Posts tonen met het label Literatuur. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Literatuur. Alle posts tonen

vrijdag, mei 15, 2026

Geheugenstreken



Als je op latere leeftijd je memoires wil schrijven en je hebt geen dagboekaantekeningen uit vroegere tijden of andere ego-documenten, zoals kopieën van brieven die je ooit schreef, dan ben je afhankelijk van je geheugen. Juist het geheugen is een nogal onbetrouwbare bron, die naarmate je ouder wordt allerlei streken uithaalt, waardoor je je zaken anders kunt herinneren dan ze werkelijk waren. Zo overkwam het me een tijdje geleden dat ik met een van mijn oudste vrienden, waarmee ik in mijn studententijd een aantal keren weekeinduitstapjes naar Parijs maakte, over onze jeugdavonturen in gesprek raakte. Een paar gebeurtenissen herinnerde hij zich heel anders dan ik. 


Pas in augustus 1975 begon ik met het regelmatig bijhouden van een dagboek, de mooie jaren daarvoor, met de eerste liefdes, de zomers in Engeland, de avonturen met studentes van de Klos, de toenmalige kleuterleidstersopleiding aan de Gemeentelijke Pedagogische Akademie in Dordrecht en de jaren dat Bobby Kinghe ontstond, hullen zich daardoor in een soort van mist. Herinner ik het me wel zoals het was? Een aantal keren dus kennelijk niet, of niet helemaal. Toch waren het de vormende jaren van mijn leven. Ik haal ze terug in mijn in 2012 verschenen boek Op koers (Uitgeverij Liverse), waar het in het eerste deel gaat om een aantal verhalen over mijn vroege jeugd. Ik hoop maar dat het allemaal klopt en zo niet, dan is het misschien niet de werkelijkheid, maar nogal altijd wel mijn werkelijkheid.




Ik denk met een zekere nostalgie terug aan onze Engelse zomers, wanneer ik met mijn ouders en zusje, en later ook wel alleen, bij familie in Newton-le-Willows verbleef. Die nostalgie komt ook hier en daar terug in mijn poëzie. Op mijn veertiende werd ik verliefd op buurmeisje S. uit Birleystreet. Het is nooit echt wat geworden, maar er ontstond wel een vriendschap, die tot op de dag van vandaag voortduurt. Vier jaar later ontmoette ik W., wat leidde tot een verkering op afstand, die bijna drie jaar duurde. Daarna bleek de Noordzee alsnog een onoverkomelijk obstakel. Met S. en haar man heb ik nog steeds contact. Naar W. heb ik lang tevergeefs gezocht op internet. Misschien leeft ze niet meer of leeft ze voort onder de naam van een echtgenoot, geen idee. Die zoektocht heb ik opgegeven. Misschien maar goed ook, want stel je voor dat ze in mijn herinnering een heel ander meisje is geworden dan ze in werkelijkheid was.


Foto's: archief auteur



donderdag, november 13, 2025

Buddingh' verbeeld




Op 24 november is het veertig jaar geleden dat Kees Buddingh' overleed. Ik herinner me die dag alsof het gisteren was. Wim de Vries belde, nog voordat het nieuws in De Dordtenaar kwam. Het bericht kwam hard aan. Kort voor Kees moest worden geopereerd aan een spastische darm, bij hem aan de overkant, in het Gemeenteziekenhuis in de Bankastraat, was ik nog bij Stientje en hem op bezoek geweest. Bij de open haard met een sigaartje, een glaasje whisky en onze wederzijdse verhalen over Engeland.


Twee jaar later leerde ik in Minneapolis Stella uit Thessaloniki kennen, met wie ik in 1990 trouwde. Zij had een fabelachtig gevoel voor talen en was een groot liefhebster van poëzie. Nadat ze Nederlands had geleerd, een taal die ze als Griekse vrijwel accentloos sprak, vertaalde ze onder meer een reeks gedichten van Kees. Die werden in Athene gepubliceerd in het literaire tijdschrift Το Δέντρο. We hebben ooit eens een exemplaar in de bus gedaan bij het Buddingh' Genootschap en daar nooit enige reactie op ontvangen. We hebben het altijd betreurd dat Stella Kees nooit persoonlijk heeft gekend, maar we waren nog lange tijd met Stientje bevriend, met wie Stella lange gesprekken voerde over Kees en over zijn poëzie.


Het heeft lang geduurd voordat een biografie over Kees verscheen. Deels kwam dat doordat Ares Koopman, de beoogde biograaf, uiteindelijk niet de juiste man voor het karwei bleek. Nadat Ares zijn vrouw in de steek liet, brak een zeer verontwaardigde Stientje met hem. Uiteindelijk zou Wim Huijser de biografie schrijven. Een voortreffelijk boek dat even stevig staat als het huis van de Buddingh's in de Bankastraat.


Als ik langs Pictura loop denk ik aan de dag dat ik Kees in 1969 leerde kennen. Daar had hij toen een werkkamer. Daarvoor werkte hij in het voormalig brugwachtershuisje bij de Leuvebrug. Daar kom ik ook regelmatig langs. Ook het Leprooshuis doet me aan Kees denken, want daar had hij korte tijd een werkkamer tot hij tenslotte zijn werkruimte inrichtte in het huis in de Bankastraat. De kinderen waren oud genoeg om hem niet meer te storen bij zijn werk en de Buddingh's hadden inmiddels de woning boven die van hen bij hun huis kunnen trekken. Daar bezocht ik hen regelmatig, want zij waren niet alleen buitengewoon gastvrij, maar Kees was ook altijd bereid om beginners in het dichtersvak, zoals ik, met raad en daad terzijde te staan.


Wat ik helaas mis als ik door de stad loop, is een standbeeld van Kees Buddingh'. We hebben Johan en Cornelis de Witt op de Visbrug, Ary Scheffer op de Beurs, burgemeester Wichers in park Merwesteijn, graaf Dirk IV op de Grote Markt, het monument voor Albert Cuyp in de Vriesestraat en die afgrijselijke Hulk, die Willem de Zwijger moet voorstellen, in de Hofstraat, maar nergens in het centrum ontmoeten we Buddingh'. Daar komt hopelijk snel verandering in. Als ze hem naar niet neerzetten op die schamele achterafparkeerplaats die Buddingh'plein heet.


Foto: auteur


dinsdag, oktober 28, 2025

Wordt Dordtoloog!




Het Historisch Platform Dordrecht organiseert de cursus Dordtologie. In tien lessen leer je over de geschiedenis van Dordrecht en als je de cursus met succes afsluit, mag je je Dordtoloog noemen. Er zijn inmiddels honderden Dordtologen en de cursus is zo populair dat er zelfs wachtlijsten zijn. Ben je eenmaal Dordtoloog dan kun je deelnemen aan de vervolgcursus Dordtologie, die zorgt voor uitbreiding en verdieping van je kennis.


In het kader van die vervolgcursus gaf ik gisteravond een lezing over 'De Dordtse letteren, 1572-heden'. Hoewel de letteren in Dordrecht vergeleken bij de beeldende kunst traditioneel de rol van het ondergeschoven kindje vervullen, valt er een boeiend verhaal over te vertellen.


In de 17e eeuw was Dordrecht, na Amsterdam, het culturele centrum van Holland, met tal van schrijvers, dichters en geleerden die vrijwel allemaal een of andere connectie hadden met de Latijnse School, de voorloper van het Johan de Witt-gymnasium. In de 18e en begin 19e eeuw sudderde het Dordtse literaire leven voort op een bescheiden pitje. Daar komt eind 19e, begin 20e eeuw een einde aan, als onder meer Jacques Perk, Jan Veth, Top Naeff, Marie Schmitz, Kees Buddingh', Wim de Vries en Jan Eijkelboom van zich laten horen. Inmiddels vormt zich de nieuwste generatie Dordtse letterkundigen.


Ik gaf de lezing met veel plezier en wie weet blijft het hier niet bij. Wie belangstelling heeft voor de cursus Dordtologie moet maar eens hier kijken. Wil je een beknopt overzicht van de Dordtse letteren, dan is dit boekje wellicht iets voor jou.



maandag, mei 12, 2025

Tot zondag




Gisteren kennisgemaakt met Alexandros, het jongste lid van de familie. Een levendig, vrolijk ventje dat heel slim uit zijn ogen kijkt. Dat zie je na zes maanden al. Voor de kennismaking moest ik naar Athene. Met het vliegtuig is dat twintig minuten vliegen vanaf Syros, maar in tegenstelling tot mijn heenreis, was het toestel vertraagd. Een half uur werd op het vliegveld omgeroepen. Dat werd een uur. Ach, vooruit, we waren toch nog vroeg genoeg in Athene om er een mooie avond van te maken. Ik had ook de boot kunnen nemen, ik houd van varen, maar ik heb te veel chaotische taferelen in de haven van Piraeus gezien om daar aan te beginnen.


Ik blijf maar twee dagen in Athene. Genoeg voor familiebezoek, het afgeven van een boek bij het Nederlands Instituut en een maaltijd in het iconische Zorbas. Daarna roept Dordrecht, waar aanstaande zondag om 16.00u in Visser op de Groenmarkt 9 mijn boek Nazomer. Zestig brieven aan Stella wordt gepresenteerd. Ik hoop jullie daar te zien. Het belooft mooi weer te worden, dus de nazit kunnen we doen op het terras.


In dat boek zit behoorlijk wat Griekenland, zelfs het voorplat is Grieks. Flink wat Dordrecht trouwens ook en daartussen allerlei spannends. Het ere-exemplaar wordt uitgereikt aan dichter en boegbeeld van de Dordtse cultuur Ton Delemarre, die enkele gedichten voordraagt. Je krijgt er ook gratis en voor niks een praatje over ego-literatuur bij en uiteraard is het boek te koop. Het wordt een mooie middag, reken maar!


Foto: auteur


zaterdag, februari 22, 2025

Pijplijn




Wanneer de presentatie plaatsvindt weet ik nog niet, want ik ben pas toe aan het corrigeren van de eerste drukproef, maar mijn volgende boek zit er aan te komen. Het is het derde - en laatste - boek met brieven aan Stella. Natuurlijk is het wat merkwaardig dat iemand, zeventien jaar na haar overlijden, nog iemand brieven aan haar schrijft. Dat is in de eerste plaats een literaire onderneming, die min of meer in het verlengde ligt van het bijhouden van een dagboek, iets waarmee ik mij ook al vele jaren bezighoud, zoals de lezers van mijn literaire dagboeken weten. Ook aan een nieuw deel literair dagboek wordt gewerkt. Hopelijk verschijnt dat in 2026.


In de tweede plaats is het een vorm van contact houden met Stella, die ik nog steeds als mijn partner beschouw, ook al denkt de burgerlijke stand daar anders over. Die ziet een weduwnaar als een alleenstaande. Feitelijk is dat natuurlijk ook zo, maar ik zie dat net even anders.


Er zit wat boeken betreft nog meer in de zogenaamde pijplijn. De avonturen van Warnaar, bijvoorbeeld, en ook op geschiedenisgebied is een en ander in beweging. Met collega Guus ben ik bezig met een onderzoek naar het patriciaat in Dordrecht in de 18e en 19e eeuw. Een meerjarig onderzoek, verwachten we. Voorlopig zijn we nog bezig aan het literatuuronderzoek, daarna volgt het archiefonderzoek, in het Hof in Dordrecht, met uitzicht op een van de mooiste, historische plekken van Nederland.


dinsdag, februari 04, 2025

Poëzieweek



Omdat het poëzieweek is, voor de verandering een gedicht op dit weblog. Het staat in mijn jongste bundel Voor je het weet, die te bestellen is bij de boekhandel, de uitgever (Liverse) of eenvoudig met een mailtje bij mij. Het adres vind je op keesklok.nl


Vertrek


Op weg naar het vliegveld

reed de taxi langs het bos

waar we ooit dagelijks voor 

het ontbijt gingen wandelen.


Soms droom ik nog de route: de eenzame 

pijnboom, de scheefgeroeste brandkraan,

het benedenkapelletje, de schaduwvallei

die leidde naar de bovenkapel.


Vandaar zagen we de stad in de diepte,

de havenkranen, de schepen op de rede,

met een beetje geluk de Olympos

aan de overzijde van de baai.


Niet lang na je dood kwam ik boven en zag 

dat de bankjes waar we altijd zaten

waren weggehaald. We waren 

niet meer welkom in het bos.






maandag, mei 16, 2022

Vrolijke noot




Lieve Stella,


Soms kom je een vraag tegen die je niet onmiddellijk kunt beantwoorden. Dit keer gaat het over waar zich een noodkazerne in Dordrecht bevond ten tijde van de mobilisatie en de periode van de Spaanse griep. Als ik morgen langs het H.I.A (Historisch Informatiepunt Augustijnenhof) ga, of het Regionaal Archief, weet ik het, maar ik wil het nu weten en wel onmiddellijk.


Je begrijpt, Guus en ik zijn bezig aan dat artikel, waarover ik je de vorige keer schreef. Je denkt alle informatie op een rijtje te hebben, maar dan gaat er ineens een vlieg op de lijn zitten en je weet, dan is er even iets mis met de verbinding. Ik kan daar slecht tegen, wat faliekante onzin is, maar zo zit ik nu eenmaal in elkaar. Vliegen moet je doodslaan, ook al zijn het schepselen van de natuur met hetzelfde recht op leven als wij. Ook al wordt alom beweerd dat insecten nuttig zijn. Het nut van een bij kan ik nog begrijpen, maar dat van een schorpioen? Lieveheersbeestjes zijn nuttig bij het bestrijden van bladluis, maar muggen? 


Het zal wel aan mij liggen. Ik heb op de middelbare school slecht biologieles gehad. Een leraar die geheel in de ban was van zijn verloren strijd tegen 'de Jappen' in Indië en later op de Pedagogische Akademie (met progressieve k) iemand die het recept van brandnetelsoep kwam uitleggen, vervolgens met de noorderzon verdween, zodat we de rest van het schooljaar een tussenuur hadden, en het jaar daarop een dichter die de achterstand niet meer wist in te halen, al was het wel een knap bioloog. Althans, die indruk hadden we. Toch werd ik op de eerste de beste lagere school waar ik solliciteerde aangenomen na een proefles over 'het konijn'. Dat had ik meer aan mijn docent drama te danken, geloof ik, of misschien wel aan het feit dat ik zomaar het konijn van mijn toenmalige vriendin uit een hoge hoed toverde. 


Ik heb het allemaal weleens aan je geschreven, maar dat geeft niet. Gerard Reve zegt dat een schrijver zichzelf altijd op de een of andere manier herhaalt en hij kan het weten. Samen met Jan Wolkers en Willem Frederik Hermans mijn Trinitatis van de Nederlandse letteren, tenminste, toen ik nog in dat soort geklets van De Grote Drie enzo geloofde. Tegenwoordig mag er wat mij betreft een heel regiment schrijvers en schrijfsters op het erepodium of in de schrijvershemel. Jeroen Brouwers, bijvoorbeeld, die een paar dagen geleden is overleden. Het hout vond ik geweldig, evenals Bezonken Rood, al mocht dat niet van Rudy Kousbroek. Daar heeft Gerard Reve natuurlijk niet voor niets ruzie mee gekregen, al ben ik vergeten waarover die ging.


Op het ogenblik lees ik L. De lezer van de negentiende eeuw van Marita Mathijsen. Een soort literatuurgeschiedenis, fictief dagboek (van L.) en historisch overzicht in één. Een levendig en lezenswaardig boek, mag ik wel zeggen, al betwijfel ik of een negentiende eeuwer in zijn dagboek het woord 'gedumpt' zou gebruiken. Het zou zomaar kunnen, maar ik denk eigenlijk dat het Nederlands toen nog meer onder de invloed van het Frans stond. Hoe dan ook, de emiritus professor zal het wel beter weten en zo niet: als je zo'n mooi boek geschreven hebt als haar biografie over Jacob van Lennep, dan mag je best eventjes een heel klein beetje uitglijden. Ik ben nu in het hoofdstuk waarin ze schrijft dat vertalingen van de boeken van Walter Scott in Nederland heel populair werden. Ik hoop verderop te lezen of dat met Charles Dickens ook het geval was. Dickens was twintig toen Scott overleed. Hij had natuurlijk een heel andere thematiek. Over de middeleeuwen schreef hij nauwelijks, een beetje in A Childrens' History of England, als ik het mij goed herinner. Verder kwam de geschiedenis vooral in A Tale of Two Cities om de hoek kijken, meen ik, en dan was het nog de toen recente, van de Franse Revolutie. 


Marita Mathijsen kondigde onlangs aan dat ze een biografie over Betje Wolff (geboren Bekker) gaat schrijven. Er is al een biografie door Piet Buijnsters, uit begin jaren tachtig, maar ze wil haar eigen visie op Betje geven, meer dan het onderzoek naar haar nog een keer over te doen. Ik ben er benieuwd naar, al heb ik geen idee over hoeveel jaar ik dat boek ga lezen. Ik heb tijdens de lock downs stapels boeken besteld, die deels letterlijk opgestapeld voor de kasten staan, en er komt iedere maand nog wel een boek of drie, vier bij. Om dat allemaal weg te werken moet ik mij dagelijks urenlang in mijn werkkamer terugtrekken, maar ja, ik wil iedere dag ook wel even kletsen in de kroeg en ik heb nog twee eigen boeken en een historisch artikel af te maken. Ach, lieve Stella, we zijn wel wat gewend. Het stelt allemaal weinig voor vergeleken bij de hoeveelheid leeswerk die van ons werd verwacht toen wij vertoefden aan de Universiteit van Minnesota, nu in een ver verleden alweer. En daar was het iedere dag veertig graden. 's Zomers boven en 's winters onder nul.


Gisteren ben ik op kraamvisite geweest bij nichtje Danielle en haar man. Een schattige baby, Eva. Ze heeft helemaal niet gehuild toen ik met mijn voor haar nog volkomen onbekende kop met zwarte hoed boven de box verscheen. In tegendeel, er kwam iets van een glimlach op haar gezicht. Jij zou ook helemaal vertederd zijn geweest en direct hebben gezegd: 'Ik ga haar later Engels leren en Grieks'. Misschien moet ik dat dan maar doen als ik tijd van leven heb. Ik vind het een vreemde gedachte dat ik Eva's oudoom ben, al is dat uiteraard de niet te stuiten natuurlijke gang van zaken. Als ze van de middelbare school af komt ben ik inmiddels van licht gevorderde naar ernstig gevorderde leeftijd gepromoveerd, als ik er dan nog ben. Als we er dan als mensheid nog zijn, maar als ik daarover schrijf gaan allerlei mensen zeggen dat ik het niet zo somber moet inzien en misschien hebben ze wel gelijk, al vrees ik van niet. We hebben het wereldgebeuren niet in de hand, dus ga ik vrijdag onbekommerd naar een symposium in Amsterdam en daarna met een oud-student en zijn vrouw aan de boemel. Dansen op de vulkaan, maar zolang die niet uitbarst is er niets aan de hand, toch?


Hoewel, ik hoorde vanmorgen op de radio artsen en wetenschappers klagen dat Nederland in het geheel niet is voorbereid op een nieuwe, eventuele ernstige covid-uitbraak, die weer tot een lock down zou kunnen leiden. Ik vraag me weleens af, Mark Rutte lijkt me een aardige man in de omgang, ik zou best een keer een glaasje tsipouro met hem willen drinken, collega historicus, niet waar, maar wat heeft hij er met zijn drie vorige kabinetten nou van terechtgebracht? De belastingdienst die zich in de toeslagenaffaire gedraagt als een criminele organisatie, het onderwijs, met het enorme lerarentekort, dat ieder jaar sneller richting de afgrond gaat, de chaos en personeelstekorten in de zorg, de stikstoftoestand geheel uit de hand gelopen, om over de aardbevingen in Groningen en de behandeling van de gedupeerden daar, maar te zwijgen. Ik weet niet of ik het beter zou doen, maar slechter lijkt me onmogelijk. Bij deze vrolijke noot wil ik het voorlopig maar even houden.


In gedachten, altijd,


Kees


Dordrecht, 16 mei 2022


Foto: auteur



woensdag, februari 02, 2022

Insulinde




Op het ogenblik ben ik De tuinen van Buitenzorg van Jan Brokken aan het lezen. Ik vind het tot nu toe een fascinerend verhaal. Sowieso lees ik graag boeken die iets hebben met Indië, romans of geschiedenisboeken. De geschiedenis van Nederlands-Indië was ook een belangrijk onderdeel van mijn doctoraal, met name de negentiende eeuw. De Indische letteren hebben mijn levendige belangstelling. P.A. Daum, Madelon Székely-Lulofs, Hella Haasse, Maria Dermoût, Rob Nieuwenhuys, Marion Bloem en tal van anderen, ik lees ze allemaal met evenveel belangstelling. 


Ik vraag me af waar mijn fascinatie voor de Gordel van Smaragd (dank Eduard Douwes Dekker), in al dan niet ver vervlogen tijden, vandaan komt en ik realiseer mij ook hoe merkwaardig het is, dat ik Indonesië nooit heb bezocht en ik mij dat in de toekomst ook niet zie doen. Soms denk ik dat mijn verlangen naar het vergane Indië een tik is van een ietwat te romantisch ingestelde schrijver en historicus, maar vaak ook denk ik aan een boek dat me wellicht op het spoor van Indië heeft gezet.


Zodra ik kon lezen, maakten mijn ouders mij lid van de Dordtse Openbare Bibliotheek, die toen nog gevestigd was in de Boterbeurs in de Wijnstraat. Ik ben er altijd lid van gebleven, maar dit terzijde. De Dordtse 'bieb' is de oudste van Nederland en werd veertig jaar lang geleid door Nel Snouck-Hurgronje, familie van de beroemde islam- en Indiëkenner Christiaan Snouck-Hurgronje, maar daar zal mijn fascinatie niet door komen, want toen ik lid werd, was mevrouw Snouck-Hurgronje al lang en breed met pensioen. Er heerste in de jeugdafdeling een streng regiem, je mocht alleen boeken lezen die 'men' geschikt vond voor je leeftijd en die geschiktheid werd met gekleurde plakkertjes op de kaft aangegeven. 


Een van de eerste boeken die ik leende en waarvan ik niet alleen schrijver en titel ben vergeten, maar waarvan ook de inhoud me nog maar zeer vaag voor ogen staat, speelde in het Verre Oosten. Wat ik mij na zoveel decennia alleen nog herinner was dat het ging over een prachtig prinsesje, de dochter van een sultan en dat de beschrijving van het sprookjesland waarover die sultan heerste mij met een diep verlangen vervulde om er naartoe te reizen. De droom van een ventje uit de eerste klas van de lagere school. Misschien was dat het zaadje dat later tot wasdom kwam, wie zal het zeggen?


Waarom ik Indonesië nooit bezocht is vooral om praktische redenen. Stella bracht de zomervakanties het liefst in Griekenland door, in de buurt van haar familie en vele vrienden, en daarbij komt dat ik een grote hekel heb aan lange vliegreizen. New York en Paramaribo waren mij eigenlijk al veel te ver. Misschien als ik per schip naar Indonesië zou kunnen, als passagier op een vrachtboot, dat ik het even zou overwegen, maar ja, dan moet je eerst met een kalasjnikov leren schieten vanwege de Somalische piraten. En dan nog, een zeereis is heel wat minder romantisch dan het klinkt, dat blijkt wel uit de geschriften van mijn grootvader, die in de jaren twintig van de vorige eeuw als zeeman door de Indische archipel voer. Ook zou, zodra ik voet aan wel zet in Tandjong Priok, mijn droom van Insulinde (wederom dank EDD) waarschijnlijk onmiddellijk aan diggelen gaan. Wil ik dat wel?


Foto: auteur



zaterdag, december 04, 2021

Kever




Op een herfstige zondagavond breng ik Stella naar het station. Ze neemt de trein naar Düsseldorf. Ze heeft haar auto nog niet gekocht, maar loopt over aanschaf te denken. Eerst moet het appartement op de Kennedydamm verder worden ingericht en ze is er nog niet uit welk merk. Ik raad haar een Volkswagen aan. Tien jaar eerder kocht ik een veertien jaar oude, derdehands kever, een 1250. Brede banden, racevelgen, klein stuur, kuipstoeltjes voorin, kanariegeel, met een zwarte streep op deuren en dak. Voorzien van een motor waarmee 170 per uur theoretisch mogelijk was. Dan reed hij één op vier. Ik kocht hem van een neef die, na een tijdje manager van een popgroep te zijn geweest, besloot om toch maar te gaan studeren. Hij had hem weer van een VW-monteur gekocht, een liefhebber met garage, zodat hij er tiptop uitzag, en duizend gulden, daar kon je geen buil aan vallen.


De achterlichten van de trein verdwijnen om de bocht bij het station van Dordrecht. De scherpste en gevaarlijkste spoorbocht van Nederland, waar iedere nacht treinen met chloor en ander gif rijden. Als er niets ontspoort zal ik haar vrijdagavond volgen, letterlijk, van Dordt naar Mönchengladbach en vandaar, na een klein uur in de stationsrestauratie, naar Düsseldorf. Daar wachten de U-Bahn en een warm bad. In het huis in Dordt hebben we slechts een douche, in een hok dat vroeger een gangkast was, en een donkere kamer, al doe ik niet veel meer aan zwart-witfotografie. Het geeft altijd even een leeg gevoel. De stilte in huis, waar ik voor ik Stella leerde kennen, zelden of nooit last van had, is op zo'n avond altijd een beetje drukkend. Als ze een paar uur later belt dat ze veilig is aangekomen, raad ik haar nog eens Volkswagen aan. Ze zegt dat ze eerst nog een boekenkast wil kopen en dat ze ook collega Pampoukides wil raadplegen. Die werkt al langer op het Griekse consulaat en weet veel van Duitse auto's.


Het eerste wat ik doe als ik voor het weekeinde op de Kennedydamm aankom, is een half uurtje in het bad liggen. Weken, noemen we dat. We hebben afgesproken dat we ooit de donkere kamer laten ombouwen tot badkamer. Dan kan ook in Dordrecht worden geweekt, maar eerst moeten dringender problemen worden opgelost. Ik heb krap een jaar met die kever gereden. Toen ik hem pas had, ging ik met vrienden naar een huisje in de Ardennen, om Kerst te vieren. In de kofferbak hadden we een bescheiden zakje wiet om de sneeuw en de winterse koude te trotseren. Het werd geen succes. De riolering van het huisje bleek verstopt en de startmotor van de kever hield ermee op. Hij moest steeds worden aangeduwd, behalve als we boven aan een helling konden parkeren. Dan maakten we een vliegende start. We reden een keer naar Charleroi. Dat is af te raden in de donkere dagen rond Kerst. Charleroi is trouwens altijd af te raden, maar dit terzijde.

Een paar maanden later ging ik voor de tweede keer met de kever de grens over. Om Pasen te vieren bij familie in Engeland. Nietsvermoedend reed ik in Hull van de veerboot, maar wiet schijn je lang te ruiken. De douane vertrouwde het niet. Raar soort auto. Er werd een hond losgelaten in de kofferbak, die vrolijk begon te blaffen. Dat kostte me twee uur. Alles werd uit elkaar geschroefd, tot de panelen van de deuren toe, maar de oogst bleek slechts een oud boodschappenbriefje. Iemand mompelde teleurgesteld dat het de hond zijn dag wel niet zou zijn. Daarop werd alles weer keurig gemonteerd en boden ze zelfs excuses aan. 


Toen ik Stella de anekdote vertelde, keek ze mij ongelovig aan. Met een zakje wiet rondrijden deed je in de late jaren tachtig in Griekenland bij voorkeur niet, al leken onder Papandreou betere tijden aan te breken. In Dordrecht sloeg juist de misère toe in de vorm van een aantal desastreuze scholenfusies. Om daaraan te ontkomen, tevergeefs zou al snel blijken, solliciteerde ik met succes als leraar op een havo/vwo. Daar trok de kever de aandacht van een meisje uit een vierde klas. Zo'n meisje waar je benauwde dromen van krijgt, maar waarover je beter kunt schrijven dan mee zondigen. Van haar leerde ik dat de kever, inmiddels vijftien, net als het meisje, tot een gewilde categorie van jonge oldtimers behoorde. Haar vader, iets hoogs die veel verdiende bij de gemeente, verzamelde zulke auto's. Hij mocht komen en bood mij tweeduizend gulden, die ik met gespeelde aarzeling aanvaardde. 

Een paar maanden later werd de kever van zijn oprijlaan gestolen. Dat detail heb ik Stella nog niet verteld. Eerst maar eens het oordeel van collega Pampoukides afwachten en dan is er ook die boekenkast nog.


Foto: auteur


zondag, november 28, 2021

Bobby Kinghe




Zonnige middagen op de stoep van de Hofstraat. We speelden een partijtje schaak en sloften af en toe het donkere winkeltje in, waar het altijd enigszins aangenaam beschimmeld rook, om een klant te helpen of een pilsje te pakken uit de krat die nooit ontbrak onder de grote, ronde tafel achterin. We repareerden er beschadigde boekjes, die we lospraatten van Amsterdamse uitgevers, wat soms de nodige moeite kostte. Vooral Van Gennep deed moeilijk. Als we ons weer eens meldden boven aan de trap van zijn kantoor, na een hoopvol gestemde treinreis, verscheen er negen van de tien keer een chagrijnig blond mens, dat ons probeerde af te poeieren. Wij waren oninteressant tuig uit de provincie en iets te jong om serieus te nemen. Een enkele keer lukte het om het cordon van antipathie te doorbreken en door te dringen tot de baas zelf, een keurige heer met pijp. Om er van af te zijn zegde hij ons dan maar weer een partij toe, 'maar wel vooruit betalen.' Bij Van Oorschot kwamen we nooit voor niets, die had z'n zending vaak al bij Van Gend & Loos voor we zelf in de trein terug zaten. Met nog wat rommel die we van particulieren kochten en seksboekjes, die we geleverd kregen van iemand die ze meenam uit de drukkerij, waar hij werkte, konden we de zaak min of meer draaiende houden. We hoefden er tenslotte niet van te leven.

Het begon tegen de tijd dat we ons dichters gingen voelen. Gerrit de Wolf, Jan van der Geer en ik. Er werd op school een beetje tegen ons opgekeken, vooral tegen Jan, die een keer in Avenue-literair had gepubliceerd. Wij wilden meer dan verzen schrijven en zaten vol zen­dingsdrang. 'Over de cultuurdrempel schoppen, die lui,' zei Jan in een vraaggesprek met Janny Groen, die stage liep bij de plaatselijke editie van Het Vrije Volk. We zouden van Dordrecht een cultuurstad van formaat maken! Toen Jan kwam met het plan om een poëziefestival te organiseren, Carré was nog vers, werd het serieus. We vervoegden ons bij de enige dichter van naam die we hadden, Kees Buddingh'.

Hij ontving ons, zwaar pijp rokend, tussen een enorme verzameling lege flessen in zijn donkere werkkamer in het gebouw van het Teekengenootschap Pictura. We zagen hem in de schemer nauwelijks zitten. De kamer van een dichter, vonden we en we besloten voortaan ook geen fles meer weg te gooien. Tegen de achterzijde van de deur was een grote foto geprikt: 'Poëzie in Carré.' Daar zaten ze: de Selfkicker, Bernlef, Remco Campert, Buddingh' zelf. Al onze idolen in vogelvlucht. Als we die eens naar Dordt konden halen! Buddingh' vond het direct een goed idee en greep de telefoon. Er zouden er uiteindelijk maar liefst negen komen, onder wie Campert en de voor ons toen al legendarische Vinkenoog. (Ik herinner mij dat mijn vader onder het eten eens aangeslagen vertelde dat Simon Vestdijk was gearresteerd wegens het bezit van hasjiesj. 'De schrijver Simon V.' had er in de krant gestaan en voor vader was er maar één schrijver 'Simon V.')

'Poëzie in het Minitheater' stond er op de grote gele pamflet­ten die we overal in de stad aanplakten. Jan had een drukker weten over te halen om ze tegen kostprijs te maken. De rest van het geld was losgepraat van de plaatselijke boekhandelaren en de Culturele Raad. Een weinig invloedrijk, maar goedwillend gezelschap, dat van de gemeenteraad wat geld ontving om cultuur te bedrijven.


'Poëzie in het Minitheater' was het begin van Bobby Kinghe. Gerrit en Jan begonnen een winkeltje in tweedehands boeken en allerlei 'artistieke' rommel. 'Cultureel warenhuis Bobby Kinghe' noemden ze het. Ik schreef er enthousiast over in BIJ, een periodiek voor Dordtse CJP-houders. Na de geslaagde dichtersavond - eigenlijk het werk van Buddingh', maar het tekent zijn bescheidenheid dat hij de eer aan ons liet - hadden we ons opgewerkt tot de lievelingen van de Culturele Raad. Die ging over BIJ, dat spoedig ons huisorgaan werd, tot de gemeenteraad, nooit te beroerd voor enorme begro­tingstekorten in die jaren van voorspoed en hoogconjunctuur, de geldkraan voor cultuur dicht­draaide. 

Het 'cultureel warenhuis', gevestigd in hetzelfde pand aan de Hofstraat waar boekverkoper Koos Versteegh, vereeuwigd in Buddingh's dagboeken, ooit zijn nering had, leidde al spoedig een kwijnend bestaan. Gerrit zat nog op school, terwijl Jan, die de zaak zou drijven, zich in een liefdesavon­tuur stortte, halsoverkop trouwde en op kantoor ging werken. De partner, die er om praktische redenen bij werd gehaald, ging er na enkele weken met de kas vandoor. 

Er kwam een stichting, die ook weer de naam Bobby Kinghe droeg. Met een stel vrienden vormden wij een bestuur en stelden een indrukwekkend statuut op. Het warenhuis werd opgedoekt. Er kwam een zaakje in uitgeversrestanten, beschadigende en tweedehands boeken voor in de plaats, met de opbrengst waarvan poëzieavonden, exposities, concerten en een literair tijdschrift werden bekostigd. We stelden ook maar direct een jaarlijkse literaire prijs in die bestond uit een boekenbon, alleen bij ons te besteden, en een keramisch kunstwerk, een afzichtelijk oermoederbeeldje, gemaakt door mijn toenmalige vriendin. Die volgde een opleiding voor kleuterjuf en haalde daar mooie cijfers voor handenarbeid. Eén keer is hij uitgereikt. Aan de Dordtse dichteres Anneke Klifman, die, voor zover ik kan nagaan, daarna nooit meer iets heeft geschreven.

De opening van de winkel wilden we op een verantwoorde, culturele wijze vieren. Er moest iets origineels worden bedacht waarover men in Dordt nog lang zou spreken. Na enig heen en weer gepraat deed de penningmeester het voorstel om een kunstmarkt te organiseren. Dat zou wel wat kosten, maar we verwachtten dat de plaatselijke pers er uitgebreid over zou schrijven en het ging tenslotte om publiciteit. Wij meldden ons op de eerstvolgende vergadering van de Culturele Raad met een subsidieaanvraag. Penningmeester Herbert Bos lichtte deze met verve toe en raakte buitengewoon opgewonden, toen de schilder Bouke IJlstra, die meestal met een verveeld gezicht zijn presentiegeld zat op te strijken, op gemelijke toon zei: ’Zo’n kunstmarkt is niks, het regent altijd en er komen toch alleen maar lui met aquarellen.’ Bos, die in het vuur van zijn betoog werd gestoord en alleen de laatste klanken gehoord had, stoof op: ’Rellen! Weet jij wel waarover je praat? Er komen helemaal geen rellen!’

Wat er wel kwam was de gevraagde subsidie. Bovendien wilde de wethouder van cultuur, Kees de Groen, die het nog zou brengen tot burgemeester van Spijkenisse, de markt wel openen. Hij was, zo zei hij, onder de indruk geraakt van ons idealisme. Niet dat het ons in onze latere betrekkingen met het stadsbestuur ook maar iets geholpen heeft, maar toen de grote dag daar was sprak hij een paar mooie woorden. Vervolgens moest de openingshandeling verricht worden, die bestond uit het loslaten van twee duiven uit een kartonnen doos. De duiven vonden de doos waarschijnlijk aangenamer dan de vrijheid, want ze vertikten het om eruit te komen. De Groen wapperde enige tijd machteloos met zijn armen, als een verdwaalde vogelverschrikker, maar er gebeurde niets.

Wij herkenden het incident op dat ogenblik niet als een voorbode. De kunstmarkt, die plaatsvond in de Hofstraat, ging onbekommerd van start. Het regende vrijwel onafgebroken en er waren erg veel aquarellen te koop. Een onvertogen woord viel er evenwel niet en de Dordtse kranten schreven allemaal een aardig stukje over die ondernemende jongens en hun stichting. De enige dissonant was het feit dat wij ‘s morgens om zeven uur bijna werden gearresteerd, toen we bezig waren om lantaarnpalen in de omgeving te voorzien van kartonnen pijlen, die het publiek op de manifestatie attent moesten maken. Wij hadden daarvoor op het gemeentehuis keurig toestemming gevraagd en gekregen, maar dat was niet doorgegeven aan de politie. We waren nauwelijks bezig of er kwam een overvalwagen met vier agenten aanstormen. De één of andere idiote middenstander had gebeld dat er een actie van provo’s gaande was.


Het winkeltje bracht nauwelijks genoeg op voor onze plannen, maar we wisten meestal wel wat geld van de Culturele Raad te krijgen. Tot de fictie van inspraak door de burgerij met goed fatsoen weer afgeschaft kon worden en de raad als eerste van het toneel verdween.

Bobby Kinghe werd op zaterdagmiddagen een trefpunt voor ‘artistiekelingen,’ een alternatief café. Er werd wat afgekletst en afgezopen. Na sluitingstijd trokken we vaak met z'n allen naar de Italiaan of de Chinees en soms, als het daar dranktechnisch uit de hand liep, keerden we ‘s avonds in de Hofstraat terug, waar een feest op touw werd gezet. Op de zolder, waar de boekenvoorraad stond, rondom het echtelijk bed van Jan en Dinie, die zich met hun baby metterwoon in het pand gevestigd hadden. Het kind sliep beneden, in het piepkleine kamertje achter de zaak en was al snel gewend aan het lawaai van dronkelappen op weg naar het altijd even smerige toilet.

Er deden zich op deze feesten twee praktische problemen voor. Ten eerste was de benedenverdieping alleen maar te bereiken via een nauwe en steile draaitrap, waar geregeld een dronken gast vanaf viel. Dat niemand ooit een arm of been brak, is een wonder. Het andere probleem was het ontbreken van een deurbel. Ons vertrouwen in de mensheid was niet zo groot dat wij de winkeldeur open lieten. Het was op zolder vaak zo’n kabaal dat ze de boel ongemerkt hadden kunnen leeghalen. Het probleem werd opgelost door kunstenaar Bas Damme. Op een keer had hij een fles rode wijn op, keek er ietwat wazig in en slaakte toen een kreet die leek op het beroemde ‘eureka’ van Archimedes. De fles ging het raam uit, aan een stuk touw, en kwam op ooghoogte voor het portiek te hangen. Het touw werd vastgemaakt aan de deur van het voorkamertje naast de zolder. Wanneer iemand zich meldde, was een stevige ruk aan de fles voldoen om de deur met een klap te laten dichtslaan. (Volgens ingewijden ligt hier de oorsprong van de uitdrukking ‘Aan de fles gaan.’)

’s Winters was het vaak lijden, want de verwarming bestond alleen maar uit een butagaskacheltje, dat er eindeloos over deed om het een beetje behaaglijk te maken. 's Zomers waren de zaterdagen echter een terugkerend genoegen. Niet zelden eindigden we de dag op de stoep voor de zaak, waar de buren (links een voddenman en rechts een dikke doctorandus in de filosofie) aanschoven bij de krat, zodat er van die zijden over lawaai geen klachten meer te duchten waren. Soms kwam Jos Deuss, de kunstschilder van verderop, met zijn accordeon, om een paar melancholische Franse melodieën te spelen.


Het vertrek van Jan was de eerste stap op weg naar het einde. Sommige vrienden kregen anderen interessen en kwamen steeds minder opdagen. Ook kwam de organisatie van de Bobby Kinghe-avonden steeds meer op een enkeling neer en rommelde het in de redactie van Letteriek door het uiteen groeien van smaken. De ongeregelde omgang met de meisjes die bij de winkel rondhingen nam hier en daar hechtere vormen aan en de gemeente ging moeilijk doen, want de straat moest worden gerestaureerd in het kader van een opknapbeurt voor de binnenstad. Bovendien klaagde de middenstand. Dat tuig in de nabijheid van hun dure winkels was ze al jaren een doorn in het oog.

Uiteindelijk gebeurde het onvermijdelijke. Er was nooit een huurcontract geweest, er waren alleen wat mondelinge afspraken. Koos Versteegh had ons dringend gewaarschuwd, maar we wilden hem, zielige oude man met een diepe afkeer van ‘de gemeente,’ niet geloven. Ons zou niets gebeuren. Maar op een dag kregen we te horen dat Bobby Kinghe zijn pandje uit moest en we konden maar beter niet tegenstribbelen, deelde de ambtenaar van de afdeling Verwervingen ons mede, ‘want we weten dat jullie,’ hij keek veelbetekenend naar mij en naar Han van Gorkom, de secretaris, ‘op de kweekschool zitten. Dat kan een probleem worden als je bij het openbaar onderwijs solliciteert.’ Ze waren evenwel de beroerdsten niet. We kregen een hokje in de buurt aangeboden. ‘Leuk voor een winkeltje,’ vond de ambtenaar, ‘want tenslotte doen jullie goed werk.’ Het hokje, in vervlogen dagen gebruikt als uitdeellokaal van soep voor de armen, had echter niet eens een w.c. En om onze behoeften tegen een boom te doen, daarvoor voelden wij ons langzamerhand een beetje te goed. 


Eerder gepubliceerd in: Kees Klok - IJzeren logica. Korte verhalen. Uitgeverij Liverse 2009.


Foto: auteur 


maandag, mei 24, 2021

Stenen vreten




Mijn eerste twee lagere schooljaren bracht ik door op een school waarvan het hoofd (scholen hadden in die tijd hoofden, geen directeuren en de leerkrachten heetten nog gewoon onderwijzer en onderwijzeres en in het dagelijks gebruik meester en juf) bij ons ter stede bekend stond als een geleerd man. Niet alleen omdat zijn hoofd door een ring van grijs haar werd omkranst, maar vooral omdat hij een boekje met spellingsoefeningen had gepubliceerd, grotendeels bestaande uit invuloefeningen waarbij het ging om de ij of de ei de ll of l en uiteraard de belangrijkste spellingregel van onze taal, het probleem van de d, de t of de dt.


Mijn hele schoolcarrière ben ik achtervolgd door spellingsoefeningen. Foutloos spellen was van eminent belang bij het schrijven van een sollicitatiebrief, werd ons verteld. Ik vrees dat dat nog steeds zo is. Wie 'ik wordt' schrijft is een onbekwame randdebiel, wie 'ik word' schrijft is ongetwijfeld geschikt voor een beroep als hartchirurg, advocaat of bankdirecteur. Dat ik liever geopereerd word door een dyslectische, maar bekwame arts dan door een foutloos schrijvende middelmatige dokter, speelt bij de meeste sollicitaties geen rol, althans uit wat mij zo uit de praktijk ter ore komt.

Ik hecht aan een zo correct mogelijke spelling en ben nogal wars van de voortdurende veranderingen die taalkundigen voorstellen aangaande de spelling van het Nederlands. Niet omdat een veranderende spelling zoveel problemen oplevert, maar om de eenvoudige reden dat ik in sommige opzichten een behoudend mens ben en hecht aan hoe ik het heb geleerd. Ik heb er bovendien een hekel aan dat de ene onlogica wordt vervangen door de andere (pannenkoeken voor pannekoeken, bijvoorbeeld), in de malle veronderstelling dat er ooit een 'logischer' spelling mogelijk is. Er zullen altijd inconsistenties blijven. Oudere vormen van het Nederlands, ooit Nederduits geheten, lezen niet altijd even gemakkelijk. Dat ligt mijns inziens vooral aan het woordgebruik en misschien ook aan de zinsbouw. Woorden veranderen van betekenis, sommigen verdwijnen, neologismen kondigen zich voortdurend aan en wat te zeggen van de invloed van andere talen? In de zeventiende en achttiende eeuw was de taal doorspekt met Franse termen, nu zuchten we onder de terreur van het Engels.

Vóór het vaststellen van de eerste officiële spelling van het Nederlands, in 1804, door professor Siegenbeek, spelde men maar raak. Fonetisch, afgaande op de klank van het woord. Sinds die tijd kwam er verandering op verandering en nu zitten we dus met het probleem van het paardehoofd of paardenhoofd. Voor het begrijpen van een tekst maakt het niet veel uit. Of je nu een ei of een ij eet, je begrijpt uit de context toch wel dat je geen stenen zit te vreten. 

Ik probeer in mijn boeken natuurlijk foutloos te spellen en dat mislukt, ondanks mijn vroegere ervaring als docent Nederlands en een gedegen universitaire opleiding in de geschiedkunde, altijd. Tijdens het typen is een foutje zo gemaakt en bij het nalezen van je eigen teksten kamp je met het bekende fenomeen dat men eerder leest wat men denkt dat er staat, dan wat er werkelijk staat. Ook heb je een aantal woordbeelden in je hoofd, waardoor gebeurd weleens gebeurt wordt en vice versa. Natuurlijk is het verstandig om teksten door een meelezer te laten nakijken, maar daarvoor ben ik vaak te gehaast en je wil ook niet altijd een beroep doen op een ander. 

De uitgeverij waarbij ik publiceer heeft niet de financiële mogelijkheden een corrector in dienst te nemen, ik kijk dus mijn eigen boeken na. Voor het verschijnen wel drie keer, maar toch blijft er altijd wat hangen. Dan krijg ik weleens een e-mail, altijd zuur van toon, die mij op zo'n foutje, noem het een typefout, wijst. 'Zou de schrijver de tekst daardoor niet begrepen hebben?' vraag ik mij dan af. In mijn boeken komen een paar klassiekers voor, waar ik om moet glimlachen. In En vooral: de gordijnen dicht is ergens sprake van oplaatbare batterijen en op bladzijde 183 van mijn laatste prachtboek, Van chagrijn worden de leukste gezichten lelijk (te bestellen bij de boekhandel, de uitgever of bij mij) treft u met frisse moet aan in plaats van met frisse moed. Ach, wie nooit eens een foutje maakt stuurt maar een vermanende e-mail. Als je met frisse moet niet begrijpt, tja, dan heb je pas echt een probleem.


donderdag, oktober 22, 2020

Warnaar: Lijdensweg




Hij heeft Lilian Blom, weduwe van de Haarlemse schrijver Louis Ferron, eenmaal ontmoet. In december 2006 bij een borrel van een letterkundig tijdschrift waarin hij vertalingen had gepubliceerd. Hij wist niet dat zij op dat ogenblik werkte aan het indrukwekkende en ontroerende boek De tuinkamer. Dat gaat over de laatste weken van haar man, die op drieënzestigjarige leeftijd aan kanker overleed. Misschien had ze het manuscript al af, want de eerste druk verscheen in 2007. Hij leest het boek nu pas en denkt aan de lijdensweg van zijn vrouw, die een jaar na die ontmoeting aan dezelfde rotziekte overleed.


Hoe komt het dat Haarlem vanaf de Beweging van Tachtig aanzienlijk meer schrijvers van landelijke allure heeft voortgebracht dan Dordrecht, vraagt hij zich af. Daaronder bevindt zich een van zijn literaire helden: L.H. Wiener. Ook Godfried Bomans, medeoprichter van de Haarlem Branch van de Dickens Fellowship, was een Haarlemmer, evenals Lodewijk van Deyssel.


Joubert Pignon, synoniem van Robert Schuit, was enige tijd de schoonzoon van de man van Warnaars eerste vrouw. Pignon is ook Haarlemmer. Toen zijn tweede verhalenbundel werd gepresenteerd, zag hij daar zijn andere literaire held, A.L. Snijders, samen met Wiener. Volgens Snijders hebben de heren inmiddels ruzie. Wiener keurt het af dat Snijders - weduwnaar geworden - is hertrouwd. Warnaar geniet van de ingewikkeldheid der dingen. 


Foto: auteur

zaterdag, oktober 03, 2020

Warnaar: Paniekvoetbal

 



De hoofdrolspeler in Het Bureau, deel 6, van J.J. Voskuil, Maarten Koning, verzucht op bladzijde 588: 'Hoe ouder ik word, hoe meer ik tot het inzicht kom dat we door idioten bestuurd worden'. Warnaar vind de uitspraak in het algemeen iets te boud. Wel twijfelt hij aan de kwaliteit van de vaderlandse ambtenarentop. Zijn die Dorknopers en het kabinet wel opgewassen tegen de coronaramp? Het is weer volop paniekvoetbal wat de klok slaat, maar angst is een slechte raadgever, luidt het gezegde. 


Hij heeft alle delen uit de serie Het Bureau al eens herlezen. Moet hij weer doen, vindt hij. Het leidt af van de waan van de dag en je komt met enige regelmaat het woord 'mieters' tegen, dat de sfeer van zijn vroege jeugd ademt. Je hebt meer van die tijdgebonden woorden en zegswijzen. 'Weet je wel' en 'helemaal te gek' horen bij zijn middelbare schooltijd en studentenjaren. 


Toen hij ging lesgeven was alles 'vet' en 'gaaf' onder zijn leerlingen. Hij zou niet weten wat de jeugd vandaag de dag uit enthousiasme roept, maar hij vreest dat het wel een Engelse term zal zijn. Het irritantste woord dat hij geregeld tegenkomt is 'influencer'. Je kunt bovendien de krant niet openslaan of de radio aanzetten of je hoort 'corona'. Hij denkt aan Voskuil en zijn magistrale boeken.


Foto: auteur





zondag, juli 12, 2020

Dienstmededeling



Een week geleden vertrok Warnaar naar het land der letteren, waar hij nu verdiept is in dromen en illusies. Ik heb begrepen dat het wel bevalt, maar dat er nogal wat volgers van dit weblog zijn, die zijn vertrek betreuren. Dat verheugt zowel Warnaar als mij. 

Daarom komt hij terug. Niet iedere dag, maar met enige regelmaat en als rubriek, je ziet binnenkort wat ik bedoel. Overigens is hij ook te vinden in mijn verhalenbundel IJzeren logica. Helaas alleen nog antiquarisch te krijgen. 

Hoewel, ik heb nog een paar exemplaren op zolder. Voor twaalf euro vijftig, inclusief verzendkosten. Als je er snel bij bent heb je misschien nog net een exemplaar. Bestellen kun je via keesklok(ad)hotmail.com.



vrijdag, juni 26, 2020

Kabaal



Soms zei zijn vrouw: 'Eigenlijk ben ik van de negentiende eeuw, lijkt me een geweldige tijd om in te leven'. Meestal hadden ze dan net naar een aflevering van een of ander kostuumdrama gekeken. Zelf is hij meer van de achttiende eeuw, vindt hij. De opkomst van de Verlichting, maar nog niet van het benauwende en hypocriete Victorianisme. Hij zou graag rondlopen in die tijd, maar wel onder de voorwaarde dat hij rijk was en voorzien van een ijzeren gezondheid. 

Het is weer zo'n dag dat hij wordt overvallen door een nostalgische afkeer van zijn eigen, platvloerse tijd vol media- en sociale mediakabaal, van het groeiende gat tussen voortgaande technologie en beschaving. Eind achttiende eeuw stond de stoomtechniek nog in de kinderschoenen. Hoorde je geheel ander kabaal in de stad: paardenhoeven en de ratelende wielen van koetsen en karren. Op zee ging je nog gewoon onder zeil.

Zijn vrouw noemde hem weleens een onverbeterlijke romanticus. Hij weet het. De tijden veranderen en niet altijd ten goede. Het verleden komt nooit terug, maar hij zou er een kapitaaltje voor over hebben om de Noordzee over te zeilen en per koets naar Plas Newydd in Wales te reizen, om daar te souperen met de Ladies of Llangollen, in gezelschap van, wie weet, mensen als William Wordsworth of lady Caroline Lamb. 

Foto: auteur


zondag, juni 21, 2020

Nobelprijs



Op bladzijde 23 van het Geheim Dagboek 1981-1982 van Hans Warren leest hij: 'Nieuwgrieks is net zo ontoegankelijk als Nederlands, niettemin wordt Kavafis overal hoog geschat'. Hij vraagt zich af hoe het komt dat de Nobelprijs voor literatuur nog nooit naar iemand is gegaan die in het Nederlands schrijft. Ieder jaar zijn er weer hoog gespannen verwachtingen, jarenlang werden Hugo Claus en Harry Mulisch gezien als potentiële kandidaten. Door Hollanders, denkt hij er meteen bij. 

Hij denkt ook aan een andere uitspraak van Warren, in Geheim Dagboek 1984-1987: 'Tenslotte is de hele Nederlandse literatuur niet meer dan een binnentuin in een provinciestad'. Zijn eigen provinciestad kent enkele fraaie binnentuinen. Bezit van een handjevol inwoners. Eentje is er openbaar, van een lunchroom, maar daar kan voorlopig nauwelijks iemand zitten door de coronanarigheid. 

Hij vindt het overheidsbeleid om de Nederlandse cultuur in het buitenland te bevorderen nogal belabberd. Hij herinnert zich nog de vaderlandse benepenheid die leidde tot de sluiting van het Nederlands Instituut in Parijs. Een organisatie als de British Council is ondenkbaar in het landje van kooplieden en dominees, maar wat doen de Grieken dan om hun schrijvers in het buitenland aan te prijzen, vraagt hij zich af. Zeker is dat hij in Griekenland niet stuit op een meewarige glimlach als hij vertelt weleens een gedicht te schrijven.

Foto: auteur (schrijfster Leen Raats leest voor in galerie De Compagnie te Dordrecht)


vrijdag, juni 12, 2020

Nederlander



In Mijn Nederland van de Belg Geert van Istendael leest hij: 'Luidkeels je mening geven, ook als niemand die wil horen, ook als je helemaal geen mening hebt, het lijkt me een wezenskenmerk van de Nederlander'. Het boek verscheen in 2005. Facebook stond net in de kinderschoenen en Twitter liet nog een jaar op zich wachten. Het luidkeels roepen gebeurde nog vooral op de radio, de televisie en in de krant. Hij vindt het een zegen dat kranten redacteuren hebben, die een groot deel van het helse kabaal dat in de sociale media wordt gemaakt, buiten de kolommen houden. Toch slaat hij de opiniepagina meestal over, tenzij iemand iets over zijn vakgebied schrijft. 

Hij heeft de radio afgezet. Hij begrijpt dat iedereen het zo langzamerhand wel heeft gehad met de coronaramp en de elkaar voortdurend tegensprekende deskundigen. De radio jaagt inmiddels achter de nieuwste hype aan. Het geroep van opgewonden activisten om standbeelden van sommige historische figuren weg te halen. Dat waren 'foute' mannen. Hij vindt het van een typisch Nederlandse genuanceerdheid. Pas hoorde hij zo'n roeptoeter op de radio zeggen dat alle Surinamers die na 1975 naar Nederland emigreerden 'plantagehouders' waren.

Als zijn moeder iemand iets doms hoorde beweren, zei ze: 'Die heeft ook het zwarte garen niet uitgevonden'. Warnaar vindt dat eigenlijk wel een passende uitdrukking.

Foto: auteur

woensdag, juni 03, 2020

Diakenhuismannetjes



In haar column in Trouw breekt onderwijzeres Naomi Smits een lans voor het literatuuronderwijs. Zij heeft haar leerlingen aan het lezen gekregen en kennelijk doen die dat met plezier. Hij vindt het bemoedigend. Hij herinnert zich het povere literatuuronderwijs op de mulo. Per vreemde taal werden klassikaal twee boeken gelezen. Als het je beurt was, moest je een bladzijde of wat oplepelen. De leraar vertaalde een paar moeilijke woorden, die je moest leren, en dat was het wel. 

Voor Nederlands lazen ze de Camera Obscura en De herberg met het hoefijzer. Voor het examen leerde je twee gedichten per taal uit je hoofd. Hij herinnert zich: 'Kaal staat hij voor de blankheid der gordijnen', uit De cactus van Jan van Nijlen. Wie Jan van Nijlen was, leerden ze er niet bij. 

In 1968 kwam de Mammoetwet. Hij stapte over naar de havo. Wat literatuuronderwijs betreft was dat een warm bad. Een leraar Engels die zo geïnspireerd over de Engelse literatuurgeschiedenis sprak, dat hij nu nog grote stukken uit het hoofd kent. Een leraar Nederlands die bewees dat letterkunde niet alleen uit diakenhuismannetjes bestond. Hij had alle vreemde talen, moest voor zijn examen 70 titels lezen, want literatuuronderwijs stelde nog iets voor. Tussen zijn boeken in coronadetentie, beseft hij hoe waardevol die basis voor zijn verdere leven is geweest.

Foto: auteur


zondag, mei 24, 2020

Calvinistische doem



Gerard Reve schreef iets in de trant van dat een schrijver na zijn dood nog een jaar of tien wordt gelezen, dat daarna een straat naar hem wordt genoemd en dat hij vervolgens wordt vergeten. Hij eindigt met: 'Niemand weet toch meer wie Tweede van der Helst is?'

Warnaar vraagt zich af of iemand van de jongere generatie nog weet wie Simon Carmiggelt is. Dat komt door het grauwe weer deze zondagmorgen. In een van zijn columns, Kronkels genaamd, sprak Carmiggelt over dit soort zondagsweer als 'de calvinistische doem'. P., zijn jong gestorven studiemaat, was een Carmiggeltbewonderaar. Op zondagmiddagen gingen ze regelmatig naar een café aan de rivier. Bij somber weer zuchtte P. dan met het nodige gevoel voor dramatiek dat hij leed onder de calvinistische doem.

Carmiggelt deed zijn inspiratie vaak op in de kroeg. 'Goed dat er toen geen corona was', denkt hij, 'de man zou er onderdoor zijn gegaan'. Hij schreef ruim tienduizend Kronkels en kreeg in verschillende steden een straat, maar niet in Dordrecht. Hij werd echter na z'n dood al snel niet meer gelezen. In zijn honderdste geboortejaar eerde uitgeverij Van Oorschot hem met een chronologische bundeling van honderd Kronkels: Carmiggelt gedundrukt. Prachtige verhalen, maar in een vreemd smal formaat dat somber maakt. Hij vindt het tijd dat de kroegen weer open gaan.


zondag, april 26, 2020

Oplawaai



Terwijl hij luistert naar OVT van de VPRO, bergt hij de bankafschriften op die hij het afgelopen jaar achteloos op een stapel heeft gelegd. Het eerste is van 15 april vorig jaar. Hij zou bijna naar Griekenland vliegen. Hij moest het woord voeren bij een boekpresentatie, de vertaling van De 'reddende' revolutie van historica Djamila Zon. Een aanrader voor wie belang stelt in het moderne Griekenland. 

Hij zou volgende week opnieuw afreizen naar Hellas, maar het virus..., of is het meer de angst voor het virus die de mensheid in zijn greep houdt? Hij weet het niet. Hij doet weliswaar aan internetbankieren, maar wil ook papieren afschriften. Hij vindt dat we ons al veel te afhankelijk hebben gemaakt van electronica. Wat als er een langdurige stroomstoring optreedt?

OVT bespreekt het boek De geldjas van Max Nord, geschreven door Harry van Wijnen. Hij heeft Max Nord een keer ontmoet in een wijnbar in Amsterdam, bij de presentatie van een kwartaalblad waarin hij af en toe iets schreef. Hij werd in hetzelfde jaar als zijn vader geboren. Ze spraken over de inhoud van het tijdschrift en over het Parool, herinnert hij zich vaag, maar niet over oorlog en verzet. In dat café liep ook een kat die van iedere bezoeker een oplawaai kreeg, maar zich daar ogenschijnlijk niets van aantrok.

Foto: auteur