Posts tonen met het label Suriname. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Suriname. Alle posts tonen

zondag, maart 15, 2026

Op eigen benen




Bij OVT, het onvolprezen geschiedenisprogramma van de VPRO, gaat het over de Surinaamse keuken. Iemand merkt op dat de geschiedenis van Suriname in Nederland weinig bekend is. Dat ligt niet aan mij. In de tijd dat ik geschiedenisles gaf besteedde ik ruim aandacht aan wat toen nog wel koloniale geschiedenis werd genoemd. Later werd koloniale geschiedenis vervangen door overzeese relaties. What's in a name?

Omdat ik ooit zelf in Suriname ben geweest en dat mooie land van noord tot zuid en oost tot west heb bereisd, nam de geschiedenis van deze voormalige kolonie een belangrijke plaats in in mijn lessen. Het is niet overdreven te stellen dat Suriname een schepping van Nederland is. Een schepping die misschien iets te snel gedwongen werd op eigen benen te staan. Toen ik er was, zeven jaar na de onafhankelijkheid, kreeg ik regelmatig te horen dat 'jullie nooit weg hadden moeten gaan'. Hoe men er in Suriname zoveel jaren later over denkt, weet ik eerlijk gezegd niet.

Ik bracht een groot aantal dia's mee uit Suriname. Ooit heb ik die in een ogenblik van onnadenkendheid uitgeleend aan een zekere Cor Hordijk, een communist die het met andermans spullen niet te nauw nam naar bleek, want ik heb ze nooit meer gezien. Hij beweerde dat hij ze was kwijtgeraakt na een lezing. Gelukkig heb ik nog een album met foto's en een hoofd vol herinneringen.


Foto: auteur


dinsdag, november 25, 2025

Van harte gelukgewenst!




Vandaag viert Suriname vijftig jaar onafhankelijkheid. Een opgedrongen onafhankelijkheid. Voor het feestje begon was een flink deel van de bevolking voor de zekerheid al uitgeweken naar Nederland. Gevolg: er wonen minder mensen in Suriname dan in een stad als Rotterdam. In feite was het land al verregaand autonoom sinds 1954. In 1975 was dat voor menig Surinamer wel voldoende, maar Nederland wilde er vanaf, geen koloniale smet meer op het vaderland.


In de zomer van 1980 bezocht ik Suriname. Samen met Surinaamse vrienden bereisde ik het land van oost tot west en van noord tot zuid. Stoelmanseiland, Djoemoe, Nieuw-Nickerie, Albina, we voeren dagenlang over de Surinamerivier, passeerden stroomversnellingen, bezochten scholen in het binnenland, feestten in Paramaribo, zwommen in de Colakreek, kortom, een mooie en fascinerende reis door een land dat ondertussen wel onder de duim van een militaire dictatuur zat. Gelukkig was het de zomer van 1980, nog voor de beruchte decembermoorden.


Economisch was Suriname een puinhoop, maar er was hoop op een betere toekomst. De militairen flirtten met Cuba. Fidel Castro stuurde af en toe een bandje om het moreel hoog te houden. De Cubanen die een feest op de universiteit opluisterden, waar we te gast waren, toeterden bedroevend vals.


Na die zomer ben ik niet meer in Suriname geweest. Wat is er in al die jaren van het land terechtgekomen? Niet al te veel, heb ik de indruk, maar er is nog steeds hoop. Er zit een heleboel olie in de bodem voor de kust. De oliedollars moeten over enkele jaren ruim gaan stromen. Waar zullen die terechtkomen, bij corrupte politici, Amerikaanse oliereuzen of de bevolking zelf?


Suriname is een land met een prachtige natuur, deels vergiftigd door al dan niet illegale goudzoekerij, een land dat zo vruchtbaar is dat, zoals een Surinaamse vriend mij eens lachend bezwoer, een paraplu nog bladeren krijgt als je die in de grond plant. Een land met een hartelijke, gastvrije, cultureel prettig gevarieerde bevolking, maar ik moet het allemaal nog zien, die mooie toekomst. Voorlopig is het nog steeds het land van de eeuwig durende hoop.


Foto: auteur


zaterdag, januari 08, 2022

Lemmetjes




Dit jaar is het veertig jaar geleden dat ik Suriname bezocht. Vier maanden voor de decembermoorden, een dieptepunt in de moderne geschiedenis van het land, vijf jaar voor ik Stella leerde kennen, waardoor ik mij onvoorzien ging richten op Griekenland. Veertig jaar geleden was ik vastbesloten Suriname opnieuw te bezoeken. Een land met een prachtige natuur en met een gastvrije bevolking die bovendien naast de eigen talen, Suriname kent er nogal wat, Nederlands sprak. Een paar honderd kilometer in het binnenland, langs de Surinamerivier, trof ik op een dorpsschool, ik meen in Botopasi, nog het beroemde Boek van Ot en Sien aan. Inmiddels zijn de leermiddelen in Suriname gemoderniseerd, maar toen kwam hier en daar nog 'de Rijn bij Lobith in ons land'.


De decembermoorden gooiden roet in het eten. Familieleden van Surinaamse vrienden waren slachtoffer en een aantal van hen ontvluchtte het land. Hoewel de stemming tijdens mijn verblijf niet zonder enige dreiging was, was het een gebeurtenis die ik niet had zien aankomen. Als ik 's avonds na middernacht terugkeerde naar het huis in de Morpurgostraat, nabij de Memre Boekoekazerne, waar ik logeerde, waren de straten afgezet en liep er een schildwacht achter een barricade. Op een keer sprak zo'n soldaat mij aan: 'Meneer, meneer.... heeft u misschien een vuurtje voor me?' Dat had ik. Incident gesloten. De stemming in het land deed een beetje aan een operette denken, vond ik. Een misvatting met de kennis van nu.


Ik maakte in die goeie, ouwe tijd verschillende reizen naar het binnenland, waar ik onder meer kennismaakte met de bekende granman van de Saramaccaners, Belfon Aboikoni, die resideerde in het dorp Asidonhopo. We waren daar met een klein gezelschap naartoe gereisd per korjaal, een onvergetelijk avontuur. Onderweg verbleven we in verschillende dorpen langs de rivier, waar we in de openlucht sliepen in hangmatten onder een pinadak. In ieder dorp werden we welkom geheten door de kapitein en zijn basja's. Vrouwen uit het dorp kookten voor ons gezelschap, dat voortdurend werd omringd door nieuwsgierige kinderen. De bevolking van het Surinaamse binnenland was vooral jong, scheen het ons toe. 's Avonds werden een paar stormlampen opgehangen om vleermuizen te weren, die rabiës konden overbrengen. Wie zich niet lieten weren waren de muskieten, maar daartegen hadden we een voorraad lemmetjes (limoenen). Het sap daarvan was een effectief afschrikmiddel, daar kon geen ouderwetse flitspuit tegenop.



Foto: auteur


maandag, juni 15, 2020

Reggae



Het radionieuws meldt dat in Suriname, waar men het virus goed onder controle had, een grote uitbraak van covid-19 dreigt. Medici maken zich ernstige zorgen. Een van de binnenlandse reizen die hij maakte toen hij in Suriname was, leidde naar Stoelmanseiland, waar de Tapanahoni en de Lawa samenvloeien in de Marowijne, de grensrivier met Frans-Guyana. Het virus blijkt het land te zijn ingebracht door een illegale Braziliaan. Overal oerwoud en brede wateren. Hoe zet je daar een hek omheen?

Hij vloog met een Twin Otter naar Stoelmanseiland, ver van Paramaribo, het militair gezag en de vage dreiging van geweld die in de lucht hing. Bos, kwatta apen, muskieten, spinnen en aandoenlijke meisjes, die zich, voor zover nog niet gekerstend, kleedden in een doek, een pangi, die de borsten bloot liet. Hij was gewaarschuwd de vrouwen niet aan te raken. Het bos kende gevaren. Dansen konden ze als de besten. 's Avonds zette de eigenaar van de plaatselijke bar zijn aggregaat aan, waarop een kloeke stereo-installatie werkte. Dan schalde er reggae over het eiland.

Hij zat graag aan de oever van de rivier, net voor zonsondergang. Een bijna paradijselijk ogenblik. Het verre ruisen van een waterval, eilandjes van waterplanten die werden meegevoerd door de stroom, een bos dat heel even de adem inhield. Kort daarna begon dan de muziek.

Foto: auteur

zondag, juni 14, 2020

Onbekommerd



Het is lang geleden dat hij in Suriname was, maar zijn herinneringen zijn nog springlevend. Het was een paar maanden voor de moordpartij in Fort Zeelandia, toen nog in gebruik bij 'het militair gezag'. Dat gezag werd gevormd door Desi Bouterse, een sergeant-majoor die zichzelf tot officier had gepromoveerd, Roy Horb, zijn rechterhand, en een groepje vrienden uit het Surinaamse leger, dat was gevormd na de onafhankelijkheid van het land in 1975. 

Het leger hield zich grotendeels op in de Memre Boekoekazerne, ook wel 'het kamp' genoemd. Hij logeerde er om de hoek, in het huis van vrienden. Een huis op palen, neuten zegt men in Suriname, waartussen je een hangmat kon bevestigen om heerlijk wiegend in de schaduw van een parbobier, een djogo, te genieten. Hij herinnert zich hoe er in die tijd in Suriname onbekommend door creolen over 'koelies' werd gesproken, als ze het over hindoestanen hadden. Omgekeerd spraken hindoestanen niet zelden over 'negers' als ze creolen bedoelden en vrijwel altijd werden dat 'luie negers'. 

Nederlanders waren 'bakra's'. Hij kreeg regelmatig, vooral van oudere Surinamers, te horen dat 'jullie maar snel moeten terugkomen'. Als het druk was in een winkel, werd hij vaak als eerste geholpen en als hij zei dat hij nog niet aan de beurt was, werd er verontwaardigd gereageerd. Wat dacht hij wel?

Foto: auteur


donderdag, september 27, 2018

Met de haren



Je kon er natuurlijk op wachten. Het is 450 jaar geleden dat de Tachtigjarige Oorlog begon, met de slag bij Heiligerlee, en daar wordt uiteraard bij stilgestaan. Voor sommigen een ideaal ogenblik om weer eens de staf te breken over het koloniale verleden van Nederland. Degene die dat verleden, waar we niet trots op hoeven te zijn, maar waarvan we de positieve kanten evenmin hoeven te verzwijgen, nu een beetje tegen wil en dank oprakelt, is Stephanie Archangel, conservator geschiedenis bij het Rijksmuseum.

Stephanie Archangel is afgestudeerd in de sociologie. Misschien dat ze daarom een wat eenzijdige visie ontvouwt in haar opstel over de Tachtigjarige Oorlog op Historiek.net. Ik wil niet zo ver gaan om het een tunnelvisie te noemen, maar beweren dat de VOC in 1602 uitsluitend werd opgericht om kaapvaart tegen de Spanjaarden te bedrijven, is wel een beetje simpel.

Dat de kaapvaart de Spanjaarden schade toebracht en voor de Nederlanders lucratief was (denk maar aan Piet Hein en de zilvervloot), zal ik niet ontkennen. Toen er niets meer te kapen viel, na 1648, raakte de tegenhanger van de VOC, de WIC (opgericht in 1621) al snel in financiële problemen. Dat neemt niet weg dat beide compagnieën allereerst handelsmaatschappijen waren, al werd handel in die dagen nog niet bedreven volgens onze normen en waarden en werd er soms veel geweld bij gebruikt. Geweld dat ook in de Gouden Eeuw al door sommigen werd bekritiseerd, wat wel eens over het hoofd wordt gezien.

Wat ook nog weleens over het hoofd wordt gezien is dat niet de handel met de koloniën de motor van de economie was, al was het een nuttige hulpmotor, maar de kurk waar Nederland tijdens de Tachtigjarige Oorlog op dreef, was vooral de Oostzeehandel, de Moedernegotie. We moeten de rol van VOC en WIC niet onderschatten, maar evenmin uitvergroten, zoals Stephanie Archangel wel een beetje probeert.

Wat ik trouwens altijd mis als weer eens wordt geschreven over 'ons' slavernijverleden, is aandacht voor het niet aflatende enthousiasme van Afrikaanse heersers om Afrikanen tot slaaf te maken en te verkopen aan Europeanen of Arabieren (misschien wel de ergste slavenhandelaren ter wereld, die zich zelfs vergrepen aan ons Europeanen). Zonder die heersers geen trans-Atlantische slavenhandel van de omvang zoals die plaatsvond.

Natuurlijk is het van belang op de hoogte te zijn van het koloniaal verleden. Een bijzonder interessant verleden op de koop toe, maar het hoeft niet overal met de haren bij te worden gesleept. Tenslotte: ik doe niet aan 'als-als-geschiedenis', maar toch vraag ik mij weleens af hoe Suriname er nu voor zou staan als het in 1975 niet, tegen de wil van een aanzienlijk deel van de bevolking, door een Nederland, dat zich schaamde voor zijn koloniaal verleden, de onafhankelijkheid zou zijn ingeschopt.

Foto: auteur

zondag, juni 10, 2018

Korte broek



Ik ben geen vriend van de korte broek. Wie mijn boeken leest, weet dat. Een man kan op veel manieren voor lul lopen en een van de ergste daarvan is in korte broek, of in een half lange. Eentje met ruitmotief is het toppunt van verschrikking, vooral als de voor-lul-loper daaronder ook nog sokken draagt. Wie zonder zonden is, werpe de eerste steen. Wie kent die bijbelse spreuk niet? Ik ben niet zonder zonde. Ooit heb ik mij weleens in een korte broek buiten mijn tuin gewaagd, vorig jaar, toen het heel heet was. Ik moest mijn vrienden in de stamkroeg beloven het nooit meer te doen. Zij waren naar eigen zeggen onvoorbereid en hadden de lasbrillen thuis gelaten.

Ik heb het nog weleens bonter gemaakt. Lang geleden in Suriname. Niet alleen waagde ik mij nu en dan in korte broek op straat in Paramaribo, ik geeft toe, onder druk van mijn reisgenoten, een mens blijft een kuddedier, maar op een tocht naar het binnenland, in een korjaal richting Djoemoe, droeg ik op een dag mijn zwembroek. We moesten nu en dan door een stroomversnelling en dan is zo'n kledingstuk best handig. Die zwembroek had mijn eerste echtgenote ooit voor mij gekocht. Zij was dol op pastelkleuren. De zwembroek was zuurstokroze, met pijpjes. 

In die broek stapte ik in Gujaba, aan de Surinamerivier, waar we de nacht zouden doorbrengen, uit de korjaal. Onmiddellijk werd ik omringd door tientallen kinderen, die dolle pret hadden om deze wonderlijke verschijning. Spierwit, zuurstokroze zwembroek en rode strepen van de zon op het aankomend buikje, dat zag men zelden in het binnenland. De enige die later op de avond nog meer lachers op de hand kreeg was een blanke medereiziger die in een blauw gestreepte pyjama in zijn hangmat kroop. Zwembroek en korte broeken zijn inmiddels veiligheidshalve meegegeven met de ophaaldienst van het Leger des Heils.

Foto: archief auteur


dinsdag, november 29, 2016

Desi Bouterse-expres




Felicita was mijn heldin, ook al was het taalkundig behelpen. Ze sprak van huis uit Spaans en daarnaast maar een paar woorden Engels. Meestal als ze foto's liet zien van een kind in Santo Domingo. Alle vrouwen in de Tammengastraat hadden een kind in Santo Domingo, althans foto's van een kind in Santo Domingo. Ze wilden ook allemaal met een bakra mee naar Holland. Zelfs als de bakra stokoud was. Dat waren de bakra's die naar de Tammengastraat kwamen doorgaans niet, maar ze waren meestal maar al te bereid om hun aangeboren, calvinistische schuldgevoel op vertoon van een babyfoto met wat extra guldens af te kopen. Desi Bouters was er al, in de zomer van 1982, maar de dollar moest nog komen, evenals de schietpartij in het fort en de brug over de Surinamerivier.

Soms ging ik lopend terug van de Tammengastraat naar onze Bruynzeelwoning in de Morpurgostraat, in de buurt van het kamp, zoals de Memre Boekoekazerne in de volksmond heette. Dat was meestal als de whisky iets te heftig had gestroomd. Je werd 's avonds altijd gevolgd door een roedel honden. Wanneer je een steen opraapte, deinsden ze automatisch achteruit. Het was beter een taxi te nemen, maar als bakra werd je standaard getild. Tot iemand van ons zich een keer bij de poort van het kamp liet afzetten, in plaats van bij de Bruynzeelwoning, en slechts de halve prijs werd gevraagd. Zo werd de 'Desi Bouterse-expres' geboren.

Felicita had iets moederlijks. Als ze je omhelsde was het alsof ze zich over je ontfermde. Afscheid heb ik nooit genomen. Ik verdween, zoals zij op een dag ook zomaar zou verdwijnen, om plaats te maken voor een andere dame met een foto van een kind uit Santo Doningo.

Foto: auteur



dinsdag, juni 17, 2014

Huisvrouwvijandig




Veel cursieven die ik schrijf zijn in de ik-vorm. Eendimensionale lezers denken dat wat ik schrijf daarom altijd autobiografisch is. Ze mochten het willen. Uiteraard tap ik geregeld uit het vat van mijn belevenissen, maar niet zelden hanteer ik bij het tappen mijn duimen. U begrijpt. Of niet. De ik-figuur in een cursief is al vijftig jaar op zoek naar een meisje van ongekend oosterse schoonheid. Hij ontmoet zo'n meisje en wordt reddeloos verliefd. Gelukkig is ze van zijn leeftijd, alleen veertig jaar jonger, waardoor zij alweer snel verdwijnt in de mist der mensen. In deze zin gebruik ik twee vondsten die niet van mij zijn. De eerste die mij kan vertellen welke vondsten dat zijn en van welke schrijvers, wint een gesigneerde dichtbundel van mijn hand, maar dit terzijde.

Ooit schreef ik een verhaaltje waarin de ik-figuur zich nogal grof en denigrerend uitliet over Hollandse huisvrouwen. Dat verhaaltje kwam in 1978 in een boekje terecht. Sindsdien verwijt een eendimensionale lezeres ter stede mij huisvrouwvijandig te zijn. Ieder jaar kom ik haar tegen bij gezamenlijke kennissen en dan begint het wijf er weer over te zeiken. Inmiddels is ze uitgedijd tot het prototype van de door die ik-figuur verafschuwde huisvrouw. Wie wil weten waarover ik het heb moet proberen mijn bundeltje Centre Ville te pakken te krijgen, ooit uitgegeven door de Culturele Raad Dordrecht.

Het was vandaag een sombere dag met af en toe een spetter regen. In de stad hing een grafstemming. Op maandag is de halve horeca gesloten en lopen er veel zure koppen rond, te chagrijnen dat ze weer een dag hebben moeten werken na een weekeinde fuiven. Ik zag het aan vanaf een terras en dacht aan zonniger dingen. Aan de jaren dat ik jong en onbedorven Hare Majesteits belangen diende in het verre Suriname. Ik kreeg het een beetje warm van de herinnering aan tochten per korjaal over de Surinamerivier, of de Corantijn. Aan de andere kant van de Corantijn lag Guyana, dat een stuk oerwoud had ingenomen waarop wij ook aanspraak maakten. Het was nog in de tijd dat Suriname deel uitmaakte van het Koninkrijk der Nederlanden, zij het een autonoom deel, onder het bewind van een massieve meneer die Jopie Pengel heette. Het vliegveld heette nog gewoon Zanderij, een zeer toepasselijke naam, en soms schoten wij een leguaan uit een boom. Goed klaargemaakt smaakt leguaan naar kip. Terwijl ik terugdacht aan het bosbivak liepen er twee prachtige Surinaamse vrouwen voorbij. Zij schonken mij een gulle lach, maar zulke toevalligheden passen niet in een cursief. Als iets echt waar is gelooft geen lezer het.

©Kees Klok

Foto: archief auteur



zaterdag, september 08, 2012

Suriname en ik


Ik lees het boek Suriname en ik, een verzameling persoonlijke verhalen van bekende Surinamers over hun vaderland, onder redactie van John Leerdam en Noraly Beyer. Het voert mij terug naar de zomer van 1982, toen ik het land bereisde van Albina tot Nieuw-Nickerie en van Paramaribo tot Stoelmanseiland en tot Asidonhopo, de residentie van de granman van de Saramaccaners aan de Boven-Suriname. De zomer van 1982. Dat was voor de decembermoorden, maar na de mislukte coup van de militair Rambocus. Paramaribo was nog net even 'de vrolijkste stad in de jungle,' zoals Anil Ramdas schreef, maar tegen middernacht werden er barricades opgeworpen rond het kampement, zoals iedereen de Memre Boekoekazerne noemde. Een teken dat er iets broeide in het Paramaribo van de feesten op de universiteit, met Cubaanse bands die als blijk van solidariteit werden gestuurd door oom Fidel. Het bewind van bevelhebber Bouterse had nog een hoog operettegehalte, maar uit de uzi's kwamen wel echte kogels. Oom Fidel, die besmuikt werd gezien als lichtend voorbeeld, hield dissidente dichters gevangen en zijn muzikanten bliezen nogal eens een valse noot. Ronnie Brunswijk was nog een fenomeen in de toekomst en hoewel er gebrek was aan het een en ander, de bakolie op de bon, bijvoorbeeld, leek zorgeloosheid alom nog in ruime mate aanwezig. Bouta en zijn rechterhand Roy Horb hadden nog het voordeel van de Haagse twijfel.

Een Nederlands fregat en een handvol mariniers hadden de democratie in een oogwenk kunnen herstellen, maar dat voordeel van de twijfel kwam Nederland wel uit. Anders kreeg je weer internationaal getetter over imperialistisch optreden en neo-kolonialisme, zoals bij de rellen op Curaçao in 1969, en was Suriname daar niet te onbelangrijk voor? Toen de bom barstte, op 8 december, liet Nederland het enige na wat het had moeten doen. In plaats daarvan kondigde het sancties af die vooral de arme Surinamers troffen. Zoals de kortzichtige bezuinigingsreflex van nu vooral de arme Europeanen treft, terwijl de vermogenden fluitend verder speculeren. Nu en dan stuurde ik met Surinaamse vrienden een pakket met allerlei zaken waaraan gebrek was naar tropisch Nederland. Zoals we dat eerstdaags ook naar Griekenland moeten gaan doen, vrees ik.

Er moeten al veel onderhuidse spanningen zijn geweest in die dagen dat ik in Botopassie dromerig keek naar de blote borsten van de marronmeisjes. Daar kon je beter van afblijven, maar in de stad was het een prettig Sodom en Gomorra in de vele bars gevuld met straatarme, maar beeldschone gelukzoeksters uit de Dominicaanse Republiek. In een waas van whisky, de Surinaamse nationale drank, genoot ik met volle teugen van alles wat God verboden had. Aids was nog maar een vaag gerucht. Iets met homo's. Eerst borrelen in hotel De Ark en daarna naar de Maagdenstraat, waar iedere gedachte aan revolutie, tegencoup, oom Fidel en de stuntelige macho's van de volksmilitie, werd gesmoord in de armen van Felicita.

Geen wonder dat 8 december voor mij volkomen onverwacht kwam. Opeens was Suriname, het land waarop ik bij de eerste kennismaking volstrekt verliefd werd, weer een ver land, waar je voor je fatsoen niet naartoe kon. Ook na het herstel van de democratie ben ik er niet meer geweest. Ondanks aandringen van vrienden die waren achtergebleven of er inmiddels weer zijn teruggekeerd. Of ik er ooit nog eens heenga? Wie weet, maar ik vraag mij af wat voor Suriname ik dan tref en hoeveel vrolijkheid die stad in de jungle nog kent. Misschien vind ik het antwoord in het boek van Leerdam en Beyer.

©Kees Klok



John Leerdam & Noraly Beyer (red.) - Suriname en ik. Persoonlijk verhalen van bekende Surinamers over hun vaderland. Amsterdam 2012. ISBN 978 90 29087 193.


zaterdag, februari 19, 2011

Bij een foto (16)




Zomer 1982. Ik bereisde Suriname, van oost naar west en van noord naar zuid. Een van de tochten ging per korjaal vanaf Brownsweg over het Brokopondomeer, de Surinamerivier op, tot Asidonhoppo, aan de splitsing van de Gran Rio en de Piking Rio. We deden onderweg een aantal schilderachtige dorpen aan, waar we officieel, maar niet minder hartelijk, werden verwelkomd door de kapitein en de dorpsoudsten, de basja's. Slapen deden we in hangmatten onder een pinadak, baden en toilet maken in de rivier. Dat was even wennen voor enkele oer-Hollandse reisgenoten, die een luxer verblijf hadden verwacht.


Ik herinner mij de schrik van een mevrouw in het eerste dorp waar we overnachtten, Pokigron, die naar een plek stroomafwaarts van het dorp werd verwezen toen ze naar het toilet vroeg. Ik heb smakelijk gelachen om een meneer die diezelfde avond, gekleed in een keurige, blauw-wit gestreepte pyjama, na vele mislukte pogingen, eindelijk in zijn hangmat terechtkwam. Tja, zoiets is even wennen. De dames van de dorpen die we aandeden verzorgden de catering. Zelden zo lekker gegeten. Een opvallend verschil tussen 'heidense' dorpen en christelijke was de wijze waarop de vrouwen gekleed gingen. In de 'heidense' dorpen liep men doorgaans met het bovenlijf ontbloot. Dat beviel mij wel, al gedroegen wij ons als keurige gasten, geen meisje hebben we aangeraakt.


Indrukwekkend was het begrafenisritueel waarbij wij werden uitgenodigd in een dorp tegenover Asidonhoppo. In die plaats sliepen we luxer dan normaal, in 's Lands Logeergebouw, dat ons welwillend ter beschikking werd gesteld door de hoogbejaarde granman van de Saramaccaners, Aboikoni. Een eerbiedwaardige bestuurder die ons met alle egards op audiëntie ontving. In dat Logeergebouw beleefde ik enkele benauwde ogenblikken, toen ik op het plafond van mijn kamer een handgrote, zwarte spin ontdekte. Had ik de shutters 's avonds maar niet open moeten laten. De beheerder drukte het monstertje glimlachend dood met een ragebol, maar daarna ben ik nog wel alle hoeken en gaten nagegaan om te zien of er nog niet meer ongerief zat.


Het mooiste ogenblik van de jungledagen was kort voor zonsondergang, wanneer er een merkwaardige stilte viel in het oerwoud. Even hield de natuur haar adem in. Daarna barstten de nachtkrekels en de kwatta-apen los. Het zal tegen dat ogenblik zijn dat de foto is genomen, toen ik op mijn gemakje in mijn hangmat een sigaartje rookte, met buiten beeld een djogo, een literfles Parbobier, onder handbereik. De natuur is mooi, maar je moet er natuurlijk wel wat te roken en te drinken bij hebben.