Posts tonen met het label Belgie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Belgie. Alle posts tonen

woensdag, januari 07, 2026

Malheur




Elf jaar woonden mijn vrienden Guus en Pita in het Drentse Weerdinge op het landgoed De Landtsheerlijkheid. Daarna keerden ze terug naar Dordrecht, want dat is een wet die voor velen opgaat: Dordtenaren in de diaspora keren vaak terug op hun eiland. Er zijn ook Dordtenaren, zoals ik, die er niet over piekeren te vertrekken. Dat is weleens anders geweest. In de jaren zeventig was de stad lang niet zo bruisend als nu en had ik weleens het idee om uit te wijken naar Utrecht. Daar heb ik gestudeerd, maar ik ben er nooit gaan wonen.


In die Drentse tijd richtte Guus een leeskring op van de Dickens Fellowship. Ik werd Loa, lid op afstand. Een paar keer per jaar ondernam ik een treinreis naar Emmen, alwaar een koetsier op mij wachtte om me naar het landgoed te rijden. Hoogtepunt was het jaarlijkse Dickensdiner, waar niet alleen werd gegeten (alle leden droegen iets culinairs bij), maar ook voorgedragen en gemusiceerd.


Weerdinge is een dorp dat valt onder de gemeente Emmen, maar indertijd met een eigen karakter (hoe dat nu is weet ik niet, ik ben er al zeker zes jaar niet meer geweest), met een hecht dorpsleven, een toneelvereniging, een basisschool en het onvolprezen café De Roos, dat werd uitgebaat door het echtpaar Alfred en Marleen. Enkele jaren nadat Guus en Pita De Landtsheerlijkheid gingen bewonen werd het café helaas gesloten. Geen nood. Alfred en Marleen bouwden achter hun huis een 'zuipkeet', waar we van harte welkom waren.


In café De Roos verkocht men op voorstel van Guus een Belgisch bier, Malheur, van brouwerij De Landtsheer. Ik dronk dat graag, al moet je met de nummer tien oppassen, die is nogal straf. Tegenwoordig ben ik niet meer zo'n liefhebber van bier, vooral vanwege de eigenaardige Nederlandse gewoonte om donkere bieren ijskoud te serveren, iets wat onaangenaam is voor de maag en de smaak grondig verpest. Geef mij daarom maar rode wijn. Toch hoop ik Malheur nog eens in een Dordts etablissement tegen te komen. Dan zal ik er zeker eentje nemen, ook als het veel te koud wordt geserveerd. In dat geval vraag ik maar of ze het even in de magnetron willen zetten.


Foto: auteur



donderdag, juni 07, 2018

Pantzerkampfwagen



Omdat we toch in de buurt waren, besloten we een kijkje te nemen in Banneux. Dat was op 18 augustus 1983. We waren nog jong en onbedorven. Maria was nog nooit aan ons verschenen, maar dat kon kloppen. Zij verschijnt alleen aan goede katholieken, niet aan langharige, maar licht kalende, ongelovige leraren. We hadden een paar uur door de Ardennen gereden en waren toe aan een verzetje. Langs de weg naar de ingang van het bedevaartsoord, waar Maria zich naar verluidt in de jaren dertig enkele malen had vertoond, stond een lint van kramen, waar de meest schaamteloze relikitsch werd verkocht. Wij hadden daar wel schik in. Ik kocht een klein, plastic flesje, met de beeltenis van de heilige maagd, dat ik even later, bij de bron met wijwater vulde. 

Voor ons liep een gezet mannetje van een jaar of vijftig, met een echt kaal hoofd. Bij de bron aangekomen nam hij met zijn handen een ruime schep water en stortte dat uit over zijn schedel, alsof hij zichzelf doopte. Daarna sloeg hij een kruis en liep verder. Wij vonden die avond een hotel in Houffalize, een dorpje aan de Ourthe, waar tijdens het Ardennenoffensief stevig is gevochten. Dat zag je aan een Duitse Pantzerkampfwagen op het dorpsplein. Duitsers weten vrijwel overal een mooie naam aan te geven. Een paar weken eerder reisde ik met vrienden per trein van Nederland naar Wenen. Ergens in de schaduw van de Lorelei kwam een conducteur de kaartjes controleren. Die had ik op zak. 'Ah, sie sind der Minigruppenführer,' kraaide de man, waarna mijn vrienden mij de rest van de reis aanspraken als Herr Führer.

Aan de Ourthe dronken we Rochefort, een zes of een acht, daar wil ik vanaf zijn, en de volgende dag bezochten we Bastenaken, bekend van de wielerklassieker Luik-Bastenaken-luik. Daar is in de oorlog zo zwaar gevochten, dat ze er twee musea aan overhielden en een monument, die we allemaal bezochten. We hadden niet voor niets geschiedenis gestudeerd, mijn reisgenoot aan de University of Lancaster, ik aan de Universiteit Utrecht. Door onze studie waren wij nogal sceptisch ten aanzien van Mariaverschijningen en het effect van wijwater, maar om Pantzerkampfwagens kon je niet heen. Wij besloten nog een nachtje aan de Ourthe te blijven.

Eenmaal thuis zette ik het flesje wijwater naast mijn bejaarde platenspeler. Baat het niet, het schaadt ook niet. Die pick-up heeft nog jaren goed gewerkt, tot ik Stella leerde kennen, die een gloednieuwe stereotoren meebracht toen ze bij me kwam wonen. Zij was van huis uit orthodox. Het verschil tussen katholieken en orthodoxen zit hem in het kruis, dat sla je op een andere manier. In Rome van links naar rechts, in Constantinopel net andersom. Het flesje wijwater vond ze niet om aan te zien. Het is, zoals L.H. Wiener zo prachtig zegt 'verdwenen in de mist der mensen.'

Foto: Brian Lord


vrijdag, mei 20, 2016

Dolle Mol




Als we geen geld of tijd hadden voor Parijs, gingen we een dagje naar Brussel. Daar spreken ze tenslotte ook Frans, al is de stad officieel tweetalig. Met de trein ben je er vanaf Dordrecht al in een uur en drie kwartier. Brussel was voor ons vooral Mort Subite, Falstaff, Het Goudblommeke in Papier en uiteindelijk De Dolle Mol. Ons was verteld dat artistiek Brussel daar kwam. We hadden geen idee of dat klopte, artistiek Brussel was ons onbekend, maar de ober sprak Nederlands en er werd dezelfde soort muziek gedraaid als in Visser en De Vrijheid. Zonder de Mol was het uitje niet compleet.

Soms bezochten we een tentoonstelling in het Paleis voor Schone Kunsten. Dan regende het meestal. Op mijn maatje Thijs na, kon de vlooienmarkt ons niet bekoren. De gebouwen van de Europese Unie werkten deprimerend. Zoveel samengebalde wansmaak. Of het ooit wat zou worden met die Unie, betwijfelden we. Je kon aan de grens nog worden gecontroleerd of je niet te veel sigaretten en drank bij je had. Die waren in België goedkoper. Ik herinner mij een minister die in opspraak kwam omdat hij een kistje sigaren niet had aangegeven. Als de kakkerlakken van Powned het voor het zeggen krijgen, kan dat zomaar weer gebeuren.

De foto is uit 1980. In Brussel waren nog geen wijken vol verontwaardigde jongemannen met vlasbaardjes en een godsdienstwaanzinnige blik. Boze jongemannen, die menen dat verontwaardiging een vrijbrief is voor meedogenloos moorden. Wij waren ook boos, op onze manier. Wij uitten onze boosheid in gedichten, weigerden op vakantie te gaan naar landen die de doodstraf toepasten en haalden herinneringen op aan demonstraties tegen de oorlog in Vietnam. Twee jaar later feestte ik in hotel Torarica, in het Paramaribo van Roy Horb en Desi Bouterse. Zeven jaar later kreeg ik een Fulbrightbeurs en ging ik naar het verderfelijke Amerika. Ik vraag mij af: komt artistiek Brussel nog steeds bijeen in De Dolle Mol?


Foto: archief auteur



donderdag, januari 03, 2013

Wereldredder


Wat horeca betreft is het vernieuwde Zuidstation van Brussel er niet op vooruit gegaan. Tenminste, niet voor iemand die prijs stelt op een omgeving met een beetje niveau. Minstens dat van een bruine kroeg of een grand-café. Vreettenten genoeg, de ene nog armoediger ingericht dan de andere. Snel je prak of slok naar binnen en wegwezen. Als je uit het achterlijke Nederland komt, waar sowieso nauwelijks meer een station met een echte restauratie is te vinden, is het allemaal pure luxe, maar van een bedroevend platte soort. Ik ben uiteindelijk neergestreken bij Sam's Café, dat weinig van een café heeft. Het is een koffiebarretje waar je ook drank kunt krijgen en waar ik aan een wiebelend tafeltje in de stationshal zit te betreuren dat die aardige achterafbar uit de oude hal aan het modernisme is geofferd. Ik ben inmiddels omsingeld door vier leuke, Spaanse meisjes met vier enorme koffers. Het geeft een beetje gevoel van veiligheid in deze mensvijandige ruimte, waar ik nog drie kwartier moet doorbrengen. Ik heb mij bij het boeken van de Thalys naar Rotterdam een uur vergist. Vroeger stapte je gewoon in de eerstvolgende Beneluxtrein naar Dordrecht, maar ook dat comfort is door de NS verziekt. Ik was ooit een enthousiaste treinreiziger, tot de NS ging vernieuwen en moderniseren, wat voor Dordtenaren vooralsnog alleen maar slechtere en tragere verbindingen oplevert. Ze zouden je na een paar biertjes maar in zo'n akelige sprinter duwen, waarin niet eens een toilet is.

De Spaansen kwetteren er vrolijk op los. Het lijkt wel of ik nog in Londen zit, van waaruit ik zojuist met de Eurostar ben gearriveerd. Een prettige en comfortabele reis. Daar kan de intercity van Amsterdam naar Vlissingen niet tegenop, maar eerlijk is eerlijk, die is goedkoper. Bijna geen stationsrestauraties meer en geen catering in de intercity's. Hollandse karigheid troef. Ja, in de Fyra komen ze met een karretje langs, maar dat is voorlopig zo'n onbetrouwbare verbinding dat ik liever de Thalys neem, waarin het je aan niets ontbreekt. Koffie, thee en een hapje bij de prijs inbegrepen, want ik reis eersteklas op zulke afstanden. In Londen hoorde ik ook veel Spaans, Italiaans en Frans. Soms Portugees en gisteren zat ik in de metro tussen een stel Grieken. Er zongen ook veel talen rond die ik niet herkende, maar het was al met al een prettig, kosmopolitisch concert.

Hoe lang nog, denk ik als ik al die rampberichten lees over stijgende zeespiegels door razendsnel smeltende poolkappen. Ik blijf een optimist. Die Spaanse meisjes kunnen nog op een bergtop gaan zitten als de boel begint onder te lopen, maar wij? Heel Nederland op de Vaalserberg, dat wordt nog lachen. Erg gelachen heb ik ook om die idioten die zich op verschillende plekken op aarde verschansten omdat de wereld op 21 december zou vergaan, behalve het gat waar zij zich hadden ingegraven. Er waren er ook bij die geloofden dat zij daar tijdig door buitenaardse wezens zouden worden opgehaald. Geloven dat de wereld vergaat, het is een zich om de zoveel tijd herhalende psychose. Zeker, de wereld gaat een keer ten onder, omdat onze planeet niet langer tegen een uit haar voegen gefokte mensheid bestand zal blijken. Wie de wereld wil redden moet stoppen met kinderen maken. Ik kijk naar de Spaanse meisjes. Zij wekken bepaalde gedachten die mij doen beseffen dat ik niet voor wereldredder in de wieg ben gelegd.

©Kees Klok


maandag, november 15, 2010

Een jongen uit de Klaverstraat

Een van de mooiste boeken in de categorie memoires vind ik de pas verschenen heruitgave van de jeugdherinneringen van de Belgische politicus Achiel van Acker (1898-1975). In Herinneringen-Kinderjaren, beschrijft hij hoe hij opgroeide in het vroeg twintigste-eeuwse Brugge. Kind uit een gezin van twaalf dat moest zien rond te komen van de schamele verdiensten van zijn vader, een mandenmaker. Hij verhaalt op een eenvoudige, maar indringende wijze van de diepe armoede waartegen het leven in de 'straatjes' van Brugge zich afspeelde. Een bestaan dat in veel Nederlandse steden in die tijd niet veel anders moet zijn geweest. Het is een verhaal waaruit echter warmte blijkt en dat nergens rancuneus wordt. Hilarische belevenissen wisselen af met diep trieste episodes. Er was veel leed, maar er werd ook volop gefeest als daar reden toe was. De heilige communie, de kermis, de streken van sfeerbepalende figuren in de buurt, zoals het Schaap.


Het was een moeilijke jeugd, maar geen ongelukkige. Wel stuiten we voortdurend op schrijnende sociale verschillen, zoals die tussen de dragers van klompen en schoenen, of tussen wie door de kerk werd gekleed en wie niet. De kerk speelt nog een centrale rol in het leven, maar er is eveneens sprake van heel veel bijgeloof en kwakzalverij. Huiduitslag die werd bestreden met een smeersel van paardenvijgen, om maar iets te noemen. Soms zijn er homerische ruzies in de Klaverstraat, maar tegenover de buitenwereld is men solidair.


Het is een wereld die Van Acker zich met een zekere weemoed herinnert, maar ook met een scherp oog voor de gebreken. Hij zal tijdens zijn politieke carrière na de Tweede Wereldoorlog (waarin hij het viermaal tot minister-president bracht en ook tot voorzitter van het parlement), niet voor niets uitgroeien tot een van de grondleggers van het Belgische sociale stelsel. Een formidabele prestatie voor wat we nu een kansarme jongere zouden noemen, die slechts tot zijn elfde naar school mocht. Tijdens die schooltijd moest hij bovendien ook al regelmatig zijn vader helpen bij het werk.


In 1964 publiceerde hij zijn jeugdherinneringen voor het eerst. Een boek dat jammer genoeg in weinig Nederlandse bibliotheken te vinden zal zijn. Ik hoop dat deze uitgave, naar de moderne spelling omgezet en van voetnoten voorzien door John Heuzel, zijn weg ook in Nederland zal vinden. Het is een boek dat niet alleen van belang is voor (sociaal)historici. Het werpt een liefdevolle, maar kritische blik op een leven dat ook dat van veel van onze groot- en overgrootouders moet zijn geweest. Het kan worden gezien als een vermaning om behoedzaam om te gaan met onze sociale verworvenheden, die zowel in België als in Nederland zwaar onder druk staan. En bovenal: het is een verhaal dat diep ontroert en alleen daarom al niet ongelezen zou moeten blijven.



Achiel van Acker – Herinneringen-Kinderjaren. Opgroeien in het volkse Vlaanderen van 1900. Bezorgd door John Heuzel en Koen De Brabander. Uitgave: Tempus – The History Press. ISBN 978 1 84588 643 1.


Zie ook: http://www.uitgeverijtempus.be