Posts tonen met het label Charles Dickens. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Charles Dickens. Alle posts tonen

zondag, februari 08, 2026

Tweehonderdveertien




Gisteren, 7 februari, was de verjaardag van Charles Dickens (1812-1870). Traditiegetrouw zetten de leden van de Haarlem Branch van de Dickens Fellowship zich dan voor hun computer om via een programma als Zoom of Team een dronk op de grote schrijver uit te brengen. Het was zijn 214e geboortedag. In werkelijkheid is hij slechts achtenvijftig geworden. Opmerkelijk overleed een van de oprichters van de Haarlem Branch, Godfried Bomans, ook op achtenvijftigjarige leeftijd.


Dickens' tweehonderdste geboortejaar werd uitgebreid herdacht op de jaarlijkse Annual Conference van de Dickens Fellowship in Portsmouth, zijn de geboorteplaats. Ik had het genoegen daarbij te zijn en enkele inspirerende dagen door te brengen met Dickensians van over de hele wereld. Gisteren kon ik geen acte de présence geven, omdat ik aanwezig was bij de opening van de tentoonstelling Water en Licht in het Dordrechts Museum. Soms moet je een keuze maken.


                                                       Nazaat Gerald Dickens
                                      

Ik bezoek die Annual Conferences niet regelmatig, want soms vinden ze op te grote afstand plaats. In Australië, in de Verenigde Staten, op een niet zo verre, maar met het openbaar vervoer slecht bereikbare plek in Frankrijk bijvoorbeeld. Volgend jaar hoop ik, als ik tijd van leven heb, er weer eens wel bij te zijn. Dan vind de conferentie namelijk in Nederland plaats en ik ben zelfs uitgenodigd daar het woord te voeren. Waar, hoe, wat en waarover, dat horen jullie nog wel, maar ik ben me er alvast op aan het voorbereiden.


De Haarlem Branche komt zo'n vier keer per jaar bijeen, meestal in Haarlem, uiteraard. Hoogtepunt is altijd de kerstbijeenkomst in sociëteit Trou Moet Blycken in de Grote Houtstraat. De bijeenkomsten bestaan altijd uit een lezing, gevolgd door een diner waarbij op Dickensiaanse wijze tafelredes worden gehouden. Vooral in de geest van Mr. Pickwick. The Pickwick Papers is dit jaar het book of study, dat in de voorjaarsbijeenkomst aan de orde komt. Voor wie belangstelling heeft voor Engelse literatuur en vooral voor het nog immer actuele en bruisende werk van Dickens, is een lidmaatschap van de Haarlem Branch zeer aanbevolen. Men melde zich hier aan.


Foto's: auteur

woensdag, januari 07, 2026

Malheur




Elf jaar woonden mijn vrienden Guus en Pita in het Drentse Weerdinge op het landgoed De Landtsheerlijkheid. Daarna keerden ze terug naar Dordrecht, want dat is een wet die voor velen opgaat: Dordtenaren in de diaspora keren vaak terug op hun eiland. Er zijn ook Dordtenaren, zoals ik, die er niet over piekeren te vertrekken. Dat is weleens anders geweest. In de jaren zeventig was de stad lang niet zo bruisend als nu en had ik weleens het idee om uit te wijken naar Utrecht. Daar heb ik gestudeerd, maar ik ben er nooit gaan wonen.


In die Drentse tijd richtte Guus een leeskring op van de Dickens Fellowship. Ik werd Loa, lid op afstand. Een paar keer per jaar ondernam ik een treinreis naar Emmen, alwaar een koetsier op mij wachtte om me naar het landgoed te rijden. Hoogtepunt was het jaarlijkse Dickensdiner, waar niet alleen werd gegeten (alle leden droegen iets culinairs bij), maar ook voorgedragen en gemusiceerd.


Weerdinge is een dorp dat valt onder de gemeente Emmen, maar indertijd met een eigen karakter (hoe dat nu is weet ik niet, ik ben er al zeker zes jaar niet meer geweest), met een hecht dorpsleven, een toneelvereniging, een basisschool en het onvolprezen café De Roos, dat werd uitgebaat door het echtpaar Alfred en Marleen. Enkele jaren nadat Guus en Pita De Landtsheerlijkheid gingen bewonen werd het café helaas gesloten. Geen nood. Alfred en Marleen bouwden achter hun huis een 'zuipkeet', waar we van harte welkom waren.


In café De Roos verkocht men op voorstel van Guus een Belgisch bier, Malheur, van brouwerij De Landtsheer. Ik dronk dat graag, al moet je met de nummer tien oppassen, die is nogal straf. Tegenwoordig ben ik niet meer zo'n liefhebber van bier, vooral vanwege de eigenaardige Nederlandse gewoonte om donkere bieren ijskoud te serveren, iets wat onaangenaam is voor de maag en de smaak grondig verpest. Geef mij daarom maar rode wijn. Toch hoop ik Malheur nog eens in een Dordts etablissement tegen te komen. Dan zal ik er zeker eentje nemen, ook als het veel te koud wordt geserveerd. In dat geval vraag ik maar of ze het even in de magnetron willen zetten.


Foto: auteur



zondag, april 03, 2022

Cirkel




Lieve Stella,


Wij zijn allebei opgegroeid met de verhalen van onze ouders over de oorlog, jij zelfs met die over twee oorlogen: de Tweede Wereldoorlog en de Griekse burgeroorlog. Ik ben bang dat de kinderen van de huidige generatie gaan opgroeien met verhalen over de oorlog die Poetin in Oekraïne is begonnen. Die oorlog lijkt overigens slecht voor de Russen te verlopen, maar zeker weet je het nooit. List, leugens, bedrog, nepnieuws, het tiert alom welig. Op Youtube zie je voortdurend filmpjes waarin de Russen een of andere nederlaag lijden met een Amerikaanse commentaarstem die het gebruikte wapen, een 'stinger', een 'javelin' of een drone van Turkse makelij aanprijst. Omdat ik niet weet wat ik ervan moet denken, kijk ik er niet meer naar. Ik verdiep me liever in de geschiedenis. 


Gisteren heb ik het vuistdikke boek The Greek Revolution 1821 and the Making of Modern Europe van Mark Mazower opgehaald bij mijn Dordtse boekhandelaar. Ik hoop dat het afrekent met al die romantische heldenverhalen over 1821 en met een objectiever beeld komt. Dat weet ik pas als ik het heb gelezen, maar Mazower kennende zit het wat dat betreft wel goed. Weet je nog dat jouw Griekse vertaling van mijn geschiedenis van Cyprus in Thessaloniki werd gepresenteerd? De uitgever, University Studio Press, had een drietal hoogleraren in de geschiedenis bereid gevonden iets over het boek te zeggen. Een daarvan, ik zal zijn naam niet noemen, had eerder gewerkt bij het Museum voor de Macedonische Strijd, een verzamelplaats voor de meest abjecte, nationalistische propaganda. Hij viel over mijn gebruik van de alom geaccepteerde term 'de zieke man van Europa' voor het zieltogende Osmaanse rijk in de negentiende en vroege twintigste eeuw. Dat moest 'de zieke man zijn', zonder Europa, want het rijk was niet Europees. Geklets, vond en vind ik. Dat waren de twee andere professoren met mij eens, maar dat was niet het opvallendste aan de druk bezochte presentatie. Dat was het volledig ontbreken van hapjes en drankjes, waar ik mij toen nogal aan heb gestoord. 


Later heeft USP het goedgemaakt door een prachtige postume dichtbundel van jou uit te geven, die goed werd ontvangen in Thessaloniki. Uit de Nederlandse editie, die iets eerder verscheen bij Liverse, wordt weleens geciteerd in overlijdensadvertenties. Altijd zonder dat het mij, als rechthebbende, wordt gevraagd, maar omdat ik het mooi vind dat je na zoveel jaar nog wordt gelezen, val ik daar niet over. Vooral de laatste reeks gedichten, die je kort voor je overlijden schreef in het Albert Schweitzer Ziekenhuis, valt in de smaak.


In mijn vorige brief schreef ik dat de lente leek aangebroken. Afgelopen maandag zaten we nog met een clubje vrienden lekker in de zon op het terras van Centre Ville, maar een dag later al konden we onze winterkleren weer aan. Donderdag kwam de hovenier om enig snoei- en bemestwerk in de tuin uit te voeren en het nodige onkruid te wieden. Toen was het nat en koud, maar nog te doen, vrijdagmorgen werd ik wakker en lag er sneeuw. Dat was geen aprilgrap, maar niets veranderlijker dan het weer en dat precies in een tijd dat de regering ons oproept de kachel een paar graden lager te zetten vanwege dreigende gasproblemen door de oorlog. 


Poetin tegenwerken door in de kou te gaan zitten. Ik denk er zo het mijne van, maar ik heb toch maar het 'Griekse systeem' ingevoerd, uit de tijd dat we in ons appartement in Thessaloniki nog afhankelijk waren van de blokverwarming in het gebouw. De huismeester zette dan om een uur of zeven 's morgens de kachel aan, tot een uur of tien, en daarna ging hij omstreeks vijf uur weer aan. Winterkou of niet. Hier gaat hij om zeven uur even flink aan tot een uur of negen, daarna kan hij een stuk lager, want het koelt maar langzaam af, voordeel van een tussenwoning, en zeker als ik boven werk kan dat tot aan het eind van de middag duren. 's Nachts staat de thermostaat al jaren op 15 graden, ook in jouw tijd deden we dat al. Veel in de kroeg zitten is trouwens ook een adequate oplossing om gas te sparen, maar financieel pakt dat iets anders uit.


Ongeveer een jaar geleden publiceerde columnist Kees Thies zijn boek 10 Jaar Thies in 250 columns. Ik heb het toen direct aangeschaft, want ik lees Kees graag. Door alle coronatoestanden duurde het tot gisteren voor hij het boek eindelijk kon presenteren. Dat gebeurde in de Trinitatiskapel in de Vriesestraat, waar ook vaak de lezingen van de vereniging Oud-Dordrecht worden gehouden. Je denkt misschien dat het een beetje mosterd na de maaltijd was, maar ik vond het een goede manier om het boek opnieuw onder de aandacht te brengen. Het was aangenaam druk, Kees las enkele boeiende columns en Ilona Snip (Thisgirlslife Ilona) zong een aantal liederen (waarvan een met haar vader) en dat vond ik het hoogtepunt van de middag. Ik ben een groot fan van Ilona. Niet alleen een geweldige liedjesschrijfster en zangeres, maar ook een ontzettend aardige vrouw. Ik weet nog dat ze mij opzocht kort nadat ik uit het ziekenhuis kwam, na mijn hartstilstand, en het huis ineens vol bloemen stond. Na afloop was er een gezellige borrel (koster Jan Lokhorst is een uitstekende gastheer), waarna ik, het zal je niet verbazen, samen met Gerrie Edelman, die ook aanwezig was, nog gezellig ben gaan naborrelen in Visser. 


Donderdag kreeg ik een minder prettig bericht: de Annual Conference van de Dickens Fellowship, die in juli in Haarlem zou plaatsvinden is afgelast. Reden: er zijn te weinig inschrijvingen uit het buitenland. Vooral de Amerikanen, Australiërs en Nieuw-Zeelanders laten het afweten. Wij vermoeden dat dat komt door angst voor eventuele nieuwe coronamaatregelen en vooral door de oorlog in Oekraïne. Erg jammer want de Haarlem Branch zou de conferentie eerst in 2021 organiseren, wat niet kon doorgaan door de pandemie en nu valt hij weer in het water. Ik had me verheugd een aantal internationale leden terug te zien. 


De laatste keer dat ik bij een Annual Conference was, was alweer in 2015 in Bristol. Daarna zou hij in Christchurch in Nieuw-Zeeland zijn, dat was me te ver, en vervolgens in Aberdeen, Boulogne-sur-Mer, Eastbourne en nog wat verder gelegen plaatsen waar ik geen gelegenheid had om naartoe te gaan. Tijdens corona werd een 'Zoom-conferentie' gehouden, waar ik helemaal geen zin in had, dus je begrijpt dat ik me op Haarlem had verheugd, te meer daar er ook een 'buitendag' in Dordrecht zou worden gehouden, die ik samen met de andere Dordtse leden al bezig was te organiseren. Het museum, de stadsgidsen en Visser, waar de bezoekers koffie met poffertjes zouden krijgen, heb ik inmiddels afgezegd. Het hotel in Haarlem heb ik voor de tweede keer moeten afzeggen, want daar had ik eerder geboekt voor een familieverjaardag die door corona niet kon doorgaan. Zo krijgt een mens ongewild toch een beetje een slechte naam, al gaat die 'buitendag' er nog wel een keer komen, alleen voor de leden van de Haarlem Branch. 


Uit een van de columns in 10 Jaar Thies blijkt dat Kees een liefhebber is van het werk van Godfried Bomans, die in 1956 met enkele vrienden het initiatief nam, zoals je weet, tot het oprichten van de Haarlem Branch en zo is de cirkel toch weer een beetje rond.


In gedachten, altijd,


Kees


Dordrecht, 3 april 2022


Foto: auteur


zondag, maart 13, 2022

Jus op de stamppot




Lieve Stella,


Nog niet alles is weer normaal qua coronamaatregelen, maar de toestand is wel sterk verbeterd. We kunnen weer als mensen bij elkaar komen en niet als schuwe, wantrouwende, angstige, elkaar op afstand omcirkelende dieren. Zodoende hadden we vrijdag, voor het eerst sinds meer dan twee jaar, weer eens een borrel met het Genootschap ter Bevordering van Eb & Vloed, je weet wel, de informele club van een aantal collega's en oud-collega's van het Stedelijk Dalton Lyceum, dat nog steeds door menige leerling of oud-leerling 'college' wordt genoemd. Sommige woorden zijn zo hardnekkig ingeburgerd dat ze niet uit te roeien zijn. Zo heten schoolmeesters en -juffen tegenwoordig alweer enige tijd wettelijk gezien 'leraar', maar kinderen en ouders hebben het nog altijd over de meester of de juf. Ik mag dat wel.


Je komt weleens iemand tegen die vraagt wat ik in mijn leven heb gedaan en dan vertel ik altijd dat ik mijn werkende leven begonnen ben als onderwijzer. Ik behaalde indertijd een Akte voor Volledig Bevoegd Onderwijzer. Dat ben je dan dus. Helemaal waar is het niet van dat werkende leven, want ik heb voor ik ging studeren eerst nog een aantal maanden bij een Rotterdams scheepvaartkantoor gewerkt. Daarover heb ik je weleens verteld en dat ik daardoor al snel tot de conclusie kwam dat het kantoorleven niets voor mij was.


Nu bijeenkomsten weer mogelijk zijn, ben ik gisteren naar de voorjaarsbijeenkomst van de Haarlem Branch van de Dickens Fellowship geweest, in Het Wapen van Kennemerland, aan de rand van Haarlem bij Overveen. Meestal vond die bijeenkomst plaats in het geschiedkundig bekende etablissement Kraantje Lek, maar dat is recentelijk verbouwd en daardoor niet meer geschikt voor onze activiteiten. Iedere afdeling van de Fellowship heeft een officieel charter. Het onze heeft jarenlang in Kraantje Lek gehangen, waar de afdeling ooit werd opgericht, maar het verhuist nu naar de herensociëteit Trou moet Blycken, waar het jaarlijkse kerstdiner wordt gehouden. 


Meestal logeer ik na een bijeenkomst met de rest van de Dordtse leden, de heren Waaifoort en De Landtsheer, in een hotel tegenover de St. Bavo. Haarlem is een aangename stad om te verblijven, maar dit keer hebben we toch na afloop van het traditionele diner waarmee de middag wordt afgesloten, de trein huiswaarts genomen. Sinds de horeca weer volledig open is, is het leven al duur genoeg om maar niet te spreken van de stijgende energieprijzen door de afgrijselijke oorlog in Oekraïne. Die hing als een slagschaduw over de middag. Zelfs de altijd even interessante als vermakelijke tafelrede's lijken er onder te lijden, wat bijzonder jammer is, want naast de lezing, de borrel, het diner en het prettige gezelschap, zijn die rede's de jus op de stamppot. We aten trouwens hamburgers. Een beetje bijzonder in een waardig gezelschap als de Haarlem Branch.


Het Wapen van Kennemerland en Kraantje Lek liggen op ongeveer dezelfde loopafstand vanaf het station van Overveen. Een minuut of twintig. Als we vroeger bij mooi weer naar Kraantje Lek wandelden, moest ik bij nadering van het etablissement altijd denken aan het jaar 1968, toen ik eindexamen mulo deed. Daarvoor moest je een paar boeken lezen die de leraar je opdroeg. Van enige vrije keuze was geen sprake, want in die tijd wisten je mulo-leraren nog veel beter wat goed en stichtend voor je was dan jij. Het was jarenlang hetzelfde rijtje, waarvan ik me er een paar herinner: OeroegHet Bittere KruidDe Herberg met het Hoefijzer en Camera Obscura. Het kan zijn dat het er nog een of twee meer waren, maar die heb ik dan verdrongen. 


Nu goed, Kraantje Lek naderend doemde in gedachte altijd de gestalte op van de leraar Nederlands, die in die tijd ook nog een ruim aantal andere vakken gaf: tekenen, muziek, geschiedenis, natuurkunde en weet ik veel waarvoor ze toen allemaal niet op grond van hun 'oude hoofdakte' bevoegd waren. Die leraar was geheel in de greep van Nicolaas Beets en zijn Camera Obscura. Hij kon er aardig over vertellen, meen ik me te herinneren, maar echt enthousiasme bij ons wekken, nee in feite niet. Het enige wat ik me uit het boek herinner is dat diakenhuismannetje. 


Eigenlijk is dat best een beetje merkwaardig, want vanaf de eerste kennismaking is Beets zijn tijdgenoot Charles Dickens een van mijn meest favoriete schrijvers. Beets was maar twee jaar jonger dan Dickens, al is hij wel veel ouder geworden. Het zal een kwestie van leeftijd zijn geweest. Toen ik een jaar of achttien was, moest ik op de havo Max Havelaar lezen. Ik vond er geen bal aan. Tien jaar later pakte ik het nog eens op en verslond het. Misschien moet ik de kennismaking met het diakenhuismannetje maar eens hernieuwen, want zo langzamerhand begint door te dringen dat de Nederlandse literatuur van de negentiende eeuw, algemeen verguisd in mijn studententijd, aan een flinke herwaardering toe is. Vooral dankzij de inspanningen van emeritus professor Marita Mathijsen. Ik heb je indertijd geschreven over haar prachtige Jacob van Lennep-biografie.


Die oude hoofdakte, ik weet niet precies meer hoe het zit, maar toen ik mijn Akte voor Volledig Bevoegd enzovoort behaalde, kreeg je er gratis een bevoegdheid bij voor de onderbouw van het middelbaar onderwijs, maar alleen voor de vakken Nederlands en rekenen, meen ik. Wie voor 1968 een zogenaamde hoofdakte behaalde aan een kweekschool was voor zowat elk vak in de onderbouw bevoegd. Zo hadden wij eens Frans van een leraar Duits die ook wat bijkluste met aardrijkskunde. In al die vakken wel bevoegd, maar in het geval van deze meneer (namen noem ik maar niet, want ik ben bevriend met een der nazaten), volledig onbekwaam. Oeroeg en Het Bittere Kruid, ze worden geloof ik nog steeds voor het eindexamen gelezen. 


Dat is trouwens ook zo'n hardnekkig woord: kwekeling. Ik studeerde aan een Pedagogische Akademie (jawel, toen met een k), maar was tijdens de praktijklessen nog altijd kwekeling. Mijn eerste praktijkles ooit was op de school waar ik nu al tweeënveertig jaar tegenover woon, bij een onderwijzer die nog in een stofjas rondliep en de bijnaam Kippie had, maar het was wel een les geschiedenis en zo wierp de toekomst een schaduw vooruit.


Het Wapen van Kennemerland ligt aan een weidse weide met daarachter een bos. Althans zo lijkt het, heel goed ken ik die omgeving niet. Ik herinner me een eerdere keer dat ik er was, toen de zon niet scheen, zoals gisteren. Toen lag er een soort nevel over de weide en het bos, wat een mysterieuze sfeer schiep. Alsof er ieder ogenblik zoiets als een stel witte wieven uit tevoorschijn kon zweven. Ik kan me voorstellen dat Kennemerland voor schrijvers zoals Bomans en Wiener (over wie het gerucht gaat dat hij niet ver van die plek ergens zijn stamcafé heeft, maar dit terzijde) een inspiratiebron vormde en vormt. Als ik niet in Dordt was geboren en getogen en inmiddels zo vastgegroeid dat ik mijn prachtstad niet meer wil verruilen voor iets anders, zou ik zeker wel in Haarlem willen wonen. Wij hebben het daar weleens over gehad, weet je nog, in de eerste jaren dat we elkaar kenden. 


In gedachten, altijd,


Kees


Dordrecht, 13 maart 2022


Foto: auteur



dinsdag, maart 08, 2022

Dickensiana en andere wetenswaardigheden




Lieve Stella,


Met het werk aan literair dagboek deel acht ben ik nu gevorderd tot net na jouw eerste bezoek aan Dordrecht, tijdens de kerstvakantie van 1987. Ik heb het al eerder opgemerkt, maar het geheugen doet vreemde dingen met de mens. Zo weet ik me nog haarscherp jouw kennismaking met mijn ouders te herinneren en hoe zeer je bij hen in de smaak viel, maar dat we, nadat ik je op Schiphol had opgewacht, direct doorgingen naar Amsterdam om een tentoonstelling van Toulouse-Lautrec te gaan zien in het Van Gogh-museum, was me totaal ontschoten. Ik weet nog wel dat we tussen Kerst en Nieuwjaar naar Brussel zijn geweest, waar we bij je vriendin Dimitra en haar man Raymond gastvrij werden ontvangen, maar dat we die middag ook op zoek zijn geweest naar het adres van Sofronis Hatzisavvidis, die toen aan een internationale school daar lesgaf, wist ik eveneens niet meer. Uit het dagboek blijkt dat jij zijn adres niet had en dat zijn telefoonnummer kennelijk was gewijzigd, want dat werkte niet. We zijn toen langs de Belgische vreemdelingenpolitie gegaan, die ons heel bereidwillig aan het adres hielp, ergens in de diplomatenwijk, maar toen we daar eenmaal aankwamen, was er niemand thuis. Daarop zijn we maar naar Theater Toone gegaan, waarvan ik me afvraag of het nog bestaat. Ik kan het 'googelen', maar het is leuker om zelf in Brussel te gaan kijken en daarbij gelijk wat vrienden op te zoeken. 


Als we van de maskers in de trein af zijn. Die hebben nog steeds een belemmerende invloed op mijn reislust, maar ik zal eerstdaags toch een keer naar Haarlem moeten voor een bijeenkomst en naar Amsterdam voor een vergadering. We zien wel hoe de wind tegen die tijd waait. In Haarlem hebben we de voorjaarsbijeenkomst van de Dickens Fellowship. Daar zal het ongetwijfeld ook gaan over de Annual Conference die wij dit jaar organiseren. Als die smerige oorlog in Oekraïne het niet onmogelijk maakt, of het opduiken van een nieuwe covid-variant met de gebruikelijke hysterie. Jammer dat die conferentie samenvalt met het Big Rivers Festival, dat eindelijk, na twee bittere jaren, weer wordt georganiseerd. Nu ja, dan alleen maar meegenieten op de afterparty's.


Over de Dickens Fellowship gesproken: wist je dat Pietsie Bomans, de weduwe van Godfried, de bekendste oprichter van de Haarlem Branch, onlangs is overleden? Vier dagen na haar 101e verjaardag. Jij hebt haar verschillende keren ontmoet als we samen naar de lezingen met diner in Haarlem of Overveen gingen. Gé Vaartjes, je weet wel, van die mooie biografie over Top Naeff, werkt nu aan een biografie over Godfried Bomans. Het gerucht gaat dat Pietsie daar niet altijd even enthousiast over was, maar nogmaals, dat is een gerucht. Ik heb het nooit kunnen checken, want de laatste keer dat ik haar sprak, voor mij was ze natuurlijk altijd mevrouw Bomans, niet Pietsie, was op een ijzige en besneeuwde winterdag in Haarlem, ik meen in 2012, toen ze het eerste exemplaar van het boek Dickens in de Lage Landen in ontvangst nam en toen wist ik nog niet van de biografieplannen van Vaartjes.


Onlangs las ik Charles Dickens and his Circle van zijn achterkleindochter Lucinda Hawksley. Een serie portretten (prenten of foto's) van mensen uit Dickens' kring van vrienden en bekenden. Een heel aardig en zeer lezenswaardig boekje, met soms unieke foto's, nu ja, voor mij unieke foto's, ze zullen heus ook wel ergens op het internet te vinden zijn. Ik weet nu bijvoorbeeld dat de vriendschap tussen Dickens en Edgar Allan Poe ten einde kwam omdat Poe ervan overtuigd was dat een artikel over Amerikaanse poëzie, waarin hij er niet best vanaf kwam, door Dickens was geschreven. Het was echter van de hand van Dickens' beste vriend en eerste biograaf John Forster, dus zover zat Poe er niet naast. Een aangebrand mannetje leek Poe mij wel. Dickens heeft geprobeerd hem ervan te overtuigen dat hij dat stuk niet had geschreven, maar dat geloofde Poe niet. 


Wie ik mis in Lucinda's boekje is Ary Scheffer. Dickens en Scheffer hebben elkaar gekend, ze ontmoetten elkaar in Parijs en Scheffer heeft zijn portret geschilderd. Daarover heeft Jos Deuss, de vroegere restaurateur van het Dordrechts Museum, nog eens een boeiende lezing gehouden voor de Haarlem Branch, tijdens een 'buitendag' in Dordt. Daarna gingen we eten in het inmiddels failliete hotel Bellevue (echt een drama, hotel op een van de mooiste plekjes van Europa en dan toch failliet gaan, maar dit terzijde). Tijdens de wandeling van het museum naar Bellevue werden we overvallen door een welhaast tropische wolkbreuk. Ik zie de eerbiedwaardige leden van de Haarlem Branch nog in paniek allerlei portieken en winkels op de Voorstraat in vluchten. Bij dat diner was ook Charles Dickens aanwezig. De Dordtse naamgenoot van de grote schrijver, die overigens nog steeds in Dordrecht woont en ook lid is van de Haarlem Branch. Genoeg Dickens, maar reken er maar op dat als de Annual Conference doorgaat de 'Dordtse factie' van de Branch Lucinda, die al een paar keer lezingen heeft gegeven in Haarlem, over de in Dordrecht geboren Scheffer gaat aanspreken. 


Deze week gaan Guus de Landtsheer en ik weer aan de slag in het archief. In ons nieuwe onderzoek gaan we ons richten op de Spaanse griep in Dordrecht. Je begrijpt dat het na alle corona-ellende een voor de hand liggend onderwerp is. Ooit, lang geleden, nog voordat we allebei ons doctoraal geschiedenis deden, hebben we ons eens beziggehouden met de cholera-uitbraken in de stad, maar daaruit is nooit een artikel voortgekomen. Ik begrijp dat iemand anders zich daarop heeft gestort, want op 17 maart is er een lezing van de vereniging Oud-Dordrecht over de cholera-uitbraak van 1866. Gelukkig kunnen dit soort lezingen weer. Ik heb ze erg gemist. Met enige regelmaat was er wel een 'zoomlezing', dan zat je met een hele club op je computer naar al die venstertjes te staren, maar dat kan het genoegen van de fysieke aanwezigheid niet evenaren. Het enige aardige ervan was, dat je wel even, zij het indirect, contact had met mensen van over de hele wereld met dezelfde belangstelling, bijvoorbeeld bij lezingen van de Levantine Heritage Foundation, maar voor de rest vond ik het maar niets.


Langzamerhand begint het een beetje op lente te lijken, al staat er al dagen een nare, ijzige wind. Uit die wind en in de zon is het op een terras te doen, mits nog wel ingepakt in winterkleren. Ik ben niet zo van als de zon schijnt direct buiten te willen zitten, maar gisteren op het terras van Centre Ville, waar ik op maandagen weleens kom als Visser gesloten is, was het aardig te doen, hoewel ik naar binnen zou zijn gegaan als er niet een groepje vrienden zat. Iemand vroeg me: 'Hoe lang kom jij hier al?' 'Vanaf eind jaren zestig', antwoordde ik naar waarheid. Daarna heb ik hem verteld dat mijn grootvader van moederskant in 1891 boven Centre Ville is geboren, een verhaal dat ik heel vaak vertel, maar dat leuker is geworden nu ik inmiddels weet wat er in het pand zat voor overgrootvader Daniel Bekker er rond 1880 een café begon en wie, toen hij naar de Nieuwbrug verkaste, zijn opvolgers waren, tot aan de huidige uitbater, Dries Schilten, met wie ik nog op de middelbare school heb gezeten, maar daarover schrijf ik nog even niet, want daar wil ik een artikel over maken. Buiten het terras, in de wind, was het misschien zeven/acht graden. Toch zag ik een jongeman lopen in een t-shirt en een korte broek. Bij sommige mensen heeft het voorjaarszonnetje een wel heel merkwaardige uitwerking op de hersenen. 


In gedachten, altijd,


Kees


Dordrecht, 8 maart 2022


Foto: auteur


maandag, februari 07, 2022

Te jong


Midden: achterkleinzoon Gerald Dickens die lezingen 

uit het werk van zijn overgrootvader verzorgt.


Het is vandaag 210 jaar geleden dat in Portsmouth Charles Dickens werd geboren. Een van de grootste schrijvers ter wereld, wiens werk nog steeds actueel en uitstekend leesbaar is. Als hij een eeuw later was geboren, had hij vrijwel zeker de Nobelprijs voor Literatuur gewonnen, een prijs die nog aan geen enkele Nederlandse schrijver is toegekend, al hebben we in Marieke Lucas Rijneveld een goede kanshebber, mocht het mensdom nog enige tijd op aarde gegund zijn. Als ik kijk naar de kortzichtige en onnodige uitbreiding van de Navo naar het oosten, na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie, en naar de manier waarop de zich niet geheel ten onrechte bedreigd voelende Vladimir Poetin denkt een verdere uitbreiding te voorkomen, ben ik er niet gerust op. Dat ben ik evenmin als ik het geloei van de sportverslaggevers bij de Olympische winterspelen in China hoor, want China roept bij mij bijzonder nare associaties met totalitarisme op. Lees het boek Selma van Carolijn Visser maar eens. Het regiem daar is sinds Selma Vos er haar einde vond, volgens mij nog geen steek veranderd, het is alleen naar buiten toe steeds intimiderender gaan optreden. Het is een land waar de Olympische spelen niet thuishoren. Die horen eigenlijk altijd en alleen maar thuis in Griekenland, maar dit terzijde.


Tien jaar geleden was ik in Portsmouth om de 200ste geboortedag van Charles Dickens te vieren. Gelukkig niet in februari, al wordt het aan de Engelse zuidkust zelden erg guur, maar in juli. De bicentennial, zoals het heette, werd gedurende het hele jaar gevierd, ongeveer net zoals mijn stad, Dordrecht, bezig is haar 800-jarig bestaan te vieren. Erger nog, dat doet Dordrecht door corona gedwongen al méér dan een jaar, terwijl de stadsrechten toch echt nog wel ietsje ouder dan 800-jaar zijn, maar daar hoor je weinig meer over. Ter ere van de bicentennial organiseerde de afdeling Portsmouth van de International Dickens Fellowship de jaarlijkse Annual Conference, die in 2022 overigens in Haarlem wordt gehouden, met een dagtripje naar Dordrecht, de Eerste en oudste stad van Holland.


Het was een bijzonder geslaagd congres, qua lezingen en excursies, waarvan er eentje ging naar Chawton House, een landhuis waar ooit de broer van Jane Austen woonde. En passant bezochten we ook het nabije Steventon, waar Jane zelf woonde. Met slechts de helft van het gezelschap. Het Steventon van Jane Austen ligt in Hampshire, maar een van de twee touringcars die voor ons transport waren gehuurd, zette per abuis koers naar een ander Steventon, in Oxfordshire. Ik zat in de goede bus en heb daardoor het buitengewoon interessante bezoek aan Chawton House, waarin een onderzoeksbibliotheek is gehuisvest die zich uitsluitend richt op vrouwelijke, Britse schrijfsters, gelukkig niet gemist. De zon scheen, de lunch werd daarom in de romantische tuin geserveerd. Daarna maakte ik een wandeling over de rest van het landgoed en dacht aan Jane Austen en aan Charles Dickens, beiden veel te jong gestorven, evenals Dickensbewonderaar Godfried Bomans, wiens 50ste sterfdag op 22 december van het vorige jaar werd herdacht. Bomans, die met enkele vrienden in 1956 de Haarlem Branch van de Dickens Fellowship oprichtte.


Foto: auteur


vrijdag, december 10, 2021

Verplichte kost




'Now, what I want is, Facts. Teach these boys and girls nothing but Facts. Facts alone are wanted in life. Plant nothing else, and root out everything else. You can only form the minds of reasoning animals upon Facts: nothing else will ever be of any service to them. This is the principle on which I bring up my own children, and this is the principle on which I bring up these children. Stick to Facts, sir!'


Het zijn de openingswoorden van de roman Hard Times van Charles Dickens. Aan het woord is Thomas Gradgrind, gefortuneerd koopman in ruste, lid van het Lagerhuis en vader van Tom en Louisa. Zij hebben het geluk de opvoeding door Gradgrind aan den lijve te mogen ervaren. Een opvoeding gebaseerd op het idee dat alleen rationele regels kinderen kunnen vormen tot maatschappelijk succesvolle mensen. Een gedachte die teruggaat op de Verlichting met zijn idee dat de ratio de basis is van de maatschappelijke vooruitgang. Een filosofie met politieke gevolgen, zoals de ontwikkeling van het vrijheidsideaal, dat in de Franse Revolutie leidde tot de Verklaring van de Rechten van de Mens en van de Burger. Dat de ideologie meestal mooier is dan de praktijk kunnen wij meer dan tweehonderd jaar na het uitbreken van de Franse en Industriële Revolutie met the benefit of hindsight gemakkelijk vaststellen. 


Het vrijheidsideaal uit de Verlichting leidde tot de ontwikkeling van het liberalisme, een stroming die te verdelen is in twee takken. Een politieke, waarin vooral het ideaal van de persoonlijke, individuele en politieke vrijheid voorop staat en een economische waarin het vooral gaat om de vrijheid van ondernemen, bij voorkeur niet gehinderd door enige regelgeving vanuit de overheid. De markt, het spel van vraag en aanbod, van onderlinge concurrentie, zou het regulerend mechanisme vormen van de economie. Een crisis, te zien als een tijdelijke ziekte, zou door dokter Markt uiteindelijk worden genezen. 


Anders dan hij geloofde leidden de opvoedkundige principes van Thomas Gradgrind tot twee gemankeerde kinderen. Een diep ongelukkige Louisa, die, omdat het rationeel zou zijn, trouwt met Josiah Bounderby, een rijke fabrikant, toonbeeld van een selfmade man, maar uiteindelijk een bedrieger, vriend van Gradgrind, van de leeftijd van haar vader. Een ontspoorde en in het kwaad doortrapte Tom, die uiteindelijk de bank van Bounderby berooft en er tenslotte, dankzij Louise en zijn vader, mee wegkomt. Als Louisa haar echtgenoot verlaat, omdat zij vermoedt verliefd te zijn op een ander, en als blijkt dat Tom een schurk is, komt Gradgrind tot de conclusie dat zijn principes hebben gefaald. Hij wordt daardoor een wijzer man, die gaat inzien dat er meer in het leven is dan 'facts'. 


Het geloof in de ratio, zo laat Dickens ons zien, is een blind geloof. In de loop van de negentiende eeuw komt men tot het besef dat ook het geloof in de heilzame werking van de markt blind is, omdat het uitgaat van de aanname dat mensen in economisch opzicht altijd rationeel handelen. Dat blijkt niet zo te zijn. Rationaliteit en moraliteit zijn soms strijdig met elkaar en dan valt de keuze, laten we ons daar gelukkig om prijzen, vaak uit ten voordele van de moraliteit. Zodoende kwam er langzamerhand een einde aan de ontstellende misstanden, vooral in de steden, die de Industriële Revolutie onder grote delen van de arbeidende bevolking veroorzaakte en die wij uit meer boeken van Dickens dan Hard Times alleen kennen. In Hard Times is Stephen Blackpool het voorbeeld van een moreel hoogstaand man, ondanks zijn beklagenswaardige situatie en het misbruik dat men van hem probeert te maken, de tegenhanger van een type als Bounderby, die het slechts om gewin gaat. 


In Hard Times pakt Dickens de uitwassen van de Industriële Revolutie aan en het geloof in de ratio. Dat maakt het boek ook in onze tijd actueel. In de loop van de negentiende eeuw groeit het besef dat er grenzen gesteld dienden te worden aan het ongebreidelde kapitalisme met zijn geloof in de almacht van de markt en dat de staat een bredere taak had dan het handhaven van de orde en de verdediging van het grondgebied. Er kwam sociale wetgeving, al was het alleen al om opstand en revolutie te voorkomen. Wetgeving die leidde tot gezondere, productievere en beter geschoolde werknemers. Vooral door de crisis van de jaren dertig van de vorige eeuw werd de vrijheid van de financiële wereld ingeperkt, om herhaling van een Krach als die van 1929 te voorkomen. 


Media jaren zeventig ontwikkelde de Chicago School of Economics, invloedrijk in de wereld der economische wetenschap, het concept van de new classical macroeconomics, dat zwaar leunde op het idee van rationaliteit. Economen uit deze school, zoals Milton Friedman, begonnen ineens weer het geloof in de almacht van de markt te prediken. Politiek werden die gedachten overgenomen door neo-conservatieven als Ronald Reagan en Margaret Thatcher, maar ook, geheel of gedeeltelijk, door allerlei conservatieven, liberalen en politici van het centrum in de rest van Europa. De banken kregen opnieuw vrij spel, verworven rechten van werknemers moesten wijken voor het vrije spel van ondernemers, de overheid moest 'een stap terug doen,' ten behoeve van de markt. Ook in ons land. Overheidsbedrijven moesten worden geprivatiseerd, de energiemarkt moest worden 'geliberaliseerd,' evenals het openbaar vervoer. Er kwam concurrentie tussen de ziektekostenverzekeraars. 


Hoe dat vanaf de bankencrisis van 2008 tot op heden allemaal uitpakt, kunnen we dagelijks in de media vernemen. Wat duidelijk is, is dat ook dit keer de veronderstelling dat de mens economisch altijd rationeel handelt, gebaseerd is op drijfzand. Dat begint al bij ons zelf. Ik ga echt niet ieder jaar vanwege enkele euro's van energieleverancier wisselen, of van ziektekostenverzekeraar, laat staan van telefoonaanbieder. Je weet maar nooit hoe dat met je vertrouwde nummer afloopt. Het zou mij financieel gewin kunnen opleveren, maar ik ben al meer dan dertig jaar tevreden met de meeste 'nutsbedrijven' waarbij ik klant ben. Toen op een zondag de hoofdschakelaar kortsluiting maakte, stond mijn energiebedrijf binnen een uur aan de deur om het probleem te verhelpen. Voor de sociaal-economische ontwikkelingen in onze samenleving is Dickens nog steeds hoogst actueel. Vaak denk ik: een boek als Hard Times zou, in ieder geval bij de studie economie, verplichte kost moeten zijn.


Foto: auteur


donderdag, mei 14, 2020

Hard Times




De vierde dag van de IJsheiligen. Hierna kunnen de geraniums en de eenjarige planten de tuin in. Door de mooie dagen in april is dat bij hem al gebeurd. Al zijn geraniums hebben, buiten, de winter overleefd. Hij heeft iets met geraniums. Dat heeft niets met zijn leeftijd te maken. De uitdrukking 'achter de geraniums zitten' vindt hij vervelend, want nogal stigmatiserend.

Geraniums associeert hij met Charles Dickens, een van zijn favoriete schrijvers. De bloem is het symbool van de internationale Dickens Fellowship, waarvan hij al meer dan veertig jaar lid is. Het symbool ook van de armen, waarvoor Dickens het zo vaak opnam. Een sprekend voorbeeld is de roman Hard Times.

Hij zou in juli naar de jaarlijkse internationale conferentie van de Fellowship reizen. Dit jaar in Londen. Hij zag er naar uit. Behalve de lezingen, de excursies en de avonden met negentiende eeuws vermaak, trekt hem het weerzien met oude bekenden van over de hele wereld. Dickensians uit Australië, Nieuw-Zeeland, Japan, Canada, de VS. Uit Europa en vooral uit Engeland, Schotland en Ierland. Het heeft iets van een reünie, waar de geest van Dickens beminnelijk rondwaart. In 2011 zou de conferentie in Christchurch zijn, maar een verschrikkelijke aardbeving kwam er tussen. Nu maakt de coronaramp bijeenkomen onmogelijk. Volgend jaar is Haarlem aan de beurt. Ja, als.

Foto: auteur


vrijdag, december 21, 2018

Brexidiots



Lieve Stella,

Gisteren was de zeventiende sterfdag van Hans Warren. Ik herinner mij nog hoe wij schrokken van het nieuwsbericht. Ik ben een groot liefhebber van zijn werk, vooral van zijn indrukwekkende reeks Geheim Dagboek. Je herinnert je vast wel dat ik steeds reikhalzend uitkeek naar het verschijnen van een volgend deel. Het laatste is na zijn overlijden door zijn partner, Mario Molegraaf, afgemaakt. Hij heeft ook alle delen bezorgd die bij de dood van Hans nog niet waren gepubliceerd. Wat moet dat een verschrikkelijk zware, maar wellicht ook dankbare, taak zijn geweest. Ik weet nog hoe moeilijk, maar ook hoe troostend, het voor mij was om jouw postume bundel te redigeren en samen met je nichtje Vaso daarna de Griekse editie persklaar te maken. 

Over zes dagen is het elf jaar geleden dat jij overleed. Een paar weken daarvoor kwam een meisje van Radio5 mij en Klaas Blokhuis interviewen voor het programma De Avonden over het onderwerp wat is uw favoriete schrijver en waarom? Ik heb toen uitgebreid over het Geheim Dagboek gesproken. We ontvingen haar in de woonkamer. Jij was er speciaal voor opgestaan, het was net in de periode dat je een opleving had, zelfs weer een beetje kon eten, maar het interview was nauwelijks begonnen of je moest hevig overgeven, waarna je terugging in bed, het ziekenhuisbed dat hier beneden in de kamer stond. Dat meisje, ik meen dat ze Bente heette, Klaas en ik hebben de interviews toen boven, in mijn werkkamer afgemaakt. Je hebt de uitzending nog gehoord, maar kort daarop ging je zo sterk achteruit dat je terug moest naar het ziekenhuis, tot het einde, op die stormachtige, zwaarbewolkte tweede kerstdag. 
Dingen veranderden in die elf jaar, logisch natuurlijk. Ik heb mensen leren kennen die jij nooit hebt ontmoet, of die indertijd slechts een naam voor je waren, in een boek of tijdschrift. Vrienden zijn overleden, zoals Klaas Blokhuis en Lupius. Mijn regelmatige uitstapjes naar Skyros zijn van na jouw tijd en sinds 2015 heb ik het vruchtgebruik van het huis in Ano Toumba niet meer. Een hele kopzorg minder, maar ik vraag me nog altijd af of ik dat niet te vroeg heb opgegeven. Soms weet je niet wat verstandig is. Ik zit prima in mijn pied-à-terre in de Ano Polis van Thessaloniki, maar ik moet het altijd wel lang van tevoren bespreken om zeker te zijn dat het niet al verhuurd is, en ik krijg steeds meer moeite met dingen plannen op de lange termijn. Bovendien is het wel comfortabel, maar klein en heb ik er mijn boeken niet. Ik reis, eigenlijk tegen mijn zin, met een e-reader, die ik steeds als ik thuiskom weer snel opberg. In Griekenland koop ik er altijd nog wel een paar boeken bij, die ik soms opstuur via de post (of via een koerier, want de posterijen zijn tegenwoordig niet echt betrouwbaar meer), om te voorkomen dat ik flink moet bijbetalen voor mijn koffer tijdens de terugreis. Ook die aardige, Griekse consul in Rotterdam, Kyriakos Amiridis, leeft niet meer. Hij werd overgeplaatst naar Brazilië, waar hij door de minnaar van zijn vrouw is vermoord. Gelukkig dat Kyriakos de dag na jouw overlijden de helpende hand bood, want als het aan de idioot op het consulaat had gelegen die de begrafenisondernemer in eerste instantie te woord stond, was jouw laatste reis naar Griekenland een drama geworden.
De Grieken hebben het consulaat in Rotterdam gesloten, je moet nu voor alle consulaire zaken naar Den Haag, maar dat heeft niets met die moord te maken. Een geldkwestie, zoals er sinds het uitbreken van de economische crisis ook een einde is gekomen aan de jaarlijkse recepties ter gelegenheid van de nationale feestdagen op 25 maart en 28 oktober in de residentie van de ambassadeur. Ik weet op het ogenblik niet eens hoe de Griekse ambassadeur in Den Haag heet. Dat kun je, zoals dat tegenwoordig heet, 'goegelen', maar ik heb wel iets beters te doen dan naar het schermpje van mijn telefoon staren. De Cyprioten hielden hun recepties, waaraan door de crisis voorlopig ook een einde is gekomen, vaak in het Crown Plaza hotel. Ik heb mij altijd verbaasd dat je daar zomaar kon binnenlopen, bij de Griekse recepties trouwens ook, alsof er geen terroristen en andere griezels bestonden. Geen agent voor de deur, geen particuliere beveiligers in zicht, ze zullen er wel zijn geweest, neem ik aan, maar niet zichtbaar, en er werd nooit naar onze namen gevraagd. Nu ja, we waren daar toen bekend als de bonte hond, vooral jij, als oud-onderwijsattaché.

De donkere decemberdagen werden in het afgelopen weekeinde verlicht door de kerstbijeenkomst van de Haarlem Branch van de Dickens Fellowship, traditiegetrouw in Haarlem. Omdat de kas het dit jaar niet toeliet, was er voor het eerst sinds jaren geen spreker uit Engeland, maar de mooie lezing door Dick Kooiman, over Dickens en het koesteren van herinneringen, maakte veel goed. De bijeenkomst was traditiegetrouw in heerensociëteit Trou moet blycken in de Grote Houtstraat, waar het altijd bijzonder sfeervol is, al weet men het pand, mooi gerestaureerd na een brand, enkele jaren geleden, nog steeds niet goed warm te stoken. Vooraf lunchte ik met Annemarie, mijn eerste vrouw, met wie ik na onze scheiding altijd bevriend ben gebleven, in Brinkman aan de Groote Markt (in Haarlem hanteert men nog de klassieke spelling, mooi zo!), waar ze je er zowat uit stookten. Weet je nog dat we eens wat dronken in café Louvre in Praag? Dat het daar bloedheet was, maar dat de kachels niet lager werden gezet? Nee, het personeel deed gewoon een paar ramen wijd open. Daar leefden ze nog helemaal in de herinnering van het zegenrijke communisme, toen verwarming niets kostte. Je mocht er ook gewoon roken, maar dit terzijde.
In Engeland leeft een deel van het volk ook nog in het nostalgische verleden. Daarom willen ze een Brexit. Dan wordt het weer als vroeger, toen alles beter was. Terug naar de vervallen resten van het verdampte wereldrijk, met de vreeswekkend geslonken Royal Navy in het Kanaal om het buitenlandse tuig buiten de deur te houden. Als ik niet zoveel familie en vrienden in Engeland had en niet heimelijk nog steeds anglofiel was, zou ik zeggen: 'good riddance', donder maar op na meer dan veertig jaar zieken en lijntrekken, maar dat is natuurlijk een even stompzinnige en simpele gedachte als de opvatting van cartooneske figuren als Jacob Rees-Mogg en Boris Johnson, die geloven dat het Verenigd Koninkrijk het beste zonder enige overeenstemming uit het huwelijk met de Europese Unie kan stappen. Ik vind die Brexidiots eigenlijk gewoon landverraders, maar ik ga er gelukkig niet over. Ik wil naar de Annual Conference van de Dickens Fellowship in Eastbourne, in juli, maar als ik daarvoor vanwege de Brexidiots een paspoort moet aanvragen of misschien zelfs een visum, dan sla ik maar een keertje over.

Het jaar loopt ten einde. Eerst nog even Yule en daarna kan het vuurwerk weer losbarsten. Het 'volk', alleen God weet wat dat is, maar God bestaat uitsluitend in het menselijk brein, schreeuwt moord en brand als de patat, de kapsalon of het treinkaartje een grijpstuiver duurder worden, maar als het om vuurwerk gaat trekt het onbekommerd de zogenaamd krap gevulde beurs. Ik doe er dit jaar maar eens niet aan mee. Ik steek lekker de open haard aan, schenk een Metaxa met twaalf sterren in, een cadeautje van een lieve oud-leerlinge en haar vriend, en pak er een spannend boek bij. Het mag natuurlijk niet van de activisten, die open haard, maar die moeten er eerst maar eens voor zorgen dat vuurwerk wordt verboden en roken in de kroeg weer toegestaan. Misschien schrijf ik je voor die tijd nog wel en anders wordt het, bij leven en welzijn, en dat weet je met al die proleten in de wereldpolitiek maar nooit, volgend jaar.

In gedachten, altijd,

Kees

Dordrecht, 20 december 2018

Foto: auteur




zondag, september 16, 2018

Ouderwets degelijk



Lieve Stella,

Afgelopen donderdag is mijn nieuwe boek, Dijkbewaking, uitgekomen. Een volgend deel in de serie literaire dagboeken. Het gaat over de jaren 1980-83. Niet de prettigste jaren uit mijn leven, al heb ik in 1982 wel die mooie reis naar Suriname gemaakt, waarover ik jou regelmatig vertelde. De presentatie was in Visser. Mario Molegraaf, die zelf net in de schijnwerpers staat vanwege zijn vertaling van Mein Kampf, was zo aardig het eerste exemplaar in ontvangst te willen nemen. Ik had hem gevraagd vanwege mijn grote waardering voor hem als bezorger van Hans Warrens dagboeken en zijn Kavafisvertalingen, maar zeker ook omdat wij beiden een band hebben met Visser. Mario kwam er als kind bij zijn oom Kees van Dijk, de toenmalige uitbater. Ik kom er al vanaf mijn vijftiende, zij het in het begin wat minder regelmatig dan nu. Hoewel, ik herinner mij 1968, het jaar dat Gerrit de Wolf en ik ons mulo-diploma haalden. Na het eindexamen zaten we die zomer bijna dagelijks bij Visser, maar toen hield ik nog geen dagboek bij. Jammer eigenlijk, want ik had graag eens teruggelezen wat ik zou hebben geschreven over de vrijpartijen met mijn eerste meisje. Niet dat die zo onconventioneel waren, maar het was een spannende tijd van ontdekken en experimenteren. 

Mario hield een mooie toespraak, een mengeling van persoonlijke herinneringen en waardering voor het boek, dat hij grondig had gelezen. Ik had hem een tijdje geleden een kopie van het manuscript gestuurd. Ik heb daarna een paar fragmenten voorgelezen, die sloegen op de drie lijnen in het boek: de perikelen in het onderwijs, waar toen de fusies begonnen die tot zoveel narigheid hebben geleid, de reizen die ik maakte en mijn relatie met Marion. Na afloop veel boeken moeten signeren, wat tot grote tevredenheid leidde bij uitgever Henk Verweerd. Normaliter ga je na zo'n presentatie lekker aan de drank, maar dit keer moest ik mij inhouden, omdat ik later op de avond als medepresentator moest invallen bij het radioprogramma Via Cultura. Er was iemand ziek geworden en misschien kwam dat wel goed uit, want het behoedde mij de volgende ochtend voor 'vermoeid' wakker worden.
Het boek ziet er goed uit. Henk Van Troyen heeft een fraai omslag ontworpen, maar de letter van het binnenwerk is me net iets te groot. Mijn eigen schuld, want ik heb er bij het corrigeren van de drukproeven niets over gezegd. Bij proza is een iets te grote letter niet zo heel erg. Bij poëzie wel. Dan staat het al snel amateuristisch. Wat de inhoud betreft is het beter geworden dan ik aanvankelijk dacht. De oorspronkelijke aantekeningen zijn niet altijd gelukkig geformuleerd. Ik schrijf nu veel vlotter en beter. Ik moest veel herschrijven om een leesbaar boek te krijgen. Qua stijl, maar ook om er een lijn in te krijgen. Het is wel een dagboek, maar het moest geen grabbelton worden. 

Grabbeltonnen, bestaan die nog? Tijdens ons familieweekeinde, het derde weekeinde van augustus, bezochten we Den Oever. Op de fiets, uiteraard, dat weekeinde staat altijd in het teken van de fiets. In Den Oever werden de havendagen gehouden en daarom was er kermis. Daar zag ik wel een moderne versie van een grabbelton. Zo'n glazen bak waar je geld in gooit om dan met een soort grijper een of ander prul op te vissen (als je handig genoeg bent), maar zo'n ouderwetse ton, met zaagsel waarin een flauwe verrassing, kreeg ik niet in beeld. Het stormde en er dreigden steeds buien, maar tijdens de enige keer dat het echt even regende zaten wij aan de haven in een restaurant een visje te eten. Ik moest, tegen de storm op fietsend, denken aan de titel van een dichtbundel van C. Buddingh': De wind houdt het droog.
We verbleven op het voormalige waddeneiland Wieringen, in een prachtige accommodatie die de Wierschuur heette. Dat werd bij ons natuurlijk de Wietschuur. Ruim, sfeervol, van alle gemakken voorzien (open keuken waar je voor een groot gezelschap kon koken, toilet en douche bij iedere kamer, lekker privé) en dat alles tegen een schappelijke prijs. Ideaal voor een paar dagen, maar daarna moet je weer snel naar de stad, want op wandelen en fietsen na is er weinig te doen. Die havendagen waren mooi meegenomen, maar niet echt spectaculair, en om een uur of twaalf zat er bij sommige bewoners al zoveel drank in het systeem dat je het matten 's avonds al vroeg aan voelde komen. Hippolytushoef ziet er brandschoon en zeer aangeharkt uit, maar van de fameuze kroegen die daar vroeger kennelijk waren, zijn er nog maar drie over en die waren gesloten. Logisch, want we fietsten er op zondagmorgen doorheen.
We waren met een relatief klein gezelschap want 'Londen' was verhinderd en de jongere generatie was voor een deel bij het vriendje of vriendinnetje. Neemt niet weg dat het goed was om weer een paar dagen onder elkaar te zijn en de familiebanden aan te halen. Volgend jaar zijn de vriendjes en vriendinnetjes ook welkom.
Wieringen, waar eind jaren twintig van de vorige eeuw de Wieringermeerpolder aan vast werd geplakt, is het thuisland van de schrijver Gerbrand Bakker, maar daar was niet veel van te merken. Een tijdje geleden las ik Jasper en zijn knecht, verschenen in Privé Domein. Een interessant dagboek over zijn leven in de Eiffel, waar hij ergens een huis met een tuin heeft, waarin hij lustig hoveniert. Jasper was zijn, inmiddels overleden, ietwat prettig gestoorde hond.

Na drie maanden heeft de hovenier eindelijk de rekening gestuurd voor het opknappen van de tuin. Een tot in details gespecificeerde nota, getypt op een klassieke schrijfmachine, waardoor ik nu eindelijk weet wat er allemaal groeit en bloeit. Zo'n wat ouderwetse rekening maakt een aangenaam degelijke indruk. Misschien haal ik mijn oude Royal ook nog eens tevoorschijn. Dat het uiteindelijke bedrag tweehonderd euro meevalt is een prettige bijkomstigheid waarvan ik een broek, een overhemd en een paar schoenen heb gekocht.
Voor die schoenen ben ik naar Van Driel op de Voorstraat gegaan. Een zaak waar niet alleen kwaliteit wordt verkocht, maar waar je ook deskundig wordt geholpen. Dat is nodig vanwege de aanhoudende achillespeesontsteking die ik heb opgelopen door de verkeerde schoenen te kopen bij zo'n dozenschuiver waar je het allemaal zelf maar moet uitzoeken. Koopjesjagen wreekt zich altijd. Ik ben uitstekend geslaagd en kon gisteren, toen ik naar Kraantje Lek moest, het hele stuk vanaf station Overveen tot de Duinlustweg bijna pijnloos lopen.

Je begrijpt dat ik naar Kraantje Lek ging voor een bijeenkomst van de Haarlem Branch van de Dickens Fellowship. De mensen van het  Dickenstheater uit Laren gaven een lezing over Dickens en de tijd van de pre-cinema, ofwel het tijdstip van de toverlantaren. Boeiend om te horen (en te zien) wat voor slimme, technische foefjes al werden gebruikt om bewegende beelden te vertonen. Ook interessant om over de geschiedenis van de toverlantaren te vernemen. Christiaan Huijgens was de eerste die een laterna magica van geslepen lenzen voorzag. Dickens blijkt ook voorstellingen met de toverlantaren te hebben gegeven. Jammer dat de tijdmachine nog niet bestaat, ik had daar graag eens bij willen zijn.
Ik ben gebleven voor het diner, zoals wij dat meestal ook deden als we samen gingen. Ik had, net als met het kerstdiner, voor vegetarisch moeten opteren, want er wordt bijna altijd biefstuk geserveerd en dat vind ik toch meer iets voor Neanderthalers. Dit keer werd het ding mij bijna fataal, want er bleef een stukje in mijn keel steken. Ik kreeg geen lucht meer, maar gelukkig kwam er een kokhalsreactie waardoor het er tijdig uitschoot. Het was even schrikken en natuurlijk zit je voor schandaal. Volgende keer vis, als die er is, of anders vegetarisch. Je kunt rustig vegetarisch eten als je geen vegetariër bent, want er wordt nooit naar het lidmaatschap gevraagd.
Van de weeromstuit heb ik meer water dan wijn gedronken. Daardoor ben ik in de trein terug niet in slaap gevallen, maar heb ik lekker zitten lezen in de biografie van Jane Austen door Claire Tomalin. Dat maakte veel goed.

In gedachten, altijd,
Kees

Dordrecht, 16 september 2018

Foto: auteur


maandag, april 23, 2018

Slachtoffer en uitvreter



   Acteur Gerald Dickens (midden) na een voordracht uit het werk van zijn          
    betovergrootvader.

ENKELE GEDACHTEN BIJ CHARLES DICKENS LITTLE DORRIT

Het is een stralende dag. Hetzelfde mediterrane licht dat de gevangenisboef Rigaud, alias Lagnier, alias Blandois en zijn celgenoot John Baptiste Cavaletto in het gevang in Marseille node moesten ontberen, schijnt over de stad en de baai waar ik deze gedachten neerschrijf. Rigaud en Cavaletto worden ter verlichting van hun lot toegezongen door een klein meisje, dochter van een cipier. Het is het begin van Dickens Little Dorrit. De toon is gezet: stralend licht tegenover duistere cellen, onschuldige meisjes tegenover gevangenisboeven, maar ook boeven die soms eigenlijk geen boeven zijn en een goed hart blijken te hebben, zoals in het geval van Cavaletto. Ik hoef het verhaal hier niet verder te berde te brengen. Het book of study wordt in de Haarlem Branche altijd grondig gelezen en tot op de laatste punt en komma diepgaand geanalyseerd. Dat laatste zal ik u besparen. Ik ben geen literair criticus, maar een plezierlezer. Dat is zo’n beetje het verschil tussen iemand die voor zijn beroep reist en een belangstellend toerist. Ik beperk mij dus tot enkele gedachten die bij herlezing van het boek tot mij kwamen. 

Lang ben ik van mening geweest dat Dickens het beste in het najaar en in de winter kon worden gelezen. Regen, mist, koude, sloebers die tobbend door de winterse nevels van Londen hun weg zoeken, heren die genoeglijk bij de open haard hun punch of wijn drinken, kaarslicht om de lange, donkere avonden bij te lichten, herbergen waar de verkleumde reiziger zich warmt bij het gloeiende fornuis van de waard. Ik heb er indertijd zelfs een open haard in Victoriaanse stijl voor laten aanleggen. Little Dorrit heb ik echter herlezen in de zomerse hitte van een bedrijvige havenstad in Griekenland, waardoor ik kan concluderen dat Dickens volkomen klimaatbestendig is. Om van zijn werk te genieten hoeft men zich niet te beperken tot het gure weder van West-Europa. Dat verklaart meteen het bestaan van een aantal branches van de Dickens Fellowship buiten dit rillerige werelddeel. Natuurlijk helpt het wel een beetje mee dat Little Dorrit zich gedeeltelijk afspeelt in het Middellandse Zeegebied. Het begint in Marseille en een deel van het verhaal speelt zich af in Italië, terwijl zelfs het landelijke Twickenham, waar de Meagles hun cottage hebben, in het boek doorgaans een zonnige indruk maakt.

Aan het einde van het boek, na het huwelijk van Arthur Clennam en Little Dorrit (daar aangekomen was het hier 42 graden, hetgeen de feestvreugde niet in het minst drukte), vroeg ik mij af wie nu eigenlijk de sympathiekste figuur uit het boek is. Little Dorrit zelf? Ik weet het niet. Het is een aandoenlijk vrouwtje, plichtsgetrouw tot in het uiterste, je bent verbaast dat er in zo’n klein lijfje zoveel zelfopoffering kan zitten. En maar lief blijven tegen dat arrogante kreng van een zus en maar begrip blijven opbrengen voor een vader wie tijdelijk de plotselinge rijkdom naar het hoofd gestegen is, en maar dankbaar zijn tegenover de harteloze, godsdienstwaanzinnige moeder Clennam. Het is zo’n intens braaf, verlegen meisje dat achter in de klas onopvallend zit te zijn en aan het einde van de dag de plantjes van de meester water geeft. Ze heeft mijn sympathie en ik ben dolgelukkig dat het uiteindelijk goed met haar afloopt, maar wat heeft ze een hoog Hiëronymus van Alphen-gehalte!

Als Little Dorrit het niet is, wie is het dan? Er is ruime keus uit good characters, dat maakt het er niet gemakkelijker op. Is het Clennam? Hij is eerlijk en betrouwbaar, al denkt de tante van Flora daar enigszins anders over, maar hij laat zich uiteindelijk wel voor het karretje spannen van de oplichter Merdle, een soort 19e eeuwse vastgoedmagnaat van het type dat ook nu nog onder allerlei naïevelingen, die een paar centen willen investeren, slachtoffers maakt. Is het Daniël Doyce, de uitvinder die op allerlei manieren de voet wordt dwars gezet door het Circumlocution Office? De man met het gouden hart, die Clennam, nadat die in de Marshalseagevangenis heeft geboet voor zijn stupide vertrouwen in grootfradeur Merdle, weer met open armen opneemt in de firma? Misschien wel, maar toch, ook weer zo’n beetje een al te brave ambachtsman. Wellicht gaat mijn grootste sympathie wel uit naar Frederick Dorrit, ook een door het leven getekend man die zwijgend, zonder klagen, maar klaaglijk, in een hoekje op zijn klarinet gaat zitten spelen. Een goeierd, maar hij bezit eigenlijk toch ook weinig karakter. Zijn broer heeft dat wel. William Dorrit is iemand die op wonderlijke wijze vaderlijkheid, naïviteit, berusting en verwatenheid in zijn persoon combineert. Een man die sympathie verdient wanneer hij hopeloos verstrikt in schulden in de Marshalsea komt, maar die je ook het liefst vanuit zijn gondel in het Canal Grande in Venetië zou mieteren wanneer hij tot rijkdom is gekomen. Hij is slachtoffer en uitvreter tegelijk. Dat maakt hem tot een boeiende persoon, maar nog niet tot de sympathiekste. 

Kortom, ik kom er niet uit en daarom begin ik ook maar niet aan de vraag wie de akeligste figuur is uit het boek. Ook daar zijn weer vele kandidaten: de sinistere Blandois, de oplichter Merdle, de schijnheilige huisjesmelker Casby, de paranoïde miss Wade. Nu, die laatste hoort eigenlijk niet in deze rij, dat mens lijdt, evenals moeder Clennam, aan een geestelijke ziekte en verdient daarom een zeker mededogen. Jeremiah Flintwinch is ook een goede kandidaat. Zo’n type waarvan je bij de eerste aanblik al weet dat hij niet deugt. Hij slijt zijn laatste dagen onder de naam Mynheer von Flyntevynge 'on the quaint banks of the canals of the Hague and in the drinking-shops of Amsterdam.' Het loopt dus wonderlijk goed met hem af. Wat zou Dickens trouwens bedoelen met die quaint banks of the canals of the Hague? Misschien dat de Haarlem Branch zich daar nog eens over kan buigen.

Ik laat de vraag naar het goede en het kwade verder rusten en wandel in gedachten langs het Circumlocution Office. Hier past voorzichtigheid. Ook de Haarlem Branche kent zijn Circumlocution Office en hardnekkige geruchten willen dat daar nog een verre neef van een geëmigreerde Barnacletak aan het hoofd staat. Het beleid van het Circumlocution Office, model voor de Britse overheidsbureaucratie, is er vooral op gericht ‘how not to do it.’ Daniël Doyce, die erkenning en steun zoekt voor een van zijn uitvindingen, loopt er hopeloos vast, evenals Arthur Clennam, die wil uitzoeken hoe het met William Dorrits schulden zit. Het Circumlocution Office is een kleverig, stroperig instituut waar de leden van de familie Barnacle zich als luizen in hebben vastgezogen. Een verwerpelijk instituut dus, zou je zeggen, maar toch, de overheidsbureaucratie in onze dagen probeert zich vooral staande te houden onder de kreet ‘how to do it.’ Het gevolg daarvan is, om maar een enkel feit te noemen, dat we onlangs werden opgezadeld met de zoveelste nutteloze en bepaald achterlijke wijziging van de Nederlandse spelling, om over alle ellende die ‘how to do it’ in de afgelopen decennia in het onderwijs heeft veroorzaakt maar te zwijgen. De Haarlem Branche mag zich gelukkig prijzen met zijn Circumlocution Office.

Wie Little Dorrit leest ontkomt tenslotte niet aan de Marshalsea, de gevangenis voor schuldenaren. Dickens, wiens vader korte tijd in dat instituut verbleef, beschrijft in alle toonaarden de somberheid van de Marshalsea. Je zou er maar terechtkomen en er meer dan twintig jaar moeten verblijven, zoals William Dorrit, die er uiteindelijk de status van Vader van de Marshalsea bereikte. Iets waaraan hij een aardig zakcentje overhield. Arthur Clennam leed fysiek onder zijn gedwongen insluiting. Beiden werden er doorheen gesleept door de trouwe Little Dorrit, die er letterlijk is geboren en getogen. En toch, als je Dickens beschrijving leest van het leven in de Marshalsea krijg je ook het idee van een zekere knusheid. Gezellig met zijn allen in de Snuggery, zeg maar, de gehele dag volop bezoek, begripvolle bewakers, kortom, een toestand waar menig uitgeprocedeerd asielzoeker, met gevaar voor eigen leven in het cachot op Schiphol geworpen, de voorkeur aan zou geven.

Little Dorritis niet Dickens beste roman. Daarvoor mist het verhaal het beklemmende van A Tale of Two Cities, het schrijnende van Hard Timesof het superieur komische van The Pickwick Papers. Het is daarentegen wel een onderhoudend boek, vol confrontaties tussen goed en kwaad, tussen keihard egoïsme (zakentalent noemt men dat tegenwoordig) en zelfopoffering, tussen het mediterrane licht en de groezelige mist over Londens armere buurten. Een boek dat daarom de moeite waard is om te (her)lezen, in elk klimaat.

Eerder gepubliceerd in The Dutch Dickensian, vol. XXVI, nr. 57-8. Dordrecht 2006.

Foto: auteur