondanks gewoon naar de opvang. De eerste dag van de Nijmeegse vierdaagse is afgelast. In hoeverre dat terecht is kan ik moeilijk beoordelen, maar al die verdere aanstelleritis over de hitte lijkt me hogelijk ridicuul. Het wordt hier thuis, onder het platte dak, al snel een graadje of dertig, vijfendertig, maar onder een lakentje met de ventilator erbij, slaap ik boven prima. Als het echt te gek wordt, kan het veldbed naar beneden, waar het aanzienlijk koeler is, maar dat is eigenlijk nog nooit nodig geweest.


Voor mij was Visser het epicentrum van Big Rivers. Van daaruit is ieder podium gemakkelijk te belopen, maar ook bij Visser zelf was het dolle pret. Op vrijdag en zaterdag waren er twee dj's die voor vrolijkheid zorgden, terwijl we op vrijdagavond een heerlijke avond hadden met Los Smoking Ciggaars, de bluesband onder leiding van Dusty Ciggaar, en op zondag speelden de Badjak Boys en Salmon On A Leash, twee bands waarin zo'n beetje al Vissers mannelijk personeel (de Visser boys, zeg maar) speelt en dat doen ze nog keigoed ook. Jammer dat het optreden van Thisgirlslife, in de tuin van Brut, niet door kon gaan, omdat Ilona's toetsenist corona had. Er vielen nogal wat muzikanten uit vanwege corona, maar de festivalorganisatie wist dat met de nodige creativiteit prima op te lossen met alternatieve bands. Bravo voor Nevyn, Bas, Liselotte en al die andere mensen die aan Big Rivers meewerkten.


Op zaterdagvond beëindigde Leo Schellinger, die ik al in 1965 leerde kennen, toen hij nog in de Leliestraat woonde, zijn vijfenvijftigjarige carrière als artiest. Zijn band, Leo Schellinger and Friends, had een indrukwekkend afscheid georganiseerd op het podium op de Grote Markt. De Grote Markt is het lelijkste plein van Nederland, ik kan het weten, want ik heb er drie jaar gewoond, in een flat boven wat nu de Action is, maar die avond was het het sfeervolste. Leo is in al die jaren uitgegroeid tot een begrip in het aan muzikanten rijke Dordrecht. Het was geweldig om hem nog één keer Gloria te horen zingen, Bring it on Home to Me en Knocking on Heaven's Door. Dat laatste ontroerde me, want dat was het lied waarmee we afscheid namen van Gerrit de Wolf, op die gruwelijk koude, besneeuwde dag, eind januari 2010, voor we hem naar zijn laatste rustplaats brachten.


Begin jaren zestig had Leo, samen met mijn vrienden Herbert en Thijs, een playback bandje, maar al snel ging ieder zijns weegs in de echte muziek. Leo was door de jaren heen zanger bij een hele ris bandjes. Ik zou de archieven in moeten om ze allemaal op te noemen. Thijs heeft een tijdje gedrumd, maar is daar op zekere dag mee gestopt, ondanks zijn talent, zodat hij waarschijnlijk een mooie carrière in de muziek is misgelopen, al weet je dat natuurlijk nooit. Ik heb je al eens gezegd, als-als-geschiedenis is geen geschiedenis. Van Herbert heb ik gitaar leren spelen, dat verhaal ken je. Ik vraag me af of ik het nog zou kunnen. Ik was niet de geweldigste gitarist van West-Europa, maar ik heb toch wel wat jaartjes mee getokkeld met de Bobby Kinghe Free Folk Band en The Oldtime City Slickers. Vreemd idee dat ik in de vijfenveertig jaar daarna nooit meer gitaar heb gespeeld. Er staat er nog eentje in jouw werkkamer, die bij gebrek aan een zolder min of meer een opslagplaats is geworden, met de snaren uit die tijd er nog op. Ik zou die natuurlijk kunnen vervangen en weer gaan spelen, maar ik geloof dat ik mijn tijd beter kan gebruiken.


Het was alle drie de dagen erg druk op Big Rivers. Misschien een reactie op alle beperkingen en maatregelen tijdens corona, een tijd waaraan ik met afschuw terugdenk en die hopelijk nooit meer terugkomt. Alleen die volslagen idiote avondklok al, waarvan ik me overigens nooit iets heb aangetrokken, en dan dat gedoe met die vreselijke mombakkesen voor je neus. Ik krijg het er nog benauwd van als ik eraan denk. Ik heb overigens niet het idee dat de regering erg competent bezig is om de gezondheidszorg crisisbestendig te maken, maar daarover heb ik je al eens geschreven en ik wil niet in herhalingen vallen. Gisteren hoorde ik een hoogleraar in de migratiegeschiedenis (of iets dergelijks) zeggen dat de vigerende crisis in de opvang van asielzoekers 'bewust is gecreëerd' en dat adviezen van de eigen adviescommissies van het verantwoordelijke ministerie in de wind worden geslagen, zodat asielzoekers in Ter Apel de nachten buiten moeten doorbrengen, wat toch eigenlijk onvoorstelbaar is. Weer een staaltje van ellende die door de neo-liberale lulkoekenbakkers die dit land al zoveel schade hebben berokkend, is veroorzaakt. Het zou ook best eens kunnen zijn dat zoveel mensen zich in een festival als Big Rivers storten om even te vergeten hoeveel en hoe vaak er van alles misgaat of mis is in dit landje, dat toch een van de rijkste ter wereld is. Nu blijkt de belastingdienst, die toch zou moeten staan voor een integer beleid in het algemeen belang, weer op merkwaardige wijze de taxigigant Uber over de kloten te hebben gestreeld. Na Rijkswaterstaat hebben we met de fiscus zo langzamerhand een tweede staat in de staat.


Het Nederlands damesvoetbalelftal is door naar de volgende ronde en moet dan tegen Frankrijk spelen. Ik denk niet dat onze vrouwen dat gaan winnen, die Fransen zijn wel erg sterk in dit EK-toernooi. Ik volg, als het uitkomt, de wedstrijden met plezier. Eigenlijk vind ik het vrouwenvoetbal veel leuker dan dat van de mannen. Er wordt nauwelijks gezeken tegen de scheidsrechter en ze liggen niet voortdurend te janken en toneel te spelen als ze omver worden gelopen. Alleen moeten we zo snel mogelijk van die alles verpestende VAR af. We moeten trouwens ook van die achterlijke buitenspelregel af, vind ik, maar niemand bij de voetbalbond die naar mij luistert. Ook bij FC Dordrecht niet, vrees ik, terwijl ze daar toch horen te weten dat ik vind dat ze snel met een vrouwenselectie moeten beginnen.


In gedachten, altijd,


Kees


Dordrecht, 18 juli 2022


Foto: auteur


zondag, juli 10, 2022

Feestgedruis




Lieve Stella,


Dordrecht is deze maand, ik heb het je al eerder geschreven, een ware feestlocatie. Dit weekeinde hebben we het zogenaamde Hoffestival. In mijn jeugd hadden we de Hoffeesten. Die zijn, meen ik, in 1972 voor het laatst gehouden. Net als de Hoffeesten is dit festival in het leven geroepen om wat men de 'eerste vrije' statenvergadering noemt te herdenken, een bijeenkomst van een aantal Hollandse steden in Dordrecht in 1572, met als doel gelden te fourneren aan Willem van Oranje, zodat hij zijn strijd tegen de hertog van Alva kon volhouden. Ik ga die geschiedenis is deze brief niet uitgebreid uiteen zetten, ik heb er in een eerdere brief al wat over gezegd en ik ben niet van plan om je een lesje geschiedenis te geven. Dat heb ik, samen met collega Henk 't Jong wel min of meer gisteren gedaan in een radio en televisie-uitzending van Via Cultura, een van de Dordtse media-organisaties, waarin het over die statenvergadering ging. We vonden die herdenking, die pas in de 19e eeuw in de schoolboekjes is terechtgekomen, toen de sterk nationalistisch gekleurde geschiedschrijving opkwam, een nogal opgeklopte zaak, al is een feestje nooit weg. 


Van die oude Hoffeesten herinner ik me de zomerkermis, die werd gehouden op het Beverwijcksplein en de Veemarkt. Wij woonden daar niet ver vandaan in de Cornelis de Wittstraat, zodat ik als kind 's avonds ging slapen met op de achtergrond vrolijke kermisgeluiden. Bij ons in de straat stond altijd een aantal wagens van de kermisgasten geparkeerd. Er was een rijdende school bij, wat ik verwonderlijk vond: les krijgen in een grote woonwagen, maar ook een beetje zielig. Had je een avontuurlijk leven als kermiskind, althans dat stelde ik me voor, moest je toch de hele dag op school zitten. 


Als kind vond ik een kermisbezoek wel aardig, maar ik ben er nooit geweldig warm voor gelopen. De kermis leek in veel opzichten niet op wat hij vandaag de dag is. Ik heb niets met al dat gedraai en gezwier en de oorverdovende herrie waarin ik terechtkwam toen ik onlangs een nieuw paspoort moest ophalen. Tegenwoordig staat de zomerkermis, losgezongen van het Hoffestival, halverwege de maand juni op de Spuiboulevard bij het Stadskantoor. Mijn kermis was die van de vrouw met de baard, de schiettent, het spookhuis, de poffertjestent, als je geluk had kreeg je ook nog geld voor een zuurstok, de draaimolen (maar dan moest ik wel op een paard) en vooral de botsautootjes. Wat me aan de andere kant tegenstond, ook al als kind, was het vele tuig dat door de kermis werd aangetrokken, met aanklevende opstootjes en vechtpartijen. Ik kom al jaren niet meer op de kermis en heb geen idee hoe de sfeer nu is, maar ik heb mij er nooit echt helemaal senang gevoeld.


Tijdens de Hoffeesten werd ook een wandeltocht georganiseerd. Veel herinner ik mij daar niet van, maar ik moet daar een paar keer aan hebben meegedaan. Mijn vader was een enthousiaste wandelaar en sleepte ons als kinderen daarin mee. Ik heb een aantal keren de avondvierdaagse gelopen, toen heel wat minder vanzelfsprekend dan nu, want scholen deden er bijvoorbeeld nog niet aan mee, en kennelijk ook weleens zo'n Hoffeestwandeltocht. Ik heb er een paar medailles van en die komen niet uit de curiositeitenwinkel. Als je de beeldbank van het Regionaal Archief bekijkt, werd er tijdens die feesten flink uitgepakt met allerlei voorstellingen, optochten, concerten en bosjes hoogwaardigheidsbekleders, tot aan leden van het koninklijk huis aan toe. Ik heb in mijn eigen archief gezocht, maar veel over de Hoffeesten heb ik niet gevonden, behalve één foto. Die moet zijn gemaakt in 1958, toen ik in de eerste klas zat van School Brans (die nu School Vest heet). We deden mee aan een optocht en moesten een of ander verhaal met regen uitbeelden, al was het, als ik het me goed herinner, maar je weet wat voor vreemde dingen je geheugen kan uithalen, mooi zomerweer. Of die optocht iets met de Hoffeesten te maken heeft? Geen idee. 


Ik sta op die foto op de voorgrond, tweede van rechts. Het meisje links van me is Patricia van Liempt (of van Liemt, dat wil ik kwijt zijn). Haar vader was chirurg. Ze woonde in een groot huis op de Singel, waar ik weleens ging spelen. De herinnering daaraan was aanleiding voor mijn gedicht Het huis aan de Singel, dat in mijn bundel Hoe de wereld zich zou openen (2012) is opgenomen. Ik ben aan het eind van klas twee van school gegaan en overgestapt naar de Boermanschool in de Bankastraat. Over de reden zullen we het niet hebben, maar het was niet vanwege mijn goede gedrag, vandaar dat ik het wel grappig vond dat ik jaren later een tijdje als kwekeling heb rondgelopen op Vest, die zich ondertussen had getransformeerd tot een geheel andere en bijzonder prettige school. Hij is inmiddels van de Vest verdwenen en staat nu op de Blekersdijk. De Boermanschool is afgebroken. Daar staat nu een flatgebouw. Patricia is in 1959 uit mijn leven verdwenen, zoals vrijwel alle klasgenoten uit die tijd, behalve Hans Barendrecht, die later de groentezaak in de Vriesestraat van zijn vader overnam. Daar zijn we jarenlang klant geweest, tot Hans met pensioen ging.


Het huis aan de Singel


De massieve voordeur

is nog dezelfde als die

waardoor hij na schooltijd

het meisje volgde.


Er was een moeder die altijd

bleek op een sofa lag.

Er waren reusachtige fauteuils

die dienst deden als slagschip.


Het was een groot, grof meisje

dat soms aan zijn haren trok

en boos deed als de moeder

haar verbood te vloeken.


Ze was gespierd als een jongen,

speelde te wild voor hem.

Maar hij kwam steeds mee,

durfde geen nee te zeggen.


Later was het er opmerkelijk stil.

Dat begon op de dag dat de sofa

leeg was en het meisje

weigerde te spelen.


Ze zaten bewegingloos

in die enorme kamer.

De slagschepen lagen er bij

als verwaarloosde wrakken.



In gedachten, altijd,


Kees


Dordrecht, 10 juli 2022


Foto: archief auteur



dinsdag, juli 05, 2022

Vriendelijk glimlachend



Lieve Stella,


Gisteren kwam het nieuws dat Remco Campert is overleden. Niet geheel onverwacht, hij was twee en negentig, ondanks al die rode wijn en al die sigaretten die hij zijn hele leven heeft gedronken en gerookt, maar toch schrik je ervan. Ik bedoel: Campert was een soort constante in de literatuur. De laatste jaren schreef hij weliswaar niet meer, maar hij wordt nog volop gelezen, althans door mij en ik ga er gemakshalve maar even vanuit dat ik in de literatuur de maat van alle dingen ben.


Ik ben in ieder geval een groot Campert-fan, vooral van zijn poëzie. Zoals velen begon ik in mijn pubertijd met het schrijven van gedichten. Twee dichters waren mijn grote voorbeeld en bron van inspiratie: Kees Buddingh' en Remco Campert. In de bundel Dit gebeurde overal uit 1962, die ik als zestienjarige kocht op advies van Gerrit de Wolf, klasgenoot en mederedacteur van de schoolkrant, viel mijn oog als eerste op het gedicht Niet te geloven, waarvan de laatste twee strofen luidden:


Alles zoop en naaide,

heel Europa was één groot matras

en de hemel het plafond

van een derderangshotel.


En ik bedeesde jongeling

moest nodig

de reine berk bezingen

en zijn bescheiden bladerpracht.


Het werd een van zijn bekendste gedichten, graag gelezen door even bedeesde jongelingen uit de generatie na hem.


Zijn Tjeempie! Of Liesje in luiletterland (1968) las ik voor mijn eindexamen. Eigenlijk vond de leraar Nederlands dat maar niks, maar er ging net een progressieve geest waaien door de school, die de stoffige gangen en lokalen danig begon op te frissen, dus veel weerwoord gaf hij wijselijk maar niet en bovendien had ik ook Julia van Rhijnvis Feith op de lijst staan, waar hij veel waardering voor had. Niet voor Feith, maar voor het feit dat ik dat boek had gelezen. Van Julia herinner ik me niet veel meer, maar de avonturen van Liesje staan me nog helder voor de geest.


Campert en ik waren geen goede bekenden. Wel heb ik hem enkele keren ontmoet en gesproken. Een vriendelijke roker, waarvoor ik vol ontzag was, zeker toen ik hem de eerste keer ontmoette. Dat was in het voorjaar van 1969, toen Jan van der Geer, Gerrit de Wolf en ik de manifestatie Poëzie in het Minitheater organiseerden. Een avond geïnspireerd door Poëzie in Carré, maar iets minder groots opgezet, want daar was de subsidie van de Dordtse Boekverkopersbond en de Culturele Raad Dordrecht niet toereikend genoeg voor. 


Ik presenteerde Poëzie in het Minitheater (gehouden in het toenmalige theatertje onder het Stadskantoor), waaraan Campert en een aantal andere grote namen uit die dagen deelnamen, een manifestatie die overigens zonder de enthousiaste hulp van Kees Buddingh', die de dichters namens ons om medewerking vroeg, niet van de grond was gekomen. Buddingh' introduceerde er zijn vriend Wim de Vries, die als optredend dichter debuteerde. Ik was zo vermetel aan het eind van de avond een gedicht van mezelf voor te dragen. Gelukkig is die jeugdzonde daarna verloren gegaan en ik hoop dat hij nooit uit de vergetelheid terugkeert, maar Campert kon er vriendelijk om glimlachen.


Jij hebt hem voor zover ik me herinner nooit ontmoet, hoewel we regelmatig naar Poetry International gingen, maar ook jij las zijn gedichten graag. Het was een kwestie van tijd voor je werk van hem in het Grieks zou gaan vertalen, zoals je ook deed met gedichten van Buddingh', Jan Eijkelboom en Judith Herzberg, maar eerst wilde je de vertaling van Max Havelaar voltooien. Je bent er niet meer aan toe gekomen en ik vraag me ook een beetje af of je een gedicht als Strip, uit Betere Tijden (1970) zou hebben gekozen, dat eindigt met:


maar daar heb je 't drama al


terwijl hij met de ene hand

zijn zuster in haar buik grijpt

rukt hij met de andere zijn zwager af


ze weten tegenwoordig

van gekkigheid niet meer

wat ze bedenken moeten


In de vroege jaren zeventig, toen Griekenland in de greep was van het achterlijke, fascistische kolonelsregiem, was daar geen sprake van een seksuele revolutie, laat staan van dichters die het fenomeen met milde ironie bezongen, maar ik vraag me af of de Grieken, inmiddels vol problemen het tweede decennium van de 21e eeuw ingesukkeld, er nu wel aan toe zouden zijn. De meisjes in Thessaloniki lopen er vaak uiterst aantrekkelijk bij in hun sexy zomerkleedjes, maar dat verhult slechts het oerconservatieve karakter van de Griekse maatschappij. Geen tepel te zien op de Griekse familiestranden, maar wel bij elke gebeurtenis van enig belang zo'n wierook zwaaiende zwartrok.


Mijn laatste ontmoeting met Campert dateert van 7 september 2008. Hij was een van de gasten bij de literaire manifestatie Drechtsteden Gedicht. Die werd op een druilerige, frisse middag buiten gehouden op het Hof, nog voordat de boel verbouwd werd tot museum. Het gebouw was eigenlijk al niet meer als theater in gebruik, maar de foyer was er nog en bij Gods gratie mochten de deelnemende dichters daar na hun optreden schuilen. Ik praatte er na afloop met Campert, Jules Deelder, Levi Weemoedt en Tjitske Jansen nog wat na. Deelder, goed bekend met Dordrecht en sommige Dordtenaren, gaf een persiflage ten beste van de laatste seksshopuitbater op de Riedijk (hij is overleden, ik zal uit piëteit zijn naam niet noemen). Die was zo hilarisch dat Campert zich snel moest vastgrijpen om niet gillend van de lach van zijn stoel te vallen. Een mooie herinnering aan een groot inspirator.


In gedachten, altijd,


Kees


Dordrecht, 5 juli 2022




zondag, juni 26, 2022

Op de rand van een vulkaan






Lieve Stella,


Een paar dagen geleden ben ik, na twee glazen chocomel en twee slokken bier in Visser, maar weer op de fiets naar huis gestapt om daar met een beetje verhoging en lichtelijk zielig onder een dekentje naar een aflevering van The Midsummer Murders te kijken en vervolgens het Nederlands vrouwenelftal met 5-1 te zien verliezen van Engeland. Je begrijpt, de tweede booster is binnen. Dat moet in het Engels, als je herhaalvaccinatie zegt werkt het niet tegen corona, geloven we in Nederland. Het was deze keer niet in een per openbaar vervoer schier onbereikbaar gat ergens in de polder, maar in een voormalig schoolgebouw op nauwelijks vijf minuten fietsen van huis. Ik kreeg ook nog iets te drinken aangeboden. Goed van de GGD, maar mag het volgende keer misschien samen met de griepprik, gewoon bij mijn eigen dokter?


De overlast bleef beperkt. Ik kreeg deze keer Pfeizer, werd me verteld, in plaats van Moderna, waar ik toen aanzienlijk meer last van had. Dat kwam natuurlijk ook omdat ik voor dat spuitje het Eiland van Dordrecht af moest, helemaal naar een beruchte wijk in de grote stad Rotterdam. Nu was ik de volgende morgen weer geheel fit en kon ik gewoon aan de training beginnen. Zo noem ik de oefeningen maar die ik 's morgens moet doen om mevrouw Ischias buiten de deur te houden, wat dankzij mijn beweegtherapeute goed lukt, al moet je het wel volhouden. Na een zware avond schiet die training er weleens bij in.


Het lijkt een mooie zomer te gaan worden, vol feesten en festivals in Dordrecht. Natuurlijk, het is als dansen op de rand van een vulkaan, feesten in Herculanum of Pompeï, want behalve de inktzwarte schaduw van de oorlog in Oekraïne, het raaskallen van bad Boris in Engeland, de terugkeer naar fundamentalistische achterlijkheid van de VS, door het afschaffen van het federale recht op abortus, doemt ook het covidspook weer op. Dat laatste zou niet zo erg zijn als er krachtige maatregelen zouden zijn getroffen om de intensive care capaciteit in de ziekenhuizen uit te breiden, maar ik zie of hoor daar niets over. Ik weet ook wel dat dat niet zomaar gaat, maar ik weet ook dat nieuwe coronamaatregelen tot nog grotere problemen in de samenleving gaan leiden dan we nu al hebben.


Je weet, ik ben allerminst een onheilsprofeet, maar geen weldenkend mens kan er omheen dat drie kabinetten onder aanvoering van die leuke en vriendelijke meneer Rutte niet alleen veel problemen op hun beloop hebben gelaten, maar van een aantal een ongehoorde puinhoop hebben gemaakt. Denk aan de belastingdienst, een soort staat in de staat, denk aan zorg en onderwijs, denk aan Groningen en aan stikstof en de boze boeren. Allemaal aanwijzingen dat neo-liberalisme tot maatschappelijke ontwrichting leidt. Gelukkig gaat mijn pensioen na jaren stilstand met 2,39% omhoog en komt er voortaan iedere maand een rijk met dubbeltjes geladen schip mijn haven binnen.


Een mooie zomer dus. Volgende week verjaart FC Dordrecht. Dan is het vijftig jaar geleden dat het beroepsvoetbal zich onder die naam afsplitste van DFC. Wordt uiteraard een feestje met een wedstrijd van beroeps- en amateurcoryfeeën uit het verleden. Een dag erna is het Nooit Terug- poëziefestival. Die naam vind je misschien raar, maar die houdt verband met het gedicht Wat blijft komt nooit terug van Jan Eijkelboom. Ik kijk daar ook naar uit, al vind ik het vreemd dat de stadsdichter van Dordrecht niet van de partij is. Diens termijn loopt trouwens af, dus komt er binnenkort een nieuwe. Ik ben benieuwd wie het wordt. Als hij of zij maar niet wordt benoemd via een belachelijke wedstrijdprocedure, zoals bij de vorige twee stadsdichters, en er geen discriminatoir criterium als 'aansprekend voor jongeren' wordt gehanteerd, want poëzie is voor alle leeftijden. Ik heb bijvoorbaat laten weten dat ik niet beschikbaar ben, ik heb het al druk genoeg.


Voor ik het vergeet: aan het eind van Nooit Terug hebben we het 'Boekenmarktbal' in de Kunstkerk, waar ik uit mijn dak hoop te gaan met een of andere leuke dichteres, maar dat mag je niet verder vertellen. Als ik die dagelijkse training natuurlijk maar volhoud. Het valt niet mee om licht gevorderd te zijn in leeftijd. Voor je het weet deelt een onbekende deegsliert van de overheid je in bij de bejaarden en moet je therapeutisch bingo gaan spelen in een buurthuis. Dan liever de lucht in, wat bij de huidige staat van chaos op Schiphol ook geen sinecure is. De dag daarna hebben we de Dordtse boekenmarkt. Dit jaar zijn mijn boeken te koop in de kraam van uitgeverij Avenir, in de Nieuwstraat. Ik ben daar blij om, want Liverse staat niet meer op de boekenmarkt.


Op 8 en 9 juli vieren we dat het 450 jaar geleden is dat de Staten van Holland in Dordrecht bijeen kwamen om Willem van Oranje de nodige centjes te verschaffen voor de opstand tegen de hertog van Alva. Om dat nou direct 'de geboorte van Nederland' te noemen gaat veel te ver, het was slechts een stap in het verzet tegen de landvoogd. Er moest daarna nog heel wat water onder allerlei bruggen door voor in 1588 de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden werd geboren (ze probeerden het niet voor niets na de afzwering van Philips II nog even met de graaf van Leicester en de hertog van Orleans, beiden geen succes). Uit die Republiek werd in 1795 de Bataafse Republiek geboren, daaruit in 1806 het jong overleden Koninkrijk Holland en tenslotte, na nog krap drie jaren Frankrijk, in 1813 Nederland. Ik bedoel maar, herdenken is mooi, maar geschiedenis is nooit in een kreet te vangen.


Waar ik ook naar uitkijk is het Big Rivers Festival, op 15, 16 en 17 juli. Op die dagen is het overal muziek wat de klok slaat in de stad, maar daarvoor is er ook al een opera op het Grotekerksplein in samenwerking met Muziektheater Hollands Diep. Ga ik ook eens naar een opera. Ik kan me niet herinneren dat ooit te hebben gedaan. Ik was, zij het in de coulissen, wel vaak bij het Belcantofestival, toen Dordrecht dat nog had. De coulissen waren in dat geval de open ramen van een bevriend echtpaar dat op de hoek van het Hof woonde. Ontspannen luisteren met prima zicht op het toneel en met een wijntje erbij. Ik moet nu even denken aan de openluchtbioscoop waar wij 's zomers in Thessaloniki weleens naartoe gingen, of naar het openluchttheater in het bos boven de stad. Weet je nog dat we bij dat prachtige optreden daar waren van Ross Daly? Ik zet nog weleens een CD-tje van hem op, tot ik er weemoedig van word. Gelukkig heb ik dan de klezmer om me op te vrolijken.


Na Big Rivers zit je voor je het weet in augustus, met wespen, veel regen en aan het eind van de maand onze familiedag. Dan is voor mijn gevoel de zomer al wel zo'n beetje voorbij. Misschien ga ik ergens in die maand nog een paar dagen naar Texel. Even uitwaaien in het hoge noorden en wie weet loop ik er mijn oud-hoogleraar Maarten van Rossem tegen het lijf. Dat zou me niets verbazen.


In gedachten, altijd,


Kees


Dordrecht, 26 juni 2022


Foto: auteur


maandag, juni 20, 2022

Uitgeblust




Lieve Stella,


Ondanks dat ik vandaag een beetje uitgeblust ben, ben ik de dag begonnen met het repareren van de schuurdeur. Daar was een scharnier van gesneuveld door hoge ouderdom en ik wilde voorkomen dat het hele gammele ding uit het kozijn zou tuimelen. Het ging natuurlijk op mijn manier, met de antieke boor uit de jaren vijftig, die ik ooit van oom Henk erfde, en gewoon met de hand de schroeven erin, dus ik geef geen garantie dat hij eeuwig mee gaat, maar mijn tijd zal het wel duren. Althans dat hoop ik. Ik heb een hekel aan klussen, maar om nu enkel voor een scharnier iemand op te trommelen gaat me net iets te ver.


Uitgeblust? Hoezo uitgeblust, zul je je misschien afvragen. Nou gewoon, gisteren hadden we de vijfentwintigste editie van Wantijpop (of het bestond vijfentwintig jaar, dat wil ik even kwijt zijn, maar wat maakt het uit) en daar ben ik samen met Lé, je weet wel, de oud-leerlinge en goede vriendin waarmee ik vaak naar musea ga, bijna de hele dag en avond geweest. Op het heetst van de dag was het boven de dertig graden, maar ach, ik heb in Griekenland warmere dagen meegemaakt en in het Wantijpark is veel schaduw te vinden. Voordat we ons in het muziekgeweld stortten, zijn we eerst nog naar de opening van de tentoonstelling Wanderlust in het Dordrechts Museum geweest. Vooraf een bijeenkomst in de Augustijnenkerk, daarna naar de expositie en vervolgens een drankje in de museumtuin. Bij wijze van uitzondering heb ik daar water genomen, want om twaalf uur op zaterdagmorgen aan de wijn met nog vele festivaluren voor de boeg, is niet aan te bevelen.


Sorry, ik ga je geen gedetailleerde beschrijving van het festival geven, daar zit je, denk ik, ook niet op te wachten, maar neem van mij aan dat het zeer geslaagd was. Het voelde als een soort bevrijding dat we na die ellendige coronatijd gewoon weer eens naar een festival konden. Dat merkte je aan de positieve sfeer. 'Iedereen was vrolijk', is misschien iets te veel van het goede, ik heb niet 'iedereen' gesproken, maar de sfeer was goed, heel goed. Daar werkte natuurlijk ook het weer aan mee. Stel je voor dat het van dat ongelofelijke zeikweer zou zijn geweest als met Pinksteren. Dan was ik waarschijnlijk gewoon thuisgebleven om wat te chagrijnen achter mijn bureau.


Hoogtepunten vond ik de optredens van Waltzburg, Scotch The Band en Son Mieux en wat ik ook erg leuk vond was Atrampoline, het bandje waarin buurmeisje Minna speelt, en dat optrad op het Popcentralepodium. Jong talent dat ver kan komen. Ik heb ze van een aardig bandje vorig jaar zien groeien in een formatie die iets goeds neerzette, met niet alleen covers, maar ook eigen nummers.


Ik ben weer veel bekenden tegengekomen, meest oud-leerlingen. Met een paar en met enkele oud-collega's hadden we een soort van mini-reünie afgesproken, die gezellig uitpakte. Alleen sloeg later op de avond de vermoeidheid wel toe. Daaraan merk je dat ik van licht gevorderde leeftijd ben, dat krijg je als je allereerste leerlingen inmiddels ook al achter in de vijftig zijn. Uiteindelijk heb ik de laatste helft van het optreden van de laatste band maar thuis aangehoord. De wind kwam uit de goede hoek, zo ver woon ik niet van het Wantijpark en hoewel het in de loop van de avond opvallend fris was geworden, was het op de veranda met een bescheiden glaasje whisky prettig afkicken en terugkeren in de werkelijkheid. Die was vanmorgen grauw met plassen water in de tuin. Dat scheelt weer sproeien, maar zo'n overgang is me wel iets te abrupt. Gelukkig kwam er in de loop van de morgen even een beetje zon, zodat ik met buurvrouw Elvira toch 'een bakkie kon doen' op de veranda om na te praten over gisteren.


Een paar dagen geleden kreeg ik een e-mail van Herbert uit Amsterdam. Elly en hij hebben, volgens mij geheel onverwacht en in een opwelling, een huis in Dordrecht gekocht. Een fraai hoekhuis in Zuidhoven. Ze komen dus in Dordt wonen. Ik vind het geweldig nieuws, ik ben tenslotte al vanaf mijn veertiende met Herbert bevriend en ik heb mijn vrienden liefst allemaal zo dicht mogelijk om me heen. 


Verhuizen vanwege je werk leek en lijkt me eigenlijk een soort straf. Weg uit je vertrouwde omgeving, ik ben er nooit aan begonnen, maar ik ben, toegegeven, van een eigenaardige honkvastheid. Ja, voor jou zou ik Dordt hebben verlaten, na mijn pensionering, om in Griekenland te gaan wonen. Of dat goed zou zijn gegaan, geen idee, als-als-geschiedenis bestaat niet, maar een andere reden zou ik me niet kunnen bedenken. Toen ik als jong onderwijzer begon in Hendrik-Ido-Ambacht werd mij daar onmiddellijk een huis aangeboden. Wat dat, en nog wel wat andere zaken betreft, was de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht een stuk personeelsvriendelijker dan Dordrecht, maar nee, weggaan uit Dordt, daar begon ik niet aan. Ook niet toen ik in Utrecht studeerde, maar dat was in deeltijd, dus daar was ook helemaal geen noodzaak toe. Uiteindelijk blijft een Dordtenaar aan zijn of haar geboortestad gehecht, dat zal het zijn. Ik ken nogal wat mensen die uit Dordt vertrokken en na hun pensionering toch weer terugkeerden. Het is niet voor niets de mooiste stad van het land. Nu Kees, niet overdrijven, dat geldt wat mij betreft alleen maar voor een deel van het historisch centrum, maar daaraan heb ik precies genoeg om nooit meer uit de stad weg te willen.


Inmiddels is het artikel van Guus en mij over de Culturele Raad Dordrecht en het gemeentebestuur verschenen in het blad van Oud-Dordrecht. Er zal wel enig commentaar op komen, want onze vraagstelling was niet 'wat heeft die raad allemaal bereikt in Dordrecht?', maar 'waarom ging het mis tussen de raad en het gemeentebestuur?' De raad heeft inderdaad veel bereikt en je kunt je afvragen of het opheffen ervan na vijftien jaar verstandig was. Ik denk ernstig van niet, maar daar gaat het niet over. Dat is een beetje jammer voor een aantal oudgedienden die wellicht stiekem op een lofzang zaten te wachten, terwijl ze een redelijk kritisch stuk voorgeschoteld krijgen. Daar kunnen we ook niets aan doen. De bronnen spreken duidelijke taal. Die bronnen kunnen overigens ook goed antwoord geven op de eerst gestelde vraag, maar dan krijgt het antwoord vermoedelijk de omvang van een boek. Daar moet een jong, ambitieus historicus met promotieplannen zich dan maar eens op storten. Guus en ik zitten inmiddels iedere week weer een dag op het archief om een ander onderzoek te doen. Iets met pontonniers en agenten met blanke sabels die elkaar in de haren vliegen, en reglementen voor 'huizen van ontucht', maar op verdere details zul je nog een poosje moeten wachten. 


Waar je ook nog even op moet wachten is op de Grote Openbaring over mijn, laat ik het maar 'boekenpraatjesproject' noemen, maar die zit er eerstdaags wel aan te komen. Het wordt een beloftevolle zomer. Als nu de coronahysterie maar niet opnieuw toeslaat, want dan zouden we weleens heel onaangename dingen kunnen gaan beleven en het is met al die boze boeren in het land al erg genoeg. 


In gedachten, altijd,


Kees


Dordrecht, 19 juni 2022


Foto: auteur


zondag, juni 12, 2022

Duct tape




Lieve Stella,


Er zijn mensen die mij niet kennen en dan ergens in een verhaal van me lezen dat de 'ik' voorstander van stoomtractie bij de spoorwegen is of het liefst terug gaat naar de ouderwetse varkenshouderij, waarbij die leuke beesten weer gezellig mogen wroeten in de modder, en daaruit de conclusie trekken dat ik het prototype van een reactionair ben. Dat zijn dus mensen die van ironie geen enkele brok kaas hebben gegeten, het verschil tussen fictie en werkelijkheid niet kennen of zo dom zijn dat ze, zodra iemand in de ik-vorm schrijft, niet begrijpen dat die 'ik' helemaal de schrijver zelf niet hoeft te zijn. Ik zat dat gisteren te bedenken op een bankje op perron negen van het Rotterdamse Centraalstation, waar ik een boek van Sally Rooney las, ook in de ik-vorm geschreven. 


Ik had met Guus afgesproken naar de bijeenkomst van de Dickens Fellowship in Haarlem te gaan, maar ik had me in de tijd vergist en stond een uur te vroeg op station Dordrecht. Toen Guus niet kwam opdagen dacht ik, ik stap maar in de trein en dan bel ik nog wel om te horen wat er aan de hand is. Zodoende zat ik in Rotterdam te wachten tot de afgesproken trein richting Haarlem zou arriveren, met Guus erin. Eersteklas coupé in voorste treinstel beneden. Je hoeft het niet te snappen, geloof het maar gewoon. 


Ik reis altijd eerste klas, want ik betaal graag wat extra voor mijn rust, maar er zijn elfhonderd vacatures bij de spoorwegen en dat zal de reden wel zijn dat ik al maanden reis zonder ooit een keer door een conducteur om mijn vervoerbewijs te zijn gevraagd. Bij gebrek aan controle trekt de eersteklas allerlei geinponems en ander raar volk aan. Op de heenweg twee pubers, die iets onverstaanbaars spraken, met een geluidsbox, zo'n ding dat ik ook heb om Spotify op de meest onwaarschijnlijke plaatsen te kunnen horen. Ze veroorzaakten uiteraard kabaal. Op de terugrit hadden we een beneveld zwerverstype dat zijn roes lag uit te slapen. Altijd beter dan herriepubers. Uiteraard zeg ik er niets van, want ik ben zelf ook jong geweest, en ook weleens beneveld, zij het geen zwerver, en ik heb geen zin om onbezoldigd conducteur te spelen omdat de spoorwegen onvoldoende personeel kunnen werven.


Terug naar de stoomtractie hoeft van mij niet per se, terug naar een degelijke kaartjescontrole wel. Als iemand zich misdraagt in een trein kun je tegenwoordig een telefoonnummer bellen. Wat dan? Snelt er dan wel een conducteur toe? Staat er een peloton dragonders aan het eerstvolgende station om in actie te komen? Of is het het zoveelste doekje voor het bloeden? Ik hoorde dat op station Dordrecht de balie waar je kaartjes kon kopen en informatie inwinnen inmiddels is gesloten. De volgende stap op weg naar de verloedering. Eerst gingen de restauratiewagens eraan. Daar kwamen nog een tijdje van die goedbedoelende rugzakdragers voor in de plaats, werkstudenten die meestal net niet in voorraad hadden wat ik wilde drinken, en die ook alweer snel werden afgeschaft. Ook de stationsrestauraties gingen dicht. Ik geloof dat er nog eentje in Amsterdam is en misschien nog een in Groningen (ik loop in het noorden de deur niet plat) en nu dus de kaartjesbalies. Wat reizen we fijn met de trein! Om van die ellendige, ergonomisch mislukte dubbeldekkers niet te spreken. Vooral als je koffers bij je hebt. Het enige wat nog aardig is aan treinreizen zijn met mooi weer al die leuke, halfblote meisjes in de coupé, waar je niet naar mag kijken, want dan ben je een vieze, oude man en potentiële verkrachter en daarvoor moet je ook nog eens tweedeklas gaan sporen, want dat soort meisjes vind je niet veel in de eersteklas. Ja, ik mopper een beetje, mag ik ook eens?


Nadat die twee brabbelende herrieschoppers in Leiden uitstapten hadden we verder een aangenaam ritje naar Haarlem, waar we overstapten op de boemel naar Zandvoort. Die wilde niet vertrekken. Er werd omgeroepen dat er te veel fietsers aan boord waren. 'We', riep iemand door de intercom, 'kunnen daardoor de veiligheid niet garanderen.' Alsof ze dat anders wel kunnen, met dat gebrek aan controle. Het duurde even voordat het halve Regiment Wielrijders de trein zuchtend en steunend had verlaten, want je zou dat verschrikkelijke eind tussen Haarlem en Zandvoort zelf moeten fietsen. In Overveen stapten we uit. Daar is het station veranderd in een gezellige kroeg, het kan dus wel, maar ik heb zo het vermoeden dat dat stationsgebouw allang geen eigendom meer is van de NS, al heb ik het niet minutieus onderzocht. Van Overveen, aan Porsches geen gebrek, liepen wij goedgemutst terug naar de rand van Haarlem, waar zich het etablissement Het Wapen van Kennemerland bevindt. Wij hoorden daar een interessante lezing aan over de stoomvaart in de negentiende eeuw, dronken een geanimeerde borrel, en nuttigden daarna een sateetje met de andere Dickensians. Geslaagde bijeenkomst.


Een ander geslaagd uitje ging naar het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem. Daar reed ik met zus Marja naartoe om onze familiedag in augustus voor te bereiden. Toen ik nog lesgaf kwam ik er weleens, maar de laatste keer was toch al wel een jaar of twintig geleden. In die tijd is het museum veranderd, uitgebreid en een stuk aantrekkelijk geworden. We kregen een traditioneel hapje vis met saus van een aardige Molukse mevrouw. Die troffen we in de barak uit een van de opvangkampen waarin de Molukse KNIL-militairen, die in 1951 gedwongen werden naar Nederland te komen, werden ondergebracht. Die is in het museum herbouwd. Je kunt er kennis nemen van de geschiedenis van deze militairen, die door de Nederlandse regering op een ongehoord schofterige manier zijn behandeld. 'Daar werd iets kleins verricht,' zeg maar. Er was ook een indrukwekkende tentoonstelling over Anton de Kom, de Surinaamse oorlogsheld, die evenals als oudoom Jacobus Bekker ligt begraven op het ereveld in Loenen. Hoe dat in 1942 precies met oom Jacobus is gegaan moet ik nog onderzoeken in de Rode Kruis-archieven in Den Haag. De toestemming daarvoor is allang binnen, maar de tijd ontbreekt me aan alle kanten. We zijn overigens niet met het openbaar vervoer naar het museum gegaan. Dat zou, zonder vertragingen, drie uur en tien minuten hebben gekost. Met Marja haar automobiel waren we er in krap anderhalf uur.


Ik ben in Dordrecht een soort superinvaller geworden, geloof ik. Eerst heb ik een paar keer groepen Amerikanen rondgeleid, omdat de reguliere gidsen ziek, zwak of misselijk waren, en de afgelopen week was ik invalpresentator bij een paar televisieprogramma's die worden gemaakt in samenwerking met Via Cultura. Best leuk om een keer te doen, maar ik hoor dan op het allerlaatste ogenblik dat ik moet presenteren, het eerste programma samen met een ervaren presentatrice gelukkig, het tweede geheel op eigen kracht. Via Cultura heeft geen redactie, je moet het zelf allemaal maar zien voor te bereiden en dat heeft me toch wel een deel van mijn nachtrust gekost, want als ik iets doe, doe ik het goed. Waarom al die lokale omroepjes en omroepen in de regio de krachten niet bundelen, zodat er een waardige omroep van het formaat RTV-Rijmond ontstaat, in plaats van krioelend kleingrut waar te weinig mensen naar kijken of luisteren, is me een raadsel. Het zou financieel ook gunstig zijn, lijkt me, maar ik bemoei me nergens mee, dat moeten die wethouders maar doen. Wie weet wordt er nog eens eentje ziek of zwanger, dan wil ik ook wel even invallen hoor, als ik het maar vroeg genoeg hoor.


We hebben een totaal verregende Pinksteren achter de rug. Gruwelijk, maar vandaag is het een mooie dag. Misschien moet ik daar maar eens van gaan genieten in plaats van me te bekommeren om de verloedering van het openbaar vervoer of de radiostudio van RTV-Dordrecht, die, naar men zegt, van duct tape aan elkaar hangt.


O ja, dat van die varkenshouderij, dat klopt wel.


In gedachten, altijd,


Kees


Foto: auteur


maandag, mei 30, 2022

Borrel elders




Lieve Stella,


De afgelopen zondag heb ik enige tijd in een kerkbank doorgebracht. Die staat namelijk in café De Lachende Monnik op de Voorstraat. Daar was vroeger café Arina. De nieuwe eigenaar heeft het grondig verbouwd en geheel aangepast aan de naam. Je kunt er dus in kerkbanken zitten, al zijn er uiteraard ook stoelen, en je wordt omringd door kruis- en heiligenbeelden. Het is opgezet als biercafé, met een keur aan trappisten- en abdijbieren, maar ze schenken ook goede wijn. Het woord 'miswijn' ligt me voor in de mond, maar ik heb geen zin in flauwiteiten. We konden niet terecht bij Visser, want daar was levende muziek waar je kaartjes voor moest kopen en die waren uitverkocht. In zo'n geval heb je tegenwoordig in Dordrecht voldoende keus voor een borrel elders (dat was in mijn jonge jaren wel anders, maar dit terzijde) en dat werd dit keer dus die monnik.


Ik was vorige week ook al in De Lachende Monnik, met het Genootschap ter Bevordering van Eb & Vloed, het borreldispuut van oud-collega's. De meesten zijn met pensioen, maar een enkeling nog net niet en zodoende hebben we ons weer eens ouderwets beziggehouden met de perikelen van het Stedelijk Dalton Lyceum, waar eigenaardige dingen schijnen te gebeuren. Als ik het goed heb begrepen, hebben alle vakken, of bijna alle vakken waar dat kon, een lesuur moeten inleveren vanwege de financiën, maar wordt er wel van de leraren verwacht dat ze de complete leerstof in de overgebleven tijd proppen. Dat gaat natuurlijk niet lukken en dat voorspelt niet veel goeds voor de overgangsrapporten en de eindexamenresultaten. Nogmaals, als ik het goed heb begrepen, slag om de arm, maar ik heb het dramaverhaal nu van verschillende kanten gehoord, want ik kom ook nog weleens iemand anders tegen in de stad die er lesgeeft. Ik moet me er eigenlijk niet druk over maken, maar wat ben ik blij dat ik daar niet meer werk. Niet alleen vanwege die lesuren en de kennelijke kortzichtigheid van de 'managers' die tegenwoordig de dienst uitmaken, maar ook over de zielloze betutteling die er heerst, zoals geen alcohol meer bij diploma-uitreikingen en, naar ik meen te hebben opgevangen, ook niet meer bij het afscheid van collega's die met pensioen gaan. Die mogen dat afscheid ook niet meer buiten de school houden, zoals vroeger nog weleens gebeurde.


Ik weet nog dat ik met zeer vervroegd pensioen ging en een prachtig feest kreeg aangeboden in De Vrijheid, maar toen zaten er heel andere mensen in de schoolleiding en woei er ook een volkomen andere wind. Nog niet zo heel lang geleden moest ik even op de Overkampweg zijn om wat op te halen. Toen ik mijn fiets in de stalling voor docenten zette, stonden daar een paar oud-collega's te roken. Dat bleek ook al illegaal, want eigenlijk moest dat buiten het hek van het schoolplein. Dat je in de fietsenstalling uit het zicht van de leerlingen bent, maar buiten het hek rond het plein volop in de kijker staat, konden de sukkels die deze oekaze uitvaardigden waarschijnlijk niet bedenken. Ik moest even denken aan mijn eigen schooltijd, toen je ook niet mocht roken rondom het gebouw. Dat deden we natuurlijk wel, vaak achter een grote boom. Dan moest je een beetje uitkijken, want vaak stond een fascistisch aangelegde aardrijkskundeleraar van wie ik de naam maar even niet noem, hij leeft nog, uit een van de ramen op de eerste verdieping te kijken wie hij erbij kon lappen. 


Ik vind het allemaal nogal triest, vooral omdat ik verschrikkelijk goede herinneringen heb aan de manier waarop de school (collega's, leerlingen en vooral de locatiedirecteur) mij steunde in de tijd dat jij ziek werd en overleed. Dat was niet alleen hartverwarmend, het zorgde er ook voor dat ik niet gillend gek werd van ellende. Ik heb, vooral daarom, nog een paar jaar na mijn zeer vervroegde pensionering hand- en spandiensten verleend, zoals surveilleren bij schoolonderzoeken en examens. Totdat de leerlingen uit de laatste brugklassen die ik lesgaf hun diploma hadden behaald. De allerlaatste keer dat ik bij een diploma-uitreiking was, mocht er al geen alcohol meer worden geschonken. Gevolg was dat binnen tien minuten na afloop een flink aantal ouders met een diploma vertrok en ik met een gezelschap oud-leerlingen en oud-collega's op weg was naar de kroeg. Over kroegen gesproken, die locatiedirecteur ging een aantal jaren na mij met pensioen en baat nu twee cafés uit in Rotterdam.


De laatste dagen is het weertechnisch weer een beetje herfst, alsof de IJsheiligen bijna twee weken te laat zijn gearriveerd. Er staat pas een deel van de planten in de tuin en in de bakken. Met de rest wacht ik even, want het is nu een tikje te modderig, maar als de weerman gelijk heeft en het aan het eind van de week beter wordt, maak ik het karwei af. Ik wil net als vorig jaar veel bloemen in de tuin. Er moet ook een aantal hortensia's bijkomen, want die doen me aan Samothraki denken. Daar wil ik volgend jaar wel weer eens naartoe, maar dan in mei. Het was me in april, op een paar dagen na, een beetje te fris in Griekenland. 


Ik ga deze week doen wat ik lang heb uitgesteld, namelijk een paspoort aanvragen. Dat heb je voor reizen binnen de EU, zelfs naar een aantal landen daarbuiten, zoals IJsland, niet nodig, dat kun je gewoon doen met je ID-kaart, maar sinds het Verenigd Koninkrijk uit de unie is gestapt, kun je daar alleen met een paspoort heen en ik wil toch wel weer eens een keer familie en vrienden opzoeken of een conferentie bijwonen. Ik heb zo'n gruwelijke hekel aan de politiek van die verschrikkelijke Tories, de bende van Boris, en ik heb me zo verraden gevoeld door de Brexit dat ik de aanvraag lang heb uitgesteld, maar nu is de tijd gekomen om me daar met hevige tegenzin overheen te zetten. De pasfoto's liggen al klaar. Gelukkig net gemaakt voordat ik vrijdag mijn kop stootte tegen het granol van de woonkamer, toen ik een papier onder een kast vandaan wilde halen. Iets te schiftig en niet goed uit de doppen gekeken, zodat er midden op mijn voorhoofd een schaafwond zit. Niet diep en niet ernstig, maar ik lijk tijdelijk wel een beetje op Michail Gorbatsjov. Nu kun je beter op hem lijken dan op Vladimir Poetin, maar niet in mijn paspoort. Ik zou deze week weer wat opnames maken voor het boekenproject waarover ik op dit ogenblik nog niets kan loslaten, maar daar wacht ik maar even een weekje mee. Ik heb het montageprogramma inmiddels aardig in de vingers en begin steeds meer lol in het werk te krijgen. Ik denk dat ik half juli, zoals ik in voorgaande jaren ook deed, weer flink ga filmen tijdens het Big Rivers festival. Mits het weer meewerkt, want ik ben niet zo van singing in the rain.


Nog een reden om naar Engeland, en als het meezit naar Wales, te gaan, is dat ik het land nog een keer wil zien voordat de bende van Boris het in diepe achterlijkheid stort. Nu hebben ze weer het idiote plan opgevat om terug te gaan naar het oude metrieke stelsel van de yards, de miles en de gallons. Ik zou er ook helemaal niet van opkijken als ze straks weer ponden hebben die uit twintig shilling bestaan en tweehonderdveertig pennies en dat een ounce aan de overkant van de Noordzee heel anders weegt dan een ons hier. Dat die stokoude koningin Elizabeth dat allemaal nog moet meemaken. Over triest gesproken.


In gedachten, altijd,


Kees


Dordrecht, 30 mei 2022


Foto: auteur





zaterdag, mei 21, 2022

Verademing




Lieve Stella,


Gisteren ben ik eindelijk weer eens fysiek bij een symposium geweest, in de bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam. Het ging over de Griekse onafhankelijkheidsstrijd, die begon in 1821. Het was natuurlijk de bedoeling om dat vorig jaar te doen, maar toen gooide corona roet in het eten. Wetenschappers waarschuwen nu al voor een nieuwe covid-golf en uitten onlangs hun bezorgdheid, want in feite is door de overheid nog bitter weinig, zeg maar niets, ondernomen om daar goed op voorbereid te zijn. Dit uiteraard terzijde.


Het aardige van het symposium was, dat een internationaal perspectief werd gekozen en er daarom ook ruimte was om de geschiedenis vanuit Osmaans gezichtspunt te bezien. Ik ken geen Turks en ben dus afhankelijk van bronnen in het Grieks en andere talen die ik kan lezen of van vertalingen. Goed dus om over het Osmaanse perspectief te horen. De voertaal was Engels. Dat is op zulke bijeenkomsten weleens een probleem. Er waren een paar sprekers van wie het Engels, heel mild gezegd, niet erg verstaanbaar was. Ook was niet iedereen even begenadigd wat de voordracht betreft. Er werd veel voorgelezen. Ik vind dat dat eigenlijk niet kan, maar ik heb makkelijk praten met mijn zesendertig jaar onderwijservaring, terwijl ik van nature een extraverte flapuit ben die zijn mond maar een duw geeft. Het interesseert me weinig of ik een gezelschap van vijf of vijfhonderd mensen moet toespreken, maar niet iedereen heeft die afwijking, dat begrijp ik ook wel. Toch zouden universiteiten en hogescholen er baat bij hebben om studenten en personeel meer gelegenheid te geven zich te bekwamen in het spreken in het openbaar en in de uitspraak van het Engels. Het is toch zonde dat iemand veel tijd en moeite steekt in een verhaal om vervolgens bijna onverstaanbaar van een papiertje te brabbelen?


Hoe dan ook, het was na die ellendige coronajaren (waarvan de dreiging nog steeds niet over is, maar de politiek maakt zich liever drukker om de sms'jes van Mark Rutte) een verademing om me weer eens gewoon in gezelschap van anderen op niveau bezig te kunnen houden met geschiedenis. Ik moest er wel vroeg mijn bed voor uit, want het begon om negen uur. Gelukkig reed de Intercity Direct, iets waarvan je nooit zeker kunt zijn, zodat ik het net op tijd haalde. Ik was lang niet in Amsterdam geweest, dat in een reusachtige bouwput blijkt veranderd, wat de wandeling van het station naar de Singel er niet aangenamer op maakte. 's Avonds de metro maar genomen. Weer helemaal terug zijn de blowende en tetterende toeristen. De straten zijn ook nog even smerig als voor corona. 


Na de afsluitende borrel, waarbij ik gezellig heb bijgepraat met een aantal medeleden van het Nederlands Genootschap voor Nieuwgriekse Studies, had ik een afspraak met Bart en Claudia Damen voor een hapje en een borrel in café Van Wees aan de Heerengracht. Dat was heel aangenaam, maar erg laat hebben we het niet gemaakt, omdat ze in het weekeind gaan hardlopen, ergens in Brabant. Lopen is een prettige bezigheid. Net als bij Dickens verruimt het bij mij de geest en voedt het de inspiratie, maar sneller dan een kilometer per kwartier hoeft niet. Ik ben een aanhanger der traagheid, maar ja, die twee zijn nog piepjong en dan moet de energie eruit. Ik herinner me nog dat ik dertig werd en dacht dat het leven al zo'n beetje voorbij was. Achteraf moest het toen nog beginnen. Vijf jaar later leerde ik jou kennen en brak mijn Gouden Eeuw aan.


Het was een beetje een week van de geschiedenis. Ik ben niet alleen nog een keertje ingevallen voor een historische stadswandeling (vooruit, nog eentje dan), maar ook waren Anke en Lienke van Nugteren een paar dagen in Dordrecht met Philip Mansel, je weet wel, auteur van dat geweldige boek Constantinople. City of the World's Desire 1453-1924 en van die indrukwekkende biografie over Lodewijk XIV, waar ik je, meen ik, al eens over heb geschreven. Philip was onderweg naar een conferentie in Leiden. Hij was al van plan om voor de coronatijd Hollands oudste en mooiste stad te bezoeken en nu is het er dus eindelijk van gekomen. Dordrecht viel hem niet tegen en hij is van plan om later in het jaar nog eens terug te komen. 


We hebben, ook met Guus erbij, veel over de geschiedenis van Dordrecht en Thessaloniki gesproken. Zoals je weet is Philip niet alleen court historian, maar houdt hij zich ook bezig met de geschiedenis van steden in de Levant en dat sluit uiteraard aan bij mijn belangstelling voor de geschiedenis van de oostelijke Middellandse Zee. Ik zou weer eens naar Cyprus moeten, maar daar zal het dit jaar wel niet meer van komen. Nadat Philip afreisde naar Leiden zijn Anke & Lienke nog een nachtje gebleven, wat erg gezellig was. Het weer werkte mee, dus het was aangenaam toeven op de terrassen van Visser en Olympiada. Dat was gisteren even anders. Het was 's morgens heerlijk weer, maar toen ik na het symposium naar buiten stapte bleken de straten nat en was de temperatuur minstens vijftien graden gedaald. Ik had daar niet op gerekend. Dom, want het weer is in Nederland net zo betrouwbaar als de landelijke politiek. Ik had wel het geluk dat het onderweg naar de metro bijna droog was.


Dit weekeinde is, na vier jaren stilte, het Stoomfestival weer in Dordt. Dat betekent dat weer regelmatig de stoomtrein voorbijkomt, met twee van die indrukwekkende locomotieven. Ik zie het graag, want die machines roepen allerlei herinneringen op. Aan de vakanties in Newton-le-Willows, waar we 's morgens werden gewekt door de locomotieven die op stoom kwamen, en aan de verhalen van opa Klok, die tot zijn pensioen op zo'n ding reed. Je mag gerust stellen dat mijn vader zijn bestaan aan de spoorwegen dankt, want opa kreeg als standplaats Rotterdam en moest daar in de kost bij een jonge weduwe, waar van het een het andere kwam. Zo ging dat in die jaren: je ging als jonge, vrijgezelle man ergens in de kost of in pension en als oude, eenzame man werd je opgeborgen in het oudemannenhuis. Gezellig met zijn vieren op één kamer, elk een bed en een kastje en in het midden een tafel met vier rechte stoelen, een grote asbak voor de sigaren en een kwispedoor voor de fluimen van de pruimtabak. Wat is er toch veel moois uit het verleden verloren gegaan. Gelukkig heeft het neoliberalisme van tegenwoordig gezorgd voor woningnood, onbetaalbare huren en nog heel wat ander ongerief, maar daar heb in mijn vorige brief al over geschreven.


In gedachten, altijd,


Kees


Dordrecht, 21 mei 2022 


Foto: auteur