vrijdag, augustus 14, 2009

Leedvermaak



Tevreden sluit ik de computer af. Ik heb net op Facebook het juichende verslag gelezen van een oud-leerlinge die, ongetwijfeld in gezelschap van een paar even mooie vriendinnen, door Spanje reist. Hoe vertelde ze er niet bij, maar het zal niet op de brommer zijn, zoals Gerard Reve in 1963. Ze bevindt zich in een middeleeuws stadje, ergens aan een rivier, dat bruist van het leven. Het is achtendertig graden. De dames zijn naar de airconditioning gevlucht en zitten nu waarschijnlijk met een sangria of iets van dien aard, te kleumen. In 1963 werd ik twaalf en wist nog niet van het bestaan van Reve. Spanje associeerde ik met een rare man in een militair pak en meisjes waren vooral nog giechelende verschijningen die op ooievaarsbenen door het leven gingen. Mijn tevredenheid geldt niet de herinneringen aan die oud-leerlinge, ook een giechelend ooievaarskind in de eerste en tweede klas, maar na het doorworstelen van de puberteit uitgegroeid tot een aantrekkelijke, goedlachse en vooral slimme eindexamenklasser. Ik was een beetje teleurgesteld toen ze daarna rechten ging studeren, maar daardoor moet ik nu wel oppassen wat ik schrijf. Ze is bijna afgestudeerd en je weet maar nooit hoe jonge juristen aan praktijkervaring denken te komen. Nee, ik ben vandaag een stuk verder gekomen dan ik had gedacht met het boek van een onlangs overleden schrijver, waarvan ik de redactie heb en dat in het najaar moet verschijnen. Een flinke klus, want de scanner heeft nogal wat rare dingen uitgehaald met punten en komma's, en al schrijft de betreurde auteur zeer zorgvuldig, het vraagteken was bij hem niet populair. Ik kan vanavond, onbezwaard door calvinistische gedachten aan werk, op stap.


Het was hier vanmiddag ook bijna achtendertig graden, een temperatuur die met de ramen en deuren dicht en het ventilatortje aan, moeiteloos is te doorstaan, en levendig is het altijd. De stem van een paliatzís, die in zijn ijzeren hond de buurt afschuimt op jacht naar lompen en oude metalen, dendert de kamer in. Per dag komen er gemiddeld zo'n vier à vijf langs. Dat er nog enige rotzooi van betekenis over is, verbaast mij soms, maar in een miljoenenstad als deze is er natuurlijk altijd wel iemand die op het punt staat een oude televisie of een lekkende radiator weg te doen. Ik loop het balkon op en zie de jíftos (zigeuner) nog net de hoek om slaan in zijn reutelende karretje. Het vak van lorrenboer is hier gemonopoliseerd door zigeuners. Sommige zijn nog echt zigeuners. Soms zie je ze in een geïmproviseerd kamp langs de weg op houtvuurtjes hun maaltijd koken. De meeste wonen echter in de rommelige buitenwijken aan de westkant van de stad, onder de stank van de chemische industrie bij Sindos. Ik sluit de balkondeuren af, een van die zinloze gewoonten waar je niet vanaf komt, want ik zie zo gauw nog geen geveltoerist naar driehoog klimmen om in te breken in een appartement waar op mijn laptop na niets is te halen behalve een vijfentwintig jaar oude televisie, een niet werkende platenspeler van dezelfde leeftijd, merk Dual, en een wereldontvangertje waarop 's morgens van acht tot negen de Wereldomroep ruisend en krakend binnenkomt, als de radar van de luchtmacht zulks toestaat. Die bevindt zich op de berg boven de stad, de Hortiátis, waar het bos vervangen is door een woud aan antennes. Die antennes bedienen de tientallen plaatselijke radio- en televisiestations, die vrijwel allemaal niets te melden hebben dan middle of de roadmuziek, kletspraat over het vigerende omkoopschandaal en de jongste variant van het griepvirus. Het radarstation moet de Turken buiten de deur houden, die desondanks op dagelijkse basis het Griekse luchtruim schenden en dreigend over de Egeïsche eilanden scheren, achtervolgd door tandenknarsende piloten van de Hellenic Airforce, die wel mogen dreigen, maar niet mogen schieten, want dan zijn de rapen gaar. Ik weet dat van mijn vriend Zános, gepensioneerd kolonel bij de luchtmacht. 


Ik kleed mij om, trek een overhemd aan en verwissel mijn korte broek voor een lange. De eerste mens die mij in het stadscentrum betrapt op het lopen in een korte broek heeft als zwijggeld een fles goede, rode wijn verdiend. De zon staat al laag genoeg om voor voldoende schaduw te zorgen, zodat ik mijn hoed thuis kan laten. De middagwarmte is weggeëbd. Ik verlaat het appartement en stap een milde zomeravond in. Op weg naar de halte van bus 14, in de Lambrakisstraat, loop ik het kantoortje van de lotenboer binnen. Een stevig rokende, dikke mevrouw met een enorme wrat boven het linker oog bekijkt mijn loten. Het is weer niks, maar toch koop ik opgewekt een stel nieuwe. De moed erin houden op een gouden toekomst kost maar weinig. Als ik boven kom, ik woon op de toúmba (heuvel) een stuk onder de halte, zie ik de bus net aankomen, maar om hem te halen moet ik rennen. Dat is beneden mijn waardigheid, ik wacht wel op de volgende. Ondertussen informeer ik bij een kiosk of men internetkaarten heeft, zodat ik morgen het vervolg van het Spaanse avontuur kan lezen. Ik kan ook naar het internetcafé in de buurt, maar daar zit je de godganselijke dag tussen de pubers die krijsend en tierend allerlei spelen beoefenen waarvan ik niet eens wil weten wat ze inhouden.


Het is begin augustus, midden in de Griekse vakantietijd. Het is rustig op straat. Ik kan zelfs oversteken terwijl het voetgangerslicht nog op rood staat. Wel rijden er naar mijn smaak te veel scooters en motoren. Ze maken vaak een onvoorstelbaar kabaal en gaan veel te hard, want ze worden bij uitstek gebruikt door maniakken. Snelheidsmaniakken zijn er te over in dit land. Het grootste aantal verkeersdoden van de EU, zelfs meer dan in Spanje. Ik maak een praatje met de onderbuurvrouw, die ook op de bus wacht. Ik informeer, zoals het hoort, naar de kinderen. Daarmee gaat het goed. De oudste zoon woont in Athene en doet iets bij de koopvaardij, de jongste is beroepsmilitair en vermaakt zich uitstekend in Kosovo. Naar haar man vraag ik maar niet. Ik heb hem al in geen tijden meer gezien. Ook heb ik al heel lang beneden geen ruzie en geschreeuw meer gehoord. Hoe minder ik trouwens van mijn buren weet, en dat liefst ook wederzijds, hoe beter. Als de bus komt gaat ze gelukkig discreet achterin zitten, terwijl ik in het midden instap. In de bus loeit de luchtkoeling op volle kracht. Geheel voor niets, alle ramen staan open. Wonen in een land waar het zomers regelmatig tegen de veertig graden loopt en niet weten hoe een airconditioning werkt, dat zegt ook iets over de gemiddelde medemens.


Ik stap twee haltes te vroeg uit, bij de triomfboog van keizer Galerius, die de Kamára wordt genoemd. Ik heb de hele dag op mijn kont gezeten en moet wat bewegen. Op mijn gemak loop ik naar de Agia Sophiastraat, terwijl ik nu en dan een goedkeurende blik werp op het legendarisch mooie vrouwvolk van Thessaloniki. Voor me loopt een meisje in hotpants met opvallend mooie benen. Tot mijn schrik begint ze, bij het passeren van een kapel, heftig kruisen te slaan. Vroeger was dat voorbehouden aan seniele kwezels, maar de laatste jaren zie je wel meer dat ogenschijnlijk volkomen normale en vaak ook jonge mensen zich fanatiek beginnen te bekruisen als ze langs een kerk komen. Ook in de bus, wat op mij zowel een potsierlijke als een beklagenswaardige indruk maakt. Iedereen moet zelf maar weten hoe hij zalig wordt, als ze mij er maar niet mee lastigvallen, maar ik kan er niets aan doen te denken dat zo iemand niet helemaal goed bij het hoofd is. De benen van het meisje lijken ineens een stuk minder mooi. Ik sla af naar de bladen- en tabakswinkel waar ze buitenlandse kranten verkopen. Uit Nederland is er altijd de Telegraaf, heel zelden een Volkskrant en nooit enig ander dagblad. Ik koop de International Harald Tribune, want er zijn grenzen. Geen korte broek, maar zeker geen Telegraaf. Daarna loop ik honderd meter verder naar het plein voor de Agia Sophia, waar zich een van mijn favoriete etablissementen bevindt, To Kordistó Gouroúni, vertaald: Het Mechanische Varken of wel The Clockwork Swine. 


Ik ga op het terras zitten, bestel een Leffe dubbel, die hier maar vier euro tachtig kost, en steek een pijp op. Ik zie dat er op het plein een verkeerscontrole gaande is. Dat kan in vakantietijd. Normaal gesproken zou dat tot een onbeheersbare verkeerschaos leiden. De politie moet in deze tijd, waarin het criminele gilde ver weg aan de stranden ligt te bakken, toch wat te doen hebben, terwijl de staatskas vanwege de kredietcrisis wel iets extra's kan gebruiken. Het bier wordt gebracht, zoals gebruikelijk met een glas koud water en een flinke schaal chips erbij. De kroegbaas, door ons achter zijn rug om voor de hand liggende redenen 'het varken' genoemd, wijst lachend naar het plein. De controle spitst zich toe op scooters en motoren. Ik zie dat er vele bonnen worden uitgedeeld en kan een zeker leedvermaak niet onderdukken. 


De meeste winkels zijn tot een uur of negen, half tien open. Dat veroorzaakt, ondanks de vakantietijd, een parade van schaars geklede, soms beeldschone, meisjes en vrouwen. Enigszins besmuikt sla ik ze gade, al vindt de calvinist in mij de gedachten die dat oproept, voor een weduwnaar op licht gevorderde leeftijd ongepast. Ik verdeel mijn aandacht daarom maar zo goed en zo kwaad als het gaat tussen de ijverig schrijvende agenten, de dames en de krant. Met het stijgen van het aantal bonnen raak ik in een uitstekend humeur. Ik bestel er nog een, genot mag wat kosten. Ondertussen gaat de zon onder en floepen de straatlantarens aan. Tijd voor een hapje. Ik besluit mezelf te trakteren op een udang kari bij Matahari, voor zover ik weet het enige Indonesische restaurant in het centrum. Ik loop er heen, mij verheugend op een smakelijke maaltijd en op een goed gesprek met de vriendelijke eigenaar. Die komt uit Solo. Ja, heb ik hem eens gezegd, daar weten wij Hollanders alles van, de Soesoehoenan en zo. Aangekomen zie ik dat iemand zich weer eens ongevraagd in mijn zaken heeft gemengd, middels een briefje op de deur: wegens vakantie gesloten.




donderdag, augustus 13, 2009

Eigen roem geurt goddelijk


Met Het is al laat zet Kees Klok een nieuwe stap op zijn dichterlijk levenspad. Bijna alle gedichten zijn geschreven tussen 2004 een 2008, hoewel hij ook een viertal oudere verzen, ooit gepubliceerd in eigen beheer, heeft opgenomen. De meeste verschenen eerder in literaire tijdschriften waaronder Maatstaf, Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift, Ballustrada, De Tweede Ronde en het e-zine Meander.


Over zijn in 2005 gepubliceerde bundel In dit laaglandschreef Patricia Lasoen in Poëzierapport: Over de stijl van Kees Klok zeggen dat die parlando is doet hem te kort. Woorden als narrando of cantando zouden hier beter passen. Hij neemt ons mee op een rondleiding in zijn leven, zachtaardig vertellend, en toont ons stukken van zijn privé museum. Hij toont de mooiste stukken, de uitgestalde. We mogen vermoeden dat er in de kelders nog andere, misschien minder gave, maar toch zeer interessante, weggeborgen zijn. Ik hoop dat die ooit nog het daglicht zullen zien.


Met de publicatie van Het is al laat, de titel is ontleend aan een van de opgenomen verzen dat refereert aan het Lissabon uit de gedichten van J.J. Slauerhoff, is die hoop werkelijkheid geworden. En niet alleen met het uit het depot halen van verzen als Kop op en Dordrechts museum, ook met het nieuwe werk waarin Klok ons opnieuw zijn veelzijdige dichterschap toont.




ISBN 978 90 76982 59 5 

Euro 10,= 

www.liverse.nl




Na zijn eerste, kleine verhalenbundel Centre Ville (gepubliceerd in 1978 in de Dordtreeks) heeft het even geduurd tot de publicatie van zijn tweede collectie verhalen, IJzeren logica. Dat wil niet zeggen dat Kees Klok in de tussentijd geen proza schreef. In tegendeel. Met enige regelmaat verschenen verhalen van zijn hand in literaire tijdschriften en, na de introductie van het internet, soms in een e-zine. In 2005 publiceerde hij een geschiedenisboek over Cyprus, onder de titel Afrodite en Europa (Utrecht, Dioskouri) en bij uitgeverij Liverse kwam in het voorjaar van 2008 zijn kroniek En vooral: de gordijnen dicht! uit. 


In IJzeren logica heeft Kees Klok nu een selectie uit zijn verhalen gebundeld.  Zij lijken voor een deel sterk autobiografisch. De auteur vertelt ondermeer over zijn jeugd als zoon van de koster van de Dordtse remonstrantse kerk, hij verhaalt over de oprichting en de eerste avonturen van de stichting Bobby Kinghe en over diverse leden van zijn kleurrijke familie, zowel in Nederland als aan gene zijde van de Noordzee, in Engeland. Toch is het autobiografische aspect vaak bewust misleidend. De auteur koestert de uitspraak van de Portugese schrijver J. Rentes de Carvalho, zoals bekend een van zijn literaire helden, die schrijft in Tussenjaar : '...uit artistiek oogpunt heeft eerlijkheid, die van jezelf of van een ander, geen enkel noemenswaardig belang.' Het gaat Klok dan ook in de eerste plaats om de literatuur en niet om de waarheid. Dat de auteur zijn leven verdeelt tussen Nederland en zijn tweede vaderland Griekenland, komt in een aantal verhalen, met name in de Warnaar-serie, tot uitdrukking. Daarmee toont Kees Klok zich ook een schrijver die zijn onderwerpen niet alleen dicht bij huis zoekt, maar evenzeer in staat is om ver over de grenzen van het Eiland van Dordrecht en die van Nederland heen te kijken.






ISBN 978 90 76982 50 2

Euro 12,50

www.liverse.nl




zaterdag, augustus 01, 2009

Proost!


Als ik moet kiezen tussen bier of wijn is de keuze snel gemaakt. Dan drink ik wijn, liefst volle rode. Witte wijn kan mij minder bekoren, al is soms een koude moschofílero (een niet al te droge muskaatwijn), een robóla of een retsína, maar dan gemengd met een beetje soda, in warm weer niet te versmaden. In Griekenland, een land waar schitterende wijnen worden gemaakt, lijkt de keuze de andere kant op te gaan. Vaak zie ik, nog steeds een beetje tot mijn verbazing, Grieken uiterst tevreden bier drinken bij het eten. Meestal halve literflessen pils van het inheemse Mýthos of Amstel of Heineken, dat in licentie ter plekke wordt gebrouwen en nog enigszins betaalbaar is. Bier wordt in dit land van wijn, waar je je iedere dag kunt laven aan een Naoússa of een Gouménissa, beiden gemaakt van de oeroude, inheemse xinómavro-druif, beschouwd als een luxedrank. Daarom is het kennelijk een teken van gastvrijheid als je je gasten bier bij het eten voorzet. Ik kan het niet helpen, maar ik vind bier bij mijn eten niet alleen ordinair, de kwaliteiten ervan komen bij de warme prak ook allerminst tot zijn recht. Het vult te snel de maag, doet het voedsel daarin nodeloos opzwellen, wat een onaangename druk kan veroorzaken en je moet er tijdens de maaltijd van naar het toilet, wat ik ongemanierd vind. 


Bier voor de maaltijd is een andere zaak. Dat drink ik graag, maar ook dan bekoren de donkere bieren mij meer dan het lichtgekleurde pilsener. Toegegeven, even uitrustend op een terras na het boodschappen doen wil een Warsteiner of een Mýthos wel smaken of, als zich de gelegenheid voordoet, een Kéo, een in zijn soort uitstekend pilsener uit Cyprus, maar liefst verwen ik mezelf met een dubbel uit de Noordelijke of Zuidelijke Nederlanden. Die bieren, die sinds het populair worden van de drank op ruime schaal in de Griekse horeca verkrijgbaar zijn, gelden als het summum van luxe. De prijzen zijn er dan ook naar. Menige Parijse restaurateur zou het schaamrood op de kaken krijgen als hij de prijzen zou rekenen waarvan ze hier niet verblikken of verblozen. Betaal je voor een platte pils al snel twee en een halve tot vier en een halve euro, een Leffe dubbel, een Achel bruin of een La Trappe dubbel komt je al gauw op acht euro of meer te staan. Soms neigen de prijzen naar het kranzinnige: onlangs zag ik een Grolsch tripel, waarvan ik niet eens wist dat die bestond, voor zestien euro op de kaart en een La Trappe quadrupel voor achttien. Vorige week nam ik in mijn onschuld, zonder de kaart te raadplegen, ergens een Waterloo brune: twaalf euro. Iets bescheidener is de MacFarland, die vrijwel overal voor vijf euro wordt aangeboden, voor welke prijs je ook nog wel een Guiness hebt, maar dat is natuurlijk water vergeleken bij een dubbel van een procent of zeven, acht.


Ik kan zo nog wel even doorgaan, maar duidelijk is dat bier van een beetje kwaliteit niet te betalen is als je er geen Griekse drinkgewoonten op nahoudt. Het is namelijk geen enkel bezwaar als je een biertje bestelt, waarbij je altijd heel attent een glas koud water en een bak chips of noten geserveerd krijgt, en daar de gehele avond op blijft zitten. Dat moet je kunnen en ik kan dat niet. Als mijn bier op is wil ik een volgende. Drie per uur is het minimum als je langzaam drinkt. Na dat uur reken je vaak meer af dan wanneer je ergens in een restaurant uitgebreid – met wijn of retsína erbij – hebt zitten tafelen. Inheemse donkere bieren worden vrijwel niet gebrouwen, of ik heb ze nog niet ontdekt. Het enige van min of meer eigen bodem is Amstel bock, zeven procent, niet te vergelijken met een echte dubbel, maar smakelijker dan de in licentie gebrouwen pilseners. In mijn stamkroeg moet hij vier euro kosten, in de supermarkt heb je hem al voor één euro dertig per blikje, wat in feite ook nog stevig aan de prijs is. Erg veel bier drink ik daarom maar niet in het land waar de wijn weliswaar niet is uitgevonden, maar waar eeuwenlange ervaring bestaat met het maken van kwaliteitsnectar. Ik denk dat ik nog maar even naar de slijter loop om een tasje – nog steeds betaalbare, Gouménissa te halen.


zaterdag, juli 25, 2009

Lekker klagen


Op een dag als vandaag, wanneer de temperatuur de veertig graden haalt, is het klagen niet van de lucht. Overal ter wereld wordt continue over het weer geklaagd, ook al leeft men in een veel gezegender klimaat dan het kledderige Nederlandse. De Grieken vormen hierop geen uitzondering. Zodra zich maar even wat bovenmatige warmte aankondigt begint het op de buis en bij de tientallen radiostations te gonzen, want in komkommertijd is men maar wat blij met een onderwerp waarover altijd wat te zaniken is. De mensen trekken zich massaal terug in huis om te kleumen bij de alom snorrende, ratelende en druipende airco's en een bezoek aan de supermarkt wordt een levensbedreigende zaak. In een land waar men zich tot aan het hysterische toe druk maakt over de Mexicaanse griep zien ze er geen been in om in de supermarkten de luchtkoeling op een graad of zeventien te zetten, zodat je bij iedere boodschap wordt geconfronteerd met een ongehoord temperatuurverschil en de gerede kans op een ernstige longontsteking. In diezelfde supermarkt staat de verwarming 's winters op vijfentwintig graden, of het buiten nu vriest of, wat ook voorkomt, het gewoon een graadje of twintig is. Behalve over het weer wordt er volop geklaagd over de energieprijzen. Heel menselijk allemaal. Ik doe mijn boodschappen het liefst op de buurtmarkt, de laïki agorá, 's morgens rond een uur of negen, waar de prijzen nog niet de helft zijn van die in de supermarkt en waar de kans op een longontsteking nihil is. 


Soms komt er een deskundige op de buis die omstandig uitlegt dat het allemaal de schuld van de opwarming van de aarde is. Je moet wát roepen, maar uit mijn dagboekaantekeningen blijkt dat het in 1987, toen ik Stella ontmoette, op sommige zomerse dagen ook al zo warm was. Alleen leed men toen minder onder de terreur van de airco. De zomer heeft voor een nieuwe gekte gezorgd: de windmachine. Sinds een jaar of twee, drie staan er op veel terrassen enorme ventilatoren, die ter plekke een storm van minstens windkracht negen veroorzaken. Geen normaal mens die daar in wil zitten, dunkt me, maar de Grieken zijn er dol op en kijken mij aan of ik van een andere planeet kom als ik vraag of het wat minder kan, of een plaats zoek aan de rand van het terras om de storm te ontlopen. Het komt misschien omdat Griekenland een land van hard is. De windmachine dient zo hard mogelijk aan te staan, muziek is alleen mooi als ze keihard uit de boxen komt en in een auto moet je als echte vent natuurlijk zo hard mogelijk rijden. Dat een storm bij je wijntje hinderlijk is, soit. Dat je van keiharde muziek half doof wordt, ach, ze praten hier doorgaans zo luid dat ze elkaar toch wel verstaan en hard rijden: er wordt op de buis regelmatig geroepen dat Griekenland percentueel het hoogst aantal verkeersdoden van Europa heeft, maar dat is iets voor het nieuws, niet om je in het verkeer van alledag erg druk om te maken. Stel je voor dat ze je aanzien voor een lulletje.


Ondertussen geniet ik van de prachtige, zwoele zomeravonden, de sterrenhemel en de milde ochtenden. Ja, zo tegen een uur of twee 's middags wordt het wat warmpjes. Dan doe ik de ramen en deuren dicht, zet mijn ventilatortje aan, eet mijn middagmaal en ga een poosje siësta houden. Een gewoonte die men node in het jachtige Holland ook zou moeten invoeren, maar daar hebben de kindertjes niet geleerd om tussen drie en vijf hun snater te houden en zwoegt de werkman met klopboor, hamer en schuurmachine lustig door, ondertussen hevig mopperend op de regen en de kou. Het weer, een ideale uitlaatklep, anders zouden de hysterie en agressie nog groter zijn. Ik juich het daarom allemaal toe, veertig boven nul of veertig onder, het hindert niet, zolang er maar wat te klagen valt.


zondag, juli 19, 2009

Stella Timonidou: De pruimenboom




























De pruimenboom


Op het kleine, besloten erf

heerste een pruimenboom waarvan

de takken over het dak van

het joodse huis* reikten,

daar waar ik het eerste licht zag

en zesentwintig meimaanden woonde.


Iedere lente geurde de plaats

van zijn zachte roze bloemen,

terwijl wij ’s zomers in zijn

donkere schaduw zaten en

grootmoeder leunend tegen zijn stam

ons verhalen vertelde over Klein-Azië.


Op een gegeven ogenblik begon de oogst:

eerst plukten we grote, donkerpaarse,

zoete pruimen van de lage takken

en daarna van de hoge,

terwijl we als eekhoorns langs zijn

sterke takken klommen.

Moeder maakte er zoetigheid van,

oma legde ze in de zon voor de

winterinmaak te drogen en van de rest 

maakte tante moes en marmelade.


Maar het duurde niet lang voordat

de bulldozer verscheen. Die nam hem

in één greep met de huizen.

Het werd een doorgaande weg met 

de naam Nieuwe Egnatia, 

of Nieuwe Wereld zo je wil.


Stella Timonidou


*Huizen waar oorspronkelijk door de Duitse bezetter gedeporteerde joden woonden. Na de oorlog werden zij door een joodse stichting verhuurd.


In: Eindeloze nachten. Liverse, Dordrecht 2008.



Η  δαμασκηνιά


Μες στη μικρή κλειστή αυλή

δέσποζε μια δαμασκηνιά που

τα κλαδιά της περνούσαν πάνω

από τη στέγη του εβραίικου* σπιτιού,

εκεί όπου αντίκρυσα το πρώτο φως

κι έζησα εικοσιέξι Μάηδες.


Κάθε άνοιξη ευώδιαζε ο τόπος

από τα απαλά ροζ άνθη της,

ενώ τα καλοκαίρια καθόμασταν

κάτω από τον παχύ ίσκιο της

και η γιαγιά ακουμπισμένη στον κορμό της

μας έλεγε ιστορίες από τη Μικρασία.


Κάποτε άρχιζε η συγκομιδή:

μεγάλα μοβ γλυκά δαμάσκηνα

μαζεύαμε πρώτα από τα χαμηλά

κι ύστερα από τα ψηλά σκαρφαλώνοντας 

στα γερά κλαδιά της σαν σκιουράκια.

Η μάνα έκανε απ’ αυτά γλυκό του κουταλιού,

η γιαγιά θα τ’ άπλωνε να ξεραθούν στον ήλιο 

για τις κομπόστες του χειμώνα κι η θεια 

θα τ’ αποτελείωνε με μαρμελάδα ή πελτέ.


Δεν άργησε όμως η μπουλντόζα να φανεί. 

Την πήρε παραμάζωμα μαζί με τα σπίτια. 

Κι έγινε διάνοιξη οδού με την ονομασία 

Νέα Εγνατία ή Νέος Κόσμος, 

όπως θέλεις πάρτο.


Στέλλα Τιμωνίδου


* Σπίτια όπου αρχικά ζούσαν Εβραίοι, αλλά μετά τον εκτοπισμό τους από τους Γερμανούς,

     ανέλαβε την επινοικίασή τους η Ισραηλινή Κοινότητα. 


In: Ατελείωτες νύχτες. University Studio Press, Thessaloniki 2009.


 


donderdag, juli 16, 2009

Altijd weer



Op dit zomerse balkon

passeren de dromen 

die we hadden van

een huis met oosterse tapijten,

een tuin vol kruiden 

en geurende bloemen,

van zon en schaduw onder het 

oog van de Olympische goden,

waardig in nevelen verscholen 

aan de overzijde van de baai.


Op dit zomerse balkon

waar motoren langs razen

in een door auto's verstikte stad,

waar de acacia's in het plantsoen

door onverschilligheid zijn verdord,

droom ik mijn dromen,

brand ik een olielichtje bij je foto,

omdat je nooit bent weggegaan.


Soms verschik ik je kleren 

in de hangkast

en altijd weer betaal ik stipt

de rekeningen die binnenkomen

op jouw naam.


Thessaloniki, 12 juli 2009


zondag, juli 12, 2009

Grenzeloos enthousiast


In het verhaal 'Bobby Kinghe' in mijn recent verschenen verhalenbundel IJzeren logica, komt het volgende fragment voor:


Het begon tegen de tijd dat we ons dichters begonnen te voelen. Gerrit de Wolf, Jan van der Geer en ik. Er werd op school een beetje tegen ons opgekeken, vooral tegen Jan, die een keer in Avenue-literair had gepubliceerd. Wij wilden meer dan verzen schrijven en zaten vol zendingsdrang. 'Over de cultuurdrempel schoppen, die lui,' zei Jan in een vraaggesprek met Janny Groen, die stage liep bij de plaatselijke editie van Het Vrije Volk. We zouden van Dordrecht een cultuurstad van formaat maken! Toen Jan kwam met het plan om een poëziefestival te organiseren, Carré was nog vers, werd het serieus. We vervoegden ons bij de enige dichter van naam die we hadden, Kees Buddingh'.

 

Hij ontving ons, zwaar pijp rokend, tussen een enorme verzameling lege flessen in zijn donkere werkkamer in het gebouw van het Teekengenootschap Pictura. We zagen hem in de schemer nauwelijks zitten. De kamer van een dichter, vonden we en we besloten voortaan ook geen fles meer weg te gooien. Tegen de achterzijde van de deur was een grote foto geprikt: 'Poëzie in Carré.' Daar zaten ze: de Selfkicker, Bernlef, Remco Campert, Buddingh' zelf. Al onze idolen in vogelvlucht. Als we die eens naar Dordt konden halen! Buddingh' vond het direct een goed idee en greep de telefoon. Er zouden er uiteindelijk maar liefst negen komen, onder wie Campert en de voor ons toen al legendarische Vinkenoog. (Ik herinner mij dat mijn vader onder het eten eens aangeslagen vertelde dat Simon Vestdijk was gearresteerd wegens het bezit van hasjiesj. 'De schrijver Simon V.' had er in de krant gestaan en voor vader was er maar één schrijver 'Simon V.')


Dat poëziefestival, voor Dordrecht spectaculair van omvang, maar in landelijke context gezien zeer bescheiden, vond plaats in mei 1969. Ik moest aan dit fragment denken, toen ik vanmorgen op de internetpagina van de Wereldomroep het bericht las dat Simon Vinkenoog is overleden. Dat hij stervende was had ik daarvoor al bij de Contrabas vernomen, maar ik dacht eerst nog: Vinkenoog is een taaie, die komt er wel weer bovenop, waarbij mij de montere foto voor ogen kwam, onlangs op zijn website, van een lachende, ongeschoren Simon V. in een Amsterdams ziekenhuisbed, nadat hij een zware operatie aan een been had ondergaan. Een doorzetter. Ook dat beteuterde gezicht van mijn vader zag ik ineens weer, toen hij geloofde dat Simon Vestdijk in de boeien was geslagen. Dat moet een jaar of wat voor onze dichtersavond in Dordrecht zijn geweest. Een avond waar Vinkenoog overigens als enige op het laatste ogenblik verstek liet gaan, ondanks zijn belofte aan Buddingh'. Dat maakte hij later helemaal goed met zijn prachtige woorden bij de herdenking na het overlijden van Kees in de foyer van theater Kunstmin in 1985. Een herdenking waar een van Buddingh's Dordtse schildersvrienden (zijn naam doet Fries aan) op respectloze wijze halfzat door de sprekers heen zat te brallen, maar dit terzijde.


Die bijeenkomst was een van de weinige keren dat ik Vinkenoog ontmoette, maar ik ben hem wel altijd blijven volgen. Een groot dichter heb ik hem nooit gevonden, maar wel een inspirator, een initiatiefnemer, iemand die altijd een enorm enthousiasme uitstraalde voor de poëzie. Dat bleek toen hij na het aftreden van Gerrit Komrij de ondankbare rol van Dichter des Vaderlands (ook zo'n term die nooit went) ad interim op zich nam. Wellicht schuilt in dat grenzeloze en belangeloze enthousiasme zijn grootste verdienste. Zijn ontbreken in Dordrecht in mei 1969 is hem natuurlijk al lang vergeven. Tachtig is hij geworden. Ik had hem nog graag een aantal mooie, dichterlijke jaren gegund, maar tegen een anders beschikkende natuur kan zelfs de meest enthousiaste dichter niet op.

   


donderdag, juli 02, 2009

Bourgondisch afscheid

Ik herinner mij een hilarisch fragment uit een brief van Gerard Reve, waarin hij een piloot bij de luchtmacht verzoekt een precisiebombardement uit te voeren op een bepaalde bovenwoning te Amsterdam, zijnde het huis van de schrijver Theun de Vries. Reve had het niet op de Vries, omdat deze een aanhanger was van de door de volksschrijver gehate communistische religie. Ik herinner mij ook de woonkamer van de ouders van een van mijn beste vrienden. Daar stond tot ver in de jaren tachtig een groot portret van Jozef Stalin op de schoorsteenmantel. Toen mijn vriends vader overleed smeet de weduwe als eerste Stalin uit het raam. Twee herinneringen die opkwamen toen ik afgelopen zaterdag in Brugge het allerlaatste nummer van het literair kwartaalschrift Kruispunt in ontvangst nam. Kruispunt 200 betekent na 50 jaar het einde van een flamboyant tijdschrift. Gesticht door twee Vlaamse communisten, Georges van Acker en Marc Braet, verloor het in zijn groei naar volwassenheid allengs de religie van Karl Marx en eindigde het als een vooruitstrevend, ruimdenkend blad waarin plaats was voor vogels van velerlei pluimage, mits onbesmet door rechts-extremistische virussen. Een tijdschrift dat door haar speciale katern 'Op het kruispunt,' gewijd aan boekbesprekingen, en door haar ruime belangstelling voor wat er in de wereldliteratuur te koop was, met name in de 'kleine talen,' als Bretons, Catalaans, Welsh, Zuid-Afrikaans enz., een fundgrube is geworden voor latere literatuurvorsers. 


Stella en ik kregen de kans onze bloemlezing van Cypriotische literatuur als Kruispuntnummer 197, een pil van 470 bladzijden, uit te geven. Dat was voor ons de bekroning van een lange samenwerking met Kruispunt, die voor mij begon in 1974 toen ik er als jong dichter voor het eerst in publiceerde en die afgelopen zaterdag eindigde toen ik het twijfelachtige genoegen had om het blad samen met mederedacteur Jan Deloof en dichter Hendrik Carette uit te luiden, in aanwezigheid van hoofdredacteur John Heuzel en een uitgelezen gezelschap  Kruispuntvrienden. Er was lof, terechte lof voor John Heuzel, die meer dan 25-jaar het aanzien van Kruispunt bepaalde en zonder wiens literaire inzicht en moed het blad waarschijnlijk allang het loodje zou hebben gelegd. 


De presentatie werd gehouden op het domein De Zeven Torentjes, waar ook de sfeervolle kinderboerderij van Brugge is gevestigd. Het was bijzonder prettig om veel oude Kruispuntvrienden terug te zien, al speelde bij iedereen wel in meer of mindere mate de weemoed over het verdwijnen van een tijdschrift dat voor de meeste aanwezigen meer was dan zomaar een literair blad. Bij wijze van uitzondering was het een mooie, zonnige dag, wat aan het weerzien ook een feestelijke tint gaf. Het was een welhaast Bourgondische bijeenkomst, waarop Kruispunt zijn genodigden ruimhartig onthaalde op drank en een kostelijk maal, maar evenzeer op muziek, poëzie en tenslotte op het nummer zelf. Geheel in Kruispuntstijl een bijzondere publicatie. Een tweedelig slotnummer, eigenlijk twee nummers, waarvan het eerste deel, Kruispunt 198-199, een uitgebreide verhandeling bevat van de hand van Peter Bormans over het beeld van Jozef Stalin in de literatuur. Het nummer opent met een krachtig gedicht van Hendrik Carette, getiteld Een bolsjewistische fanfare. Nummer 200 tenslotte bevat een aantal beschouwingen van oud-medewerkers en redactieleden over hun ervaringen met Kruispunt. Dit deel verscheen met een fraai ogend omslag waarop een tekening van Picasso, ooit voor dit doel afgestaan aan zijn vriend Marc Braet. Er staan bijzondere herinneringen, fraaie anekdotes en ontroerende passages in. Het is een nummer dat iedere liefhebber van Kruispunt, maar ook iedere verzamelaar, in de kast zou moeten hebben en dat kan, want het is eenvoudig te bestellen via kruispunt@telenet.be.


dinsdag, juni 30, 2009

Spookvertaling


Er zijn mensen die vinden dat je als dichter op je weblog geen reclame mag maken voor je eigen werk. Er zijn mensen die altijd overal ergens iets van vinden en soms is dat onzin. Zoals bovenstaande mening. Dat is nu een van de leuke dingen van een weblog: jezelf een veer in je achterste steken. Omdat dat lekker is, omdat je wil dat je boeken worden gelezen en – een prachtig argument voor Nederlanders – omdat het gratis en voor nop is. Bovendien zijn er, geloof het of niet, in Nederland uitgevers die menen dat een prachtig boek maken voldoende is, dat na het drukken zo'n boek pootjes krijgt en zichzelf gaat verkopen. Dat enige publiciteit, op een obligaat foldertje na dat voor- of najaarsaanbieding heet en dat de boekhandel in pdf van de site van de uitgever mag plukken, onnodig is en de auteur onwaardig. Zulke uitgevers zijn vanzelfsprekend niet aangesloten bij het Centraal Boekhuis en slechts bij uitzondering reageren ze op een via de internetsite gedane bestelling. Wel staan daarop boeken als nieuwe publicatie, zoals een vertaling van mijn hand, die door die uitgever helemaal niet zijn uitgegeven. Na het maken van het omslag en de drukproeven voor die vertaling en na correctie daarvan door mij, kortom nadat het boek geheel persklaar naar de drukker kon, besloot betreffende uitgever de hele boel naar een collega te sturen met de vraag of die het soms wilde publiceren. Vooraf werd de vertaler niet geïnformeerd, waarom zou je ook, hij zou terecht hebben gevraagd of de uitgever niet goed snik was geworden. Wat er nu met het boek gaat gebeuren is nog niet bekend. Degenen die het hebben besteld en zich bij mij beklaagden waarom ze geen reactie kregen, heb ik voorlopig maar verteld dat het om een spookvertaling gaat.


Het spreekt dat ik naar een andere uitgever heb uitgezien. Die heeft inmiddels drie boeken van mij gepubliceerd en doet er alles aan om die boeken ook verkocht te krijgen. Hij is enthousiast, werkt hard voor zijn auteurs en gaat eigenhandig met een kraam op de Dordtse boekenmarkt staan, aanstaande zondag, 5 juli, om zijn fonds aan de man te brengen. Dat wordt dan een van de weinige kramen waar kersverse boeken worden verkocht voor een aantrekkelijke prijs en niet de troep uit de boekenkast van de familie Doorsnee die je in doodvermoeiende overdaad op zulke markten aantreft. Van mijn vorige uitgever hoef je geen kraam te verwachten, hooguit hier en daar een stukgelezen boekje uit het fonds. Overigens een prachtig fonds, het mooiste poëziefonds van Nederland, dat grotendeels onverkocht ergens in een pakhuis ligt te verstoffen. Mijn nieuwe uitgever heet Liverse, een huis waarvoor ik graag enige reclame maak. Ergens zal er wel weer iemand zuur uitboeren dat dat niet mag, maar ook Liverse verdient een veer in het achterste. Kijkt u maar eens op http://www.liverse.nl voor het mooie, gevarieerde aanbod. En het wordt nog mooier: Liverse start in het najaar met de al aangekondigde poëziereeks, de Bordeauxreeks. Reken maar dat daarvan niets in de magazijnen gaat verstoffen!


De spookvertaling: