zaterdag, september 18, 2010

In de ban van nationalisme en populisme:

de Grieks-Turkse oorlog van 1897

In het voorjaar van 1897 brak er tussen Griekenland en Turkije een kortstondige oorlog uit, waarin het Griekse leger in Thessalië een verpletterende nederlaag leed. De aanleiding tot deze oorlog was de openlijke Griekse steun aan een opstand op Kreta. Dat stond nog onder Osmaans bestuur, maar een meerderheid van de bevolking wilde aansluiting bij het Helleense koninkrijk.

Dat de Grieken zich met Kreta bemoeiden was grotendeels het gevolg van de zogenaamde Megali Idea (Grote Gedachte), een nationalistische ideologie die in de periode na de onafhankelijkheidsstrijd van Griekenland (1821-1830) werd ontwikkeld. Het uiteindelijke doel van de Megali Idea was een Groot-Griekenland, waarin alle Grieken zouden zijn verenigd. Omdat de meeste Grieken in de 19e eeuw buiten de grenzen van het koninkrijk woonden, droeg de Megali Idea voortdurend het zaad van oorlog in zich. Kreta, Macedonië, Constantinopel en grote delen van Anatolië zouden bij Griekenland moeten worden gevoegd om dit ideaal te bereiken.

Nadat het stof van de onafhankelijkheidsoorlog was gaan liggen, stond de Griekse regering voor de moeilijke taak om de nog deels op clanbasis georganiseerde samenleving om te vormen tot een echte natie. Twee wegen stonden haar daartoe ter beschikking: het onderwijs en de militaire dienstplicht. Deze instellingen leenden zich uitstekend voor het kweken van een noodzakelijk geacht saamhorigheidsgevoel, dat al wel bestond onder de intellectuele elite die de basis legde voor de opstand van 1821, maar dat bij de gewone man nog verre van aanwezig was. De Megali Idea vormde hierbij de rode draad: het was de vaderlandse plicht van iedere Griek op te komen voor zijn onderdrukte volksgenoten aan gene zijde van de grenzen.

De Megali Idea sloot geheel aan bij de tijdgeest van de negentiende eeuw, waarin nationalistische gevoelens gedijden als schimmels in een vochtige kelderruimte. Iedere natie of opkomende staat op de Balkan hield er wel een soortgelijke gedachte op na. De Bulgaren droomden bijvoorbeeld van een Groot-Bulgaars rijk dat geheel Macedonië en Thracië zou omvatten. De Serviërs lieten niet alleen een begerig oog op Bosnië-Herzegovina vallen, ook Macedonië behoorde hen volgens de Groot-Servische gedachte toe. Uiteindelijk zou de Megali Idea gedeeltelijk worden verwezenlijkt, met de verovering van delen van Macedonië, Epirus en Thracië, de aansluiting van Kreta en, pas na de Tweede Wereldoorlog, de Dodecanese. Zij zou echter ook leiden tot de catastrofale nederlaag van Griekenland tegen Turkije in de oorlog van 1919-1922. Zover was het in 1897 echter nog niet.

De Megali Idea werd in hoge mate populair. Het wekt daarom geen verbazing dat bij ieder conflict waarbij Grieken in de irredenta betrokken waren, de emoties in het onafhankelijke koninkrijk hoog konden oplopen. Ook in het geval van Kreta, waar in de loop van de negentiende eeuw verschillende opstanden uitbraken tegen het Osmaanse gezag. Telkens wanneer zoiets plaatsvond gingen in Griekenland stemmen op om de opstandelingen te hulp te komen. Dat gebeurde ook toen de opstand van 1895 twee jaar later een hoogtepunt bereikte in het uitroepen van de eenheid met Griekenland door de rebellen. De regering in Athene kon de druk van politici en publieke opinie om daadwerkelijk te hulp te schieten niet meer weerstaan. Zij stuurde oorlogsschepen en troepen naar het eiland, wat leidde tot oorlog met het Osmaanse rijk.

Dat Griekenland zich, naar achteraf bleek, op nogal onbezonnen wijze in een avontuur stortte tegen een militair sterkere tegenstander, is niet alleen te wijten aan overkokende nationalistische emoties, hoewel die meer dan eens een rol gespeeld hebben bij het op een dwaalspoor brengen van 's lands regering. Het feit dat de bedachtzame premier Charilaos Trikoupis, weliswaar nationalist, maar meer nog voorstander van het gezond maken van de financieel (ook toen al) noodlijdende staat, in 1895 het veld had moeten ruimen voor Theodoros Deliyannis, een populist in hart en nieren, is van groot belang. Deliyannis, wiens radicale optreden in een eerdere internationale crisis in 1886 leidde tot een blokkade van Piraeus door een vloot van Engelse, Franse en Russische schepen, was er de man niet naar om de roep tot ingrijpen te negeren. Bovendien vond hij koning George I aan zijn zijde.

Constantinopel bleek aanvankelijk niet erg enthousiast voor een oorlog met de Grieken. Het bood aan om Kreta autonomie te verlenen, onder Osmaanse soevereiniteit, een suggestie die door Deliyannis werd afgewezen. Om de druk op te voeren beval de Griekse regering in maart een algemene mobilisatie en begon zij troepen samen te trekken in Thessalië, langs de grens met het Osmaanse rijk. Dat lokte een oorlogsverklaring uit van de Porte (zoals de Osmaanse regering ook wel genoemd wordt). Begin april begonnen de eerste schermutselingen, die al spoedig gevolgd werden door een opmars van de Osmaanse troepen, waarop de Grieken nauwelijks antwoord hadden. Numeriek hadden de Ottomanen niet eens zo'n grote overmacht, ongeveer vijfenzestigduizend man tegenover een Griekse strijdmacht van ongeveer vijfenveertigduizend man, maar de Grieken bleken hopeloos slecht uitgerust en vooral slecht geoefend. Als we de Geschiedenis van de Griekse natie (Iστoρία τoυ Ελληvικoύ Έθvoυς, τόµ ') mogen geloven, had een groot deel van de artilleristen bijvoorbeeld nog nooit van zijn leven een schot gelost. Het resultaat was ernaar. Alle martiale illustraties in voornoemd geschiedwerk ten spijt was het Griekse leger binnen de kortste keren op de terugtocht en lag de weg naar Athene open. Als de grootmachten onder leiding van Engeland, die zich veelvuldig met Griekse zaken inlieten wanneer hen dat politiek zo uitkwam, op dat ogenblik niet hadden ingegrepen, had het er voor de regering Deliyannis en voor het Κoninkrijk der Grieken duister uitgezien.

Onder druk van de grootmachten kwam de Osmaanse opmars tot stand en werden er onderhandelingen aangeknoopt. Die leidden tot een verrassend resultaat. De evidente verliezer kwam er met enkele blauwe plekken (wat onbeduidende grenscorrecties en een schadevergoeding) vanaf. Zijn inspanningen wat Kreta betreft werden zelfs ten dele beloond, omdat Constantinopel niet alleen moest toestaan dat het eiland autonoom werd onder Osmaanse soevereiniteit (wat in essentie het voorstel aan Athene was geweest), maar ook dat de Griekse kroonprins George ging optreden als gouverneur, waardoor aansluiting bij het koninkrijk nog slechts een kwestie van tijd was. Dat de uitslag van de onderhandelingen zo gunstig uitpakte voor Griekenland had niets te maken met sympathie voor de Griekse zaak bij de grootmachten, maar alles met het belang dat zij hechtten aan het bewaren van een machtsevenwicht op de Balkan en in de oostelijke Middellandse Zee.

In Constantinopel leidde de militaire overwinning tot een kortstondige opleving van het, sinds de rampzalige Russisch-Osmaanse oorlog van 1878 danig geslonken, zelfvertrouwen. Voor Griekenland was het een waarschuwing dat de zieke man van Europa klaarblijkelijk iets minder ziek was dan verondersteld. Bovendien betekende de oorlog de volledige instorting van de toch al wankele staatsfinanciën en moest Athene zich zelfs de vernedering laten welgevallen dat de grootmachten een internationale commissie in het leven riepen, die op dit terrein orde op zaken kwam stellen. De nederlaag leidde ook tot grote onvrede binnen de Griekse strijdkrachten, die, niet geheel ten onrechte, de politici de schuld van het debâcle gaven. De verstoorde verhouding tussen de militairen en de politici bleef in de jaren daarop een rol spelen. Uiteindelijk zou dit een van de oorzaken zijn van de staatsgreep die in 1909 Eleftherios Venizelos, een Kretenzer, aan de macht bracht.

Het agressieve nationalisme bleef in de jaren na 1897 onverminderd populair. Bewegingen als de Εθvική Εταιρία (Nationaal Verbond) gingen onverdroten voort met het nastreven van de Groot-Griekse gedachte. Pas na het failliet van het irredentisme, gesymboliseerd door de verwoesting van de Griekse en Armeense wijken van Smyrna door de troepen van Mustafa Kemal in september 1922, verloor de Megali Idea haar glans en veel van haar aantrekkingskracht.


©drs. C.A. Klok, Dordrecht/Thessaloniki

Een eerdere versie van dit artikel verscheen in het tijdschrift Lychnari, onder de titel Het Grieks-Turkse conflict van 1897 (www.lychnari.nl).

vrijdag, september 10, 2010

Veertig!


Volgend jaar, in 2011, wordt Bobby Kinghe veertig, al is hij, gelijk J. v. Nazareth (die drie jaar voor zijn verjaardag in het jaar 0 ter wereld kwam), eigenlijk iets ouder. Ik herinner mij nog zijn geboorte, in 1967, in een aflevering van De Groene Mug, de schoolkrant van de fameuze Mulo Groenedijk. Hij werd in het leven geroepen door Gerrit de Wolf, in het gelijknamige verhaal, dat handelde over een psychedelische figuur die rondreed op een orgel. De redactie van De Groene Mug, waarvan zowel Gerrit als ik deel uitmaakten, werd geleid door onze tekenleraar, de latere hoogleraar economie, Cees Esseboom. Hij was jong en vooruitstrevend en bood ons, als we na schooltijd in zijn lokaal voor het blad bijeenkwamen, altijd een sigaret aan. Kom daar in het bedillerige en betuttelende Nederland anno 2010 eens om.

Bobby Kinghe beleefde zijn kinderjaren in het Cultureel Warenhuis Bobby Kinghe in de Hofstraat, gedreven door Gerrit de Wolf en Jan van der Geer, in het voormalige boekwinkeltje van Koos Versteeg op (toen) nummer veertien. Na enige tijd haalden ze er een partner bij, die er prompt met de kas vandoor ging, zodat de winkel korte tijd het atelier van beeldend kunstenaar Ton van Dalen werd. Daarna bereikte Bobby de pubertijd met de manifestatie Poëzie in het Minitheater, in 1969. Dat minitheater lag onder het Stadskantoor en is lang geleden om onbegrijpelijke redenen omgedoopt tot fietsenkelder.

Volwassen werd Bobby in 1971, toen ten kantore van notaris Van Aardenne de akte werd verleden waarin de oprichting van de Stichting Produktiegroep Bobby Kinghe een feit werd. De stichting zou 'de Dordtenaren over de cultuurdrempel schoppen,' zoals bestuurslid Han van Gorkom het uitdrukte in een vraaggesprek met dagblad
De Dordtenaar. Wie het allemaal in detail wil weten moet mijn verhalenbundel IJzeren logica kopen, want daar staat het in, maar Bobby Kinghe werd meteen een vis van formaat in de krap bemeten, ondiepe vijver van de Dordtse cultuur. Het doet mij, als een van de oprichters van de stichting, veel genoegen dat Bobby nog steeds een flinke vis is, in het nauwelijks veel verder uitgegraven en uitgediepte cultuurvijvertje van Hollands oudste stad. Het is dan ook zeer terecht dat het veertigjarig bestaan in 2011 gevierd gaat worden, ongetwijfeld op een Bobby Kinghe eigen wijze. Het stemt mij alleen droef dat de vader van Bobby, die in januari van dit jaar is overleden, het allemaal niet meer kan meemaken.



Op de foto een deel van het eerste bestuur van Bobby Kinghe, met vrouwelijke aanhang, aan de leestafel van café Centre Ville, oktober 1972. Met de klok mee: Gerrit de Wolf (deels, uiterst links), Hannie v.d. Heuvel, Bep Schoor, Han van Gorkom, Kees Klok, Anneke Klifman (net zichtbaar), Jacques Noorman, Liesbeth v.d. Heuvel en Herbert Bos.

zaterdag, augustus 21, 2010

Blokkade-ouders


Aan alles begin je te merken dat de zomer op zijn eind loopt. De avonden worden korter, na een mooie dag koelt het 's avonds sneller af en de scholen zijn weer begonnen. Dat betekent dat vier keer per dag mijn straat wordt geblokkeerd door de auto's van moeders die hun kindertjes van twee straten verderop komen afzetten of ophalen bij de school en die bij het afleveren ook nog naar binnen moeten, anders weten de Kimberleys en Patricks de eigen klas niet te vinden. Ondertussen roept men in de media dat kinderen te weinig bewegen en vindt het ministerie van onderwijs dat leerlingen zelfstandiger moeten worden.


Ouders hebben allang door dat dat laatste maatschappelijk ongewenst is. Het bedrijfsleven, de arbeidsmarkt, of hoe die onderwerelden ook worden genoemd, zijn het meest gebaat bij volgzaam, initiatiefloos werkvee. Daarom worden de kindertjes van het opstaan tot in de schoolbank aan het handje van pappie of mammie genomen. Tot aan de middelbare school, dan mogen ze het eindelijk zelf eens proberen, hoewel ook daar het verschijnsel blokkade-ouder hand over hand toeneemt. Ik zal er niets van zeggen, ik heb zelf geen kinderen en ik heb er slechts naar schatting zo'n kleine 5000 lesgegeven in de afgelopen 36 jaar, dus ik weet eigenlijk niet waarover ik het heb. Ik wilde alleen maar zeggen dat de blokkade-ouder het zekere teken is van de voorbije zomer.


Zelf ben ik er tegenwoordig trots op dat mijn moeder mij, op mijn eigen uitdrukkelijke wens, de eerste ochtend dat ik naar de (toen nog) lagere school ging wegbracht en daarna in al die jaren nooit meer. Stel je voor, je ma op het schoolplein en dadelijk ook nog eens in de klas! Dan was je voor de rest van je schoolbestaan een lul de behanger van jewelste. Ik moest om op school te komen de Singel oversteken, het Merwesteijnpark door, de Hallincqlaan uit en vervolgens de Oranjelaan oversteken. Alles bij elkaar een kwartier lopen. Dat deed ik probleemloos, maar het waren toen ook andere tijden. Er stond nog een mooi HTS-gebouw aan de Oranjelaan, er liep een spoorlijn overheen (over de laan, niet over dat gebouw) en wij waren dwars, ondernemend en vol initiatief omdat we nog niet waren blootgesteld aan overbescherming door onze ouders.

woensdag, augustus 04, 2010

Naar een geschiedenis van de Dordtse letteren


In 1983 verscheen een bijzondere uitgave van de Gemeentelijke Archiefdienst en de Openbare Bibliotheek Dordrecht getiteld Dichters in Dordt. Een overzicht van in het verleden in Dordrecht actieve dichters, samengesteld door Pieter Breman en Joyce Rijken, dat eindigde met een hoofdstukje 'Hedendaagse dichters.' Het is interessant om Dichters in Dordt anno 2010 nog eens in te zien. Een paar dingen vallen direct op. Ten eerste gaat het, de titel zegt het al, alleen om dichters. Prozaschrijvers komen er niet in voor, behalve waar het gaat om prozaschrijvers die zich nu en dan met poëzie bezighielden, zoals Top Naeff. Ten tweede, en dat is uiteraard logisch na zoveel jaar, is de afdeling hedendaagse dichters voor een deel tot het verleden gaan behoren en zijn er nogal wat nieuwe namen aangetreden die een plaats in dit hoofdstuk zouden verdienen als het tot een heruitgave zou komen. Ten derde kun je je afvragen welke hedendaagse dichters onterecht in het boekje zijn opgenomen. Gebrek aan distantie in tijd maakt dat er onvermijdelijk eendagsvliegen in zo'n overzicht terechtkomen, waarvan later niets meer wordt vernomen. Tenslotte is de uitgave, hoe interessant ook, qua vormgeving een rampzalig geschrift, omdat het overduidelijk op een koopje moest. A4 formaat, slappe kaft, bijeen gehouden door nietjes en met een typografie die uitermate amateuristisch aandoet. Aan de uitvoering is duidelijk te zien dat er begin jaren tachtig ook flink moest worden bezuinigd.


Door het tijdsgewricht waarin we leven (we dreigen een regering te krijgen die gedoogd gaat worden door een partij van cultuurvernietigers, maar dit terzijde), zal mijn wens om ooit nog eens een heruitgave van het boekje te mogen beleven voorlopig wel een droomwens blijven. Toch zou het de moeite waard zijn, maar dan zou de opzet wel breder en diepgaander moeten. De oude uitgave is niet meer dan een overzicht. Het geeft namen en feiten, zo die bekend zijn, soms volgt er een citaat, vaak staat er een portret bij, maar daar blijft het bij. Ik zou ervoor willen pleiten om op basis van het bestaande materiaal te investeren in een diepgaander onderzoek naar de geschiedenis van de Dordtse letteren. Daar zouden ook de prozaschrijvers bij betrokken moeten worden, er zou meer boven water moeten komen – voor zover mogelijk, over aard en inhoud van het in Dordt geschreven werk en er zou een beeld moeten worden geschetst van het literaire leven in de stad. Dat moet boeiende inzichten kunnen opleveren. Niet voor niets hebben we nog steeds een toneelvereniging in Dordrecht die zich noemt naar een oud rederijkersgenootschap.


Uiteraard weten we wel iets over de geschiedenis van de Dordtse letteren. In allerlei publicaties, zoals Kwartaal en Teken van Dordrecht (helaas een aantal jaren geleden ook wegbezuinigd) en de driedelige Geschiedenis van Dordrecht wordt er aandacht aan besteed, maar vrijwel altijd in het kader van het culturele leven in het algemeen, waarover het volop gaat over de schilderkunst, de muziek en het amateurtoneel, en maar heel zijdelings over de letteren. Meestal wordt er dan een schrijver uitgelicht, Top Naeff, Kees Buddingh', maar het blijft een ondergeschoven onderwerp. Zoals de subsidies voor letterkundige activiteiten in Dordrecht traditioneel ook altijd mijlenver achterblijven bij die voor de beeldende kunst, maar dat is, zoals wij zeggen, een ander sjapieter. We hebben sinds kort de biografie van Top Naeff door Gé Vaartjes en Wim Huijser werkt al zo lang aan een biografie van Kees Buddingh' dat ik mij afvraag of die er ooit nog komt, maar hij heeft inmiddels al wel veel interessant materiaal over zijn onderwerp gepubliceerd. Braak ligt het terrein dus niet, er is het een en ander aan voorwerk gedaan, al is het soms hapsnap, maar nu wordt het tijd om de zaak gestructureerd bijeen te vegen in een grondige studie. Wellicht voelt de een of andere promovendus zich uitgedaagd, ik zou het graag eens horen.


Aan het einde van zo'n studie hoort uiteraard een vernieuwde afdeling hedendaagse schrijvers, want dezer dagen doen zich wat dat betreft in Dordrecht interessante ontwikkelingen voor. Het lijkt er zelfs een beetje op alsof er een letterkundige 'scene' begint te ontstaan. We hebben een zeer actieve Dordtse dichterskring, waarvan stadsdichter Marieke van Leeuwen, evenals ondergetekende, deel uitmaakt en waarvan de leden Jacoline de Heer en Peter M. v.d. Linden onlangs de Dordtse Nacht van de Poëzie en het Bead the Poetry festival organiseerden. Daarbuiten is een groeiend aantal schrijvers actief, zoals Wim Jilleba, de nestor van de Dordtse letteren, die naast zijn fascinerende roman Buitenlander in Vijandig land onlangs een interessant inzicht in het reilen en zeilen van de contra inlichtingendienst in de Koude Oorlog uitbracht, samen met de mooie dichtbundel Het kan zo weer gebeuren. Wil Boesten maakte furore met zijn roman Spiltijd, een boek dat zeer ten onrechte door het warhoofd Martin Ros werd weggewuifd, ik vermoed zonder dat hij er een pagina van las. Onlangs las ik de spannende, voortreffelijk geschreven literaire thriller Het geheim van Paros (dat tot mijn genoegen in Griekenland speelt) van André Oerlemans en gisteren zette Danny Kroonen een zwierige handtekening in mijn exemplaar van zijn vorige maand verschenen roman Caitlin. Dat binnenkort mijn Idioten ontloop je nergens verschijnt zal ik maar niet vermelden, want dan gaat er weer een zure betweter roepen dat je op je weblog niet voor je eigen boeken reclame mag maken, alsof een ander uitmaakt wat ik hier schrijf. Kortom, het bruist een beetje in de Dordtse letteren en dat zou moeten worden vastgelegd in zo'n slothoofdstuk. Dan kan er over vijfentwintig jaar gekeken worden wie de blijvers en de eendagsvliegen zijn.



zondag, augustus 01, 2010

Luisterend naar een dichteres uit het Noorden


Je staat zo kwetsbaar, zo fragiel,

je benen tenger in een wollen rokje,

je smalle rug in een zwartzijden jack,

je ragfijne haar – soms springt een lok.

Je oplichtende ogen vol zeegrijs.


Gedichten van gepolijst edelstaal,

woorden die storm kunnen zaaien.


Ik zou je voorzichtig willen uitpakken

zodat ik je nog beter proeven kon.


Groningen, 31 juli 2010

dinsdag, juli 27, 2010

Chester



Chester was een herinnering aan

zomerdagen gevuld met roeien

op de romantische rivier,

aan uitwaaierende haren

op het gras van de Roman Gardens.


Er was een afscheid in tranen -

voor altijd.


Met zijn voeten in het verleden

zwerft hij opnieuw door de stad,

verrast door het smalle van de rivier

waarin zich regenwolken spiegelen,

verrast door de gekrompen huizen,

de alledaagsheid der geluiden.


Hij ontvouwt zijn paraplu,

knoopt zijn jas dicht

en ziet om zich heen naar

een plek om te schuilen.


De eeuwenoude kroegen

grijnzen hem vijandig toe.


© Kees Klok







maandag, juli 12, 2010

De roes is over

Het was wat stil, gisteravond na De Wedstrijd. Een enkele zatlap stak nog wat vuurwerk af, een schaarse Spanjaard danste wat door zijn huiskamer, om geen depressieve orangisten tegen het lijf te lopen. De feest- en hospleinen liepen leeg, gebogen schimmen sloften door de straten richting huis en vanmorgen stonden wij niet op met een oranjezonnetje, maar onder het gebruikelijke, grijze Hollandse wolkendek, met als troostprijs een weeralarm van het KNMI. De Nederlander heeft zijn feestje gehad, de roes is over, Eeuwige Tweede is ook lang niet slecht, we gaan over tot de orde van de dag. Dat betekent dat we na het uitgeven van handen vol geld aan oranjeprullaria en aanklevende consumptieartikelen weer gewoon gaan klagen over de stijgende prijzen, het Kwartje van Kok dat nog steeds niet is teruggegeven en 'zakkenvullend Den Haag,' waarvan nog niemand heeft ontdekt waar dat eigenlijk ligt. Over twee jaar hebben we het EK en begint het circus gewoon opnieuw.


Ik zit al uit te kijken naar het Bead the Poetry festival, woensdagavond in de tuin van de Grotekerk. Ik ben benieuwd wie de junior stadsdichter wordt. Niet gekozen via een malle verkiezing, maar gewoon netjes aangewezen door een jury, zoals dat hoort. Er wordt voor woensdag 1.6 mm. regen voorspeld, met af en toe een zonnetje en een temperatuur van 26 graden. Laten we er even voor duimen dat die 1.6 mm. netjes in de ochtenduren valt, of op Zwijndrecht, om maar eens wat te noemen, want twee teleurstellingen in een week zou iets te veel van het goede zijn. Ik moet toegeven, het was jammer voor Bert en zijn boys, maar het zou mij meer aan het hart gaan als Bead the Poetry in het water zou vallen. Voor Daniël Vis en Amarantha Groen is het ook een opmaat naar het driedaagse festival Dichters in de Prinsentuin in Groningen (28 t.m. 30 juli), waar zij op donderdag en ik op vrijdag acte de présence zullen geven. Ook dan moeten we maar een beetje stiekem bidden om de gunst van de weergoden.


Die waren ons afgelopen zaterdag in Haarlem even niet gunstig gezind. Wij hadden met enkele vrienden de tentoonstelling over Godfried Bomans bezocht, in de Hallen, waarna wij via enkele terrassen en een Indiaas restaurant (iets dat Dordrecht ontbeert, waardoor het toch iets provincialer lijkt dan Haarlem) terechtkwamen op de Botermarkt. De lucht begon te betrekken, maar wij zaten onder een forse parasol en ik dacht dat het wel zou overwaaien, een beetje zoals de oranjekoorts gisteren ineens overwoei. Dat bleek niet het geval. Op een gegeven ogenblik begon er iemand van grote hoogte emmers water over ons uit te storten en daar heel hard bij de blazen. Er volgde een wilde vlucht het bijbehorend café in, waar we als troost nog de tweede helft van de troostfinale tussen Duitsland en Uruguay zagen. Dat was wél een goede wedstrijd. Daarna werd het tijd om naar het station te gaan, maar het regende nog steeds hevig. In zo'n geval kan men in een beschaafd oord een taxi bellen. Dat bleek in Haarlem niet mogelijk. Het koetsierswezen nam eenvoudigweg de telefoon niet op. Ten einde raad zijn we maar door de regen naar het station gewandeld, waar we doorwaternat, zoals we in Dordt zeggen, in de laatste trein naar het zuiden stapten. In Dordrecht waren de buien bij aankomst voorbij en stonden er keurig een paar taxi's op de Stationsweg op reizigers te wachten. Die vijf minuten naar huis kon ik zelf wel lopen, maar ik denk nu dat ik weet waarom Bomans eerste boek, Pieter Bas, in Dordrecht speelt en niet in Haarlem.

zondag, juli 04, 2010

Kantooruren van negen tot twaalf

De laatste schoolweek is achter de rug, mijn collega's hebben mij een overweldigend afscheid bereid en met ingang van gisteren is de grote verandering een feit. Ik houd niet zo van veranderingen, maar soms zijn ze onvermijdelijk en als je dan zo uitgeluid wordt, met een afscheidsreceptie die meer had van een zeer geslaagde reünie en waarop naast heel veel collega's ook een grote groep oud-collega's en oud-leerlingen aanwezig was, dan kijk je met een tevreden gevoel terug. Zesendertig jaar onderwijs afgesloten en nu voort met het nieuwe leven. Kantooruren van negen tot twaalf, maar eerst even vakantie, daarna de jaarlijkse conferentie van de Dickens Fellowship en een optreden op Dichters in de Prinsentuin. Dat laatste is ook een goede gelegenheid om enkele Groninger vrienden en wat noordelijke familie te zien.


Ik laat de auto thuis, de achterblijvers hebben hem nodig, en vertrouw mij geheel toe aan het openbaar vervoer. Binnenkort stoom ik op ouderwetse wijze het zeegat uit, met dezelfde lijn, alleen in naam veranderd, waar mijn grootvader ooit zijn carrière als zeeman afsloot. Hij kende alle vuurtorens en lichtschepen op de route en had altijd wel een avontuurlijk verhaal, waar ik als jongetje van smulde. Hij had een tatoeage op zijn linker hand, een anker. Mijn neefjes uit Engeland en ik tekenden die tatoeage met balpen op onze eigen linkerhand na als we met opa langs de Dordtse havens gingen wandelen. Aan gene zijde van de Noordzee reis ik verder met de trein. Dezelfde route die ik als kind in de zomervakantie zo vaak met ons gezin maakte, als we gingen logeren bij de familie in Newton-le-Willows. Tot Chester, waar ik, evenals ik dat in december in Lissabon deed, een verhaal wil schrijven. Gewoon ouderwets met de hand in het fraaie en handige notitieboek dat ik bij mijn afscheid van mijn oud-leerlingen Anneloes en Irene kreeg. En met de vulpen die Stella mij jaren geleden cadeau gaf en waarmee ik ook altijd in mijn dagboek schrijf.


Vanuit Chester ga ik een familielid opzoeken dat nu al jaren slachtoffer van de Engelse gezondheidszorg is en dat op een operatie wacht omdat het ziekenhuis na een val, veroorzaakt door duizelingen als gevolg van verkeerde medicatie, een bekkenfractuur over het hoofd zag bij een heupoperatie. Het klinkt ingewikkeld, maar sommige mensen wordt nu eenmaal een oneindige reeks complicaties aangedaan. Het ziekenhuis waar hij verblijft heeft mij bij informatie laten weten dat het bezoekuur van twee tot drie is en dat ze voor een bezoeker uit Nederland geen uitzondering kunnen maken. Zelfs Nederlandse ziekenhuizen zijn doorgaans gastvrijer, om maar niet te spreken over de Griekse, waar je zo'n beetje vierentwintig uur per dag welkom bent. Ik vrees dat ik er op een jaren vijftig tafereel ga stuiten, met zalen van dertig of veertig patiënten, maar het kan meevallen.


Ik ga ook op jacht naar materiaal voor mijn verhaal in Newton-le-Willows, waar zo ontzettend veel jeugdherinneringen liggen. Ik was er in mei 2007 voor het laatst enkele dagen met Stella, op de terugweg van ons bezoek aan John Burnside. Mijn vertalingen van zijn poëzie, gebundeld in Het bal in de inrichting, komen in de loop van dit jaar uit bij Liverse. Met The Asylum Dance won hij in 2000 de Whitbread Book Award. Ik ben benieuwd naar de weerklank in Nederland. In 2006 publiceerde ik een essay over zijn poëzie en enkele vertalingen in de Revisor. Ik kreeg daar een paar aardige reacties op, maar na vier jaar herinnert niemand zich dat meer, natuurlijk. Het was dan ook de bedoeling dat Het bal in de inrichting eind 2007 of begin 2008 zou verschijnen, maar door problemen bij Wagner & van Santen ging dat niet door. Het hoe en wat daarover staat in mijn eveneens dit jaar bij Liverse te verschijnen Idioten ontloop je nergens.


Terug naar Engeland, want na het noemen van zoveel titels zit er beslist ergens een azijnpisser op het net te knarsetanden dat die pathetische schlemiel van Klok reclame voor zichzelf maakt op zijn eigen weblog en zulks is de ware calvinist een gruwel! Na een klein rondje Lancashire (het heet daar al tientallen jaren Merseyside en Greater-Manchester, maar daar willen wij in de familie niet aan), ga ik via Londen naar Eastbourne om mij in Dickens te verdiepen en mij beladen met nieuwe inzichten opnieuw op het werk van de grote meester te storten. Ik twijfel al decennia wie ik een groter schrijver vind: Charles Dickens of Thomas Hardy, maar om daar eindelijk eens klaarheid in te kunnen scheppen zou ik ook nog naar Dorset moeten en dan haal ik Dichters in de Prinsentuin niet.


De zon schijnt, de vogels zingen, de drukkende hitte van vrijdag is overgewaaid door enkele verfrissende buitjes en hier in Dordrecht is het boekenmarkt. Tijd om daar een paar uur te gaan rondzwerven en uiteraard de stand van mijn uitgever, Liverse (http://www.liverse.nl), op het Steegoversloot aan te doen.




zondag, juni 20, 2010

Weekje poëzie


Het was een mooi weekje poëzie, al kon ik niet bij alle avonden van Poetry International zijn. Zo miste ik voor de eerste keer sinds jaren de uitreiking van de C. Buddingh'- prijs, omdat ik mij toen met een exquis gezelschap te Sleeuwijk bevond. Dat rivierdorp is ook de woonplaats van Buddingh's zoon, vertaler Wiebe Buddingh', maar dit terzijde. Wel maakte ik met veel genoegen de twee laatste dagen mee. Op donderdag vormde het optreden van Lêdo Ivo, auteur van Vleermuizen en blauwe krabben, het hoogtepunt. Presentator Tsead Bruinja beval dit boek terecht aan, maar of het nog te krijgen is, is de vraag. Sinds Ivo's uitgever, Wagner & van Santen, de geest heeft gegeven zal er misschien ergens nog wel een stapel in een of ander pakhuis liggen, maar krijg die er maar eens uit bij een firma die al bij leven berucht was om de gebrekkige communicatie. Ik ben in ieder geval blij dat het boek bij mij in de kast staat.


Vrijdag werd allereerst de uitkomst van het vertaalproject gepresenteerd. Ik vind het altijd fascinerend om te zien hoe een gedicht in diverse talen wordt getransformeerd en hoe haaks de opvattingen van vertalers soms op elkaar kunnen staan. Het ging dit keer om vertalingen uit het werk van de Peruaan Carlos López Degregori en de Nederlander Tomas Lieske. Hoogtepunt op vrijdag was het programma met Ewa Lipska en haar vriendin Wislawa Szymborska, de eerste lijfelijk, de laatste op film aanwezig. Prachtige poëzie en een kostelijke documentaire over een levenslustige Szymborska, met peuk en cognacje in gesprek met Lipska. Bij de aansluitende parade van dichters, die niet uit eigen werk, maar een keuze uit dat van collega's lazen, was het een beetje jammer dat een aantal deelnemers al vertrokken was. Op een festival van een week uiteraard een onvermijdelijk euvel.


Ik kwam in ieder geval gelouterd de Rotterdamse schouwburg uit, het lelijkste theater van West-Europa. Daarna moet je dat weerzinwekkende Schouwburgplein oversteken en langs die eeuwige bouwput voor het station je trein zien te vinden. Ik heb weleens gepleit voor een Poetry aan de Merwede, want Rotterdam is door al die bouwactiviteiten, maar ook door de architectonische lelijkheid van de stad, geen pretje om te vertoeven. Kunstmin is ook een veel sfeervoller ambiance voor een poëziefestival dan die Rotterdamse kist, maar aan de andere kant is de tegenstelling tussen bouwkundige gruwel en sfeerloosheid en een kunstvorm als poëzie ook wel spannend om mee te maken.


In het begin van de week bezorgde de postbode het nieuwe nummer van het literaire blad Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift, een periodiek van hoog niveau dat al jaren zijn sporen verdient, maar nog steeds bedreigd wordt door een subsidiestop van het Vlaams Fonds voor de Letteren. In het zomernummer staan vier gedichten van mij onder de noemer 'Nog lang niet uitgereisd.' De reeks begint met het aan de nagedachtenis van Stella opgedragen Woordeloos woedend, dat ik als een van mijn beste gedichten beschouw.


Er moest deze week ook nog wat gewerkt worden. Op school is de laatste repetitieweek gaande. Dat betekent surveillance, steeds weer een opgave om daarbij niet in slaap te vallen, en correctie, ook niet het leukste onderdeel van het onderwijs. Mijn laatste repetitieweek. Over een paar dagen zet ik voor de laatste keer in rood, want ik ben wat dat betreft, alle pedagogisch gewauwel ten spijt, een traditionele leraar, een cijfer boven een proefwerk. Ik hoop op veel goede cijfers, maar toen ik vrijdag om half een 's avonds vanaf het station Dordt naar huis liep, zag ik het veertienjarige meisje K. uit TG3, dat bij mij in de buurt woont, nog met enkele jongens richting stad fietsen en dan vrees ik toch meteen weer het ergste.


Links:

http://www.poetry.nl

http://www.gierik-nvt.be



zaterdag, juni 12, 2010

Slammer versus Winkle


De voorjaarsbijeenkomst van de Haarlem Branche van de Dickens Fellowship stond vandaag in het teken van het 'book of study,' namelijk The Pickwick Papers. In dat kader sprak ik de volgende rede uit:


Al vrij in het begin van de Pickwick Papers beleven Mr. Pickwick en zijn gezelschap een benauwd avontuur, wanneer zij door een koetsier worden aangezien voor een stel verklikkers, maar uit hun netelige situatie worden gered door een haveloos geklede en in een merkwaardig staccato sprekende jongeman, die toevallig ook met de diligence naar Rochester moet. De kennismaking met dit heerschap zal grote gevolgen hebben. Trouwhartig en beleefd als de heren van de club zijn, wordt de vreemdeling op het diner genood, dat plaatsvindt in het hotel waar de Pickwick Club zijn intrek heeft genomen.


In dezelfde gelegenheid vindt een liefdadigheidsbal plaats, waar de heer Tupman, liefhebber van aantrekkelijke dames, graag naartoe wil. De vreemdeling voelt er ook wel voor. Er is echter een probleem: hij beweert dat zijn bagage nog niet is aangekomen en dat hij zich daarom niet voor het bal kan kleden. Daar weet de heer Tupman, overmoedig door de rijkelijk met alcohol besprenkelde maaltijd, wel raad op. De vreemdeling heeft ongeveer het postuur van de heer Winkle, die beneveld door de drank is ingedut. Klein kunstje om het pak van Winkle, waarvan de jas voorzien is van knopen met het insigne van de Pickwick Club, buiten diens medeweten om een avondje uit te lenen aan de vreemdeling.


Het verhaal zal menige Dickensian bekend zijn. Op het bal danst de heer Tupman, door tussenkomst van de vreemdeling, met de weduwe Budger, op wie dr. Slammer, arts van het 97ste Regiment, dat in Rochester in garnizoen ligt, zijn zinnen heeft gezet. Slammer en de vreemdeling krijgen woorden, die uitdraaien op wederzijdse beledigingen. De vreemdeling wordt de volgende ochtend opgespoord aan de hand van het insigne op zijn knopen, waardoor de van niets wetende heer Winkle wordt uitgedaagd tot een duel. Winkle wordt voor het blok gezet. Hij komt tot de conclusie dat hij in zijn benevelde staat wel iets zal hebben gedaan waardoor de dokter beledigd is en trekt op het afgesproken uur met zijn secondant, de dichterlijke heer Snodgrass, die merkwaardig koel blijft onder het gebeuren, zijn noodlot tegemoet. Dit overigens zonder dat de overige leden van de Pickwick Club op de hoogte zijn. Eenmaal ter plekke wordt Winkle niet door zijn vijand herkend en na enige verwarring komt men tot de slotsom dat er een vergissing in het spel moet zijn.


Het duel loopt met een sisser af. In werkelijkheid ging dat weleens anders, men denke slechts aan het duel waarin de Russische dichter Poesjkin het leven liet. Dan komt zo'n gebeurtenis in een ander licht te staan dan het tragikomische voorval in The Pickwick Papers. Ik associeer het verschijnsel altijd met onvolwassen, opgewonden standjes van mannen die hun conflicten niet op verbale wijze kunnen of willen uitvechten. Wel heren van stand, uiteraard, want in de lagere sociale klassen werd er direct bovenop geslagen of werd niet zelden het mes getrokken. Aan het duel kleefde het aura van iets chiques, iets ridderlijks, ook al was het in Dickens tijd in onbruik aan het raken. Dat neemt niet weg dat het bij sommige type mannen, laten we zeggen het hanige soort van betere komaf, nog steeds tot de verbeelding spreekt, al associëren we het tegenwoordig vooral met Zuid-Amerikaanse operettemilitairen, waarbij we en-passant bij Dickens terug zijn. Het duel was een zaak van eer, eer die was geschonden en moest worden verdedigd. Een afspiegeling van de Middeleeuwse toernooien, waarin het overigens niet ging om de eigen eer, maar om die van de hoofs beminde dame. Maar ook van het Middeleeuws godsgericht, waarbij de uitkomst van het tweegevecht als de wil van de almachtige werd gezien. Het duel gedijde mijns inziens dan ook het best in samenlevingen waar de mannelijk eer gemakkelijk werd geschonden, samenlevingen met een sterk ontwikkelde schaamtecultuur, waarin het van het grootste belang is wat de omgeving van iemands handelen vindt en of dat wel in overeenstemming is met de heersende normen en waarden.


Wat dat betreft is het wat merkwaardig dat duelleren in de loop van de 19e eeuw in Engeland meer en meer als 'not done' werd gezien, want als er één maatschappij was die we een schaamtecultuur kunnen noemen, dan was het wel de Victoriaanse. Tegelijkertijd was het een van hypocrisie doordrenkte tijd, waarvan de vrouw in hoge mate onderwerp en slachtoffer was. De maatschappelijke bewegingsvrijheid van de 'nette' vrouw was zeer beperkt door strenge opvattingen over de zedelijkheid, terwijl de Britse samenleving tegelijkertijd nooit meer zoveel 'gevallen vrouwen' kende dan toen. De schaamtecultuur van de Victoriaanse eeuw was echter sterker gericht op het hooghouden van de vrouwelijk eer, haar respectability, dan op het verdedigen van de mannelijke. Hoe ernstig de gevolgen van de vigerende opvattingen konden zijn mag blijken uit de gecompliceerde en tragische verhouding van Dickens met Nelly Ternan, die zich in het diepste geheim afspeelde en die zelfs na zijn dood verzwegen diende te blijven.


De oorzaken van de toenemende afkeer van duelleren moeten we zoeken in de maatschappelijke veranderingen die het gevolg waren van de Industriële Revolutie, maar met een duel dat dreigt te leiden tot een diepgaande analyse van de Victoriaanse samenleving, drijf ik wellicht wat al te veel af van The Pickwick Papers zelf. Terugkerend naar het boek kom ik tot de slotsom dat 'Slammer versus Winkle' vooral geslaagd is als een voorbeeld van Dickens briljante humor, waarom ik steeds weer smakelijk moet lachen.


woensdag, juni 09, 2010

St. Andrews
















Vandaag spiegelt St. Andrews zich
in het staalgrijs van de zee,
schurkt het in de rust
van een vroeg voorjaar waarin wij
over een kerkhof wandelen,
rond de ruïnes van een kathedraal
en langs resten
van een kasteel waaruit ooit
een bisschop werd geworpen
uit naam van de enige ware God.
In een winderige straat
zitten studenten
voor een koffiehuis het verleden
weg te roken.
Binnen wordt geadverteerd
met boeken over de liefde des Heeren,
als zouden eeuwen valse troost
uitwisbaar zijn.



Uit: Kees Klok - Het is al laat. Liverse 2009

maandag, mei 31, 2010

Van de straat

Op het ogenblik dat de voormalige stadsdichter van Middelburg, Jan J.B. Kuipers zijn wijsvinger gisteren vermanend ten hemel hief, klonk er een zware donderslag over Dordrecht, waarna plaatselijk over de Voorstraat een krachtige lading grote hagelstenen werd uitgestort. Het was vervelend voor de bezoekers van het stoomfestival, maar hier werd even getoond wat poëzie vermag. Het optreden van Kuipers vond plaats in Theater 450, van stadsdichter Marieke van Leeuwen, die evenals ik te gast was bij de Mannen van Papier, vier prominente Zeeuwse dichters (naast Kuipers Thom Schrijer, André van der Veeke en Wim Hofman), die een inspirerend en resonerend programma brengen rond het thema 'waarom schrijven?' Albert de Vos zorgt daarbij voor passende gitaarmuziek. Het was een genoegen om een paar gedichten in dit programma te mogen lezen en die donderslag was knap gepland.


Twee van de Mannen van Papier, Jan J.B. Kuipers en André van der Veeke, vormen ook de redactie van het tijdschrift Ballustrada, een van de boeiendste en levendigste literaire bladen in Nederland, dat verschijnt in Middelburg en misschien daarom, zij het volkomen ten onrechte, niet overal in den lande even bekend is. Het jongste nummer van Ballustrada is zojuist uitgekomen, als altijd in de fraaie vormgeving van Ko de Jonge. Ballustrada biedt weer een zeer gevarieerd menu en de bijdragen zijn van een hoog niveau. Met recht een blad dat landelijke waardering verdient. Uniek is dit keer de door Tom Schrijer samengestelde bloemlezing 'Laaglandse Poëzie' van gedichten die werden ingezonden voor de poëziewedstrijd 'Verdronken geschiedenis.' De wedstrijd was een initiatief van Ballustrada en de Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland, ter gelegenheid van de onthulling van het Monument voor de Verdronken Dorpen te Colijnsplaat in oktober 2009. Naast het winnende gedicht door Harmen Wind (die in 2003 de Academica Debutantenprijs won met zijn roman Het Verzet) werd een aantal andere hoog geëindigde bijdragen opgenomen, aangevuld met gedichten over hetzelfde thema door de leden van de jury en Wim Hofman.


De vertaalrubriek (Taal Ver Taal) is dit keer gewijd aan de Engelse dichteres Helen Dunmore, winnares van de 2009 National Poetry Competition. In de kritische rubriek De gesel en de veer, schrijft Roelof Goudriaan uitgebreid en doorwrocht over het tijdschrift New Worlds. Daarnaast is er veel ruimte voor poëzie, verhalen, columns, grafiek en het doorlopende Mailart-project van Ko de Jonge. Dat alles voor de bespottelijk lage prijs van 12,50 euro per los nummer of 19 euro voor een jaarabonnement. Dat laatste is zeer aan te bevelen. Ik ben in ieder geval door de nieuwe Ballustrada weer een tijdje van de straat.


Links:


Ballustrada: http://www.ballustrada.eu

De Mannen van Papier: http://www.pzc.nl/algemeen/cultuur/5755913/Mannen-van-Papier-pakken-uit.ece


zaterdag, mei 22, 2010

Win-win


Het einde van het schooljaar is altijd hectisch en rommelig. Eindexamens, excursies, rapportvergaderingen, voorbereidingen treffen voor het nieuwe schooljaar en afscheid nemen van collega’s die gaan vertrekken. Het is niet mijn favoriete tijd. Na de diploma-uitreiking verdwijnt een groot aantal leerlingen uit je blikveld. De meesten voorgoed, een enkele zie je terug bij een reünie, sommigen komen later nog eens stage lopen, een paar keren als collega terug op school en met een aantal houd je contact via sites als Facebook. Ik houd niet van afscheid nemen. Het heeft iets melancholieks. Dat geldt ook voor collega’s die weggaan. De meeste zie je na de afscheidsreceptie zelden of nooit terug.

Nu ben ik zelf aan de beurt om afscheid te nemen, om over een paar weken de sleutels van mijn kasten en lokaal over te dragen aan de oud-leerling die mij opvolgt en om het centrum van een afscheidsreceptie te zijn. Het wordt, nu het ogenblik nadert, een steeds bevreemdender gedachte, al heb ik het zelf zo gewild en hoefde ik nog bij lange na niet uit het onderwijs te stappen. Ik stop op mijn negenenvijftigste, terwijl ik het voor de klas, als ik lesgeef, toch uitstekend naar mijn zin heb.

Waarom stopt u, vragen leerlingen mij. Ja waarom? Om veel redenen. Een daarvan is dat ik nooit op de eerste plaats leraar ben geweest. Op de eerste plaats ben ik dichter, een aandoening waarvan zelden kan worden geleefd. Dan is het prettig er een baan bij te hebben die je (gezien de vakanties en de vrijheid je werk tot op ruime hoogte zo in te delen als je zelf wil) in staat stelt dat dichterschap uit te oefenen zonder op een onverwarmd, lekkend zolderkamertje te verkleumen. Nu zich echter de kans voordoet om mij volledig aan het schrijven te wijden, zonder en-passant te verhongeren, zou ik wel gek zijn om hem niet te grijpen.

Nu doet zich ook de gelegenheid voor om meer tijd in het beoefenen van de geschiedwetenschap te steken, om het maar eens deftig te zeggen. Ik heb altijd wel iets van onderzoek erbij gedaan. Ik heb artikelen gepubliceerd en een boek over Cyprus geschreven, maar geschiedenis geven op een middelbare school heeft helemaal niets gemeen met onderzoek doen en geschiedschrijven. Aan die vorm van literatuur wil ik mij ook gaan wijden, terwijl ik het trouwens hoog tijd vind worden voor het schrijven van een, liefst autobiografische – ik ben een groot liefhebber van egoliteratuur – roman. Dat is dan de derde reden.

Ik word er ook niet jonger op. Als ik geluk heb en niet tot het legioen ga behoren dat vroegtijdig aan kanker bezwijkt, de gruwelijke ziekte die we voornamelijk te danken hebben aan dat schone milieu waarin we veroordeeld zijn om te leven en aan een legaat van bovengrondse kernproeven uit de jaren vijftig en zestig, heb ik misschien nog twintig goede jaren. Het kan ook zijn dat ik vandaag over een week al in het familiegraf van de Timonidae lig in het prachtige bergland rond Theodósia. Daar heb je maar één dronken gek in een auto voor nodig. Nu ga ik van dat laatste niet direct uit, anders kom je nooit de straat meer op, maar ik wil zo lang mogelijk genieten van de periode dat ik niet meer in een keurslijf hoef te lopen.

Bovendien ben ik moe van zesendertig jaar lang strijd leveren om de neergang en verloedering in het onderwijs zoveel mogelijk te stoppen. Uiteindelijk valt het met het Nederlandse onderwijs voorlopig nog wel mee, maar dat hebben we dan niet te danken aan het ministerie, aan de onderwijsvernieuwers en andere bedenkers van malle plannen, of aan de cultuur van fusies en managers. Nee, dat is te danken aan het feit dat ik en vele collega’s met mij, ons altijd weinig aangetrokken hebben van al die veel te goed betaalde zijlijnwerkers, maar gewoon ons werk zo goed mogelijk naar eigen inzicht hebben gedaan. Zo langzamerhand heb ik het nu wel gehad met het vechten tegen de bierkaai.

Wat ook een rol speelt is dat ik straks voor langere perioden weg kan uit het beroerde Nederlandse klimaat, zowel het weerkundige als het geestelijke. Nederland is me te nat en te koud. De Nederlanders zijn mij te veel verworden tot een natie van azijnzuipers en hysterici. Bang van alles, boos op alles, stinkend rijk, maar schijnheilig, wrokkig en gierig, ondanks soms dat tientje dat wordt gegireerd naar een verre ramp, om het calvinistisch-zondige geweten weer een tijdje gerust te stellen. Ik verblijf liever in Griekenland, waar meer dan 20% van de mensen onder de armoedegrens leeft en waar ze volop in de economische nesten zitten, maar toch hun levensblijheid hebben behouden.

Doorslaggevend om nu te stoppen was het besluit van de overheid om de zomervakanties in het voortgezet onderwijs met een week in te korten. De zomervakantie is al vanaf mijn kinderjaren de heerlijkste tijd van het jaar. Ik heb altijd gezegd: ‘als ze aan de zomervakantie komen, ga ik het onderwijs uit’ en ik ben iemand die zich aan zijn woord houdt. Dat ik al doende een flink deel van mijn inkomen opgeef, toont dat ik geen platte materialist ben, zodat meteen duidelijk is dat ik niet op de VVD zal stemmen. Mijn school is er bovendien goed mee, die benoemt voor nog geen derde van wat ik verdien een jongeman in een veel lagere salarisschaal. Noem je zoiets geen win-win situatie?