zondag, november 20, 2011

Geen van ons keek om


In brugklas 1D in het schooljaar 1997-1998 zat een lief Afghaans meisje dat niet alleen opviel door haar sprekende ogen, maar ook door haar uitstekende Nederlands, hoewel ze nog maar relatief kort in Nederland was. Ooit vertrouwde ze mij toe dat ze geneeskunde wilde gaan studeren. Ze doorliep probleemloos het VWO en verdween daarna, zoals zoveel leerlingen, uit beeld. Afgelopen woensdag kwam ik haar onverwacht weer tegen. Ik zat in mijn stamcafé te wachten op mijn uitgever, met wie ik daar graag met enige regelmaat een borrel drink, en bladerde wat in AD-De Dordtenaar. Daarbij stuitte ik op een interview met Tahmina Akefi, over haar recente debuut als schrijfster. Het was zonder twijfel mijn oud-leerlinge, ik herkende haar meteen. Diezelfde ogen, diezelfde innemende glimlach. Geneeskunde was het niet geworden, maar ze bleek de journalistiek te zijn ingegaan en publiceerde nu haar eerste boek: Geen van ons keek om. Nieuwsgierig geworden rende ik onmiddellijk de deur uit om in een nabije boekhandel naar die titel te vragen. 'U bent de achtste al vandaag, staat er iets over in de krant?' vroeg de verkoopster. 'Ja,' antwoordde ik, 'er staat een leuk interview in de krant.'


Thuis stuurde ik haar via Facebook een felicitatie, maar het boek kwam op de stapel 'nog te lezen.' Ik was net begonnen in de nieuwe Dickensbiografie van Claire Tomalin, van wie ik in december in Haarlem een lezing hoop bij te wonen. Daarna komt Geen van ons keek om aan de beurt, dacht ik. Het liep anders. Ik begon na het avondeten toch in het boek te bladeren, las het inleidende hoofdstuk en werd niet meer losgelaten. Het is het verhaal van Tiba, geboren en getogen in Kaboel, en haar familie, die verstrikt raken in de gruwelijke machtsstrijd in Afghanistan na de val van het door de Russen gesteunde regiem van president Nazibulla. Door die strijd, met alle gevaren en gevolgen van dien, wordt zij niet alleen gescheiden van haar hartsvriendin Setara, maar raakt de familie dermate in het nauw dat er uiteindelijk niets anders op zit dan de levensreddende vlucht naar een ver buitenland. Het is een bij tijden uiterst beklemmend verhaal, vooral wanneer de sluipende en uiteindelijk openlijke invloed van de jihadi's wordt beschreven en de bloedige verloedering van de Afghaanse samenleving door de strijd tussen allerlei krijgsheren, etnische groepen en criminele bendes.


Op het omslag heeft de uitgever een uitspraak van Kader Abdolah laten zetten: 'Een mooie en tedere Afghaanse vertelling van de vrouwelijke Khaled Hosseini.' Ongetwijfeld vanwege het publicitair effect, maar er klopt niet veel van. Mooi is de vertelling zeker, van tederheid is in sommige passages ook sprake, maar evenzeer worden we geconfronteerd met huiveringwekkende wreedheid. De vergelijking met Hosseini gaat niet echt op. Tahmina Akefi's roman is nog veel indringender en confronterender dan De vliegeraar. Soms voel je bij het lezen welhaast zelf de doodsangst en ellende die de personages meemaken. Anderzijds is zij in staat scènes van een bijzondere schoonheid op te roepen, die dan vaak, zoals de nacht dat Tiba op het dak zou slapen van Setaras huis, samen met diens oma, door een hevig natuurgeweld worden verstoord. Menselijk geweld en natuurgeweld als een soort Scylla and Charybdis, waartussen Tiba en haar familie dreigen te worden verpletterd.


Een heel bijzondere rol, en dat doet mij als dichter in een a-poëtisch land als Nederland goed, is de rol van poëzie, van gedichten in het verhaal. Poëzie als troost, als bron van kracht, als bron van hoop en wijsheid. Helaas heeft ook poëzie niet de kracht om de samenleving te redden van geweld, burgeroorlog en moord- en doodslag uit religieus fanatisme. Het individu kan zij echter veel sterkte verschaffen.


'Gebaseerd op ware gebeurtenissen,' staat er eveneens op het omslag. Dat wil het publiek graag horen, maar waar gebeurd of niet, van werkelijk belang is hoe het verhaal wordt verteld. Tahmina Akefi is een geboren vertelster, die ons op meeslepende wijze, met grote dramatische spanning, een verhaal voorschotelt met alle elementen van een menselijke tragedie. Een diep aangrijpend verhaal dat ons leert hoe groot en hoe klein de mens kan zijn in zijn handelen. Dat is misschien wel de grootste kracht van deze schitterende roman.




Tahmina Akefi – Geen van ons keek om. De Geus. ISBN 9789044518221.

vrijdag, november 04, 2011

Indianenverhalen


'Weet je,' zei mijn vriend Kostas gisteravond, 'dat Larissa het hoogste percentage Porsches van de wereld heeft?' We zaten aan een forse vis en tijdens het eten kwamen we onvermijdelijk op de Griekse crisis. 'Allemaal van de subsidies van de EU,' vervolgde hij. Larissa is de hoofdstad van Thessalië, een van de belangrijkste landbouwgebieden van Griekenland. 'Een ander voorbeeld,' ging hij voort, 'ik kom vaak op Limnos. Als de boeren daar graan inzaaien, gebruiken ze een kwart van het benodigde zaaigoed. Later geven ze op dat ze een minimale oogst hadden, omdat de konijnen het meeste hebben opgevreten. Zo houden ze driekwart van de EU-subsidie op graan over en vangen ze een mooi bedrag om de slechte oogst goed te maken.' Hij zuchtte en schonk nog maar eens een glaasje wijn in. Het ontbrak er nog maar aan dat hij zei: 'Daarom rijden ze allemaal in een Mercedes.'


Het verhaal van Kostas lijkt me een van de vele die de ronde doen in de Griekse kafeneia, deels indianenverhaal, maar soms met een kern van waarheid. Natuurlijk zijn er boeren die de boel besodemieteren, waar in Europa vind je die niet? Als de EU niet scherp controleert, moet je de op het spek gebonden kat niet kwalijk nemen dat hij het ervan neemt. Grieken zijn geen betere mensen dan andere Europeanen. Ook geen slechtere. Het grote Siemens-omkoopschandaal had zijn wortels in Duitsland en ik kom maar weer eens aan met de Nederlandse bouwfraude als voorbeeld dat wij er ook wat van kunnen. Onze Betuwelijn en hogesnelheidslijn zijn niet alleen peperduur geworden door een klungelige aanpak van planners en uitvoerders. Ik zou wel een klein percentage op mijn rekening willen van wat daar door slimmigheden aan de strijkstok is blijven hangen. 'Geen cent naar de Grieken,' roept half Nederland, 'hadden ze de boel maar niet moeten beduvelen en zich niet zo in de schulden moeten steken.' De Griekse staat heeft torenhoge schulden en bevindt zich op het randje van failliet gaan. Dat zou zelfs vandaag al kunnen gebeuren, maar de private schuld van de Grieken is vele percentages lager dan die van de Nederlander, die met zijn kredieten en hypotheken in Europa op eenzame hoogte staat. Dat gaat ons nog eens opbreken. Wat zouden we klagen over een gebrek aan solidariteit als de Grieken dan zeiden: 'geen cent naar die Hollanders!'


De indianenverhalen die de Grieken over zichzelf vertellen, vinden in Europa gretig aftrek. Als ik Telegraafverslaggever was, stonden de Porsches van Larissa met een vette kop en foto nu in die gifmengerskrant. De euro loopt gevaar en daarvoor moet een zondebok worden gezocht. Er wordt vooral gewezen naar dat piepkleine economietje aan de rafelrand van Europa, waar de mensen er een puinhoop van hebben gemaakt. Die puinhoop was er al, en erger: die was al lang en breed bekend, toen Griekenland zichzelf de eurozone binnen sjoemelde met gulle steun van Frankrijk. Buiten beeld blijven de banken die daarna het land onverantwoord hoge leningen hebben verstrekt en het tot op de dag van vandaag leegzuigen met misdadig hoge rentes. Buiten beeld blijven de hedgefunds en andere criminele beleggers die staan te popelen tot Griekenland failliet gaat, want dan stromen bij hen de miljarden binnen vanwege allerlei duistere verzekerings- en herverzekeringsconstructies. Buiten beeld blijven de Europese financiële autoriteiten, wier controle volstrekt heeft gefaald. Een leraar die voor de klas zit te slapen moet niet gek opkijken dat iedereen een mooi cijfer heeft voor het proefwerk, inclusief de wat achtergebleven Yannis. Yannis, de kleine krabbelaar, die uiteindelijk voor alles op moet draaien.


zondag, oktober 30, 2011

De geboorte van het moderne Griekenland



Griekenland viert zijn belangrijkste nationale feestdag op 25 maart. Volgens de overlevering zou op die dag in 1821 het vaandel van de opstand zijn gehesen door bisschop Germanos, boven het klooster van Agia Lavra op de Peloponnesos. Het is een verzinsel uit de duim van de Franse geschiedschrijver François Pouqueville. In feite braken er in de loop van maart dat jaar op verschillende plaatselijke opstandjes uit, die tegen het einde van de maand, als een bosbrand bij kurkdroog weer, de omvang van een grootschalige rebellie hadden aangenomen.


De tijd was er rijp voor. Door de opkomst van een welvarende Griekse koopmansklasse in de loop van de achttiende eeuw, drongen de ideeën van de Verlichting, de Franse Revolutie, Romantiek en het nationalisme door tot de elite, allereerst via Grieken in de diaspora, zoals bijvoorbeeld koopman en intellectueel Adamantios Koraïs, die enige jaren in Amsterdam verbleef. Onder de bevolking leefde de legende voort van de xanthon genes, een blond volk, dat op een dag vanuit het noorden de bevrijding zou brengen. Deze hield de verwachting levend dat er ooit een einde zou komen aan het Osmaanse bestuur. Algemeen werden de Russen, het enige orthodoxe volk buiten de grenzen van het Osmaanse rijk, aangezien voor deze xanthon genes. Het Osmaanse rijk was door allerlei oorzaken economisch en militair aan het verzwakken, reden waarom het in de negentiende eeuw ook wel 'de zieke man van Europa' werd genoemd. Een belangrijke factor bij het uitbreken van de opstand was tenslotte het vrijwel ontbreken van Turkse troepen op de Peloponnesos. Die waren door sultan Mahmud II naar het noorden gestuurd om af te rekenen met de steeds onafhankelijker opererende Ali Pasja van Ioannina.


In het voordeel van de Grieken werkte de aanwezigheid van gewapende roversbenden in de bergen, de zogenaamde kleften, en de tegen hen in het geweer gebrachte milities, de armatoloi. In de Griekse traditie worden de kleften bezongen als helden en vrijheidsstrijders avant la lettre, maar in de praktijk waren ze vaak een even grote plaag voor zowel Griek als Turk. Temeer daar niet altijd duidelijk was wie nu als kleften en wie als armatoloi opereerden. Hoe dan ook, toen de opstand uitbrak waren het in eerste instantie deze gewapende bendes en milities die de kolen uit het vuur haalden. Daarbij kregen ze steun van de reders van de 'zeevarende' eilanden Hydra, Spetses en Psara, die het de Osmaanse vloot in de Egeïsche Zee al snel flink lastig maakten.


Aanvankelijk hadden de Grieken, anders dan bij voorgaande opstanden, groot succes. In oktober 1821 veroverden zij onder leiding van kleftenhoofdman Theodoros Kolokotronis Tripolis, het bestuurlijke en militaire centrum van de Osmanen op de Peloponnesos. Dit ging gepaard met een bloedbad onder de Turkse inwoners. Geen van beide partijen zag erg op tegen het begaan van de nodige gruwelen. Al bij het begin van de opstand werden de patriarch van Constantinopel en een aantal andere vooraanstaande Griekse geestelijken en burgers op wrede wijze geëxecuteerd. Ook roeiden de Turken in 1822 het grootste deel van de bevolking van Chios uit. Deze daden zorgden voor een schokgolf in West-Europa en genereerden veel sympathie voor de Grieken. Zoals meestal kon de underdog op meer bijval rekenen dan de grote mogendheid waartegen men streed. Een andere belangrijke oorzaak van het enthousiasme voor de opstand in West-Europa, was de grote belangstelling voor de klassieken, waardoor een idyllisch beeld was ontstaan van de vrijheidlievende Grieken. Al snel merkten vrijwilligers die afreisden om de opstandelingen te steunen, de bekendste onder hen was de dichter lord Byron, dat dat beeld niet strookte met de werkelijkheid, wat niet zelden tot desillusies leidde.


De opstand kwam niet uit de lucht vallen. Al eerder hadden Griekse intellectuelen in het buitenland opgeroepen tot verzet tegen de Osmaanse overheersing. Allereerst de in Oostenrijk verblijvende Rigas Velestinis, die echter door de Habsburgse autoriteiten werd gearresteerd en uitgeleverd aan de Osmanen. Deze stelden hem in mei 1798 in Belgrado terecht. Hij werd de eerste martelaar van de Griekse onafhankelijkheid. Zijn dood inspireerde drie jonge Grieken, Emmanouil Xanthos, Nikolaos Skouphas en Athanasios Tsakaloff om in Odessa in 1814 de Philiki Etairia op te richten, een organisatie die specifiek ten doel had Griekenland door een gewapende strijd te bevrijden. Op instigatie van de Philiki Etairia trok de voormalige generaal in Russische dienst Alexander Ypsilantis begin maart 1921 vanuit Bessarabië met een schamel, slecht voorbereid legertje Moldavië binnen. Men hoopte op massale steun van de bevolking, maar deze was het wanbestuur van de Griekse hospodaars, onderkoningen, zo beu, dat zij zich niet voor een Grieks karretje wilde laten spannen. De Turken hadden er dan ook weinig moeite mee om Ypsilantis in juni bij Dragatsani te verslaan. Tot op heden is onduidelijk of er enige coördinatie was tussen de actie van Ypsilantis en de gebeurtenissen op de Peloponnesos.


Ondanks de aanvankelijke militaire successen zag het er niet naar uit dat de opstand uiteindelijk tot onafhankelijkheid zou leiden zonder steun van een of meer grote, buitenlandse mogendheden. Om daarmee zaken te doen, om de strijd te coördineren en om te beginnen aan de opbouw van een civiel bestuur, was het van groot belang dat er zo snel mogelijk een voorlopige regering werd uitgeroepen. Dat gebeurde begin 1822, tijdens een nationale vergadering in Epidavros. Er kwam een gekozen senaat en een uitvoerend comité met aan het hoofd Alexander Mavrokordatos, die in tegenstelling tot de militaire leider Kolokotronis, ervan overtuigd was dat de nieuwe staat op Westerse ideeën moest worden gegrondvest. Daarom streefde hij ook naar het oprichten van een reguliere strijdmacht, onder directe controle van de regering en getraind volgens Westerse opvattingen. Kolokotronis en de andere krijgsheren waren hier mordicus tegen, al was het alleen al omdat het hun eigen macht en invloed drastisch zou inperken. De verdeeldheid leidde tot factievorming en een machtsstrijd tussen de traditionele notabelen, in de Osmaanse tijd kodjabashis genoemd, en de militaire leiders, veelal voormalige kleften. Begin 1825 leidde dat zelfs tot het gevangen zetten van Kolokotronis op het eiland Hydra.


Ondertussen waren de militaire kansen gekeerd in het voordeel van de Turken. Die hadden zich in 1824 weten te verzekeren van de steun van Mehmed Ali, de machtige onderkoning van Egypte. De Egyptische vloot viel allereerst Psara, Hydra en Spetses aan, waarbij ze er overigens alleen in slaagde het afgelegen Psara te bezetten. In de winter van 1825, geheel onverwacht voor de Grieken, landde een Egyptisch leger bij Methoni, vanwaar een uiterst succesvolle operatie begon. Eind 1825 waren van de belangrijke plaatsen op de Peloponnesos alleen nog Navplion en Monemvasia in Griekse handen. Dat leidde tot het vrijlaten van Kolokotronis, die wederom aan het hoofd van de Griekse strijdkrachten kwam te staan, maar desondanks zag de situatie er hopeloos uit. Ten noorden van de Golf van Korinthe moest in april 1826 Mesolonghi na een langdurig beleg worden opgegeven en twee maanden later begonnen de Osmaanse troepen het beleg van Athene. Een poging om dat te breken door een Griekse strijdmacht onder bevel van twee Britse officieren, generaal Church en admiraal Cochrane, liep op een fiasco uit en in juni capituleerde het garnizoen van de Akropolis.


De Grieken zetten nu alles in het werk om meer financiële en ook militaire steun uit het buitenland te krijgen. Ook werd het bestuur gereorganiseerd, om de oorlog efficiënter te coördineren en met het buitenland te onderhandelen. Ioannis Kapodistrias, voormalig minister van buitenlandse zaken van de Tsaar werd benoemd tot president. Een man met belangrijke internationale contacten, al zou hij pas in 1828 in de voorlopige hoofdstad Navplion arriveren. Op het hoogtepunt van wat een uitzichtloze situatie leek, kwam echter de buitenlandse steun waarop men zo lang had gehoopt. In Londen werd het drastische plan van Mehmet Ali bekend om de hele orthodoxe bevolking van de Peloponnesos in slavernij weg te voeren en het schiereiland te herbevolken met islamieten uit Egypte en andere delen van het Osmaanse rijk. Dat zou ongetwijfeld leidden tot een Russisch ingrijpen, omdat de Tsaar zichzelf traditioneel zag als beschermer van de orthodoxen in het Osmaanse rijk. Een eenzijdige Russische interventie, die het machtsevenwicht in Europa en vooral in de Middellandse Zee zou verstoren, wilde men voorkomen. Bovendien werden de Britse handelsbelangen meer en meer geschaad door de strijd. Onderhandelingen tussen Groot-Brittannië, Frankrijk en Rusland leidden in juli 1827 tot het Verdrag van Londen. Dat bepaalde dat de drie mogendheden een wapenstilstand zouden voorstellen. Als een of beide partijen die van de hand wees, zouden zij gewapenderhand ingrijpen. De Grieken accepteerden het voorstel, de Osmanen wezen het van de hand.


Op 20 oktober 1827 voer een gecombineerde Brits-Frans-Russische vloot onder bevel van admiraal Codrington de baai van Navarino binnen, waar de Osmaanse vloot voor anker lag. Al spoedig vielen de eerste schoten. De zeeslag van Navarino eindigde met de vrijwel volledige vernietiging van de Osmaanse vloot en verzekerde de onafhankelijkheid van Griekenland. Onduidelijk was echter nog welke grenzen het zou krijgen en hoe volledig die onafhankelijkheid zou zijn. De grenzen werden uiteindelijk bepaald na lange onderhandelingen, waarbij de Grieken opvallenderwijs niet rechtstreeks werden betrokken. De grens zou lopen van Arta in het noordwesten, tot Volos in het noordoosten. Ook de Cycladen werden Grieks. Dat betekende dat belangrijke delen van het tegenwoordige Griekenland Osmaans gebied bleven. Na de moord op Kapodistrias (oktober 1831), die zich door zijn autoritaire optreden de vijandschap van zowel de militaire leiding als de notabelen op de hals had gehaald, besloten de Grote Mogendheden dat Griekenland een erfelijke monarchie moest worden. Na enig zoeken werd de zeventienjarige Beierse prins Otto von Wittelsbach in februari 1833 ingehaald als de eerste koning der Hellenen.


In de jaren veertig van de negentiende eeuw ontstond de Megali Idea, een irredentistisch streven naar het verenigen van alle Grieken binnen één koninkrijk, met Constantinopel als hoofdstad, waardoor min of meer het oude Byzantijnse rijk zou herleven. Deze Megali Idea is, tot hij in 1922 in bloed en vuur werd gesmoord na de dramatische ondergang van het Griekse leger in Anatolië tegen de troepen van Mustafa Kemal (Atatürk) en de verwoesting van een deel van Smyrna door de zegevierende Turken, de basis geweest voor de buitenlandse politiek van de opeenvolgende Griekse regeringen. Stap voor stap zou Griekenland daardoor groeien ten koste van 'de zieke man van Europa.' Soms, maar niet altijd, ging gebiedsuitbreiding met oorlog gepaard.


In 1864 droeg Groot-Brittannië de Ionische eilanden, waarvan de meeste nooit onder Osmaans bestuur hadden gestaan, over aan Griekenland. Onder druk van de Grote Mogendheden stonden de, na de Russisch-Turkse oorlog van 1878 dramatisch verzwakte, Turken in 1881 het zuiden van Epirus, rond Arta, en de vruchtbare landbouwprovincie Thessalië af. Macedonië en Thracië bleven vooralsnog onder bestuur van Constantinopel. Dat duurde tot de twee Balkanoorlogen (1912 & 1913) toen de Turken vrijwel geheel van het schiereiland werden verdreven en alleen Oost-Thracië behielden. Griekenland verwierf in 1813 het grootste deel (50%) van het zeer omstreden Macedonië, Kreta en de Egeïsche eilanden, op de Dodekanisos na, die in 1911 door de Italianen op Turkije waren veroverd. West-Thracië, dat na de Balkanoorlogen door Bulgarije werd ingelijfd, kwam na de Eerste Wereldoorlog in Griekse handen (1920). Het land kreeg tenslotte in 1948 zijn huidige omvang, toen Italië de Dodekanisos moest afstaan.


Griekenland kende vele groeipijnen en de naweeën daarvan zijn nu en dan nog te voelen, bijvoorbeeld in een aantal slepende conflicten met Turkije. Over de afbakening van het continentale plat in de Egeïsche Zee, van het luchtruim en van de territoriale wateren. In 1996 leidde een conflict over een rotspunt nabij Kalimnos (Imia) bijna tot oorlog tussen beide Navo-bondgenoten. Hoewel er daarna aanzienlijke verbeteringen optraden in de wederzijdse betrekkingen, wordt bijvoorbeeld in de Griekse media nog vrijwel wekelijks melding gemaakt van schendingen van het luchtruim door Turkse vliegtuigen en beschuldigen de Grieken Turkije ervan nog steeds een invasiemacht van zeker 35.000 militairen gereed te houden aan zijn westkust. Turkije lijkt er anderzijds nog niet van overtuigd dat het Griekse irredentisme geheel is uitgedoofd. Ook het almaar voortdurende conflict over Cyprus is cruciaal in de onderlinge verhoudingen, die door het vermoeden van olie en grote gasreserves in het oostelijke bekken van de Middellandse Zee opnieuw onder spanning kunnen komen te staan.


©Kees Klok


Thessaloniki, 15 augustus 2011

zaterdag, oktober 29, 2011

Shameful and disgusting!




This photo was taken just an hour ago in Ano Toumba, Thessaloniki. It's a week after the end of the strike now but the garbage collecters still didn't show up. The town centre has been cleaned, but apparently nobody is interested in the suburbs or even aware there are people living here. It's an outragious situation. I wonder which outbreak will be first: the fury of the people living in this area (let's see what happens if we shove the whole bloody mess on to Lambrakisstreet, blocking the traffic) or some contagious disease.

zaterdag, oktober 22, 2011

Literair dagboek

Bij Uitgeverij Liverse verschenen mijn kronieken, liever: literaire dagboeken En vooral: de gordijnen dicht (2008) en Idioten ontloop je nergens (2010). Deel drie is in wording en zal, als alles loopt zoals bedoeld, eind 2012 of begin 2013 verschijnen. Uit dit deel zijn reeds Literair dagboek: Schotland en Literair dagboek: Griekenland op dit weblog gepubliceerd. Onder de titel Literair dagboek zal ik nu en dan een fragment uit het komende boek opnemen.



Zondag, 4 maart 2007:

Mooie Dag van de Poëzie, gisteren, al lieten leerlingen en collega's van de belangrijkste cultuurschool van West-Europa het volledig afweten. Van de dichters kwam een zekere Ron Elshout, ook in het fonds van Wagner & van Santen, niet opdagen, terwijl Jan Eijkelboom en Ed Leeflang door ziekte wegbleven. Ed Leeflang werd vervangen door Hans Verhagen. Hij gaf me een boekje over een project dat hij samen met onze Dordtse Theo Kemp had uitgevoerd. Ik las er een paar mooie gedichten in.


's Middags gelezen in Pictura, met Elma van Haren. Aardige dame, die goede poëzie schrijft, maar die absoluut niet kan voordragen. Muziek door Jeroen Hobbel en Jean-Luc Jossa, Braziliaanse liederen. Erg goed. Ik heb ze inmiddels aanbevolen bij Joris Lenstra, voor zijn lezingen in de Rotterdamse bibliotheek. Bij de eerste voorstelling was er nauwelijks publiek. Nogal pijnlijk in die grote zaal. De andere twee optredens hadden een redelijke opkomst. De zaal heeft een prettige akoestiek en is zonder microfoon gemakkelijk te bespreken, maar dat moet je wel kunnen. Elma had een microfoon nodig, waar ze nogal onhandig mee omging. Het leek me geen pose, zoals bij sommige hooggeleerden op wetenschappelijke conferenties, maar zij heeft een natuurtalent voor het onhandige, wat ik eerlijk gezegd wel een sympathiek trekje vind.


Vóór het avondprogramma in het Hof vertrokken Elma van Haren en Mark Boog, wegens andere verplichtingen. Er werd gevraagd of de dichters elkaar wilden introduceren, dus Ad Zuiderent Tjitske Jansen, Tjitske mij, ik Eva Gerlach, die Pieter Breman, Pieter Hans Verhagen, Hans Tonnus Oosterhof en die tenslotte Peter M. van der Linden. Peters optreden was weer erg goed, evenals dat van Tjitske, die trouwens erg aardig is, iets wat je niet van iedere kunstbroeder of -zuster kunt zeggen. De meeste andere dichters droegen matig tot slecht voor, op Ad Zuiderent na. Later kwamen verschillende onbekenden uit het publiek Tjitske en mij complimenteren.


Tijdens de voorbereiding onderwierp Eva Gerlach Pieter Breman aan een vriendelijk kruisverhoor. Was haar voordracht maar even goed geweest als haar interviewtalent. Pieter was even verbaasd, maar zag er de humor wel van in. Er was weer goede muziek, Quarteto Rotterdam, een tangokwartet en soms quintet als er een zangeres bij kwam, maar ze speelden maar tot kwart voor tien en moesten toen naar een ander optreden. Ik vind dat zoiets niet kan. Stella en ik liepen met Tjitske mee naar het station en dat was een geluk bij een ongeluk, want er was iets met de Zwijndrechtse brug, waardoor het treinverkeer was gestremd. We hebben bij ons thuis eerst nog wat gedronken en haar daarna met de auto naar station Zwijndrecht gebracht, vanwaar ze verder kon reizen. Ze had ook bij ons kunnen overnachten, maar dat kwam in verband met iets in de familie, de andere dag, niet uit. Ik maakte voor we gingen slapen nog een brief van De Revisor open, waarin het bericht dat de Gopal-vertaling niet wordt opgenomen. Een dag kan ook nooit eens perfect zijn.


Dinsdag, 6 maart:

Bij het buiten zetten van het oud-papier heb ik op het nippertje acht exemplaren van De Groene Mug, de schoolkrant van Mulo-Groenedijk, kunnen redden. Hoewel ze ook op het Stadsarchief aanwezig zijn, zou ik het eeuwig zonde hebben gevonden als ik die dierbare herinneringen aan een deel van mijn middelbare schooltijd was kwijtgeraakt. Bovendien publiceerde ik mijn allereerste gedichten in De Groene Mug. Op een gegeven ogenblik kwam ik, ik zat in de derde, in de redactie, samen met Gerrit de Wolf, tegen wie ik toen hoog opkeek. Hij kon goed schrijven, goed voetballen (speelde een tijd in het eerste van DFC) en was bovendien twee jaar ouder dan ik. Dat telt als je veertien bent. Het was het begin van een vriendschap die tot op de dag van vandaag voortduurt.


Woensdag, 7 maart:

Revathy Gopal is vanmorgen in Bombay overleden. De kanker heeft het weer gewonnen. We hebben haar nooit persoonlijk ontmoet, maar kenden haar via haar zus Gomathy Venkateshwar, een van de deelnemers aan het seminar in Minneapolis, waar ik Stella leerde kennen. Door veelvuldig e-mail contact en door het vertalen van haar gedichten, was er een vriendschap op afstand ontstaan. Vanmiddag vervielen de lessen van Vwo-6, vanwege een excursie voor economie. Die tijd heb ik gebruikt voor een In Memoriam op mijn weblog. Ik heb ook een berichtje gemaakt voor de Contrabas, waar werk van haar is gepubliceerd. Ze is negenenvijftig geworden. Van onze leeftijd. Daar schrikken we ook weer van.


woensdag, oktober 19, 2011

Bij een foto (20)






Het beeld van Griekenland in de media wordt de laatste tijd vooral bepaald door stenen en molotov-cocktails gooiende idioten met valhelmen, gasmaskers en capuchons. De zogenaamde 'koukoulofori' (capuchondragers), halvegaren die, behekst door een verdraaid idee van het anarchisme, denken dat je met stompzinnig geweld een betere wereld kunt scheppen. Als ze daar op uit zijn, wat ik betwijfel. Ik vrees dat het voor een flink deel dezelfde enge mannetjes zijn die in de straten van Amsterdam en andere grote steden op de een of andere manier hun overdosis testosteron kwijt moeten.


Het beeld van Griekenland wordt ook bepaald door de eindeloze serie stakingen tegen het bezuinigingsbeleid van de regering-Papandreou. De economische crisis is geculmineerd in een machtsstrijd tussen de regering en de vakbondsbonzen, een zinloze strijd want Griekenland ligt volledig aan de ketting van ECB, IMF en EU, maar hij kost handen vol geld en bezorgt de gewone Grieken alleen maar ellende. Tonnen stinkend vuil op straat, keer op keer stakingen in het openbaar vervoer en van boze taxichauffeurs, bezettingen van ministeries door ambtenaren, van middelbare scholen door leerlingen en uiteraard van universiteiten door studenten, want de hoop der natie wil ook zo zijn bijdrage leveren tot het pandemonium. We zien belastinginspecteurs die hun eigen aanslagen voor de deur van het ministerie van financiën verbranden, vakbondsleden die de burgemeester van Sykiës, een randgemeente van Thessaloniki, op de nek springen omdat hij de vuilophaal wil privatiseren en de voorzitter van de taxibond, die dreigt de directeur van het ziekenfonds (IKA) in elkaar te slaan omdat de laatste vindt dat ook de stakers hun sociale premies moeten betalen.


Het is allemaal geen reclame voor de bakermat van de democratie en daarom was ik blij onlangs een groep landgenoten een ander gezicht van Griekenland te kunnen laten zien. Tijdens een rondreis van Thessaloniki door het noorden en vandaar naar Athene toonde Hellas zich van zijn beste kant. Het prachtige bergland, de overweldigende gastvrijheid en hartelijkheid van de Grieken, die toch over ons Nederlanders, Jan-Kees de Jager voorop, wel wat klachten zouden kunnen hebben. De schitterende monumenten en musea van Thessaloniki, Vergina en Ioannina, de als adelaarsnesten op de rotsen gebouwde kloosters van Meteora, de adembenemende pracht van het landschap rond Delphi, de rijke geschiedenis, vanaf de oudheid tot de dag van vandaag, met als klap op de vuurpijl het spectaculaire Akropolismuseum in Athene, waarvan iemand uit de groep, zeer ingevoerd in de Nederlandse museale wereld, zei dat hij nog nooit zo'n mooi museum had gezien.


Op een van de dagen bezochten we Monodendri, dat ligt aan het oostelijke uiteinde van de Vikoskloof in de Zachoragoria in Epirus, niet al te ver van Ioannia, ooit de residentie van Ali Pasha van Tepelenë, de man die figureert in Tessa de Loo's reisboek Een varken in het paleis. De Vikoskloof is breder en dieper dan de Grand Canyon en qua natuurschoon minstens zo indrukwekkend. Hoewel bekend bij bergwandelaars is hij wonderlijk genoeg heel wat minder beroemd dan zijn Amerikaanse evenknie. We zouden wat meer oog moeten hebben voor deze kant van Griekenland, dat met zijn overweldigende natuur en duizenden jaren oude geschiedenis en cultuur een van de fascinerendste landen van Europa is.



zondag, oktober 02, 2011

Bij een foto (19)


Het was in november 1990 dat de scholengemeenschap Noordendijk, waar ik toen lesgaf, Johnny van Doorn uitnodigde voor een optreden. Hij ging daar graag op in, liet hij weten, maar dan moesten er wel een fles sherry, een glas en een vork voor hem klaarstaan. Naast, uiteraard, het gebruikelijke honorarium. De dichter verplaatste zich per trein en zou rond tien uur op het Dordtse station arriveren. Daar haalde ik hem op. Met Etienne Busink, fotograaf van een lokale krant, die geen verslag deed van het optreden, maar wel melding maakte van het ter stede verschijnen van het fenomeen Johnny the Selfkicker. Dat de Selfkicker al jaren gewoon als Johnny van Doorn door het literaire leven ging, was nog niet tot de redactieburelen doorgedrongen. De foto werd gemaakt in de bloemenstal, om, hoewel zwartwit, de grauwe regensfeer nog een weinig op te fleuren. Vervolgens namen we een taxi naar de Noordendijk, nadat Van Doorn eerst nog een passerende huisvrouw bijna van haar fiets had gezwaaid onder de kreet 'mooooooorgèn, mevrouw' in het licht-gedistingeerde accent van zijn geboortestad Arnhem, dat hij nooit is kwijtgeraakt.




Het optreden was alles wat de leerlingen ervan verwachtten, inclusief het fameuze 'kom klaar klootzak,' dat nog weken door de schoolgangen heeft gegalmd. Het onderwijl innemen van de sherry en het roeren met de vork in het glas maakten eveneens de nodige indruk, al mopperde de rector achteraf 'dat het eigenlijk geen pas gaf.' Na afloop gaf Johnny nog een zeer geïnspireerd interview aan een bloedmooi meisje van de schoolkrantredactie, onder het nuttigen van de laatste slokken uit de fles. Bij het afscheid kreeg hij een kruik oude genever van het fameuze Dordtse merk Rutte. Dat hij de energie had voor zo'n spetterend optreden, verbaast achteraf. Twee maanden later overleed hij, voor de buitenwereld onverwacht, aan kanker. Hij moet tijdens zijn bezoek al erg ziek zijn geweest. En dan toch met zoveel dynamiek een optreden verzorgen! Misschien schuilt daarin wel de kracht van poëzie.




©Foto: E.J.W. Busink, Dordrecht: http://www.fotobusink.nl


dinsdag, september 27, 2011

Literair dagboek


Bij Uitgeverij Liverse verschenen mijn kronieken, liever: literaire dagboeken En vooral: de gordijnen dicht (2008) en Idioten ontloop je nergens (2010). Deel drie is in wording en zal, als alles loopt zoals bedoeld, eind 2012 of begin 2013 verschijnen. Uit dit deel zijn reeds Literair dagboek: Schotland en Literair dagboek: Griekenland op dit weblog gepubliceerd. Onder de titel Literair dagboek zal ik nu en dan een fragment uit het komende boek opnemen.



Maandag, 15 januari 2007:

Gisteren zouden we naar de film Zwartboek gaan, die op het ogenblik in de Synode draait. Speciaal vroeger gegeten en daarna monter naar het Willem Kesplantsoen gewandeld. De voorstelling bleek uitverkocht. Dat is ons in Dordrecht nog nooit overkomen. We konden voor vanavond reserveren, maar na een veel te lange lesdag ga ik niet meer naar een bioscoop. Dan zit ik toch maar te knikkebollen. We zien die film nog weleens op video.


Dinsdag, 16 januari:

Ik ben uitgenodigd op drie maart te lezen op de Dordtse Dag van de Poëzie. De details krijg ik nog te horen. Een mooi initiatief. Ik vraag mij alleen af of het lang zal voortleven. De belangstelling voor poëzie lijkt me nog geringer dan elders. Ik moet denken aan de literaire avonden van Bobby Kinghe in de jaren zeventig en aan de schrijversinterviews door Cees Groesbeek in de jaren tachtig. Twee decennia later kun je Dordrecht, ondanks de goede wil van een paar enkelingen, nog steeds geen cultuurstad noemen.


Vanmorgen weer begonnen met mijn lessen Nieuwgrieks. Stella is een geweldige lerares, maar ik blijf het moeilijk vinden om grip te krijgen op die prachtige taal, die even rijk als chaotisch en onlogisch is. Daarbij vergeleken is het Nederlands een toonbeeld van eenvoud, terwijl je je er toch ook voortreffelijk in kunt uitdrukken.


Donderdag, 18 januari:

Gisteravond na het journaal voor de buis blijven hangen. Zag Bernlef bij Pauw & Witteman, over zijn nieuwste boek. Ik vind dat hij steeds meer op Fred Flintstone gaat lijken. Stella vindt dat hij lijkt op een paardenslager.


Het regent verschrikkelijk, de wind trekt aan tot zware storm. Hoewel de zon al een half uur op moet zijn, is het buiten nog aardedonker. In de VS heerst een koudegolf. Daar houden we ook niet van, maar het is beter dan dit zelfmoordweer. We kregen antwoord op onze nieuwjaarswens aan Ed Griffin, een van de hoogleraren die in 1987 het seminar organiseerde waarop ik Stella heb leren kennen. Hij doceert nog steeds aan de University of Minnesota, al is hij achter in de zestig, maar nog slechts voor de helft van de tijd. Die andere helft krijgt hij niet betaald, zoals ze in de VS ook de vakantieweken niet doorbetalen. Geweldig systeem, het is de kant die de VVD ook op wil. Eer het zo ver is hoop ik aan de andere kant van Europa te wonen.


De storm herinnert aan die orkaan, begin jaren '90, waardoor de schutting tussen ons en de rechter buren omwoei. De nieuwe schutting heeft het ook zwaar. Het is nog maar de vraag of hij het houdt. Er is een kap van een schoorsteen gewaaid en op het achterbalkon terechtgekomen. Volgens de voorspellingen gaat het zo nog een uur of twaalf door. De politie adviseert dringend om binnen te blijven. Echt gevaar of moderne schijterigheid? Niet dat ik aanvechting heb om een ommetje te maken, maar soms worden risico's wel erg opgeblazen. Niet door de postbode, die kwam gewoon langs. Een pakje uit Engeland, met Our Mutual Friend van Dickens en Shadow of the Silk Road van Colin Thubron.


Zojuist op de radio een melding dat er drie mensen zijn omgekomen door omvallende bomen. Toen ik terugkwam van school niet door de boomrijke Crayensteinstraat gereden. Je wordt toch beïnvloed door de groeiende paniek in de ether. Lijkt nu misschien ook wel enigszins terecht. De bruggen bij de Moerdijk, over de Haringvlietsluizen en bij Gorcum zijn afgesloten. Dat komt zelden voor. Ook is zojuist tot nader order het hele treinverkeer stilgelegd. De barometer begint langzaam op te lopen, maar daar is buiten nog niet veel van te merken. Ik ga een poosje de Zijderoute langs. Thubron is goed gezelschap. Stella is hard aan het vertalen. Ik bewonder haar werklust en doorzettingsvermogen.


Zondag, 21 januari:

Nog steeds veel wind. De stormschade lijkt beperkt, maar we moeten wel iets aan de schutting doen. Hij hangt erbij als de lamme vleugel van een gewonde gans. De storm heeft uiteindelijk zes levens gekost, allemaal in het verkeer. De politie heeft achteraf dus wel terecht gewaarschuwd. Han heeft een boom op zijn huis gekregen, maar door tegenstand van de wortels werd hij heel geleidelijk neergedrukt en is er nauwelijks schade.


Gistermorgen eindelijk weer eens een gedicht geschreven (Greonterp). De vertaling van het verhaal van Revathy Gopal gereviseerd en het grootse deel van de dag bezig geweest met het ontruimen van ma's appartement. We hebben tot eind februari de tijd, maar er is een lange wachtlijst in het Stadswiel, dus we willen het zo snel mogelijk leeg hebben. Paul en Jolanda, waar de meeste meubels naartoe gaan, konden via een kennis een goedkope bus huren, maar dat was zo'n klein model dat ze vier keer op en neer moesten naar Den Haag in plaats van twee keer. Weg voordeel.


dinsdag, september 20, 2011

Vroeg opstaan


Vandaag precies een week geleden moest ik om half zeven opstaan, omdat een uur later het gasbedrijf een nieuwe aansluiting kwam aanbrengen. Stipt op tijd stonden de heren voor de deur, twee uur later was de kuil voor het huis weer keurig dicht en als alles is aangebracht zoals het hoort (ik kan dat niet controleren, dus moet het maar geloven), is mijn woning nu een stuk beter tegen gasexplosies beveiligd dan voorheen. Bovendien lag de dag nog grotendeels voor mij. Mooie kans om eens flink aan deel drie van mijn literair dagboek te werken. Nadat ik die had gegrepen fietste ik 's avonds naar Visser om bij De Willige Dame te gaan schaken. Ik verloor in een mooie partij van Koos van Dalen. Een wederzijdse matdreiging, dan moet je je niet in een tempo verrekenen. Dat deed ik wel, dus won Koos, wat ik nog even heel gezellig ben gaan vieren in café 't Vlak, waar ik ondermeer collega Peter M. van der Linden trof, die mij strikte om donderdagavond poëzie te komen lezen in café Merz.


Dat werd een lange donderdag, omdat ik in de loop van woensdag, ik was wederom ijverig bezig met het literair dagboek, werd gebeld door de NOS. Of ik in de ochtenduitzending van het Radio 1 journaal het een en ander wilde zeggen over de Griekse crisis. Dat wilde ik wel, maar die uitzending begon om kwart voor zeven. Om half zeven zou zich een verslaggever melden. Dat betekende dus om half zes opstaan. Ach, waarom niet? Doorgaans ben ik een matineus type en je kunt 's avonds altijd een beetje voorslapen bij Pauw & Witteman, want als Maarten van Rossem niet in de uitzending is, hoor je er nogal eens slaapverwekkend gebabbel. Woensdagavond moest ik wel even wakker blijven, want toen was er een collega van de UvA om over Griekenland te praten. Ze kwam jammer genoeg heel erg niet uit de verf en liet zich volkomen afbluffen door Pauw. Later mailde ze mij dat hij heel andere vragen stelde dan in de voorbespreking. Ja, dat kan, maar dan moet je niet onschuldig glimlachen, dan stuur je zo iemand terug in het hok, zoals je dat ook doet met bluffende studentjes. Ze had wel de pech naast Heleen van Rooijen te zitten, die overal tussendoor zat te kakelen en te kirren, daar zou ik ook het lazarus van hebben gekregen.


Donderdag om half zeven stond Marc-Robin Visscher voor de deur, een verslaggever die ik vaak beluister op Radio 1 en die opvalt doordat hij de hysterisch aandoende, jachtige toon mist waarop veel van zijn collega's de actualiteit de ether in hijgen. Een vriendelijke, beheerste en vooral degelijk voorbereide journalist, waarmee het prettig werken was. Om acht uur meldde zich de Nederlandse Griek Nikos Kyrmos, die uit Tilburg kwam, waar hij studeert aan de School voor de Journalistiek. Moest eveneens vroeg op om op tijd in Dordrecht te zijn, al had hij geluk dat ik maar op vijf minuten lopen van het station woon. We hebben er naar mijn idee een prettig verlopende uitzending van gemaakt. Koffie genoeg, fit als een hoentje, geen malle vragen en dat alles aan de tafel in mijn eigen woonkamer, wat het iets vertrouwds gaf, alsof het dagelijks werk was. Om half tien was het voorbij en ben ik verder gaan zwoegen op het literair dagboek, als was er niets gebeurd. Dat was overigens moeilijk, want ik bewerkte een aantal passages die over de ziekte van Stella gingen.


's Middags wandelde ik op de gebruikelijke tijd naar Visser voor mijn vijfuurtje, waar ik ben blijven hangen tot het tijd was om naar Merz te gaan. Flink ingedronken voor het optreden, zeg maar. De sfeer zat er goed in, niet in het minst door de mooie muziek van Danny Kroonen. Ik kwam er bovendien een oud-leerlinge tegen die in de journalistiek heeft gezeten en is afgestudeerd in de geschiedenis. We raakten hevig aan de praat en de wijn. Dolgezellig, zodat ik geen idee heb hoe laat de taxi arriveerde om mij af te voeren.


Op vrijdag heb ik iets minder aan het literair dagboek gewerkt dan de bedoeling was, maar 's avonds had ik een aangenaam etentje met familie, rijkelijk bevloeid met rode wijn. Daardoor was het nog even moeilijk tijdig op te staan om 's morgens vanaf half negen een bardienstje bij DFC te doen, maar ach, daar was het weer als vanouds gezellig en ook daar kom je altijd aardige oud-leerlingen tegen. De wedstrijd, later op de dag, van het eerste tegen Ameide was behoorlijk spannend. DFC kwam onverdiend achter te staan en maakte pas ver in de tweede helft de gelijkmaker. Een teleurstellende uitslag want DFC was technisch stukken beter dan de hak- en beukploeg uit de Alblasserwaard, maar een mens kan niet alles hebben. We hebben 's avonds de verjaardag van voorzitter Ger Hüsen er niet minder enthousiast om gevierd.


Op zondag heb ik, op het lezen van de krant en een boek na, helemaal niets gedaan. Tot het tijd was voor Visser, natuurlijk. Daar zijn we heerlijk nostalgisch weggedroomd bij een CD van Cuby and the Blizzards. 'De goeie ouwe tijd,' zei ik tegen een oud-leerling die naast me aan de bar stond. 'Ja,' antwoordde hij, 'daar had je het vroeger ook altijd al over.'


Links:

http://weblogs.nos.nl/radio1journaal/2011/09/15/nederland-griekenland/

http://www.dfc-dordrecht.nl/


zaterdag, september 10, 2011

Gevoelige snaar



Van mij moeten de kijkcijfers het niet hebben, ik kijk, behalve het journaal, maar weinig televisie. Nu en dan wil een politieserie, The Midsummer Murders of A Touch of Frost mij weleens verleiden tot een uurtje voor de buis, maar meestal blijft het daarbij. Gisteravond mocht ik weer eens genieten van Jack Frost, een man wiens humor en taalgebruik sterk lijkt op dat van mijn Engelse neef Brian, evenals ik historicus, maar dit terzijde. Daarna zat ik nog even te zappen en kwam daardoor terecht bij de laatste aflevering van het seizoen van Knevel & van den Brink, het godvrezend duo dat in het zomerseizoen Pauw & Witteman vervangt. Daar zat Maarten van Rossem, uiteraard vanwege 9/11, en ik viel midden in een aanstekelijk betoog van Annemarie Gualthérie van Weezel, een vrouw waarop ik gemakkelijk verliefd zou kunnen worden, over haar boek De smaak van de macht. Dat handelt over de diepere gevoelens van een serie naoorlogse premiers. Ik dacht: laat ik nog maar een cognacje inschenken en even blijven kijken. Die moeite werd beloond. Ik was weliswaar te laat om het betoog van mijn oude leermeester Van Rossem aan te horen en te moe om daarvoor naar de herhaling van de uitzending te kijken, na het laatste journaal, maar na de aantrekkelijke Annemarie kwam voormalig doelverdediger Hans van Breukelen aan het woord. Ook al over een net uitgebracht boek, Winnen; van talent naar topspeler. Dat boek, vertelde hij, was vooral geïnspireerd door zijn twee jaar geleden aan kanker overleden vrouw.


De manier waarop hij over haar sprak, raakte bij mij een gevoelige snaar, omdat het zo herkenbaar was. 'De kinderen en ik leven zoveel mogelijk door op de manier waarop zij dat zou willen,' vertelde hij, en dat is precies wat ik probeer sinds het overlijden van Stella. Dat is alweer bijna vier jaar geleden, maar vrijwel alles is in huis nog onveranderd. Ik heb een paar bloesjes en rokken van haar weggegeven aan haar nichtje Vaso en aan mijn nicht Karin, maar de rest van haar kleren hangt nog precies zo in de kasten als zij ze heeft opgehangen. Haar winterjas hangt nog steeds aan de kapstok, haar schoenen staan nog steeds op haar te wachten in kast, zelfs al haar toiletspullen staan nog onaangeraakt in haar deel van de badkamerkast. Als ik televisie kijk of in de woonkamer zit te lezen, zit ik altijd op de tweezitsbank, nooit op de driezits, waar Stella meestal comfortabel lag te kijken of te lezen. Het kussen waartegen zij leunde leg ik dan automatisch voor haar neer. Ik bak nog steeds brood volgens haar recept en probeer het huishouden zoveel mogelijk op dezelfde manier te bestieren zoals zij dat deed. Ik kan het haar natuurlijk niet meer vragen, maar als ik vertaal, een artikel schrijf of een gedicht, is mijn eerste gedachte: wat zou Stella ervan vinden? En als ik een keertje te lang ben doorgezakt bij Visser of bij de Dordtse dichterskring verwacht ik dat ze mij de volgende ochtend mild beknort, om dan 's avonds tegen een uur of vijf te zeggen: 'heb je geen trek in een biertje?'


Zoals Van Breukelen nog steeds wordt geïnspireerd door zijn overleden vrouw, zo is Stella nog steeds de drijvende kracht achter mij en ik voel me daar buitengewoon prettig bij. Natuurlijk, het is voor een deel zelfbedrog. Dood is dood en kom mij niet aan met flauwekul over het hiernamaals. Dat is misschien wel de ultieme vorm van zelfbedrog. Ze zal nooit meer die winterjas aantrekken, een paar schoenen uit de kast halen, fantastisch Grieks koken of een mooi gedicht schrijven. Ik zal haar nooit meer boos horen worden als de een of andere beterwetende Hollander iets doms roept over allochtonen of over Griekenland, maar gelukkig staan er twee prachtige boeken in mijn kast. Haar dichtbundel (Eindeloze nachten) in het Nederlands en in het Grieks. Daardoor spreekt ze nog dagelijks tot me en dat is geen zelfbedrog. Dat is inspirerend en troostend. 'Het gaat goed met me,' antwoordde Van Breukelen op een vraag van Knevel. Met mij ook, dankzij Stella en ondanks dat ik haar nog steeds ongelofelijk mis.