Posts tonen met het label Reve. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Reve. Alle posts tonen

maandag, april 01, 2019

Op de grens




Lieve Stella,

Ineens zit ik weer in een goede schrijfperiode. Deze week kwamen er drie gedichten, waarvan de laatste vanmorgen. Of ze echt beklijven, kan ik nog niet zeggen, daarvoor moeten ze eerst een tijdje in de la om te rijpen, maar ik heb mezelf maar getrakteerd op een glaasje Metaxa (met twaalf sterren, vooruit, waarom niet? Het is maar één keer in de eeuwigheid 31 maart 2019). Ik meen dat Kees Buddingh' me eens vertelde dat, als het even niet erg ging met dichten, je het beste kon gaan vertalen, dan kwamen je eigen gedichten ook wel weer. Ik denk dat dat op het ogenblik zo is. Bezig met Joanne Limburg en met mezelf. Dat laatste voor zolang het duurt en geen garanties, maar ik voel me er wel weer even senang bij.

De aanleiding voor het laatste gedicht was een zot, die ik gisteren voor het Amsterdamse centraalstation zag staan. Zo'n Jezusvereerder, die geheel onopgemerkt, behalve door mij dan, tussen de krioelende toeristen, met een zelfgemaakt bord opriep tot bekering. Ik had in de stationshal, bij wijze van lunch, een patatje-met gekocht bij een vrolijke Marokkaan, die mij verzekerde dat hij de beste frites van Amsterdam had, en dat stond ik buiten, in de zon, te nuttigen. God wat had jij daar een hekel aan, mensen die op straat patat en andere dingen liepen te eten, maar ik zondig weleens. Ik weet nooit of je wel of geen medelijden moet hebben met zo'n Jezusfreak. Is het een verwarde gek, of is het iemand die in alle serieusheid meent de mensheid een dienst te bewijzen door de verbreiding van het woord. Gezien kleding, houding, kreten en de lucht die van hem afwoei, hadden we met een specimen van het eerste te maken. Ik ben met mijn frietjes maar snel de straat overgestoken om dichterlijk over de wateren te staren tot ze op waren en ik op zoek kon naar een afvalbak. 
Ik was onderweg naar de universiteitsbibliotheek, voor de jaarvergadering van het Nederlands Genootschap voor Nieuwgriekse Studies. Anderhalf uur te vroeg, want je weet het maar nooit met de spoorwegen, zodat ik in alle rust naar café De Zwart kon sjokken. Daar hebben ze aangename, rode wijn en een goede maat van schenken. Het was een fraaie lentedag, in tegenstelling tot vandaag, nu waait die rotte, koude noordenwind weer, zodat het terras vol zat. Voornamelijk toeristen en een Chérie Bidet-achtig type, dat zich uit zat te sloven voor een aan zijn lippen hangende juffrouw. Binnen zat niemand. Ik zocht een mooie plek achter het opgeschoven raam, zodat ik het allemaal eens op mijn gemak kon bekijken. Veel levensgevaarlijk gestuntel van toeristen op huurfietsen en nijdig gebel van Amsterdammers, of wat daarvoor door moet gaan, die structureel opzettelijk te hard kwamen aanrijden 'om ze een lesje te leren,' denk ik, want daar zijn de uitvinders van de afzeikhumor goed in. 
Nadat mijn vooroordelen over toeristen in het algemeen en onze hoofdstedelijke medeburgers in het bijzonder, ruim waren gevoed, en we twee wijntjes verder waren, was het tijd om naar de bijeenkomst te gaan. Eerst de routine, daarna het interessante deel, een lezing over Cypriotische historische romans en het boek The Prophecy and the Templar Scroll van Lina Ellina. Dat boek speelt zich deels af in de moderne tijd en deels in de dertiende eeuw, tijdens de regering van Hendrik II (1270-1324). Je weet, de tijd van de Lusignans is mijn favoriete periode in de Cypriotische geschiedenis. Jammer dat ik geen Griekse versie van Afrodite en Europa bij me had, dan had ik die aan de schrijfster kunnen geven, maar nadat ze mijn exemplaar van het boek had gesigneerd, heb ik haar wel op mijn twee mythische dames gewezen, bescheiden als ik ben. Ze zal dat inmiddels wel zijn vergeten, dus misschien moet ik haar een exemplaar sturen. Tijdens de terugreis heb ik al gefascineerd in het boek gelezen.
Ik ben na de receptie, waar ik een aantal leuke gesprekken had, ondermeer met Hero Hokwerda en Willem Ledeboer (de adjunct-directeur van het Nederlands Instituut in Athene, waar ik binnenkort een poosje ga werken), niet naar het avondprogramma gegaan, want in Dordrecht was het Barre Tocht, onder leiding van Scotch the Band en in dat kader speelde Marienke van Terheijden, om elf uur in cafe De Vrijheid, een deel uit haar cabaretprogramma. Daar wilde ik bij zijn. Om half negen was ik thuis, want ook op de terugweg deed de Intercity Direct het zonder morren, zodat ik eerst nog een poosje verder kon lezen.
Marienke was goed. Zeker als je bedenkt dat een drukke kroeg geen gemakkelijke plaats is om te spelen. Ik zou haar hele programma graag in Theater 450 zien. Wie weet in het nieuwe seizoen. Ik ben in ieder geval zo vrij geweest iets te suggereren. Het was na Marienkes optreden nog lang heel gezellig in De Vrijheid. Ik ben tot kwart voor twee blijven hangen en moest toen ik thuiskwam de klokken nog een uur vooruit zetten, want de zomertijd is weer begonnen. Er komen weer lekker lange avonden aan. In de discussie over het wel of niet afschaffen van de zomertijd wil ik me niet mengen, maar ik ben meer zomer- dan wintermens, ook al heb ik een hekel aan in de zon zitten. Dat is iets voor toeristen.

Intussen heb ik Hemelse mevrouw Frederike uit. Ik vind het een prachtige biografie, waarin het alles-moet-kunnen-als-het-maar-feest-is-beeld van Frederike Harmsen van Beek, ontstaan in de periode dat zij het landhuis Jagtlust in het Gooi bewoonde, grondig wordt bijgesteld. Er wordt diep ingegaan op zowel Frederikes leven als haar literair en beeldend werk en Maaike Meijer doet dat ook nog eens in een aantrekkelijke, lekker lezende stijl. Ik werd wel somber van de laatste hoofdstukken, van het oud worden en aanklevend verval. Vooral toen ik las dat ze uiteindelijk in een verpleegtehuis werd opgenomen. Ik zit ook een beetje aan de rand van de fase van lichamelijke neergang, denk maar aan die achillespees, en ik ben ongehoord bang ooit in zo'n gesticht terecht te komen. Dan moeten ze me maar direct een spuitje geven. Jammer dat je dat spuitje niet nu al in huis kunt halen. Of de beroemde pil van Drion, waarvan ik mij weleens stiekem afvraag of die eigenlijk wel bestaat, maar dit terzijde. Ik kom aan moederskant uit een familie met een lange geschiedenis van hersenbloedingen, met nu en dan een hartinfarct tussendoor. Dat is niet altijd geruststellend om te bedenken, al werd mijn moeder gezond negentig, tante Pieta iets minder gezond, maar wel scherp van geest, negenentachtig, en hielden mijn oud-tantes Nel en Pie het respectievelijk vol tot hun drie- en vierennegentigste, zonder daarbij het verstand te verliezen. Mijn oma daarentegen stierf op haar achtenzestigste aan een tweede of derde beroerte, nadat mijn grootvader haar enkele jaren thuis had verzorgd, iets waarvoor hij volgens mijn moeder 'de hemel verdiende.' Zijn beloning viel tegen, want hij ging op z'n vierenzeventigste aan een hersenbloeding dood, nadat hij twee jaar in verpleegtehuis Crabbehof had gelegen. Hij was zijn spraakvermogen kwijt. Ze legden hem op een kamer met een stokdove lotgenoot. Dat was in de jaren zestig, dat moet ik er wel even bij zeggen, anders gaat er op Twitter direct een roedel idioten los.
Morgen moet ik naar de geneesheer, want die rode vlek op mijn wang wordt almaar erger, ondanks het zalfje dat ik ervoor heb gekregen. Rosacea, zegt de dokter, iets dat vooral bij middelbare dames voorkomt. Ik heb dat van mijn grootmoeder geerfd (georven zeggen we in Dordrecht), maar ik hoop dat dat het enige is. Met een vlek valt nog wel te leven en op mijn licht gevorderde leeftijd hoef ik toch niet meer te hopen dat het iets gaat worden met de jongedames waarop ik met enige regelmaat verliefd word. Gerard Reve had het altijd over 'een vieze, oude man van boven de dertig.' Op een gegeven ogenblik moet je in je lot berusten, als de dokter maar niet zegt dat ik moet stoppen met drinken.

In gedachten, altijd,

Kees

Dordrecht, 31 maart 2019

Foto: auteur



woensdag, augustus 15, 2018

Tweede van der Helst



Het is een tijd geleden dat ik een Boekenpraatje op Youtube zette, maar toch zal de schare liefhebbers die zich doorgaans direct op de iPad stort als ik weer eens wat te berde breng, nog even moeten wachten. Ik heb het op het ogenblik te druk met boeken lezen. De tijd om er over uit te weiden ontbreekt. Tenzij ik mij mijn dagelijkse praatje in het stamcaféontzeg en dat heb ik er, eerlijk gezegd, niet voor over. Het leven is al kort genoeg, in een maand tijd hebben we weer twee gewaardeerde oud-collega's ten grave gedragen, en ik ben geen monnik die alleen voor het bidden zijn cel uitkomt.

Monnik, je zou het maar wezen. Natuurlijk, ik weet ook wel dat er monniken en monniken zijn. Boeddhistische die het liefst islamieten doodslaan, roomse, die het liefst bier brouwen, maar ook boeddhistische die nog geen mug doden, hoe hinderlijk ook en roomse die ketters een gruwel zijn die ze het liefst op een brandstapel zien eindigen. Alle soorten en maten, maar de meesten vind ik een beetje eng. Dat komt door die devotie. Ik ben tegen vroomheid. Dat is iets voor half seniele, oude vrouwtjes in half duistere Zuid-Europese kerken, die gratis en voor niks de vloer aandweilen voor meneer pastoor. Niet iets voor een normaal mens, begiftigd met rede.

Ik heb eigenlijk in mijn hele leven maar één monnik ontmoet die niet een beetje eng was. In het klooster van Megista Lavra op het schiereiland Athos. Dat was een voormalige zeeman die eenmaal teruggekeerd aan wal kip noch kraai in de wereld meer bezat. Hij was, oud en slecht ter been, in het klooster zeker van zijn natje en zijn droogje en ach, grinnikte hij, mocht het toch waar zijn van die hemel, dan zat hij hier op de beste plek om heen te gaan. Daarna rookten we, al mocht het niet, op het balkon van zijn cel een sigaartje.

Dat Boekenpraatje komt wel. Eerst moet ik nog even De ommegang van Jan van Aken lezen, De kunst is mijn slagveld van Nanne Tepper, Selma van Carolijn Visser, de Jane Austen-biografie van Claire Tomalin, Writer's Luck van David Lodge en de prijswinnende roman van Murat Isik. En weer eens een brievenboek van Gerard Reve, u weet wel, die man van Tweede van der Helst.

Foto: auteur


woensdag, december 27, 2017

Niet tobben!



Af en toe word ik gevraagd om commentaar te geven op ontwikkelingen in Griekenland of op Cyprus. Meestal door de radio, een enkele keer ook door de televisie. Ik doe dat als historicus. Iemand van de Tros had een artikel van mij, over de geschiedenis van het moderne Griekenland, gelezen in Trouw en zo kwam ik op een ochtend, begin jaren negentig, in de Tros Nieuwsshow op Hilversum1, dat nu NPO1 heet. Daar trof ik Wim Bosboom, die mij al snuivende in de microfoon allerlei vragen stelde die geheel buiten de lijnen van het voorgesprek vielen, maar omdat ik goed op de hoogte was van de geschiedenis, alsmede moeilijk te intimideren, lukte het de ex-Varacoryfee niet om mij van mijn stuk te brengen en een afgang te bezorgen. Zodoende kwam mijn naam ergens in een boek als 'Griekenlandkenner' en sindsdien verschijnt op mijn telefoon nu en dan een Hilversums nummer, of een Amsterdams, want BNR-Nieuwsradio heeft mij in de loop van de tijd ook ontdekt.

Er is een constante als ik weer eens achter de microfoon zit. Steevast vraagt de journalist van dienst hoe ik denk 'dat het in de toekomst verder zal gaan.' Dat is voor een historicus een probleem. Wij proberen het heden te verklaren vanuit het verleden, soms in de hoop dat wie ons leest of hoort daar iets van leert, maar daarin worden we voortdurend zwaar teleurgesteld. Weer een constante. In de toekomst kunnen we niet kijken. Verder dan nu en dan een vermoeden uiten gaat het niet en dan nog. De toekomst is in hoge mate onvoorspelbaar. Eind maart 2016 was ik onderweg naar de Dordtse rechtbank om een apostille op een vertaling te laten zetten. Een verklaring waarmee ik de Griekse bureaucratie te lijf wilde. Ik had beter moeten weten, want die bureaucratie was al ondoorzichtig, nodeloos ingewikkeld en incompetent bij het ontstaan van het moderne Griekenland en dat is hij nog steeds. Derde constante. Als er in de Museumstraat in Dordrecht niet bliksemsnel hulp was geboden aan die man die ineens omviel, was er voor mij geen toekomst meer geweest. Ik heb lering getrokken uit die gebeurtenis en ben, na door het oog van de naald aan een wisse dood te zijn ontsnapt, een cursus reanimeren gaan doen. Of ik het geleerde ooit in praktijk moet brengen, ligt in de toekomst verborgen.

Ik heb zo mijn zorgen over de toekomst. In een wereld met politici als Trump, Kim Yong-un en Thierry Baudet aan de macht, kunnen zomaar dingen gebeuren die tot een onvoorstelbare ramp leiden. Het kan ook van niet, maar ik ben er weinig gerust op. Ik ben ook weinig gerust op het heilzame effect op de samenleving van al die mensen die zich zonodig tot een of ander geloof moeten bekeren. Van het geloof in een godheid tot het geloof in de kankerwerende werking van bonenkruid. Ik ben meer van de wetenschap. Een wetenschappelijk geschoold cardioloog heeft ervoor gezorgd dat mijn hart het voorlopig weer prima doet, maar er zijn ook wetenschappelijk geschoolde types die de meest verschrikkelijke wapens bedenken. Hoe het daarmee in de toekomst verder moet? Soms houd ik mijn hart vast. Vooral ook als ik hoor dat er in mijn land doorgedraaide idioten rondlopen die zwaar vuurwerk naar treinen gooien.

Ik vrees weer heel veel gewonden en heel veel schade met Oud & Nieuw, maar of dat ook werkelijk gaat gebeuren, dat leert alleen de toekomst. Wij wensen elkaar straks een gelukkig 2018, maar je kunt in dat jaar zomaar plotseling doodgaan, zoals de sympathieke presentator Joost Karhof van Nieuwsuur, bij wie ik ook weleens aan tafel heb gezeten. Gelukkig denk ik regelmatig aan Gerard Reve, die sommige van zijn brieven placht te ondertekenen met: 'Niet tobben. Het komt toch nooit meer goed.'


donderdag, december 07, 2017

Donkere dagen



De donkere dagen voor kerst zijn weer aangebroken. We kunnen de onverkwikkelijke discussie over de kleur van Piet, in beide kampen, voor of tegen, gedomineerd door griezelige fanaten, weer een poosje achter ons laten. Voor we ons gaan storten op die andere 'traditie', de mythe van dat onbevlekt ontvangen ventje in het bakske vol met stro, symbool voor vrede op aarde en in de mensen een welbehagen, draagt Disaster Donald nog even een steentje bij aan de wereldvrede door, tegen het advies van bijna de hele wereld in, Jeruzalem te erkennen als de hoofdstad van Israel. Dat maakt voor pelgrims een bezoek aan de Geboortekerk extra spannend en DD houdt wel van een beetje reuring.

Op de radio is het kerstgedrein begonnen. Iemand beweert in een actualiteitenprogramma dat er duizenden beestjes in een kerstboom zitten en dat die allemaal je huis binnendringen. Daarom moet je die boom eerst een nachtje in een verwarmde schuur neerzetten. Ik denk aan de liedregel 'allemaal beestjes, allemaal beestje om mij heen,' maar die had, naar ik meen, minder met hars uit een spar dan met iets dat bijna net zo klinkt te maken. Ik ben dol op die donkere dagen voor kerst, op het miezerige, kledderige regenenofnattesneeuwweer, dat zo goed bij de menselijke geest past.

De menselijke geest van de MeToo-heksenjacht, die er inmiddels toe heeft geleid dat een of andere achterlijke muts een petitie is begonnen om een schilderij van een jong meisje uit het Metropolitan Museum of Art te verwijderen. Zou iets met seksueel geweld te maken hebben. Als ik zoiets lees heb ik even de neiging om heel hard te roepen dat er eens een ruige zeeman over het wijf heen zou moeten, wat ik natuurlijk niet doe. Voor je het weet sta je op de proscriptielijst en bonkt een roedel stekelhaarfeministen op de deur.

Ondertussen haalt Facebook een link van mij weg omdat die naar een prent uit de zeventiende eeuw verwijst, waarin de vrouw van Potifar Jozef probeert te verleiden, door het tonen van een tiet. Facebook, daar zou de hele koninklijke marine maar eens overheen moeten. Alleen, dat schrijf ik niet op, dat soort uitspraken lijkt me toch meer iets voor Disaster Donald en zijn aanhang. Ik ga liever op zoek naar het klachtenloket waar ik kan protesteren tegen het weer, tegen die ellendige en lamlendige donkere dagen. Ik geloof dat Gerard Reve daarover iets verstandigs heeft gezegd.

Foto: auteur


donderdag, februari 09, 2017

Bron van ellende



Er hing een stankwolk over de stad. Het rook naar gebakken uien. Volgens Gerard Reve ruiken zo de scheten van een kardinaal. De radio maakte er gewag van. Het zou vanaf de grens tot aan zee stinken. Het kon uit Duitsland komen, uit Frankrijk, België, maar de bron was vooralsnog onbekend. Bij elk echt of vermoed onheil hoor je altijd: 'Er is geen gevaar voor de volksgezondheid.' Nu zwegen de autoriteiten verontrustend, maar ramen en deuren sluit je niet voor de scheten van een kardinaal.

Ik stond op met kriebelhoest en rook al snel die lucht. Op Facebook dacht iemand aan rundvleesbouillon. Na het ontbijt deed ik boodschappen. De geldautomaat werkte gewoon, de bakker had 's nachts gebakken, zoals altijd. Het meisje van de bakker zei er niets van, van die stank. Ze vond wel dat het motregende. De prijs van het brood was onveranderd.

Tegen de middag stonk het niet meer. Het kan dat de Russen inbraken in de computers van het milieu-instituut. Volgens de geheime dienst breken de Russen overal in waar computers zijn. Ze zijn volop in beeld als bezetters in spé. 'Eerst komen de roden,' zei mijn vader in de jaren '50, 'en daarna het gele gevaar.' Toevallig kwam de wind uit het oosten. Je kunt natuurlijk ook God aanwijzen als bron van ellende.

Foto: auteur


vrijdag, augustus 26, 2016

Vis




Ik denk na over de dagen die ik mis. Drie dagen hebben ze mij in coma gehouden. Ik moet ergens hebben vertoefd, maar vanaf het ogenblik dat ik 'onwel' werd, op straat in elkaar zakte, weet ik niets meer. Totdat ik mijn ogen opsloeg en een rood spaarlampje zag, op het plafond van een ziekenhuiskamer. Of ik geen tunnel van licht heb gezien? vraagt iemand verwachtingsvol. Of ik geen hemelse muziek heb gehoord en of mijn leven niet in een flits voorbij is gekomen? Niets van dit alles. Er is slechts een vacuum, een zwart gat. Iets zegt mij dat ik daar beter uit de buurt kan blijven.

Claire brengt een visje van de markt. Sinds ik terug ben uit het ziekenhuis, heb ik alleen nog maar vis gegeten. 'Voor de ware visliefhebber is het iedere dag vrijdag,' zei Gerard Reve ooit. Hij is vandaag precies tien jaar geleden overleden. Hij at zijn gestoomde bokking uit een krant. Toen hij nog op de Rozengracht woonde, had hij geen toilet. Urineren deed hij in de gootsteen. Als er geen buurtcafé open was, poepte hij in een krant, die hij vervolgens in de gracht wierp. Ik verzin het niet, ik heb het van Jan Eijkelboom, die Reve eind jaren vijftig bezocht. Amsterdam, hoofdstad van Nederland. Het had zomaar een eeuw eerder kunnen zijn.

Claire vraagt of de krant bij het oudpapier moet of bij het restvuil. 'Hij is wel erg vet geworden.' Men zegt dat vette vis goed is voor het hart. Ik eet veel vette vis, maar dat heeft een hartaanval niet voorkomen. 'Het zit in de familie,' aldus de dokter. Tegen erfelijkheid is geen vis gewassen. Claire vindt dat ik mijn pijp beter niet meer kan roken. Ik vind dat we eerst maar eens moeten zien wat we met die krant doen.

Foto: auteur


woensdag, juli 09, 2014

Klachtenloket




Het café is leeg. Het regent al de hele dag. Bijna niemand waagt zich buiten in deze vroege aankondiging van de herfst. De terrassen op het plein staan te verdruipen. Soms schiet een paraplu voorbij de ramen. Er onder een somberend iemand. Een verdwaalde toerist, herkenbaar aan de zotte broek, neemt snel een foto en kruipt daarna weer onder het regenscherm van zijn vriendin.

Mooi weer verveelt zelden. Regen en wind houd ik hooguit een paar uur vol. Het is weer voor roodbakstenen huizen met de nodige roetaanslag. Weer voor desolate mijnbouwdorpen en al decennia in verval verkerende textielfabrieken in Noord-Engeland, weggeconcurreerd door ex-koloniën. Weer voor chronisch dronken verliezers om een potje te matten in The Blue Lion. Geen weer voor dit vriendelijke café op dit bescheiden plein, waar een ooit beroemde schilder op een sokkel het verleden in staart.

Er is nergens een loket voor klachten, merkt Gerard Reve in een van zijn brieven op, waar het, als ik mij goed herinner, om een dergelijke druipende toestand gaat. Het almachtige opperwezen, dat zich al meer dan tweeduizend jaar angstvallig schuilhoudt, heeft ook nog geen internetverbinding met zijn onbekende woon- of verblijfplaats weten in te stellen. Dat is jammer, want klagen over het weer zit ons in de genen. Vandaag te nat, morgen te warm, volgende week te droog en tussendoor te winderig.

Ik sta voor een roodbakstenen huis in een Noord-Engels dorp. Het is 1968. Ik ben verliefd, maar te verlegen om dat te zeggen tegen het meisje dat met haar ouders het huis bewoont. Het regent, het waait, het is een julidag waarop het hooguit zeventien graden wordt. Ik ben bleu, maar toch hoopvol, hoewel ze erg katholiek is. Ik had het nog niet gelezen van dat klachtenloket.

©Kees Klok





woensdag, april 09, 2014

Tijd om naar binnen te gaan




Het is rustig in poffertjessalon Visser. De meeste gasten zitten op het bescheiden terras voor de zaak, waarop tot laat in de middag de zon staat. Ik ook. Ik ben een gretige terraszitter, als de temperatuur er naar is. Ik heb een hekel aan regen, aan wind en aan kou. In weken heb ik geen gedicht meer geschreven, maar de zon schijnt, de terrassen staan weer op het nabije Scheffersplein, we hoeven niet meer over een lege vlakte uit te kijken en ik hoop stiekem dat de vrouw waarop ik heimelijk verliefd ben langs zal fietsen.

Iedere leeftijd heeft zijn leeftijd. Toen ik veertien was kreeg ik warme gevoelens bij een buurmeisje van elf. Gevoelens die ik pas later kon thuisbrengen. Toen ik zeventien was, werd ik verliefd op een meisje van vijftien. Ik had nog geen behoefte aan de wijsheid van een vrouw met enige levenservaring. Op mijn negentiende, ik was er laat bij, sliep ik voor het eerst met een meisje. Zij was zeventien, maar mijn grote liefde, die ik na turbulente jaren van een kort huwelijk, diverse affaires en akelige perioden van eenzaamheid ontmoette, was vijf jaar ouder dan ik. Het was vooral haar wijsheid die ons geluk bezegelde. Er volgden twintig gouden jaren, een korte periode van afschuwelijk lijden en de dood. Ineens dreef ik, in een stikdonkere nacht, alleen op een vlot op een stormachtige zee.

Ik spoelde weer aan en zocht opnieuw mijn weg. Daarop ontmoette ik X. 'Van mijn leeftijd, maar vijfentwintig jaar jonger,' zoals Gerard Reve dat zo pregnant uitdrukt. Ik ken haar al vele jaren, maar eigenlijk ook niet. Het is haar wijsheid, die ik herken. Haar schoonheid ontroert mij. X. woont met een beroemde man, die almaar beroemder wordt. Ze leeft in zijn schaduw. Of ze gelukkig is, weet ik niet. Wel dat ze wijs is. Als ze voorbij fietst, zwaait ze van een afstand. Ik zwaai terug. Op feestjes zeggen we 'hallo' tegen elkaar en vragen 'alles goed?' Altijd blijft die afstand. Ook nu weer. Ik zie haar door de straat rijden, op weg naar de beroemde meneer. De zon verdwijnt achter de huizen, het koelt af. Tijd om naar binnen te gaan.

©Kees Klok


Foto: auteur

maandag, mei 06, 2013

Meer seks


Ik zit met een bevriende schrijfster op een terras in Haarlem. De zon schijnt, maar het terras raakt langzamerhand in de schaduw en dan laat de kille wind zich voelen. Het is alleen voorjaar in de zon. Op de Grote Markt achter ons is het kermis. Gelukkig staat de St. Bavo er tussen, zodat het gehengst gedempt doordringt. Het café waar het terras bij hoort heet De Karmeliet. Haarlem en het Kennemerland vormen een roomse enclave in protestants Holland. Dat leerden we op de lagere school, in de tijd dat de secularisatie zo'n beetje begon. Ik geloof niet dat de aardrijkskunde zich er nog druk over maakt. De lagere school is basisschool geworden.

Het is feest in Haarlem. Er wordt bevrijdingsdag gevierd. Met een rouwrandje want de regering van dit vrijheidslievende land wil binnenkort illegaal verblijf strafbaar stellen. Behalve de kermis is er een popfestival in een park aan het einde van de Grote Houtstraat. Daar in de buurt is ook het restaurant waar de schrijfster en ik gaan eten. Wij lopen er tussen de festivalgangers heen. Bij een popfestival horen luchtig geklede meisjes. De vigerende mode schrijft heel korte, strakke broekjes voor en daar boven iets flodderigs. We lopen in een massa blote meisjesbenen. Veel zijn er nog opvallend wit. Zon hebben ze dit jaar nog niet gezien. De schrijfster en ik kijken het met genoegen aan. We vinden bleek aantrekkelijker dan zongebruind. Het heeft iets ontwapenends.

De schrijfster is biseksueel, heeft zij mij eens verteld. Ik heb iets met biseksuele vrouwen. Onlangs, op een feest bij een kunstbroeder, sprak ik een prille dichteres die, zoals ze het uitdrukte, een 'crush' had op een meisje, een danseres die sierlijk door de kamer bewoog. Het prille dichteresje was ook heel sierlijk. De zon begint onder te gaan, de temperatuur begint te zakken. Wij vragen ons af hoeveel meisjes de komende dagen blaas- of longontsteking zullen krijgen.

In het restaurant is het druk en warm. Het eten is naar behoren. Het personeel is vriendelijk. Er komt een groep jongelui binnen. Wij worden gevraagd te gaan verzitten en krijgen als dank gratis wijn. De twee toiletten kunnen de drukte niet aan en zijn vies. Erg vies. Waar veel mensen bijeen zijn ontstaat automatisch smerigheid. Ik ben wel voor een zekere smeerlapperij, maar tegen smerigheid. Wij gaan naar café De Roemer op de Botermarkt, waar het terras nog vol zit, maar waar het binnen rustig is. Een geruststellend Jugendstil-interieur. Een interieur dat nooit mag veranderen.

We praten over een prijswinnende collega-schrijfster, die zich afficheert met de omvang van haar boezem en haar voorliefde voor bdsm. Ze heeft daar een boek over geschreven dat ik niet zo goed vind. Op de erotische scenes na, waarvan het gerucht gaat dat zij die wellicht niet zelf schreef. We hebben het over het prille dichteresje en haar 'crush.' Ik zeg dat ik een 'crush' op haar had. Ze heeft gelukkig geen enorme borsten. Ze liet zich fotograferen als lieftallige gothic bitch met een karwats. Dat deed denken aan de meisjes van de voormalige band Rockbitch. Ik zeg dat ik daarvan in de war ben geraakt en een verhaal zou willen schrijven waarin wij doen aan bdsm in een reviaans martelkamertje voor jonge, Duitse toeristes, maar dat ik dat niet doe. Mijn uitgever grapt soms dat hij meer seks in mijn boeken wil. Ik denk dat hij dat niet meent.

©Kees Klok


zaterdag, september 15, 2012

Nader tot U


Als ik op reis ga, gaat er altijd een boek van Gerard Reve mee. 'Zonder Reve geen leve,' zeg ik altijd maar. Misschien wel de geniaalste schrijver van het naoorlogse Nederland, maar zoals vaker het geval is, grenst bij Reve genialiteit aan krankzinnigheid. Dat lees je in het boek Ons leven met Reve van Teigetje en Woelrat. Teder, eerlijk, ontroerend en ontluisterend. Veel van wat al bekend was over het leven van de man die ik weleens schertsend 'oom Reve' noem, wordt vanuit een ander gezichtspunt beschreven dan we gewend zijn en nu en dan voegen zij nog onbekende feiten toe. Reve komt uit het boek tevoorschijn als een oom die je liever niet op je familiefeestje vraagt, waar je toch geweldig tegenop ziet en die je ondanks zijn grillige gedrag lief hebt. Als je het einde van het boek leest, begrijp je waarom Joop Schafthuizen, alias Matroos Vosch, 'een ongeletterde jongen,' aldus Reve, alles in het werk stelt om publicatie van deel drie van de Reve-biografie van Nop Maas te voorkomen. Een streven waarin hij tot mijn onuitsprekelijk genoegen door de rechtbank werd gedwarsboomd.

Het leven van een schrijver is soms even fascinerend als zijn of haar boeken. Bij Dickens is dat het geval, bij Léautaud (al valt dat leven heel erg samen met zijn boeken) en beslist ook bij Reve. We mogen daarom dankbaar zijn voor al die prachtige brievenboeken, maar Reve schrijft ook in zijn brieven fictie (autobiografische fictie noemt L.H. Wiener dat, als ik mij niet vergis) en in 'autobiografische fictie' is de waarheid – terecht – van ondergeschikt belang. In hoeverre Teigetje en Woelrat 'autobiografische fictie' schrijven, zal blijken als deel drie van de Revebiografie van Nop Maas eerstdaags verschijnt. Het boek zou al lang zijn gepubliceerd als Joop Schafthuizen er niet was geweest. Vroeger was het in India de gewoonte dat bij de crematie van een overledene zijn weduwe ook in het vuur werd geworpen. Sommige schrijversbiografen zouden graag zien dat zoiets gebeurde met de weduwen van Nederlandse auteurs, zoals Mieke Vestdijk en Joop Schafthuizen, om maar twee notoire lastpakken te noemen. Ik ken ook schrijversweduwen van geheel andere snit en ik vind de Indiase oplossing net iets te ver gaan, maar ik kan mijn goede vriend T., een zeer geletterde jongen, in tegenstelling tot Matroos Vosch, wel begrijpen. Ooit schreef Reve een brief aan de koninklijke luchtmacht met de vraag of deze zo goed wilde zijn om het huis van de schrijver Theun de Vries voor hem te bombarderen. T. zag graag de woning van Matroos Vosch in Machelen gebombardeerd, maar waar kon je het adres van de Belgische luchtmacht vinden?

In april 2007 stond ik met Stella voor Huize Het Gras in Greonterp. We waren op Reve-bedevaart. Een vriendelijke Fries, van wie wij maar al te graag aannamen dat hij ooit buurman was van Reve, nam een foto van ons voor het kapelletje waarbij Reve ooit begraven wilde worden. Een wens die niet is gehonoreerd. Teigetje en Woelrat merken dat op aan het begin van hun boek, als ze aan de groeve van Reve staan, na de teraardebestelling in Machelen, waarvoor ze niet eens door Schafthuizen waren uitgenodigd. Toen Stella en ik daar in het stille, vredige Greonterp stonden, op die prachtige voorjaarsmiddag, moesten we denken aan het einde van een VPRO-documentaire over Reve, waarin een fanfare op diezelfde plaats het lied Nader tot U speelde. Niets wees erop dat Stella acht maanden later aan maagkanker zou overlijden. Nader tot u gaat mee op de volgende reis.

©Kees Klok