donderdag, januari 28, 2010

Gedichtendaggedicht

De Rozenkoningin

Hoewel geen dag grijzer kon zijn
leek zij een ware Rozenkoningin
ook al glimlachte zij nauwelijks
mechanisch wuivend met haar hand:
Pinokkio in tule
onder een druipend baldakijn.

Voor de wagen uit marcheerde fier
de band van de Nationale Reserve
met maar af en toe
een ongetrainde noot.
Straks zou er geklink zijn
bluf over betere tijden
en een huiverende tiener
met een verregende droom.

Iemand klapte in zijn handen
en riep een zwak hoera.
De regen wiste grenzen tussen
welkomstloper en bemodderd
festivalterrein.
In de feesttent vulde schuimloos bier
de eerste plastic glazen.

©Kees Klok



vrijdag, januari 22, 2010

In memoriam Gerrit de Wolf (1949-2010)

Vandaag heeft Gerrit de Wolf afscheid genomen van het leven. Bijna een jaar lang heeft hij gestreden tegen de agressieve vorm van longkanker die zich in begin 2009 bij hem openbaarde. Gerrit, Lupius voor intimi, behoorde tot het groepje van mijn beste vrienden. We leerden elkaar 45 jaar geleden kennen op de Mulo-Groenedijk en zijn tot op het laatste ogenblik van zijn leven bevriend geweest. We zaten in de derde en de vierde bij elkaar in de klas en raakten beiden betrokken bij de schoolkrant De Groene Mug, die in die dagen onder teken- en boekhouddocent, en later hoogleraar economie, Cees Esseboom een bloeiperiode beleefde. Gerrit schreef gedichten en verhalen in De Groene Mug. Een van die verhalen ging over een mythische figuur die zich in een rijdend orgel door de stad begaf en Bobby Kinghe heette.


Als de trainer van DFC er halverwege de jaren '60 niet op had gestaan dat zijn eerste teamspelers hun haar kort lieten knippen, zou Gerrit misschien een mooie voetbalcarrière hebben gevolgd. Hij hield echter zijn lange, blonde lokken en gooide uiteindelijk hoge ogen in een andere tak van sport, de schaaksport. Hij begon bij de schaakclub Dordrecht en stapte na de oprichting van Groothoofd over naar die club, waar hij zich een vaste plaats veroverde bij de top tien. Na de opheffing van Groothoofd was hij vanaf het eerste uur betrokken bij De Willige Dame, waar hij tot de openbaring van zijn ziekte een van de boegbeelden van de club was.


Gerrits grote liefde was de literatuur. In 1969 begon hij samen met Jan v.d. Geer in de Hofstraat, in het pand waar voorheen de boekwinkel van Koos Versteegh was gevestigd, het Cultureel Warenhuis Bobby Kinghe. De kern daarvan was de handel in tweedehands boeken. Omdat zowel Gerrit als Jan werkzaam waren op kantoor, was de winkel meer een hobby dan een inkomstenbron, maar uiteindelijk werd het Cultureel Warenhuis Bobby Kinghe de basis van de Stichting Produktiegroep Bobby Kinghe, grotendeels voortgekomen uit plannen van Gerrit, die, zoals we dat in een interview in Het Vrije Volk eens zeiden: 'de Dordtenaren over de cultuurdrempel zou schoppen.' In 1971 passeerde de stichtingsakte en was Bobby Kinghe volwassen. Nu, bijna veertig jaar later, leeft Lupius geesteskind nog steeds voort, al is er in de oorspronkelijke opzet wel het een en ander veranderd. In de dagen van de boekwinkel was er weleens iemand die vroeg naar meneer Bobby Kinghe. Wij pleegden dan op Lupius te wijzen en te zeggen 'Bobby Kinghe is er even niet, maar zijn vader is er wel.'


Gerrit was de grote plannenmaker van Bobby Kinghe en als zodanig een van de drijvende krachten achter het Dordtse culturele leven in de jaren '70. In die jaren schreef hij regelmatig voor het blad BIJ, orgaan van de Culturele Raad Dordrecht en was hij redacteur van het literaire tijdschrift Letteriek, eveneens opgericht op initiatief van Bobby Kinghe. Later legde hij zich meer toe op de organisatorische kant van de cultuur. Behalve bestuurslid van Bobby Kinghe was hij jarenlang lid van de sectie letteren van de Culturele Raad Dordrecht. Hij was ook een gretig lezer en een groot verzamelaar van boeken. Hij laat een indrukwekkende collectie boeken na. Zijn belangstelling reikte veel verder dan uitsluitend de Nederlandse literatuur. Een belangrijk deel van zijn boekenbezit wordt gevormd door een collectie wetenschappelijke, historische en filosofische werken. Speciale belangstelling had hij voor Indonesië. Hij verdiepte zich in de geschiedenis van het land, reisde er verschillende keren naartoe, leerde bahasa Indonesia en verbleef daartoe enige tijd aan een taalschool in Jogjakarta.


Na de middelbare school maakte Gerrit carrière bij verzekeringsmaatschappij de Holland, later Amev en Fortis. Na zijn vervroegde pensionering in 2007 nam hij de pen weer op om een oud plan, het schrijven van een literaire thriller, uit te voeren. Door zijn ziekte is het manuscript hiervan echter onvoltooid gebleven.


Over onze 45 jaar vriendschap zou ik een boek kunnen schrijven. Gerrit was een van mijn steunpilaren in de verschrikkelijke tijd van Stella's ziekte en dood. Hij was geen man van erg veel woorden, maar hij was er wel altijd. Er doen veel verhalen en anekdotes over Gerrit de ronde, ontstaan tijdens de vele reizen die wij maakten, tijdens bijeenkomsten en feesten, tijdens schaakwedstrijden, tijdens ons wekelijks borreluur in poffertjessalon Visser, en zo laat Gerrit vele mooie herinneringen achter. Maar ook een enorme leegte. Ik kan me Dordrecht niet goed voorstellen zonder Gerrit. Pessoa mag dan geschreven hebben dat de stad niet zou veranderen bij zijn dood, dat geldt zeker niet voor Lupius. Dordrecht heeft een markante inwoner minder en ik een dierbare vriend. Ik vind dat, net als met de dood van Stella, buitengewoon moeilijk om te accepteren, maar tegen de meedogenloosheid en de vernietigende kracht van de natuur is geen kruid gewassen.

vrijdag, januari 08, 2010

Warm lopen


Het lijkt niet op te kunnen met het winterweer. Strenge vorst en voor de komende dagen wordt er wederom sneeuw voorspeld. Als je de commotie in de media hoort, zou je denken dat de winter van 1963 al ver is overtroffen. Daar is vooralsnog geen sprake van, maar het is nu eenmaal bon ton geworden in dit land om alles aan te dikken en te overdrijven. Wel zijn de Dordtse sloten al behoorlijk dichtgevroren en gisteren mocht ik constateren dat ook de Vriesehaven dicht ligt. Er werd al volop door de jeugd geschaatst. Net zoals wij dat vroeger deden. Niet alleen op de haven, maar ook op de ijsbaan in de Windhondenpolder. Een geweldige schaatser ben ik overigens nooit geweest, ik krabbelde wat rond op oude Friese doorlopers, had al snel genoeg van de kou en de valpartijen en heb er nooit het geld voor over gehad om goede schaatsen te kopen. 


Het schijnt een geweldige ervaring te zijn om toertochten in de polder te rijden, maar ik loop liever en dan bij voorkeur bij mooi zomerweer. Ik ben geen wintermens en betreur het daarom dat ik het zonnige, milde Griekenland weer achter mij moest laten om in Nederland te vernikkelen. Te bedenken dat ik op 1 januari nog de hele middag op ons zonnige balkon zat te lezen. Of het nieuwe jaar ook even zonnig zal blijven als het begon, valt te bezien. Bij leven en welzijn gaat er in 2010 een belangrijke verandering in mijn bestaan plaatsvinden, een verandering waarvan ik hoop dat die vooral van invloed zal zijn op mijn werk als dichter en schrijver. Wat er verder dit jaar staat te gebeuren? Ik zal al blij zijn als er in mijn familie- en vriendenkring nu eens geen ernstige ziekten opduiken, maar wat dat betreft is het jaar alweer tamelijk omineus begonnen.


Op letterkundig gebied staat Dordrecht in het komende jaar wel het een en ander te wachten. Gezien de plannen van Uitgeverij Liverse kunnen we weer een aantal interessante boeken tegemoet zien. Onder andere het nagelaten werk van Bergman (pseudoniem van Aart Kok), een vervolg op zijn succesvolle boek De tijd te lijf, dat in 1994 verscheen in de reeks Privé Domein. Ook gaat Liverse mijn poëzievertalingen van John Burnside uitgeven, onder de titel Het bal in de inrichting, een boek dat al lang had moeten verschijnen, maar dat door de teloorgang van uitgeverij Wagner & Van Santen ernstige vertraging heeft opgelopen. Ook komt de nieuwe bundel van André v.d. Veeke bij Liverse uit en deze dichter zal samen met zijn Zeeuwse collega's Tom Schrijer, Jan J.B. Kuipers en Wim Hofman op 30 mei in Dordrecht optreden met hun programma 'Mannen van Papier.' Dat gaat plaatsvinden in het theater van stadsdichter Marieke van Leeuwen, die samen met ondergetekende als gast een bijdrage aan het programma zal leveren. Binnenkort wacht ons de Landelijke Gedichtendag, waarop Micha Hamel naar Dordrecht komt (bij Rood, Wit & Rosé) en hopelijk worden we opnieuw vergast op de Dordtse Dag van de Poëzie. Ik verklap nog even niet dat er een nieuw, spectaculair boek van mezelf op stapel staat. Het gerucht gaat dat diverse advocaten zich al warm lopen vanwege de compromitterende inhoud. De titel wordt binnenkort onthuld, maar eerst moeten we zien de winterse koude het hoofd te bieden. Wat dat betreft is er een mooie taak weggegelegd voor de Afdeling Hak een Wak van het Genootschap ter Bevordering van Eb & Vloed (zie: http://home.planet.nl/~aadel).

 


dinsdag, december 29, 2009

Geweldig gezellig!


Het is een zonovergoten middag. Ik kom net terug van een klein uurtje zweten in het bijkantoor van mijn bank, waar ondanks de milde temperatuur buiten, de verwarming op 24° stond. Als er ergens op kan worden bespaard in Griekenland, dan is het op de stookkosten 's winters en op de kosten van airconditioning in de zomer. Als banken, kantoren en supermarkten de temperatuur in de winter een graadje of drie omlaag draaiden, me dunkt dat 21° toch een mooie, werkbare temperatuur is, dan schieten de kosten omlaag en de winsten omhoog. Als de supermarkten in de zomer dezelfde temperatuur aanhielden, zodat we niet in een ijsbak van 16° hoeven te winkelen en ook eens een deur voor die verdomde open vrieskasten zouden doen, dan zouden ze schatrijk worden, wij een stuk gezonder en het milieu zou er en-passant ook van profiteren. 


Het was allerminst druk op de bank, ik hoefde maar een kwartier in de rij te staan om wat geld op te nemen, maar ik was zo dom om een klein geldbedrag van mijn Griekse naar mijn Nederlandse rekening te willen overmaken. Dat kostte mij drie kwartier. Een uiterst vriendelijke bediende schreef eerst met de hand alle gegevens op een formulier dat ik moest ondertekenen, waarna hij lang tijd bezig was om een en ander in te voeren in een computer. Ondertussen telefoneerde hij, stond andere klanten te woord, die zich onbeschaamd aan het bureel verdrongen en liep hij een paar keer om onduidelijke redenen naar de directeur, een voornaamgenoot van me en, wellicht niet geheel toevallig, een sympathieke verschijning. Toen de zaken uiteindelijk waren afgehandeld zag ik dat het ook nog eens twaalf euro kostte. Die zijn waarschijnlijk voor de fooienpot van de managers, voor de volgende reeks bonussen. Volgende keer steek ik dat geld wel gewoon in mijn zak. Dan bespaar ik de kosten en het scheelt tijd.


In het koesterend zonnetje naar huis zakte mijn ergernis. We stevenen af op 2010, maar weinig dat daar op wijst. Ik heb al dagenlang geen ontvangst van de Wereldomroep, er zal sneeuw op de zendmasten in Nederland zitten, want de Deutsche Welle en de BBC komen luid en duidelijk binnen. Maar daardoor hoef ik niet alle terugblikken op het jaar en op het decennium aan te horen en mij niet te laten vervelen door tien jaar ingeblikte waan van de dag. Ook het weer werkt mee. Geen sneeuw, ijs en andere winterse ellende zoals ijzel. Soms is het zo aangenaam dat ik op mijn balkon kan lezen, of buiten bij Xarchákos, in het park bij de Witte Toren. Alleen gisteren even een harde wind uit ijzig Bulgarije, maar die is alweer gaan liggen. En wat we hier vooral niet hebben en absoluut niet missen, zijn die groepjes etterpubers die de godganselijke dag met rotjes lopen te smijten. Een achterlijk verschijnsel, dat voor zover ik weet alleen in Nederland voorkomt. In Griekenland heb ik er nog nooit wat van gemerkt en in de jaren dat Stella in Düsseldorf werkte en we daar Oud en Nieuw meemaakten ook niet. Ja, er was vuurwerk tegen twaalf uur op Oudjaar, maar niet dagen, laat staan weken, daarvoor en al helemaal niet tot het ochtendgloren.


Natuurlijk, ik ben ook jong geweest, heb ik me laten vertellen. Toen vond ik vuurwerk ook wel spannend en soms deden we daar onverantwoorde dingen mee, maar ik kan me niet herinneren dat ik met mijn vrienden als verveelde, stompzinnige puistenkop wekenlang voor Oudejaarsavond met rotjes liep te smijten. Ook al kochten wij ons vuurwerk goedkoper en illegaal bij een taxi-chauffeur die later om veel ernstiger redenen met justitie in aanraking kwam, we hadden er eenvoudig het geld niet voor over. En misschien waren we ook wel iets te fatsoenlijk en te beschaafd.


Hoewel weinig er dus op wijst, hebben we nog maar twee etmalen te gaan. We zullen zien wat 2010 ons gaat brengen. Het is eigenlijk maar een mal gedoe, dat Oud en Nieuw. Een fictieve drempel. We doen alsof er een andere tijd aanbreekt, maar eigenlijk is het grote flauwekul. Uiteraard is de ochtend van de eerste januari niet verschillend van andere vrijdagochtenden, behalve dat de winkels gesloten zijn en de eerste hulpposten in Nederland overvol zitten met vuurwerkgewonden. Misschien vallen er ook nog wel een paar doden. Hopelijk hebben die dat dan aan zichzelf te wijten en zijn het geen onschuldige voorbijgangers. We horen het wel. Als de Wereldomroep zijn zaken vrijdag nog niet op orde heeft, kan ik altijd mijn achtergebleven huisgenoten bellen, die mij ongetwijfeld in buskruitgeuren en kleuren zullen vertellen hoe geweldig gezellig het in het vaderland wel is geweest.


vrijdag, december 25, 2009

Stella, 26.07.1946 - 26.12.2007






























Ooit


Ooit droomde ik me

groene weiden met gouden zonnen.


Ooit maakte ik plannen

hoe ik wilde leven.


Ooit was mijn leven

helder stromend water, een kristal.


Nu verlies ik me in vragen

zonder antwoorden te krijgen.


Nu leef ik met de dag,

van iedereen afhankelijk.


Nu hangt mijn leven

aan een dunne draad.



Stella Timonidou



Dordrecht, 2.11.2007


In: Eindeloze nachten. Gedichten. Liverse 2009.



Κάποτε


Κάποτε ονειρευόμουν

πράσινα λιβάδια με χρυσούς ήλιους.


Κάποτε έκανα σχέδια

πώς θα ήθελα να ζήσω.


Κάποτε η ζωή μου ήταν

γάργαρο νερό, κρύσταλλο.


Τώρα χάνομαι σ’ ερωτήσεις

χωρίς να παίρνω απαντήσεις.


Τώρα ζω με τη μέρα

εξαρτημένη απ’ όλους.


Τώρα η ζωή μου κρέμεται

από μια λεπτή κλωστή.



Στέλλα Τιμωνίδου



Ντόρντρεχτ, 02.11.2007 


'Απο: Ατελείωτες νύχτες. Συλλογή Ποιημάτων. University Studio Press 2008.


donderdag, december 03, 2009

Verplichte toets voor Kamerleden


Gisteren werd onderwijzend Nederland op pijnlijke wijze geschoffeerd door het voorstel van Kamerlid van Dijk om een taal- en rekentoets verplicht te stellen voor alle docenten in het primair en voortgezet onderwijs. Het voorstel werd direct enthousiast omhelsd door staatssecretaris van Bijsterveld. Ik heb er weer een reden bij om blij te zijn dat ik in augustus aanstaande het onderwijs verlaat. Deze docent met 35 jaar ervaring, in het bezit van ongeveer een kilo aan bijscholingscertificaten (een woord dat menig politicus niet kan spellen), een volledige bevoegdheid voor het basisonderwijs, drie tweedegraads bevoegdheden voor het voortgezet onderwijs, een eerstegraads, een doctoraalbul, alsmede een aantal boeken op zijn naam, laat zich deze belediging niet aanleunen en poneert daarom de volgende stelling:

Gezien het ontstellend lage taalniveau van politici en hun gebrek aan historische kennis zou het behalen van een toets Nederlands en van een toets Geschiedenis en Staatsinrichting op VWO-niveau voorwaarde moeten zijn voor het zitting nemen in de Tweede of Eerste Kamer.


woensdag, december 02, 2009

Neanderthalers met een kernbom


Langzamerhand nadert mijn nieuwe kroniek zijn voltooiing en aangezien driemaal scheepsrecht is volgt hier nog eenmaal een voorpublicatie uit het boek. De notities gaan over een deel van de maand december 2005, waarin de altijd verschrikkelijke donkere dagen voor kerst het leven beheersen. Mijn voorgaande kroniek, verschenen bij Uitgeverij Liverse onder de titel En vooral: de gordijnen dicht (ISBN 9789076982472) is aldaar te bestellen via info@liverse.nl.



Donderdag, 1 december:

Onze leerlingen hebben vanmiddag het Johan de Witt-debat gewonnen. Een nipte overwinning in de finale op het Johan de Wittgymnasium. We hebben onze tijd er dus niet voor niets ingestoken. Stella is meegegaan om te luisteren, wat de kinderen heel interessant vonden. Naar iets of iemand uit je privéleven zijn ze altijd heel nieuwsgierig. 

Na afloop als een haas naar de afscheidsreceptie van collega Gezinus Buter gereden, die met pensioen gaat. Helemaal achteraan de Staart, bij het Bieschbosbezoekerscentrum. Doordat ik laat was de officiële toespraken gemist. Ik kon direct onbekommerd aan de wijn, maar na twee glazen en wat geklets ben ik vertrokken. Ik was met de auto. In deze rotkou ga je niet drie kwartier naar de wildernis fietsen.

 

Zondag, 4 december:

Fa Claes stuurde een zeer lovende e-mail over mijn essay over John Burnside voor de Revisor. Daarna heb ik het nog een keer grondig doorgenomen met Stella, wat tot een paar kleine veranderingen leidde. Vervolgens heb ik het per e-mail naar Toef Jaeger gestuurd. Het ei is gelegd, nu zien of het uitkomt. 


Maandag, 5 december:

De ziektenkostenverzekering biedt ons vrijwel dezelfde verzekering aan als die we nu hebben, voor ongeveer de helft van de prijs. Niet dat we er iets mee opschieten, want nu moet ik voor Stella het premie-aandeel gaan betalen dat vroeger door mijn werkgever werd afgedragen. Veel verandert er in feite dus niet. Ook van andere verzekeraars krijgen we, ongevraagd, aanbiedingen, maar ik ga na eenendertig jaar goede ervaringen natuurlijk niet voor een handvol euro's van verzekeraar veranderen. Ik begrijp niet waarom de overheid al die heissa met het zorgstelsel overhoop haalt. Weer die stupide, alleen maar tot minder service en meer chaos leidende privatisering. Je denkt toch ook niet dat ik van telefoonmaatschappij en energieleveraar ga wisselen? Kom nou toch, het gaat al jaren goed en je weet maar nooit wat voor beunhazen je voor een paar tientjes per jaar minder binnenhaalt, afgezien van alle bureaucratische gedoe, dat je stapels malle formulieren moet gaan invullen.


Vrijdag, 9 december:

Er stond weer schandalig weinig over poëzie in de boekenbijlage van het NRC-Handelsblad. Tja, als de pers de meeste dichtbundels negeert en zelden meer iets schrijft over de literaire tijdschriften, dan moet men niet gek opkijken dat het publiek er niet of nauwelijks weet van heeft. Zo ontstaan er van die vreemde discussies, wanneer een of andere wijsneus weer eens begint te roepen dat die tijdschriften geen subsidie meer moeten krijgen omdat ze te weinig worden gelezen. Ik heb niet veel vertrouwen in de invloed van het internet, maar het zou mooi zijn als daar de voorlichtende taak van de gedrukte media zou kunnen worden overgenomen. Dat zal wel wishful thinking blijven. De krant krijg je in de bus, op het net moet je zelf naar dingen op zoek. Je moet altijd maar afwachten wie de moeite neemt om langs je virtuele vitrine te wandelen.

 

Zondag, 11 december:

Gisteren naar de kerstbijeenkomst van de Dickens Fellowship geweest, in de sociëteit Trou Moet Blijcken in Haarlem. We hebben de trein genomen, want het hele land zat dicht van de mist. Dit keer was de Haarlemse stadsdichter, George Moormann aanwezig, die een gedicht over de Fellowship voorlas, dat we daarna in ambachtelijke druk kregen uitgereikt. Een cadeautje van Cees v. Steijnen, die vóór Guus de redactie van The Dutch Dickensian deed. De kerstlezing werd gehouden door professor Hornback, een Amerikaan die in Amsterdam is komen wonen en sinds kort lid is. Hij las als Dickens de Christmas Carol in een voortreffelijke, zeer goed gelijkende imitatie van de grote schrijver.


Vooraf bij Van der Pigge, die mooie, klassieke tabakszaak in de Grote Houtstraat, sigaren gekocht. Ik loop graag door Haarlem, hoewel bij voorkeur niet op zaterdagmiddag, als er te veel winkelend volk op straat is. Het is een intieme stad en niet zo provinciaal als Dordrecht. Er hangt een minder agressieve sfeer dan in Dordt of in het nabije Amsterdam. Er waren in de jaren '80 simpelweg geen banen in het Haarlemse onderwijs, maar ik heb indertijd wel rondgelopen met plannen om mij er te vestigen. Stella en ik zouden liever in Haarlem wonen dan in Dordt, maar nu heeft het weinig zin om er nog iets te zoeken, met ons vertrek naar Griekenland in zicht. We gaan niet voor twee of drie jaar een hoop heisa in gang zetten.


Maandag, 12 december:

Meestal kijken we niet naar Netwerk. Negen van de tien keer hijgen ze daar hysterisch achter de waan van de dag aan, maar vandaag ging het over de praktijken van onze Amerikaanse bondgenoten in hun strijd tegen het terrorisme. Ontvoeringen, verdwijningen en martelpraktijken. Ondanks mooie woorden van juffrouw Rice, minister van buitenlandse zaken, toont Washington een diepe minachting voor het internationaal recht. Daardoor heeft de regering Bush de VS omlaag gehaald tot het niveau van een schurkenstaat. Neanderthalers met een kernbom.


Er kwam een e-mail van een mevrouw uit Vlaanderen met het verzoek om bij te dragen aan een poëziebloemlezing over de stad Groningen. Over Dordrecht, Thessaloniki, Haarlem desnoods, daar kan ik nog wat mee, maar wat moet ik met Groningen? Het is ver weg, het is er altijd koud en winderig, ze hebben zo'n beetje het lelijkste museumgebouw van West-Europa, op de Rotterdamse Kunsthal na, en ik herinner me nog de hopen stront en bebloed papier in het toilet van een gerenommeerd café op de Grote Markt, in hetzelfde rijtje als hotel de Doelen, toen ik daar in mijn onschuld eens een plasje wilde doen. In de Doelen heb ik overigens twee keer gelogeerd. Een keer met Lupius, in december 1975, toen we werkten aan een theaterstuk, maar onze tijd voornamelijk doorbrachten in een café dat 1672 heette, omdat je daar rustig kon schaken. De tweede keer met Stella, toen ik een lezing gaf voor een handvol studenten over de Macedonische kwestie. Dat was twintig jaar later. Het hotel, dat mij de eerste keer tamelijk chique leek, maakte bij die gelegenheid een ietwat afgetrapte indruk. Groningen: Bommen Berend, Blut und Dreck en dan nog die hoogtevreeswekkende Martinitoren, maar geen gedicht ben ik bang.

 

Zondag, 18 december:

Op zoek gegaan naar het gebruik van de term 'de zieke man van Europa' voor het Osmaanse rijk in zijn nadagen. Alle Engelstalige en Nederlandse geschiedenishandboeken die ik heb ingezien (waaronder Palmer & Colton en Elseviers Wereldgeschiedenis), spreken over de zieke man van Europa. Bij de Griekse presentatie van Afrodite en Europa beweerde professor Basil Gounaris dat het 'de grote zieke' moest zijn. Een merkwaardige uitglijder voor iemand die in Oxford is gepromoveerd. Behalve een handvol artikelen over Macedonië ken ik het werk van Gounaris niet, maar hij heeft een aantal jaren bij het extreem-nationalistische Museum of the Macedonian Struggle in Thessaloniki gewerkt. Dat hoeft op zich niets te betekenen, maar ik vraag me toch af of het wel een onbedoelde vergissing was.


Gisteren niet naar de bijeenkomst van De Tweede Ronde gegaan. Ik had geen zin om met dit afschuwelijk koude en natte stormweer alleen naar Amsterdam te sporen. Vanwege het weer wilde Stella niet mee en het oorspronkelijke plan om na afloop met Herbert Bos ergens te gaan eten ging niet door omdat hij in Dordt logeerde. 's Middags wel even met Stella naar de kerstmarkt gegaan, waar ik geen enkele kraam kon vinden die iets interessants te bieden had. Het enige aardige is de ijsbaan op het Scheffersplein, maar van die rondjes draaiende kinderen in de gietregen werden we niet echt vrolijk. Al snel naar Visser gevlucht.



 


zaterdag, november 21, 2009

Pijnlijk


In de pers en op het internet is een discussie gaande over de toekomst van de literaire kritiek. Kort gezegd gaat het erom dat in de geschreven media in toenemende mate minder recensies verschijnen en dat vooral een genre als poëzie er bekaaid afkomt. Sommige deelnemers aan het debat menen dat het internet het uitgelezen medium is om de taak van de geschreven pers over te nemen, wat in kringen van de krantenbesprekers, het zal niet verbazen, op verzet stuit. Ik heb geen idee hoe de literaire kritiek zich in de toekomst gaat ontwikkelen en ik ben ook niet van plan om mij veel met kritiek bezig te houden. Dan is het gevaar groot dat ik nooit meer een fatsoenlijk gedicht schrijf. Ik ben in het algemeen wel van mening dat de kranten en tijdschriften bitter weinig ruimte voor kritieken, inzonderheid poëzie, inruimen. Daar staat tegenover dat er naast serieuze kritieken, op sites als bijvoorbeeld Poëzierapport, ook een overvloed aan ondoordachte, ongeredigeerde en schier onleesbare kolder op het net verschijnt. De vraag is of dat erg is. Een slecht stuk herken je meestal al aan de eerste zin, dan surf je naar iets anders.


Mijn weblog is de vrijplaats waarop ik, als een soort exhibitionist, voor de buitenwereld de kunstjes vertoon die ik wens te vertonen. Soms is dat een tirade houden over een misstand in de twee steden waar ik het grootste deel van mijn tijd doorbrengen: Thessaloniki en Dordrecht. In Thessaloniki is dat bijvoorbeeld de niet aflatende terreur van de auto. In Dordrecht zou ik mij vandaag zeer boos kunnen maken over de schandalige en a-historische beslissing van het kabinet om de rechtbank naar Rotterdam te verplaatsen. Er is op de Dordtse rechtbank soms weleens iets aan te merken, ik breng de affaire-Rentema rond de uitspraak over de Grote Griek van vorig jaar, ter sprake. Er wordt echter al sinds 1222 recht gesproken in Dordrecht en ook al gaat er weleens iets mis bij de rechtbank, het is wel onze rechtbank en een traditie van bijna achthonderd jaar afschaffen vanwege platte bezuinigingen is iets waartegen niet alleen de Dordtse bevolking in geweer zou moeten gaan. Er zou een breed gedragen gevoel moeten zijn dat dit niet kan, dat hier een beschavingsgrens wordt overtreden. Daarbij is het nog maar de vraag of een fors uitbreidende rechtbank in Rotterdam de kwaliteit en zorgvuldigheid kan handhaven die wij van een rechtbank verlangen. In het recente verleden is bewezen dat heel veel schaalvergrotingen tot kwaliteitsverslechtering leiden. Denk maar aan het onderwijs en de gezondheidszorg. Justitie, onderwijs, gezondheidszorg, het zijn kerntaken van de overheid waaraan de uiterste zorg zou moeten worden besteed, maar steeds weer zie ik kaalslag en verwaarlozing in naam van het heilige bezuinigen.


Vaak houd ik mij op mijn weblog, zo niet met kritiek, dan toch bezig met literatuur. Soms een voorpublicatie uit een nog te verschijnen boek van mezelf. Soms vraag ik aandacht voor een boek dat mij op een of andere wijze heeft getroffen, soms zet ik er eens een gedicht op, net waarin ik op dat ogenblik zin heb. Ik ben voor het weblog De Contrabas regelmatig op zoek naar vertaalde poëzie, om de lezers kennis te laten maken met de schat aan internationale poëzie die in het Nederlands is vertaald. Soms stuit je dan op verrassende publicaties, zo verrassend dat ik ze graag ook op mijn eigen weblog vermeld. Zo kreeg ik deze week Het blauwe land in handen, een zeer fraai uitgegeven bloemlezing uit het werk van de grote Noorse dichter Olav H. Hauge (1908-1994). Een tweetalige uitgave, vertaald en samengesteld door Erica Weeda. Een schat aan schitterende poëzie van een dichter die ook in de Europese literatuur een belangrijke plaats inneemt. Voor zover ik heb kunnen nagaan heeft geen enkele criticus, schrijvend voor de gedrukte pers of op het internet, dit belangrijke boek, dat gepubliceerd is in 2002, opgemerkt. Ik vind dat een pijnlijk voorbeeld van het falen van de kritiek. Je vraagt je af wat voor moois ons altijd maar weer wordt onthouden.







Het blauwe land, een bloemlezing uit het werk van Olav H. Hauge. Samenstelling en vertaling Erica M.D. Weeda. Uitgave: Tretralex uitgeverij. ISBN 90 807008 1 9 te bestellen via tetralex@xs4all.nl


maandag, november 16, 2009

Dutten bij de open haard


November. De donkere dagen voor kerst. Mist en regen, veel te vroeg 's avonds het licht op. Kortom, het is opnieuw tijd voor een voorpublicatie uit mijn naderende kroniek, waarvoor ik nog steeds geen titel heb. Even dacht ik aan Dutten bij de open haard, maar ik vrees dat ik zo'n titel niet aan mijn uitgever kan verkopen. We houden het gewoon nog maar even bij de werktitel Kroniek 2. De periode die in deze voorpublicatie wordt behandeld betreft de eerste dagen van november 2005. De foto is van het winnende team in het Dordtse scholendebat over de gebroeders De Witt, samengesteld uit leerlingen van de toenmalige gymnasium en atheneum 4 klassen. Inmiddels bevolken ze de universiteit of hoge school, naast hun betrekking bij de supermarkt of in de horeca.



Woensdag, 2 november:

De Da Vinci Code uit. Een thriller die het moet hebben van twee millennia menselijk bijgeloof en occulte fantasieën. Het boek leest vlot, maar graaft nergens diep. Er wordt wat gegoocheld met complottheorieën uit de oude doos en het wordt spannend gemaakt met een aantal trucs uit de wereld van het betere detectivewezen. Het leent zich wel voor een film, eentje met zo'n wat zoetelijk, semi-romantisch einde, waar het volk bij kan zwijmelen. Een film die er dus wel zal komen, maar die ik niet hoef te zien. Zoals Stella zei: 'Het is geen Thomas Hardy.' 


Gisteren mijn vrije middag doorgebracht in het Dordrechts Museum, waar vier van onze tweede klassen de tentoonstelling over de gebroeders De Witt kwamen bekijken. In de museumwinkel het Dordt boek gekocht, een soort gids met wetenswaardigheden over de stad, waarvoor Pieter Breman (als beheerder van het prentenkabinet van het Stadsarchief) het beeldmateriaal heeft geleverd. Ik word op pagina 322 geciteerd in het lemma over Visser:


Het dagcafé heeft 'goddank geen boodschap aan de modernisering en de waan van de dag,' aldus Kees Klok, vaste gast sinds veertig jaar. 


Ik kan mij niet herinneren wanneer ik dat heb geroepen, maar het is honderd procent Kees Klok. Mijn voornaam is zelfs correct gespeld, wat me alleszins meevalt. De titel van het boek is niet goed gekozen, want er bestaat al een Dordtboek dat is uitgegeven door Perspektief en hij herinnert ook te veel aan de Dordtboeken uit de jaren zeventig, die gratis boekjes die werden uitgedeeld tijdens de boekenweek en waarvoor de redactie uit democratisch oogpunt van de Culturele Raad geen kwaliteitscriteria mocht hanteren. Ze bestaan zodoende uit een mengeling van fraaie gedichten en verhalen en verschrikkelijke troep. Na twee of drie nummers is de redactie stiekem toch een beetje naar kwaliteit gaan kijken, waardoor ze aan leesbaarheid wonnen. Uit geldgebrek is men er tenslotte mee opgehouden. Nu worden op boekenmarkten en in antiquariaten aanzienlijke bedragen voor die deeltjes gevraagd. 


Vrijdag, 4 november:

Lees het nieuwste deel van Hans Warrens Geheim Dagboek en vraag me opnieuw af wat me zo in dat werk boeit. Waarschijnlijk toch in de eerste plaats de belangstelling van de ene dagboekschrijver voor de andere. Daarbij komt de, gedeeltelijke, identificatie. Ook een dichter die ver in de provincie woont, ver van de zelfverklaarde metropool Amsterdam. Zijn verzorgde stijl, zijn gevoel voor schoonheid, de natuur en de klassieken, boeien me. Er klinkt in zijn dagboeken soms een soort melancholie door die mij raakt. Aan de andere kant staan er veel details in over zijn liefdesleven die mij niets zeggen, of onbenulligheden als het bewonderen van een drol, maar dat neem ik bij al het moois maar op de koop toe. 


Zondag, 6 november:

Zaterdag in Amsterdam op de bijeenkomst van het Genootschap voor Nieuwgriekse Studiën een verhandeling gehouden over de jongste ontwikkelingen op Cyprus. Daarvoor gaf Mark Janssen, tegenwoordig hoogleraar aan de Roosevelt Academy, een interessant college over het Cappadocisch. De herontdekking daarvan wordt hem, naar hij zei, niet in dank afgenomen door de Turkse overheid, wiens taalpolitiek nog steeds gebaseerd is op een rabiaat chauvinisme. Er waren weinig aanwezigen, misschien is zaterdag geen gelukkige dag, maar wanneer moet je zo'n bijeenkomst dan houden? Na afloop nog even nageborreld met Wim Aerts en Gunnar de Boel. Wim moest hartelijk lachen om de passage over hem in Warren, die ik hem liet lezen (Geheim Dagboek, zeventiende deel, 1987-1990, pagina 60).


Vanmiddag een goede presentatie van Jan Eijk zijn tiende bundel, Een olifant met geheugenverlies, bij galerie Intermezzo. Jan was in vorm en las indrukwekkend voor. Een duo (viool en piano), waarvan ik de naam had moeten noteren, de violiste kwam uit IJsland, speelde prachtige muziek van onder andere Sibelius. Nadat Jan, van wie we alles hebben op wat bibliofiele frutsels na, het boek had gesigneerd, zijn we aan de wijn gegaan, zij het met mate. Eindelijk kennis gemaakt met Carolien van Santen, na drie jaar minimaal e-mail of telefonisch contact. Dichter en hoofdredacteur van het tijdschrift Ballustrada, André v.d. Veeke, was met zijn dochter helemaal uit Terneuzen gekomen. We zien elkaar te weinig, maar ja, hij woont daar beyond the pale, hoewel de afstand meer psychologisch ver dan echt ver is. Bijna al onze vrienden uit Dordt, die van Wagner & Van Santen op mijn instigatie een uitnodiging hadden gekregen, ontbraken. De psychologische afstand tussen Visser en Intermezzo is kennelijk groter dan die tussen Dordt en Terneuzen.


Dinsdag, 8 november:

Warren eindigt dit dagboekdeel met de zware storm van 25 januari 1990, dezelfde die bij ons de tuinschutting omblies en het dak van het flatgebouw aan het begin van de straat meenam. Een wonder dat er toen net niemand over de Krommedijk liep. Bij Warren stort de schoorsteen in en waait het dak van de aanbouw eraf. En dan? Cliffhanger...vervolg in het komende deel. Wat een ergerlijke, commerciële, misschien zelfs wel kinderachtige, ingreep. Je eindigt zo'n deel eind 1989 of eind 1990, maar niet op 25 januari 1990 om je lezers een aantal maanden, meer dan een jaar, twee jaar misschien, in spanning te laten zitten!


Vanmiddag weer met een klas naar het Dordrechts Museum geweest. Vooraf koffie in café Mignon. Afgevallen bladeren van de platanen in de museumtuin zorgden voor een mooi, gefilterd licht. Jan Eijks ontroerende gedicht, Tuin Dordrechts Museum, hangt prominent naast de ingang. Ooit stuurde ik een exemplaar van Maatstaf naar het museum, met daarin mijn even mooie gedicht (ik zeg het gewoon maar zelf) Dordrechts Museum, maar daarop heb ik nooit enige reactie in woord of gebaar ontvangen. Dat doet overigens aan mijn sympathie, misschien moet ik wel zeggen, mijn liefde voor het museum met zijn schitterende collectie (vooral de 19e eeuw) niets af. Afgewezen minnaars zijn ook minnaars. 


Vanmiddag een wat nerveus klinkende man aan de telefoon:

'Bent u tandarts?' 

'Nee, ik ben dichter.'

Stilte.

'O sorry.'

Vorige week belde er ook al iemand voor een tandarts. Vroeger werden we regelmatig door Engelsen gebeld die naar de afdeling beveiliging van Grootint vroegen. Soms antwoordde ik dan dat ze verbonden waren met de afdeling beveiliging van het Ministerie van Oorlog ('you are connected with the security department of the War Office'). Dat leverde ook weleens wonderlijke stiltes op. Dat bellen is op een bepaald ogenblik gestopt, maar nu hebben we dus een tandartspraktijk.


Woensdag, 9 november:

Weer een vrije middag ingeleverd voor de school. Nu voor de debattraining met een groepje leerlingen van Vwo-4, met de daarbij horende rondleiding door de De Wittententoonstelling. Ik geloof dat ik maar inwoning aanvraag bij het museum. Opvallend hoe goed die kinderen al debatteerden. Als je ze iets laat doen waar ze zelf veel schik in hebben zijn het ineens de halve minkukels niet meer waarvoor ze zich op school zo graag uitgeven.


Maandag, 14 november:

Drie uur rapportvergaderd en de rest van de dag vrij. Zo zou het altijd moeten. Ik zit in Stella's knusse werkkamer (en zij in de mijne) en besluit dat ik mijn vrije uren nuttig ga besteden door nu eindelijk eens werk te maken van het Revisor-essay over John Burnside. Na het schrijven in mijn dagboek, want al staan de meeste van mijn dagboekcahiers voornamelijk vol met mateloos gebabbel, toch zie ik het dagboekschrijven als een even grote opdracht als het schrijven van gedichten. De schrik slaat me om het hart als ik bedenk wat er na mijn dood met die dagboeken kan gebeuren. Ik zou iets moeten regelen, want anders is de kans groot dat Wouter Noordewier zijn voorspelling uitkomt en alles met het oudpapier meegaat.


Gisteren naar Eindhoven gespoord voor de presentatie van de Meanderbloemlezing. Een mooi boekje, goede voordrachten en leuk om een aantal medewerkers waarmee ik regelmatig e-mail, zoals Joop Leibbrand en Rob de Vos, persoonlijk te leren kennen. Edith de Gilde had mijn gedicht Meisjesbad gekozen om voor te dragen, wat me verraste en waar ik door ben gevleid. Kennisgemaakt met Philip Hoorne en zijn vrouw, die ik nauwelijks kon verstaan, maar dat komt meer door mijn slechte gehoor dan door haar Vlaams, denk ik. We kochten zijn nieuwste bundel, die Stella inmiddels al heeft gelezen.  

Joop Leibbrand sprak over de spagaat in Meander tussen amateur-dichters en de literaire bovenwereld. Dat woord amateur-dichters, daar moeten we vanaf. Bedoeld wordt dichters die niet bij een erkende uitgeverij publiceren, maar 'het publiek' denkt nog altijd aan rijmelende kruidenvrouwtjes. Onder die zogenaamde amateur-dichters, een woord dat ik hierna nooit meer wil gebruiken, zitten ook goede dichters, zoals bijvoorbeeld Fa Claes, die bewust niet bij een erkende uitgeverij wil en liever zelf zijn boeken uitgeeft. 

Na afloop bijgepraat met Patty Scholten, die vertelde dat de redactie van De Tweede Ronde de hoop op het vinden van een nieuwe uitgever nog niet heeft opgegeven. Omdat Eindhoven ons buitengewoon onaantrekkelijk leek om in uit eten te gaan, hebben we rond zes uur de trein terug naar Dordt genomen. We vonden de Italiaan gesloten. Op zondag dicht, dat schijnt de nieuwste gril te zijn. Doorgelopen naar de Passant en daar uitstekend gegeten, maar we moesten wel in een soort kelder zitten, vanwege de drukte. Achteraf maar goed, want het was er relatief rustig, terwijl boven een ploeg tetterend achterbuurtvolk zat. Door een sfeervol verlicht havenkwartier naar huis gelopen. Wat is Dordt toch mooi als de inwoners binnen zitten. Thuis tevreden ingedut bij de open haard.


vrijdag, november 13, 2009

Morgen!


Morgen om 17.00u in galerie Intermezzo, Voorstraat 178, Dordrecht: