Posts tonen met het label Buddingh'. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Buddingh'. Alle posts tonen

donderdag, november 13, 2025

Buddingh' verbeeld




Op 24 november is het veertig jaar geleden dat Kees Buddingh' overleed. Ik herinner me die dag alsof het gisteren was. Wim de Vries belde, nog voordat het nieuws in De Dordtenaar kwam. Het bericht kwam hard aan. Kort voor Kees moest worden geopereerd aan een spastische darm, bij hem aan de overkant, in het Gemeenteziekenhuis in de Bankastraat, was ik nog bij Stientje en hem op bezoek geweest. Bij de open haard met een sigaartje, een glaasje whisky en onze wederzijdse verhalen over Engeland.


Twee jaar later leerde ik in Minneapolis Stella uit Thessaloniki kennen, met wie ik in 1990 trouwde. Zij had een fabelachtig gevoel voor talen en was een groot liefhebster van poëzie. Nadat ze Nederlands had geleerd, een taal die ze als Griekse vrijwel accentloos sprak, vertaalde ze onder meer een reeks gedichten van Kees. Die werden in Athene gepubliceerd in het literaire tijdschrift Το Δέντρο. We hebben ooit eens een exemplaar in de bus gedaan bij het Buddingh' Genootschap en daar nooit enige reactie op ontvangen. We hebben het altijd betreurd dat Stella Kees nooit persoonlijk heeft gekend, maar we waren nog lange tijd met Stientje bevriend, met wie Stella lange gesprekken voerde over Kees en over zijn poëzie.


Het heeft lang geduurd voordat een biografie over Kees verscheen. Deels kwam dat doordat Ares Koopman, de beoogde biograaf, uiteindelijk niet de juiste man voor het karwei bleek. Nadat Ares zijn vrouw in de steek liet, brak een zeer verontwaardigde Stientje met hem. Uiteindelijk zou Wim Huijser de biografie schrijven. Een voortreffelijk boek dat even stevig staat als het huis van de Buddingh's in de Bankastraat.


Als ik langs Pictura loop denk ik aan de dag dat ik Kees in 1969 leerde kennen. Daar had hij toen een werkkamer. Daarvoor werkte hij in het voormalig brugwachtershuisje bij de Leuvebrug. Daar kom ik ook regelmatig langs. Ook het Leprooshuis doet me aan Kees denken, want daar had hij korte tijd een werkkamer tot hij tenslotte zijn werkruimte inrichtte in het huis in de Bankastraat. De kinderen waren oud genoeg om hem niet meer te storen bij zijn werk en de Buddingh's hadden inmiddels de woning boven die van hen bij hun huis kunnen trekken. Daar bezocht ik hen regelmatig, want zij waren niet alleen buitengewoon gastvrij, maar Kees was ook altijd bereid om beginners in het dichtersvak, zoals ik, met raad en daad terzijde te staan.


Wat ik helaas mis als ik door de stad loop, is een standbeeld van Kees Buddingh'. We hebben Johan en Cornelis de Witt op de Visbrug, Ary Scheffer op de Beurs, burgemeester Wichers in park Merwesteijn, graaf Dirk IV op de Grote Markt, het monument voor Albert Cuyp in de Vriesestraat en die afgrijselijke Hulk, die Willem de Zwijger moet voorstellen, in de Hofstraat, maar nergens in het centrum ontmoeten we Buddingh'. Daar komt hopelijk snel verandering in. Als ze hem naar niet neerzetten op die schamele achterafparkeerplaats die Buddingh'plein heet.


Foto: auteur


dinsdag, januari 12, 2021

Warnaar: Beeldend Buddingh'




Hij leest dat een aantal stadgenoten in Dordrecht een standbeeld wil van C. Buddingh'. Hij vindt dat een goed idee. Buddingh' heeft veel voor de stad betekend. Het moet alleen niet zo'n lelijk ding worden als het beeld van Willem van Oranje, die groteske reus van de Hofstraat. Dat kun je een fijnzinnig dichter als Buddingh' niet aandoen.


Wat je hem ook niet kunt aandoen, is zijn naam verkeerd spellen. Nog altijd zijn er mensen die Cees schrijven in plaats van Kees. Van wat Buddingh' daarover zelf schrijft, trekken zij zich niets aan. Ze weten het immers beter dan de schrijver. Op de sokkel van Willem van Oranje is men de naam van de stad Oudewater vergeten. Daarmee sta je als Dordrecht in je hemd. Straks gebeurt dat met Cees misschien ook.


Toch ziet hij zo'n beeld (een mooi beeld, dus een ontwerp waarbij het volk geen inspraak heeft, want dan krijg je weer zo'n Hofstraattrol) wel zitten. De vraag is: waar zetten we Kees neer? De gemeente heeft hem al afgescheept met een lullige parkeerplaats, meent hij. Om dat een beetje goed te maken moet het wel een prominente plek zijn. In Zutphen staat Ida Gerhardt uit te kijken over de IJssel. Hij denkt aan het Groothoofd, met dan meteen Jan Eijkelboom als pendant op het Damiatebolwerk.


Foto: auteur


donderdag, juni 04, 2020

Het bruine monster



Hij is gisteren even naar het terras van de stamkroeg geweest. Hij wil niet direct beweren dat het aanvoelde als een soort bevrijding, maar wel als een opluchting. Langzaam gaat het richting normaal. Niet 'het nieuwe normaal', wat hij een misleidende en populistische term vindt, maar het normaal van voor de coronaramp. Het was niet druk, ondanks het mooie weer. Er werd wat lacherig gedaan over het afstand houden, maar toch hield iedereen zich als een braaf schoolklasje aan de regels. 'Voor zolang als het duurt', dacht hij, toen hij na een paar biertjes naar huis fietste.

'Doe ik het wel of niet', vraagt hij zich af. De tuin heeft hard water nodig, maar er zijn buien voorspeld. Hij zet voor de zekerheid de regenton open, maar besluit eerst de fiets naar het stadion te nemen om zijn seizoenkaart te bestellen. Hij denkt aan dichter Kees Buddingh', de man die nog vaak wordt uitgemaakt voor Cees. Vooral door journalisten die nooit de moeite namen zijn dagboeken of biografie te lezen. Buddingh', oud-speler van DFC, was met grote regelmaat te vinden in het FC Dordrecht stadion. 

Dichters en voetbal. Je vindt het of een geweldige combinatie, of je vindt het niets. Leve het bruine monster! Hij vindt dat het hoog tijd wordt voor een uitgave van Buddingh's verzameld proza. 

Foto: auteur

dinsdag, december 03, 2019

De bus kwam zo



Hij vond plaats op zondagmiddag 16 september 1984, de literaire busrit met Dordtse schrijvers. Met een dubbeldekker, want er moest ook publiek mee. Ik weet niet precies meer wie de organisator was, in ieder geval niet de Culturele Raad Dordrecht, want die was een jaar ervoor opgeheven. Als gevolg van een kortzichtig besluit van de Dordtse gemeenteraad, die daarmee de ontwikkeling van het plaatselijke culturele leven in niet geringe mate wist te frustreren. Sinds de oprichting van de CR in 1968 en in zijn voetspoor die van de stichting Produktiegroep Bobby Kinghe en de stichting Perspektief had het culturele leven in de Merwestad een opmerkelijke opleving doorgemaakt, maar kennelijk vonden de vroede vaders en moeders het wel weer mooi geweest. Dat is opmerkelijk bij veel plaatselijke culturele initiatieven. Zodra die een succes worden, lijkt de belangstelling van het stadhuis weg te ebben. Kijk maar naar het Belcantofestival, de Dordtse Dag van de Poëzie en de Debutantenprijs, om enkele voorbeelden te noemen.

Het kan zijn dat Kunstmin de rit organiseerde, omdat ik mij meen te herinneren dat boekverkoper Cees Groesbeek (voorin in het midden), die het programma presenteerde, in die periode ook voor Kunstmin de literaire avonden in het Hof organiseerde, die oorspronkelijk door Bobby Kinghe waren opgezet. Het was in ieder geval een organisatie die betaalde, want volgens mijn dagboek uit die tijd ontving ik voor mijn bijdrage, een kwartier gedichten lezen, een honorarium. Zo hoort het ook, maar dat is niet vanzelfsprekend, zoals iedere dichter, zeker de beginnende dichter, weleens heeft ervaren. Dan belt iemand of je wilt optreden voor een fles wijn of een bosje bloemen, omdat het toch zo goed is voor je naamsbekendheid en omdat optreden 'toch leuk' is. Dat soort gelul waarbij ik tegenwoordig onmiddellijk de verbinding verbreek. 

Het is lang geleden en ik herinner mij niet precies meer wie er allemaal optraden. Dat vermeldt mijn dagboek niet. Wel dat het zomers weer was en mooi in de polder, al weet ik ook niet meer precies welk polderland we allemaal doorkruisten. Op de foto leest Jaap Romijn, die na een periode als directeur van het Prinsessenhof in Leeuwarden in Dordrecht was komen wonen. Ook Kees Buddingh' en Jan Eijkelboom lazen voor en ik vermoed dat Wim de Vries en Wim Valk erbij waren. Ook Ger Brillemans, prominent links vooraan, trad op. Hij was een speciaal geval. Met enige regelmaat gaf hij het geheel door hemzelf volgeschreven blad Pridoproeza uit, dat gratis in de Dordtse boekhandel was af te halen. Een geschrift van gering literair belang, maar een aardig initiatief waar soms weleens iets grappigs in stond. Brillemans, ik weet niet of hij nog leeft, was in de tijd dat ik hem kende een aardige en soms grappige man, die ook vinnige kritiek kon uiten. Dat mocht ik wel.

Foto: Ad Molendijk/Beeldbank RAD (552_300867)





donderdag, mei 02, 2019

Vraag het maar aan de belastingdienst



Lieve Stella,

Het bouwvolk van hiernaast is terug en maakt weer op volle kracht herrie en ook de malloot die zo gruwelijk saxofoon speelt hebben ze nog niet van de sokken gereden. Gisteren had de avli* een oase van rust moeten zijn, 1 mei = vrij, maar toen had iemand bedacht dat het wel aardig zou zijn om een reclamevliegtuigje urenlang boven de stad te laten rondcirkelen. Zo'n ronkend, eenmotorig ding met een spandoek er achter. Alsof er al niet genoeg reclame is die het leven verzuurt. Het was bovendien fris voor de tijd van het jaar, toen ik 's avonds terugkeerde van Zorbas heb ik zelfs een trui onder mijn jasje gedragen. 

Dat jasje, daar zou ik eens iets nieuws voor moeten kopen. Er zit geen knoop meer aan de manchetten (waarom naaien ze trouwens knopen aan die manchetten, dat is toch volkomen zinloos?) en het is behoorlijk vies, maar waar vind ik hier een stomerij met 'klaar terwijl u wacht'? We hebben wel een kleine grutter op loopafstand en een bakkerij, maar voor een winkel waar je een fatsoenlijk jasje kunt kopen, moet ik helemaal naar Kolonaki, voorbij de Nationale Tuin, want in Plaka kun je slechts toeristische truttigheden aanschaffen of uit eten gaan. Dat jasje dat ik in oktober in Thessaloniki kocht is een dure miskoop. Ik bedoel, het staat me prima, heeft een zekere sjiek, maar als ik mijn agenda of een notitieboekje in een binnenzak doe, gaat het raar hangen. 
Toen ik een kind was, zat ik altijd goed in de kleren. Die maakte mijn moeder gewoon zelf, of anders kochten we ze bij Roodfeld. Dat was (en is, ik geloof dat de zaak nog bestaat) een winkel waar dure, doch degelijke waar werd verkocht, die wij met vijftig procent korting konden aanschaffen, want de eigenaar was een boezemvriend van mijn oom Henk, die jij helaas nooit hebt gekend. Hij is net voor zijn pensioen aan een hartaanval overleden, oom Henk, niet meneer Roodfeld, wat mij indertijd nogal heeft aangegrepen. Twee ooms op te jonge leeftijd aan het hart bezweken en ik maar denken dat mij zoiets nooit zou overkomen. Ik ben de afgelopen jaren tweemaal net aan de dood ontsnapt. De eerste keer bij die hartstilstand, de tweede keer toen ik bijna stikte in een stukje biefstuk tijdens een diner van de Dickens Fellowship in Kraantje Lek. Wel een eervolle plek om op te stappen, maar ik geef toch de voorkeur aan de Dordtse Pottenkade met voorlopig nog even uitstel als ik voldoende inspraak krijg. 

Anke en Lienke (de tweeling van Syros) hebben tijdens hun verblijf in Thessaloniki een heleboel foto's gemaakt, waarvan ik een deel in mijn digitale archief heb zitten. Misschien dat ik daar een soort album van laat afdrukken, want al dat digitale is prachtig en snel (ik stuur een epje naar Archie in Berg en Dal aan de Surinamerivier dat binnen enkele seconden arriveert), maar als de stroom uitvalt heb je er niets meer aan. Het kan nooit kwaad om een paar postduiven te houden en papier en vulpen onder handbereik te hebben, maar dit terzijde. Aan de andere kant ben ik in Dordt nu en dan doende oude foto's uit mijn albums te digitaliseren, want dan kun je er op de computer weer van alles mee doen. Nog niet zolang geleden heb ik foto's opgeslagen uit de tijd dat ik met Annemarie in Llangollen, in Wales verbleef. Toen fotografeerde ik nog veel zwartwit. Kun je je dat nog herinneren, Llangollen? Die romantische vallei, eigenlijk het verwilderde deel van de tuin van Plas Newydd, waar lady Eleanor Butler en Sarah Ponsonby woonden? Ik denk er nog regelmatig aan terug, zeker nu ik gisteren bericht kreeg van Bart en Claudia, die door Wales reizen, dat ze vandaag Plas Newydd bezoeken. Wales, ik wil er ook weer naartoe, maar eerst maar afwachten wat er van die ellendige Brexit terecht gaat komen. Hopelijk leidt uitstel tot afstel.

In 1968 ging ik in Wales kamperen, als jonge en nog vrijwel onbedorven begeleider van de welpen van de padvindersclub van Newton-le-Willows. Die stond onder bevel van Mister Keene, nog niet zolang geleden op hoge leeftijd overleden, maar geestelijk tot op het laatste ogenblik scherp. Net de oude Drees. Daar heb in IJzeren logica een verhaal over. Dat stond eerst in het tijdschrift Kreatief. Een onbeduidende naam voor een uitstekend literair blad, dat echter, zoals dat gaat als het succes te groot wordt, na enige tijd werd opgeheven. Met Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift, dat sinds een jaar of twee G. (Gee-punt) heet, heb ik de samenwerking opgezegd, evenals mijn abonnement, omdat ze zomaar een paar keer mijn naam als Cees schreven, in plaats van als Kees en ik ben wat dat betreft minder mild dan Kees Buddingh'. Als het na een dringend verzoek niet direct wordt rechtgezet kunnen ze het lazarus krijgen. Betalen deden ze ook niet, ik begrijp niet dat ik zo achterlijk ben geweest om dat over mijn kant te laten gaan. Als ik in Kreatief publiceerde, kreeg ik keurig een honorarium. Dat krijg ik van alle tijdschriften waar weleens iets van mij inkomt, vraag het maar aan de belastingdienst, maar die lui hebben jarenlang van mijn scheppende kwaliteiten mogen profiteren en dan ineens Cees gaan schrijven! Ik moet aan mijn bloeddruk denken.

Ik schrijf 'vrijwel onbedorven', want ik had kort voor vertrek ergens bij een tuinfeest de veertienjarige Isabeau uit Frankrijk ontmoet, die mij achter een bloeiende rododendron de kunst van het tongzoenen had bijgebracht. Moet je nagaan, ik was al zeventien, maar Isabeau viel nu eenmaal op oudere mannen. Tijdens dat kamperen inspecteerden wij als begeleiders 's morgens met militaire precisie de tenten van de jeugd, die keurig moesten zijn opgeruimd en schoongehouden, anders volgde strafcorvee. Ga jij maar eens voor veertig man aardappels zitten schillen, van die Engelse zandaardappels die nooit kruimelen, maar waarvan je wel slappe frieten kunt bakken. Die in geolied papier verpakken en in een krant en daarna overgieten met azijn en klaar is Kees (met een K dus).
Naast ons kamp, gelegen op een glooiing in het plaatsje Corwen, niet ver van Llangollen, was dat van een groep padvindsters, ik geloof dat je die kabouters moet noemen, al waren ze de welpenleeftijd al een beetje ontgroeid. Dat kamp werd op een avond verlucht door een kampvuur en bij dat kampvuur kwam ik Wendy tegen. Ook veertien en niet alleen verzot op tongzoenen. Zij was het eerste meisje met wie ik door die romantische vallei zwierf en die ik achter het oude doopvont, dat oorspronkelijk in de abdij van Valle Crucis stond, op innige wijze onzedelijk betast en beknepen heb. Dat leidde tot een verkering van maar liefst twee jaar, voornamelijk per brief, maar tijdens de zomermaanden ook lijfelijk. Ik logeerde met enige regelmaat bij haar en haar ouders in het gehucht Hooton op de Wirral, met uitzicht op de schoorstenen van de chemische fabriek bij Ellesmere Port. Ze had weelderig, rood haar en was echt een kind van de jaren zeventig. Ik heb haar later ingeruild voor een meisje uit Dordrecht, maar dat speelde allemaal al heel lang voor ik jou leerde kennen. Ik heb je er beslist weleens over verteld, maar zonder details, want ik ben pas in 1975 met mijn dagboeken begonnen. 

Er moeten ook nog foto's zijn van ons verblijf in Llangollen, of was dat al nadat ik door een onhandigheid de camera had laten vallen op het marmer van het British Museum? Of was het de National Gallery? Je weet nooit waar je aan toe bent met die Engelsen, maar het ding was wel onherstelbaar kapot. Erg duur was hij niet geweest, maar je kon er mooie foto's mee maken. Ik denk het eigenlijk van wel, want ik kan me foto's uit Londen herinneren, maar niet uit Wales eigenlijk. In dat geval zouden we terug moeten om het allemaal nog eens over te doen. Dát zou ik nu graag eens willen, maar ik ben Orpheus niet, jammer genoeg, al zou ik wel uitkijken om mijn kop om te draaien alvorens we de poort uit waren. Ik ga toch nog eens zoeken in mijn albums.

In gedachten, altijd,

Kees

Athene, 2 mei 2019

* binnenplaats

Foto: auteur

zaterdag, december 01, 2018

Voedselfarizeeër



"Al die niet-rokers, al die niet-drinkers, het kunnen beste mensen zijn, maar ik blijf ze wantrouwen," schreef C. Buddingh' op bladzijde 62 van zijn dagboek Een mooie tijd om later te worden. Inmiddels kunnen we daar de dierenactivisten uit de veganistische kerk aan toevoegen. Daar zullen ook wel beste mensen tussen zitten, maar af en toe bekruipt mij het gevoel dat Folkert van der G. niet de enige doorgeslagen fanaat in die kringen is. 

Onlangs werd een bekende van mij door zo'n dolgedraaide vegafundamentalist uitgescholden voor moordenaar, omdat hij een foto op het internet had gezet van twee gebakken garnalen en een brokje sateh. Iemand reageerde op de schuimbekkende voedselfarizeeër met de verstandige raad 'zoek een hobby.' Ik denk eerder aan een goede psychiater. Als je zo door je stootblokken gaat, spoor je niet en dat zou zo maar kunnen eindigen met een bloedbad in de vleeswarenafdeling van de plaatselijke super.

Ik ben niet uitermate dol op vlees en gevogelte, eet ook weleens vegetarisch, maar houd daarentegen wel van een visje en laat mij door niemand de garnalen van het brood eten. Alles met mate. Dat zeiden de oude Grieken al. Ik heb een gruwelijke bloedhekel aan alles en iedereen die zijn (of haar, anders krijgen we dat gezeur weer) opvattingen, geloof en levenswijze desnoods te vuur en te zwaard aan anderen wil opdringen. Hoed u voor respect- en humorloze dwepers en drammers. Van dat soort is de wereld nog nooit een millimeter beter geworden.

Foto: auteur


zondag, september 16, 2018

Ouderwets degelijk



Lieve Stella,

Afgelopen donderdag is mijn nieuwe boek, Dijkbewaking, uitgekomen. Een volgend deel in de serie literaire dagboeken. Het gaat over de jaren 1980-83. Niet de prettigste jaren uit mijn leven, al heb ik in 1982 wel die mooie reis naar Suriname gemaakt, waarover ik jou regelmatig vertelde. De presentatie was in Visser. Mario Molegraaf, die zelf net in de schijnwerpers staat vanwege zijn vertaling van Mein Kampf, was zo aardig het eerste exemplaar in ontvangst te willen nemen. Ik had hem gevraagd vanwege mijn grote waardering voor hem als bezorger van Hans Warrens dagboeken en zijn Kavafisvertalingen, maar zeker ook omdat wij beiden een band hebben met Visser. Mario kwam er als kind bij zijn oom Kees van Dijk, de toenmalige uitbater. Ik kom er al vanaf mijn vijftiende, zij het in het begin wat minder regelmatig dan nu. Hoewel, ik herinner mij 1968, het jaar dat Gerrit de Wolf en ik ons mulo-diploma haalden. Na het eindexamen zaten we die zomer bijna dagelijks bij Visser, maar toen hield ik nog geen dagboek bij. Jammer eigenlijk, want ik had graag eens teruggelezen wat ik zou hebben geschreven over de vrijpartijen met mijn eerste meisje. Niet dat die zo onconventioneel waren, maar het was een spannende tijd van ontdekken en experimenteren. 

Mario hield een mooie toespraak, een mengeling van persoonlijke herinneringen en waardering voor het boek, dat hij grondig had gelezen. Ik had hem een tijdje geleden een kopie van het manuscript gestuurd. Ik heb daarna een paar fragmenten voorgelezen, die sloegen op de drie lijnen in het boek: de perikelen in het onderwijs, waar toen de fusies begonnen die tot zoveel narigheid hebben geleid, de reizen die ik maakte en mijn relatie met Marion. Na afloop veel boeken moeten signeren, wat tot grote tevredenheid leidde bij uitgever Henk Verweerd. Normaliter ga je na zo'n presentatie lekker aan de drank, maar dit keer moest ik mij inhouden, omdat ik later op de avond als medepresentator moest invallen bij het radioprogramma Via Cultura. Er was iemand ziek geworden en misschien kwam dat wel goed uit, want het behoedde mij de volgende ochtend voor 'vermoeid' wakker worden.
Het boek ziet er goed uit. Henk Van Troyen heeft een fraai omslag ontworpen, maar de letter van het binnenwerk is me net iets te groot. Mijn eigen schuld, want ik heb er bij het corrigeren van de drukproeven niets over gezegd. Bij proza is een iets te grote letter niet zo heel erg. Bij poëzie wel. Dan staat het al snel amateuristisch. Wat de inhoud betreft is het beter geworden dan ik aanvankelijk dacht. De oorspronkelijke aantekeningen zijn niet altijd gelukkig geformuleerd. Ik schrijf nu veel vlotter en beter. Ik moest veel herschrijven om een leesbaar boek te krijgen. Qua stijl, maar ook om er een lijn in te krijgen. Het is wel een dagboek, maar het moest geen grabbelton worden. 

Grabbeltonnen, bestaan die nog? Tijdens ons familieweekeinde, het derde weekeinde van augustus, bezochten we Den Oever. Op de fiets, uiteraard, dat weekeinde staat altijd in het teken van de fiets. In Den Oever werden de havendagen gehouden en daarom was er kermis. Daar zag ik wel een moderne versie van een grabbelton. Zo'n glazen bak waar je geld in gooit om dan met een soort grijper een of ander prul op te vissen (als je handig genoeg bent), maar zo'n ouderwetse ton, met zaagsel waarin een flauwe verrassing, kreeg ik niet in beeld. Het stormde en er dreigden steeds buien, maar tijdens de enige keer dat het echt even regende zaten wij aan de haven in een restaurant een visje te eten. Ik moest, tegen de storm op fietsend, denken aan de titel van een dichtbundel van C. Buddingh': De wind houdt het droog.
We verbleven op het voormalige waddeneiland Wieringen, in een prachtige accommodatie die de Wierschuur heette. Dat werd bij ons natuurlijk de Wietschuur. Ruim, sfeervol, van alle gemakken voorzien (open keuken waar je voor een groot gezelschap kon koken, toilet en douche bij iedere kamer, lekker privé) en dat alles tegen een schappelijke prijs. Ideaal voor een paar dagen, maar daarna moet je weer snel naar de stad, want op wandelen en fietsen na is er weinig te doen. Die havendagen waren mooi meegenomen, maar niet echt spectaculair, en om een uur of twaalf zat er bij sommige bewoners al zoveel drank in het systeem dat je het matten 's avonds al vroeg aan voelde komen. Hippolytushoef ziet er brandschoon en zeer aangeharkt uit, maar van de fameuze kroegen die daar vroeger kennelijk waren, zijn er nog maar drie over en die waren gesloten. Logisch, want we fietsten er op zondagmorgen doorheen.
We waren met een relatief klein gezelschap want 'Londen' was verhinderd en de jongere generatie was voor een deel bij het vriendje of vriendinnetje. Neemt niet weg dat het goed was om weer een paar dagen onder elkaar te zijn en de familiebanden aan te halen. Volgend jaar zijn de vriendjes en vriendinnetjes ook welkom.
Wieringen, waar eind jaren twintig van de vorige eeuw de Wieringermeerpolder aan vast werd geplakt, is het thuisland van de schrijver Gerbrand Bakker, maar daar was niet veel van te merken. Een tijdje geleden las ik Jasper en zijn knecht, verschenen in Privé Domein. Een interessant dagboek over zijn leven in de Eiffel, waar hij ergens een huis met een tuin heeft, waarin hij lustig hoveniert. Jasper was zijn, inmiddels overleden, ietwat prettig gestoorde hond.

Na drie maanden heeft de hovenier eindelijk de rekening gestuurd voor het opknappen van de tuin. Een tot in details gespecificeerde nota, getypt op een klassieke schrijfmachine, waardoor ik nu eindelijk weet wat er allemaal groeit en bloeit. Zo'n wat ouderwetse rekening maakt een aangenaam degelijke indruk. Misschien haal ik mijn oude Royal ook nog eens tevoorschijn. Dat het uiteindelijke bedrag tweehonderd euro meevalt is een prettige bijkomstigheid waarvan ik een broek, een overhemd en een paar schoenen heb gekocht.
Voor die schoenen ben ik naar Van Driel op de Voorstraat gegaan. Een zaak waar niet alleen kwaliteit wordt verkocht, maar waar je ook deskundig wordt geholpen. Dat is nodig vanwege de aanhoudende achillespeesontsteking die ik heb opgelopen door de verkeerde schoenen te kopen bij zo'n dozenschuiver waar je het allemaal zelf maar moet uitzoeken. Koopjesjagen wreekt zich altijd. Ik ben uitstekend geslaagd en kon gisteren, toen ik naar Kraantje Lek moest, het hele stuk vanaf station Overveen tot de Duinlustweg bijna pijnloos lopen.

Je begrijpt dat ik naar Kraantje Lek ging voor een bijeenkomst van de Haarlem Branch van de Dickens Fellowship. De mensen van het  Dickenstheater uit Laren gaven een lezing over Dickens en de tijd van de pre-cinema, ofwel het tijdstip van de toverlantaren. Boeiend om te horen (en te zien) wat voor slimme, technische foefjes al werden gebruikt om bewegende beelden te vertonen. Ook interessant om over de geschiedenis van de toverlantaren te vernemen. Christiaan Huijgens was de eerste die een laterna magica van geslepen lenzen voorzag. Dickens blijkt ook voorstellingen met de toverlantaren te hebben gegeven. Jammer dat de tijdmachine nog niet bestaat, ik had daar graag eens bij willen zijn.
Ik ben gebleven voor het diner, zoals wij dat meestal ook deden als we samen gingen. Ik had, net als met het kerstdiner, voor vegetarisch moeten opteren, want er wordt bijna altijd biefstuk geserveerd en dat vind ik toch meer iets voor Neanderthalers. Dit keer werd het ding mij bijna fataal, want er bleef een stukje in mijn keel steken. Ik kreeg geen lucht meer, maar gelukkig kwam er een kokhalsreactie waardoor het er tijdig uitschoot. Het was even schrikken en natuurlijk zit je voor schandaal. Volgende keer vis, als die er is, of anders vegetarisch. Je kunt rustig vegetarisch eten als je geen vegetariër bent, want er wordt nooit naar het lidmaatschap gevraagd.
Van de weeromstuit heb ik meer water dan wijn gedronken. Daardoor ben ik in de trein terug niet in slaap gevallen, maar heb ik lekker zitten lezen in de biografie van Jane Austen door Claire Tomalin. Dat maakte veel goed.

In gedachten, altijd,
Kees

Dordrecht, 16 september 2018

Foto: auteur


zaterdag, augustus 11, 2018

Kees & Lou


                   Het Lou-pad

Op zeven augustus was het honderd jaar geleden dat Kees Buddingh' werd geboren, de dichter wiens voornaam met grote hardnekkigheid foutief wordt gespeld als Cees. Het moet je maar overkomen, dat mensen, die beweren belangstelling te hebben voor je leven en werk, nalaten om even na te gaan hoe je naam moet worden geschreven. Cornelis Buddingh', dat wordt Cor of Kees. Zijn ouders kozen voor de roepnaam Kees. Schrijf je het met een C, dan moet je Sees zeggen, zoals bij Sees Nooteboom. Buddingh' is er heel duidelijk over. Ik citeer:

Een heleboel mensen kunnen, vreemd genoeg, niet tegen initialen in een schrijversnaam. Dat je als C. Buddingh' publiceert nemen ze - bewust of onbewust - ergens niet: die 'C' moet en zal een naam worden - en zo prijk je, zonder dat je het zelf wilt - ja, terwijl je het zelfs helemaal niet wilt - op de meest uiteenlopende plaatsen als ' Cees', een voornaam die ik zelf wel als laatste zou uitkiezen. (In: En in een mum is het avond, blz. 231, 10-01-1973).

Bij de honderdste geboortedag van Buddingh', Dordtenaar bij uitstek en clubdichter van DFC, de voetbalclub die hij zijn leven lang trouw bleef, werd stilgestaan door de Dordtse bibliotheek, samen met het Buddingh'-genootschap. In de Blauwe Kamer van de bibliotheek werden we onthaald op Buddingh'-gebak, Ton Delemarre pleitte er zeer terecht voor een dubbelstandbeeld van Kees Buddingh' en Otto Dicke, die beiden veel meer voor de stad betekenden dan Willem van Oranje, die zonodig met een drollig hondje bij de Berckepoort moet worden neergepoot. Op die plek stond vroeger een pisbak. Misschien kunnen ze die Willem hol maken, zodat hij ook als urinoir is te gebruiken, maar dit terzijde. Wim Huijser vertelde over wat er nog aan Buddingh'-uitgaven is te verwachten, waarna hij ons meenam op een korte Buddingh'-wandeling naar Pictura. Daar had Kees een aantal jaren een werkkamer, naast het atelier van Otto Dicke. Op die werkkamer maakte ik voor het eerst kennis met hem, in februari 1969. In de bar van Pictura, waar vroeger Ton en Nelly van Dalen woonden, in de tijd dat Ton beheerder van het gebouw was, dronken wij op de nagedachtenis van Buddingh'.

Tijdens die borrel werd ik even bevangen door alle herinneringen die voor mij zijn verbonden aan Pictura, aan Kees Buddingh', aan Lou ten Bosch, die in januari op hoge leeftijd is overleden. Buddingh' was een voorbeeld als dichter, Lou ten Bosch, die ik voor het eerst pantomime zag spelen in Pictura toen ik een kleuter was, werd later mijn tekenleraar op de Pedagogische Akademie, met scheepslengten voor de beste tekendocent die ik heb gehad. Lou bleef, evenals Kees, een levenslange inspiratiebron, ook al schreef ik en tekende hij. Ruim een jaar voor zijn overlijden sprak ik hem het laatst, op landgoed 't Waliën in de Achterhoek, waar wij wandelden over het heerlijke Lou-pad dat hij daar had aangelegd en nog steeds onderhield. Kees Buddingh' moesten we veel eerder missen. Hij overleed in 1985, op 67-jarige leeftijd, aan de gevolgen van wat een routine-operatie had moeten zijn. Enkele dagen daarvoor had ik nog bij Kees en Stientje thuis een glaasje whisky gedronken. Binnenkort word ik zelf 67 en hoewel ik niet bang ben uitgevallen, geeft dat best een beetje een angstig gevoel.

Foto: auteur


dinsdag, juli 31, 2018

Wijn!


   Foto: auteur

De Dordtse Wijnstraat was vroeger, en is dat misschien nog steeds een beetje, een straat van enige literaire allure. Niet alleen omdat Jacques Perk er in zijn jeugd korte tijd woonde of omdat de 19e eeuwse classicus Petrus van Limburg Brouwer er werd geboren, wetenswaardigheden die we in het alleraardigste boekje Literatour. Literaire ontdekkingstocht door Dordrecht (verkrijgbaar bij de VVV en in de Dordtse boekhandels) kunnen lezen. Waar nu Pandora zit was in de negentiende eeuw de Dordtse Schouwburg gevestigd en in het pand met de aardige naam Vin de vent woonde naar ik meen Cornelis van Beveren, die daar een ketterse bijbel verborgen hield, iets waar je in de waanzinnige zestiende eeuw de brandstapel mee riskeerde. 


Na 1 april 1572, toen de Watergeuzen, die in hun wrede gedrag niet zo gek veel verschilden met de knapen van het tegenwoordige IS (denk maar aan de martelaren van Gorcum), den Briel innamen, koos Dordrecht al snel de kant van de opstandelingen tegen de Spaanse landvoogd, de 'ijzeren hertog' van Alva. Daarmee was het brandstapelrisico aanzienlijk verminderd, al kon je als katholiek, en dat was nog lange tijd een meerderheid van de bevolking, door zo'n Watergeus, nog wel de kop worden afgeslagen. Het was niet alleen de dreigende taal van Filips II van Spanje die koningin Elizabeth I van Engeland deden besluiten haar havens voor de Watergeuzen te sluiten, ze had waarschijnlijk ook gewoon tabak van het zootje ongeregeld.

De Wijnstraat is ook de straat waar zich het antiquariaat Oud-Dordrecht bevond. Aris v.d. Tol was daarvan de eigenaar, later werd dat Bertje Kooijman en de bekendste klant was Kees Buddingh', die niet te beroerd was om af en toe ook als boekverkoper op te treden. In mijn in september verschijnende boek Dijkbewaking (uitgeverij Liverse) staat daarover: 

Vrijdag was ik met Gerrit bij Oud-Dordrecht. Kees Buddingh' nam de honneurs waar, met naast hem een glaasje whisky. Een tijdje zitten praten. Kees maakte een wat vermoeide indruk.

We zagen hem daar vaker, maar een trefpunt voor schrijvers en andere intellectuelen, zoals de inmiddels gesloten boekwinkels Loxias en Rayas in Thessaloniki, is Oud-Dordrecht nooit geworden, daarvoor was het te overvol met boeken. 

   Foto: Beeldbank Regionaal Archief, Dordrecht

Niet ver van Oud-Dordrecht was tot voor enkele jaren geleden uitgeverij Liverse gevestigd, naast het pakhuis Bordeaux. De inmiddels befaamde poëziereeks die Liverse uitgeeft, de Bordeauxreeks, is naar dat pakhuis vernoemd. Liverse is uit de binnenstad verdwenen naar de Stadspolders. De baas van de uitgeverij is echter nog regelmatig te vinden in Visser. Een andere, zij het wat vagere, band met de schone letteren is het feit dat mijn overgrootvader tot 1946 een café uitbaatte op de hoek van Wijnstraat en de Nieuwbrug en natuurlijk kwam er nog weleens een schrijver voorlezen in Bibelot, toen dat nog in de Bonifatiuskerk zat. Ik herinner mij daar samen met Stella eens naar Renate Dorrestein te hebben geluisterd.

Tenslotte woont de romancier en vertaler Wil Boesten in de Wijnstraat, maar de sterkste associatie tussen de straat en de literatuur wordt gevormd door de naam. Wijn! De inspiratiebron voor mening verhaal of gedicht. Vraag dat maar aan Gerard Reve.


vrijdag, juni 22, 2018

Dijkbewaking





Bijna is het zover. Nog een paar correcties en dan lever ik het manuscript van mijn literair dagboek over 1980-1983 in bij de uitgever. Alweer deel zes in de reeks. De werktitel is Dijkbewaking. Ik vind dat ik die maar moet houden. Het is wel een mooie, literaire titel. Kort, duidelijk en toch zul je het boek moeten lezen om te snappen waar hij op slaat. Hieronder vast een voorproefje. Wees gerust, Dijkbewaking, het vervolg op Een zootje ongeregeld, is weer een vrolijk mengsel van ellende en avontuur. We gaan de jungle in en op het werk wordt het meer en meer kut. Van die dingen.

Vrijdag, 16 september 1983:
Neef Geoffreys oude kever gekocht. Tweeduizend gulden. De ene helft leen ik van mijn ouders, de andere helft van de bank. Binnenkort betaalt de fiscus mij terug en los ik de boel weer af. Het is een oude, maar degelijke auto, goed onderhouden en met relatief weinig kilometers op de teller. Brede banden, racevelgen, kuipstoeltjes voorin en zo'n rare streep. Als het geen kever was, zou je er een of andere patser in verwachten. Er zit een motor van een VW-bus in, dus ik zou ermee kunnen racen, maar ik ben meer iemand van kalmpjes negentig. Het is een LS1250, oorspronkelijk bedoeld om te worden geëxporteerd naar de VS. Voortaan hoef ik niet meer door de regen naar school.
Na drie dagen penicilline is de ontsteking nog niet weg, voel ik, maar de pijn wel. Dat wekt optimisme. 
Morgen om negen uur verzamelen bij Herbert. Ik moet geluidsman spelen. The Oldtime City Slickers staan op een braderie in Benthuizen. Kennelijk is hun optreden bij die vernissage in de smaak gevallen.

Zaterdag, 24 september 1983:
Gisteren met Han naar hotel Bellevue voor Kees Buddingh's vijfenzestigste verjaardag. Erg druk. Nauwelijks de kans om met Kees te praten. Wel een tijd met Stientje gesproken, hartelijk en belangstellend als altijd. Sprak ook Jan en Margriet Barèl (Margriet is een nichtje van Stientje en lijkt ook wel op haar, zelfde lieve ogen). De mooie vriendin van Wiebe B. bewonderd. Naast bekende Dordtenaren ook wat landelijk bekende figuren: André (Hitweek) van de Louw, Aad van den Heuvel, Simon Vinkenoog (die oogde als de Dood van Pierlala, maar toch ook veel jonger dan hij is). Opvallend dat Remco Campert ontbrak.
Halverwege de avond werd de nieuwe Fonteijne gepresenteerd, met een karikatuur van de jarige op het omslag. Tot mijn aangename verrassing is hoofdstuk drie van mijn Surinameboek ongewijzigd opgenomen onder de titel Bitawiri alesi. Het blad ziet er verzorgd uit, wat mij een beetje verzoent met de zelfingenomenheid die de redactie soms uitstraalt.
Ik krijg die duizend gulden voor de auto van mijn ouders. Wat aardig. Uiteraard kunnen ze een beroep op mij doen als ik hen eens ergens naartoe moet rijden. Als de belasting nu snel over de brug komt, zijn de financiën op de korte termijn weer gezond. Ik kan het ding even niet voor de deur parkeren. De gemeente heeft de straat opengebroken. De riolering wordt vernieuwd. Voorlopig staat hij om de hoek, langs het schoolplein. Gisteren heeft Geoffrey hem gebracht, nadat Jacques de verzekering in orde had gemaakt, met aantrekkelijke korting. Hij moet maar lang bij de verzekering blijven werken. Met pa een ritje gemaakt om met de auto vertrouwd te raken. Daarna met de Heeren 'gesudderd' bij Lenie Bakker.

Woensdag, 28 september 1983:
Gisteren met Piet v.d. Maagdenberg in Den Haag naar een lezing van professor Fasseur geweest. Georganiseerd door de VGN. Daarna diner met de hoogleraar en een aantal collega's. Een mevrouw vertelde over haar bezoek aan Japan en de professor vond daarop dat leraren toch maar een goed leventje hadden. Ik wees op de enorme kloof tussen het werk van een professor en een leraar die zijn vak tegen heug en meug en vechtend tegen de bierkaai van de zotten op het ministerie van onderwijs moet zien te slijten op een mavo.

Vrijdag, 30 september 1983:
Aan het eind van de ochtend discreet vertrokken uit een lerarenvergadering waarop ons wakkere opperhoofd weer eens beweerde dat zwart wit was. Het ging ook nog eens over een onderwerp (de huiswerkklas) waar ik niets mee te maken had. Dan weet ik mijn tijd wel beter te besteden.

Foto: auteur


zondag, maart 26, 2017

Epigonisme




Ei pellen met Nico Boote, luidde de titel. Nico Boote was een schepping van Jacques Noorman, die toen furore maakte als toneelschrijver. Jan van der Geer, die kort daarvoor was gedebuteerd in Avenue-Literair, had het omslag ontworpen. Het had een sterk psychedelisch karakter, meen ik mij te herinneren. Ik moet mijn archief hoognodig ordenen, dan kom ik Ei pellen met Nico Boote ongetwijfeld tegen. Het was de tijd dat we optraden met de Bobby Kinghe Poetry and Sound Show. Tijdens die show vertoonden we vloeistofdia's. Dat moest in die tijd, net als de Engelse titel, ook al traden we op in het Nederlands.

C. Buddingh' was ons grote voorbeeld. Gerrit de Wolf, die we meestal Lupius noemden, zag hem vaak bij thuiswedstrijden van DFC. We vonden hem de grootste dichter van West-Europa. Daarna kwam Remco Campert, bij wie in onze ogen 'alles zoop en naaide.' Buddingh' was twee jaar jonger dan mijn vader, maar tussen hun opvattingen over poëzie zat minstens een eeuw. Mijn vader vond dat Buddingh' niet kon dichten en Campert een schandaal, maar hij las diens Tjeempie of Liesje in Luiletterland wel in één ruk uit.

We stopten, zonder dat we dat eigenlijk door hadden, wat Campert en veel Buddingh' in Ei pellen met Nico Boote. Toen Jan klaar was met typen, nog een opgave omdat Lupius een ongelofelijk priegelig handschrift had, stuurden we het manuscript naar Meulenhoff, waar toen nog Theo Sontrop zat, een bekende van Buddingh'. Zonder hem daarin te kennen, gebruikten we diens naam als aanbeveling. Dat deed je als je zeventien was en vloeistofdia's vertoonde.

Het duurde lang voordat we antwoord kregen. Zolang dat we al gestopt waren met de Bobby Kinghe Poetry and Sound Show, nadat tijdens een optreden in Gorcum het vierkoppige publiek tijdens de voorstelling was vertrokken. Uiteindelijk retourneerde Sontrop ons manuscript. 'Wel met enig talent geschreven, maar een zeker epigonisme is u niet vreemd.' We zochten op wat epigonisme betekende en vertelden het verhaal niet lang daarna aan Buddingh', die ons aanraadde 'onnoemelijk veel poëzie te lezen en daarin je eigen weg te zoeken.' Ik ben beiden nog altijd dank verschuldigd.


woensdag, december 07, 2016

Vooruitgang




Gisteravond moest ik aan de in 1985 gestorven dichter C. Buddingh' denken, wiens roepnaam, Kees, door de onwetenden en onnozelen der aarde steevast als Cees wordt gespeld, want die C, hè. Dat je die voor een E als een K uitspreekt en ook schrijft, want Cornelis dient afgekort als Kees of Cor, wil er bij menig medemens maar niet in, zelfs niet bij de familie van de dichter, die, hoewel deze zich vaak tegen die C heeft uitgesproken, doodleuk Cees op zijn grafsteen liet zetten. Toch is zijn jongste zoon een begaafd en door mij zeer bewonderd vertaler.

Het ligt ook een beetje aan Buddingh' zelf, die in zijn jonge jaren Cees wel tolereerde op het omslag van enkele van zijn uitgaven. Een jeugdzonde die hem zijn leven lang werd nagedragen, zoals ik zo dom was mijn naam ooit één keer in 1967, op zestienjarige leeftijd, in een blaadje te schrijven als Cees A. Klok, waarna het afschrikwekkende Cees ook mij begon te achtervolgen. Ik heb inmiddels negentien boeken gepubliceerd met Kees Klok op het omslag en nog schrijft de Dordtse journalist Hans Berrevoets af en toe Cees, maar die is dan ook voorzitter van de Raad van Kerken. Daar straffen ze tot in het zevende geslacht. Goed dus dat ik geen kinderen heb.

Ik was gisteravond in het FC Dordrecht-stadion. Tot zijn dood was Kees Buddingh' daar regelmatig te vinden. Ik stel mij voor dat hij ook bij de legendarische bekerwedstrijd was, op 17 januari 1982, van DS'79, zoals FC Dordrecht toen even heette, tegen Ajax, waar Hakim Braham Johan Cruijff aftroefde en Dordt aan de overwinning hielp. Buddingh' voetbalde ooit in het eerste van DFC, de moederclub van FC Dordrecht, evenals mijn goede vriend Gerrit de Wolf. Met Buddingh' en Gerrit heb ik een tijdje in hetzelfde schaakteam gespeeld, wat ik al vaker heb opgeschreven. Ze zijn beiden te jong overleden, maar enig verband tussen deze feiten is nooit aangetoond. Wel was het ook toen tobben met FC Dordrecht, waar ieder seizoen in de eredivisie wordt afgewisseld door twintig seizoenen in de eerste. Toch komen we graag in het stadion, altijd op de noordtribune, het meest vervallen, maar ook gezelligste deel van die unieke optrek aan de Krommedijk. Het is geen toeval dat zich daar een aantal Buddingh'-liefhebbers, met oog voor het humoristische detail, verzamelt. Ook nu werd ons weer een curieuze wedstrijd voorgeschoteld, met veel klunzig gestuntel en een enkel geniaal hoogtepunt. Het werd 2-2, want ook de tegenstander, FC Den Bosch, was regelmatig de weg kwijt op het kunstgras. Kunstgras, dat lag er nog niet in Buddingh's tijd, maar zelfs FC Dordrecht kan niet altijd om de vooruitgang heen.


woensdag, juni 03, 2015

Verstrooid






                                   voor C. Buddingh'

Wat er al niet over je werd gezegd
voor ik je uiteindelijk leerde kennen.

De juf op school zei dat je een man was
zo verstrooid dat je je eigen verjaardag vergat.

Iemand anders beweerde dat je de
stadionspreker was van D.F.C.,

weer een ander dat je voor de oorlog
in het Nederlands elftal had gespeeld.

Er werd gezegd dat je slepende stem
een gevolg van jaren sanatorium was

en niet lang voor wij kennismaakten
wond mijn vader zich op

over iets met deksels en elastiekjes
dat hij ongerijmd onpoëtisch vond.

Maar toen ik je tenslotte de hand drukte in
die met flessen, papieren en boeken bezaaide kamer,

zat daar een aardige, vooral gewone man
die hield van een glaasje en een sigaartje,

van zijn pijp, van voetbal, vriendschap, poëzie.
Niets om je over op te winden dus.


Kees Klok
Dordrecht, 1 juni 2015

Foto: janien.files.wordpress.com




donderdag, mei 21, 2015

Hij is er!!!




Verschillende keren heb ik op mijn weglog de vraag gesteld wanneer de langverwachte biografie van C. (Kees) Buddingh' zou verschijnen. Gisteren is die vraag beantwoord tijdens de presentatie van DICHTER BIJ DORDT biografie van C. Buddingh'. Ik ben er blij mee, al gebied de eerlijkheid mij te zeggen dat ik het boek, dat inclusief noten, register en bibliografie 415 pagina's beslaat, nog moet lezen. Biograaf Wim Huijser, die de taak het leven van Buddingh' te beschrijven overnam van Ares Koopman, heeft voorafgaand aan de biografie reeds een aantal deelstudies gepubliceerd, waaronder Het Engeland van C. Buddingh', dat ik onlangs met groot genoegen las, maar dit boek, daar gaat het uiteindelijk om.

Ik ben zeer benieuwd naar de Buddingh' zoals Wim Huijser hem schetst en in hoeverre dat beeld overeen zal komen met de Buddingh' die ik mij herinner. Ik leerde Kees in 1969 kennen en hoewel hij van de generatie van mijn ouders was, slechts twee jaar jonger dan mijn vader, was het van het begin af aan Kees en Kees. Ik vraag mij weleens af of ik zonder het voorbeeld van Kees Buddingh' ooit aan mijn dagboek zou zijn begonnen, zoals ik mij ook afvraag of ik het dagboekschrijven zonder het voorbeeld van Paul Léautaud en vooral Hans Warren al vijftig jaar zou volhouden. Kees Buddingh', Remco Campert en Jan Eijkelboom waren mijn inspirators van het eerste uur, toen ik als jonge hond het spoor van de poëzie ging volgen.

De presentatie vond plaats in de stampvolle raadzaal van het Dordtse stadhuis, een plek ereburger C. Buddingh' waardig. Er waren toespraken van ondermeer burgemeester Brok (voorzitter van de Dordtse Academie) literatuurwetenschapper Piet Calis, uitgever Vic v.d. Reijt en Wim Huijser zelf. De eerste exemplaren werden uitgereikt aan wethouder van cultuur, Piet Sleeking, en de zoons van Buddingh', Sacha en Wiebe. De laatste sprak namens de familie een dankwoord. De avond werd opgeluisterd door de zanggroep Dichterbij, met muziek op gedichten van Buddingh'. Na de laatste noot volgde een geanimeerde nazit. Ik sprak er verschillende stadgenoten met wie ik in 1983 aanwezig was op de 65e verjaardag van Buddingh', die werd gevierd in hotel Bellevue. In het boek staat een foto van die gedenkwaardige gebeurtenis. Ik sta er maar niet bij stil hoe onze koppen intussen zijn verouderd. Wat wil je? Kees Buddingh' zelf zou dit jaar 97 zijn geworden.

Foto's presentatie: auteur








maandag, februari 16, 2015

Dordrecht: genetisch bepaalde domheid




Voor mij ligt een exemplaar uit 1983 van het Dordtse literaire tijdschrift de Fonteijne. Als je noodgedwongen aan het opruimen moet, kom je weleens iets aardigs tegen. Op de voorkant staat dichter en vertaler C. Buddingh', met pijp en glaasje whisky getekend door Otto Dicke. Buddingh' werd dat najaar 65 jaar, een feit dat we groots vierden in hotel Bellevue. Aan die verjaardag wordt aandacht besteed door redacteur Frank van Dijl, die Buddingh's werk 'encyclopedisch' noemt. De voornaam van de dichter schrijft hij met een K en niet met een door Buddingh' zo verfoeide C. Waarom de familie Buddingh' twee jaar later, na zijn onverwachte overlijden, Cees op zijn grafsteen liet beitelen in plaats van Kees, is een klein raadsel dat misschien wordt opgelost in de biografie die Wim Huijser over hem schrijft en die in mei aanstaande uitkomt.

Aan het nummer werkte ook J. Bernlef mee, met een beschouwing over het voordeel van aardappelschillen tijdens het schrijven van gedichten. Dit naar aanleiding van Buddingh's gedicht Ars poetica. De rest van de bijdragen, op een gedicht na, gaat niet over Buddingh'. Ab Visser, in 1982 overleden, publiceerde postuum een verhaal: Ik was eens bij Pius XII. Van Job Degenaar, toen nog niet zo heel lang weg uit Dubbeldam, werden negen gedichten opgenomen. Dirkje Kuik werkte mee met een door haarzelf geïllustreerde herinnering: Het tuintje van meneer den Daas. Naast de poëzie van Job treffen we gedichten van Kees Joosse, Willem Woelwater, J.H. van Geemert, Aad Eerland, Hillie Timmerman, Gerard Berends en een Duitstalig gedicht van Frank-Wolf Matthies, in een vertaling van Ton Naaijkens. Het waren de dagen dat poëzie nog niet zo diep in het letterkundige verdomhoekje zat. Zelf droeg ik een fragment bij uit het boek dat ik over Suriname zou schrijven, maar dat in goede bedoelingen is blijven steken. Het heet Bitawiri alesi.

Het was wel een interessant nummer, deze Fonteijne nummer tien. Veel meer zijn er hierna niet gevolgd. Het blad dreef op een uiterst bescheiden subsidie van de gemeente. Zo'n tweeduizend gulden, nog geen duizend euro, per jaar, meen ik. Heel aardige en goedkope publiciteit voor Dordrecht, net als toen we nog een stadsdichter hadden. De Fonteijne begon net landelijke aandacht en waardering te krijgen, toen de subsidie werd ingetrokken. Zo gaat het altijd in Dordrecht. Zodra een initiatief een succes dreigt te worden, neem het Belcantofestival, het Big Rivers Festival, het Korenfestival of het stadsdichterschap, klopt de gemeente zich eerst flink op de borst (kijk ons het eens geweldig doen!), waarna het mes er ingaat en de kip met de gouden eieren geheel of gedeeltelijk wordt geslacht. Waar die kortzichtigheid vandaan komt, weet ik niet, maar het komt in de Dordtse geschiedenis zo regelmatig voor dat het een wetmatigheid lijkt. Een soort domheid die welhaast in onze Dordtse genen lijkt te zitten.

©Kees Klok



woensdag, januari 21, 2015

Droefgeestig staren over de rivier





Rommelend in mijn archief kwam ik een aantal dagboeknotities uit 1983 tegen. Een kleine selectie:


Zondag, 10 april 1983.
K.L. Poll mag dan van mening zijn dat mijn gedichten te veel op verknipt proza lijken, ik luister liever naar Teddybeer die zegt: 'Nou en, wat is dan in godsnaam het verschil tussen poëzie en proza?'

Het optreden gisteren ging goed. Eerst kwam de band Pardon van Peter Baldé. Goede muziek. Erg mooie zangeres ook. Ik had weinig vertrouwen in het publiek, dat naar mijn idee niet op mijn gedichten zat te wachten, maar binnen een paar minuten had ik ze plat. Alles liep daarna op rolletjes. Misschien moet ik komiek worden.

Maandag, 11 april.
Gisteravond, na het zien van het VARA-programma De verbeelding, verklaarde Peerke: 'Hierna heb ik recht op een uurtje droefgeestig staren over de rivier.' Met Broertje en Peerke verkast naar Leni Bakker. Dokter Henk kwam langs en bracht wat vrolijkheid, zodat het alcoholisch nog bijna mis dreigde te lopen.

Vrijdag, 15 april.
Kreeg het verhaal terug van De Fonteijne, met een nietszeggend briefje. Ben een beetje beledigd. Voorlopig gaat daar geen werk van mij meer heen.

Woensdag, 20 april.
Maandag waren Lupius en Lily hier voor de film Lasterpraat. We willen Lily voor de hoofdrol. Meedogenloos realistische opnamen, dat spreekt. Lily heeft haar twijfels en gaat eerst het boek lezen. Misschien hapt ze daarna toe.

Maandag, 2 mei.
Geklaverjast in De Vrijheid. Dokter Henk, tijdens een korte noodstop voor een glaasje bier, over het (alternatieve) kleinschaligheidsfestival: 'Al die gezondheid. Ik voelde me een misdadiger toen ik een sjekkie opstak.'

Zondag, 15 mei.
Broertje gisteren, terwijl we een patatje nuttigden bij Promenade: 'Ik leef eigenlijk alleen nog maar om de Derde Wereldoorlog mee te maken.'

Zaterdag, 11 juni.
In het Hof de verjaardag van Wim de Vries gevierd. Zag Wiebe Buddingh' met een mooie, donkere vriendin. Huib Eijkelenboom: 'De Buddingh's hebben smaak wat vrouwen betreft.' Ik: 'Ik ook, maar net iets minder succes.' Huib: 'Maar jij hebt dan ook geen kommaatje achter je naam.'

Woensdag, 15 juni.
Las bij het opbergen van oude papieren twee brieven van Laura Jonker en Khadisa Benchikhi uit 1977. Toen was ik net van school veranderd en zij zaten in de 5e klas bij Wim van Driel Vis ('meester Drilvis'). Als ik die brieven overlees, raak ik weer een beetje ontroerd. Er zit nog weleens een gedicht in, denk ik.



Foto: auteur