maandag, januari 30, 2012

Literair dagboek 1992 (3)



Vrijdag, 3 januari:

In de oudejaarsnacht, kijkend naar de kerstboombrand op het schoolplein, kou gevat. Een beetje symptomatisch voor wat ik van het komende jaar verwacht. De nieuwjaarsviering samen met Stella beleefd. Desalniettemin heel gezellig, al bleef het tot drie uur onrustig op het plein. Op nieuwjaarsdag kwamen Herbert en Maria even aan en 's avonds hadden we Lupius en Thijs op het eten. We wilden ook Piet v.d. Maagdenberg vragen, maar die neemt al dagen de telefoon niet op (hoewel hij wel in de stad is gesignaleerd).


Een betere versie van Snapshot geschreven en nog wat kleine verbeteringen aangebracht in Schrijver op school. Thijs vond ze mooi. Na het weekeinde stuur ik ze naar De Tweede Ronde. Vandaag maar wat aangerommeld (schilderwerk in de logeerkamer, schoongemaakt) en begonnen met lessen voorbereiden. Van dichten is niet veel gekomen. Toch zou een vijfde gedicht, ter afronding van de vakantie, mooi zijn. Ik word hier echter te veel afgeleid. Gisteren bijvoorbeeld op een nieuwe keuken uit geweest. We denken iets aardigs te hebben gevonden bij een zaak op de Grote Markt.


Zaterdag, 5 januari:

Hoogtepunt van de verkoudheid. Verergerd door een stuk of wat kloeke trappisten, gisteravond bij Maarten en Nella. Als het een werkdag zou zijn geweest, was ik thuis gebleven. Wat geschilderd en de kerstboom afgetuigd, maar niets geschreven. Overmorgen begint het lieve leven op school weer. Mooie boel: salaris niet in orde, per 1-1 loonslaaf voor een ander bestuur en deze week weer geen fatsoenlijke advertentie in de Volkskrant.


Morgen ga ik Martin Ros bellen, want ik heb nu lang genoeg gewacht op antwoord op mijn brief. Deze week ook een begin maken met een stuk voor Kruispunt. En daarna wil ik nog uitsluitend schrijfwerk doen dat fatsoenlijk wordt betaald.


Dinsdag, 7 januari:

De verkoudheid neemt af. Ik verwacht morgen weer min of meer normaal te kunnen praten. Wat een dag weer. F. maakte bekend dat hij bij nader inzien besloten heeft de benoeming tot rector van de nieuwe fusieschool niet te aanvaarden. Voor hem een kleine, persoonlijke tragedie, voor ons een ramp, want hij heeft zichzelf in één klap uitgerangeerd. Had hij niet gesolliciteerd dan was er niets aan de hand geweest, maar nadat alles uitgebreid in de pers is geweest, loopt hij voor de verantwoordelijkheid weg. Ik kan er nog wel een beetje begrip voor opbrengen, maar op de buitenwacht maakt het natuurlijk een bijzonder negatieve indruk. Daardoor staat hij vanaf nu ook zwak tegenover de figuurzagers die in de fusieschool de dienst gaan uitmaken.


Na school als de bliksem naar Utrecht gespoord om The Eastern Question van Anderson op te halen en mijn UB-pas te verlengen. Dacht nog even langs Karin en Hugo te gaan, maar het was zo koud en thuis wachtte nog zoveel werk, dat ik er van heb afgezien. Na het eten tegen heug en meug gewerkt aan de 'methode Versluys' en een paar brieven geschreven. Morgen gaan er zeven gedichten naar De Tweede Ronde. Bobby Kinghe stuur ik naar Kreatief in Antwerpen.


In de trein gestudeerd op de artikelen die de Amerikanen mij hebben gestuurd in verband met het congres aan het einde van de maand. Het gaat over 'illiberal education,' waarmee wordt bedoeld de geestdrijverij van feministen en andere voorstanders van het bevoorrechten van minderheden, of deze voor een functie bekwaam zijn of niet. Allemaal goed doorbakken in een saus van puur Amerikaans moralisme en fanatisme. Lieden die liever een zwarte, vrouwelijke, lesbische analfabeet als hoogleraar zien dan iemand van buiten de kerk, die er toevallig wél voor heeft geleerd. Wie weet hoe levendig dat congres nog wordt. Ik zou Lupius mee moeten kunnen nemen en Stella uiteraard. Het nummer van Forum met haar stuk over de invloed van het Grieks op het Engels is vandaag gearriveerd. Ik ben benieuwd of er nog reacties van andere Fulbright-alumni op komen.


Vrijdag, 10 januari:

Martin Ros gebeld. Een teleurstellend gesprek. 'Het heeft weinig zin een manuscript in te sturen,' zei hij, 'want dit jaar is er in ons fonds geen ruimte voor nieuwe bundels. We hebben onze eigen mensen al, zoals Ed Leeflang, Eijkelboom, Gerlach, en die gaan voor.' Hij zei nog wel: 'misschien over een jaar,' maar voor mij is het duidelijk. Ik hoor er niet bij, ik ben niet één van 'onze eigen mensen.' Ondanks al die gedichten in Maatstaf. Verdere illusies moet ik maar uit mijn hoofd zetten.


Het is dat Archie mij gisteren kwam ophalen, anders was ik niet naar de muppetshow van de fusieschool gegaan. Wat een grenzeloze hoeveelheid uitgeholde clichés en open deuren. De bloedhonden van het LBO zijn direct na het terugtreden van F. begonnen om de paar afspraken die toch nog gemaakt zijn te ondergraven. Ik zat die koppen samen met Archie vanaf een muurtje aan de zijkant te bekijken en dacht: gadverdamme, daar wil ik niet bijhoren.


Zaterdag, 11 januari:

Düsseldorf

Een uurtje geleden aangekomen na een beroerde reis, omdat de trein na Eindhoven steenkoud werd door een defect aan de verwarming. Tot Venlo nog wel fatsoenlijk gezeten, maar daarna moesten we de veewagen in omdat de Nederlandse wagons werden afgekoppeld. De conductrice van de NS, een leuk meisje, gaf de Duitsers de schuld en de chagrijnige Mof aan de andere kant van de grens de Nederlanders. Hoe dan ook, ik heb een formulier bemachtigd om een deel van mijn reisgeld terug te krijgen. Ik kreeg onderweg ook steeds meer hoofdpijn, al is het gisteren niet laat geworden, terwijl ik ook niet veel heb gedronken. Na aankomst direct ibuprofen genomen. Het begint wat te zakken. Stella zit in bad en straks ga ik ook even heerlijk weken. Ben in een geile bui. Na het bad wil ik lang en hevig de liefde bedrijven.


De literaire avond, gisteren, met Patricia de Martelaere, viel tegen. Voor de pauze hield ze een veel te lang, verward en tamelijk onzinnig betoog over dagboeken. Na de pauze was er een tweegesprek met Jan Eijkelboom, waarin ze op uiterst angstvallige wijze haar leven en haar literatuur gescheiden bleef houden. Alsof die twee niet onlosmakelijk dooreen geweven zijn. Toen ze beweerde nooit biografieën te lezen en zeker niet die over Wittgenstein – omdat 'werk en leven niets met elkaar te maken hebben,' begon Lupius helemaal te blazen en te sputteren, maar hij nam, zoals altijd, toch geen deel aan de discussie. Ik had nog wel wat willen napraten, maar Gerrit en Lupius wilden direct weg en ik ben nog even met hen meegegaan. Bij Thijs wat gedronken, maar hij had de verwarming niet aanstaan (in die kelder, terwijl het buiten vroor), dus ik ben niet lang gebleven.


vrijdag, januari 27, 2012

Mijn jongste.






Vanaf heden te bestellen bij Uitgeverij Liverse: www.liverse.nl/info@liverse.nl
of bij de boekhandel.

ISBN 978-90-76982-85-4 Euro 15. =

donderdag, januari 26, 2012

zondag, januari 22, 2012

Momentopname


Loxias, Isavronstraat, rond 14.00u. Na de late avond gisteren is het nog stil. Sofia kookt, Rita loopt als altijd ijverig rond, Paris, kalm en vriendelijk, bedient. Achterin zitten wat studentes, meisjes die thee drinken. De fluitist van gisteren zit alweer monter op zijn plek. De andere muzikanten, die vannacht rond vijf uur vertrokken, zijn nog nergens te bekennen. Een van de stamgasten, een ietwat wereldvreemde theologiestudent, zit te schrijven. Er trekt een kille tocht over de plavuizen. Het butagaskacheltje kan het niet aan met de storm buiten, die met windkracht negen vanuit het noorden over de stad raast. We zijn warm gekleed. De korte winter is uitzonderlijk streng dit jaar. Straks gaan we lunchen met muziek en tsipouro. Ik kreeg een uitnodiging van Ioannis, alias meneer Loxias. Morgenavond zeg ik de vrienden hier gedag omdat ik naar Nederland ga, maar of dit intieme etablissement, café en boekhandel, nog bestaat als ik in het voorjaar terugkom, is de vraag. Zullen ze het in deze verschrikkelijke crisistijd kunnen bolwerken?


De afgelopen weken was er poëzie in dit door studenten, schrijvers, acteurs, filosofen, musici en aanpalend publiek bezochte etablissement. En muziek. Veel muziek. We hebben vooral ons best gedaan alle economische en sociale ellende die Griekenland overspoelt buiten de deur te houden. De waan van de dag kwam er ook niet in, maar de rekeningen blijven komen en de belastingen. De ene na de andere paniekheffing door een desperate regering. De klanten blijven weg of zitten, uit geldgebrek, urenlang op één kop koffie. Gitarist en percussionist Pericles komt binnen, behangen met instrumenten, maar zonder zijn goddelijke, luitspelende vriendin. Zal ik al die mensen met namen als Homeros, Elia, Angelos, Christos, Kajafas, Irini, Daphni en Olimbia hier na morgen ooit nog treffen? En de charismatische Loxias, die dit bijzondere kafeneion heeft opgebouwd en nu langzaam ziet leegbloeden?


Vanuit de bus zag ik in de Lambrakisstraat een pathetisch groepje schreeuwende jongelui met vlaggen van de KKE, de communistische partij, langs trekken. Het vlees geworden nihilisme, maar wel met een paar beeldschone meisjes. De zanger komt binnen, het feest zal zo beginnen. Een paar andere stamgasten maken hun entree. Warme begroetingen, overschald door een aria uit een mij onbekende opera. Van opera weet ik weinig of niets, wat ik voor mij houd als het halve conservatorium hier zit. De instrumenten worden gestemd. Ik neem, verstandig als ik nu en dan ben, eerst nog maar een espresso. Als de opera zwijgt en de weemoedige liederen beginnen is er nog tijd genoeg voor de aangename roes, al gaat de tsipouro aan andere tafels al rond. Het wachten is op Ioannnis en het meisje met de luit. Loxias, nog even met opgeheven hoofd in de winterstorm, maar de kou trekt steeds verder omhoog langs de wanden.

zondag, januari 15, 2012

Alexander de Grote


De Macedoniërs uit de Oudheid, een tak van de Doriërs, die in de noordelijke periferie van het oude Griekenland bleef hangen, stonden bekend als een gehard volk. Niet voor niets wist de bekendste van hun koningen zo'n beetje de halve, toenmalig bekende, wereld te veroveren. Overal in het Nabije en iets verdere Oosten zijn daar nog sporen van te vinden, tot en met een paar dorpjes ergens in de Pakistaanse wildernis, waar naar verluidt nog een soort Grieks wordt gesproken. Alexander de Grote heeft het letterlijk ver gebracht, maar hij ging te jong dood in Babylon om zijn rijk te consolideren en zonder zijn opvolging te regelen. Zo groot was hij nu ook weer niet. Onder zijn generaals, ook wel de Diadochen genoemd, brak vrijwel direct strijd uit over de verdeling van de koek, waardoor het rijk uiteen viel. Er zijn weleens mensen geweest die twijfelden aan het Griekse karakter van de klassieke Macedoniërs, maar het krakeel dat uitbrak onder de Diadochen sluit naadloos aan bij de endemische verdeeldheid die de Grieken kenmerkt, vanaf het allereerste begin, zo'n tweeduizend jaar voor Christus, tot op de dag van vandaag.


Een deel van de Grieken, murw geslagen door het omhoog springen van de werkloosheid, de ene loonsverlaging na de andere en door een golf van paniekbelastingen, wacht berustend af tot de economie geheel zal zijn ingestort, tot de drachme weer wordt ingevoerd en op wat dat met zich zal meebrengen: hongersnood, burgeroorlog, massa-emigratie of de utopie van baas in eigen economische buik? Een ander deel loopt met verhitte koppen achter de vakbonden aan die nog steeds denken dat staken het adequate antwoord is op de instorting van de economie. Dat is zoiets als een dokter die een patiënt met bloedarmoede voortdurend aderlatingen geeft. Iedereen die in Griekenland om zich heen kijkt weet dat het medicijn dat de bevolking door de strot wordt geduwd (bezuinigen, bezuinigen en nog eens bezuinigen) volstrekt averechts werkt. De regering doet vooralsnog alsof ze het levenselixer voor de economie heeft uitgevonden, maar dat zal niet al te lang meer duren. De door de EU en het IMF afgedwongen coalitie is al aan het kraken en zeker bij coalitiepartner Pasok is het ijs dun geworden. Of het team van Papadimos de verkiezingen van april, of mei, daarover is nog geen zekerheid, haalt is nog maar de vraag. Ondertussen stellen de banken, waarmee de Grieken onderhandelen over het afschrijven van een deel van de schuld, zich keihard op, na eerst enorme woekerrentes te hebben geïncasseerd. De rente dient hoog te blijven en de nieuwe Griekse staatsleningen dienen onder Engels recht te vallen in plaats van onder Grieks recht. Dat is nog eens aantasting van de soevereiniteit. In Nederland zou niet alleen Gekke Geert (met dank aan Maarten van Rossem) in de hoogste boom klimmen, maar alle politici met hem. Aan Griekenland kun je zulke schandelijke eisen kennelijk wel stellen. Hoe recht de rug van premier Papadimos zal blijven moet nog blijken.


In de hoofdstad van de Voormalige Joegoslavische Republiek van Macedonië, is een gigantisch standbeeld van Alexander de Grote neergezet. Daar heeft men de historische faculteit omgedoopt tot mythologische faculteit. Het is vanuit historisch oogpunt even zot als het naar hem vernoemen van het vliegveld van Skopje. Pas in de Romeinse tijd werd het grondgebied van de VJRM aan het geografische Macedonië toegevoegd en het duurde tot in de zevende eeuw na Christus voor de eerste Slaven zich in de streek vertoonden. Minder zot is het door de Grieken omdopen van Thessaloniki Airport tot Macedonia Airport. Dat ligt tenslotte in Grieks-Macedonië en de klassieke Macedoniërs waren Grieken, al was dat ook uit propagandistische overwegingen, niet omdat men die naam esthetischer vond. Al zo'n twintig jaar maakt de voortdurend provocerende, straatarme dwerg uit het noorden met de steeds als een stier op een rode lap reagerende, inmiddels bijna even arme, reus in het zuiden, ruzie over hoe de dwerg zich mag noemen. Ze zouden elkaar in de niet zo verre toekomst weleens hard nodig kunnen hebben, maar nationalisme werkt nu eenmaal als zonlicht dat recht in je ogen schijnt. Evenals tomeloze hebzucht, de drijfveer achter de Angelsaksische hedgefunds en banken die de bron van de huidige crisis en ellende zijn. Nationalisme en ongebreidelde hebzucht, ik vrees dat zelfs iemand van het formaat van Alexander de Grote daar geen eind aan kan maken, laat staan het kleingoed dat op het ogenblik Europa leidt, in plaats van echte staatslieden.

vrijdag, januari 06, 2012

Een troostend glaasje


Vanavond breng ik de avond thuis door. Om gezondheidsredenen. Reinheid, rust en regelmaat. De lijfspreuk van een gewaardeerd oud-collega. De radio staat aan, want de televisie is doorgaans niet om aan te zien, behalve soms rond zes uur in de namiddag. Dan wil er weleens een vraaggesprek zijn met een dichter of schrijver, op prime-time, want crisis of niet, als de publieke omroep een keer niet staakt, is men niet kinderachtig en krijgt ook de literatuurliefhebber zijn deel. Ook op zaterdag is de buis weleens de moeite waard. Dan wordt het programma stin igeia mas uitgezonden. In de studio staat in een halve cirkel een rij welgedekte tafels opgesteld, met de heerlijkste gerechten en dranken en erachter de fine fleur uit de muziek- en theaterwereld. Er wordt gegeten, gebabbeld, gedronken, nog meer gebabbeld, muziek gemaakt, veelal rebetica of liederen van Hatzidakis of Theodorakis en veel gedanst. Aanstekelijk gedanst. Het begint om tien uur 's avonds en gaat door tot een uur of twee. Een enkele keer haal ik het einde, wat wel een opgave is voor een ochtendmens.


De radio staat aan, het deftero programma. Eerst nostalgische muziek uit de tijd dat mijn ouders jong waren en zich door de hopeloze crisis van de jaren dertig moesten worstelen, nu nostalgisch makende Griekse liederen, die gisteren ook werden gezongen door die jonge student in Loxias, met die kleine schare meisjes om zich heen, die zich door de verlammende crisis van vandaag de dag heen moeten zien te wurmen. Mijn moeder gaf in de crisistijd dansles aan de dansschool van Kemp op het Vlak. Dansen, muziek, poëzie, even die crisis vergeten. De meisjes gisteren dansten niet, daarvoor is de kroeg te klein, maar ze lachten en klapten de toekomst voor zich uit. Wat waren ze mooi en waarom moet ik juist nu zestig zijn? Ik zag het van een afstandje aan, nu en dan wijs filosoferend met de kroegbaas, die gelijktijdig boekhandelaar is. Ik dronk eerst bier, toen wijn en daarna tsipouro. Veel tsipouro, een godendrank die ruim wordt gestookt en daardoor nog te verkrijgen is tegen een prijs van voor de crisis. Van tsipouro krijg je geen kater, maar ik was pas om half drie thuis en stond eerst om half tien vanmorgen op. Geen van beiden zijn aan te bevelen voor een ochtendmens. Vandaar deze kalme avond boven mijn cahier. Heel af en toe laat het deftero programma een mooie rebetico horen en onderbreek ik het schrijven voor een dansje door de kamer.


Voortdurend wordt mij gevraagd hoe ik de Griekse toekomst zie. Een vraag die je een historicus liever niet moet stellen. Ik kan iets zeggen over het verleden, iets wat andere historici dan bestrijden of relativeren, of pikken om het als een eigen vondst in een artikel op te schrijven. Leer mij historici kennen, evenveel valsheid, jaloezie en kinnesinne als onder de professoren van W.F. Hermans. Van de toekomst weet ik niets en de waan van de dag kun je beter over vijfentwintig jaar uitleggen, als de vertekening van het met je neus op de feiten gedrukt zijn minder storend is. Toch hoeven ze mij van de NOS of BNR maar te bellen en het klokje gaat kleppen. Eens een leraar, altijd een leraar, dat zal het wel zijn, al ben ik uit het onderwijs. Hooguit geef ik nu en dan een gastles of -college. Soms ook op een ander vakgebied dan het mijne, als historicus heb je tenslotte overal verstand van. Van het niet bestaan van een opperwezen, van Wilders (door mijn leermeester Maarten van Rossem altijd Gekke Geert genoemd en volstrekt terecht), van u-dalen en eindmorenen, van het bereiden van een goede garnalenkerrie, van een therapie tegen aambeien en hoe het rookverbod te ontduiken. Maar, nogmaals, niet van de toekomst. Als ik in de studio zit, of aan de telefoon hang, en er lustig op los speculeer, steek ik op een onverwacht moment altijd mijn boek Idioten ontloop je nergens omhoog, want ik doe het eigenlijk natuurlijk allemaal voor de verkoopcijfers, maar dan realiseer ik mij dat het radio is, dus eigenlijk is alles vergeefs. Dat is een motto van A.L. Snijders, wiens boeken ik op het ogenblik lees, daarom kan ik dat niet gebruiken. Ik ben geen jattende historicus. Het enige wat ik ooit gejat heb zijn de chocoladeflikken uit de pot bij mijn tante Christien, aan het einde van de jaren vijftig.


Ik denk veel terug aan de jaren vijftig. Donkere winteravonden bij de kolenkachel en op tijd de gordijnen dicht. Sterren op de bevroren ramen en iedere ochtend weer die wilsinspanning om onder de moltondeken uit te komen. 'Met mijn blote voeten op het koude zeil,' werd er gezongen. Nou, dat klopte. IJspoten als je niet snel genoeg je pantoffels kon vinden. Je poedelen bij de gootsteen in de keuken en één keer per week in de teil, want geld voor het badhuis was er niet. Daarna snel de gebreide borstrok en een dikke trui aan en 's' Avonds voor het slapen gaan een lepel Draaisma levertraan.' Met een klontje suiker toe om de walgelijke smaak te verdrijven. Hoe de Griekse toekomst eruit ziet? Geen idee zeggen zou flauw zijn. Je hoeft geen futuroloog te zijn om te bedenken dat de Grieken het nog heel moeilijk gaan krijgen. Hoe moeilijk, dat is de vraag. Moeilijker misschien dan wij in de jaren vijftig. Volgens de kranten is de verkoop van houtkachels spectaculair gestegen, omdat de mensen bang zijn de gasrekening niet meer te kunnen betalen. Straks zie ik die meisjes van gisteren in het bos hierboven hout sprokkelen en lijken ze op hun vijftigste tachtig, net als hun grootmoeders, door het harde bestaan in dit schrale, zij het vaak zonnige, land. Het is tijd voor een troostend glaasje tsipouro.

zondag, januari 01, 2012

Leve het hypochondrisch sentiment!


Je hoort in Nederland weleens een pleidooi om de monarchie te vervangen door een republiek op grond van de veronderstelling dat een president goedkoper zou zijn dan een koningshuis. Een typerend Nederlands argument. De portemonnee was, is en blijft heilig. Ook wordt er in kringen waar rechtse hobby's populair zijn nog regelmatig gemeut over 'het kwartje van Kok,' dat nog niet zou zijn terugbetaald. Ouders stonden vorige week urenlang in de rij bij gemeentehuizen om een paar euro te besparen op de identiteitskaart van hun kinderen en wat fooien betreft bekleedt de gemiddelde Nederlandse toerist geen ereplaats op de lijst van gulle gevers. Het regent de laatste tijd onheilsboodschappen over de economie, waarop de bewoners van het op één na rijkste EU-land in een hypochondrische reflex zijn geschoten en onmiddellijk op van alles en nog wat zijn gaan bezuinigen, zonder dat er nog maar een dubbeltje gekort is op het loon.


In het licht van het bovenstaande is het moeilijk te verklaren waarom diezelfde Nederlanders de grootste schuldenaren van Europa zijn, vanwege het astronomische bedrag aan hypotheken dat er uitstaat. Vermoedelijk vanwege de hypotheekrente-aftrek bij de fiscus, waardoor aan het obsessieve Nederlandse verlangen tot het voor een dubbeltje op de eerste rang kunnen zitten, in hoge mate tegemoet wordt gekomen. De roep tot het afschaffen van die hypotheekrente-aftrek, die zelfs hier en daar in het rauwkapitalistische bolwerk dat VVD heet, begint te klinken, leidt in de volkse vijver waar Wilders in vist, tot welhaast psychotische stuiptrekkingen. Je ziet die opgebleekte Indo bij ieder vermoeden van het 'h-woord' alweer schuimbekkend naar zijn telefoontje grijpen om de zoveelste holle tweet de wereld in te sturen. Nu zou er niet zo heel veel aan die aftrek hoeven te gebeuren als iedereen netjes binnen 25 of 30 jaar de hypotheek aflost, maar helaas hebben de banken de aflossingsvrije hypotheek verzonnen, zodat Henk en Ingrid van onze belastingcenten te goedkoop geld kunnen blijven lenen en waardoor die aftrek een blok aan het bezuinigingsbeen van het kabinet is geworden. Diezelfde banken die jarenlang goed hebben verdiend aan dat soort hypotheken worden nu zenuwachtig, omdat de huizenmarkt 'op slot zit,' waardoor de huizen in waarde dalen. Dat 'op slot zitten' is voor een deel weer het gevolg van het, door de media met hun crisisgeloei aangewakkerde, hypochondrisch sentiment in de samenleving. Ga eens in Griekenland kijken, dan weet je echt wat crisis betekent.


Helemaal onverklaarbaar is het feit dat we gisteren weer 65 miljoen euro in rook hebben laten opgaan om de jaarwisseling te vieren. Tel er de kosten van extra politie-inzet, ongelukken, gewonden, brandschade en wat dies meer zij bij op en het bedrag is nog veel groter. Het is niet voor te stellen dat een krentenwegersvolk als het onze dat ieder jaar weer laat gebeuren. Tenzij je ervan uitgaat dat Nederlanders overwegend een onvolwassen, ongebalanceerd en tot excessen en hysterie geneigd mensentype zijn. Ik wens iedereen een financieel gezond 2012, zodat er flink kan worden gespaard voor de volgende jaarwisseling.

dinsdag, december 27, 2011

Literair dagboek: Twintig jaar terug (2)


De laatste week van het jaar is traditioneel de periode van terugblikken op het nieuws van het afgelopen jaar. Ik doe daar even niet aan mee. De waan van de dag dringt zich al veel te vaak op schreeuwerige wijze aan ons op. Ik ga voor de verandering maar eens twintig jaar terug in de tijd. In de dagen dat Stella in Düsseldorf werkte en ik in Dordrecht. Een periode waarin ik, achteraf tot mijn eigen verbazing, geloofde dat binnenkort de Derde Balkanoorlog zou uitbreken en waarin een stagiair afscheid nam die heel goed bleek te zijn, maar die ik mij absoluut niet meer voor de geest kan halen. Tja, de herinnering...ik heb het eerder gezegd: hoe vroeger de herinnering, hoe groter het fictionele gehalte. En wat in onderstaande notitie fictie is of werkelijkheid? Ach, is dat in de literatuur belangrijk dan?


Dinsdag, 29 december 1992:

Düsseldorf

Drie wondertjes. Vanmorgen belde ma dat mijn artikel in het NRC-Handelsblad van gisteren stond. Naar het 'hoofdbaanhof' gegaan, waar zowaar nog een exemplaar in de kiosk lag. Even later werd de expressezending uit Amsterdam bezorgd. Ik had het niet voor mogelijk gehouden.


Het stuk staat er goed in, al kon de redactie niet nalaten er wat aan te prutsen. Het woord 'demagogische' voor de artikelen van Peter Michielsen is geschrapt. Ook zijn de tussentitels er uitgehaald en vervangen door witregels, maar dat laatste is de gewoonte bij achtergrondartikelen. De grote lijn staat er ongeschonden in en de foto (door Vincent Mentzel van het meer van Ochrid) is een mooie aandachttrekker. De kop beslaat de hele breedte van de pagina en mijn titel is onveranderd gelaten.


De floppy met de bespreking van Burenruzie op de Balkan vanmorgen naar Hero Hokwerda verstuurd. Nu aan de slag met mijn stuk over Macedonië voor Kleio. Dat wil ik voor de vijftiende de deur uit hebben. Menelaos is op stap met een vriend, die hier al vijf jaar gedetacheerd is op een Griekse school, zodat ik door kan werken. Morgen vroeg breng ik hem naar het vliegveld.


Woensdag, 30 december 1992:

Düsseldorf

Door een stommiteit hadden we ons vanmiddag buiten het appartement gesloten. Er moest een man met een koffertje aan te pas komen, die een ijzerdraad tevoorschijn haalde, waarmee hij binnen luttele seconden de deur open had. Kosten: negentig mark. Frau E. noch de huismeester waren thuis. We moesten bij de naaste buren, twee dames, tante en nichtje, aankloppen om de slotendokter te bellen. Ik noem ze altijd 'de papegaaien' vanwege tantes merkwaardig krassende lach. Ze zijn altijd wat formeel en houden afstand, maar nu bleken ze hulpvaardig. We werden binnen genodigd en in afwachting van de slotelaar kregen we bier. Later heeft Stella hen als dank wat Griekse zoetigheden gebracht.


Vanmorgen om half acht Menelaos naar het vliegveld gebracht. Vanmiddag belde hij uit Thessaloniki dat de reis zonder problemen is verlopen. Afwisselend gewerkt aan mijn artikel voor Kleio, dat aardig vorm begint te krijgen, en gelezen in deel drie van In de ban van de ring. Ik ben de serie weer eens aan het herlezen, al ken ik het hele epos zowat uit mijn hoofd. Als deel drie uit is, begin ik aan mijn winter-Dickens, Martin Chuzzlewit dit keer.


Donderdag, 31 december 1992:

Düsseldorf

Gisteravond met Stella gegeten bij Bacchus in de Schadowstrasse. Als Grieks restaurant zou je eerder verwachten dat het Dionysos heette. Betaalbaar en het kon de toets van Stella's kritiek doorstaan. Van de meeste Griekse restaurants buiten Griekenland moet ze niet veel hebben, omdat die zich bijna altijd richten op de lokale smaak en wat ingewikkelder Griekse gerechten niet op de kaart hebben. Nederlanders zijn vleeseters, denkt de Griekse restaurateur en vervolgens serveert hij bergen vlees. Ligt de gyros links en de souflaki rechts dan noem je het Kretaschotel, ligt de souflaki links en de gyros rechts dan is het een Rhodosschotel en doe je er een kwak tzatziki bij, dan zet je Naxosschotel op de kaart, om maar wat te noemen, en zo varieert dat oneindig vervelend voort. Enkele goede zaken, zoals Bacchus, niet te na gesproken. Daarvoor, na ons avontuur met het slot, zijn we nog op zoek geweest naar een nieuwe winterjas, maar er was niets behoorlijks te vinden in mijn maat. Alleen maar vogelverschrikkersjassen met veel te lange mouwen.


Op Hilversum 1 de traditionele terugblik op het afgelopen jaar. Ik zet daarom maar een cd-tje op. Bij het opstaan dacht ik: ha, vrijdag, gelukkig de VPRO. Maar het is pas donderdag en die begint met die vreselijke EO. Nog een paar uur, dan komt Stella van kantoor en rijden we naar Dordrecht voor de jaarwisseling. Ik van Düsseldorf tot de grens, waarna Stella het overneemt. Om de een of andere ambtelijke reden mag ik in Nederland niet rijden in een auto met een buitenlands nummerbord.


©Kees Klok, Dordrecht



maandag, december 26, 2011

Alweer vier jaar...




In memoriam Stella Timonidou


26 juli 1946 – 26 december 2007




ALLES VERVLOEIT


In dit land dat onder

de zeespiegel verzinkt,

in dit schijnbaar rustig landschap

waar de wisseling van seizoenen

niet meer zo waarneembaar is,

in deze plaats die aan het lot

van de wind is overgelaten

waar het licht weinig

en het water overvloedig is,

komen hier en daar

helderwitte anemonen op

die voortdurend hun bloemblaadjes

openhouden

gereed om weg te vliegen.


De grijsgroene rivier stroomt rustig

tot zij het wisselend getij van de zee ontmoet.

De wolken hoog in de lucht veranderen

steeds meer van kleur, vorm en vaart.


In deze beweging van natuur en leven

worden ook wij meegetrokken

van de ene plek naar de andere.

We verbreden onze horizon

en wisselen ideëen uit.

Die zetten wij op papier.

Daarvan maken wij poëzie

die op haar beurt in de oneindige

beweging meegaat

om tenslotte uit te komen

bij τα πάντα ρει.*



Stella Timonidou



In: Eindeloze nachten. Gedichten. Liverse 2009.


zaterdag, december 24, 2011

Literair dagboek: Twintig jaar terug (1)



De laatste week van het jaar is traditioneel de periode van terugblikken op het nieuws van het afgelopen jaar. Ik doe daar even niet aan mee. De waan van de dag dringt zich al veel te vaak op schreeuwerige wijze aan ons op. Ik ga voor de verandering maar eens twintig jaar terug in de tijd. In de dagen dat Stella in Düsseldorf werkte en ik in Dordrecht. Een periode waarin ik, achteraf tot mijn eigen verbazing, geloofde dat binnenkort de Derde Balkanoorlog zou uitbreken en waarin een stagiair afscheid nam die heel goed bleek te zijn, maar die ik mij absoluut niet meer voor de geest kan halen. Notities waar geen plaats bij staat zijn in Dordrecht geschreven. Tja, de herinnering...ik heb het eerder gezegd: hoe vroeger de herinnering, hoe groter het fictionele gehalte. En wat in onderstaande notities fictie is of werkelijkheid? Ach, is dat in de literatuur belangrijk dan?



Zaterdag, 19 december 1992:

Düsseldorf

Gisteren ben ik hierheen gereisd. Ik blijf tot donderdag, wanneer we met Menelaos, Stella's jongste broer, naar Dordrecht rijden voor de kerst. Liever was ik thuisgebleven na een vermoeiende laatste schoolweek, maar Stella heeft geen vrije dagen meer en alleen zitten doen we toch al te vaak. Ik hoop dat het de komende twee weken in Dordt heel veel zal regenen, dat houdt die pestmannetjes met vuurwerk een beetje van de straat.


Het was me de week wel. Woensdag na de ouderavond naar de verjaardag van Bep van Gorkom gegaan. Voor een pilsje, maar het was half vier toen ik thuiskwam. Donderdag met Lupius bij Balistreri gegeten. Omdat Costa 'd Oro twintig jaar bestond was er een alleraardigst bandje dat zowel muziek van Ry Cooder speelde als jiddische muziek. Na afloop was Lupius zo verstandig mij naar huis te sturen. Gisteren na schooltijd hebben we vast het sjouwwerk gedaan voor het 'nieuwjaarsontbijt.' Dit keer zijn de secties geschiedenis en natuurkunde aan de beurt om het te verzorgen. Ik houd niet zo van dit soort 'leuke dingen,' maar ik vind het toch lullig om mij eraan te onttrekken. Ook afscheid genomen van Roland v.d. P., die zes weken lang tot ieders tevredenheid stage bij ons heeft gelopen. Hij heeft behoorlijk wat werk verzet, goed lesgegeven en een leuke band met de leerlingen opgebouwd. Wordt een goede collega naar het zich laat aanzien. Als afscheidscadeau kreeg hij een fles schoolwijn en een boekenbon, wat we nooit eerder bij een stagiair hebben gedaan. Hij trakteerde mij op een literfles La Choufe in cadeauverpakking


Maandag, 21 december 1992:

Düsseldorf

Begonnen aan mijn artikel over Burenruzie op de Balkan van Raymond Detrez. Ook een verkwikkende wandeling gemaakt langs de Rijnoever. Vooraf met de U-Bahn naar het station om een Nederlandse krant. Omdat ze alleen De Telegraaf en het Algemeen Dagblad hadden, is het uiteindelijk The Independent geworden.


Op het vliegveld van Faro is een Nederlandse DC10 verongelukt. Dat betekent treurmuziek op de Hollandse radio, om de tien minuten de stem van een verslaggever die niets méér te melden heeft dan wat we om tien uur vanmorgen, nu drie uur geleden, ook al wisten en de EO, die een telefoonnummer omroept dat we kunnen bellen om geestelijk verzorgd te worden. Mocht ik ooit een ramp meemaken en het overleven, dan in 's hemelsnaam daarna geen meelijdende christen aan mijn hoofd! Het is natuurlijk verschrikkelijk voor de betrokkenen, maar juist daarom moet je niet de godganselijke dag allerlei speculaties rondtetteren, terwijl niemand nog precies weet hoeveel slachtoffers er zijn. Treurmuziek of niet, het gaat uiteraard om de sensatie en de luistercijfers.


Vrijdag beloofde B. mij per expresse een paar extra exemplaren van zijn krant, de Elliniki Gnomi (Griekse Mening) te sturen, maar het is nu één uur en er is nog niets bezorgd. Of hij heeft maar wat geroepen, of er deugt weinig van de post. Noch in B. noch in de P.T.T. heb ik groot vertrouwen.


Gistermiddag met Stella naar het vernieuwde Café du Nord geweest, maar de verbouwing is geen succes. Het is schreeuwerig, minder intiem en veel minder gezellig geworden. Ze hebben er een soort stationsrestauratie van gemaakt. Stella vindt het mooi, maar ik ben te veel verslingerd aan het Hollandse bruine café.


Zaterdagavond was er een feestje van de vereniging van Griekse leraren bij het voortgezet onderwijs hier in Düsseldorf. Stella zag er nogal naar uit. Bij de gewone Griekse feesten (meestal in de school aan de Kikweg) komen voornamelijk eenvoudige dorpelingen (en hele mooie, opwindend geklede meisjes). Nu had ze het idee dat we in een interessanter gezelschap zouden terechtkomen. Een gesprek was echter niet te voeren vanwege de keiharde muziek, het eten bij restaurant Atrium was zeer matig van kwaliteit en de wijnkeuze beperkt. Bovendien werd de wijn tegen oplichtersprijzen verkocht. De helft van de menukaart was niet voorradig. Teleurgesteld zijn we na afloop wat gaan drinken bij een collega Engels, ook een Stella, die is getrouwd met een kolonel van de Griekse luchtmacht. Een aardige man hoor, die kolonel, maar ook niet iemand waarmee je een diepgaand gesprek kunt voeren. Hij bewaart zijn rode wijn in de koelkast.


Gisteravond Frau E. op visite. Ze bracht een leuk cadeau mee: een boekje met foto's van ons verjaardagsfeest, maar mijn hemel, wat was het gesprek weer lood en loodzwaar en klagerig. Een zwaarmoedig geneuzel in zinnen van een halve pagina lang.


Dinsdag, 22 december 1992

Düsseldorf

Gisteren op Hilversum 1, hier goed te ontvangen sinds Stella een nieuwe geluidsinstallatie heeft, de hele dag eindeloze en veelal nietszeggende berichten over de jongste vliegramp. Nu zo'n irritant inbelprogramma. Mogen we naar de mening van 'de mensen' luisteren. 'De mensen' hebben zelden of nooit een mening die de moeite waard is en zeker niet over een vliegramp ver weg. Een CD-tje opgezet. Ik kan niet tegen die programma's waarbij je naar al dat gefrustreerde geroep van overspannen types moet luisteren of naar het blatante onbenul van een bakkersmeisje.


De ruwe versie van het stuk over Detrez is af. Ik zou hier ook een computer moeten hebben. Met de hand schrijven is rustgevend en zeker niet onaangenaam, maar het schiet niet op. Als ik een aardige prijs win in de oudejaarsloterij, koop ik er een draagbare computer bij, maar ik hoor nu eenmaal niet tot de geboren winnaars.


De expressezending van B. is er nog steeds niet. Hij heeft mij driemaal verzekerd dat hij de kranten heeft verstuurd. Er zal iets zijn misgegaan bij de P.T.T. Dat krijg je met die malle privatisering.


Straks arriveert Menelaos. Hij blijft een week. Misschien wordt het wel de laatste kerst voor de oorlog, denk ik weleens. De fascist Milosevic lijkt zich in Belgrado door fraude van een verkiezingsoverwinning te hebben verzekerd, waarmee de kansen op een Balkanoorlog sterk toenemen. En als er een Derde Balkanoorlog komt is het helemaal niet denkbeeldig dat de Grieken zo dom zullen zijn om de kant van Servië te kiezen. Ongetwijfeld met fatale gevolgen.


Maandag, 28 december 1992:

Düsseldorf

In Dordrecht kerst gevierd. Eerste kerstdag het traditionele etentje bij mijn ouders. De tweede dag Amsterdam laten zien aan Menelaos. Indiaas gegeten. Ook Herbert B., onze Amsterdamse Dordtenaar, was van de partij. Gisteren naar de mooie tentoonstelling De zichtbare wereld, in het Dordrechts Museum, geweest. Daarna met Wim en Vera W. en de Heeren geborreld in De Tijd. Nederland bevalt Menelaos beter dan Duitsland. Mij ook. Alleen al die doodsaaie architectuur in Düsseldorf. Woensdag vertrek hij, donderdag rijden Stella en ik terug naar Dordrecht. We lopen zo wel het grootste deel van de week het geknal van vuurwerk mis. Al die groepjes kwallerige pubers die de stad onveilig maken. Oud en Nieuw vieren we bij Archie en Petra W.


Toen we in Dordt aankwamen lag er een stapel kerstpost, maar ook een uitnodiging voor een sollicitatiegesprek op de Hogeschool Rotterdam. Dat verraste mij. Ook de Gnomi was er. Het interview en het verslag van mijn lezing zijn niet helemaal geslaagd: kleine correcties vergeten, steekjes laten vallen, maar geen rampzalige fouten. Tussen de kerstkaarten een brief van Hero Hokwerda. Hij stelt voor dat ik een hoofdartikel schrijf voor Lychnari over de Klein-Aziatische Katastrofe. Dat wil ik wel doen, maar ik heb er wat tijd voor nodig. Ik heb het septembernummer voorgesteld. Dan is de deadline zo rond 1 juni.


De expressezending van B. is volgens een briefje van de Duitse post aangekomen en af te halen op het kantoor in de Kalkumerstrasse. Daar was hij onvindbaar. 'Gewoon besteld,' concludeerde de plaatselijke Gerrit de Duif, maar bij thuiskomst bleek de brievenbus leeg. We doen verder geen moeite meer voor al die mosterd na de maaltijd. Vanmiddag belde B. Hij wil dat Stella en ik kennismaken met de nieuwe hoofdredactrice. Dan moeten we het meteen maar eens over het honorarium hebben.


Een verbazend bericht van de forumredactie van het NRC-Handelsblad: mijn artikel over Macedonië, een reactie op de demagogische stukken van Peter Michielsen, wordt geplaatst, al is nog niet helemaal zeker wanneer. Als het maar geen belofte à la de Volkskrant is.



(wordt vervolgd)



©Kees Klok, Dordrecht



zondag, december 18, 2011

Kerstmarkten en herensociëteiten


Gisteren nam ik de trein naar Haarlem om daar de kerstbijeenkomst van de Haarlem Branche van de Dickens Fellowship, mede opgericht door Godfried Bomans, bij te wonen. In de herensociëteit Trou Moet Blijcken in de Grote Houtstraat. Dat zou Dordrecht ook moeten hebben, zo'n waardige herensociëteit in een kapitaal pand, met een geschiedenis die teruggaat tot de tijd van de Rederijkers. Misschien moet sociëteit De Vrijheid weer eens nieuw leven worden ingeblazen, maar dan niet als een verkapte zuipclub, zoals in de jaren zeventig, maar als een waardig gezelschap dat zich bezighoudt met kunst, cultuur en ander vermaak van niveau, in een passende omgeving. En ach, ik ben de beroerdste niet, er mag best weleens een dame binnen, maar dan als introducé. De rookkamer, waar de heren een pijp of een sigaar kunnen opsteken (aan plat sigaretten en shag roken wordt natuurlijk niet gedaan), neemt uiteraard een centrale plaats in. Niet in Trou Moet Blijcken, daar wordt niet gerookt bij mijn weten en licht tot mijn ongenoegen, maar in de Dordtsche Heerensociëteit De Vrijheid.


Aan het eind van de middag vervoegde ik mij bij Trou Moet Blijcken, waar zich een groot gezelschap Dickensians, ook volop dames, had verzameld. De traditionele lezing werd gehouden door Claire Tomalin, de Engelse journalist en schrijfster wiens biografie Charles Dickens. A Life, onlangs verscheen. Een kloek boekwerk van zo'n zeshonderd pagina's, dat in Engeland niet alom, maar toch vooral, jubelende kritieken oogst. Tomalin aanhoren was een groot genoegen. Wie wil weten waarom moet lid worden van de Haarlem Branche van de Dickens Fellowship (aanmelden via http://home.planet.nl/~aadel). Dat houdt automatisch een abonnement in op het onvolprezen tijdschrift The Dutch Dickensian, onder redactie van Guus de Landtsheer, in Dordrecht niet geheel onbekend als oud-docent geschiedenis aan het Stedelijk Dalton Lyceum. In de volgende Dutch Dickensian is Tomalins lezing te vinden, evenals veel ander boeiend materiaal over Dickens, de schrijver die in Nederland tegenwoordig vooral bekendheid lijkt te genieten als inspirator van allerlei kerstmarkten en festivals, zoals dit weekeinde in Deventer. Aan het einde van haar verhaal merkte Tomalin op dat dit soort evenementen weliswaar door Dickens geïnspireerd lijkt, maar dat het eigenlijk allemaal bitter weinig te maken heeft met de gedachten die Dickens in zijn werk wilde uitdragen.


In zijn boeken, geschreven in een superieure stijl, vaak met humor, even vaak met bijtende satire, maar nog zo fris en toegankelijk dat menig eigentijds schrijver er een voorbeeld aan kan nemen, gaat het Dickens toch vooral om zaken als de maatschappelijke misstanden in zijn tijd, veroorzaakt door de gevolgen van de Industriële Revolutie en het ongebreidelde, niet aan banden gelegde, kapitalisme. Om de vele misstanden in het onderwijs in Engeland, om de verachting bij rijken en politici voor de armen, of om de wrede behandeling van arme wezen, gevallen vrouwen en andere maatschappelijk in de verdrukking geraakte medemensen. Dat is even wat anders dan in een verondersteld negentiende eeuws kostuum over een kerstmarkt paraderen. Daar is op zich niets tegen, gezelligheid troef en de middenstand moet de overtollige voorraad sokken en lingerie ook kwijt, ik weet het, maar dat is wel een grove karikatuur van Dickens. Het zou mooi zijn als er op zo'n kerstmarkt eens een Londense achterbuurt uit pakweg 1830 wordt nagebouwd, compleet met bedelaars, zwervers, zakkenrollers en de herrie en de stank die er toen moet hebben geheerst. Zakkenrollers zijn er nog zat op kerstmarkten, van het andere zal niet veel komen, vrees ik.


Na de lezing hebben wij de avond beëindigd met een diner in Dickensiaanse stijl. Dat betekent: goed eten en drinken en flonkerende tafelredes. Dat is géén karikatuur van Dickens, want hoezeer hij zich het lot van de armen en verdrukten aantrok en hoeveel geld en energie hij ook besteedde aan liefdadigheid (hij richtte ondermeer samen met Ms. Coutts, telg uit een puissant rijk bankiersgeslacht, een opvanghuis voor 'gevallen vrouwen en meisjes' op, Urania Cottage in Shepherd's Bush), hij was verzot op goed eten en drinken en dat het liefst in gezelschap van goede vrienden, zoals de schrijver John Forster (zijn latere biograaf), de historicus Thomas Carlyle en de schrijver Wilkie Collins. Zo'n gezelschap dat uitstekend zou passen in de Dordtsche Heerensociëteit De Vrijheid. Wie weet komt het er nog eens van.

zondag, december 11, 2011

Literair dagboek (3)

Bij Uitgeverij Liverse verschenen mijn literaire dagboeken En vooral: de gordijnen dicht (2008) en Idioten ontloop je nergens (2010). Deel drie is in wording en zal, als alles loopt zoals bedoeld, voorjaar 2012 verschijnen. Uit dit deel zijn reeds Literair dagboek: Schotland en Literair dagboek: Griekenland op dit weblog gepubliceerd. Onder de titel Literair dagboek zal ik nu en dan een fragment uit het komende boek opnemen.



Zondag, 24 juni 2007:

Gisteren reünie van de allereerste klas waaraan ik lesgaf, in het jaar 1974-75. De derde klas van O.L.S. III in de Hoogstraat in Hendrik-Ido-Ambacht. De klas die de meeste indruk heeft gemaakt van allemaal, uit een tijd waar ik nog altijd met plezier aan terugdenk. Het vond plaats in basisschool de Bron, want het oude schoolgebouw is er al jaren niet meer. Zag er mijn oud-collega's Wim van Driel-Vis en Jan-Pieter ter Hofstede, die nu lesgeven op de Bron. Ook mijn eerste directeur was er. Iets ouder geworden, even kaal als ik en nog steeds met pijp, wat mij deugd deed. Ik herinner mij dat we onbekommerd pijp en sigaren rookten voor de klas, konijnen en marmotten hielden en dat de ramen dichtgroeiden met allerlei planten, maar dat we nooit, werkelijk nooit, een leerling of ouder hadden die erover zeurde of klaagde. Op een dag verscheen de inspecteur in de klas. Hij ging achterin zitten en het duurde geen vijf minuten of hij stak een kloeke sigaar op.


Wat een genoegen om zoveel van 'mijn kinderen' terug te zien en herinneringen op te halen. Van de lessen herinnerden de meeste zich niet veel meer, maar bijna iedereen begon over mijn streken: de krijtjes en vliegtuigjes die ik door de klas liet vliegen, het dollen met de plantenspuit, het knikkeren op het schoolplein. Velen herinnerden zich ook de cavia's in het lokaal, die we vaak los lieten lopen, en mijn lange haar, dat nogal opzien baarde in het dorp. Wim van Driel-Vis en ik waren geliefde onderwijzers, blijkt uit het boek met herinneringen dat we kregen. Jan-Pieter, mijn opvolger, vonden ze ook aardig, maar de meeste waren vroeger bang van de directeur (toen nog 'hoofd der school'). Dat was in hun ogen een strenge bullebak. Triest vond ik wat een vrouw tegen mij zei, die ik mij herinner als een wat verlegen meisje dat niet zo heel goed meekon: 'die man heeft me gebroken, hij was vreselijk voor me, ik ga hem ook geen gedag zeggen.' Als dat na dertig jaar nog zo diep zit, is er iets erg verkeerd gegaan.


Ik heb genoten van de gesprekken, de foto's en dia's uit die tijd en van de verhalen hoe het iedereen is vergaan. Er was een goed bedoelde barbecue, maar ik heb mij maar tot de salades beperkt. Leuk om te zien dat Pyella nog net zo'n spring in 't veld is als toen, om van Moniek (dat blonde engeltje, dochter van de groepscommandant van de rijkspolitie en collega van mijn vader) te horen dat zij met haar man een bloeiende importfirma in schoenen heeft in Italië, om Grieks te spreken met Irini en haar over Stella te vertellen. Goed om te zien dat de ogen van Dineke, nu fotografe, nog even mooi lachen als toen. Goed om te spreken met Evert, nog steeds een toonbeeld van rust en vriendelijkheid. Ik kan zo nog lang doorgaan. Het was fijn om een paar uur tussen die veertigers te verkeren aan wiens ontwikkeling ik een heel klein beetje heb kunnen bijdragen.


Zondag, 1 juli:

Met Stella en Marieke van Leeuwen gelezen op de Dordtse boekenmarkt. Op een flutpodium, in de open lucht, voor de bibliotheek, maar het bleef gelukkig droog. Wij wisselden af met Dichterbij, wat een leuke combinatie was omdat zij teksten van Dordtse dichters op muziek hebben gezet. Er stond een handvol stoelen voor het podium, waarop af en toe iemand ging zitten. Verder als publiek de terrasbezoekers van Olympiada en Centre Ville, die het allemaal hoogstwaarschijnlijk niets kon schelen, maar naar dat gelul hoef je niet te luisteren en zo'n muziekje op de achtergrond is wel gezellig. Om kwart voor vier zijn we naar de Compagnie vertrokken voor de presentatie van Wim Jilleba's boek Buitenlander in vijandig land. Wim is een boeiend verteller, in en buiten zijn boek. Na afloop was er een geanimeerde receptie, maar het was zo warm dat we niet lang zijn gebleven. Met Ineke en Pieter Breman gegeten bij Sybold, waarna ik thuis direct rijp voor het bed was.


Donderdag, 5 juli:

Flink aan Grieks gedaan. Ik blijf moeite houden met de grammatica. 'Je moet die wiskundig benaderen,' zegt Stella. Dat is het hem nu juist. Ik haalde op mijn examen MULO-A met wiskunde een mager zesje voor meetkunde en een dikke twee voor algebra. Ik weet nog dat ik die middag thuiskwam. Oom Theun uit Den Haag, de man van mijn grootmoeders zuster Nel en gepensioneerd hoofdingenieur bij Rijkswaterstaat, was op visite. Ik had mijn antwoorden overgenomen op een kladje, dat hij een tijd bestudeerde. Daarna zei hij vriendelijk: 'ik denk dat je geen enkel antwoord goed hebt, maar je meetkunde zal morgen vast veel beter gaan.' Dat was zo, maar ik werd gered door de hoge cijfers voor andere vakken, waaronder negens voor geschiedenis, aardrijkskunde, Engels en Nederlands. Het enige andere zwakke cijfer was een zesje voor tekenen. Ik heb me altijd verzet tegen het overmatige belang dat aan wiskunde wordt gehecht als je wilt doorleren, dat was ik als doctorandus met een gemiddelde vier voor wiskunde aan mezelf verplicht. Ik denk dat ik betere resultaten zou hebben behaald als ik een goede wiskundedocent had gehad, in plaats van vier van de vijf jaar een vriendelijke, pijprokende jurk, die erg veel in zijn hoofd had, maar dat er absoluut niet uit wist te krijgen. In de tweede klas had ik een jaar lang wiskunde van mijn latere collega Wim Barendrecht en toen haalde ik zowel voor algebra als meetkunde alleen maar zevens en achten.


maandag, december 05, 2011

Charles Bukowski & Joanne Limburg


Nee, het gaat hier niet om een door een literatuurvorser ontdekte verhouding, het gaat om de presentatie van Bukowski's gedichten, vertaald door Peter Verstegen en van die van Joanne Limburg, vertaald door mijzelf. Dat gebeurde afgelopen zaterdag in het onvolprezen Perdu - winnaar van de driejaarlijkse G.H. 's-Gravesande-prijs - aan de Kloveniersburgwal in Amsterdam.

Peter Verstegen gaf daar een buitengewoon interessante inleiding over de persoon en de poëzie van Bukowski, waarna hij een aantal van de gedichten voorlas. Indrukwekkende verzen, die je leest als korte verhalen. Bukowski heeft een ongelofelijke hoeveelheid gedichten geschreven, die grotendeels postuum zijn verschenen, dus wie weet blijft het niet bij dit geweldige boek.



Zelf vertelde ik daarna het een en ander over de Engelse dichteres Joanne Limburg, waarvan ik het werk leerde kennen via het onvolprezen tijdschrift Poetry Review. Daarna vertaalde ik haar debuutbundel Femenismo, die inmiddels gevolgd is door een tweede bundel, Paraphernalia. De poëzie van Joanne Limburg spreekt mij vooral aan door de prettige combinatie van humor en dramatiek. Ze schrijft aangenaam verhalende gedichten. Dat mag in Nederland eigenlijk niet, daar moeten gedichten bijvoorkeur zo kaal zijn als die verschrikkelijke moderne interieurs die je 's avonds door de geopende gordijnen moet aanschouwen. Een bijvoeglijk naamwoord of bijwoord is al bijkans vloeken in de kerk en een letterkundige verschrikking. Nu ben ik ook van het overdaad schaadt, men strooie niet te ruim met adjectieven, maar ik houd wel van die typisch Britse verhalende verzen.



Na mijn voordracht en een korte pauze bracht Peter nog enkele Bukowski-gedichten over het voetlicht, waarna een aangename nazit volgde. Ik heb die met enkele vrienden nog wat verlengd met een etentje in een belendend Thais restaurant, waarna ik mij weer naar Dordrecht spoedde, niet alleen de oudste stad van Holland, maar ook de meest dichterlijke stad van Nederland, al moet dat nog door de buitenwereld worden ontdekt.

Misschien gaat dat gebeuren tijdens de 'Staalkaart van de Dordtse Poëzie,' die mijn vriend en collega Peter M. v.d. Linden op 18 december van 17.00u tot 21.00u organiseert in het Dolhuis in Dordrecht. Peter zal daarbij niet alleen het festival presenteren, maar tussen de bedrijven door ook voor de aanwezigen koken. Uitgeverij Liverse presenteert er nog twee nieuwe delen van de Bordeauxreeks, nummer acht en negen, van de dichters Dirk Kroon en Wim Jilleba.



Charles Bukowski - De genoegens van de verdoemden. Vertaling Peter Verstegen.
Uitgeverij Liverse, ISBN 9789491034053. Euro 16.95














Joanne Limburg - Femenismo. Vertaling Kees Klok. Uitgeverij Liverse, ISBN 9789491034046. Tweetalige uitgave. Euro 14. =

maandag, november 28, 2011

Tegen de kaalslag


Literaire tijdschriften horen van papier te zijn. Ze mogen ook op het internet, maar niet zonder een papieren basis. Zonder dat zijn ze te vluchtig, te virtueel. Een flinke zonne-uitbarsting of iets anders dat de stroomvoorziening platlegt en weg is je tijdschrift. Misschien tijdelijk, misschien wel voorgoed, wie weet. En kom mij nu niet met het antwoord: als je huis in brand vliegt is de papieren boel ook weg, want die dingen worden zelden in een oplage van 1 gedrukt. Papier heeft, naast de mogelijkheid van een mooie grafische vormgeving, ook andere voordelen. Alleen al dat je het kunt voelen, kunt ruiken, er in kunt bladeren. Je kunt onderstrepen, noteren, je hoeft er je computer niet voor aan te zetten, je kunt zo'n blad in je binnenzak meenemen in de trein, je kunt er vliegen mee doodslaan, je kunt er rustig mee op het toilet zitten, iets wat ik met mijn laptop niet zo een twee, drie doe. Evenmin sla ik daar vliegen mee dood.


Kortom ik ben dol op papieren tijdschriften. Vooral literaire. Het spijt mij dan ook dat die aan het uitsterven zijn. Bezuinigingen, een stompzinnig subsidiebeleid van het Letterenfonds, desinteresse bij de dag- en weekbladpers, een verloederd literatuuronderwijs, laffe uitgevers, benepen boekhandelaren en foute bibliothecarissen dragen daar allemaal aan bij. Het ene literaire blad na het andere verdwijnt. Sommige stellen het overlijden nog even uit door alleen digitaal verder te gaan, maar dat zal een doodlopende weg blijken, vrees ik. Nog even en dan kunnen we trots roepen dat we met twee of drie abonnementen alle literaire tijdschriften van Nederland en Vlaanderen in huis hebben. De mens is een meester in zelfbedrog. De NS schaft binnenkort Dordrecht als intercitystation af (na het eerst duur en langdurig te hebben opgeknapt), zet er een paar van die koleresprinters, waarin je niet naar het toilet kan, voor in de plaats en schrijft me dan een triomfantelijke brief dat het openbaar vervoer in de Randstad 'wordt versterkt.' Ik ben heel bang dat ze het zelf nog geloven ook, maar we dwalen af.


Een van de literaire periodieken die het tot nu toe dapper volhoudt is Ballustrada, waarvan wij op 18 november jongstleden het 25-jarig jubileum vierden in de Zeeuwse Bibliotheek in Middelburg, want het blad is geboren in Zeeland. Van daaruit ontwikkelde het zich in al die jaren tot een mooi, respectabel, gevarieerd en interessant tijdschrift voor het gehele Nederlandse taalgebied, dat eigenlijk in geen enkele zichzelf respecterende bibliotheek en boekhandel zou mogen ontbreken. Het onderscheidt zich niet alleen door inhoudelijke kwaliteit, maar ook door de grafische vormgeving, waarvoor al jaren Ko de Jonge garant staat. Niet alleen een goed tijdschrift dus, maar ook een mooi. Terecht ontvangt het een subsidie van de provincie Zeeland, maar het kan toch vooral blijven bestaan doordat de redactie er veel enthousiasme en tijd in steekt en, zoals vaker bij letterkundige periodieken, als liefdewerk oud papier.


Het jubileumnummer heeft als thema 'haaks op' in het kader waarvan vijfentwintig schrijvers een zkv (zeer kort verhaal) leverden en vijfentwintig dichters een gedicht. Van vijfentwintig deelnemers aan het mail-art project van Ko de Jonge werden bijdragen opgenomen. Unieke illustraties die Ballustrada ook tot een visueel genoegen maken. Digitaal zou dat heel wat minder uit de verf komen. Het is een nummer om te hebben en om te bewaren. Tijdens de presentatie kondigde de redactie, bestaande uit André v.d. Veeke, Jan J.B. Kuipers en Johan Everaers, aan ook in de toekomst een papieren Ballustrada te willen blijven maken. Gelukkig maar, er is al veel te veel literaire kaalslag gepleegd.


http://www.ballustrada.eu/