Posts tonen met het label J. Eijkelboom. Alle posts tonen
Posts tonen met het label J. Eijkelboom. Alle posts tonen

dinsdag, december 03, 2019

De bus kwam zo



Hij vond plaats op zondagmiddag 16 september 1984, de literaire busrit met Dordtse schrijvers. Met een dubbeldekker, want er moest ook publiek mee. Ik weet niet precies meer wie de organisator was, in ieder geval niet de Culturele Raad Dordrecht, want die was een jaar ervoor opgeheven. Als gevolg van een kortzichtig besluit van de Dordtse gemeenteraad, die daarmee de ontwikkeling van het plaatselijke culturele leven in niet geringe mate wist te frustreren. Sinds de oprichting van de CR in 1968 en in zijn voetspoor die van de stichting Produktiegroep Bobby Kinghe en de stichting Perspektief had het culturele leven in de Merwestad een opmerkelijke opleving doorgemaakt, maar kennelijk vonden de vroede vaders en moeders het wel weer mooi geweest. Dat is opmerkelijk bij veel plaatselijke culturele initiatieven. Zodra die een succes worden, lijkt de belangstelling van het stadhuis weg te ebben. Kijk maar naar het Belcantofestival, de Dordtse Dag van de Poëzie en de Debutantenprijs, om enkele voorbeelden te noemen.

Het kan zijn dat Kunstmin de rit organiseerde, omdat ik mij meen te herinneren dat boekverkoper Cees Groesbeek (voorin in het midden), die het programma presenteerde, in die periode ook voor Kunstmin de literaire avonden in het Hof organiseerde, die oorspronkelijk door Bobby Kinghe waren opgezet. Het was in ieder geval een organisatie die betaalde, want volgens mijn dagboek uit die tijd ontving ik voor mijn bijdrage, een kwartier gedichten lezen, een honorarium. Zo hoort het ook, maar dat is niet vanzelfsprekend, zoals iedere dichter, zeker de beginnende dichter, weleens heeft ervaren. Dan belt iemand of je wilt optreden voor een fles wijn of een bosje bloemen, omdat het toch zo goed is voor je naamsbekendheid en omdat optreden 'toch leuk' is. Dat soort gelul waarbij ik tegenwoordig onmiddellijk de verbinding verbreek. 

Het is lang geleden en ik herinner mij niet precies meer wie er allemaal optraden. Dat vermeldt mijn dagboek niet. Wel dat het zomers weer was en mooi in de polder, al weet ik ook niet meer precies welk polderland we allemaal doorkruisten. Op de foto leest Jaap Romijn, die na een periode als directeur van het Prinsessenhof in Leeuwarden in Dordrecht was komen wonen. Ook Kees Buddingh' en Jan Eijkelboom lazen voor en ik vermoed dat Wim de Vries en Wim Valk erbij waren. Ook Ger Brillemans, prominent links vooraan, trad op. Hij was een speciaal geval. Met enige regelmaat gaf hij het geheel door hemzelf volgeschreven blad Pridoproeza uit, dat gratis in de Dordtse boekhandel was af te halen. Een geschrift van gering literair belang, maar een aardig initiatief waar soms weleens iets grappigs in stond. Brillemans, ik weet niet of hij nog leeft, was in de tijd dat ik hem kende een aardige en soms grappige man, die ook vinnige kritiek kon uiten. Dat mocht ik wel.

Foto: Ad Molendijk/Beeldbank RAD (552_300867)





zondag, augustus 06, 2017

Museumtuin



Toen ik vrijdagavond in de tuin van het Dordrechts Museum naar de film Sing Street zat te kijken, waande ik mij even in Griekenland. Daar heb je zogenaamde zomerbioscopen. In Thessaloniki is er eentje aan de Leoforos Stratou, aan de overkant van het Byzantijns Museum. Toen zij nog leefde, ging ik er regelmatig met Stella naartoe. Een aangename combinatie van openluchtbioscoop en kroeg. In Griekenland kun je rekenen op mooi weer. In Nederland ben je wat dat betreft aan de goden overgeleverd. Vrijdag hadden we geluk. Het regende alleen maar in de film. Aan het einde gingen de hoofdrolspelers, een jongen en een meisje van een jaar of zestien, in een piepklein bootje het avontuur tegemoet. In de regen.

In de tuin van het Dordrechts Museum moet ik altijd denken aan dichter Jan Eijkelboom. Hij schreef een gedicht over de tuin. Als je er binnengaat, staat het links op de muur. Het is een van zijn oudste en mooiste gedichten. Toen Jan tachtig werd, mocht hij een tentoonstelling maken van zijn favoriete werken uit het museum. Zijn smaak kwam opvallend overeen met de mijne. Te Noorden bij Nieuwkoop van J.H. Weissenbruch, vind ik een van de mooiste schilderijen uit de Dordtse collectie. Er zijn mensen die dat niet begrijpen. Jan Eijkelboom begreep het wel.


In 2008 overleed hij, ruim een jaar na Stella, die een aantal gedichten van hem in het Grieks vertaalde. Hij werd in besloten kring begraven. Later dat voorjaar werd een drukbezochte herdenking gehouden in het museum. Het was een bewolkte dag. Na de laatste toespraak gingen we naar buiten waar het gedicht Tuin Dordrechts Museum werd voorgelezen door Jans weduwe Roelien. Juist op dat ogenblik brak heel even de zon door. Ook daar moet ik aan denken als ik de museumtuin betreed.




Foto's: auteur




dinsdag, september 13, 2016

Tempo Doeloe




Er is een hete nazomerdag voorspeld, met ongewoon hoge temperaturen voor september. Daarom ben ik vroeg aan mijn dagelijkse wandeling begonnen. Die voert bijna altijd naar het historische centrum en het oude havenkwartier. Daar is Dordrecht op zijn mooist. Ik ben er dichtbij opgegroeid. Ik loop altijd eerst langs het huis waar ik van mijn achtste tot mijn drieëntwintigste woonde, om de krant van gisteren te bezorgen. Als ik die uit heb, gaat hij naar mijn zwager, in plaats van in de papierbak.

Het is bijna windstil. De Oude Maas ligt er gladgestreken bij. Vrijwel geluidloos komt een groot vrachtschip stroomopwaarts van onder de Zwijndrechtse brug. Diep geladen, de hydraulische luiken open. Geen blauwe driehoeken, dus geen giftige of brandbare stoffen aan boord. Het leven op de rivier boeit me. Ik wil er alles van weten. Daarom ben ik bezig met mijn vaarbewijs, maar nadat ik dat aan iedereen heb rondgetetterd, betwijfel ik of ik ook het examen ga doen. Ik zal nooit een boot kopen. Weten is genoeg, misschien kan ik het examengeld beter doneren aan een dierenasiel.

Bij de scheepsmotorenfabriek is het koffietijd. Een rij mannen in werkkleding zit op de stoep, in de schaduw tegen de muur geleund. Iedereen staart op zijn telefoon, behalve een man van mijn leeftijd. Hij leest een krant. Allemaal dragen ze een honkbalpet, cap moet je tegenwoordig zeggen. Honkbalpetten maken dom. Ik ben nog nooit iemand tegengekomen die er, met zo'n pet op, intelligent uitzag. In tegenstelling tot de ouderwetse, op degelijk vakmanschap duidende, platte pet. Een tweedjasje er onder en je bent een landjonker. Onder hun cap maakt het rijtje telefoonstaarders een troosteloos gedegenereerde indruk, ook al weten ze ongetwijfeld honderd keer zo veel van technische zaken dan ik.

Kwart over tien, zie ik op de toren van de Grote Kerk, de mastodont die zich liefdevol liet bekloppen door de dichter J. Eijkelboom. Het is nu al Grieks warm. Nog even. Voor het einde van de week is de herfst voorspeld en begint de beroerde, koude, natte winter op te doemen. Nog even leven bij de dag, genieten van het ogenblik. Ik loop naar huis Roodenburg in de Wijnstraat, waar het in het petit café, in het middeleeuwse keldergewelf, aangenaam koel is. De deuren naar de beschaduwde binnentuin staan open, maar we mogen er niet in. Een omwonende maakt bezwaar. Bijna veertig jaar geleden woonde ik in deze buurt. Boven een kroeg, met op vrijdagen en zaterdagen vanaf vijf uur 's morgens marktkooplui voor de deur. Ik ben er alleen maar weggegaan omdat ik voor een leuke prijs mijn huidige woning kon kopen. Met een tuin en vooral die heerlijke veranda, die herinnert aan Tempo Doeloe en Ons Indië.


Foto: auteur




vrijdag, augustus 26, 2016

Vis




Ik denk na over de dagen die ik mis. Drie dagen hebben ze mij in coma gehouden. Ik moet ergens hebben vertoefd, maar vanaf het ogenblik dat ik 'onwel' werd, op straat in elkaar zakte, weet ik niets meer. Totdat ik mijn ogen opsloeg en een rood spaarlampje zag, op het plafond van een ziekenhuiskamer. Of ik geen tunnel van licht heb gezien? vraagt iemand verwachtingsvol. Of ik geen hemelse muziek heb gehoord en of mijn leven niet in een flits voorbij is gekomen? Niets van dit alles. Er is slechts een vacuum, een zwart gat. Iets zegt mij dat ik daar beter uit de buurt kan blijven.

Claire brengt een visje van de markt. Sinds ik terug ben uit het ziekenhuis, heb ik alleen nog maar vis gegeten. 'Voor de ware visliefhebber is het iedere dag vrijdag,' zei Gerard Reve ooit. Hij is vandaag precies tien jaar geleden overleden. Hij at zijn gestoomde bokking uit een krant. Toen hij nog op de Rozengracht woonde, had hij geen toilet. Urineren deed hij in de gootsteen. Als er geen buurtcafé open was, poepte hij in een krant, die hij vervolgens in de gracht wierp. Ik verzin het niet, ik heb het van Jan Eijkelboom, die Reve eind jaren vijftig bezocht. Amsterdam, hoofdstad van Nederland. Het had zomaar een eeuw eerder kunnen zijn.

Claire vraagt of de krant bij het oudpapier moet of bij het restvuil. 'Hij is wel erg vet geworden.' Men zegt dat vette vis goed is voor het hart. Ik eet veel vette vis, maar dat heeft een hartaanval niet voorkomen. 'Het zit in de familie,' aldus de dokter. Tegen erfelijkheid is geen vis gewassen. Claire vindt dat ik mijn pijp beter niet meer kan roken. Ik vind dat we eerst maar eens moeten zien wat we met die krant doen.

Foto: auteur


zondag, mei 31, 2015

Veranda's vooral*




Ik zit op mijn veranda, de uitbouw die mijn keuze voor dit huis bepaalde. Vijfendertig jaar geleden. Eerst was hij verveloos. Mijn voorgangers waren niet zo van het onderhoud. Daarna lichtgroen, in de tijd van Marion. Vervolgens donkergroen, de tijd van losse bezoeksters en even van Ivy en Marjan. Toen Stella in mijn leven kwam, de gelukkigste tijd, werd hij wit. Dat is hij na haar overlijden gebleven.

Op een zonnige voorjaarsdag kwam collega dichter Jan Eijkelboom op de koffie. Stella had het plan om hem te vertalen in het Grieks, een plan dat ze ook heeft uitgevoerd. Een paar weken na zijn bezoek schreef Jan zijn gedicht Veranda's vooral. Niet alleen, maar wel vooral, geïnspireerd op mijn veranda, die in de loop der jaren steeds meer wegzakte in het moeras, dat wij feitelijk bewonen. Twee keer is hij gerestaureerd. Twintig jaar geleden werd de betonnen vloer aangestort, om te voorkomen dat hij van de funderingsbalk zou glijden. Vorig jaar werd al het houtwerk vervangen, nadat ik de strijd tegen de houtrot had verloren.

'Hij kan er weer veertig jaar tegen, meneer,' zei de aannemer toen het karwei was geklaard. Veertig jaar, dacht ik, dan ben ik honderddrie als ik het haal. Is dat het geval dan draag ik op de veranda het gedicht van Jan Eyk voor.



Foto's: auteur

*Veranda's vooral werd gepubliceerd in J. Eijkelboom, Het arsenaal, De Arbeiderspers, Amsterdam 2000.