Posts tonen met het label Nederland. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Nederland. Alle posts tonen

woensdag, juni 12, 2019

Spoorlopen



De trein heeft Utrecht Centraal nog maar net verlaten of hij komt alweer schokkend tot stilstand. Even later roept de conducteur om dat we voor een rood licht staan en dat dat nog even duurt. Er loopt iemand op het spoor. Spoorlopen, het schijnt voor sommigen een liefhebberij te zijn waar de spoorwegen niet blij van worden. Je weet maar nooit of je te maken hebt met een onverantwoordelijke geinponem of iemand die voor de trein wil springen. 

Voor we vertrokken liep de conducteur groetend door de eersteklas. Dat gebeurt meer. Of de reizigers in de tweede klas ook zo worden begroet, weet ik niet. Ik reis altijd eersteklas. Ik heb een kortingskaart, waardoor ik in feite tweedeklas betaal. Voor een dubbeltje op de eerste rang, Nederlandser kan het niet. Er zijn altijd kleingeesten die, als ze door de eersteklas lopen op weg naar hun plek in de tweede, een schampere opmerking maken. Het is de jaloezie van de mokkende burger, die niet zelden meer te besteden heeft dan de eersteklasser met kortingskaart.

Ik kom terug van een lezing door mijn oud-hoogleraar Maarten van Rossem. Over zijn boek Wat is geluk? Hij zei dat hij eigenlijk bedoelt: Wat is tevredenheid? Hij komt onvermijdelijk op de mokkende kleingeesten, die minderheid van ongeveer 15% van het electoraat, die zich voelt aangetrokken tot halvegaren als 'onze Pim' of fantasten als Baudet, 'onze Thierry'. 'Als je op zo'n partij stemt ben je niet goed bij het hoofd,' aldus mijn leermeester. Ik denk het hem na.

'Hij is aangehouden,' klinkt het door de intercom. De trein komt weer op gang. De spoorloper zit achter slot en grendel. Zijn motief zal ik nooit te weten komen. Misschien denkt hij wel dat zijn land in handen is van de spoorwegen en wil hij het 'teruggeven aan het volk'.

Foto: auteur


vrijdag, mei 10, 2019

Aan het gas



Vandaag lees ik in de krant dat het opwekken van energie met biomassa-centrales veel meer Co2-uitstoot geeft dan met gasgestookte centrales. Overal hoor je terecht gejammer over het kappen van bomen, maar als het om 'milieuvriendelijke' biomassa gaat, wat gewoon hout stoken is, dan lijkt dat kappen niet zo erg en het gaat, volgens sommigen, slechts over afgewaaide takken of door onweder getroffen geboomte. Ja, dat geloven we direct, dat spreekt.

Ik begin van het milieugedoe steeds minder te begrijpen. Gas is zo smerig nog niet, er is voor de komende decennia ruim voldoende van, maar de Haagse politici menen bijna unaniem, alleen wat fatten en querulanten liggen nog dwars, dat wij van het gas af moeten. Vanwege de aardbevingen in Groningen. Nou, dan haal je dat gas toch ergens anders vandaan? Ik ben in ieder geval nog lang niet van plan om mijn gasketel de deur uit te doen. En ik heb een open haard! Daarnaast een boek lezen is heel gezellig, vooral op winteravonden, al stook ik er geen 'biomassa' in, maar van die geperste blokken, die ook wel van iets gemaakt zullen zijn waar milieubezwaren tegen bestaan, maar waar je een paar uur lang geen omkijken naar hebt. 

Mijn milieubezwaren, die worden gedeeld door duizenden, zo niet tienduizenden mensen langs het spoor in onze regio, worden fijntjes genegeerd. Ik bedoel de vele giftreinen die dwars door dichtbevolkt gebied, op nog geen halve kilometer van mijn huis door de scherpste en dus gevaarlijkste spoorwegbocht van Nederland moeten. Zulk levensgevaarlijk transport mag wel door de stad, de meeste intercity's mogen er omheen, via het HSL-traject, zodat ze station Dordrecht, met een achterland van 250.000 bewoners, gemakshalve kunnen mijden. Je zou er haast van radicaliseren, maar gelukkig word ik gerustgesteld door de gedachte dat als het een keer misgaat, wij de vraag 'gaan we van het gas of niet' nooit meer zullen stellen.

Foto: auteur


maandag, december 17, 2018

Olympische prestatie



Toen Stella nog leefde, gingen we er af en toe op uit. Een van die uitjes voerde naar Lochem. Ik herinner mij van Lochem niet veel, behalve een bomenrijk plein en een oud café. De omgeving was mooi. We maakten daarom iedere dag een lange wandeling. We logeerden in een klein hotel, dat werd uitgebaat door een mevrouw die erg uit de hoogte deed toen Stella klaagde dat er geen zeep in de badkamer was. Je moest direct bij aankomst betalen. Er waren keuken noch bar, het ontbijt moest elders worden genoten. 

Onlangs reisde ik per trein van Haarlem terug naar Dordrecht. Op een mistige, door natte sneeuw bedorven zondagochtend. Op het station het ene omroepbericht na het andere. Overal wisselstoringen die voor vertraging of busvervoer zorgden. Een enkel vlokje sneeuw en de spoorwegen raken volledig ontspoord. Mijn trein was de enige die op tijd reed én op tijd aankwam. Een prestatie van Olympisch formaat. 

Onderweg zag ik hoe lelijk Nederland aan weerszijden van de spoorlijn is geworden. Ogentergende kantoorbouw, droevige bedrijfsloodsen, suïcidaal makende Vinex-wijken, met als kers op de taart het rangeerterrein Kijfhoek. Toen we op de spoorbrug over de Oude Maas reden, benam mist ons het uitzicht op de Grote Kerk. Lochem ligt ook aan het spoor, bedacht ik. Gelukkig waren wij indertijd met de automobiel.

Foto: auteur


woensdag, november 28, 2018

Alleen op dinsdag



Door Nederland reizen met de trein is tegenwoordig een opgave. Dan wordt er hier en dan weer daar aan het spoor gewerkt, zodat je om moet rijden, of een bus in. Bussen vermijd ik zoveel mogelijk. Ik weet ook niet hoe het komt, ik wil het ook niet weten, maar in een bus kan ik niet lezen, in een trein wel. Onlangs was het weer zo ver. Ik moest naar Groningen, maar kon niet langs Utrecht, als ik niet met een bus wilde. Dat betekende omreizen tot Zwolle, via Leiden, Almere en Lelystad. Wat is Nederland op het traject Leiden-Zwolle, via Flevoland, bedroevend lelijk geworden. Alleen al de aaneenschakeling van rommelige bedrijventerreinen, verwaarloosde volkstuincomplexen met van die traag inzakkende, 'knusse' tuinhuisjes en vervolgens al die tot wanhoop stemmende zelfmoordnieuwbouw. Waar vinden ze toch de derderangsarchitecten die verantwoordelijk zijn voor zoveel betonzooi? 

Ja, het zal binnen allemaal wel geweldig zijn, met van die spierwitte muren waaraan weinig hangt (niet zelden omdat het anders niet bij de bank kleurt), een kille laminaatvloer en een open keuken, wat ik toch altijd als een teken van binnenhuisarchitectonische armoede zie, al moet je ze niet de kost geven die dat 'lekker makkelijk' of zelfs wel 'gezellig' vinden, maar ik ben als een kind zo blij dat ik in een huis van meer dan honderd jaar oud woon met een trapgevel, geen open keuken, Nepalese en Perzische tapijten op de vloer, volgehangen muren, hoge plafonds en een Victoriaanse open haard. Heel fout, maar de milieufundamentalisten kunnen water achter het hart krijgen, zo vaak stook ik dat ding niet en bovendien gebruik ik geen hout, maar van die haardblokken uit de super die het een uur of twee, drie blijven doen zonder dat je ernaar hoeft om te kijken.

Het was karakteristiek, grauw novemberweer, dat vrolijkt zo'n reis ook niet op. Er waren tijden dat je troost kon zoeken in een pijp (weet u nog: 'Van Rossems troost'?) of een sigaartje, maar daar heeft de anti-rooktaliban een stokje voor gestoken. Fatsoenlijke stationsrestauraties zijn er, als de overstaptijd wat langer duurt dan gewenst, omdat de zoveelste idioot zonder vervoers- en legitimatiebewijs ergens door een paar klerenkasten uit je aansluitende trein moet worden geplukt om een prent uitgereikt te krijgen, ook nauwelijks meer te vinden. Sta je bij zo'n povere kiosk met te hete koffie in een te dun kartonnetje te vernikkelen tussen al die andere chagrijnige koppen.

Uiteindelijk kwam ik te Groningen. Het was inmiddels donker. Wintertijd. Door de waterkoude ging ik op pad naar het schamele zaaltje waar ik voor een appel en een ei mijn boodschap moest brengen. Daarna raakte ik verzeild in een café waar iemand mij erop wees dat ik de vaste stoel van Jean Pierre Rawie bezet hield, maar dat het niet gaf, want hij zat er alleen op dinsdag. Dat fleurde op. 

Foto: auteur


donderdag, september 27, 2018

Met de haren



Je kon er natuurlijk op wachten. Het is 450 jaar geleden dat de Tachtigjarige Oorlog begon, met de slag bij Heiligerlee, en daar wordt uiteraard bij stilgestaan. Voor sommigen een ideaal ogenblik om weer eens de staf te breken over het koloniale verleden van Nederland. Degene die dat verleden, waar we niet trots op hoeven te zijn, maar waarvan we de positieve kanten evenmin hoeven te verzwijgen, nu een beetje tegen wil en dank oprakelt, is Stephanie Archangel, conservator geschiedenis bij het Rijksmuseum.

Stephanie Archangel is afgestudeerd in de sociologie. Misschien dat ze daarom een wat eenzijdige visie ontvouwt in haar opstel over de Tachtigjarige Oorlog op Historiek.net. Ik wil niet zo ver gaan om het een tunnelvisie te noemen, maar beweren dat de VOC in 1602 uitsluitend werd opgericht om kaapvaart tegen de Spanjaarden te bedrijven, is wel een beetje simpel.

Dat de kaapvaart de Spanjaarden schade toebracht en voor de Nederlanders lucratief was (denk maar aan Piet Hein en de zilvervloot), zal ik niet ontkennen. Toen er niets meer te kapen viel, na 1648, raakte de tegenhanger van de VOC, de WIC (opgericht in 1621) al snel in financiële problemen. Dat neemt niet weg dat beide compagnieën allereerst handelsmaatschappijen waren, al werd handel in die dagen nog niet bedreven volgens onze normen en waarden en werd er soms veel geweld bij gebruikt. Geweld dat ook in de Gouden Eeuw al door sommigen werd bekritiseerd, wat wel eens over het hoofd wordt gezien.

Wat ook nog weleens over het hoofd wordt gezien is dat niet de handel met de koloniën de motor van de economie was, al was het een nuttige hulpmotor, maar de kurk waar Nederland tijdens de Tachtigjarige Oorlog op dreef, was vooral de Oostzeehandel, de Moedernegotie. We moeten de rol van VOC en WIC niet onderschatten, maar evenmin uitvergroten, zoals Stephanie Archangel wel een beetje probeert.

Wat ik trouwens altijd mis als weer eens wordt geschreven over 'ons' slavernijverleden, is aandacht voor het niet aflatende enthousiasme van Afrikaanse heersers om Afrikanen tot slaaf te maken en te verkopen aan Europeanen of Arabieren (misschien wel de ergste slavenhandelaren ter wereld, die zich zelfs vergrepen aan ons Europeanen). Zonder die heersers geen trans-Atlantische slavenhandel van de omvang zoals die plaatsvond.

Natuurlijk is het van belang op de hoogte te zijn van het koloniaal verleden. Een bijzonder interessant verleden op de koop toe, maar het hoeft niet overal met de haren bij te worden gesleept. Tenslotte: ik doe niet aan 'als-als-geschiedenis', maar toch vraag ik mij weleens af hoe Suriname er nu voor zou staan als het in 1975 niet, tegen de wil van een aanzienlijk deel van de bevolking, door een Nederland, dat zich schaamde voor zijn koloniaal verleden, de onafhankelijkheid zou zijn ingeschopt.

Foto: auteur

woensdag, maart 01, 2017

Verkiezingen




Verkiezingstijd. Dat is de tijd waarin politici kunstjes vertonen. De tijd waarop ons van alles wordt beloofd, dat later niet allemaal is waar te maken, want we leven in een coalitiedemocratie. Om te regeren moet er water in de wijn worden gedaan. Iets dat volkomen logisch is, dat iedereen met een gemiddeld verstand begrijpt. Daarom is het zo vreemd dat allerlei politici blijven denken dat we er wel weer in zullen trappen. Ik hoor Mark Rutte nog roepen dat we er duizend euro bij zouden krijgen, een belofte waarvan iedereen, behalve een enkele half benevelde sukkel aan de stamtafel in de kroeg, begreep dat het lulkoek was. Lulkoek uit de mond van een premier die is afgestudeerd in de geschiedenis en wekelijks een paar uurtjes maatschappijleer geeft. Ach, er wordt wel meer geroepen. Meneer Krol van 50+, een partij waar ik alleen al nooit op zal stemmen omdat ik mij structureel 23 voel, ondanks dat geboortejaar op mijn ID-kaart. Krol kraait dat de AOW-leeftijd terug kan naar 65 jaar en dat dat niks extra hoeft te kosten. Dan moet het maandbedrag wel omlaag. Dat vergeet Krol mee te kraaien. Hij denkt zeker dat we allemaal gekke Henkie zijn.

Ik moet soms even lachen om die verkiezingscampagne. Zo'n Wilders, die elk debat afzegt. Hij vindt het niet leuk, hij heeft er geen zin in, hij wil niks te maken hebben met de linkse elite, alsof hij met zijn rattenvangers-van-Hamelen-clubje geen elite zou zijn. En zo lopen er wel meer vreemde figuren rond. Neem die twee trekpoppen van de Turkse president, die DENK-broeders, met hun achterlijke uitspraak over artsen, die allochtonen eerder zouden laten doodgaan dan autochtonen. Vergeef me de terminologie, als ik 'iemand met een migratieachtergrond' hoor, moet ik denken aan mijn bet-bet-overgrootvader, die in de zeventiende eeuw uit het Rijnland kwam om te gaan trompetteren in het leger van de prins. Dan is er nog Jan Roos, de vleesgeworden onbeschoftheid, die nu ineens hoog opgeeft over normen en waarden. Daar is een woord voor dat Roos waarschijnlijk niet eens kan spellen: hypocrisie. Je hebt ook nog een zekere Baudet en een Jan Dijkgraaf, Roos zijn broeder in het kwaad bij het cultiveren van de onbeschoftheid. Het zijn carnavalsfiguren die we na een paar dagen rollebollen met de dansmariekes maar niet meer serieus moeten nemen.

Ondanks een milde glimlach nu en dan of een lichte ergernis, laat ik een groot deel van het campagnegedoe langs mij heen gaan. Ik heb betere dingen te doen dan debatten aan te horen of het geschetter in de sociale media te volgen. Begrijp me goed, dat is niet uit gebrek aan belangstelling. Ik weet echt wel wat er speelt. Ik lees kranten, opinieweekbladen en luister dagelijks uren naar de radio, meestal NPO1, maar ik ben geen zwevende kiezer die nog niet weet op wie hij stemmen gaat. Dat wist ik al sinds het verraad van Samsom, vier jaar geleden, toen ik voor de PvdA koos om de afbraak van de sociale zekerheid een halt toe te roepen. Nou, dát heb ik geweten.

Foto: Kees Klok



woensdag, januari 01, 2014

Vijfenveertig kilometer per uur





Het schijnt dat soldaten tijdens achttiende eeuwse veldslagen na verloop van tijd door de wolken buskruit alle zicht ontnomen werd. Daarom zie je de generaals op schilderijen uit die tijd altijd op veilige afstand, liefst te paard, op een heuvel staan. Om uit te kijken over het slagveld, om de mist te doorgronden. Wie daar het best in slaagde won, althans, zo stel ik mij dat voor. Als ik uit het raam kijk, zie ik een soort achttiende eeuws slagveld. Nu ja, de wolken van zo'n slagveld. Er vallen wel een paar doden en flink wat gewonden tijdens de jaarlijkse vuurwerkoorlog, maar het is toch vooral de dichte buskruitmist en de aanklevende stank die aan achttiende eeuwse oorlogvoering doen denken. Mijn ogen branden ervan, terwijl ik van rook in kroegen en kantines, alsmede de rook in mijn eigen huiskamer, zelden of nooit, meestal nooit, last heb.

Roken in kroegen en kantines mogen we niet meer van onze uit betuttelende kleuterleiders en -leidsters bestaande regering, maar tegen het kabaal en de buskruitdampen van de vuurwerkoorlog bestaan geen bezwaren. Jongelui van zestien en zeventien, die zo even nog een biertje of een wijntje mochten drinken, mogen dat nu ineens niet meer, maar er zijn geen bezwaren als ze naar hartelust doorgaan met deelnemen aan de vuurwerkoorlog. Ach, wat handen er af, of een handvol vingers, een oog eruit, dat mag het plezier toch niet drukken? Vandaag worden er even geen katten, honden en andere huisdieren geknuffeld. Er moet gevierd worden, liefst zo luid mogelijk. De enige die er niet aan meedoet is de radio. Op Radio 1 vertelt een meneer aan een andere meneer dat het sperma er met vijfenveertig kilometer per uur uit spuit als een man klaarkomt. Ik vraag me af hoe ze dat meten en waarom wij dat moeten weten.

Een goede vriend belt of ik mee ga naar een feestje in de stad, maar er komt zo een gezelschap dat aan wijn en cognac moet worden geholpen. Bovendien weet ik niet waar mijn gasmasker ligt. Langzaam neemt het knallen af, het is vrijwel windstil. Het kan nog uren duren voor de rook optrekt. Ik wacht op mijn gasten. Ik zie spookachtige gestalten in de mist. Ik wrijf, tegen beter weten in, in mijn brandende ogen. De radio meldt dat jongens van zeventien het al een paar honderd keer met zichzelf hebben gedaan en meisjes van zeventien slechts een keer of vijf. Ik vraag mij af hoe ze dat meten en waarom wij dat moeten weten. De eerste gasten komen binnen, wij wensen elkaar gelukkig nieuwjaar. Waarom moet ik steeds aan die vijfenveertig kilometer per uur denken?

©Kees Klok


zondag, december 22, 2013

Excuses! Schadevergoeding!





Zondagmorgen. Tijd voor het altijd boeiende radioprogramma OVT van de VPRO. Het gaat over het Rampjaar van 1672. De Fransen rukken op naar de Hollandse Waterlinie. De Engelse vloot zeilt uit. Het bestuur van de Republiek der Verenigde Nederlanden raakt in paniek. Het volk ook. Dat zag in de jonge prins van Oranje de Verlosser en om die aan de macht te brengen, werden in Den Haag de gebroeders De Witt gelyncht. De geschiedenis van de Nederlanden kent niet veel politieke moorden. Deze dubbelslachting was er eentje van een ongehoorde wreedheid. Uiteindelijk wisten prins Willem III en Michiel Adriaenszoon de Ruyter het gevaar af te wenden, maar het was een dubbeltje op zijn kant.

In mijn jeugd was het normaal om anti-Duits te zijn. Ik ben zes jaar na het einde van de Duitse bezetting geboren. Voor mij als kind was die periode zoiets als de Tachtigjarige Oorlog, maar voor de generatie van mijn ouders was het een trauma. Zij hadden de oorlog bij volle bewustzijn meegemaakt. In hun leven was er een vóór de oorlog en een ná de oorlog. Daarbij stond onomstotelijk vast: de Duitsers, toen nog Moffen genoemd, waren het Kwaad zelve. Later gingen we daar in de familie genuanceerder over denken, maar als we op vakantie op het strand Duitsers een kuil zagen graven, gingen we 's avonds even terug om die dicht te gooien.

Boven de grote rivieren duurde de Duitse bezetting op de kop af vijf jaar. Veel last hebben we buiten die periode niet van de Duitsers gehad. De graven van Holland hielden de Duitse keizer op gepaste afstand, de in Gent geboren keizer Karel V was gewoon een zuidelijke Nederlander, de bisschoppen van Münster en Keulen dachten in 1672 mee te profiteren van de Franse inval, met weinig succes, en de inval van de Pruisen in 1787 was een bliksemactie die niet tot een langdurige bezetting leidde. Nee, dan de Fransen. Meer dan 350 jaar hebben die geprobeerd ons het leven zuur te maken. In de Franse tijd is hen dat ook aardig gelukt. We kregen zelfs even een Franse koning. Die deed echter niet wat grote broer Napoleon wilde en daarom werd hij alweer snel van de troon gewipt. Napoleon, die de burgerlijke stand uitvond om zoiets kwalijks als de militaire dienstplicht in te kunnen voeren.

Het is tegenwoordig minder populair om anti-Duits te zijn. Anti-Frans is een sentiment dat ik nooit heb bespeurd. Die 350 jaar zijn we vergeten. Misschien maar goed ook, anders had je nu nog Dordtenaren die in De Wereld Draait Door verontwaardigd kwamen sputteren over het feit dat de Hagenezen nooit excuses hebben aangeboden voor de moord op Johan en Cornelis de Witt. Laat staan dat ze ooit een schadevergoeding hebben betaald.

©Kees Klok



maandag, september 30, 2013

Leeghwater




Gerard Reve schrijft ergens dat het onzin is om je druk te maken over Nederland, omdat dat land over vijfhonderd jaar toch is ondergelopen. Iets in die trant. Daar zit wat in, denk ik. De helft van het land ligt al onder de zeespiegel en die zeespiegel is aan het stijgen, terwijl de bodem aan het dalen is. Druk heb ik mij er tot nu niet over gemaakt. Het zou allemaal zo langzaam gaan dat ik en vele generaties na mij het niet meer zouden meemaken. Vijfhonderd jaar, ach, het zal wat, dacht ik, in die tussentijd wordt er wel een oplossing gevonden.

Vijfhonderd jaar geleden was het 1513. Nederland bestond nog niet. Er was wel sprake van de Bourgondische Nederlanden, een verzameling graafschapjes en hertogdommen, die grotendeels in een los-vast verband zaten onder Karel van Luxemburg, later bekend als Karel V von Habsburg. Een dertienjarig kereltje dat onder voogdij stond van opa Maximiliaan, na het overlijden van vader Filips in 1506. Drie jaar later zou hij het heft in handen nemen over onze streken als Heer der Nederlanden.

Die Nederlanden bestonden uit veel meer water dan nu. Beroemde droogmakerijen als de Beemster en de Purmer lagen nog ver in de toekomst. Het zou nog tweeënzestig jaar duren tot de geboorte van Jan Adriaanszoon, de man die zich vanaf 1605 tooide met de naam Leeghwater en van die naam zijn beroep zou maken. Toen hadden de Habsburgers in het noorden van de Nederlanden, laten we het voor het gemak alleen maar even over Holland hebben, al niets meer in te brengen. Steenrijke regenten begonnen hun centjes te beleggen in het droogmalen van het land. Sindsdien denkt men in het buitenland dat niet de natuur, of een of ander opperwezen, Holland heeft geschapen, maar dat de Hollanders dat zelf hebben gedaan.

Ik kom weleens in Griekenland en ben daar standaard beducht voor aardbevingen. Je hoort ze niet aankomen, je voelt ze niet van tevoren en ze kunnen de vreselijkste verwoestingen veroorzaken. Het appartementengebouw waar ik in Thessaloniki nu en dan verblijf is gebouwd volgens de strengste veiligheidsnormen. Dat beweert de aannemer. Of dat zo is, zal blijken bij de volgende zware beving. In 1978 was er zo een. Het gebouw heeft die overleefd, daar houden we ons maar aan vast. Ik heb het ook niet zo op water, maar daar kun je je meestal tegen te weer stellen. Zandzakken voor de deur en een opblaasboot op zolder.

Dat dacht ik tot gisteravond. Ik zag een programma op de televisie over razendsnel smeltend ijs op Groenland. In dertig jaar tijd is eenderde al verdwenen en dat zal de komende twintig jaar steeds sneller zal gaan, is de verwachting. Zonder die ijskap stijgt de zeespiegel zeven meter en kan de warme golfstroom uit de Mexicaanse Golf zijn koers verleggen, zodat Europa in een ijstijd terecht komt. Ach ja, dacht ik, onheilsprofeten zijn van alle tijden. Tot ik zag hoe het water een stevige brug wegspoelde en hoorde hoe fijn de Groenlanders het eigenlijk vinden, want nu wordt een enorme hoeveelheid delfstoffen bereikbaar voor exploitatie. Ik vrees dat het geen vijfhonderd jaar meer gaat duren. Misschien moeten we op zoek naar een nieuwe Leeghwater, of lid worden van Duitsland, zodat we in geval van nood een eindje naar het oosten kunnen verhuizen.

©Kees Klok


maandag, augustus 26, 2013

Lunch op Hackfort


Een zonnige zaterdagmiddag. Onze stoet neven, nichten, nichtjes en neefjes fietst in een kalm tempo op kasteel Hackfort af. Ik berijd een hybride fiets. Een paar uur geleden wist ik nog niet wat dat was, een hybride fiets. Blijkt iets als een toerfiets te zijn, met de versnellingen van een racefiets. Vierentwintig versnellingen. Ik gebruik er maar drie, net als wanneer ik op Stella's fiets door Dordt rijd. Waarom zou je meer willen? Enkele familieleden hebben een elektrische fiets weten te bemachtigen. Kunnen ze achter die irritante amateurwielrenners aan, in die idiote kleding, die denken dat het pad uitsluitend van hen is. Wij gaan altijd een dag fietsen tijdens ons jaarlijkse familieweekeinde, waarbij de groep gemakkelijk uitwaaiert. De snelheidsmaniakken bekijken het maar, tenzij ze beleefd en tijdig bellen, dan weten wij van wijken. In voorgaande jaren regenden we steevast zeiknat. Vandaag is een welkome uitzondering.

Er lijkt even lichte paniek in het koetshuis, waar de horeca is gevestigd, als onze groep neerploft, maar de ontvangst is hartelijk. Vooral als we tevreden blijken met de voorgestelde lunch en niet zonodig à la carte hoeven te bestellen. We begrijpen het probleem als bijna twintig mensen onaangekondigd komen aankakken. De lunch bestaat uit veel vers en dat vers komt uit de prachtige moestuin van het kasteel, waar nog heel oude gewassen als pastinaken worden verbouwd. Als we later door die tuin dwalen, moet ik denken aan de eveneens fraaie moestuinen van onze Dordtse Villa Augustus. Alleen ervaar ik daar de bediening wel als vriendelijk, maar structureel in een staat van wanorde en is zij hier aangenaam efficiënt. Dat men bij Villa Augustus de werkstudenten nog steeds niet goed lijkt in te werken, begrijp ik niet. Ik zou er vaker komen als er werd bediend zoals op Hackfort.

Het kasteel zelf is niet voor het toevallig langsfietsende publiek toegankelijk. De watermolen, waar de boeren van het domein in vroeger tijden hun graan moesten laten malen, kan wel worden bezichtigd. Hij staat stil vanwege de lage waterstand door de droge zomer. Een enthousiaste vrijwilliger geeft uitleg. Daarna wandelen we door het romantisch ogende bos voorbij de molen, terrein dat mij bekend voorkomt. Ik herinner mij niet waarom. Misschien was ik hier ooit met Stella, lang geleden, toen we logeerden in een hotelletje in het nabije Lochem. Daar moesten we bijna smeken om zeep voor de badkamer. Het mens dat de boel bestierde vond dat de gasten hun eigen zeep maar moesten meebrengen. Ook in het landhuis bij Vorden, dat we dit weekeinde huren, ontbreekt ieder spoor van zeep. De voorraad toiletpapier is minimaal. Ik zal maar geen conclusie trekken over de gulheid van de Achterhoekers of hun opvattingen over reinheid. Daarvoor werden we op Hackfort veel te aardig ontvangen.

©Kees Klok


donderdag, december 06, 2012

Gefaald


Op de radio hoor ik mijn oud-leerlinge Sadet Karabulut. Lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Zij spreekt over de armoede in Nederland en betrekt daar ook de geschiedenis bij. Dat heeft ze in eerste instantie bij mij geleerd, denk ik. Uiteraard heeft ze er daarna nog het een en ander bij geleerd. Ze klinkt als een verstandige vrouw. Toch is zij lid van een partij waarin zich gevogelte van velerlei pluimage heeft verzameld, waaronder voormalige aanhangers van de toenmalige CPN, de communistische kerk van Nederland. Toen die partij nog bestond kende ik een Dordts echtpaar dat een prominente positie innam in de plaatselijke afdeling. Aardige mensen in de omgang. Ze deden iets in het opbouwwerk, hoe moest je anders zending bedrijven als communist? Toen de man ontslagen werd, of zich de WAO in sjoemelde, daar wil ik vanaf zijn, gingen zij terstond scheiden en lieten hun huis officieel splitsen. Hij ging in het ene deel wonen, zij in het andere. Zo kon hij een hogere uitkering krijgen. Van het aldus vergaarde kapitaaltje kochten ze later een huisje in een zuidelijk, katholiek land, waar zij dromen van oom Stalin.

Zij zijn ongetwijfeld niet de enigen die zo hun levensgeluk bevorderden. Ooit hadden wij een, ook al aardige, postbode met een frequent rugprobleem als buurman. Daarvan genas hij het beste als hij her en der klusjes deed. Zo vernieuwde hij bij ons de elektrische leidingen. U kunt dat lezen in mijn verhalenbundel Op koers. Minder aardig vond ik dat hij, toen hij een paar stukken plastic buis tekort kwam, mijn hoelahoep als aanvulling gebruikte. Een hoelahoep zie je nog weleens een enkele keer in gebruik bij bijna blote meisjes in zekere uitgaansgelegenheden, wat tot mooie gedachten kan leiden, maar dit terzijde.

Die voormalige communisten in de partij van mijn oud-leerlinge zijn inmiddels misschien wel bekeerd tot brave democraten, wie zal het zeggen, maar dat politici van die club hun salaris in de partijkas moeten storten, om dan van de partij een bescheiden loontje te ontvangen, vind ik een beetje eng. Dat is een soort moralisme, een soort van heilig boontjesgedrag, waartegen ik een instinctief wantrouwen koester. Het zou weleens kunnen, ik weet het niet, maar ik vermoed het, dat er veel anti-rookfanaten in die partij zitten. Van die ordinaire verbieders. Ik heb het niet zo op dat intolerantievolkje. Voor de oorlog kon mijn grootvader eigenlijk niet met goed fatsoen op de SDAP stemmen, vanwege het heulen met de Blauwe Knoop, die hem zijn zuurverdiende borrel wilde afnemen. Ik vind de partij van Sadet ook weleens een tikje te populistisch, bijvoorbeeld als het over Griekenland gaat. Daarom stem ik toch maar op een belendende partij, waarin overigens ook enkele verstandige oud-leerlingen van mij zitten, niet in de Kamer, maar wel in de staten van Zuid-Holland en in onze eigen gemeenteraad. Ik ben wel een beetje trots op Sadet en die andere oud-leerlingen. Mijn grote angst is, dat ik er ooit eentje ontdek bij de PVV. Dan heb ik als leraar echt gefaald.

©Kees Klok


zondag, juli 22, 2012

Vraag


Als Stella niet was overleden, zouden we een jaar of drie geleden voorgoed naar Griekenland zijn gegaan. Dat was ons plan. Of we het ook werkelijk hadden uitgevoerd, weet ik niet. Misschien hadden we het, gezien de economische omstandigheden, niet kunnen uitvoeren, of hadden we ons bedacht. Het wonen in Nederland, waarvan ze hoge, misschien te hoge, verwachtingen had gekoesterd, viel Stella tegen. Dat kwam in de eerste plaats door het klimaat. Tijdens de grijze herfst-, winter- en vroege voorjaarsmaanden miste zij de zon en het bijzondere licht van Griekenland. Hoewel zij voor Griekse begrippen een Pietje precies was, die altijd haar afspraken nakwam en altijd op tijd, kon ze niet goed tegen de mentaliteit van de agenda. Ze zei altijd: 'Als je met een vriendin koffie wil gaan drinken, dan bel je even en zeg je, “komt het uit? dan kom ik eraan,” maar je maakt geen afspraak met je agenda voor over veertien dagen.' Door het Nederlandse superioriteitsgevoel tegenover mensen uit Mediterrane landen werd ze soms diep gekwetst.

Stella was allerminst blind voor de goede kanten van het leven in Nederland. Ze voelde zich prettig in onze vriendenkring, wat het gemis van haar Griekse vrienden deels goedmaakte. Ze genoot van de waardering die ze langzamerhand kreeg als dichteres. Liever had ze die gekregen als vertaalster, wat ze voor haar gevoel in de eerste plaats was, maar in die hoedanigheid stuitte zij in Nederland op beroepsnaijver en kinnesinne. In Griekenland werden haar poëzievertalingen van ondermeer C. Buddingh' en J. Eijkelboom en haar prozavertalingen van F.B. Hotz en Levi Weemoedt, om een paar voorbeelden te noemen, wel op waarde geschat. Dichter, criticus en vertaler van ondermeer Joseph Conrad, Thanasis Georgiadis, prees haar vertaling van mijn boek Afrodite en Europa in verschillende artikelen de hemel in. Hij had zoveel waardering voor haar werk, dat hij na haar dood belangeloos de redactie op zich nam van haar postume bundel ατελείωτες νύχτες (eindeloze nachten). Even belangeloos vertaalde hij de inleiding die ik ervoor schreef, op verzoek van de uitgever. Inmiddels is haar poëzie in een aantal Nederlandse en Griekse bloemlezingen opgenomen. Het zou haar goed hebben gedaan. Ook de tuin deed haar goed. Die hadden we niet bij de flat in Thessaloniki. Wel een bos, op tien minuten lopen, maar geen tuin. Ze was er, als het weer het toeliet, met groot plezier in bezig. Ze genoot van haar rozen en de vele andere bloemen en van haar kruiden, die ze het liefst vers gebruikte. Dat beviel haar ook wel, dat ik ook met enige regelmaat kookte. Zij bijna altijd Grieks, ik bijna altijd Indisch, Indiaas of Surinaams. Tenslotte hield de innige vriendschap met mijn moeder haar op de been, evenals die met haar Roosendaalse 'zusje' Karla Boschma. Half Fries, half Oostenrijks, bonter kun je het niet maken, en dan als twee druppels water lijken op een Griekse en toevallig nog Nieuwgrieks spreken ook. Karla gelooft ook niet in de agenda, maar wel in de literatuur.

Stel dat we ons plan wel hadden uitgevoerd, zouden we het dan ook in Griekenland hebben uitgehouden? Het is een vraag waaraan ik steeds weer denk, maar die, zoals de essentiële vragen van het leven, nooit bevredigend zal worden beantwoord. Stella was altijd verdrietig als wij vanuit Griekenland terugreisden naar Dordrecht, maar als we daar ons huis binnenstapten, leefde ze op en riep ze blij 'spiti mou, spitaki mou!' (mijn huis, mijn huisje). In Nederland was al haar ergernis over de medebewoners van het flatgebouw, met hun herrie en hun troep overal, behalve over de eigen dorpel, snel vergeten. En zo waren er meer ergernissen, die snel wegzonken, maar die in Thessaloniki wel degelijk een rol speelden. Het a-sociale rij- en vooral parkeergedrag, de tekortschietende reinigingsdienst, het primitieve openbaar vervoer in de stad, de regelmatige onderbrekingen van water en stroom en het gebrek aan vakmanschap als we voor de zoveelste keer een loodgieter nodig hadden omdat bij de bovenburen, of bij ons, een leiding was gesprongen, of er weer eens een radiator lekte. Griekenland en vakbekwame loodgieters, is een contradictio in terminis. In Dordrecht bekeken we Griekenland met een roze bril en genoten we na van de heerlijke, zwoele avonden met vrienden, van de prachtige plaatsen die wij bezochten, van de overweldigende natuur, van de zon en van de concerten en theatervoorstellingen, vaak in de openlucht. Griekenland is een heerlijk land om vaak te zijn. Daarom komt steeds die niet te beantwoorden vraag weer op.


maandag, juli 09, 2012

Weemoed


De grootmoeder van Y. hoorde op een dag hoefgetrappel in haar dorp in Noord-Griekenland, maar ze had op dat ogenblik geen tijd om haar fornuis te verlaten. Na enige tijd ontstond er hevig rumoer in het kippenhok. Zij ging kijken en verstijfde van schrik. Later zei ze dat zij de duivel had gezien. Het was een Sikh van het Brits-Indische leger, die een kip probeerde te stelen. Dat leger vocht aan het einde van de Eerste Wereldoorlog op de zuidelijke Balkan mee tegen de Bulgaren en Osmanen. Volgens de geschiedenisboeken hield de strijd op toen in oktober 1918 de wapenstilstand van Mudros werd getekend. Geallieerde oorlogsbodems stoomden op naar de Bosporus. Daaronder was het beroemde Griekse slagschip de Averoff. Een feit dat nationalistische Grieken nog steeds met trots vervult. Wij hadden geen slagschepen in Nederland. Wel twee slagkruisers, Hr.Ms. De Ruyter en Hr.Ms. De Zeven Provinciën. Zij waren een goedkopere versie van het slagschip. Heel Nederlands dus. De Zeven Provinciën werd in 1934 in 'Ons Indië' door een Nederlands vliegtuig gebombardeerd, omdat de matrozen zich van het schip meester hadden gemaakt, uit protest tegen het verlagen van hun soldij door het kabinet-Colijn. Het was crisis en er moest worden bezuinigd. Lonen van ambtenaren en militairen werden verlaagd. Pensioenen en uitkeringen, voor zover daar sprake van was, ook. Het leidde niet alleen tot de muiterij op De Zeven Provinciën, maar ook tot het Jordaanoproer, dat door het leger bloedig werd neergeslagen. Er vielen doden en gewonden. Er was een politieke partij die in sommige opzichten leek op de partij van Henk en Ingrid. Die heette NSB.

Acht jaar later gingen beide schepen ten onder in de Slag in de Javazee. De Nederlandse marine betoonde zich in die zeeslag uitzonderlijk moedig, maar de fiere slagkruisers waren niet opgewassen tegen de Japanse schepen met hun verder dragend geschut en tegen de torpedovliegtuigen van de vijand. Luchtdekking, toen een voorwaarde voor een succesvol maritiem optreden van die omvang, was al helemaal niet voorhanden. Dit alles was ondermeer een gevolg van de bezuinigingsdrift van de regering en van het heilige geloof in de Nederlandse neutraliteit. Als wij ons niet met de wereld bemoeiden, bemoeide de wereld zich niet met ons. Wat er nog over is van de vechtende en tuimelende PVV, gelooft dat nog steeds. Veel SP'ers ook, vrees ik. De vloot die het in 1942 opnam tegen de Japanners bestond overigens ook uit een aantal haastig bijeengebrachte schepen van andere Geallieerden. Dat redde de buurman van grootvader Klok in Rotterdam het leven. Hij voer op de Hr.Ms. Kortenaer en kwam in zee terecht nadat dat schip was getorpedeerd. Voor de haaien hem vonden, werd hij opgepikt door een Engelse kruiser, in volle vlucht onderweg naar Australië. Die buurman, een vriendelijke, witgekuifde, oude heer, stond in hoog aanzien in de buurt. Ik vond het jammer dat hij geen verteller was, zoals mijn varende grootvader Bekker.

Een groeiend aantal historici ziet de Eerste en de Tweede Wereldoorlog tegenwoordig als één spektakel, met een lange pauze tussen 1918 en 1939. Daar is iets voor te zeggen, maar tijdens die pauze waren er toch allerlei zijzalen waarin men voorstelling gaf. Zo vochten de Grieken en de Turken van 1919 tot 1923 nog een paar ronden hevig door. De Grieken waren eerst aan de winnende hand, maar uiteindelijk zegevierden de Turken. Dat was voor een belangrijk deel te danken aan Mustafa Kemal (Atatürk), die werd geboren in een nog steeds bestaand huis, hier in Thessaloniki, tegenover een Jugendstilcafé waar ik weleens kom. Dan spreken we af 'bij Kemal.' Of dat café er toen ook al was, weet ik niet, maar onmogelijk is het niet. Na die oorlog vond de eerste, door twee staten overeengekomen etnische zuivering van de twintigste eeuw plaats. Ruim een miljoen grieks-orthodoxen (1,2 is de meest voorkomende schatting) moesten Turkije verlaten en bijna een half miljoen islamieten Griekenland. Dat heeft tot veel persoonlijke drama's geleid. Mijn Griekse familie spreekt nog steeds met weemoed over het gebied, de Pontos in N.O. Turkije, dat de inmiddels uitgestorven, oudere generatie moest verlaten. Diezelfde weemoed hoor ik soms bij vrienden van Nederlands-Indische en Molukse afkomt.



vrijdag, juni 15, 2012

Jasmijn


De jasmijn bij de buren staat in volle bloei, maar het weer doet aan de herfst denken, dat melancholieke voorportaal van het seizoen van de dood. Radio-1 heb ik uitgezet, want ik heb niets tegen sportnieuws, maar wel als ik dat de hele godganselijke dag moet aanhoren en het Nederlands elftal moet eerst maar eens iets presteren op het EK, dan is er nog tijd genoeg om enthousiast te worden. Het is stil in huis, want BRT en BBC zijn goede alternatieven, maar een tijdje helemaal niets horen over de waan van de dag is ook heel prettig. Wat moet ik met het gezwets over niets van een niemand uit een of andere volkswijk, waar de radio een 'oranje-soap' organiseert? Het hele oranjegevoel (wat dat ook mag zijn, ik voel er niets van) is een grotendeels door de media opgeklopte carnavalstoestand rondom een clubje multi-miljonairs dat ik tot nu toe minder heb zien presteren dan de mannen van DFC-1 en kampioensploeg DFC-2 dit seizoen. Ik misgun niemand zijn plezier en ik geil soms ook wel op zo'n strak oranje jurkje als er een aantrekkelijke juffrouw in is verpakt, maar ik heb langs de lijn op de Krommedijk voorlopig heel wat meer genoten dan bij de vertoningen op de buis van de bende van Bert. Wat moet ik met een van elke nieuwswaarde verstoken verslag over een camping, ergens aan de rand van Siberië, vol oranjesupporters? Ik ken die mensen niet, ik houd niet van kamperen en ik zie de Grieken liever kampioen worden. Dat is het koesteren van een romantische illusie, maar die werd wel even werkelijkheid in 2004. We zagen die wedstrijd, Stella en ik, onderweg naar Griekenland, in een motel in de buurt van München. Stella was trots dat haar landgenoten even uit de huid van de underdog waren gekropen.

Stella was dol op jasmijn. Als die begon te bloeien duurde het niet lang meer voor onze jaarlijkse zomervakantie in Griekenland aanbrak. Dan leefde ze op. Weg uit het erbarmelijke Nederlandse klimaat, weg uit het land van de agenda, de korte lontjes, de stikjaloerse collega-vertalers en de overgrote ego's met hun luid rondgetetterde meningen, die zelden of nooit op enige feitenkennis van belang berusten. Aan onze plannen om naar Griekenland te emigreren kwam door haar overlijden een einde. Ik vraag mij weleens af hoe wij ervoor zouden staan als de dingen anders waren gelopen. Financieel beter dan de buren, denk ik, met ons Nederlandse pensioen, maar de teloorgang van Griekenland zou Stella veel verdriet hebben gedaan. De Griekse cultuur, de grote schrijvers, componisten, musici, wetenschappers, de fundamentele bijdrage van de Grieken aan het ontstaan van de Europese beschaving..., dat alles lijkt allemaal niet meer te tellen nu het land financieel en maatschappelijk ten onder gaat door corrupte politici, door een volk dat zich graag gunsten liet aanleunen en op die politici stemde, door onverantwoordelijke banken en speculanten en door de totaal ongecontroleerde, door het neo-liberalisme geschapen macht van wat men 'de financiële markten' noemt, een conglomeraat van gewetenloze zakkenvullers, dat wellicht de grootste bedreiging voor de democratie vormt sinds de opkomst van het nazisme in de jaren dertig van de vorige eeuw.

Ik kijk naar de jasmijn en bedenk dat het niet lang meer duurt voor ik weer naar Griekenland ga. Dat in de pers verguisde en beschimpte land land, waar het ondanks de crisis nog altijd heerlijk is om te zijn. Het goddelijke klimaat, de schitterende natuur, de muziek, de gastvrijheid. Zondag gaan de Grieken weer naar de stembus. Niemand weet wat de uitslag wordt, maar hoe onzeker de toekomst er ook uitziet, Griekenland heeft zich weleens uit hetere vuren gered. Morgen speelt het Griekse elftal tegen de Russen. Ik hoop op een nieuw Marathon. Dan had Stella weer even trots kunnen zijn, vooral met achterneefje Dimitris Salpingidis in de spits.

zondag, augustus 28, 2011

Genieten van het verleden




Aan het eind van de middag ben ik terug gereisd vanaf Texel, waar wij een heel geslaagd familieweekeinde hadden. In een landhuis niet ver buiten Den Burg. Het weer werkte niet erg mee. Gisteren zijn we tot op ons ondergoed doorwaternat geregend tijdens een fietstocht naar de Slufter en vanmorgen werd je door de storm bijkans van je rijwiel geblazen. Toch heb ik genoten. Niet alleen vanwege het weerzien met mijn internationale familie, maar ook omdat ik als eilandbewoner graag op een ander eiland ben. Zo vertoefde ik onlangs nog met veel plezier op het Griekse Samothráki, een eiland vol geiten in plaats van schapen, met een iets beter klimaat, maar evenals Texel een wereldje op zich met een unieke sfeer.


Mijn thuiseiland, het Eiland van Dordrecht, heeft in de tweede helft van de twintigste eeuw veel van zijn unieke sfeer verloren. Vooral vanwege de ongebreidelde bouwwoede van achtereenvolgende gemeentebesturen en het daardoor uit zijn voegen groeien van de stad Dordrecht. Ik ben wel voor krimp. Terug naar de zestigduizend inwoners uit mijn jonge jaren en de bulldozer over een groot deel van die hopeloze buitenwijken, zou ik zeggen. Het is niet realistisch, dat hoeven ze mij niet te vertellen, maar er is zoveel onherstelbare schade aangericht dat je er weleens van droomt. Het doet mij nog steeds deugd, zij het met ernstige twijfels, dat de partijen die in de gemeenteraad voor het onzalige plan waren om het resterende stukje Dordtse polder ook vol te bouwen, bij de laatste verkiezingen zijn afgestraft met een historische nederlaag door de opkomst van het gezelschap Beter voor Dordt. Of wij daar veel mee opgeschoten zijn zal de tijd leren. Het voornemen van het gemeentebestuur om in het kader van de bezuinigingen het zeer populaire Wantijpop de nek om te draaien doet helaas het ergste vrezen.


We konden vanmiddag direct de boot op, de treinen van Den Helder naar Amsterdam en vandaar naar Dordrecht reden stipt op tijd en bij aankomst op het Dordtse station, dat sinds het verdwijnen van de brasserie, ondanks langdurige verbouwingen, nog steeds een kil en sfeerloos oord is, was het net even droog. Soms lacht het geluk je toe. Ik verzonk tijdens de treinreis echter in somberheid. Was het omdat je nooit zeker weet of we elkaar ooit nog wel in deze samenstelling zullen terugzien? (Mijn moeder placht in een optimistische bui te zeggen: 'Pas maar op, over een week kun je dood en begraven zijn.') Was het omdat je bij zo'n samenzijn ook altijd mensen mist? Zoals Stella, uiteraard, zoals mijn veel te jong gestorven neef uit Londen en zijn broer uit Newton-le-Willows, wiens gezondheidstoestand reizen onmogelijk maakt. Of geraakte ik in een bedrukte stemming door de uitzonderlijk botte conducteur? Ik reis veel met de trein en vaak valt mij de vriendelijkheid van conducteurs en conductrices op. Er zijn erbij die, ondanks veel onaangename reizigers en regelrechte idioten in de trein, met verve gastheer of gastvrouw namens de NS spelen. Het onbehouwen exemplaar dat vanmiddag met een schrikbarend grote mond de eerste klasse van de trein van 17.59u van Amsterdam C.S. naar Dordrecht binnen kwam denderen, viel daarbij wel erg uit de toon.


Ik weet het niet. Na een klein uurtje chagrijnen ben ik in Dordrecht uitgestapt, naar huis gelopen, heb daar een soepje gekookt, een visje gebakken en daarna de foto's van Texel in mijn computer geladen. En zie, tussen de vele wolkenvelden boven het lieflijke landschap kierden genoeg zonnestralen om mij te doen bedenken dat somberen over een onbekende toekomst zinloos is en dat de onbehouwen medemens zijn gedrag niet zal veranderen vanwege mijn kwade smoel. Ik zat, al springend van het ene plaatje naar het andere, na te genieten van de afgelopen dagen en ben van plan dat nog vaak te doen. Genieten van wat voorbij is. Ik ben niet voor niets historicus geworden.

dinsdag, februari 01, 2011

Busbedrijf NS


Reizen door Nederland is soms een kleine ramp. Probeer bijvoorbeeld eens het relatief korte eindje van Dordrecht naar Den Briel. Dan moet je eerst met de trein of de waterbus naar Rotterdam, vanwaar je de metro moet nemen naar Spijkenisse en vervolgens sukkel je met een bus naar je eindbestemming. Ik schat de reistijd ongeveer drie keer zolang dan met de auto, dat is een dik half uur. Valt nog mee, eigenlijk, maar ik moet weleens op de Hondsrug zijn, in Weerdinge bij Emmen. Als ik, na een treinreis met overstappen in Rotterdam en Zwolle (als ik geluk heb) eindelijk op het station van Emmen arriveer, kan ik beter de laatste vier kilometer gaan lopen als ik net de bus heb gemist, dan op de volgende te wachten. Ik kan eindeloos veel voorbeelden noemen waarin het gemak van de auto evident is. Het busvervoer is in het algemeen van een schandalige poverheid, soms vrijwel afwezig, en dat komt door die vermaledijde privatisering. Door de concurrentie zou het allemaal veel beter worden, maar de praktijk leert ons anders.


Als ik niet in een stad woonde die goede spoorverbindingen heeft met de plaatsen waar ik meestal moet zijn, had ik de auto nooit de deur uit gedaan. De spoorwegen, met alle gebreken die er aan de NS en Pro-rail kleven, werken meestal behoorlijk. Nee, niet als het sneeuwt, of als er bladeren op de rails liggen of als er weer eens een machinist onvindbaar is of een locomotief halverwege Leiden en Schiphol 'wegens een technische storing' een tijdje blijft staan. En ook niet als er iemand in zijn of haar wanhoop voor springt, maar aan dat laatste kan de NS niets doen. Toch kom ik regelmatig min of meer op tijd aan op mijn bestemming na op prettige wijze onderweg te hebben gelezen, of het landschap bekeken, zonder dat ik mij hoefde te bekommeren om de talloze onverantwoordelijke idioten die onder alle weersomstandigheden langs je heen razen, je de pas afsnijden, op het laatste ogenblik van baan verwisselen, bumper kleven of alle andere gekheden uithalen die de chaufferende medemens kan bedenken. Dan heb ik het nog niet over het gilde van de vrachtwagenchauffeurs, zo ongeveer de minst professionele en meest tot doodslag geneigde beroepsgroep die er is.


Ik ben wel een liefhebber van de trein. Meer van de stoomtrein dan van dat aan draadbreuken en 'technische storingen' onderhevige elektrische spul, maar de vooruitgang is ook hier niet tegen te houden, dus dat proberen we dan ook maar niet. Nederland heeft een heel behoorlijk spoorwegnet, met zelfs enkele strikt overbodige lijnen zoals de HSL en de Betuwelijn. Wat wil een mens nog meer? Nu, dat de NS een beetje zijn best doet die malle problemen met bladafval en dergelijke eindelijk eens op te lossen. Dat we verlost worden van die hinderlijke mensen met hun uitgestoken handje en hun 'mineer, mineer, heppu n'euro fo mij?', van ruzies tussen conducteurs en a-sociale zwartrijders, dat we afkomen van al dat wrakke, in de jaren '90 al totaal verouderd materieel, waarmee op sommige lijnen nog steeds wordt gereden, dat we in de trein gewoon een kop koffie of een biertje kunnen kopen, zodat we voor de reis niet nog even moeten gaan winkelen in een AH met zeer beperkt aanbod, en vooral: dat we, als er weer eens een wisselstoring, computerprobleem, aanrijding, draadbreuk of afwezige machinist is, niet alleen snel en fatsoenlijk worden geïnformeerd, maar dat we op de NS stations niet hoeven te staan blauwbekken. Dat was gisteren weer eens het geval in Dordrecht. De eerstvolgende trein naar Roosendaal kwam drie kwartier later dan gepland. Een beschaafd mens wil dan in een aangename, warme restauratie iets gaan drinken of eten. Stationsrestauraties, onontbeerlijk voor de veelvuldige treinreiziger, behoren echter tot het verleden. Ja, patat, koffie, broodjes, het is allemaal ruim voorradig in allerlei kiosken, maar al dat heerlijks nuttigen in een onverwarmd, glazen hok, waaraan ook al wekenlang een deur ontbreekt, zoals op perron 4/5, dat is armoe, ellende en ergernis. Als je daar zit te rillen, lijken de verschrikkingen van de snelweg ineens zo erg niet meer, maar dat schijnt men bij de NS niet te begrijpen. Wat dat betreft is het net een busbedrijf.



dinsdag, oktober 12, 2010

Clio bedreigd!


Wanneer de overheid moet bezuinigen hebben de idioten en onverantwoordelijken in de regel het hoogste woord. Dat is niet alleen in Nederland zo, maar ook in Griekenland, waar nog wel iets meer moet worden gesnoeid in de overheidsuitgaven dan door de politici in Den Haag. De meest bizarre gedachten komen opborrelen. Gisteren was er een verontwaardigde voorzitter van de Griekse vereniging van diabetici op de buis. Het ziekenfonds, IKA, besloot namelijk dat er wordt bezuinigd op speciaal schoeisel voor suikerpatiënten omdat het goedkoper zou zijn, aldus de toelichting, zo'n voet te amputeren.


Een ander staaltje van bezuinigingslust is het voorstel van het ministerie van onderwijs om in het middelbaar onderwijs van een aantal vakken keuzevakken te maken, wat ruimte zou geven tot een verdieping van de vakken die een leerling uiteindelijk kiest. Dezelfde stommiteit dus die wij in Nederland maakten bij de invoering van de Mammoetwet in 1968. In die tijd bestond er nog geen PVV-fractie om het gesundenes Volksempfinden in het parlement uit te tetteren, dus ik vrees dat we in de nabije toekomst nog wel het een en ander aan foute besluiten hebben te verwachten. Zeker met Marja van Bijsterveld op Onderwijs, uit wie ik nog nooit een verstandig woord en zelden een correct geformuleerde zin heb horen komen. Maar laten we ons bij de Grieken houden. Wat in het voorstel de meeste stof heeft doen opwaaien is dat ook geschiedenis een keuzevak zou moeten worden. Dat leidde direct tot een storm van protest. Terecht. Hoewel het evident is dat men nooit enige lering uit de geschiedenis trekt, is het een vak dat degenen die daarvoor openstaan leert nadenken, leert relativeren en leert de waan van de dag niet als leidraad voor besluiten te nemen. Een zeer belangrijk vak dus, dat alleen bij volkeren zonder zelfrespect als keuzevak te boek staat.


Helaas is de reden van het hevige protest de verkeerde. In het Griekse onderwijs wordt het vak geschiedenis nog voornamelijk gebruikt om de leerlingen een 'gezonde' dosis vaderlandsliefde bij te brengen, inclusief de heldenverering en borstklopperij die mij zo bekend is uit de Nederlandse geschiedenisboeken van voor de jaren '70 en waarvan wij met veel pijn en moeite inmiddels zijn genezen, al weet je maar nooit of de vinger in de pap van de PVV hier ooit nog tot betreurenswaardige regressie gaat leiden. Pogingen van verstandige historici een boek te introduceren waarin het gaat om een evenwichtige presentatie van de feiten en niet om de vaderlandse mythe, werden twee jaar geleden jammerlijk afgeschoten. Het is het soort geschiedenis waarvan je dan maar beter een keuzevak kunt maken, in de hoop dat niemand het kiest.


Beter zou zijn het voorstel om van geschiedenis een keuzevak te maken in te trekken en een aantal historici een goede, evenwichtige methode voor het onderwijs te laten schrijven. Eentje met aandacht voor alle aspecten van het fascinerende, rijke Griekse verleden, dus ook die welke in het nationalistische discours niet populair zijn. Eentje waarin ook meer dan nu aandacht wordt gegeven aan de Europese dimensie. De Grieken zijn tenslotte niet alleen de naamgevers van Europa, maar ook een wezenlijk onderdeel ervan. Voorstellen daartoe zijn er, maar of het er snel van zal komen, is nog maar de vraag. Ook in de PASOK, die een absolute meerderheid heeft in het parlement, leven nationalistische sentimenten. Als Europeaan maak ik mij daar zorgen over. Evenals over de absurde politieke constellatie in Nederland, die tot een diep gevoel van schaamte leidt.

dinsdag, december 29, 2009

Geweldig gezellig!


Het is een zonovergoten middag. Ik kom net terug van een klein uurtje zweten in het bijkantoor van mijn bank, waar ondanks de milde temperatuur buiten, de verwarming op 24° stond. Als er ergens op kan worden bespaard in Griekenland, dan is het op de stookkosten 's winters en op de kosten van airconditioning in de zomer. Als banken, kantoren en supermarkten de temperatuur in de winter een graadje of drie omlaag draaiden, me dunkt dat 21° toch een mooie, werkbare temperatuur is, dan schieten de kosten omlaag en de winsten omhoog. Als de supermarkten in de zomer dezelfde temperatuur aanhielden, zodat we niet in een ijsbak van 16° hoeven te winkelen en ook eens een deur voor die verdomde open vrieskasten zouden doen, dan zouden ze schatrijk worden, wij een stuk gezonder en het milieu zou er en-passant ook van profiteren. 


Het was allerminst druk op de bank, ik hoefde maar een kwartier in de rij te staan om wat geld op te nemen, maar ik was zo dom om een klein geldbedrag van mijn Griekse naar mijn Nederlandse rekening te willen overmaken. Dat kostte mij drie kwartier. Een uiterst vriendelijke bediende schreef eerst met de hand alle gegevens op een formulier dat ik moest ondertekenen, waarna hij lang tijd bezig was om een en ander in te voeren in een computer. Ondertussen telefoneerde hij, stond andere klanten te woord, die zich onbeschaamd aan het bureel verdrongen en liep hij een paar keer om onduidelijke redenen naar de directeur, een voornaamgenoot van me en, wellicht niet geheel toevallig, een sympathieke verschijning. Toen de zaken uiteindelijk waren afgehandeld zag ik dat het ook nog eens twaalf euro kostte. Die zijn waarschijnlijk voor de fooienpot van de managers, voor de volgende reeks bonussen. Volgende keer steek ik dat geld wel gewoon in mijn zak. Dan bespaar ik de kosten en het scheelt tijd.


In het koesterend zonnetje naar huis zakte mijn ergernis. We stevenen af op 2010, maar weinig dat daar op wijst. Ik heb al dagenlang geen ontvangst van de Wereldomroep, er zal sneeuw op de zendmasten in Nederland zitten, want de Deutsche Welle en de BBC komen luid en duidelijk binnen. Maar daardoor hoef ik niet alle terugblikken op het jaar en op het decennium aan te horen en mij niet te laten vervelen door tien jaar ingeblikte waan van de dag. Ook het weer werkt mee. Geen sneeuw, ijs en andere winterse ellende zoals ijzel. Soms is het zo aangenaam dat ik op mijn balkon kan lezen, of buiten bij Xarchákos, in het park bij de Witte Toren. Alleen gisteren even een harde wind uit ijzig Bulgarije, maar die is alweer gaan liggen. En wat we hier vooral niet hebben en absoluut niet missen, zijn die groepjes etterpubers die de godganselijke dag met rotjes lopen te smijten. Een achterlijk verschijnsel, dat voor zover ik weet alleen in Nederland voorkomt. In Griekenland heb ik er nog nooit wat van gemerkt en in de jaren dat Stella in Düsseldorf werkte en we daar Oud en Nieuw meemaakten ook niet. Ja, er was vuurwerk tegen twaalf uur op Oudjaar, maar niet dagen, laat staan weken, daarvoor en al helemaal niet tot het ochtendgloren.


Natuurlijk, ik ben ook jong geweest, heb ik me laten vertellen. Toen vond ik vuurwerk ook wel spannend en soms deden we daar onverantwoorde dingen mee, maar ik kan me niet herinneren dat ik met mijn vrienden als verveelde, stompzinnige puistenkop wekenlang voor Oudejaarsavond met rotjes liep te smijten. Ook al kochten wij ons vuurwerk goedkoper en illegaal bij een taxi-chauffeur die later om veel ernstiger redenen met justitie in aanraking kwam, we hadden er eenvoudig het geld niet voor over. En misschien waren we ook wel iets te fatsoenlijk en te beschaafd.


Hoewel weinig er dus op wijst, hebben we nog maar twee etmalen te gaan. We zullen zien wat 2010 ons gaat brengen. Het is eigenlijk maar een mal gedoe, dat Oud en Nieuw. Een fictieve drempel. We doen alsof er een andere tijd aanbreekt, maar eigenlijk is het grote flauwekul. Uiteraard is de ochtend van de eerste januari niet verschillend van andere vrijdagochtenden, behalve dat de winkels gesloten zijn en de eerste hulpposten in Nederland overvol zitten met vuurwerkgewonden. Misschien vallen er ook nog wel een paar doden. Hopelijk hebben die dat dan aan zichzelf te wijten en zijn het geen onschuldige voorbijgangers. We horen het wel. Als de Wereldomroep zijn zaken vrijdag nog niet op orde heeft, kan ik altijd mijn achtergebleven huisgenoten bellen, die mij ongetwijfeld in buskruitgeuren en kleuren zullen vertellen hoe geweldig gezellig het in het vaderland wel is geweest.