donderdag, juli 14, 2011

Ruzie om 'Macedonië'


In 1995 sloten Griekenland en zijn buurland, de Former Yugoslav Republic of Macedonia (FYROM), een Interimakkoord, waarbij een hoogoplopende ruzie tussen de twee staten voorlopig werd beslecht. Die ruzie ging over de vraag of de FYROM zich wel of niet Republiek Macedonië mocht noemen. Athene vond van niet, Skopje vond van wel. De commotie over de naam Macedonië was vooral voer voor nationalisten, die aan beide kanten van de grens met veel tamtam en getetter het heilige vuur van de vaderlandsliefde aanwakkerden. Het kleine, onbetekenende FYROM, dat zich in september 1991 onafhankelijk verklaarde van Joegoslavië, speelde op slimme wijze de underdog, wat veel internationaal begrip opleverde. De weinig diplomatieke wijze waarop Athene opereerde, deed Griekenland al snel in de beklaagdenbank belanden als bully van een klein en zwak derdewereldland. Vooral de agressieve retoriek van Andreas Papandreou, tijdens zijn tweede en laatste periode als premier (1993-1996), genereerde veel sympathie voor de FYROM. Toch was het onder Papandreou dat het akkoord er kwam. Het was niet de enige keer dat zijn woorden en daden een opmerkelijke discrepantie vertoonden.


De Europese media en de Europese politici blonken, op een enkele uitzondering na, uit door een pijnlijk gebrek aan kennis van de historische achtergronden van het conflict. Historici uit beide landen droegen bij aan de verwarring, door veelal nationalistische mythologieën te propageren, in plaats van met een zo objectief mogelijk, op feiten gebaseerd verhaal op de proppen te komen.


Op grond van het Interimakkoord liet Griekenland zijn verzet tegen erkenning van 'Skopje' door de EU en toelating van het land tot de VN varen. Voorlopig zou in internationale fora de naam FYROM moeten worden gebruikt. In de Europese media wordt al jarenlang meestal over Macedonië gesproken als men de FYROM bedoelt. De vraag onder welke officiële naam het land uiteindelijk door het leven zal gaan, sleept zich echter tot op heden voort. Voor een beschouwer van buiten de arena is het inmiddels zonneklaar dat een compromis in de trant van een combinatienaam (Noord-Macedonië, Vardar-Macedonië of Nieuw-Macedonië) een logische oplossing is. Skopje haalt daarmee de naam Macedonië binnen, voor Griekenland is van belang dat er geen verwarring met Grieks-Macedonië meer is. Vooral de regering in Skopje wil er nog niet aan. Hoe sterker de nationalistische sentimenten en het daaruit voortvloeiende wantrouwen jegens de buren, des te minder beweging in de standpunten. Vooruitlopend op het onvermijdelijke zal ik de FYROM in de rest van dit artikel aanduiden als Noord-Macedonië.


De vraag is waarom Noord-Macedonië persé Republiek Macedonië wilde heten en waarom de Grieken daar zo tegen waren. Het antwoord is te vinden in de turbulente historie van het gebied, dat nog tot 1912 onder Osmaans bestuur stond en een bonte mengeling van bevolkingsgroepen kende. Een gebied waarop zowel Griekenland, Servië als Bulgarije rond 1900 aanspraak maakten. Om die aanspraken te rechtvaardigen werden etnische verwantschap en vooral de geschiedenis in stelling gebracht. Voor een goed begrip van het conflict is het noodzakelijk ver terug te gaan in het verleden.


De precieze aard van de Macedoniërs in de oudheid is enigszins omstreden. Zelf zagen zij zich als Grieken, hoewel ze niet altijd door de rest van de oude Grieken als zodanig werden geaccepteerd. Voor een deel kwam dat door een superioriteitsgevoel jegens de boerse bergbewoners uit het noorden. In de vierde eeuw voor Christus kwam daar de anti-Macedonische propaganda bij, vooral vanuit Athene, die werd gevoed door de angst voor de groeiende macht van de Macedonische koningen. Inmiddels zijn er zoveel historische bronnen voorhanden dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden aangenomen dat de oude Macedoniërs Dorische Grieken waren, die in de noordelijke periferie zijn blijven hangen en niet verder naar het zuiden zijn getrokken, zoals de eveneens Dorische Spartanen. Het grondgebied van het Macedonië in de oudheid was overigens kleiner dan wat we er tegenwoordig onder verstaan. Het was beperkt tot min of meer het huidige Griekse deel, zonder het schiereiland van Halkidíki. Het huidige geografische Macedonië kreeg vorm na de komst van de Romeinen.


Van enige etnische verwantschap van de bewoners van Noord-Macedonië met de Macedoniërs uit de oudheid is geen enkele sprake. De meerderheid wordt gevormd door Slaven, die linguïstisch verwant zijn aan de Bulgaren. De Albanezen zijn de grootste minderheid. Daarnaast treft men er kleine minderheden van zigeuners (Roma), Turken en Vlachen. Op de Albanezen na, van wie wordt aangenomen dat zij afstammen van de oude Illyriërs, hebben deze volken zich vanaf de zevende eeuw van lieverlee in het gebied gevestigd.


Na de Eerste en Tweede Balkanoorlog (respectievelijk 1912 en 1913) werd Macedonië bij het Verdrag van Boekarest verdeeld. Griekenland verkreeg ongeveer 50%, Servië 40% (het huidige Noord-Macedonië) en Bulgarije, de verliezer van de Tweede Balkanoorlog, 10%. De Grieken in de Servische en Bulgaarse delen zijn na de Eerste Wereldoorlog onder druk van de omstandigheden vrijwel volledig naar Griekenland vertrokken. Dat geldt eveneens voor de Bulgaren, die werden uitgewisseld met Grieken. De Slaven in Grieks-Macedonië emigreerden vooral tussen de wereldoorlogen en tijdens de Griekse burgeroorlog naar Servië (vanaf 1918 Joegoslavië), Canada of Australië. In Grieks-Macedonië resteert van hen nog slechts een kleine minderheid. Na de Grieks-Turkse oorlog (1919-1923) werd een aanzienlijk deel van de 1,2 miljoen Grieken die Turkije moesten verlaten geherhuisvest in Grieks-Macedonië.


Waarom wordt zelfs de oudheid er in de ruzie om de naam van Noord-Macedonië bijgehaald? Omdat de geschiedenis een grote rol speelt bij de vorming van de nationale identiteit van Grieken en Noord-Macedoniërs. In beide landen is een sterk nationalistische geschiedschrijving dominant. Een geschiedschrijving die in dienst staat van de natievorming en waarbij verheerlijking van eigen land en volk, en vooral van de eigen helden, cruciaal is. De natie komt als glorieuze overwinnaar uit de strijd tegen haar vijanden. Dat zijn zonder uitzondering buurvolken, vreemde overheersers en/of etnische minderheden die de eenheid en het karakter van de natie zouden bedreigen. Soms leidt dat tot opvattingen die nogal afwijken van de werkelijkheid.


Zo is een extreme opvatting in de historiografie van Noord-Macedonië dat de Slaven, of althans een deel ervan, zouden afstammen of zich zouden hebben vermengd met de oorspronkelijke Macedoniërs, waarvan het Griekse karakter wordt ontkend. Volgens deze zotte bewering, waarvoor tot op heden geen enkel bewijs is geleverd, is Alexander de Grote dus geen Griekse held, maar een voorvader van de Slaven in Noord-Macedonië, die tot vroeg in de 20e eeuw in vrijwel alle historische bronnen overigens nog als Bulgaren werden aangeduid. Om die reden draagt het vliegveld van Skopje tegenwoordig zijn naam. Het is vooral deze extreme opvatting, die overigens lang niet door alle historici uit Noord-Macedonië wordt gedeeld, die de Grieken de stuipen op het lijf jaagt.


Volgens de nationalistische Griekse historiografie is de Griekse staat in rechte lijn een voortzetting van het Griekenland uit de oudheid. Deze continuïteitstheorie is midden 19e eeuw geboekstaafd door Konstantinos Papparigopoulos, die een ononderbroken band zag vanaf de oude Grieken, via het rijk van Alexander de Grote, Byzantium en het hooghouden van de Griekse vlam door de orthodoxe kerk, tijdens het Osmaanse bestuur, tot en met de Griekse staat die in 1821 werd geboren. Deze uit wat wonderlijke bochten bestaande theorie is nog steeds de basis van het geschiedenisonderwijs op de lagere en middelbare school. Op de universiteit is zij niet meer dominant en ontmoet zij steeds meer kritiek van prominente historici waaronder John Koliopoulos en Thanos Veremis. Hun moderne opvattingen en het doorprikken van allerlei nationalistische mythologieën, zijn echter allerminst populair bij nationalisten en de invloedrijke Griekse kerk.


Toen de ruzie om de naam Macedonië uitbrak, legden de Grieken sterk de op de (oude) geschiedenis. Het gebruik door 'Skopje' van deze naam zou neerkomen op een onverhulde poging tot het kapen van Grieks erfgoed. De Grieken voelden zich in dit standpunt gesterkt door een aantal domme provocaties van de kant van Noord-Macedonië. Zo werd als embleem voor de nieuwe staat een zonneteken gekozen dat in de oudheid overal in Griekenland, maar zeker in Macedonië, als symbool werd gebruikt. In de preambule van de grondwet werd opgenomen dat de regering van Noord-Macedonië zich ook moest bekommeren om de belangen van Macedoniërs buiten de grenzen, wat door de Grieken als een mogelijke opening tot inmenging in hun binnenlandse

aangelegenheden werd gezien. Nationalisten in Skopje lieten namaak-muntbiljetten circuleren met daarop de Witte Toren van Thessaloniki en landkaarten waarop Grieks-Macedonië als bezet gebied werd aangemerkt. De Grieken op hun beurt plakten havens en vliegvelden vol met stickers, waarop aan buitenlandse bezoekers in het Engels werd verkondigd dat Macedonië Grieks was, is en zou blijven, waaraan de oproep 'study history' werd toegevoegd. Menig toerist keek daar verbaasd van op. Menig journalist ook, want de Griekse campagne tegen erkenning door de EU van de Republiek Macedonië onder die naam, riep in de Europese pers meer weerstand dan bijval op. Het historisch argument werd niet begrepen, als onzinnig beschouwd, of beiden. Binnen de EU kreeg Athene schoorvoetend bijval. Dat had meer te maken met de toestand in het uiteengevallen Joegoslavië dan met sympathie voor het Griekse standpunt. Net voor de Grieken in januari 1994 het voorzitterschap van de EU (toen nog EG) zouden aanvaarden, erkenden Denemarken, Frankrijk, Duitsland, Italië, Groot-Brittannië en Nederland de jonge staat officieel. Weliswaar voorlopig als FYROM, maar de boodschap aan Athene was duidelijk.


Wellicht had Griekenland op meer begrip in het conflict kunnen rekenen als zijn bezwaren niet vergezeld waren gegaan van veel nationalistisch geschreeuw en gelamenteer over het historisch erfgoed. Inderdaad, men had een punt waar het om het Griekse karakter van de oude Macedoniërs ging, maar in wezen was dat irrelevant. Wat werkelijk van belang was, waren de reële angsten die in Athene leefden voor territoriale claims van het noordelijke buurland op Grieks grondgebied. Die leken in 1913 bij het Verdrag van Boekarest ter rustte te zijn gelegd, maar niets was minder waar. Tijdens en kort na de Tweede Wereldoorlog was het Joegoslavische bewind wel degelijk uit op inlijving van Grieks-Macedonië bij Joegoslavisch-Macedonië. Dat was een van de redenen, wellicht de belangrijkste, voor de Joegoslaven om de Griekse communisten te steunen in de burgeroorlog, die duurde tot 1949. In de gelederen van de Griekse communisten vocht een proportioneel groot aantal Slavischsprekenden mee. Na de burgeroorlog liet Joegoslavië haar aanspraken vallen. In 1954 sloot het zelfs met Griekenland en Turkije een pact van bijstand, dat trouwens maar een kort leven beschoren was. Bulgarije handhaafde zelfs tot 1956 haar aanspraken op Grieks-Macedonië.



Met het onafhankelijk worden van Noord-Macedonië ontwaakte de Griekse angst voor territoriale aanspraken opnieuw. Voor de buitenwereld leek er weinig aan de hand. Noord-Macedonië was een buitengewoon arm bergstaatje van ruim 25.000 vierkante kilometer (ongeveer even groot als Zwitserland) met een bevolking van nauwelijks twee miljoen inwoners. Griekenland leek daar een reus bij. Gegeven het feit dat Noord-Macedonië na het uitroepen van de onafhankelijkheid nauwelijks beschikte over een leger, laat staan over modern oorlogstuig, en Griekenland een van de hoogste defensiebudgetten van de NAVO had, leek het Griekse gevoel van bedreigd te worden paranoïde onzin. Toch kunnen we de zaak daarmee niet zomaar afdoen. De Balkan was net voor een deel geëxplodeerd door het bloedige uiteenvallen van Joegoslavië. Er bestond een niet geheel te verwaarlozen kans dat de oostelijke Middellandse zee eveneens in vlammen zou opgaan. Daar speelde een aantal conflicten, waaronder diepgaande onenigheid tussen Griekenland en Turkije over de Turkse bezetting van Noord-Cyprus, de afbakening van het continentaal plat in de Egeische Zee, de afbakening van het luchtruim en de uitbreiding van de territoriale wateren. Het uitsturen van een exploratievaartuig door Ankara naar de Egeïsche Zee in 1987, bracht beide landen op de rand van oorlog. De grote angst nu in Griekenland was dat Turkije zich zou opwerpen tot beschermheer van Noord-Macedonië om zijn positie tegenover Athene te versterken. Dat was gezien de snelle erkenning door Turkije van de Republiek Macedonië geen onzinnige gedachte. Wellicht had het uitspelen door Athene van de strategische kaart in plaats van de nationalistisch-historische tot meer begrip binnen Europa geleid. Of dat ook voldoende zou zijn geweest om de regering van Noord-Macedonië, die zich tot nu toe zeer compromisloos opstelt, tot een definitieve oplossing te bewegen, is nog maar de vraag.


De regering in Skopje hield vooral onder druk van het zeer populaire nationalisme voet bij stuk. Een wat overgevoelige angst voor roof van het Griekse erfgoed en een reële angst voor territoriale aanspraken en Turkse bemoeienis zorgden voor een hard standpunt in Athene. Het Interimakkoord, dat na moeizame bemiddeling tot stand kwam, was in beider belang. Noord-Macedonië kon ongehinderd een rol gaan spelen op het internationale toneel en zich economisch gaan ontwikkelen. Dat laatste was ook een Grieks belang, als relatief grote investeerder op de Balkan. De mogelijkheid van een as Skopje-Ankara werd aanzienlijk minder waarschijnlijk. Wanneer de tijd rijp is voor een definitieve oplossing van de ruzie is niet te voorspellen. Conflicten kunnen taai zijn, zeker in gebieden waar het nationalisme een sterk bepalende kracht is in de politiek.

maandag, juli 11, 2011

Literair dagboek: Griekenland (slot)

Vrijdag, 31 augustus 2007:

Thessaloniki

De zomerweken zijn weer angstwekkend snel omgevlogen. Stella heeft de koffers gepakt. Gisteren hebben we afscheid genomen van broers, schoonzussen en nichtjes. We gaan terug naar het land van de korte lontjes, de messentrekkers en de regenluchten. Hier en daar laaien de bosbranden weer op. Er dreigt een vierde hittegolf. Gisteren kwam ineens een gedicht over onze bloeiende cactus. Wonderlijk fenomeen dat van februari tot de zomervakantie zonder een druppel water doorleeft en daarna prachtige bloemen produceert, al houden die het maar een enkele dag.



Echinopsis hybride


Boven je pantser

opent zich een lonkende kelk


de volharding waarmee je overleeft

barst uit in nieuw verlangen


fel brandt een vlam van behaagzucht

tegen het legergroen van alle dag.


Je zindert tot de avondwind,

dan laat je het hoofd hangen


en eer de sterrenhemel aanwast

dooft hartstocht tot afval zonder nut.



In: Kees Klok – Het is al laat. Gedichten. Liverse 2009.



Zondag, 2 september:

Bij de terugreis maar een uur vertraging. Zag op Schiphol in een kwartier meer malloten dan in zeven weken Thessaloniki. Aan het Dordtse station was weer geen taxi te bekennen. Achterlijk gat. Op zaterdagmiddag half drie, terwijl het niet eens regende! 'Het is druk,' meldde de telefonist van de Taxicentrale. 'Schaf dan meer auto's aan,' dacht ik. Toen er na een kwartier nog geen taxi was, is Stella met de koffers in de stationshal gebleven en ben ik naar de Cornelis de Wittstraat gelopen om onze eigen auto op te halen. Thuis weigerde de cv-ketel dienst. Geen warm water. Wasserthal gebeld om het nummer van de storingsdienst. Pas daarna herinnerde ik mij dat ik voor ons vertrek het gas had afgesloten.

maandag, juli 04, 2011

Literair dagboek: Griekenland (6)

Zondag, 26 augustus 2007:

Thessaloniki

We maken ons zorgen over het bos op onze berg. Als daar de brand in gaat lopen delen van de stad gevaar. Het gevaar is reëel. Het is kurk en kurkdroog en het waait flink. Als we gaan wandelen verbazen we ons altijd over de talloze peuken die wij op het pad vinden. Toezicht is moeilijk. Na de vorige brand, zo'n tien, twaalf jaar geleden, zijn er wel brandgeulen gemaakt en er staat hier en daar een brandkraan, maar of daar ook water uitkomt is nog maar de vraag. Op de plaatselijke buis werd met veel ophef en vastbeslotenheid aangekondigd dat er voorzorgsmaatregelen waren genomen en dat het bos onder scherpe bewaking was gesteld. Daar hebben wij op onze ochtendwandeling nog niets van gemerkt.


Met Stavros en Dafne gisteren gegeten op de heuvel van Konstantinoupolitika en gelijk een tafel besproken voor donderdag, wanneer we ons afscheidsetentje geven voor de naaste familie. Ook om de verjaardagen van Menelaos, Savvas en mezelf te vieren. Je hebt er koelte en een geweldig uitzicht over de stad. De gerant is een vriend van Orestes, de zoon van Stavros en Dafne. Zoals altijd informeerde Stavros naar mijn pensioenregeling en voor de zoveelste keer heb ik die uitgelegd. Je zou een ander gesprek met een dichter verwachten. Stella is erg opgetogen over zijn laatste bundel, die nu eens niet over politiek gaat (Stavros gelooft nog steeds in de prediking van Marx), maar over de liefde.


We volgen met enige verbijstering de extra nieuwsuitzendingen over de bosbranden. De teller staat nu op tweeënvijftig slachtoffers. Men gaat ervan uit dat de meeste branden zijn aangestoken. Dat zal met een aantal ook zo zijn, maar achteloosheid, verwaarlozing van de bossen, domheid en de harde wind waardoor geregeld slaphangende elektriciteitsdraden tegen elkaar slaan (met als gevolg een vonkenregen) zijn volgens mij toch de grootste veroorzakers.


Maandag 27 augustus:

Thessaloniki

Uren te laat heeft de politie gisteren de toegangen naar Seïch-Sou afgezet. Gistermorgen werd er nog gewoon gewandeld, hardgelopen en gerookt. Het oude Olympia is op het nippertje en met grote moeite gered, maar volgens de buis lekten de vlammen al aan het museum. We hebben nu tweeënzestig doden. Er is weer een aantal nieuwe brandhaarden bijgekomen. Bij ons heeft het 's avonds geonweerd en hard geregend, waarmee het directe gevaar voor het bos even is geweken. Dat water had beter op de Peloponnesos kunnen vallen en op Evia. Hoorde Conny Keesen op de Wereldomroep, die rapporteerde uit Olympia. Ze sprak van een kurkdroog land, geen enkele voorbereiding en organisatie en de nodige brandstichters. Zojuist meldde het nieuws dat er enkele verdachten zijn opgepakt.


Een stuk over de branden op mijn weblog gezet en met Stella gewerkt aan onze vertalingen van de gedichten van Michalis Pieris. Met tussenpozen luisteren we naar het nieuws of zetten even de tv aan, maar op de laatste zie je nu vrijwel voortdurend beelden van gisteren, eergisteren en zelfs vorige week. Moeten we dat uitleggen als een goed teken? Adriaan Krabbendam stuurt een aardige reactie op mijn stukje over Griekse wijn (Zorgelijke verloedering). De zon gaat onder, de retsina staat koud en de nieuwe buurman speelt een gevoelig lied op zijn klarinet.


Dinsdag, 28 augustus:

Thessaloniki

Kennelijk wordt mijn weblog wel gelezen. Vanmorgen een e-mail van Erik-Jan Harmens. Of hij me 's avonds mocht bellen om in De Avonden iets te vertellen over de bosbranden. Natuurlijk mocht dat en dus heb ik rond kwart voor elf Griekse tijd enkele oppervlakkige en niet bijster snuggere vragen beantwoord. Het niveau viel me wat tegen voor mijn favoriete radioprogramma, maar je kunt niet altijd op zijn best zijn.


Woensdag, 29 augustus:

Thessaloniki

Vanmiddag een oude, maar mooie documentaire over Portugal gezien. Onder andere beelden uit Obidos, waar ik enkele heerlijke dagen doorbracht met Lupius. Ik wil het Stella ooit laten zien en we moeten een keer naar Coïmbra en Tras-os-Montes en Porto. Ik denk aan de boeken van Rentes de Carvalho en de streek waar hij opgroeide, die ik in werkelijkheid wil leren kennen. En aan Over de bergen van Komrij. Ik begrijp nog steeds niet goed wat Lupius tegen dat boek heeft. 'Een slecht boek,' bromt hij, als ik erover begin, maar waarom slecht, dat komt er niet goed uit. In Portugal hebben ook vreselijke bosbranden gewoed. Hier komen de vuurhaarden langzamerhand onder controle. Beelden van tientallen verbrande dieren die nergens meer naartoe konden vluchten. Het zijn niet alleen de mensen die lijden.


Volgens een opiniepeiling gelooft een meerderheid van de Grieken dat de branden het resultaat zijn van een terroristisch complot. Ik kijk er niet van op: je kunt mensen nu eenmaal alles laten geloven en het ontslaat je van je eigen verantwoordelijkheid. Van die weggegooide peuk, dat rondslingerende vuil, de luiheid om je erf te ontdoen van hoog opgeschoten, verdord onkruid, je elektriciteitskabels niet op tijd aan te spannen.

maandag, juni 27, 2011

Politieke verdeeldheid continuïteit in Griekse geschiedenis


Politieke verdeeldheid lijkt een continuïteit in de geschiedenis van Griekenland, in ieder geval van het moderne Griekenland, dat tussen 1821 en 1830 zijn onafhankelijkheid bevocht op de Osmanen. Tijdens de onafhankelijkheidsstrijd vochten de Grieken regelmatig onder elkaar, terwijl Britten, Fransen en Russen te hulp moesten schieten om de onafhankelijkheid te verzekeren. Tijdens de Eerste Wereldoorlog kende het land enige tijd twee regeringen, de officiële in Athene onder leiding van de koning en een van de oppositie in Thessaloniki onder Eleftherios Venizelos. Tot de laatste onder druk van de Geallieerden uiteindelijk de macht over het gehele land kreeg en Griekenland aan de kant van de Britten en Fransen ging deelnemen aan de oorlog. Op dit ogenblik, terwijl het land een buitengewoon diepe economische crisis doormaakt, lukt het evenmin de krachten te verenigen. Verschillende pogingen van premier Papandreou om een regering van nationale eenheid te vormen zijn vooralsnog gestrand op het stugge verzet van de oppositie.


Een dieptepunt bereikte de Griekse verdeeldheid in de burgeroorlog, die in feite al uitbrak tijdens de bezetting van het land in de Tweede Wereldoorlog. De belangrijkste verzetsbeweging, het door de communistische partij (KKE) gedomineerde EAM/ELAS kreeg het in 1943 aan de stok met de rechtse verzetsbewegingen EKKA en EDES, nadat pogingen van de Britten het verzet op een lijn te brengen slechts kortstondig succes hadden. Deze gevechten worden beschouwd als de eerste ronde van de burgeroorlog, die echter pas in alle hevigheid zou uitbreken in 1946, met een derde en laatste ronde. Daarvoor was er uiteraard een tweede ronde, die zich afspeelde in december 1944 en in de geschiedenis bekend staat als de dekemvriana.


Deze kwamen neer op een gewelddadige poging van EAM/ELAS in Athene de macht te grijpen. Na terugtrekking van de Duitsers, in de zomer van 1944, stonden zowel het linkse als het rechtse verzet, waarvan EDES nog als enige belangrijke beweging was overgebleven, onder bevel van de Engelse generaal Ronald Scobie, die met een kleine troepenmacht de uit ballingschap teruggekeerde Griekse regering vergezelde naar Athene. Die regering stond voorlopig onder leiding van Yorgos Papandreou, grootvader van de huidige premier. Daar en in de belangrijkste steden werden Britse garnizoenen gelegerd, die de resten van het Griekse regeringsleger moesten ondersteunen. Een groot deel van het noordelijke bergland was al voor de Duitse terugtrekking eigenhandig door het EAM/ELAS bevrijd, dat daar ook een eigen bestuur had geïntroduceerd. Na veel geharrewar en waarschijnlijk onder Russische druk besloot de KKE, die het zoals gezegd binnen het linkse verzet feitelijk voor het zeggen had, zich coöperatief op te stellen. EAM/ELAS tekenden de zogenaamde Libanon-overeenkomst, waarin ondermeer werd afgesproken dat de beweging begin december 1944 zou demobiliseren en dat men zes ministersposten kreeg in de voorlopige regering, zij het niet op sleutelposities. Uit de manschappen van ELAS, EDES en de uit Egypte teruggekeerde Griekse troepen zou een nieuw regeringsleger worden opgebouwd. ELAS vond echter dat zij binnen de nieuwe organisatie te weinig invloed kreeg en trok de belofte om te demobiliseren in. De Engelsen dreigden hierop met geweld, waarna de EAM-ministers uit de regering stapten. Op 3 december organiseerde het EAM een massabetoging op het Syndagmaplein, die geheel uit de hand liep. De politie opende het vuur en er vielen doden en gewonden. Binnen enkele dagen braken er op verschillende plaatsen in Athene vuurgevechten uit tussen ELAS-strijders enerzijds en regeringsgezinde en Britse militairen anderzijds. Die werden zo hevig dat de Britten overhaast troepen uit Italië moesten laten aanrukken om te voorkomen dat ze onder de voet werden gelopen.


In een poging de partijen te verzoenen reisden Churchill en zijn minister van buiten­landse zaken Eden op Tweede Kerstdag, op het hoogtepunt van de strijd, naar Athene. Er kwam geen einde aan de gevech­ten, maar wel raakte Churchill onder de indruk van de diepe verdeeldheid over de toekomst van de monarchie. Als tijdelijke oplossing ging hij daarom akkoord met de benoeming van aartsbisschop Damaski­nos, een man die kort tevoren nog het onder­werp van een bloem­rijke scheldkanonnade door de Britse ijzer­vreter was geweest, tot regent. Ook ruimde premier Papandreou het veld voor de republikeinse veteraan Plastiras. Hierdoor kon het EAM/ELAS, door de Britten langzamerhand in het nauw gedre­ven, zonder al te veel gezichtsverlies akkoord gaan met een wapen­stil­stand. Besprekingen leidden tot de ondertekening van de zogenaamde Varkiza-overeenkomst (12 februari 1945). Het ELAS stemde daarbij toe in het inleveren van zijn wapens. In ruil daarvoor beloofde de regering een amnestie voor politieke misdrijven, het aanpakken van collabo­rateurs binnen het leger en het politie-apparaat, een garantie voor de democratische vrijheden en tenslotte verkiezingen na een referendum over de toekomst van de monar­chie.


Op papier werd in Varkiza heel wat bereikt. De resultaten in de praktijk vielen nogal tegen. De polarisatie tussen het EAM/ELAS en rechts (o.a. royalistische officieren en andere anti-commu­nistische militairen, restanten van het EDES en van de door de Duitsers opgezette veilig­heidsbatal­jons uit de bezettingstijd) bleef toenemen. Het geweld kwam nu vooral van rechts, vooral nadat bekend werd dat een aantal van de 8000 gijzelaars die het ELAS had ge­maakt tijdens de gevechten in Athene, om het leven was gebracht. Van de berech­ting van collaborateurs kwam niets terecht en de regering kreeg geen greep op het geweld tegen aan­hangers van links. Er vonden verschillende regeringswisselingen plaats, zonder dat die leidden tot een verbetering van de politieke en deplorabe­le economische situatie.


De KKE en het EAM/ELAS probeerden zo goed als mogelijk te blijven functione­ren. Toen er verkie­zingen werden uitge­schreven voor 31 maart 1946, besloten ze deze te boycotten. In de eerste plaats uit woede over de schending van de afspraak dat het referendum over de monarchie voor de verkie­zingen zou worden gehouden, niet erna. Bovendien werd van de rege­ring verlangd dat zij eerst een einde aan de rechtse terreur zou maken, omdat in het gewelddadige klimaat van een eerlijke stemming geen sprake kon zijn. Onder Britse druk werden de verkiezingen echter doorge­zet.


Vijf maanden later vond het referendum plaats over de toekomst van de monarchie. Er bleek een meerderheid voor terug­keer van de koning te zijn. Kennelijk had een aantal niet-communistische republikeinen toch voor de monar­chie gekozen, wellicht uit angst voor het communisme. Op 27 september keerde koning George II terug in Athene. In april van het jaar daarop overleed hij en werd opgevolgd door zijn broer Paul.


De conservatieve coalitie onder leiding van Konstantinos Tsaldaris, die na de verkiezingen tot stand kwam, stak geen vinger uit om het geweld van rechts te beteugelen, maar nam wel maatrege­len tegen links. Steeds meer aanhangers van links zochten opnieuw hun heil in de bergen. Een linkse verzets­groep had al voor de verkiezin­gen een aanval gepleegd op het dorp Litochoro aan de voet van de Olympos. Er ontstond een geweldsspiraal waarin niet alleen politieke tegenstanders elkaar te lijf gingen, maar waarin soms ook dankbaar gebruik werd gemaakt van de ideologische tegenstellingen om familievetes, dorpsruzies en persoonlij­ke conflicten te beslechten. In oktober 1946 werd door de guerrilla, waarin de KKE inmid­dels volledig de dienst uitmaakte, de oprichting van het Democrati­sch Leger aangekondigd, dat onder bevel kwam te staan van Markos Vafiadis. Nu was er sprake van een volle­dige burgeroor­log. Deze is de geschiede­nis ingegaan als de zoge­naamde derde ronde.


Al spoedig beschuldigde Athene zijn communistische buur­landen van openlijke steun aan de guerrilla. Ook leek het erop alsof de Sovjetunie zijn neutrale standpunt had gewijzigd door steeds luider te eisen dat Enge­land zijn troepen uit Grieken­land moest terugtrekken. Van een directe steun van Stalin aan de Griekse communisten is echter tot op heden niets gebleken. Of de communistische buurlanden in het begin van de derde ronde hun Griekse geestverwanten al volop steunden is nog maar de vraag. De KKE hinkte zelf op twee gedachten: enerzijds het bewandelen van de parlementaire weg, al had ze die bemoeilijkt door het boycotten van de verkiezin­gen, ander­zijds de gewapen­de strijd, die haar, al­thans in de eigen opinie, was opge­drongen door ultra-rechts en de onmacht c.q. onwil van de regering. Dat haar echter door de regering officieel weinig in de weg werd gelegd mag blijken uit het merkwaardige feit dat de KKE pas verboden werd in december 1947. Tenslotte kwam er weliswaar hulp uit Albanië, Bulgarije en vooral Joegoslavië, maar het is opvallend dat de Voorlopige Democrati­sche Rege­ring die in 1947 door de Griekse communisten werd uitgeroepen noch door de Sovjetunie noch door haar satelliet­staten werd er­kend.


Het slecht getrainde en zwak bewapende Griekse regeringsle­ger kon, ondanks Britse steun, aanvankelijk nauwelijks tegen het Democratisch Leger op. Het door de we­reldoor­log econo­misch sterk verzwakte Engeland liet in het voorjaar van 1947 weten dat het de hulp aan Athene niet langer kon volhou­den. Daarop namen de Amerika­nen de fakkel over. Op 12 maart 1947 kondigde president Truman in een drama­tische reden in het Congres zijn befaamde doctrine af, op grond waarvan een uitge­breid hulpprogramma aan Grieken­land en Turkije werd ingesteld, om het communistische gevaar te keren.


De Amerikaanse economi­sche en militaire steun had tot gevolg dat het Democratische Leger danig in het nauw werd gedreven. Niet alleen de groeiende kracht van het Griek­se leger was hier debet aan. De steun voor links, die met name in Noord-Griekenland aanvankelijk aanzienlijk was, nam af, ondermeer door de anti-nationalistische opstelling van de KKE in de kwestie Macedonië en door het over­brengen van zo'n vijfentwin­tigduizend Griekse kinderen naar het Oostblok 'om veilig­heidsredenen'. Ook andere factoren, zoals een gewijzigde strategie en een breuk met Tito, droegen bij tot de uiteindelijke nederlaag van het DL.


De steun die het DL van over de noordgrens ontving stond niet in de schaduw van wat de Amerikanen aan hulp aan Athene gaven. Daarbij kan men zich afvragen of het enthousi­asme in het oostblok voor de strijd wel zo groot was als de KKE veron­derstelde. Bekend is dat de Sovjetunie in het voorjaar van 1949 aandrong op het staken van de strijd, toen het DL zover was teruggedrongen dat de kans bestond dat Griekse regeringstroepen het eventueel tot in Albanië zouden achtervolgen. De strategie waarop het DL over­ging, nadat Nikos Zachariadis begin 1949 overnam, bracht het in een aanzien­lijk nadeel. Qua bewapening en training was het niet ge­schikt voor het voeren van een conventionele strijd, waardoor de regeringstroepen de ene slag na de andere wisten te winnen. De keuze die de KKE maakte in het conflict tussen Stalin en Tito, leidde in de loop van 1948 tot een openlijke breuk met de laatste. Als gevolg daarvan sloot Tito in juli 1949 de grens. Over de motieven die aan de keuze voor Stalin ten grondslag lagen, tasten we vooralsnog in het duister. We mogen veronderstellen dat de ideeën van Tito over een Joegoslavische Federatie inclusief Grieks-Macedonië, bij een deel van de aanhang van het DL en de KKE op bezwaren stuitten, hoewel die gedachten door de KKE-leiding uiteindelijk wel werden gesteund. Persoonlijke loyaliteit en ideologische verwantschap van de in Moskou opgeleide KKE-leiding jegens Stalin kunnen zeker een rol hebben gespeeld.


Aan de derde ronde kwam een einde toen het Griekse leger in de zomer van 1949 de laatste resten van het DL verdreef uit de streek van de Grammos en Vitsi. Zij vluchtten over de Albanese grens. In oktober kondigde de uitgeweken KKE-leiding een 'voorlopig einde' van de gewapen­de strijd aan. Een einde dat uiteindelijk definitief bleek te zijn.


Op de burgeroorlog volgde ruim een decennium van rechts, autoritair, nauwelijks democratisch te noemen bestuur. Begin jaren zestig leek daar, met het opnieuw aantreden van Yorgos Papandreou als premier, een einde aan te komen, maar de democratiseringsbeweging werd ruw onderbroken door de staatsgreep van 21 april 1967 en het daarop volgende kolonelsbewind, dat pas in 1974 ten val kwam. Pas na deze gebeurtenis begon in Griekenland het proces dat leidde tot meer politieke stabiliteit. In een poging dat proces te ondersteunen werd het land in 1981 toegelaten tot de EEG, de huidige EU. Hoewel Griekenland zich ontegenzeggelijk sterk heeft ontwikkeld in de richting van een moderne, westerse democratie, is er aan de diepe politieke verdeeldheid geen einde gekomen. Dat blijkt ondermeer uit de weigering van de Griekse oppositie om deel te nemen aan een regering van nationale eenheid, om de huidige crisis effectiever te kunnen bestrijden.

zaterdag, juni 25, 2011

Literair dagboek: Griekenland (5)


Dinsdag, 14 augustus 2007:

Thessaloniki

Tijdens onze bergwandeling de nieuwe digitale camera uitgeprobeerd, die we vrijdag hebben gekocht. Mooie landschapsfoto's gemaakt, maar het is even wennen. De cactus op het balkon stond vanmorgen in bloei. Zo'n bloem heeft hij maar één dag, tegen de avond verwelkt zij alweer. Het is een prachtige, witgele bloem. De foto is goed gelukt, de bloem inmiddels alweer langzaam aan het afsterven.


Vraag mij af waarom er in Griekenland geen hangjongeren zijn en waarom er, ondanks de vele bankovervallen, veel minder sprake is van dat blinde, zinloze geweld dat in Nederland en ook Engeland aan de orde van de dag is. Misschien is het een kwestie van tijd, wie weet. Ooit kwam de beschaving vanuit het zuidoosten naar het noordwesten. Misschien dat de barbarij nu een tegengestelde route aflegt.


Donderdag, 16 augustus:

Thessaloniki

Stella heeft vandaag de jaarlijkse routine-onderzoeken ondergaan naar borst- en baarmoederhalskanker. De uitslag komt volgende week. Alleen heeft ze geen bloedonderzoek gedaan, omdat haar vaste dokter nog met vakantie is. 'Dat doe ik wel met Kerst,' zei ze, 'de uitslag is toch altijd goed, dus zo nodig is het niet.' Daarna hebben we gegeten bij het Varken. Ik gestoofde aubergines, courgettes, paddestoelen en paprika's in een lekkere saus, omdat ik geen zin in vlees of vis had. Stella kolios, een vis die in augustus het best schijnt te zijn. De wijn van het vat was van Aïdarini, Stella's oud-leerling uit Goumenissa.


Zondag, 19 augustus:

Thessaloniki

Op de berg stak een mooie schildpad op zijn gemak de weg over. Even dachten we eraan om hem mee te nemen voor Marina, maar we hebben Kobus toch maar ongestoord verder laten wandelen. Hij is op de berg beter op zijn plaats dan op een stadsbalkon.


Dinsdag, 21 augustus:

Thessaloniki

Stella is naar tandarts Zogakis. Ik heb ondertussen in de Vima de artikelen gelezen over de grote Byzantiumtentoonstelling die vanaf oktober 2008 in de Royal Academy in Londen wordt georganiseerd en over de reisbeschrijving van Pausanias, uit de 2e eeuw. Na een jaartje les van Stella kan ik de Griekse kranten nu heel behoorlijk lezen.


Donderdag, 23 augustus:

Thessaloniki

Het wereldnieuws uit Nederland is weer echt zoals het hoort: diep provinciaal. Een juffrouw van een Nederlandse ambassade, ergens in een ver land, beschuldigt Kamerlid Harry van Bommel van 'seksuele intimidatie.' Hij zou gezegd hebben dat ze er wel leuk uitzag. Vroeger noemden ze zo iemand een trut van Troye en ging men over tot de orde van de dag. Verder wil de overheid leraren opleiden tot geheim agenten, die de radicale islam te lijf moeten gaan en de slavernijlobby roept weer eens dat er meer aandacht moet komen voor hun inmiddels minimaal honderdvierenveertig jaar oude leed. Men denkt daar nog steeds een bedragje uit te kunnen slaan. Ik denk dat ik, als derde generatie slachtoffer van de spoorwegstaking van 1903 en de daarop volgende worgwetten, levenslang vrij reizen met de NS ga eisen. Ondertussen loopt de temperatuur hier alweer op tot tegen de veertig graden.


Vrijdag, 24 augustus:

Thessaloniki

We zijn een dagje naar Theodósia geweest, met Menelaos, Savvas en Fotini. De boomgaard en de tuinen bewaterd. Door de grote hitte lagen ze er wat dor bij, maar de fruitbomen doorstaan dat wel. Het huis stond er verzorgd bij nu de veranda's zijn aangesmeerd en het houtwerk opnieuw in de verf is gezet. Door de dubbele pannenlaag isoleert het dak heel goed en is het op het heetst van de dag nog aangenaam koel binnen. Koffie gedronken onder de reusachtige vijgenboom uit Stella's gedicht Theodósia. Aan het einde van de middag naar het restaurant van Takis gereden, beneden het dorp, aan de weg van Thessaloniki naar Serres, en daar gegeten. De wijn van het vat kwam van neef Yannis Tavatidis. Takis vertelde dat Savvas z'n tavli-maatje Alekos, de bohémien die aan het begin van de weg naar het dorp in een oude vrachtwagen woonde, midden in zijn kruidentuin, zondag is overleden aan een hartaanval. Hij had het al een paar dagen benauwd, maar weigerde naar een dokter te gaan.


Thuis op het nieuws de score wat de bosbranden betreft. We hebben er nu zo'n honderddertig zegt de buis, waarvan een deel onblusbaar vanwege het ontoegankelijke terrein en de harde wind. Er zijn veel dorpen en hele landstreken verwoest, vooral op de Peloponnesos. De noodtoestand is daar uitgeroepen en behalve de brandweer is het leger ingezet. Honderddertig branden op een dag. Zelfs iemand als ik, die niet gelooft in de complottheoriën die hier altijd direct de kop opsteken, begint te denken dat het niet allemaal toeval kan zijn.

zondag, juni 19, 2011

Literair dagboek: Griekenland (4)


Dinsdag, 31 juli 2007:

Thessaloniki

Vanmorgen de kleine Marina op bezoek. Menelaos bracht haar rond half elf en haalde haar om één uur weer op. Schat van een kind. Slim, gezeglijk, mooi. Ze leek het naar haar zin te hebben bij thea Stella en theos Kornilios. Ze heeft geschilderd, op de computer familiefoto's en foto's van Dordrecht bekeken en honderduit gekletst. Toen haar vader kwam wilde ze nog lang niet weg. Morgen vertrekt ze met Zina en haar vader naar opa en oma in Doxato, voor de rest van de zomervakantie.


Het pakket boeken dat ik uit Dordrecht verstuurde is, na drie weken, aangekomen. Alles keurig en onbeschadigd. Scheelde nog meer gesjouw.


Woensdag, 1 augustus:

Thessaloniki

Alweer vroeg op de berg. Om kwart voor acht waren we boven bij het kapelletje. Op de terugweg zagen we dat de vrijwilligers die het bos onderhouden een stapel afvalhout aan het opruimen waren. We hebben ook maar even geholpen. Als je grofvuil hebt kun je dat gewoon op afspraak voor de deur leggen, dan haalt de gemeente het op, maar er zijn nog altijd mensen met een IQ van 75 die het in een aanhanger laden en ermee naar het bos rijden om het daar te dumpen.


Donderdag, 2 augustus:

Thessaloniki

Het artikel voor Lychnari over Makarios afgemaakt en aan Stella laten lezen, die er zeer tevreden over was. Vanmiddag heb ik het naar de redactie gemaild. Een dag voor zijn dertigste sterfdag en twee en een halve week voor de deadline, maar dan ben ik er vanaf. Ik houd er niet van om alles op het laatste ogenblik te laten aankomen.


Zondag, 5 augustus:

Thessaloniki

Er valt een gestadige regen uit een effen, grauwe lucht. Goed voor de natuur, goed tegen de bosbranden, goed voor de waterbekkens, maar het is zo wel een heel erg Hollandse zondagmiddag. Begonnen met het persklaar maken van Laaglandse Poëzie voor Ballustrada. In een van de gedichten van Jana Beranová staat een vreemde wending. Het boek waaruit het komt staat in Nederland. Ik heb haar het gedicht per e-mail gestuurd met de vraag om te controleren of het klopt. Als het antwoord binnen is stuur ik de zaak door naar Zeeland. E-mail is soms een groot gemak, maar de verbinding is erg traag, daarom zit ik maar weinig op het internet.


Woensdag, 8 augustus:

Thessaloniki

Leuke dag gisteren. Nicht Karin met haar man Hugo en de kinderen op bezoek. Ik heb ze met groot plezier de stad laten zien. Het zijn mensen met echte belangstelling voor het land. Het Archeologisch Museum (na de recente verbouwing mooi geworden), lunch bij Xarchakos, de Witte Toren, de Agia Sofia, de markt van Modiano. Vandaar via het Navarinoplein en de opgravingen in de Gounarisstraat naar de Rotunda, die zoals gebruikelijk was gesloten. Op het terras bij een studentencafé wat gedronken, daarna thuis pizza gegeten. De kinderen onvermoeibaar en vol met vragen, vooral Tobias, die erg geïnteresseerd is in Griekse geschiedenis. Meestal lopen ze er in die leeftijd maar wat verveeld bij, met hun hoofd bij andere dingen.


De inleiding geschreven bij Laaglandse Poëzie, maar ik stuur het bestand pas op als we terug zijn. De internetverbinding is zo traag en ik wil me niet nodeloos ergeren. Kan het stuk bovendien nog een beetje rijpen.


Zondag, 12 augustus:

Thessaloniki

Ik oog niet bepaald Grieks, maar om de haverklap wordt me de weg gevraagd. Soms begint iemand op straat ook spontaan een praatje. Ik liep gistermorgen met een bijzettafeltje onder mijn arm naar huis, opgehaald bij de timmerman in de Vassiliadisstraat, die het voor ons gelijmd had, toen een oude baas, die van de laïki, de buurtmarkt, kwam, me aansprak. Hij begon over het klimaat in onze wijk, Ano Toumba. Van het een kwam het ander en tenslotte hebben we wel zo'n twintig minuten heel gezellig staan babbelen.


Men zegt te zijn begonnen aan de bouw van de metro. Er is weer een gat in de Egnatia gemaakt, net als een aantal jaren geleden. Dat heette 'het gat van Kouvelas,' naar de toenmalige burgemeester. Na anderhalf jaar werd het weer dichtgemaakt, zonder dat er iets was gebeurd. Ik vrees dat het jaren gaat duren, als er iets van terechtkomt. De voortvarende arbeidersmassa bestond uit vijf man. Drie waren aan het ijzervlechten, de andere twee liepen belangrijk te doen. Komt er echt een metro of wordt dit 'het gat van Papayorgopoulos'?


vrijdag, juni 17, 2011

Mededelingen



In het jongste nummer van de literaire periodiek Ballustrada een gedicht en een beschouwing over dichter Wim de Vries van mijn hand.
Losse nummers: 12.50 euro
Bestellen: avdveeke@zeelandnet.nl



In het jongste nummer van Lychnari, verkenningen in het Griekenland van nu, publiceer ik een bespreking van het boek Tabaksblad & staaldraad van Emine Osmanoglou-Hakioglou.
Losse nummers: 9.20 euro
Bestellen: marietje.wennekendonk@attica.nl



In het jongste nummer van DiEP, cultuur-historisch magazine voor Dordrecht en de regio, staat een artikel van mij over veertig jaar Stichting Produktiegroep Bobby Kinghe.
Losse nummers: 5.95 euro
Bestellen: diepmagazine@dordrecht.nl


In het jongste nummer van de Poeziekrant staat een bespreking van het door mij vertaalde Het bal in de inrichting van de Schotse romancier en dichter John Burnside.
Losse nummers: 9 euro
Bestellen: w.tibergien@poeziecentrum.be

Verder in deze tijdschriften veel meer literatuur, geschiedenis en Griekenlandinformatie. Allen zeer aanbevolen!

dinsdag, juni 14, 2011

Brieven aan...



Dordrecht, 15 juni 2008


Beste T.,


Dat artikel in de Groene Amsterdammer heb ik gemist. Als je het me wil sturen: graag. Doe er dan ook enige poëzie van jezelf bij. Laat mij ook even weten of je In dit laagland al hebt ontvangen. Soms is men traag bij Wagner & Van Santen (Guus Luijters noemt ze niet voor niets Te Laat & Onbereikbaar). Mocht het niet lukken dan stuur ik je een exemplaar. Het probleem is dat W & vS, in tegenstelling tot de uitgever van mijn proza (Liverse) niet is aangesloten bij het Centraal Boekhuis.


Op de avond dat jouw bericht arriveerde was ik op Poetry, onder andere voor de uitreiking van de C. Buddingh’- prijs. We zijn elkaar dus net misgelopen. Die uitreiking liep erg uit doordat de laureaat bij zijn lezing geen maat kon houden. Op een gegeven ogenblik begonnen de mensen zelfs weg te lopen. Remco Campert was al eerder boos vertrokken, omdat hij het werk van de bekroonde dichter zeer onder de maat vindt. Dat hoorde ik na afloop van een Rotterdamse dichteres die hem in Floor was tegengekomen. Ik vond het internationale programma boeiend, maar men zou naast het projecteren van de vertalingen deze ook weer (bij voorkeur door de vertalers) moeten laten voorlezen. Wat ik kwalijk vind dit jaar is het ontbreken van het vertaalproject. Dat ga ik Bas Kwakman zeker nog een keer laten weten. Ik ben overigens maar één avond geweest. Vroeger gingen Stella en ik bijna iedere avond, maar nu zij is overleden moest ik me werkelijk dwingen alleen te gaan. Ik kwam er weer wel diverse literaire vrienden tegen, zodat het 'toch nog gezellig' werd.


Je vraagt mijn mening over een eventuele uitgever. Commercieel zit je het best bij een van de grotere, Amsterdamse uitgevers, maar het is daar vaak een kwestie van ons kent ons, zodat je er niet gemakkelijk tussenkomt. In de jaren ’90 publiceerde ik regelmatig poëzie in Maatstaf, maar toen ik eens naar de Arbeiderspers belde of er wellicht een bundel in zat kreeg ik van een nogal chagrijnige Martin Ros te horen dat hij de voorkeur gaf aan 'eigen dichters.' Dit in verband met het beperkte aantal bundels per jaar. Na zo’n twintig gedichten (en een paar vertalingen, ondermeer van Yiannis Kontos) in het eigen literaire tijdschrift was ik kennelijk nog steeds een vreemde. Lukt het niet bij een hoofdstedelijke uitgever (ik geef je de meeste kans bij van Oorschot, daar zit L.F. Rozen ook met een deel van zijn werk, met het andere deel zit hij bij Wagner & Van Santen), dan zou je W & vS kunnen overwegen: prachtig verzorgde boeken, maar geen enkel benul van hoe ze moeten worden verkocht en buitengewoon vriendelijk, maar traag met alles. Een veelbelovende nieuwe poëzie-uitgeverij is De Contrabas van Chrétien Breukers en Ton van ‘t Hof. Liverse start binnenkort ook met een poëziereeks, onder redactie van Frits Criens. De Geus heeft trouwens ook een aardig poëziefonds, al vrees ik dat ze er de laatste tijd minder aan doen.


Tja, mijn 'werdegang' als dichter, vroeg je. Die begon op de middelbare school, zoals het hoort, in de schoolkrant. In 1969 publiceerde ik mijn eerste gedichten in een 'officieel' blad. Het culturele informatieblaadje BIJ, dat het CJP en de gemeente Dordrecht uitgaven. Mijn eerste verschijning in een literair blad was in 1974 in het Vlaamse Kruispunt, waarvan ik later zelf, tot het werd opgeheven in 2004, een aantal jaren redacteur ben geweest. In 1978 gaf ik mijn eerste bundel in eigen beheer uit en ondanks de aanmoedigingen en inspanningen van mijn bevriende buurt- en schaakteamgenoot Kees Buddingh' ben ik dat blijven doen tot 1999. Dat wil zeggen, de bundel die ik toen uitbracht verscheen bij een Griekse uitgeverij (Kodikas) en ook dat scheen hier te lande te gelden als eigen beheer. Officieel ben ik dus gedebuteerd in 2005 met In dit laagland, al had ik toen al een meer dan twintigjarige dichterscarrière achter de rug, grotendeels in het verborgene. Veel van mijn vroege poëzie heb ik overigens niet gepubliceerd en daarvan is vrijwel alles weggeraakt. Dat is maar goed ook, want wat je er als puber soms uitgooit... Ik kreeg onlangs een Hitweek uit 1969 onder ogen met daarin een brief van me. Dat was even schrikken.


Ik ben geen veeldichter. Gedichten moeten zich bij mij aandienen en dan ga ik ermee aan het werk. Eigenlijk schrijf ik veel meer proza (als je tenminste het dagboek meetelt dat ik sinds 1975 bijhoudt en waarvan een klein deel is terechtgekomen in mijn literair dagboek (kroniek) En vooral: de gordijnen dicht.). In het najaar komt een bundel verhalen uit, die allemaal al eens in tijdschriften hebben gestaan. Ik ben nogal bezeten van ego-literatuur en in die richting wil ik verder, zeker na de gunstige reacties op mijn literair dagboek. Dat neemt niet weg dat dichten voor mij het belangrijkste blijft. Mijn nieuwe bundel ligt bij W & vS, is daar van harte geaccepteerd, alleen over de verschijningsdatum denken we nog na, want die bundel en het verhalenboek moeten elkaar niet in de weg gaan zitten.


Ik heb van schrijven nooit mijn beroep gemaakt. Misschien was dat wel gelukt als ik alles op alles had gezet, maar ik ben het onderwijs ingegaan en daar werk ik nog steeds, al geef ik veel minder les dan vroeger. Ik ben op het ogenblik, zoals dat heet – leve de vernieuwing – 'seniordocent geschiedenis' aan de Vwo-afdeling van het Stedelijk Dalton Lyceum in Dordrecht. Daar heb ik het, al suggereert mijn literair dagboek soms anders, goed naar mijn zin. Fijne collega's, leuke leerlingen. Bovendien trek ik mij zelden of nooit wat aan van al die duurbetaalde zijlijnwerkers uit pedagogische centra, uit onderwijskundige faculteiten of van ander verfoeilijk volk, zoals betweterige journalisten of politici, die denken zich met ons werk te moeten bemoeien.


Je noemde Hendrik Carette. Ik ben een liefhebber van zijn werk. Ik ken Hendrik van Kruispunt, al is het jaren geleden dat ik hem ontmoette. We hebben wel contact met elkaar, meestal via onze wederzijdse vrienden, John en Marie-Thérèse Heuzel. Hendrik zou in het najaar naar Dordrecht komen, maar door Stella’s ziekte werd dat uitgesteld. Ik hoop dat het geen afstel wordt.


Een hartelijke groet,


Kees