Posts tonen met het label boekbesprekingen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label boekbesprekingen. Alle posts tonen

dinsdag, december 12, 2017

Brieven aan de toekomst



In 1998 organiseerden het Nederlands Centrum voor Volkscultuur, het Meerstens Instituut en het Nederlands Openluchtmuseum een interessant project. Aan de inwoners van Nederland werd gevraagd een brief te schrijven over hoe zij de 15e mei hadden doorgebracht. Daardoor ontstond een beeld van het dagelijks leven los van de koppen in de krant en de waan van de dag.

Meer dan 50.000 mensen schreven een brief. Al die brieven vormen een collectie met een groeiende, historische waarde. Een jaar na het project verscheen een boek met een kleine selectie uit de brieven. Het werd op een zonnige meidag gepresenteerd in het Openluchtmuseum. Stella en ik waren erbij want mijn brief was voor het boek gekozen. Op 15 mei 1998 hadden we een groep Griekse middelbare scholieren te gast in Dordrecht, in het kader van de uitwisseling tussen scholengemeenschap Dordtwyck en de Experimentele School van de Universiteit van Thessaloniki.

In mei 2018 is het twintig jaar geleden dat de brieven werden geschreven. Een mooie aanleiding om het boek te herlezen. Dordtwyck bestaat niet meer. Niemand verbaast zich meer over het veelvuldige gebruik van de mobiele telefoon. Facebook en Twitter waren nog niet uitgevonden. De leerlingen van toen zijn inmiddels ouders van nu. Stella is overleden en ik ben al ruim zeven jaar uit het onderwijs. In een aantal brieven wordt 's morgens voor het opstaan aan seks gedaan. Het komt mij voor dat daar weinig verandering in is gekomen.

Ik weet niet of ik het boek vijftig jaar na dato weer zal kunnen herlezen, maar al na bijna twintig jaar is het fascinerend om te zien hoe wij zijn voortgeraasd door de tijd. Vreemd eigenlijk dat zo'n project niet iedere tien jaar wordt herhaald.


donderdag, juli 31, 2014

Maan




Hij heeft zich de helling boven zijn huis opgesleept naar het terras van restaurant Γευ Ζειν. Daar, in de schaduw en met een briesje uit de bergen, wordt de dag weer wat dragelijk. Het is snikheet, gisteren in het stamcafé is het laat geworden en zijn ventilator is kapot. Hij gaat minstens drie keer per dag onder de douche. Het heeft in het voorjaar bovenmatig geregend. De waterbekkens zijn voorlopig nog niet leeg. Vanmorgen, toen de zon nog niet op zijn balkon stond, heeft hij troost gezocht bij Maan Leo. Of liever, bij haar boek Ik ben maan. Dat kreeg in 2012 de Zeeuwse Boekenprijs, wat enig stof deed opwaaien. Er werd gefluisterd dat de prijs vooral te danken was aan de borstomvang van de schrijfster.

Maan doet het voorkomen dat haar boek autobiografisch is. Ze beschrijft zichzelf als een jonge vrouw met een vollemaansgezicht en, inderdaad, grote tieten. Dat is te verifiëren. Hij zocht haar op het internet en zag het. Op Youtube is ze een meisje met een ondeugende blik en een prettige stem, vindt hij. Of haar boek werkelijk zo autobiografisch is? Hij denkt aan het gebruikelijke kat en muisspel tussen werkelijkheid en fictie. Niet voor niets schrijft J. Rentes de Carvalho in Tussenjaar: '....uit artistiek oogpunt heeft eerlijkheid, die van jezelf of van een ander, geen enkel noemenswaardig belang.' Hij zal zelf wel uitmaken of die prijs voortkomt uit borstomvang of kwaliteit. Daarom is Maan vandaag mee naar Γευ Ζειν.

Een paar jaar geleden voer hij met zijn geliefde van Parga, aan de Griekse westkust, naar het eilandje Paxos. Het woei hard, het bootje deinde hevig. Zijn geliefde werd zeeziek, hij bleef stoer aan het bier. Als je Maan ziet, zie je dat alles aan haar weelderig is. Barok, schrijft ze zelf. Hij is halverwege de roman. Wat hij tot nu toe las doet hem denken aan die stormachtige overtocht. Haar proza veroorzaakt hevige deining, maar net als de golven over het scheepje dreigen te slaan (ze houdt van sm en vraagt zich bij de tandarts af of de man wellicht degene is die haar heerlijk martelde in een werfkelder in, of all places, Vlissingen) wordt het eten gebracht. Hij legt Ik ben Maan terzijde. Hij weet nog niet of het zeeziekte wordt, of dat hij stoer zijn bier blijft drinken.

©Kees Klok



zondag, juli 13, 2014

De 'reddende' revolutie




Op 24 juli aanstaande is het veertig jaar geleden dat het Griekse kolonelsbewind ten val kwam en in Griekenland de 'democratie' werd hersteld. Ik zet dat woord bewust tussen haakjes, want hoewel de situatie in het land na de val van de junta niet te vergelijken is met die ervoor, kunnen bij de kwaliteit van de democratie nog wel wat vraagtekens worden gezet. Al is het alleen al omdat de macht in handen kwam van een corrupte politieke elite, die nog steeds aan de touwtjes trekt. De vraag is hoe lang nog. De crisis die het land economisch heeft doen ineenstorten heeft geleid tot een voortgaande radicalisering onder de kiezers, zowel aan de linkerzijde als rechts van het politieke midden. Een ander vlekje op de Griekse democratie is het ingewikkelde kiesstelsel met de merkwaardige bepaling dat de partij met de meeste stemmen automatisch vijftig zetels erbij krijgt, zodat een club die nog geen veertig procent van de stemmen haalt met absolute meerderheid kan regeren. Een truc die regeringspartij Nea Dimokratia bij de jongste verkiezingen overigens geen absolute meerderheid opleverde, zodat een coalitie moest worden gevormd met twee andere partijen, waarvan er een al spoedig uit de trein sprong, zodat het land nu wordt bestuurd door de twee partijen (ND en Pasok) die om beurten na 1974 de macht hadden en gelijkelijk verantwoordelijk zijn voor de droevige situatie waarin Griekenland nu verkeert. Die coalitie steunt op twee zetels meerderheid in de Vouli, het Griekse parlement. Een ander vraagteken dat kan worden gezet is de wijze waarop met de media, de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting wordt omgesprongen en tenslotte is er dan ook nog de twijfelachtige invloed van de oppermachtige staatskerk.

Het is niet toevallig dat Uitgeverij Liverse op 24 juli in Grand-café Brinkmann op de Grote Markt in Haarlem een boek presenteert dat het Griekse kolonelsbewind tot onderwerp heeft. Het is De 'reddende' revolutie van historica Djamila Zon, die de jammerlijk mislukte pogingen beschrijft van de junta om de Grieken op te voeden tot een nieuw, superieur soort mens. Het boek dat steunt op uniek, in Griekenland opgespoord, bronnenmateriaal geeft een onthutsend beeld van het kolonelsbewind en de propaganda die het hanteerde om zijn ideologie van de nieuwe mens, analoog aan wat Adolf Hitler in Duitsland voor ogen had, praktijk te laten worden. Dat het een club van intellectueel weinig begaafde, minne mannetjes was wisten we eigenlijk al, maar het is goed om dat nog eens op basis van grondig onderzoek bevestigd te zien. Het boek is niet alleen interessant als, vlot leesbare, dus ook voor een breder publiek zeer toegankelijke, historische studie. Het is ook griezelig actueel. Recente opiniepeilingen wijzen uit dat onder steeds meer Grieken de gedachte wortel schiet dat het allemaal onder de junta nog zo slecht niet was en dat een nieuwe dictatuur het land uit de crisis zou kunnen trekken.

De mens is kort van memorie en leert zelden iets uit de geschiedenis. In een land als Griekenland, dat nog lang niet toe lijkt aan een volwassen omgang met de eigen geschiedenis, zoals dat in Duitsland inmiddels wel het geval is, is de memorie zo mogelijk nog korter. Ook is het Griekse geschiedenisonderwijs doordrongen van nationalistische mythevorming met veel heldenverering en aanklevende bombarie. De 'reddende' revolutie is uitstekend tegengif tegen de groeiende populariteit van extreem rechts, waaraan we het te danken hebben dat er inmiddels enkele onvervalste Griekse nazi's in het Europese parlement zitting hebben genomen. Of het snel in het Grieks zal worden vertaald, betwijfel ik echter, want de economische crisis heeft ook geleid tot een crisis in de Griekse uitgeverswereld.

Belangstellenden zijn van harte welkom bij de presentatie van De 'reddende' revolutie, om 15.00u op de Haarlemse Grote Markt. Stuur s.v.p. even een berichtje dat u komt aan de uitgever info(at)liverse.nl. Wie verhinderd is, maar het boek, dat met korting tijdens de presentatie wordt aangeboden, toch wil hebben, kan het vanaf nu bestellen bij Uitgeverij Liverse of de betere boekhandel.



Djamila Zon, De 'reddende' revolutie. ISBN 978 94 91034 26 8, euro 17.50.







maandag, mei 27, 2013

Lakenhandelaar


Halverwege de jaren '80 bezocht in een living history evenement in Kentwell Hall, bij het dorp Long Melford in het Engelse graafschap Suffolk. Daar werd het leven uit het jaar 1556 nagespeeld. Het landhuis was geheel teruggebracht in Tudor-stijl, er was zelfs geen stopcontact of lichtschakelaar meer te zien. Je hebt in Engeland een groot aantal verenigingen die zich toeleggen op het naspelen van bepaalde historische perioden, gebeurtenissen of veldslagen. Soms een week of langer, dag en nacht, zonder aanzien des persoons. In Kentwell Hall gebruikte men Tudor-munten, kregen de kinderen van de lord of the manor, de landheer, les van een privé-onderwijzer, hadden de meisjes een gouvernante en ploeterde, zuchtte en danste het werkvolk. In de keukens werd volop gekookt, er buiten kneedden een paar meisjes in een grote, houten trog het deeg voor vele broden, die werkelijk werden gebakken en gegeten. Er werd bier gebrouwen, getimmerd aan de omheiningen en gewied in de moestuinen. Een kwakzalver prees zijn zalven aan en ik werd aangeklampt door een beeldschoon meisje. Ze was blootsvoets en droeg geen hoofdbedekking, teken dat ze het oudste beroep ter wereld uitoefende. Misschien had ik met haar mee moeten gaan naar een kamer boven de herberg en wie weet hadden we dan wel op zestiende eeuwse wijze de betaalde liefde bedreven.

Alles maakte een vredige indruk, zelfs de bewapende poortwachters. Dat kwam misschien wel omdat het een mooie, zonnige dag was. In 1556. Tijdens de regering van Mary Tudor, nicht van keizer Karel V, getrouwd met diens zoon Filips II (ónze Filips II) en even fanatiek rooms als haar echtgenoot. Vastbesloten om de kerkhervormingen van haar vader, Hendrik VIII, te niet te doen en Engeland terug te brengen onder het gezag van Rome, hield ze er een religieus terreurbewind op na van moord, doodslag, martelingen, onthoofdingen en ketterverbrandingen, waaraan ze de bijnaam Bloody Mary te danken heeft. Een waar voorbeeld voor de taliban, totdat met haar dood in 1558 de rooms-katholieken weer de vervolgde partij werden. Daar merkten we weinig van in Kentwell Hall. Het vee werd gehoed, de koeien werden gemolken en het mooie hoertje werd begeerd. De landheer vroeg mij wie ik was en wat mij naar Kentwell bracht. Geheel naar waarheid antwoordde ik dat ik een lakenhandelaar uit de Lage Landen was, met een mooie partij in de aanbieding. We dronken een pul bier, maar lieten de kerk in het midden. Op het galgenveld bungelde de lokale vogelverschrikker in een strop. Een man in een schandblok beeldde de Van-Rossums-Troost-reclame uit de jaren '50 uit, maar ik kon hem geen pijp aanbieden. Tabak was al wel bekend, dankzij de ontdekkingsreizen, maar werd toen nog vooral gezien als genees- in plaats van genotmiddel.

Ik moest aan die dag in Long Malden denken toen ik de laatste bladzijde uit had van Wolf Hall, de magistrale roman van Hilary Mantel over Thomas Cromwell ten tijde van Mary Tudors vader. Zeshonderdvijftig pagina's lang leefde ik in het Engeland van de Tudors, wandelde ik door de kamers van Cromwells huis in Austin Friars, leefde ik geschokt mee toen hij in korte tijd zijn vrouw en twee dochters verloor, maakte ik de restauratiewerkzaamheden in de Tower mee en gruwde ik bij het verbranden van ketters en de wrede executies wegens hoogverraad. Zonder een ogenblik vulgair te worden laat Mantel je genieten van de hitsigheid van Mary Boleyn en de woedeaanvallen van haar zus Anna, voor wie Hendrik VIII scheidde van Catharina van Aragon, de moeder van Mary. Steeds en overal staat Cromwell in de coulissen of treedt hij op de voorgrond. Steeds hoger rijzend in het bestuur, ondanks zijn zeer bescheiden afkomst. Aan het einde van het boek rijst zijn ster nog steeds. In het vervolg, Bring the bodies up, gaan weer veel koppen rollen, maar op dat verhaal moet ik node wachten. Het is besteld, maar ik had die twee delen natuurlijk tegelijk moeten kopen, dan was ik nu weer terug in Tudor-Engeland. Het was weer eens valse zuinigheid van een op penningen beluste lakenhandelaar uit de Lage Landen.

©Kees Klok


zondag, februari 03, 2013

Een boek dat moet


Er waait een snijdende wind als ik de tuin inloop. Voor vanavond wordt regen voorspeld, of natte sneeuw. De winter, nauwelijks een week geleden door de dooi verdreven, lijkt weer terug te komen. Tja, begin februari, dat kun je verwachten. Daarom heb ik alweer de volgende reis naar Griekenland geboekt. Daar kan het in de winter ook koud zijn, maar doorgaans begint de lente er vroeger dan in Nederland. Ik ga snel naar binnen, waar ik het tweede verslag lees in De Volkskrant van Arnon Grunberg zijn kerstbezoek aan Thessaloniki. Op zijn eerste stuk heb ik gereageerd, maar nu wacht ik eerst deel drie af. Hij laat dit keer een Griek aan het woord die beweert dat Thessaloniki geen parken heeft. Grunberg laat dat onweersproken. Vreemd. Juist al het groen maakt Thessaloniki zo aangenaam. Al jaren ga ik er vaak op zondag een ouzaki halen bij Xarchakos in het park van Chanth, schuin tegenover de Witte Toren. Overal kom je plantsoenen tegen en in veel straten, ook in het centrum, groeien bomen. Voor mij zijn het de tegenhangers van al die lelijke nieuwbouw uit de tweede helft van de vorige eeuw.

Ik leg de krant terzijde en lees de laatste bladzijden van 'Een dagboek in de Griekse crisis' van Roos Mavrikou-Zevenhuizen. Ik ben een liefhebber van ego-literatuur. Brieven, memoires en dagboeken kunnen rekenen op mijn warme belangstelling. Soms valt het tegen, zoals de dagboeken van Arnold Bennett, soms is het wonderlijk meeslepend, zoals het Journal Littéraire van Paul Léautaud. Wat mij in het dagboek van Roos, dat ik bijna in één adem heb uitgelezen, treft is de indringende wijze waarop zij je met het dagelijks leven van een doorsnee Grieks gezin in de crisis confronteert. Het leven op een klein, afgelegen eiland als Skyros is niet dat in Athene of Thessaloniki, maar veel van de alledaagse problemen zijn hetzelfde. Almaar dalende inkomens, stijgende rekeningen en de ene onrechtvaardige, nieuwe belasting na de andere. Of de winter te moeten doorkomen zonder geld om het huis voldoende te verwarmen. Roos kijkt verder dan de stranden van Skyros en is uitstekend op de hoogte van wat er in de rest van Griekenland speelt. Dat maakt haar dagboek representatief. Wie werkelijk wil weten en wil meebeleven wat het betekent om in deze tijd met een jong gezin in Griekenland te leven, moet het boek beslist lezen. Het is ook in een prettig leesbare stijl geschreven, een stijl die de lezeressen van het tijdschrift Flair van de columns van Roos zullen kennen.

De crisis loopt als een rode draad door het boek. Die is de aanleiding om het te publiceren, maar Roos heeft ook oog voor andere zaken. Er staan grappige passages in, zoals die over een bejaarde, Griekse toerist die dacht dat hij op Santorini was in plaats van op Skyros. Er staan ontroerende verhalen in, bijvoorbeeld over een stervend zwerfkatje dat op een bitterkoude winteravond kwam aanlopen, of over het extra leed dat het razendsnel begraven van een overledene kan veroorzaken, omdat het soms onmogelijk is het eiland tijdig te bereiken. Ik weet uit eigen ervaring hoe pijnlijk het is om geen afscheid te kunnen nemen van een geliefde dode. De beschrijving van de doop van haar petekind en van haar jongste dochtertje sterkte mij in mijn opvatting dat het Grieks-orthodoxe doopritueel een vorm van kindermishandeling is. Het boek vermeldt niet of de kerk ook iets doet voor de armen op het eiland, die bijvoorbeeld geen geld hebben voor de elektriciteitsrekening, waaraan de charatz is gekoppeld, de nietsontziende extra onroerend-goedbelasting. Ik zal dat bij mijn volgende bezoek aan Skyros eens navragen.

©Kees Klok


Roos Mavrikou-Zevenhuizen – Een dagboek in de Griekse crisis. Te bestellen bij  



zondag, november 20, 2011

Geen van ons keek om


In brugklas 1D in het schooljaar 1997-1998 zat een lief Afghaans meisje dat niet alleen opviel door haar sprekende ogen, maar ook door haar uitstekende Nederlands, hoewel ze nog maar relatief kort in Nederland was. Ooit vertrouwde ze mij toe dat ze geneeskunde wilde gaan studeren. Ze doorliep probleemloos het VWO en verdween daarna, zoals zoveel leerlingen, uit beeld. Afgelopen woensdag kwam ik haar onverwacht weer tegen. Ik zat in mijn stamcafé te wachten op mijn uitgever, met wie ik daar graag met enige regelmaat een borrel drink, en bladerde wat in AD-De Dordtenaar. Daarbij stuitte ik op een interview met Tahmina Akefi, over haar recente debuut als schrijfster. Het was zonder twijfel mijn oud-leerlinge, ik herkende haar meteen. Diezelfde ogen, diezelfde innemende glimlach. Geneeskunde was het niet geworden, maar ze bleek de journalistiek te zijn ingegaan en publiceerde nu haar eerste boek: Geen van ons keek om. Nieuwsgierig geworden rende ik onmiddellijk de deur uit om in een nabije boekhandel naar die titel te vragen. 'U bent de achtste al vandaag, staat er iets over in de krant?' vroeg de verkoopster. 'Ja,' antwoordde ik, 'er staat een leuk interview in de krant.'


Thuis stuurde ik haar via Facebook een felicitatie, maar het boek kwam op de stapel 'nog te lezen.' Ik was net begonnen in de nieuwe Dickensbiografie van Claire Tomalin, van wie ik in december in Haarlem een lezing hoop bij te wonen. Daarna komt Geen van ons keek om aan de beurt, dacht ik. Het liep anders. Ik begon na het avondeten toch in het boek te bladeren, las het inleidende hoofdstuk en werd niet meer losgelaten. Het is het verhaal van Tiba, geboren en getogen in Kaboel, en haar familie, die verstrikt raken in de gruwelijke machtsstrijd in Afghanistan na de val van het door de Russen gesteunde regiem van president Nazibulla. Door die strijd, met alle gevaren en gevolgen van dien, wordt zij niet alleen gescheiden van haar hartsvriendin Setara, maar raakt de familie dermate in het nauw dat er uiteindelijk niets anders op zit dan de levensreddende vlucht naar een ver buitenland. Het is een bij tijden uiterst beklemmend verhaal, vooral wanneer de sluipende en uiteindelijk openlijke invloed van de jihadi's wordt beschreven en de bloedige verloedering van de Afghaanse samenleving door de strijd tussen allerlei krijgsheren, etnische groepen en criminele bendes.


Op het omslag heeft de uitgever een uitspraak van Kader Abdolah laten zetten: 'Een mooie en tedere Afghaanse vertelling van de vrouwelijke Khaled Hosseini.' Ongetwijfeld vanwege het publicitair effect, maar er klopt niet veel van. Mooi is de vertelling zeker, van tederheid is in sommige passages ook sprake, maar evenzeer worden we geconfronteerd met huiveringwekkende wreedheid. De vergelijking met Hosseini gaat niet echt op. Tahmina Akefi's roman is nog veel indringender en confronterender dan De vliegeraar. Soms voel je bij het lezen welhaast zelf de doodsangst en ellende die de personages meemaken. Anderzijds is zij in staat scènes van een bijzondere schoonheid op te roepen, die dan vaak, zoals de nacht dat Tiba op het dak zou slapen van Setaras huis, samen met diens oma, door een hevig natuurgeweld worden verstoord. Menselijk geweld en natuurgeweld als een soort Scylla and Charybdis, waartussen Tiba en haar familie dreigen te worden verpletterd.


Een heel bijzondere rol, en dat doet mij als dichter in een a-poëtisch land als Nederland goed, is de rol van poëzie, van gedichten in het verhaal. Poëzie als troost, als bron van kracht, als bron van hoop en wijsheid. Helaas heeft ook poëzie niet de kracht om de samenleving te redden van geweld, burgeroorlog en moord- en doodslag uit religieus fanatisme. Het individu kan zij echter veel sterkte verschaffen.


'Gebaseerd op ware gebeurtenissen,' staat er eveneens op het omslag. Dat wil het publiek graag horen, maar waar gebeurd of niet, van werkelijk belang is hoe het verhaal wordt verteld. Tahmina Akefi is een geboren vertelster, die ons op meeslepende wijze, met grote dramatische spanning, een verhaal voorschotelt met alle elementen van een menselijke tragedie. Een diep aangrijpend verhaal dat ons leert hoe groot en hoe klein de mens kan zijn in zijn handelen. Dat is misschien wel de grootste kracht van deze schitterende roman.




Tahmina Akefi – Geen van ons keek om. De Geus. ISBN 9789044518221.

zondag, juli 31, 2011

De omslag


Er rezen bij mij enkele vragen, toen ik het boekje De omslag las van Daniëlle van Bennekom, dat gaat over de verwerking van een overval. Waarom gaat iemand die het slachtoffer is van een overval op het internet op zoek naar hulp, nadat de bemoeienis van Slachtofferhulp Nederland niet tot bevredigende resultaten heeft geleid? Waarom niet naar lokale instanties die als te goedertrouw bekend staan? Waarom on-line een psychiater zoeken als een eenvoudig bezoek aan de huisarts tot een adequate verwijzing kan leiden? Natuurlijk, ik begrijp ook wel dat het internet snel en gemakkelijk informatie kan geven, maar dat lijkt me juist in het geval van een kwetsbaar slachtoffer van een traumatische ervaring tamelijk riskant. Je weet in eerste instantie nooit zeker met wie je te doen hebt en dan via het net een afspraak maken met een onbekende meneer, die je alleen maar vertrouwt omdat zijn organisatie zegt de weduwe Heijn als beschermvrouwe te hebben, dat is nogal wat. In dit geval bleek het een gelukkige keus, maar voor hetzelfde geld val je in handen van een of andere oplichtersclub of erger. Iedereen kan wel roepen dat die en die je beschermvrouwe is en daarbij een bekende foto plaatsen. Het lijkt er in ieder geval op dat de schrijfster in de periode na de overval toch minder bang was uitgevallen dan ze zelf meende.


In de vorm van een interview worden de verwikkelingen na de overval beschreven, waarin de betrokkene zich in eerste instantie als angstig slachtoffer nogal in de kou gelaten voelt door politie en hulpverleners. Dat verandert als ze op zoek gaat naar hulp om die angsten te boven te komen. Zo komt ze, via het internet dus, terecht bij een stichting voor slachtoffers en daders, met de voor de hand liggende naam Stichting Slachtoffers & Daders. Na enkele gesprekken met een hulpverlener heeft de confrontatie, via deze organisatie, met een ex-dader (hoewel niet de ex-dader van deze overval, onduidelijk blijft of die ooit is opgepakt en veroordeeld, hoewel hij bij de politie bekend is) voor de schrijfster een dermate positieve invloed, dat daarmee de omslag teweeg wordt gebracht, de omslag van angstig slachtoffer naar iemand die weer op twee zelfverzekerder benen door het leven kan. Een positieve afsluiting daardoor van een beroerde periode, wat ook blijkt uit haar kalme reactie op een inbraak in haar woning, op de kop af drie jaar na de overval.


De wijze waarop Daniëlle van Bennekom haar ervaringen beschrijft is duidelijk en recht door zee. Het boekje kan daardoor voor andere slachtoffers van een overval een interessante leidraad zijn, al verwerkt iedereen zo'n traumatische gebeurtenis uiteraard op eigen wijze. Wie er meer over wil weten kan terecht bij info@slachtoffersendaders.nl.


Daniëlle van Bennekom – De omslag. Uitg. Free Musketeers. ISBN 978-90-484-1949-4, euro 13.95

zaterdag, juni 04, 2011

Een klassiek drama



Na zijn overrompelende debuut Spiltijd, waarmee hij een open zenuw van de contemporaine Europese geschiedenis raakte, heeft Wil Boesten nu zijn tweede roman, Tot de regen komt, gepubliceerd. Een boek dat ik even gefascineerd las als zijn eersteling, al heeft het een heel andere thematiek. Het verhaal speelt zich af in Noord-Italië, tijdens een haast apocalyptische periode van droogte en zinderende hitte. De hoofdpersoon, de halfwees Emidio, ontvlucht met twee vrienden hun oververhitte provinciestad, waarschijnlijk Spoleto, naar een dorp in de bergen. Een besluit waarin je de echo van Boccaccio's Decamerone hoort. Zij zijn te gast bij een wederzijdse vriend die een oud palazzo bewoont. Een zonderlinge man met bijzondere opvattingen over de restauratie van het paleis, die het bewust onder primitieve, middeleeuwse omstandigheden bewoont. Eén persoon ontbreekt in het gezelschap: Neva, de oogverblindende vrouw van de uitgetreden priester Lentini. Voor Emidio ontrolt zich naarmate het verblijf duurt het mysterie waarom zij op het laatste ogenblik niet meereisde.


In een decor van toenemende dreiging en ondergang ontwikkelt zich, tussen de op elkaar teruggeworpen mannen, een drama van klassiek Griekse omvang. Als in een vulkaan bouwen de spanningen zich op tot het tot een onthutsende uitbarsting komt. De levensverhalen van Emidio, Lentini en Mondo verwikkelen zich tot een explosief mengsel, waarna zich voor de protagonist de catharsis voltrekt. Het is een boek vol verrassingen, dramatiek en menselijke zwakheden waarin je van het begin af aan wordt meegesleept. Zo'n boek dat je persé uit moet lezen als je erin bent begonnen en waarvoor je alles waar je op dat ogenblik mee bezig bent terzijde legt. Een psychologisch drama dat zich ook uitstekend zou lenen voor een verfilming. De wijze waarop Wil Boesten stilistisch de levensverhalen met elkaar verweeft, aangenaam wisselend tussen heden en verleden de lijnen met elkaar verbindt, getuigt van technisch meesterschap. Opnieuw raakt hij een open zenuw, een die wij vrijwel allemaal hebben: die van het menselijk tekort.


Het is een roman waar je letterlijk warm van wordt. Een boek dat je wijst op de consequenties van het menselijk falen, op de verwoestende gevolgen van arrogantie, ijdelheid en cynisme, zeker waar het gaat om het lot van het jaarlijkse muziekfestival waar de vrienden nauw bij betrokken waren. Een vrolijk boek is het daardoor niet, maar wel een waarvan, zoals het bij een klassiek Grieks drama behoort, een louterende werking uitgaat.


Wil Boesten – Tot de regen komt. Uitgeverij Augustus. ISBN 978 90 4570457 9,

zondag, mei 29, 2011

Rebel & dame



Vandaag Rebel & dame, de biografie van Top Naeff door Gé Vaartjes uitgelezen. Top Naeff, van wie ik weinig méér wist dan dat ze een Dordtse schrijfster was die door onze leraren werd doodgezwegen en naar wie in Dordrecht geen straat of plein is vernoemd. In nogal wat steden, waaronder Amsterdam en het nabije Gorinchem, vind je een Top Naeffstraat, maar hier kon er voor deze ereburgeres zelfs niet zo'n miserabel achterafpleintje af als waarmee Kees Buddingh' werd afgescheept. Dat is merkwaardig, want uit de biografie blijkt, zoals Vaartjes in zijn nawoord schrijft, 'dat Naeff in haar eigen tijd een andere plaats in het literaire spectrum had dan wij nu menen te weten.' In plaats van een wat deftige mevrouw die dikke, maar weinig belangwekkende damesromans schreef, wat tot nu toe mijn associatie met Top Naeff was, was zij een gerespecteerd en gewaardeerd romanschrijfster (ook in de ogen van Ter Braak, volgens Vaartjes, al vermelden de handboeken dat niet) een formidabel toneelcritica en een getalenteerd schrijfster van korte verhalen. Ze bewoog zich tot haar vijfenzeventigste verjaardag ook vol energie in het literaire leven, zowel in Nederland als in Vlaanderen. In haar latere jaren was zij de grand old lady van de Nederlandse letteren. Wij bezien haar tegenwoordig meestal alleen nog maar als de schijfster van School-Idyllen. Dat en 'de hardnekkige, ongenuanceerde associatie met 'dikke' damesromans,' aldus Vaartjes, 'heeft ertoe geleid dat Top Naeff in literair-historisch opzicht doorgaans badinerend behandeld wordt.'


Rebel & dame is een, in mijn ogen geslaagde, poging de beeldvorming over Top Naeff te nuanceren en te corrigeren. Vaartjes doet dat in een boeiende levensbeschrijving, die tegelijkertijd een interessant tijdsbeeld oplevert. Daarmee heeft hij ook bereikt dat ik mij binnenkort naar de Dordtse bibliotheek zal spoeden om het werk van Naeff te gaan lezen, want ik wil hem graag geloven, maar net als Top Naeff vorm ik het liefst mijn eigen mening. Makkelijk moet Vaartjes taak als biograaf niet zijn geweest, want zij heeft nogal wat van haar correspondentie vernietigd of laten vernietigen. Zo ging ondermeer de briefwisseling met de acteur Willem Royaards, voor wie zij heimelijk hartstochtelijke gevoelens koesterde, verloren. Zoiets te lezen stemt de historicus en liefhebber van ego-literatuur in mij droef. Mocht ik ooit van iemand het verzoek krijgen om na zijn of haar dood brieven, dagboeken of memoires te verbranden, dan zal ik dat zeker niet doen, al begrijp ik bijvoorbeeld wel de zorg van schrijvers over hun reputatie, als je ziet dat sommige biografen in misplaatste ijver menen iedere snipper uit de prullenbak van hun onderwerp te moeten publiceren.


Ik heb Rebel & dame onvermijdelijk gelezen met de ogen van een Dordtse schrijver. Dat Dordtse schrijverschap hebben Top Naeff en ik in ieder geval gemeen. Haar achtergrond is echter heel anders dan de mijne. Die van haar de zeer gegoede burgerij, die van mij de middenstand, hoewel ik een schout van 's-Gravendeel onder mijn voorvaderen van moeders kant kan rekenen. Toch zijn er allerlei draden die ons verbinden. Lange tijd woonde ik in de Cornelis de Wittstraat, pal om de hoek, in de Johan de Wittstraat staat het huis waar Top Naeff vele jaren woonde. Nu zetelt mijn notaris er. Bij zijn voorganger ondertekenden wij in november 1971 de stichtingsakte van Bobby Kinghe. Haar naaste familielid, huisarts Vriesendorp was een bekende van mijn ouders (en de huisarts van een van mijn beste vrienden), mijn vaders halfzus was een goede vriendin van Anna Blaman, die weliswaar niet stevig bevriend was met Top, maar haar wel kende en door haar werd gewaardeerd. Dit is natuurlijk allemaal heel erg vergezocht, maar we staan elkaar nader dan ik ooit had kunnen bedenken, al was het alleen al doordat zij kennis had aan en waardering voor de jonge Kees Buddingh' en ik in zijn laatste jaren bevriend was met de oude. Letterlijk één handdruk van elkaar verwijderd. Dat elkaar nabij staan geldt echter ook voor haar haat-liefde verhouding met het provinciale Dordrecht, waaruit zij met grote regelmaat even wegvluchtte naar Amsterdam, zoals ik dat doe naar Thessaloniki. In haar latere jaren werd zij milder voor Dordrecht en begon de liefde de haat te overvleugelen, kreeg zij meer oog 'voor de atmosfeer en schoonheid van haar geboortestad,' zoals Vaartjes schrijft. En dat ervaar ik precies zo. Na een tijdje in Griekenland begint Dordrecht te trekken en als ik op een mooie dag door de stad loop voel ik mij prettig thuis, al maken alle herinneringen die er liggen mij vaak weemoedig.


Ik was nog geen twee, toen Top Naeff in 1953 overleed. Voor mij was ze een gevelsteen op de Nieuwehaven, waar haar geboortehuis staat. School-Idyllen las ik nooit, dat was immers een meisjesboek. In het handboek dat wij op de middelbare school gebruikten, de tweedelige 'Lodewick,' worden ruim twee pagina's aan haar gewijd, grotendeels gevuld met een verrassend fris citaat, nu ik het eindelijk lees, uit Letje. Onze docenten besteedden geen aandacht aan Top Naeff. Dat is achteraf bezien vreemd, want als we Vaartjes mogen geloven, zou haar rebelse geest wel enigszins hebben gepast bij de jaren zestig, hoewel de dame in haar die tijd misschien zou hebben verworpen. Ik ga Top Naeff maar eens ontdekken, met dank aan Gé Vaartjes, en wie weet komt ook die straat er eerstdaags wel.

dinsdag, november 30, 2010

Bergman: een nurks die zelden verveelt


Wat maakt dat ik een roman of dichtbundel de moeite van het lezen waard vind? Emotie, identificatie en stijl, denk ik en zo iets ondefinieerbaars als mijn eigen smaak. Een goed boek of gedicht moet een emotie teweeg brengen, bijvoorbeeld een gevoel van ontroering, zoals bij het einde van Vogelvlucht, de memoires van Inez van Dullemen. Of ik moet mij tranen in de ogen lachen, zoals bij Changing Places van David Lodge. Of een beklemmende spanning voelen na het lezen van het gedicht Settlements van John Burnside. Identificatie, zeker, ik moet mij kunnen vereenzelvigen met een karakter of in het geval van ego-literatuur met de schrijver. Kruipen in de huid van, even iemand anders denken te zijn, herkenning, dat speelt allemaal een rol. En tenslotte stijl. Een goede stijl is een absolute voorwaarde om van een boek of gedicht te genieten, al kan ik ook niet precies aangeven wat dat dan is. Daar komt ook smaak bij om de hoek kijken. Het al eerder genoemde Vogelvlucht is geschreven in een prachtige stijl, vind ik. Kon ik het maar zo, dacht ik regelmatig terwijl ik het las. De stijl van Harry Mulisch vind ik niet te pruimen, voor een nieuw boek van Gerard Reve (het zal nooit meer gebeuren, tenzij Joop Schafthuizen ooit in een oude schoenendoos een levenslang verborgen gehouden manuscript ontdekt) kan men mij ten allen tijde uit bed bellen. Van Rosita Steenbeek heb ik, met alle respect, nooit een boek kunnen uitlezen, maar ik zit hunkerend te wachten op de volgende roman van Nicole Montagne, na haar prachtige Souvernir. Gelukkig komt de tweede van Wil Boesten er binnenkort ook aan.


Ik ben een beetje bezeten van ego-literatuur. Dagboeken, brieven en memoires behoren tot het liefste dat ik lees. Dat heeft ongetwijfeld te maken met het feit dat ik zelf een fervent dagboek- en brievenschrijver ben. Paul Léautaud werd al vroeg een van mijn literaire helden. Jarenlang heb ik vol ongeduld gewacht op het volgende Geheim Dagboek van Hans Warren. Tussenjaar van J. Rentes de Carvalho heeft een ereplaats in mijn boekenkast en hoewel het niet van W.F. Hermans mag, lees ik graag in de dagboeken van C. Buddingh'. The Mitfords, de fascinerende briefwisseling tussen de zes zusjes Mitford, waarover ik al eens op dit weblog schreef, is een andere favoriet, evenals Brieven van Willem Walraven. Dat niet alle ego-literatuur mij mag bekoren heeft, behalve met de inhoud, veel met stijl te maken. De dagboeken van Arnold Bennett heb ik teleurgesteld terzijde gelegd en, ik zeg het maar eerlijk, ook die van Virgina Woolf. Soms speelt de uitvoering van een boek ook enigszins een rol. Ik eet liever van een bord dan van een krant, om een wat banale vergelijking te bezigen. Zo is er bij een Amerikaanse uitgever een Engelstalige selectie uit het dagboek van Yorgos Seferis verschenen die qua typografie zo ongelofelijk lelijk is dat je een doorzetter moet zijn wil het gerecht toch nog smaken. Alle lof voor de Arbeiderspers met zijn Privé Domein, waarin ooit De tijd te lijf van Bergman (pseudoniem voor Aart Kok) verscheen. Mooi uitgevoerde, goed verzorgde boeken. Jammer alleen dat er slechts een selectie is gepubliceerd uit de dagboeken van Paul Léautaud in plaats van zijn integrale Journal Littérair. Idem dito wat betreft de gebroeders De Goncourt. Ik prijs mij gelukkig dat ik op de middelbare school behoorlijk Frans heb geleerd.


Van Bergman is onlangs zijn Nagelaten Werk verschenen, bestaande uit het dagboekachtige Bevond van Zaken (een vervolg op De tijd te lijf) en de verhalenbundel Vreemdgaan. Het boek werd bezorgd door Wim Huijser, van wie ik hoop dat hij nu eindelijk de tijd zal vinden om zich aan de biografie van Kees Buddingh' te zetten, waarvoor hij al jaren materiaal aan het verzamelen is, maar dit terzijde. Op verzoek van de uitgever deed ik de eindredactie. Ik ben daarom bevooroordeeld, maar dat ik diverse malen door de tekst ben gegaan, waarbij ik mij zelden verveelde of dacht 'nu is het wel genoeg,' zegt wel iets. Allereerst iets over de verzorgde stijl van Bergman, die zijn boek tot een genot maakt om te lezen. Toegegeven, soms zijn zijn beweringen nogal apodictisch en ik weet niet of ik hem wel als mijn onderwijzer zou willen hebben. Ik ben zelf het tegendeel van de punctuele schoolmeester die zijn werkkamer, als we Wim Huijser in de inleiding mogen geloven, tot in de puntjes heeft verzorgd. Dat doet niet af aan het feit dat ik bij het werken aan het boek menigmaal heb gesmuld. Het allereerste begin al:


Er wonen in dit land te veel mensen die te veel van elkaar weten en te dicht op elkaar huizen in te goed bereikbare gebiedjes. Een degelijke middeleeuwse pestepidemie zou zuiverend kunnen werken, alleen, epidemieën werken zonder onderscheidingsvermogen en gaan gepaard met godsdienstwaanzin en politieke heksenjacht, wat in Nederland op hetzelfde neerkomt.


Het is cynisch, het is sarcastisch, het is zuur en ik vind het heerlijk om te lezen. De passage zet wat mij betreft de toon van het boek, al is Bergman ook regelmatig beschouwelijk, vooral als hij over taalfenomenen schrijft. Er komt soms boosheid voor in Bevond van Zaken. Dat is weleens de boosheid van de burgerman, maar door de superieure wijze waarop Bergman die verwoordt wil je er toch meer van lezen, ook al ben je het er niet altijd mee eens. 'Kom, kom,' dacht ik weleens, en soms haalde ik mijn schouders op, maar dat doe ik ook bij de aan waanzin grenzende, zij het prachtig geschreven passages waarin Gerard Reve, al dan niet ironisch, uitweidt over zijn religieuze opvattingen. Een andere keer verwoordt Bergman trefzeker wat ik ook geschreven zou kunnen hebben:


De vooruitgang kent geen genade. Voorwaarts Zimbabweroept president Robert Mugabe en hij balt daarbij de vuist. Zulke beelden wekken mijn angst. Sociale rampen gebeuren in en uit naam van het volk: opvoedingskampen, uitroeiing van banditisme, volksverhuizingen, heilige oorlogen, kuddevorming en genocide. Wie zich het frequentst op het volk beroept, is de grootste despoot.


Ik heb Bergman nooit persoonlijk ontmoet. Wil ik mij een beeld vormen van zijn persoonlijkheid, dan moet ik afgaan op wat ik hoor van anderen, die hem wel hebben gekend. Hij komt op mij over als een schoolmeester van de beter wetende soort, iemand die vooraan staat om het eigen gelijk met opgezette borst te verdedigen. Dat maakt niet altijd een prettige indruk, maar als dat eigen gelijk parellel loopt met het mijne, zie ik hem als een bondgenoot. Dat geldt bijvoorbeeld als hij het heeft over godsdienst. Zo schrijft hij:


De herdenking van de bevrijding volgens EO-programmamaker Ad de Boer: 'Voor ons is het heel nadrukkelijk de bevrijding door Gods hand uit een verschrikkelijke nachtmerrie. De grote daden van God moeten worden herdacht.'

Vraag: Waarom heeft Gods hand het dan zover laten komen?


of:


Het communisme, de islam, het pausdom en streng calvinistische denominaties, autoritaire godsdiensten die door hun onderling geharrewar over het hoofd zien dat zij veel gemeen hebben. De chaos begint bij pornografie, homorelaties, naaktstranden, voorbehoedmiddelen en levenslust. Geslachtsdelen dienen aan het oog onttrokken door rolluiken degelijk textiel. Een eenvoudig dienstboek regelt het beheer over de erogene zones. Veel mag niet en het weinige dat wel mag, mag eigenlijk ook niet.


Het zijn dat soort uitspraken die mij trekken in Bergman. Vaak ironische, cynische tot sarcastische beweringen, die mij treffen door stijl of verwantschap met mijn eigen opvattingen. Waar we bij het lezen van zijn Nagelaten Werk overigens wel rekening mee moeten houden, is dat hij schrijft over de wereld in het op een na laatste decennium van de vorige eeuw. Dat tekent sommige van zijn uitspraken, hoewel veel ook nu nog als actueel kan gelden:


In 1975 hebben militairen in Yunnan meer dan duizend moslims gedood die in opstand waren gekomen omdat zij werden gedwongen varkens te fokken en te consumeren. De goden blijven dorsten.


Misschien word ik, als tegenbeeld van de punctuele schoolmeester in die geordende werkkamer, met alle boeken op de millimeter in het gelid, ook wel gefascineerd door wat ik absoluut niet zou willen zijn, een vorm van contra-identificatie, maar wat Bergman wel op een treffende wijze verwoordt. Kortom, ik heb me bij het Nagelaten Werk vrijwel geen ogenblik verveeld, ook niet toen ik het boek na publicatie eindelijk als boek las en niet meer als zoveelste drukproef.


Bergman – Nagelaten Werk is een uitgave van Uitgeverij Liverse: http://www.liverse.nl


maandag, november 15, 2010

Een jongen uit de Klaverstraat

Een van de mooiste boeken in de categorie memoires vind ik de pas verschenen heruitgave van de jeugdherinneringen van de Belgische politicus Achiel van Acker (1898-1975). In Herinneringen-Kinderjaren, beschrijft hij hoe hij opgroeide in het vroeg twintigste-eeuwse Brugge. Kind uit een gezin van twaalf dat moest zien rond te komen van de schamele verdiensten van zijn vader, een mandenmaker. Hij verhaalt op een eenvoudige, maar indringende wijze van de diepe armoede waartegen het leven in de 'straatjes' van Brugge zich afspeelde. Een bestaan dat in veel Nederlandse steden in die tijd niet veel anders moet zijn geweest. Het is een verhaal waaruit echter warmte blijkt en dat nergens rancuneus wordt. Hilarische belevenissen wisselen af met diep trieste episodes. Er was veel leed, maar er werd ook volop gefeest als daar reden toe was. De heilige communie, de kermis, de streken van sfeerbepalende figuren in de buurt, zoals het Schaap.


Het was een moeilijke jeugd, maar geen ongelukkige. Wel stuiten we voortdurend op schrijnende sociale verschillen, zoals die tussen de dragers van klompen en schoenen, of tussen wie door de kerk werd gekleed en wie niet. De kerk speelt nog een centrale rol in het leven, maar er is eveneens sprake van heel veel bijgeloof en kwakzalverij. Huiduitslag die werd bestreden met een smeersel van paardenvijgen, om maar iets te noemen. Soms zijn er homerische ruzies in de Klaverstraat, maar tegenover de buitenwereld is men solidair.


Het is een wereld die Van Acker zich met een zekere weemoed herinnert, maar ook met een scherp oog voor de gebreken. Hij zal tijdens zijn politieke carrière na de Tweede Wereldoorlog (waarin hij het viermaal tot minister-president bracht en ook tot voorzitter van het parlement), niet voor niets uitgroeien tot een van de grondleggers van het Belgische sociale stelsel. Een formidabele prestatie voor wat we nu een kansarme jongere zouden noemen, die slechts tot zijn elfde naar school mocht. Tijdens die schooltijd moest hij bovendien ook al regelmatig zijn vader helpen bij het werk.


In 1964 publiceerde hij zijn jeugdherinneringen voor het eerst. Een boek dat jammer genoeg in weinig Nederlandse bibliotheken te vinden zal zijn. Ik hoop dat deze uitgave, naar de moderne spelling omgezet en van voetnoten voorzien door John Heuzel, zijn weg ook in Nederland zal vinden. Het is een boek dat niet alleen van belang is voor (sociaal)historici. Het werpt een liefdevolle, maar kritische blik op een leven dat ook dat van veel van onze groot- en overgrootouders moet zijn geweest. Het kan worden gezien als een vermaning om behoedzaam om te gaan met onze sociale verworvenheden, die zowel in België als in Nederland zwaar onder druk staan. En bovenal: het is een verhaal dat diep ontroert en alleen daarom al niet ongelezen zou moeten blijven.



Achiel van Acker – Herinneringen-Kinderjaren. Opgroeien in het volkse Vlaanderen van 1900. Bezorgd door John Heuzel en Koen De Brabander. Uitgave: Tempus – The History Press. ISBN 978 1 84588 643 1.


Zie ook: http://www.uitgeverijtempus.be




zaterdag, april 17, 2010

Roman over de gebroeders De Witt


Een buitenlandse schrijfster die een lijvige historische roman publiceert over twee van de grootste figuren uit de Nederlandse geschiedenis. Dat is niet direct een dagelijkse gebeurtenis, niet in Nederland, maar ook niet in Griekenland, waar het boek deze maand verschijnt. Op de presentatie zal ondermeer het woord worden gevoerd door minister van defensie Evangelos Venizelos. Het gaat om de roman ΟΙ ΚΗΡΕΣ ΤΩΝ ΛΕΟΝΤΩΝ (vrij vertaald: De schikgodinnen van de leeuwen). Hij is geschreven door Konstantina Ritsou, inderdaad familie (een nichtje) van de Nobelprijswinnaar. Je zou verwachten dat er in Nederland, waar het genre historische roman bepaald niet impopulair is, veel belangstelling voor het boek zou bestaan, maar er is nog geen uitgever voor een vertaling gevonden. Dat is jammer. Het is een levendige, vlot geschreven roman, Ritsou verstaat haar metier, waarvan je mag verwachten dat menige Nederlandse lezer hem met plezier zou lezen. Daarvoor moet die lezer dan wel de kans krijgen, maar goed boek of niet, het gaat om 554 pagina's, vertalen is duur en in de Nederlandse uitgeverswereld is het aantal mensen dat modern Grieks kent uiterst gering. Een financieel risico lopen alleen omdat Kees Klok iets aanbeveelt, zonder zelf te kunnen oordelen, dat doet men, begrijpelijk, liever niet. Gelukkig komt er binnenkort ook een Engelse vertaling op de markt en wellicht leidt die er toe dat een Nederlandse uitgever zich aan de roman waagt. Mooi overigens van uitgeverij Parousia dat zij een dergelijke uitgave op de markt brengt, want wie is er in Griekenland in 's hemelsnaam in Hollandse geschiedenis geïnteresseerd? Misschien wel meer lezers dan we denken. Het zou jammer zijn als we tot de slotsom moeten komen dat die belangstelling in Griekenland groter is dan in Nederland zelf. Ik geloof daar niets van. Ik hoop daarom dat de Nederlandse letteren binnenkort met een vertaling van Ritsou's roman worden verrijkt.