Posts tonen met het label Wales. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Wales. Alle posts tonen

zaterdag, april 24, 2021

Conwy




Omdat mij van alle medische en paramedische kanten op het hart wordt gedrukt dat ik moet bewegen, maar ook omdat ik graag wandel doe ik met enige regelmaat een ronde door de stad. De 'stad' is voor mij het centrum van Dordrecht, het oudste deel binnen de vroegere stadsgracht die Spuihaven heet. In mijn kinderjaren woonde ik vlakbij die haven, eerst op de Vrieseweg, daarna in de Cornelis de Wittstraat. Wij, de buurtbewoners, gebruikten zelden de naam Spuihaven. Voor ons was het gedeelte tussen de Vriese- en de Johan de Wittbrug de 'Vriesehaven'. In die tijd lagen er aan de stadskant woonarken en had je daar tegenover de loswal van de firma Schenk, in zand of stenen of allebei, dat wil ik kwijt zijn. Er voeren nog schepen door de Spui- alias Vriesehaven, de Vriesebrug kon nog open en dicht en van het gemaal dat de boel afsluit aan de rivierzijde bij de Riedijkshaven was nog geen sprake. 


Naast de loswal stond een stinkende pisbak die na zonsondergang fungeerde als het rendez-vous van dat deel van de lokale homopopulatie dat om wie weet wat voor redenen niet uit de kast kon of durfde komen. Vaak stond er 's avonds, als het donker was, aan de overkant van de straat een man verscholen te wachten in het pad naast de Remonstrantse kerk dat leidde naar de kosterswoning, de dienstwoning van mijn ouders. Mijn moeder was in die tijd de kosteres. Als er vanuit de pisbak werd gefloten, stak zo'n man schielijk de straat over. In het begin vond ik het allemaal een beetje eng, maar alles went en op een gegeven ogenblik begon ik die mannen gewoon te groeten als ik door het pad moest. Meestal mompelden ze een groet terug. Lastiggevallen ben ik nooit, wat niet aan mijn indrukwekkende gestalte van 1.71m zal hebben gelegen.

Aan de stadskant van de haven, op de Vest, had je de frietkraam van Bart de Groot die door iedereen Bart de Lip werd genoemd. Hij was onze buurman op de Vrieseweg. Soms bracht hij gratis patat en slaatjes voor ons mee en tot lang nadat we waren verhuisd naar de kerk, hemelsbreed tweehonderd meter om de hoek, kwam het voor dat hij mijn kwartje voor een grote friet lachend wegwuifde. Een kleine friet kostte vijftien cent, wie er mayonaise op wilde betaalde een stuiver bij. 

In vervlogen tijden stond achter de Vriesebrug de Vriesepoort. In nog vervlogener tijden heette die poort de Mennepoort en werden op wat nu het Vrieseplein heet als het zo uitkwam misdadigers onthoofd. Ophangen gebeurde elders, over de rivier, 'op' Zwijndrecht, zodat je vanaf de Dordtse wal de lijken nog lang kon zien hangen. Overigens werden er heel wat minder misdadigers onthoofd of opgehangen dan de meesters op school ons wilden doen geloven. Het was voor de stad bijvoorbeeld veel profijtelijker iemand te veroordelen tot een bijdrage in stenen voor de stadsmuur. 


Ik doe vandaag weer mijn ronde. Het is benauwend stil. Midden door de winkelstraten is een kalkstreep getrokken, want je wordt geacht rechts te lopen en afstand van anderen te houden. Niet dat er veel sprake is van coronabesmettingen in de buitenlucht, in tegendeel, ik hoorde onlangs nog een Leidse professor in de virologie op de radio zeggen dat dat verschijnsel uiterst zeldzaam is, maar de geest is uit de fles en angst beheerst het volk, van nature redeloos, en het kabinet, al een jaar radeloos en nog steeds niet in staat tot een coherente visie op de aanpak van de coronacrisis. Gevolg van dit alles is dat het er sterk op gaat lijken dat het land reddeloos aan het worden is. Ik ben bang dat als het zo nog een poosje doorgaat, de rellen bij het instellen van de avondklok een zwakke voorbode waren van wat ons nog te wachten staat, maar ik kan goddank niet in de toekomst kijken, dus misschien heb ik het wel helemaal mis. Ik zou, als ik minister was, toch het risico niet willen nemen. 

De meeste winkels mogen slechts klanten ontvangen 'op afspraak' en dat in zeer beperkte mate, iets dat niet geldt voor 'essentiële' winkels zoals de supermarkten. Daar krioelt men lustig door elkaar. Wel gemaskerd, want er is een algemeen geloof dat dat veilig is. De mensheid is geniaal in het zich laten aanpraten van faliekante onzin. Dat zou niet zo erg zijn als we een verstandig kabinet en een bedachtzaam parlement hadden dat daar niet in mee zou gaan. Dan liepen we niet al maanden in 'openbare ruimten' voor gek met een benauwde lap voor de snuit en konden we bij mooi weer ontspannen genieten van een terrasje. Ik weet het, er zijn landen waar het nog veel erger is, maar we leven hier niet met Chinese toestanden, hopelijk komen die pas een paar generaties na mij.

Door de relatieve rust in de stad valt me steeds meer het gekrijs van de meeuwen op. Dordrecht is een waterstad, haar grote charme, en dat brengt meeuwen met zich mee. Even mooi als roofzuchtig en luidruchtig. Als ik meeuwen hoor moet ik altijd denken aan het stadje Conwy in Noord-Wales, prachtig gelegen aan de gelijknamige zeearm, aan de voet van een indrukwekkend kasteel. Dat kasteel is in de tachtiger jaren van de dertiende eeuw gebouwd door de Engelse koning Edward I als een dwangburcht, die de opstandige Welshmen er onder moest houden. Ik denk aan de laatste keer dat ik Conwy bezocht, alweer lang geleden, met Stella. Ik meen in 1995. We logeerden in een charmante herberg, ons kamerraam zag uit op het kasteel. Stella, die een stuk dapperder was dan ik, maakte op een ochtend een wandeling over de muren van het kasteel. Ik liep beneden bezorgd over het voetpad mee, want zelfs met haar aan mijn zijde bleek mijn hoogtevrees onbedwingbaar. 

Conwy was onderwerp van een van mijn eerste, gepubliceerde gedichten. Een van de weinige uit mijn beginjaren als dichter die ik niet beschouw als een betreurenswaardige jeugdzonde. Lopend langs de Wijnhaven, over de Taankade, waar ooit beruchte piraten woonden, draag ik het hardop aan mezelf voor:


Conwy*


je lijkt zo'n vrolijk stadje

conwy

je kasteel, ach

doet wat somber aan

door het verkeer

ben je van poort tot poort

gespleten

en overal hoor je

het dreigende gekrijs

van je vele meeuwen


maar tegen de avond

worden je straten stil

dan ontsnappen vanuit je

oude witgepleisterde huizen

de schimmen uit je verleden

een haast onhoorbare zucht

waaruit blijkt dat je nog leeft


Nee, geen jeugdzonde, maar wel zonder hoofdletters en met onvoldoende interpunctie. Toen deden we dat zo, omdat grote dichters als K. Schippers het ook deden. Tegenwoordig vind ik dat aanstellerij.

Ook boven de Wijnhaven krijsen de meeuwen. Ik word er melancholiek van. Tijd om naar huis te gaan, waar de borrel wacht.


* In: Jacques Noorman - Kees Klok, De theeman en andere gedichten. IMPV-Boote 1978.


Foto: auteur


donderdag, maart 04, 2021

Warnaar: Kampvuur




De dichter C.O. Jellema schrijft in Een web van dromen. Dagboeken 1960-2003: 'Overigens merkwaardig, dat een jeugdliefde nooit geheel overgaat'. Hij kan dat beamen. Hoewel hij de liefde van zijn leven, zoals het in onze zogenaamd rationele tijd heet, jaren later tegenkwam, is zijn jeugdliefde, een meisje uit een gehucht achter Birkenhead, nooit helemaal uit zijn gedachten verdwenen. Na het overlijden van zijn vrouw heeft hij weleens naar haar gezocht, maar ze zal, neemt hij aan, getrouwd zijn en de naam van haar man hebben aangenomen. Tenslotte heeft hij haar portret opgehangen in het eregalerijtje in zijn werkkamer, tussen bewonderde schrijvers, zijn vrouw, en een paar overleden vrienden en vriendinnen.


Hij herinnert zich de eerste ontmoeting bij een kampvuur in een weiland in Wales. Op zo'n zoele zomeravond met veel zwaluwen. Pas een jaar later zag hij haar weer, thuis bij haar ouders. Gastvrije mensen die zo'n Hollandse student wel interessant vonden. Om het gehucht te bereiken moest je in Liverpool de ferry across the Mersey nemen en daarna een bus. Er was geen halte, je vroeg de chauffeur gewoon ergens te stoppen.


Een paar jaar geleden keek hij in Liverpool bij het pontveer naar de skyline van Birkenhead. Zou hij overvaren, vroeg hij zich af, maar hij vreesde dat die bus inmiddels wel niet meer zou rijden. 


Foto: auteur


woensdag, april 15, 2020

Llangollen



De krant kopt met reuzenletters dat de overheid tot driemaal toe adviezen over de aanpak van pandemieën heeft genegeerd. Dat verbaast hem eigenlijk niets na het wildwestgedrag van de belastingdienst in de toeslagenaffaire, de doofpotzaken bij defensie, de achterstanden bij de IND en het steeds weer mislukken van IC-projecten bij de overheid. Hij denkt maar even niet aan de bezuinigingen in de zorg, het lerarentekort en wat er misgaat bij de kinderbescherming. 

Hij legt de krant terzijde. Zijn hoofd is bij andere dingen dan het falen van de overheid, al kan het natuurlijk ook zijn dat die genegeerde adviezen gewoon slecht waren of tegen de dogma's van het neo-liberalisme ingingen. Het komt natuurlijk door het uitzoeken van oude foto's, maar in gedachten zwerft hij al dagen door Wales. Noord-Wales om precies te zijn. Llangollen, om nog preciezer te zijn. Met studievrienden kampeerde hij bij farmer Jones, even boven het stadje. Jones, het Van den Berg of De Vries van Wales. 

Kamperen was eigenlijk helemaal niets voor hem. Tijdens latere bezoeken, met geliefden, met zijn vrouw, namen ze een hotel, meestal het Bridge End, lekker centraal en niet duur. Als het kon, fantaseert hij, nam ik vanmiddag nog de boot naar Hull, vandaar de trein naar Chester en de bus naar Llangollen. Die gaat via Wrexham, herinnert hij zich.

Foto: auteur


donderdag, mei 02, 2019

Vraag het maar aan de belastingdienst



Lieve Stella,

Het bouwvolk van hiernaast is terug en maakt weer op volle kracht herrie en ook de malloot die zo gruwelijk saxofoon speelt hebben ze nog niet van de sokken gereden. Gisteren had de avli* een oase van rust moeten zijn, 1 mei = vrij, maar toen had iemand bedacht dat het wel aardig zou zijn om een reclamevliegtuigje urenlang boven de stad te laten rondcirkelen. Zo'n ronkend, eenmotorig ding met een spandoek er achter. Alsof er al niet genoeg reclame is die het leven verzuurt. Het was bovendien fris voor de tijd van het jaar, toen ik 's avonds terugkeerde van Zorbas heb ik zelfs een trui onder mijn jasje gedragen. 

Dat jasje, daar zou ik eens iets nieuws voor moeten kopen. Er zit geen knoop meer aan de manchetten (waarom naaien ze trouwens knopen aan die manchetten, dat is toch volkomen zinloos?) en het is behoorlijk vies, maar waar vind ik hier een stomerij met 'klaar terwijl u wacht'? We hebben wel een kleine grutter op loopafstand en een bakkerij, maar voor een winkel waar je een fatsoenlijk jasje kunt kopen, moet ik helemaal naar Kolonaki, voorbij de Nationale Tuin, want in Plaka kun je slechts toeristische truttigheden aanschaffen of uit eten gaan. Dat jasje dat ik in oktober in Thessaloniki kocht is een dure miskoop. Ik bedoel, het staat me prima, heeft een zekere sjiek, maar als ik mijn agenda of een notitieboekje in een binnenzak doe, gaat het raar hangen. 
Toen ik een kind was, zat ik altijd goed in de kleren. Die maakte mijn moeder gewoon zelf, of anders kochten we ze bij Roodfeld. Dat was (en is, ik geloof dat de zaak nog bestaat) een winkel waar dure, doch degelijke waar werd verkocht, die wij met vijftig procent korting konden aanschaffen, want de eigenaar was een boezemvriend van mijn oom Henk, die jij helaas nooit hebt gekend. Hij is net voor zijn pensioen aan een hartaanval overleden, oom Henk, niet meneer Roodfeld, wat mij indertijd nogal heeft aangegrepen. Twee ooms op te jonge leeftijd aan het hart bezweken en ik maar denken dat mij zoiets nooit zou overkomen. Ik ben de afgelopen jaren tweemaal net aan de dood ontsnapt. De eerste keer bij die hartstilstand, de tweede keer toen ik bijna stikte in een stukje biefstuk tijdens een diner van de Dickens Fellowship in Kraantje Lek. Wel een eervolle plek om op te stappen, maar ik geef toch de voorkeur aan de Dordtse Pottenkade met voorlopig nog even uitstel als ik voldoende inspraak krijg. 

Anke en Lienke (de tweeling van Syros) hebben tijdens hun verblijf in Thessaloniki een heleboel foto's gemaakt, waarvan ik een deel in mijn digitale archief heb zitten. Misschien dat ik daar een soort album van laat afdrukken, want al dat digitale is prachtig en snel (ik stuur een epje naar Archie in Berg en Dal aan de Surinamerivier dat binnen enkele seconden arriveert), maar als de stroom uitvalt heb je er niets meer aan. Het kan nooit kwaad om een paar postduiven te houden en papier en vulpen onder handbereik te hebben, maar dit terzijde. Aan de andere kant ben ik in Dordt nu en dan doende oude foto's uit mijn albums te digitaliseren, want dan kun je er op de computer weer van alles mee doen. Nog niet zolang geleden heb ik foto's opgeslagen uit de tijd dat ik met Annemarie in Llangollen, in Wales verbleef. Toen fotografeerde ik nog veel zwartwit. Kun je je dat nog herinneren, Llangollen? Die romantische vallei, eigenlijk het verwilderde deel van de tuin van Plas Newydd, waar lady Eleanor Butler en Sarah Ponsonby woonden? Ik denk er nog regelmatig aan terug, zeker nu ik gisteren bericht kreeg van Bart en Claudia, die door Wales reizen, dat ze vandaag Plas Newydd bezoeken. Wales, ik wil er ook weer naartoe, maar eerst maar afwachten wat er van die ellendige Brexit terecht gaat komen. Hopelijk leidt uitstel tot afstel.

In 1968 ging ik in Wales kamperen, als jonge en nog vrijwel onbedorven begeleider van de welpen van de padvindersclub van Newton-le-Willows. Die stond onder bevel van Mister Keene, nog niet zolang geleden op hoge leeftijd overleden, maar geestelijk tot op het laatste ogenblik scherp. Net de oude Drees. Daar heb in IJzeren logica een verhaal over. Dat stond eerst in het tijdschrift Kreatief. Een onbeduidende naam voor een uitstekend literair blad, dat echter, zoals dat gaat als het succes te groot wordt, na enige tijd werd opgeheven. Met Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift, dat sinds een jaar of twee G. (Gee-punt) heet, heb ik de samenwerking opgezegd, evenals mijn abonnement, omdat ze zomaar een paar keer mijn naam als Cees schreven, in plaats van als Kees en ik ben wat dat betreft minder mild dan Kees Buddingh'. Als het na een dringend verzoek niet direct wordt rechtgezet kunnen ze het lazarus krijgen. Betalen deden ze ook niet, ik begrijp niet dat ik zo achterlijk ben geweest om dat over mijn kant te laten gaan. Als ik in Kreatief publiceerde, kreeg ik keurig een honorarium. Dat krijg ik van alle tijdschriften waar weleens iets van mij inkomt, vraag het maar aan de belastingdienst, maar die lui hebben jarenlang van mijn scheppende kwaliteiten mogen profiteren en dan ineens Cees gaan schrijven! Ik moet aan mijn bloeddruk denken.

Ik schrijf 'vrijwel onbedorven', want ik had kort voor vertrek ergens bij een tuinfeest de veertienjarige Isabeau uit Frankrijk ontmoet, die mij achter een bloeiende rododendron de kunst van het tongzoenen had bijgebracht. Moet je nagaan, ik was al zeventien, maar Isabeau viel nu eenmaal op oudere mannen. Tijdens dat kamperen inspecteerden wij als begeleiders 's morgens met militaire precisie de tenten van de jeugd, die keurig moesten zijn opgeruimd en schoongehouden, anders volgde strafcorvee. Ga jij maar eens voor veertig man aardappels zitten schillen, van die Engelse zandaardappels die nooit kruimelen, maar waarvan je wel slappe frieten kunt bakken. Die in geolied papier verpakken en in een krant en daarna overgieten met azijn en klaar is Kees (met een K dus).
Naast ons kamp, gelegen op een glooiing in het plaatsje Corwen, niet ver van Llangollen, was dat van een groep padvindsters, ik geloof dat je die kabouters moet noemen, al waren ze de welpenleeftijd al een beetje ontgroeid. Dat kamp werd op een avond verlucht door een kampvuur en bij dat kampvuur kwam ik Wendy tegen. Ook veertien en niet alleen verzot op tongzoenen. Zij was het eerste meisje met wie ik door die romantische vallei zwierf en die ik achter het oude doopvont, dat oorspronkelijk in de abdij van Valle Crucis stond, op innige wijze onzedelijk betast en beknepen heb. Dat leidde tot een verkering van maar liefst twee jaar, voornamelijk per brief, maar tijdens de zomermaanden ook lijfelijk. Ik logeerde met enige regelmaat bij haar en haar ouders in het gehucht Hooton op de Wirral, met uitzicht op de schoorstenen van de chemische fabriek bij Ellesmere Port. Ze had weelderig, rood haar en was echt een kind van de jaren zeventig. Ik heb haar later ingeruild voor een meisje uit Dordrecht, maar dat speelde allemaal al heel lang voor ik jou leerde kennen. Ik heb je er beslist weleens over verteld, maar zonder details, want ik ben pas in 1975 met mijn dagboeken begonnen. 

Er moeten ook nog foto's zijn van ons verblijf in Llangollen, of was dat al nadat ik door een onhandigheid de camera had laten vallen op het marmer van het British Museum? Of was het de National Gallery? Je weet nooit waar je aan toe bent met die Engelsen, maar het ding was wel onherstelbaar kapot. Erg duur was hij niet geweest, maar je kon er mooie foto's mee maken. Ik denk het eigenlijk van wel, want ik kan me foto's uit Londen herinneren, maar niet uit Wales eigenlijk. In dat geval zouden we terug moeten om het allemaal nog eens over te doen. Dát zou ik nu graag eens willen, maar ik ben Orpheus niet, jammer genoeg, al zou ik wel uitkijken om mijn kop om te draaien alvorens we de poort uit waren. Ik ga toch nog eens zoeken in mijn albums.

In gedachten, altijd,

Kees

Athene, 2 mei 2019

* binnenplaats

Foto: auteur

vrijdag, september 26, 2014

Brieven aan Stella (17)




Lieve Stella,

De herfst is aangebroken. Toen ik gisteren naar huis fietste, na de bijeenkomst van de Dordtse Dichterskring, bij Josse Kok, was het ijzig koud. Minder dan tien graden, schat ik. De laatste zwaluwen zijn vertrokken. Een veeg teken. We betreden het seizoen voor dat van de dood. Gisteren begon het weer al te veranderen, maar daarvoor hebben we ons gekoesterd in een mooie nazomer. We hielden er krampachtig aan vast, nog even wegkijkend van het onvermijdelijke. Ik houd van de kleurenrijkdom van de herfst, maar al dat sterven in de natuur, daar word ik weemoedig van. Vooral nu de 26e weer nadert, die fatale zondagmorgen, zeven jaar geleden, dat ik je naar het ziekenhuis reed en een paar uur later de verschrikkelijke diagnose volgde. Je werd op een 26e geboren, op een 26e werd de dodelijke ziekte ontdekt en op een 26e ben je overleden. 26 December.... daarna heb ik kerstmis nooit meer met een hoofdletter willen schrijven, al is dat nuchter beschouwd romantische onzin.

Een paar dagen geleden kondigde zich een gedicht aan over de herfst. Op de vorige Dichterskring kregen wij een aantal foto's van het polderland bij Alblasserdam, genomen in verschillende seizoenen, met het verzoek van de fotograaf daar gedichten bij te schrijven. Hij wil er enkele gebruiken voor een kalender. Je weet dat ik niet graag met een thema werk, als het om poëzie gaat. Ik heb er eigenlijk een hekel aan, reden dat ik mij zelden houd aan het thema van de kring en ook bijna nooit reageer op verzoeken om iets over dit of dat te dichten. Gedichten kondigen zich aan als ik een tijd met iets in gedachten rondloop, bewust of onbewust, soms zijn het zelfs reacties op iets wat heel lang geleden indruk op mij heeft gemaakt. Het is ook een reden om categorisch 'nee' te roepen als iemand mij weer naar voren wil schuiven als stadsdichter van Dordrecht. Die positie is officieel nog steeds vacant, maar er wordt weinig haast gemaakt met het invullen door de gemeente. De Dichterskring heeft, zoals ik al eerder schreef, Peter M. van der Linden voorgedragen en vanaf nu beschouwen wij hem als de stadsdichter van Dordrecht. Hebben we de BOGA's (Boven Ons Gestelde Autoriteiten) niet voor nodig, maar dit terzijde. Nu was ik wel bezig met de naderende herfst, bezig met het mentaal rekken van de zomer, waarvan ik eigenlijk nooit afscheid wil nemen, en zodoende kwam dat gedicht er dit keer wel.

Van uitgever Henk Verweerd en zijn vrouw kreeg ik vorige week een verlaat, maar schitterend verjaardagscadeau: jouw bundels, de Nederlandse en de Griekse, in keerdruk in een cassette, op handgeschept papier en handgebonden. Het is werkelijk adembenemend mooi, een cadeau dat mij zeer ontroert. Ik zou het graag aan de Griekse familie laten zien, maar het is te zwaar om in de handbagage mee te nemen en in de ruimbagage, dat riskeer ik niet. De Grieken moeten maar naar Nederland komen. Ik ben nog op zoek naar een ereplaats in de boekenkast, bij de afdeling meest geliefde boeken. Er zal het een en ander moeten worden verplaatst, waardoor ik weer op het feit word gedrukt dat ik mijn boekenbezit hoognodig kritisch moet gaan bekijken, maar boeken wegdoen is mij vrijwel onmogelijk. Er zijn er veel die ik hoogstwaarschijnlijk nooit zal herlezen, maar toch zijn ze in die kasten door alle jaren heen goede vrienden geworden, waarvan ik niet graag afscheid neem.

Henk bracht ook een exemplaar mee van Het Engeland van C. Buddingh', samengesteld door Wim Huijser, ik denk het enige boek met werk van Kees dat ik nog niet had. Ik ken natuurlijk de Engelse fragmenten uit zijn dagboeken, maar het is, om in de terminologie te blijven, 'heel genoeglijk,' om die stukken weer eens te herlezen. Ik krijg er veel zin door om weer eens een reis naar de Britse eilanden te ondernemen. Met de boot naar Harwich en dan binnendoor via zuid en west Engeland naar Wales en de plaatsen uit mijn jeugd in Lancashire en Cheshire. Daarna natuurlijk naar het noorden, de Lakes en Schotland in. Daarvoor zou ik een auto moeten huren. Dat is op zich geen probleem, maar ik wil zo'n reis niet alleen ondernemen. Jij en, voor ik jou leerde kennen, Lupius waren mijn reismaatjes, maar jullie zijn er niet meer. Ik kan wel met een bevriend echtpaar, maar ik wil geen derde wiel aan de wagen zijn. Twee jaar geleden dacht ik aan een wandelvakantie in Dorset, want ik wil graag 'Thomas Hardy country' zelf eens zien. Ik speurde wat rond over het internet en vond een of twee organisaties die wandelvakanties aanboden. De tochten waren best te doen, maar van de accomodaties schrok ik. Ik deel sowieso nooit een kamer met iemand, daarvoor is mijn privacy mij te lief, maar het leek mij ook allemaal vrij primitief. Ik ben het stadium van jeugdherberg of kampeerterrein al heel lang geleden ontgroeid. We kunnen in de vriendenkring nog steeds lachen om de kampeerpartij bij farmer Jones in Llangollen, met die beestjes in het kraanwater, en die geïmpregneerde tent, die zo stonk dat we er uiteindelijk alleen maar het bier in bewaarden en op een kluitje bij elkaar kropen in de andere tent, maar dat nog eens overdoen? Ik moet er niet aan denken.

Zondag had ik een bijzondere ervaring. Herbert en Elly hadden mij en een groot aantal andere vrienden uitgenodigd voor een diner, nog vanwege hun trouwen, anderhalf jaar geleden, vanwege het gereedkomen van de verbouwing van hun huis en omdat Herbert binnenkort vijfenzestig wordt. Dat betekent dat wij al bijna vijftig jaar bevriend zijn. Het was in een hotel bij Amsterdam, een toren van glas en staal. Op de achttiende verdieping. Het was buitengewoon gezellig, de drank vloeide ruimschoots, het eten was lekker en het uitzicht geweldig, maar ik besefte toch dat ik geen mens voor grote hoogte ben. Ik vind de derde verdieping waarop het Schrijfhuis ligt eigenlijk al te hoog, maar goed, daar ben ik min of meer aan gewend, al zou ik het niet in mijn hoofd halen op het balkon op het keukentrapje te gaan staan om de buitenlamp te verwisselen. Achttien hoog.... ik ben maar zover mogelijk weggebleven van de ramen, ook al zijn die zo stevig dat er geen olifant doorheen kan lopen. Toch vreemd dat ik in een vliegtuig probleemloos bij het raam kan zitten. Ik heb het wel niet op vliegen en reis veel liever met trein en boot, maar dat heeft weinig te maken met de hoogte. Meer met alle controles en gedoe op de vliegvelden, waarvan ik de noodzaak wel inzie, maar waaraan ik mij toch steeds erger. Vooral als zo'n simpele geest van de beveiliging weer eens niet begrijpt dat mijn aansteker iets anders van vorm is dan gebruikelijk, omdat het nu eenmaal een pijpaansteker is. 

In de Maarten stond een e-mail die Maarten van Rossem aan Obama had gestuurd met een klacht over de onbeschofte behandeling door immigration officers op Amerikaanse vliegvelden, vooral op JFK-Airport. Toen ik naar Amerika vloog, naar later bleek om jou te ontmoeten, was de angst voor terroristen nog lang niet zo erg als nu, maar ik herinner mij die weinig hartelijke ontvangst op dat vliegveld nog wel. Een onbeschofte dikzak die almaar in een soort telefoonboek zat te bladeren en met de minuut chagrijniger werd dat hij mijn naam niet kon vinden. Uiteindelijk mocht ik door. Het was wel een contrast met de gastvrijheid die wij daarna overal ervoeren. Die bestaat nog, hoor ik van oud-leerlingen die mee hebben gedaan met de uitwisseling met een school in Californië, maar toch hoef ik niet meer naar de VS toe, ik neem de boot naar Engeland wel.

In gedachten, altijd,

Kees

Foto: auteur


vrijdag, april 25, 2014

Ondanks al het bloed




Als jongetje was ik al onder de indruk van de kastelen in Noord-Wales die wij tijdens vakanties bezochten. Vooral van dat van Caernarfon, dat, naar ik later vernam, is gemodelleerd naar de kruisvaarderskastelen in de Levant. Dat geldt uiteraard ook voor de andere dwangburchten die de Engelse koning Edward I (1272 - 1330) liet bouwen na zijn overwinning op prins Llywelyn ap Gruffudd van Wales in 1277. In de architectuur van Caernarfon zijn echter ook motieven uit de muren van Constantinopel overgenomen. Ik wist dat natuurlijk niet toen ik het kasteel als kind voor het eerst zag, maar ik werd toen al getroffen door de bijzondere uitstraling van deze laat elfde eeuwse kolos.

De Welsh hebben wat te stellen gehad met de Angelen, de Saksen en de Juten, die in de loop van de vijfde en zesde eeuw grote delen van Engeland veroverden en de oorspronkelijke bevolking, grotendeels geromaniseerde Kelten, naar Wales en Cornwall verdreven. Ze hebben het aan het ruige bergland te danken dat ze, tot de Keltofoob Edward I de Engelse troon besteeg, nog zo lang enige mate van zelfstandigheid konden behouden. Althans in het noorden van Wales.

In de tijd dat de Normandiërs Engeland veroverden (1066) was Wales verdeeld in een aantal koninkrijken, waarvan Powys en Gwynedd het noorden beheersten. De Normandiërs voelden zich cultureel ver verheven boven de Welsh, maar de bloedige pogingen van de Normandische vorsten en hun opvolgers, de Plantagenets, om Wales te veroveren hadden maar ten dele succes. Nadat ook het noorden uiteindelijk door Edward I werd onderworpen, na een militaire expeditie van ongekende omvang, braken er nog tot in de late middeleeuwen verschillende langdurige en soms bijna geslaagde opstanden uit, waarvan die onder Owain Glyndŵr (1400) de gevaarlijkste was. De brute wijze waarop Edward I de Welsh onderwierp en vooral minachting die de Engelsen eeuwenlang toonden voor hun taal en cultuur, maakte dat het nooit meer echt goed is gekomen tussen beide volkeren.

Ik was als kind ook onder de indruk van het landschap van Wales. Van het ruige noorden, waar we altijd heen gingen, omdat het op bereikbare afstand lag van onze familiebasis tussen Manchester en Liverpool. Een auto hebben mijn ouders nooit gehad. Wij vervoerden ons openbaar. Ik vond ze prachtig, die bergen, ondanks mijn hoogtevrees en angst voor ravijnen. Ik vind het nog steeds mooi. Het is een landschap dat de romanticus in mij wakker maakt. Ik verblijf graag in de liefelijke vallei van Llangollen en zwerf daar met genoegen door de tuinen van Plas Newydd. Daar woonden van 1780 tot 1831 lady Eleanor Butler en Sarah Ponsonby, hét voorbeeld van wat men in die dagen zag als een romantische vriendschap. Wales, het blijft me trekken en bekoren, ondanks al het bloed waarvan de bodem is doortrokken.

©Kees Klok


dinsdag, april 16, 2013

Toeval


Soms denk ik: 'niets is toeval,' al is het niet mijn gewoonte om mij erg druk te maken over de vraag of het toeval bestaat. Ik maak mij tenslotte ook nooit druk over de kwestie van de kip en het ei. Wel is het toevallig dat net nu ik mij weer eens aan het verdiepen ben in de geschiedenis van Wales, ik een tentamen van VWO-6 onder ogen krijg dat begint met de vraag: 'Who were the original inhabitants of Britain and where is their language still spoken?' Ik zit in lokaal 142 van het Stedelijk Dalton aan de Overkampweg. Een groep leerlingen maakt een toets Engels. Als ik niet in Griekenland ben en men zit in nood, kunnen ze me bellen. Vijf minuten fietsen en ik ben er. Even terug op het oude honk, alsof ik nooit weg ben geweest.

Wat voor antwoorden zullen er op die vraag komen? Het moet natuurlijk zijn de Britten en hun taal wordt nog gesproken in het noordwesten van Wales en in het noordwesten van Schotland, maar eigenlijk is dat te simpel. De Britten bestonden uit een bonte verzameling stammen, elk met hun eigen koninkje en dialect, als we het zo mogen noemen. Het Welsh vormde zich daaruit in de vroege middeleeuwen als taal van de Keltische stammen aldaar, die langzamerhand versmolten tot de Cymru, de Welshe natie. Vooral door de unificerende invloed van het christendom. Hoe dat zit in Schotland weet ik niet, wel dat er duidelijke verschillen zijn tussen het Welsh en het Gàidhlig. Zaken die de zwoegende jongelui vandaag niet hoeven te behandelen.

Na deze vraag wachten er nog vijfendertig. Allemaal over Engelse literatuurgeschiedenis. De leerlingen zullen blij zijn als het achter de rug is, maar mij stemt het tentamen vrolijk. Het is in de eerste plaats een aanwijzing dat er weer degelijk aandacht wordt besteed aan literatuur. Jarenlang heeft de politiek zijn best gedaan om het literatuuronderwijs af te breken, evenals het geschiedenisonderwijs. Dat is kennelijk mislukt en dat is een reden tot vreugde. Ten tweede voeren de vragen mij terug naar de lessen Engelse literatuur in mijn eigen middelbare schooltijd. Naar het schooljaar 1968-69 toen dr. Rudolf Dekker (niet te verwarren met de gelijknamige historicus) ons Engels gaf. Hij sprak prachtig Engels en vooral zijn lessen literatuurgeschiedenis waren een genot. Zo inspirerend dat ik nu, na vierenveertig jaar, de tentamenvragen op een enkele na moeiteloos kan beantwoorden. Goed, ik heb ondertussen ook nog wel iets gelezen, maar toch.

Of ze het klaarspelen om alles in anderhalf uur te beantwoorden, weet ik niet. We zullen zien. Er zitten verschillende vragen tussen waarover je een heel essay zou kunnen schrijven. Bijvoorbeeld: 'Give an explanation for the rise of the novel in the 18th century?' Ik denk uiteraard als historicus. Iemand die graag wil verklaren. Bovendien ben ik weleens een beetje babbelziek. Ik zou misschien wel een hele dag over al die vragen willen doen en vele pagina's antwoord inleveren. De eerste leerlinge is klaar en levert haar werk in. 'Haastige spoed, enzovoorts,' denk ik met mijn onderwijservaring, maar de laatste vraag, over Charles Dickens, heeft ze uitstekend beantwoord, dus wie weet valt het reuze mee.

©Kees Klok


zaterdag, februari 16, 2013

In het voetspoor van...


Alice stuurt mij The Complete Poems and Songs van Robert Burns. Ik ben er blij mee. Het is lang, heel lang geleden dat ik in Schotland het geboortehuis van Burns bezocht. Dat was in 1978. Ik was op doortocht naar de Hebriden, op weg naar Ullapool, vanwaar je naar Stornoway op Lewis kunt varen. Ullapool maakte op mij zoveel indruk dat ik er een gedicht over schreef. Ik had in die tijd als beginnend dichter nog geen uitgever. Ik zette het in Onder Slieve League, een bundel in eigen beheer. Het boekje ziet er niet uit, maar ik vind het vers Middag in Ullapool nog steeds heel aardig. Ullapool was zonovergoten zomers. Op die reis viel nauwelijks regen, ondanks de reputatie van Schotland op dit gebied. De enige dag dat het goot was in Lochmaddy op North Uist, een door en door calvinistisch gat. Op een zondag. In de loop van de dag reed ik naar Lochboisdale op South Uist. Daar zwaait Rome de scepter, scheen de zon en waren de pubs wel open.

Mijn oud-leerlinge Alice is al vele jaren lerares geschiedenis in Schotland. In mijn voetsporen getreden, maar op afstand. Mijn oud-leerlingen verspreiden zich meer en meer over de wereld. Werk, studie of toeval. Zo'n toeval dat Stella en mij bij elkaar bracht in Minneapolis en haar vervolgens naar Dordrecht. Ik ken het toeval van Alice niet, maar een Dordts meisje in de Schotse hooglanden, dat spreekt tot de verbeelding. Nog niet zo lang geleden sprak ik haar toen ze even in Nederland was. Ik vertelde van mijn belangstelling voor Burns en andere Britse schrijvers, vooral uit de 18e en 19e eeuw.

Ik ga mij weer eens terdege verdiepen in de poëzie van Schotlands nationale bard. Daarna wil ik naar Schotland voor zijn brieven en dagboeken. Die kan ik met een handomdraai bestellen, maar ik ben een enthousiast bezoeker van plekken waar schrijvers zijn geboren, hebben gewoond en gewerkt. Zo was ik laatst in augustus in Portsmouth, de geboorteplaats van Dickens, en in december in Londen in een huis waar hij heeft gewoond en dat nu het Charles Dickens Museum is. Eveneens in augustus bezocht ik Steventon in Hampshire, waar Jane Austen woonde. Een van mijn favoriete plekken is Plas Newydd in Wales, het landhuis van The Ladies of Llangollen. Eleanor Butler en Sarah Ponsonby hebben zelf weliswaar geen literaire faam, maar zij ontvingen wel talloze dichters en schrijvers. Het is een plaats waar ik graag terugkom. Ik was in het huis in Grasmere waar William Wordsworth woonde met zijn zus Dorothy, die daar een boeiend dagboek over bijhield. Ik moet beslist een keer naar Dorchester, naar Max Gate, waar Thomas Hardy lang woonde. Misschien moet ik weer eens op reis door Engeland, Wales en Schotland, in het voetspoor van mijn favoriete schrijvers. Bij voorkeur met het vervoer uit de 19e eeuw, de stoomtrein en de postkoets, maar het zal wel een huurauto worden. Van het riante voorschot dat mijn uitgever mij voor deze geheide bestseller gaat betalen. Wie weet kom ik dan nog wel meer oud-leerlingen tegen. Ik weet van Margriet in Londen en van Mariëlle in Oxford. Misschien wordt het tijd voor een oproep op Facebook, maar eerst moet ik even met Heer Uitgever in conclaaf.

©Kees Klok


woensdag, mei 09, 2012

'Welsh rabbit'


Welsh rarebit, een gerecht met kaassaus op geroosterd brood, werd door ons onvermijdelijk verbasterd tot 'Welsh rabbit.' Als wij de zomervakantie doorbrachten in Newton-le-Willows werd het soms door tante Ann gemaakt bij wijze van traktatie. In Nederland aten we het nooit, al is het eenvoudig te bereiden. Soms is voedsel strikt landgebonden. Dat gold niet voor patat. Patat aten we overal, maar toch verschillend. In Engeland gooiden wij er azijn overheen en als je het haalde bij de friteszaak in de Highstreet, at je het uit een krant met een inlegvel van vetvrij papier. Op het Vrieseplein in Dordt, bij ons om de hoek, kon je er mayonaise, mosterd of piccalilly bij krijgen, maar wel voor een stuiver meer. Later begreep ik dat dat een significant cultuurverschil was.

Ik moest daaraan denken toen onlangs in een Dordtse café waar ik weleens kom de jenever plots op was. De jeneverdrinkers stonden droog totdat de wekelijkse bestelling een paar dagen later binnenkwam. In mijn Griekse stamcafé was op een keer de tsipouro op. De kroegbaas vroeg ons een ogenblik geduld, liep naar het einde van de straat en leende een fles bij een collega. Ook hier is sprake van een significant cultuurverschil.

'Welsh rabbit' at ik lang geleden voor het laatst in een snackbar in Caernavon. Het was kort na de inhuldiging van de Prince of Wales. Het kasteel was nog versierd. Van een van de torens wapperde de vlag van Wales, waarvan de rode draak mooi kleurde bij het haar van het vriendinnetje waarmee ik op stap was. Een deel van de Welshmen was misschien niet blij met hun Engelse prins. Ik bestelde Welsh rarebit, maar de uitbater deed provocerend of hij mijn Engels niet verstond. Ik moest maar Welsh leren. Met mijn aardigste gezicht deed ik mijn bestelling in het Nederlands. De man vroeg waar ik vandaan kwam en veranderde daarop in een vriendelijke gastheer. Geen cultuurverschil, maar nationalisme. Nationalisme is een destructief sentiment, daar weten ze in voormalig Joegoslavië over mee te praten.

Een paar jaar later, in 1974, had ik een andere ervaring in Wales. Met een paar vrienden kampeerde ik in Llangollen. Het was in de tijd dat de Grootbritse horeca tussen drie en zes 's middags verplicht sloot. Dat was ook het geval op de dag van de WK-finale tussen Nederland en Duitsland. Bovendien was het zondag en in Llangollen heerste ook nog eens de zondagsrust. Wij wilden die wedstrijd heel graag zien. Wat te doen? We stapten met ons probleem naar de plaatselijke politie. Een begripvolle bobby nam ons mee naar een snackbar, belde aan en legde uit wat er aan de hand was. We werden binnengelaten, de televisie ging aan en we werden ruim voorzien van frisdrank en chips. Daarna verdween de uitbater naar zijn woning boven de zaak. Na de onterechte nederlaag kwam hij aangedaan naar beneden. Dit had hij zijn gasten niet gegund. We mochten onder geen beding betalen. Wij zijn nog een paar dagen in Llangollen gebleven, maar of wij er ook 'Welsh rabbit' hebben gegeten kan ik mij niet meer herinneren.