Posts tonen met het label VS. Alle posts tonen
Posts tonen met het label VS. Alle posts tonen

woensdag, september 11, 2019

Amerika! Amerika!



Amerika! Zoals ik je al eens schreef, hebben wij er veel aan te danken. Zonder de VS had ik je hoogstwaarschijnlijk nooit ontmoet. Ik vond die periode aan de Universiteit van Minnesota bijzonder leerzaam. Alleen al om te ontdekken dat het geen land meer was van de onbeperkte mogelijkheden, maar wel van de onbeperkte tegenstellingen, van de onopgeloste sociale problemen en vooral van de angstcomplexen. 

Wij werden verliefd, maar we vonden dat onze groep internationale docenten en wetenschappers daar (nog) niets van hoefde te weten. We stoorden ons nogal aan het gedrag van een Nederlandse collega die, een paar maanden los van huis en echtgenote, tamelijk opzichtig probeerde iedere vrouw in het gezelschap in bed te krijgen. Natuurlijk, op dat soort seminars en conferenties wordt wat afgeneukt en vreemd gegaan, lees daar Small World van David Lodge maar op na, maar daarom hoef je nog niet opzichtig met je promiscuïteit te koop te lopen. Dat kon die meneer niet flikken op zijn christelijke scholengemeenschap, maar uit het zicht van God en de rector lagen de dingen kennelijk heel anders.

Wij wilden onze omgang een beetje stil houden. Daarom gingen we 's avonds vaak wandelen over de campus. 'Levensgevaarlijk,' vonden onze gastheren. Dat moesten we vooral niet doen. We bleven romantisch langs de oever van de Mississippi slenteren. Later, in New York, liepen we regelmatig 's nachts over straat, maar daar, in de buurt rondom 42nd. Street, stond natuurlijk wel op iedere straathoek een agent en ik geef toe, in de Bronx hebben we ons niet gewaagd, het was tenslotte 1987. Sindsdien hebben ze niet erg hard gewerkt aan sociale verbeteringen, dus het zou mij niets verbazen als het er nog steeds een zootje is. Ik ga er niet kijken. In ieder geval niet zolang Trump president is en misschien wel nooit meer. Er is nog genoeg te zien in Europa. Zolang het nog kan. Zolang Europa nog niet door nationalisme en fascisme is veranderd in een nieuw en nog gruwelijker Joegoslavië.

Amerika! Ik dacht aan te komen in het modernste land van de wereld, maar toen ik op het John F. Kennedy-vliegveld bij de douane stond, begon een stereotype, obesische beambte traag in een enorm dik boek te bladeren om te zien of er wellicht een crimineel of potentiële terrorist voor hem stond, in plaats van in een supersnelle computer te kijken. Brieven van Dordrecht naar Minneapolis en vice versa deden er minstens veertien dagen over, wat herinnerde aan een postkoets, achtervolgd door woeste Indianen. De eerste Indianen die ik zag, zwalkten troosteloos dronken door downtown Minneapolis. 'Daar moet je niet alleen gaan wandelen,' was het advies, 'levensgevaarlijk!' Tja, ze geloofden ook heilig dat waar dan ook in Nederland op iedere straathoek werd gedeald en dat achter bijna elk raam hoeren zaten, altijd met uitzicht op windmolens, tulpenvelden of een schilderachtige gracht met woonboten.

Persoonlijk heb ik, op een nogal indrukwekkend bezoek aan Stillwater prison na (een Amerikaan noemt een bajes een correctional facility, wat op zich al een veelzeggend alternatief feit is), niets gezien van crimineel Amerika. In tegendeel, ik heb vrijwel uitsluitend buitengewoon vriendelijke, gastvrije mensen ontmoet, zij het soms met de wereldvreemdste ideeën. Overal werd God bij gehaald, wat je van veel verantwoordelijkheden ontslaat. Alles wat je niet bevalt of wat je mis laat gaan, schuif je lekker op de wil van het opperwezen. Overal werd je gewaarschuwd voor gevaar. Logisch in een land waar ze elkaar bij duizenden overhoop schieten, al heb ik geen pistool horen afgaan. 

Soms werd je trots gewezen op de heilige taak van de Verenigde Staten om een lichtend voorbeeld voor de wereld te zijn, maar Nederland en Denemarken konden ze niet uit elkaar houden. Nu goed, hang een blinde kaart van Amerika voor de neus van een Europeaan en vraag dan eens om alle eenenvijftig staten aan te wijzen. En dan had je nog dat anti-rookgezeik, terwijl het wemelde van de dikke, ruftende automobielen. Koffiezetten konden ze evenmin, maar wij reden natuurlijk ook rond in een mooie Buick Century en hadden het eerlijk gezegd behoorlijk naar onze zin in die smeltkroes van malligheden. Als je daar aan denkt zou je haast willen dat Trump als de bliksem van het toneel verdween, maar ja, dan zit je nog met die wolven en beren, ratelslangen en pornosites, televisiedominees en die broeiende, buitenproportionele vulkaan onder het Yellowstone Park.

Fragment uit mijn in het voorjaar te verschijnen brievenboek.

Foto: archief auteur


maandag, maart 25, 2019

'Fly over land'



Lieve Stella,

Waarom laat je geen baard staan? vroeg je. Ik meen tijdens een etentje in downtown Minneapolis. Ik vond dat een vermakelijke vraag. Een paar weken voordat ik naar Amerika vertrok, toen ik een nieuw paspoort aanvroeg, had ik besloten om na zeventien jaar mijn baard maar eens af te scheren. Ik ging een nieuw avontuur tegemoet en daar hoorde een nieuwe kop bij. Dat avontuur was die reis naar Amerika, waar ik een paar maanden zou gaan studeren aan de Universiteit van Minnesota. Ik had, net als jij, een Fulbrightbeurs gekregen. Gekozen als een van de vier uit een groep van vierenveertig kandidaten. Vanwege mijn vlotte babbel, denk ik. Ze willen daar op de prairie, in wat de Amerikanen zelf 'fly over land' noemen, ook weleens echt Engels horen en daar lijkt het mijne wel op. Jij dacht in het begin ook, net als de Amerikanen, dat ik ergens uit Engeland kwam. Toen was ik daar wel een beetje trots op, nu, met die vreselijke Brexitchaos denk ik er ietsje anders over. Ik ben al mijn hele leven een enthousiaste anglofiel, maar dat enthousiasme staat onder druk, al ben ik van de weeromstuit begonnen aan de vertaling van een serie gedichten van Joanne Limburg, een van mijn Britse literaire vrienden die faliekant tegen de Brexit zijn.

Na jouw vraag liet ik mijn baard weer staan. Tot nu toe en het zit er niet in dat ik hem ooit weer afscheer. Het liefst laat ik alles zoals het was voor jouw overlijden. Dat geldt zeker voor ons huis, al moet ik misschien toch eens aan een nieuw bankstel, voor ik door het onze heen zak. Dat geldt eigenlijk ook voor de eettafel en stoelen, waarover ik steeds mijn benen dreig te breken, over die stoelen dan, omdat de poten licht naar achteren buigen en ik daar na vijfendertig jaar nog niet aan gewend ben. Bij wijze van spreken dan. Ik ben diep in mijn hart nogal conservatief. Niet politiek, ik heb bij de laatste verkiezingen braaf op een partij gestemd die gematigd 'links van het midden' staat, maar in mijn persoonlijk leven houd ik niet zo van veranderingen en in het credo 'verandering is vooruitgang' geloof ik niet altijd, laat staan dat vooruitgang per definitie verbetering betekent. Ja, soms. De vooruitgang in de medische wetenschap, bijvoorbeeld, prima, daar heb ik mijn leven aan te danken, je weet wel, en dat jij veel te jong bent gestorven komt toch vooral omdat het onderzoek op het terrein van jouw ziekte nog niet ver genoeg was gevorderd, maar over het algemeen is het raadzaam om bij veranderingen niet te hard van stapel te lopen en enige behoedzaamheid te betrachten. 
Al die lelijke gebouwen die in Dordrecht zijn neergeplempt nadat omwille van de vooruitgang (wat in feite 'ruim baan voor de auto' betekende) een deel van het historisch centrum meedogenloos werd gesloopt. Laat het een waarschuwing zijn tegen ambitieuze politici en projectontwikkelaars. 
In Amerika zijn ze nog veel meer van afbreken en eigentijds opbouwen, met als gevolg dat, op een enkele uitzondering na, de steden en dorpen als twee druppels water op elkaar lijken, eigenlijk moet ik in de verleden tijd schrijven, want ik ben na ons avontuur nooit meer teruggegaan, en het 'oldest house in the USA', waarvan we er een stuk of wat zijn tegengekomen, toen we ter afsluiting van de studie een rondreis maakten, nooit ouder dan misschien tweehonderd jaar is. Tweehonderd jaar, dat is maar twee keer zo oud als ons eigen huis. 
Gunstige uitzonderingen vond ik New Orleans en Boston, althans de historische centra, en, om de een of andere reden, New York, maar het is algemeen bekend dat New York geen Amerika is. Een andere wereld, met een andere dynamiek. Ik heb het nooit begrepen: ik ben allergisch voor hoogbouw, ik haat woontorens en wolkenkrabbers, maar in New York voelde ik mij toch thuis. Voor ik naar Minneapolis vloog verbleef ik een week in een appartement van de New York University in West 3rd Street, vlakbij de Village en Washington Square. Ik had het prima naar mijn zin, evenals aan het einde van onze rondreis, toen we nog een paar dagen in New York verbleven, voor jij naar Thessaloniki en ik naar Dordrecht terugkeerde. Amerika leek toen nog het land van de ongekende mogelijkheden, de anti-rookhysterie stond nog in de kinderschoenen, terwijl Ronald Reagan bezig was een einde te maken aan de Koude Oorlog, al realiseerden wij ons dat nog niet. Onder die oppervlakte van schone schijn bleek echter een samenleving in deerniswekkend verval te bestaan. Lees Amerika. Land van de begrensde mogelijkheden van Maarten van Rossem er nog maar eens op na.

De belangrijkste gebeurtenis van mijn leven was de kennismaking met jou en al die mooie jaren samen, die daar op volgden. Toch was mijn reis bijna niet doorgegaan, want tot vlak voor mijn vertrek twijfelde ik of ik eigenlijk wel zou gaan. Ik vond de VS een merkwaardig land vol idioten en geestdrijvers, zoals de meer dan dertig miljoen halvegaren die geloven dat we in 'de eindtijd' zitten. Een land waar iedereen elkaar met vuurwapens naar het leven stond en waar ze bovendien een merkwaardig soort Engels spraken. De Pilgrim Fathers, die nog een tijdje in Leiden onderdak vonden, vormden in mijn ogen ook een bijzonder nare en rare club. De echo's van hun akelige godsdienstfanatisme vind je volop in The Scarlet Letter van Nathaniel Hawthorne, een boek dat ik uit jouw bibliotheek leerde kennen, maar dit terzijde. Het was een vertekend beeld. In geen land heb ik zoveel vriendelijke, gastvrije en behulpzame mensen ontmoet als in de VS, al verkeerden wij natuurlijk wel in een academisch milieu en niet in een achterbuurt. Jou heb ik aan Amerika te danken, maar dat had wel als gevolg dat mijn historische belangstelling zich verplaatste in de richting van het moderne Griekenland (en zo langzamerhand in de richting van de Levant), weg van de West naar de Oost. 
Ik heb prettige herinneringen aan de VS en toch ben ik, zoals ik al schreef, nooit meer teruggegaan. Niet alleen vanwege de reis. Die is lang, maar nog te overzien, maar het heeft ook te maken met het gedoe met paspoort, visum en een waslijst vragen die je tegenwoordig schijnt te moeten beantwoorden, terwijl ik jou niet meer heb om samen de reis te maken. Het was een van de plannen die we hadden voor na mijn pensionering. Nog eens terug naar de plek waar we verliefd werden op elkaar, waarbij we dan en-passant de familie in Stillwater konden bezoeken, en die delen van het land, van het continent, verkennen waar we bij de rondreis niet aan toe waren gekomen. Zonder jou lijkt dat me allemaal te veel moeite en blijf ik liever op mijn knusse Eiland van Dordrecht, of in ons vertrouwde Griekenland of Engeland. Hoewel, met die Brexit.... Ik heb mij nog steeds niet opgegeven voor de Annual Conference van de Dickens Fellowship in Eastbourne, want ik heb geen idee wat er de komende weken staat te gebeuren. Kun je straks nog met je Europese ID door Engeland reizen, bijvoorbeeld. Ach, ik zie wel. Misschien bezoek ik in plaats van Eastbourne wel weer Cambridge, waar het mij vorig jaar, ondanks een paar ijskoude dagen, uitstekend is bevallen, al wil ik niet te veel beslag leggen op Jeanine haar tijd. Ze heeft het druk genoeg met haar proefschrift. Ik moet voorlopig verder met mijn boekje over de Dordtse letteren in historisch perspectief. Het aardige daarvan is, dat ik het een beetje kan combineren met mijn belangstelling voor de Dordtse patriotten. Daarna doemt alweer een ander thema op, maar dat vertel ik je nog even niet, want voor je het weet staat in de plaatselijke pers dat de Dordtse historicus Kees Klok zich bezig gaat houden met dit of dat en als er dan, zoals met zoveel dingen, weinig van terechtkomt, heb je wat uit te leggen.

In jouw land herdenken ze vandaag het begin van de onafhankelijkheidsoorlog. Uiteraard weer met bombastische parades van scholieren, studenten en het leger. Dat vertoon is mij allemaal wat te nationalistisch, met dat gemarcheer, die honderden vlaggen, straaljagers en tanks, maar goed, 's lands wijs 's lands eer. Ieder het zijne, als bij ons de koning verjaart loopt een deel van het volk als een zwakzinnige rond met oranje opblaaskronen op de kop. Ook traditie, toch?

In gedachten, altijd,

Kees

Dordrecht, 25 maart 2019

Foto: archief auteur.


zaterdag, maart 24, 2018

Stoep



Het eerste wat ik hoorde toen ik de radio aanzette, was het aanstellen van een oorlogszuchtige havik als veiligheidsadviseur door Donald Trump. Dat er een nieuwe wereldoorlog uitbreekt is zeker, het tijdstip alleen nog niet, en dat de Amerikanen in hun vergaande kortzichtigheid en vooringenomenheid op het terrein van buitenlands beleid daar verantwoordelijk voor zullen zijn, is zeer waarschijnlijk. Je zou maar kinderen hebben die op een mooie toekomst hopen. Het tweede onderwerp in het radiojournaal was het kapsel van een Nederlandse basketballer die in de Verenigde Staten speelt. Dat kapsel was, zo zei hij, vooral in trek bij ongeveer tienjarige jongetjes. Iemand met een voorbeeldfunctie dus. Of het kapsel van Donald Trump ook zo populair is bij die leeftijdsgroep, weet ik niet.

Deze week hebben we de gemeenteraadsverkiezingen gehad. Die verhouden zich tot het wereldgebeuren ongeveer zoals de buitenlandpolitiek van de VS tot het kapsel van een sportjongen, maar voor ons waren ze uiteraard belangrijk. Toen ik gisteravond vanuit het stadscentrum naar huis liep, zag ik dat een meter of vijftig voor mijn woning het trottoir was ingezakt. Waardoor is mij een raadsel, maar het is vlak voor mijn voordeur ook een keer gebeurd. Eveneens door onbekende oorzaak. Toen was de gemeente er als de kippen bij om de boel te repareren, want wie erin dondert en gewond raakt, kan schadevergoeding eisen. Een goed werkende gemeente is voor het dagelijks leven van groter belang dan de dreiging van een wereldoorlog. Als die laatste uitbreekt, is niets meer van belang, dan is het alleen prettig als je een zakje zelfmoordpoeder in huis hebt.

Ik ben van nature een optimist, al doet een aantal kwalijke figuren dat in de afgelopen jaren is aangetreden als 'wereldleiders' er alles aan om mij tot het pessimisme te bekeren. Types die zich soms met de ellebogen, met list, bedrog of geweld naar de top hebben gewerkt en bezig zijn dood en verderf te zaaien, zoals die man in een land dat zogenaamd onze bondgenoot is. Een man wiens naam je in Nederland nauwelijks meer kunt noemen zonder het risico dat de locale aanhang van deze naarling schuimbekkend op de stoep staat. Types ook die niet zelden gekozen zijn door een kortzichtig en vooringenomen, gefrustreerd electoraat met het verstand van tienjarige jongetjes, opgezweept door nepnieuws met dank aan vooral de sociale media. Types met raar haar en slechte manieren. Ik hoop ondertussen dat de gemeente de stoep heeft gerepareerd. Je zou maar een been breken.

Foto: auteur



zondag, februari 19, 2017

Aanmatigend, opschepperig, ordinair, ongemanierd, ongevoelig en vooral inhalig




Het aantreden van Donald Trump als toch wat uitzonderlijke eend in de bijt van Amerikaanse presidenten, was aanleiding om mijn gedachten weer eens te laten gaan over het fenomeen Amerika in het algemeen en over de verhouding van Charles Dickens tot dat land in het bijzonder. In het algemeen kan ik zeggen dat ik veel te danken heb aan de Verenigde Staten. De regering Reagan, u weet wel, die aimabele B-acteur die het zo goed kon vinden met zijn Russische evenknie Gorbatsjov, kende mij een genereuze Fulbright-beurs toe, waarmee ik enkele maanden verbleef aan de Universiteit van Minnesota.

Minnesota, dat ligt volgens de bewoners van de Amerikaanse oost- en de westkust in 'fly over land', een gebied dat zich vooral kenmerkt door leegte, oneindige prairies, ijzige winters en bloedhete zomers, maar evengoed is deze staat een toonbeeld van beschaving. Je hebt er een vergunning nodig om een wapen te bezitten, er was toen al een zekere mate van gezondheidszorg voor minderbedeelden, al betwijfel ik of de dronken Indianen die ik vaak zag rondhangen in downtown Minneapolis daar ook van profiteerden, men kent er geen doodstraf, er is een heel behoorlijk honkbalteam, de Minnesota Twins, er zijn miljoenen muggen, die bekend staan als the Minnesota Air Force, de universiteit behoort tot de Ivy League en wat vooral van belang is: in de tweelingstad van Minneapolis, St. Paul, staat het geboortehuis van Robert Zimmerman, die wij vooral kennen als Bob Dylan en dat is niet de enige grote artiest die uit die regio komt. Het allerbelangrijkste van mijn verblijf in de VS is evenwel niet de kennis die ik opdeed over dit merkwaardige land, dat toen allang niet meer het land van de onbegrensde mogelijkheden was, eerder dat van de, tot op heden, onopgeloste sociale problemen, maar het feit dat ik er Stella Timonidou leerde kennen, een Griekse taalkundige uit Thessaloniki die met dezelfde beurs in Minneapolis studeerde en met wie ik twee en een half jaar later zou trouwen.

Dickens was reeds getrouwd toen hij in 1842 voor het eerst de Verenigde Staten bezocht. Hij werd er binnengehaald als een superster, maar hij zou Minnesota nooit bezoeken. Zie hier enkele significante verschillen. Dat ik toen ik naar de VS vertrok mijn eerste boek nog moest schrijven en Dickens op zijn dertigste, want zo oud was hij toen hij voor het eerst de oceaan overstak, al enkele letterkundige hits op zijn naam had staan, is een verschil dat onopgemerkt kan blijven. Evenzeer als het feit dat ik vijfendertig was, dus een stuk ouder dan Dickens en ik, als ik nadacht over 's mans literaire productie, weleens meende dat ik mij bij voorbaat als mislukt kon beschouwen. Ik heb mij sindsdien probleemloos geschaard onder al die Nederlandse schrijvers die nooit de Nobelprijs voor Literatuur zullen krijgen. De prettige bijkomstigheid daarvan is dat je nooit aan te hoog gestelde verwachtingen hoeft te voldoen.

De verwachtingen omtrent Dickens waren zeer hoog gesteld in het Amerika van 1842. Zijn boeken waren mateloos populair en aanvankelijk werd Dickens dan ook op handen gedragen. Hij kon zich niet op straat vertonen of hij werd gevolgd door een schare bewonderaars en vrijwel al zijn tijd werd in beslag genomen door sociale verplichtingen, recepties, feesten, concerten en schranspartijen om hem eer te bewijzen. Het duurde niet lang of dat begon bij Dickens irritaties op te roepen, wat op zijn beurt ook ergernis bij zijn gastheren veroorzaakte. Het ging, om het duidelijk te stellen, al spoedig goed mis tussen Dickens en de Amerikanen. Dickens hield zijn mening over wat hem allemaal niet zinde beslist niet voor zich, waardoor nog tijdens zijn verblijf nijdige stukken in de pers verschenen. Terug in Engeland schreef hij het allemaal op in American Notes, een reisboek dat hij nog in 1842 publiceerde. In het in 1844 verschenen Martin Chuzzlewit, deed hij zijn kritiek op de VS, in de hoofdstukken waarin Martin dat land bezoekt, nog eens dunnetjes over in bijtende satire. De Amerikanen zagen het als een soort verraad. De kranten reageerden ziedend op Dickens' kritiek en zelfs Amerikaanse vrienden, zoals de schrijver Washington Irving, waren in alle staten.

Het was niet alleen de vermoeiende belangstelling voor zijn persoon die Dickens te veel werd. Dickens was een maatschappelijk hervormer. Hij wilde weleens met eigen ogen zien of de Amerikaanse democratie werkelijk betere perspectieven bood op sociale rechtvaardigheid dan de Victoriaanse klassenmaatschappij. Dat viel nogal tegen. Al snel kwam hij tot de conclusie dat de meeste politici meer uit waren op eigen gewin dan op het bereiken van hooggestemde idealen en dat de pers schromelijk tekort schoot in zijn taak de lezers over belangrijke zaken te informeren. Hij ergerde zich buitengewoon aan die Amerikanen die, door allerlei vormen van wat we nu in goed Nederlands merchandising noemen, geld aan zijn beroemdheid probeerden te verdienen en hij stoorde zich bovenmatig aan hun slechte manieren, waarover hij zich uitliet in termen als: 'overbearing, boastful, vulgar, uncivil, insensitive and above all acquisitive,' eigenschappen die ons doen denken aan de nieuwe bewoner van het Witte Huis. Toen Dickens Richmond, Virginia, bezocht, was hij geschokt door de situatie van de slaven en vooral door de manier waarop de blanke Amerikanen over hen dachten.

Tenslotte was er de kwestie van het auteursrecht. Er bestonden nog geen internationale overeenkomsten die het auteursrecht regelden. Het gevolg daarvan was dat Dickens weliswaar veel in de States werd gelezen, maar daar nauwelijks iets aan verdiende, omdat het doorgaans piratenedities betrof. Keer op keer vroeg hij om aandacht hiervoor en bepleitte hij een regeling, maar tevergeefs. In de VS wilde men er niet van horen, ondanks het legitieme argument van Dickens dat Amerikaanse collega's die in Groot-Brittannië publiceerden er evenzeer van zouden profiteren. Sommige kranten gingen zover dat ze Dickens ervan beschuldigden een slaatje uit zijn populariteit te willen slaan.

Dickens zou het tot stand komen van een internationale regeling niet meer meemaken. Tussen hem en de Amerikanen is het overigens wel weer goedgekomen. De mens is nu eenmaal kort van memorie. Nadat het stof van American Notes en Martin Chuzzlewit was gaan liggen, bleken de boeken van Dickens aan gene zijde van de oceaan onverminderd populair en toen hij na een reeks van zijn befaamde lezingen in Engeland in 1867 naar de VS overstak voor een tournee, was hij al snel weer razend populair bij het publiek. In vijf maanden tijd gaf hij zesenzeventig voorstellingen, maar zijn oorspronkelijke plan om naar Chicago en St. Louis te reizen moest hij opgeven. Vanwege het weer, maar vooral vanwege de aanslag die de lezingen deden op zijn wankelende gezondheid. Dickens keerde aanzienlijk rijker en opnieuw als lieveling van critici en publiek terug naar Engeland. Aan herdrukken van American Notes en Martin Chuzzlewit voegde hij een nawoord toe waarin hij zijn waardering uitsprak over de uitstekende behandeling die hij van zijn gastheren had ondervonden.

Of ik ooit nog eens een tweede bezoek aan de Verenigde Staten zal brengen, weet ik niet. Het zou dan vooral om nostalgische redenen zijn. Negen jaar geleden is Stella overleden en ik zou sommige plaatsen waar ik met haar was nog weleens willen bezoeken, maar voorlopig wacht ik af. Tot er weer zo'n gemoedelijk lachebekje in het Witte Huis woont als Ronald Reagan. Ik heb namelijk wel enige affectie met B-acteurs, maar helemaal niets met onbehouwen coryfeeën uit de zakenwereld.


Lezing voor de Weerdinger Dickens Leeskring, 18 februari 2017

Afbeelding: Charles Dickens door Ary Scheffer (1855). National Portrait Gallery, Londen.


woensdag, februari 01, 2017

Amerikaanse brief




Lieve Stella,

Het was gisteren alweer de laatste dag van januari. Nu nog even februari door en dan wordt het langzamerhand echt voorjaar. Staan we niet meer met gevoelloze voeten van de kou op de tribune bij FC Dordrecht. Wie zou dat eigenlijk hebben bedacht, voetbal in de winter? Ik heb bij de laatste thuiswedstrijd mijn eigen winterstop nog maar even verlengd. Ik heb wel wat over voor FC Dordrecht, maar bij temperaturen onder de vijf graden blijf ik bij de kachel. Net als gisteren. Nee, Dordt speelde niet, maar ik had me voorgenomen naar de film te gaan, in de onvolprezen The Movies. Toen de tijd was gekomen om op de fiets te stappen, heb ik de deur op het nachtslot gedaan en de open haard aangestoken. Ik lees weer drie boeken door elkaar: A Life in Letters, de brieven van P.G. Wodehouse, Maurits van Nassau van A. Th. van Deursen en Het scheve meisje van Yvon Né. Yvon ken je, je hebt haar weleens ontmoet bij een Ballustradafeestje, toen het blad twintig jaar bestond, meen ik. In november vierden we alweer het dertigjarig bestaan, in de Zeeuwse bibliotheek. Het was een gore, natte, winderige dag, maar de bibliotheek wist het water buiten te houden. Ook al ligt het bibliotheektheater deels onder de waterspiegel, in het kanaal. Zo'n beetje als het Groninger Museum, maar minder kleurrijk.

Een paar dagen geleden werd het resultaat bekend van een studie naar de gevolgen van een dijkdoorbraak op het Eiland van Dordrecht. Dan loopt de boel onder. Ik sta daar niet van te kijken, jij wel? Wat niet helemaal geruststelt is de ontdekking dat we in het ergste geval vier meter water in de straat kunnen verwachten. Goed dus dat de meeste boeken boven staan. Ik ga vanavond rustig slapen, want de kans dat zoiets gebeurt is één op de tienduizend. Zelfs in 1953 viel het in Dordrecht alles mee. Toen braken de dijken van de Stadspolders op tijd door, zodat de rest van het eiland werd gespaard. Later hebben ze daar een woonwijk gebouwd, niet zo slim, maar die moeten ze dan zonodig maar evacueren, als het ooit... De kans dat Donald Trump de apocalyps ontketent is aanzienlijk groter, maar het kan geen kwaad eens over dit soort zaken na te denken. In de media was het een dag lang een hype, maar daarna werd alle aandacht weer gericht op het Witte Huis en vernemen we er waarschijnlijk nooit meer iets van.

Amerika! Zoals ik je al eens schreef, hebben wij er veel aan te danken. Zonder de VS had ik je hoogstwaarschijnlijk nooit ontmoet. Ik vond die periode aan de Universiteit van Minnesota bijzonder leerzaam. Alleen al om te ontdekken dat het geen land meer was van de onbeperkte mogelijkheden, maar wel van de onbeperkte tegenstellingen, van de onopgeloste sociale problemen en vooral van de angstcomplexen. Wij werden verliefd, maar we vonden dat onze groep internationale docenten en wetenschappers daar (nog) niets van hoefde te weten. We stoorden ons nogal aan het gedrag van een Nederlandse collega geschiedenis die, een paar maanden los van huis en echtgenote, tamelijk opzichtig probeerde iedere vrouw in het gezelschap in bed te krijgen. Natuurlijk, op dat soort seminars en conferenties wordt wat afgeneukt en vreemd gegaan, lees daar Small World van David Lodge maar op na, maar daarom hoef je nog niet opzichtig met je promiscuïteit te koop te lopen. Dat kon die meneer niet op zijn christelijke scholengemeenschap, maar uit het zicht van God en de rector lagen de dingen volgens hem heel anders.

Wij wilden onze omgang een beetje stil houden. Daarom gingen we 's avonds vaak wandelen over de campus. 'Levensgevaarlijk,' vonden onze gastheren. Dat moesten we vooral niet doen. We bleven romantisch langs de oever van de Mississippi slenteren. Later, in New York, liepen we regelmatig 's nachts over straat, maar daar, in de buurt rondom 42nd. Street, stond natuurlijk wel op iedere straathoek een agent en ik geef toe, in de Bronx hebben we ons niet gewaagd, het was tenslotte 1987. Sindsdien hebben ze niet erg hard gewerkt aan sociale verbeteringen, dus het zou mij niets verbazen als het er nog steeds een zootje is. Ik ga er niet kijken. In ieder geval niet zolang Trump president is en misschien wel nooit meer. Er is nog genoeg te zien in Europa. Zolang het nog kan. Zolang Europa nog niet door nationalisme en fascisme is veranderd in een nieuw en nog gruwelijker Joegoslavië.

Amerika! Ik dacht aan te komen in het modernste land van de wereld, maar toen ik op het John F. Kennedy-vliegveld bij de douane stond, begon de stereotype, obesische beambte traag in een enorm dik boek te bladeren om te zien of er wellicht een crimineel of potentiële terrorist voor hem stond, in plaats van in een supersnelle computer te kijken. Brieven van Dordrecht naar Minneapolis en vice versa deden er minstens veertien dagen over, wat herinnerde aan een postkoets, achtervolgd door woeste Indianen. De eerste Indianen die ik zag, zwalkten troosteloos dronken door downtown Minneapolis. 'Daar moet je niet alleen gaan wandelen,' was het advies, 'levensgevaarlijk!' Tja, ze geloofden ook heilig dat waar dan ook in Nederland op iedere straathoek werd gedeald en dat achter bijna elk raam hoeren zaten, altijd met uitzicht op windmolens, tulpenvelden of een schilderachtige gracht met woonboten.

Persoonlijk heb ik, op een nogal indrukwekkend bezoek aan Stillwater prison na (een Amerikaan noemt een bajes een correctional facility, wat op zich al een veelzeggend alternatief feit is), niets gezien van crimineel Amerika. In tegendeel, ik heb vrijwel uitsluitend buitengewoon vriendelijke, gastvrije mensen ontmoet, zij het soms met de wereldvreemdste ideeën. Overal werd God bij gehaald, wat je van veel verantwoordelijkheden ontslaat. Alles wat je niet bevalt of wat je mis laat gaan, schuif je lekker op de wil van het opperwezen. Overal werd je gewaarschuwd voor gevaar. Logisch in een land waar ze elkaar bij duizenden overhoop schieten, al heb ik geen pistool horen afgaan. Soms werd je trots gewezen op de heilige taak van de Verenigde Staten om een lichtend voorbeeld voor de wereld te zijn, maar Nederland en Denemarken konden ze niet uit elkaar houden. Nu goed, hang een blinde kaart van Amerika voor de neus van een Europeaan en vraag dan eens om alle eenenvijftig staten aan te wijzen. En dan had je nog dat anti-rookgezeik, terwijl het wemelde van de dikke, ruftende automobielen. Koffiezetten konden ze evenmin, maar wij reden natuurlijk ook rond in een mooie Buick Century en hadden het eerlijk gezegd behoorlijk naar onze zin in die smeltkroes van malligheden. Als je daar aan denkt zou je haast willen dat Trump als de bliksem van het toneel verdween, maar ja, dan zit je nog met die wolven en beren, ratelslangen en pornosites, televisiedominees en die broeiende, buitenproportionele vulkaan onder het Yellowstone Park.

In gedachten, altijd,

Kees

Dordrecht, 1 februari 2017

Foto: archief auteur

vrijdag, mei 13, 2016

Het begin




Het verhaal is bekend. Ik leerde Stella in Minneapolis kennen, toen ik daar een tijdje met een Fulbrightbeurs aan de universiteit verkeerde. Het was een zonovergoten periode, met temperaturen tussen de zestien en vijfenveertig graden. Zestien in de collegezalen, waar je vanwege de hinderlijk overdreven luchtkoeling altijd een trui aan moest, vijfenveertig daar buiten. Verrassend genoeg had de kamer in Middlebrook Hall, die ik deelde met de IJslandse historicus Ragnar Sigurdsson, geen koelkast. Wij dronken in die dagen Milwaukee's Best, dat we betrokken van een supermarkt aan de rand van de campus. De blikjes koelden we zo goed en zo kwaad als het ging op de airco, een soort kast onder het raam, waar 's winters warme en 's zomers koude lucht uit kwam. Roken was nog net geen probleem, al begonnen de eerste anti-rokers al verontrustend te radicaliseren.

Dat er iets was ontstaan tussen Stella en mij, werd duidelijk toen we op een keer in een lift stonden en ze mij spontaan begon te zoenen. Een paar dagen later nam ik haar uit eten naar een Mexicaans restaurant, ergens in downtown Minneapolis. Daar gingen we zo op in elkaar, dat de tornado die over een deel van de stad raasde, ons geheel ontging. Terug in Middlebrook Hall kroop de rest van het internationale gezelschap waarin wij verkeerden net uit de schuilkelder. In één klap hadden we een reputatie van onverschrokkenheid. Echt onverschrokken was Ragnar. Hij ging tijdens het tornado-alarm doodgemoedereerd met zijn camera op het dak zitten, ongeveer zoals Churchill in Londen tijdens de Blitz.

Stella vond dat de rest van het gezelschap niets van onze relatie hoefde te weten. Ik vond dat eerst wat overdreven, maar besefte al snel dat ze gelijk had. In de groep bevond zich een Nederlandse docent, die het verblijf in Minneapolis opvatte als een uitnodiging om zoveel mogelijk vrouwelijke collega's te bevrijen. Zijn pogingen daartoe hadden wisselend succes, maar leidden op den duur tot zoveel ergernis, dat zijn opvallend obsessief gedrag aanleiding was voor de hoogleraar, die aan het hoofd van het programma stond, om hem ernstig tot de orde te roepen. Alleen Ragnar en Stella's kamergenote Ute wisten van onze relatie, want we wilden weleens een uurtje ongestoord alleen zijn. De anderen hoorden er pas van toen ze drie jaar later onze trouwkaart ontvingen.

Onlangs vond ik in Stella's archief twee schriften met dagboekaantekeningen uit die tijd. Grotendeels in het Engels geschreven, wat ik gemakkelijker lees dan (handgeschreven) Grieks. Ik lees ze met een sterk gevoel van weemoed, maar toch is het heerijk om alles door de ogen van mijn grote liefde nog eens te beleven.


Foto: archief auteur


vrijdag, september 26, 2014

Brieven aan Stella (17)




Lieve Stella,

De herfst is aangebroken. Toen ik gisteren naar huis fietste, na de bijeenkomst van de Dordtse Dichterskring, bij Josse Kok, was het ijzig koud. Minder dan tien graden, schat ik. De laatste zwaluwen zijn vertrokken. Een veeg teken. We betreden het seizoen voor dat van de dood. Gisteren begon het weer al te veranderen, maar daarvoor hebben we ons gekoesterd in een mooie nazomer. We hielden er krampachtig aan vast, nog even wegkijkend van het onvermijdelijke. Ik houd van de kleurenrijkdom van de herfst, maar al dat sterven in de natuur, daar word ik weemoedig van. Vooral nu de 26e weer nadert, die fatale zondagmorgen, zeven jaar geleden, dat ik je naar het ziekenhuis reed en een paar uur later de verschrikkelijke diagnose volgde. Je werd op een 26e geboren, op een 26e werd de dodelijke ziekte ontdekt en op een 26e ben je overleden. 26 December.... daarna heb ik kerstmis nooit meer met een hoofdletter willen schrijven, al is dat nuchter beschouwd romantische onzin.

Een paar dagen geleden kondigde zich een gedicht aan over de herfst. Op de vorige Dichterskring kregen wij een aantal foto's van het polderland bij Alblasserdam, genomen in verschillende seizoenen, met het verzoek van de fotograaf daar gedichten bij te schrijven. Hij wil er enkele gebruiken voor een kalender. Je weet dat ik niet graag met een thema werk, als het om poëzie gaat. Ik heb er eigenlijk een hekel aan, reden dat ik mij zelden houd aan het thema van de kring en ook bijna nooit reageer op verzoeken om iets over dit of dat te dichten. Gedichten kondigen zich aan als ik een tijd met iets in gedachten rondloop, bewust of onbewust, soms zijn het zelfs reacties op iets wat heel lang geleden indruk op mij heeft gemaakt. Het is ook een reden om categorisch 'nee' te roepen als iemand mij weer naar voren wil schuiven als stadsdichter van Dordrecht. Die positie is officieel nog steeds vacant, maar er wordt weinig haast gemaakt met het invullen door de gemeente. De Dichterskring heeft, zoals ik al eerder schreef, Peter M. van der Linden voorgedragen en vanaf nu beschouwen wij hem als de stadsdichter van Dordrecht. Hebben we de BOGA's (Boven Ons Gestelde Autoriteiten) niet voor nodig, maar dit terzijde. Nu was ik wel bezig met de naderende herfst, bezig met het mentaal rekken van de zomer, waarvan ik eigenlijk nooit afscheid wil nemen, en zodoende kwam dat gedicht er dit keer wel.

Van uitgever Henk Verweerd en zijn vrouw kreeg ik vorige week een verlaat, maar schitterend verjaardagscadeau: jouw bundels, de Nederlandse en de Griekse, in keerdruk in een cassette, op handgeschept papier en handgebonden. Het is werkelijk adembenemend mooi, een cadeau dat mij zeer ontroert. Ik zou het graag aan de Griekse familie laten zien, maar het is te zwaar om in de handbagage mee te nemen en in de ruimbagage, dat riskeer ik niet. De Grieken moeten maar naar Nederland komen. Ik ben nog op zoek naar een ereplaats in de boekenkast, bij de afdeling meest geliefde boeken. Er zal het een en ander moeten worden verplaatst, waardoor ik weer op het feit word gedrukt dat ik mijn boekenbezit hoognodig kritisch moet gaan bekijken, maar boeken wegdoen is mij vrijwel onmogelijk. Er zijn er veel die ik hoogstwaarschijnlijk nooit zal herlezen, maar toch zijn ze in die kasten door alle jaren heen goede vrienden geworden, waarvan ik niet graag afscheid neem.

Henk bracht ook een exemplaar mee van Het Engeland van C. Buddingh', samengesteld door Wim Huijser, ik denk het enige boek met werk van Kees dat ik nog niet had. Ik ken natuurlijk de Engelse fragmenten uit zijn dagboeken, maar het is, om in de terminologie te blijven, 'heel genoeglijk,' om die stukken weer eens te herlezen. Ik krijg er veel zin door om weer eens een reis naar de Britse eilanden te ondernemen. Met de boot naar Harwich en dan binnendoor via zuid en west Engeland naar Wales en de plaatsen uit mijn jeugd in Lancashire en Cheshire. Daarna natuurlijk naar het noorden, de Lakes en Schotland in. Daarvoor zou ik een auto moeten huren. Dat is op zich geen probleem, maar ik wil zo'n reis niet alleen ondernemen. Jij en, voor ik jou leerde kennen, Lupius waren mijn reismaatjes, maar jullie zijn er niet meer. Ik kan wel met een bevriend echtpaar, maar ik wil geen derde wiel aan de wagen zijn. Twee jaar geleden dacht ik aan een wandelvakantie in Dorset, want ik wil graag 'Thomas Hardy country' zelf eens zien. Ik speurde wat rond over het internet en vond een of twee organisaties die wandelvakanties aanboden. De tochten waren best te doen, maar van de accomodaties schrok ik. Ik deel sowieso nooit een kamer met iemand, daarvoor is mijn privacy mij te lief, maar het leek mij ook allemaal vrij primitief. Ik ben het stadium van jeugdherberg of kampeerterrein al heel lang geleden ontgroeid. We kunnen in de vriendenkring nog steeds lachen om de kampeerpartij bij farmer Jones in Llangollen, met die beestjes in het kraanwater, en die geïmpregneerde tent, die zo stonk dat we er uiteindelijk alleen maar het bier in bewaarden en op een kluitje bij elkaar kropen in de andere tent, maar dat nog eens overdoen? Ik moet er niet aan denken.

Zondag had ik een bijzondere ervaring. Herbert en Elly hadden mij en een groot aantal andere vrienden uitgenodigd voor een diner, nog vanwege hun trouwen, anderhalf jaar geleden, vanwege het gereedkomen van de verbouwing van hun huis en omdat Herbert binnenkort vijfenzestig wordt. Dat betekent dat wij al bijna vijftig jaar bevriend zijn. Het was in een hotel bij Amsterdam, een toren van glas en staal. Op de achttiende verdieping. Het was buitengewoon gezellig, de drank vloeide ruimschoots, het eten was lekker en het uitzicht geweldig, maar ik besefte toch dat ik geen mens voor grote hoogte ben. Ik vind de derde verdieping waarop het Schrijfhuis ligt eigenlijk al te hoog, maar goed, daar ben ik min of meer aan gewend, al zou ik het niet in mijn hoofd halen op het balkon op het keukentrapje te gaan staan om de buitenlamp te verwisselen. Achttien hoog.... ik ben maar zover mogelijk weggebleven van de ramen, ook al zijn die zo stevig dat er geen olifant doorheen kan lopen. Toch vreemd dat ik in een vliegtuig probleemloos bij het raam kan zitten. Ik heb het wel niet op vliegen en reis veel liever met trein en boot, maar dat heeft weinig te maken met de hoogte. Meer met alle controles en gedoe op de vliegvelden, waarvan ik de noodzaak wel inzie, maar waaraan ik mij toch steeds erger. Vooral als zo'n simpele geest van de beveiliging weer eens niet begrijpt dat mijn aansteker iets anders van vorm is dan gebruikelijk, omdat het nu eenmaal een pijpaansteker is. 

In de Maarten stond een e-mail die Maarten van Rossem aan Obama had gestuurd met een klacht over de onbeschofte behandeling door immigration officers op Amerikaanse vliegvelden, vooral op JFK-Airport. Toen ik naar Amerika vloog, naar later bleek om jou te ontmoeten, was de angst voor terroristen nog lang niet zo erg als nu, maar ik herinner mij die weinig hartelijke ontvangst op dat vliegveld nog wel. Een onbeschofte dikzak die almaar in een soort telefoonboek zat te bladeren en met de minuut chagrijniger werd dat hij mijn naam niet kon vinden. Uiteindelijk mocht ik door. Het was wel een contrast met de gastvrijheid die wij daarna overal ervoeren. Die bestaat nog, hoor ik van oud-leerlingen die mee hebben gedaan met de uitwisseling met een school in Californië, maar toch hoef ik niet meer naar de VS toe, ik neem de boot naar Engeland wel.

In gedachten, altijd,

Kees

Foto: auteur


zaterdag, november 17, 2012

God bless America!


Onder het eten lees ik in de nieuwe Maarten een artikel van Max Westerman, dat mij verdere eetlust ontneemt. 'De machtige arm van de gevangenislobby' heet het. Het gaat over een jonge vrouw, Lisa Connelly, die in Californië een levenslange gevangenisstraf uitzit. Haar misdrijf: het bezit van vijf amfetaminepillen, zonder dat zij daar een recept voor had. In Californië zitten ook mensen levenslang vast voor het stelen van een broek, een potje babyvoedsel en een paar batterijen. Dat kan in Californië. Als je je derde misdrijf pleegt, ga je automatisch levenslang achter de tralies. Na vijfentwintig jaar mag je dan om voorwaardelijke vrijlating verzoeken. Wat had Lisa Connelly eerder misdaan? Als jong meisje op de uitkijk gestaan terwijl haar vriendje inbrak in twee huizen. Dat telde voor twee misdrijven. Je zou maar een domme, smoorverliefde puber zijn met het verkeerde vriendje. Je zou maar in een achterlijke staat als Californië wonen, met een rechtssysteem waar Fred Teeven misschien zijn vingers bij aflikt, maar dat met menselijkheid en recht helemaal niets meer heeft te maken.

Er staan nog meer gruwelijkheden in het stuk. U moet het beslist lezen. 'In mijn boek In alle staten (2007) schreef ik dat ik een haat-liefdeverhouding heb met Amerika,' noteert Westerman. Ik heb die ook en daar heb ik ook weleens over geschreven, maar langzamerhand vrees ik dat mijn verhouding uit balans raakt en dat de haatfactor groeiende is. Dat komt niet alleen door de aanfluiting die de godvrezende Amerikanen van hun rechtspraak hebben gemaakt, of de stompzinnige wijze waarop zij buitenlandse politiek bedrijven. Wat de balans dreigt te doen doorslaan, is de ongelofelijke hypocrisie waarvan hun samenleving is doordesemd. Je mag een meisje dat een paar amfetaminepillen op zak heeft levenslang opsluiten. Je mag Afghaanse kinderen bombarderen. Je mag de opstand in Libië steunen en tegelijkertijd doen alsof er in Bahrein niets aan de hand is. Je mag op grote schaal de doodstraf ten uitvoer brengen en gevangenen laten martelen in Egyptische gevangenissen, of het zelf doen in Guantanamo Bay. Je mag de grootste porno-exporteur ter wereld zijn (hoe toevallig dat dat product op grote schaal in Californië wordt vervaardigd), maar wee je gebeente als je als chef van de CIA met je biografe naar bed gaat. Dan pas staat het land echt op zijn kop. Of als je je als president laat pijpen door een leuke stagiaire. Nee, verstandige daden zijn dat niet als je getrouwd bent en dat zo'n echtgenote dan bezwaar maakt kan ik begrijpen, maar waar bemoeien al die anderen zich in godsnaam mee?

Ik heb met veel plezier, met een Amerikaanse beurs, in Minneapolis gestudeerd. Ik heb daar veel hartelijke en gastvrije Amerikanen ontmoet en ik kwam er mijn grote liefde tegen. Voor dat alles begin ik mij langzamerhand te schamen.

©Kees Klok