zaterdag, april 06, 2019

Vooruitgang



Ik logeer in 'onze' oude buurt. In de buurt waar Stella woonde toen ze in Düsseldorf werkte. De tijd van ons weekendhuwelijk. Zij de ene week met de auto, ik de andere week met de trein. Dat was een gemakkelijke reis. Je nam in Dordrecht de intercity naar Keulen, stapte over in Mönchengladbach en in twee en een half uur stond je in Düsseldorf. Dat was in de jaren negentig van de vorige eeuw. Inmiddels lijdt de NS aan vooruitgang, maar omdat vooruitgang duur moet worden betaald, besloot men de trein naar Keulen op te heffen. Erger, vanuit Dordrecht gaan er, op een of twee per dag na, geloof ik, helemaal geen intercities meer naar Breda en verder, richting Duitsland. Ik zocht op de NS planner de 'Venlo-route'. Ja, je kunt zo reizen, dat duurt vier uur en tien minuten. Je kunt ook via Utrecht. Dat is drie en een half uur.

Ik ben een liefhebber van reizen met het spoor. Al van kind af aan. Ik smulde van de verhalen van mijn grootvader, die machinist was in de tijd van de stoomtractie, maar zoals menig middelbare schoolleraar het enthousiasme om iets te leren er bij de brugklassers snel vakkundig uitramt, zo probeert de NS dat met mijn liefde voor treinreizen. Er komt een dag dat dat lukt en ik mij bij een garage meld voor een aardig tweedehandsje. Ik nam de Utrecht-route, maar vertrok voor de zekerheid wel een uur vroeger. Je weet maar nooit met overstappen in Rotterdam en al kan de NS het ook niet helpen als een wanhopige een 'aanrijding met een persoon' veroorzaakt, je bent dan wel de Sjaak met je gereserveerde plaats in die bepaalde internationale trein. Ja, je kunt altijd verder, als je maar bijbetaalt. Ik geef toe, de ICE was comfortabel, maar ik reisde dan ook eersteklas. Je bent van de elite of niet.

Ik logeer in een hotel op vijf minuten lopen van ons vroegere appartement op de Kennedydamm. Een rustig gelegen hotel, met niet overdreven grote, maar comfortabele kamers en fatsoenlijk toiletpapier. Een hotel dient degelijk toiletpapier te hebben. Niet te hard, niet te dun en in voldoende mate aanwezig. Een hotel dat bezuinigt op toiletpapier verdient failliet te gaan. Ook is het fijn dat er een minibar is en dat wat erin staat niet echt prijzig is. Ik kijk uit op een mooie binnentuin. Jammer dat het te koud en te nat is om erin te zitten. De buurt is een beetje grauw. Architectuur uit de jaren dertig. Onze flat lag op de vijfde etage. Er was geen lift. In de jaren dertig streefde men naar gezonde geesten in gezonde lichamen. Dat is niet helemaal gelukt en dat is de buurt nog een beetje aan te zien, maar ik denk niet aan de jaren dertig. Ik denk aan de jaren met Stella, daar op de Kennedydamm. Ze parkeerde haar auto altijd in de Rolandstrasse, met een speciale vergunning. Ik ga zo eens kijken of hij er misschien nog staat.

Foto: auteur


maandag, april 01, 2019

Op de grens




Lieve Stella,

Ineens zit ik weer in een goede schrijfperiode. Deze week kwamen er drie gedichten, waarvan de laatste vanmorgen. Of ze echt beklijven, kan ik nog niet zeggen, daarvoor moeten ze eerst een tijdje in de la om te rijpen, maar ik heb mezelf maar getrakteerd op een glaasje Metaxa (met twaalf sterren, vooruit, waarom niet? Het is maar één keer in de eeuwigheid 31 maart 2019). Ik meen dat Kees Buddingh' me eens vertelde dat, als het even niet erg ging met dichten, je het beste kon gaan vertalen, dan kwamen je eigen gedichten ook wel weer. Ik denk dat dat op het ogenblik zo is. Bezig met Joanne Limburg en met mezelf. Dat laatste voor zolang het duurt en geen garanties, maar ik voel me er wel weer even senang bij.

De aanleiding voor het laatste gedicht was een zot, die ik gisteren voor het Amsterdamse centraalstation zag staan. Zo'n Jezusvereerder, die geheel onopgemerkt, behalve door mij dan, tussen de krioelende toeristen, met een zelfgemaakt bord opriep tot bekering. Ik had in de stationshal, bij wijze van lunch, een patatje-met gekocht bij een vrolijke Marokkaan, die mij verzekerde dat hij de beste frites van Amsterdam had, en dat stond ik buiten, in de zon, te nuttigen. God wat had jij daar een hekel aan, mensen die op straat patat en andere dingen liepen te eten, maar ik zondig weleens. Ik weet nooit of je wel of geen medelijden moet hebben met zo'n Jezusfreak. Is het een verwarde gek, of is het iemand die in alle serieusheid meent de mensheid een dienst te bewijzen door de verbreiding van het woord. Gezien kleding, houding, kreten en de lucht die van hem afwoei, hadden we met een specimen van het eerste te maken. Ik ben met mijn frietjes maar snel de straat overgestoken om dichterlijk over de wateren te staren tot ze op waren en ik op zoek kon naar een afvalbak. 
Ik was onderweg naar de universiteitsbibliotheek, voor de jaarvergadering van het Nederlands Genootschap voor Nieuwgriekse Studies. Anderhalf uur te vroeg, want je weet het maar nooit met de spoorwegen, zodat ik in alle rust naar café De Zwart kon sjokken. Daar hebben ze aangename, rode wijn en een goede maat van schenken. Het was een fraaie lentedag, in tegenstelling tot vandaag, nu waait die rotte, koude noordenwind weer, zodat het terras vol zat. Voornamelijk toeristen en een Chérie Bidet-achtig type, dat zich uit zat te sloven voor een aan zijn lippen hangende juffrouw. Binnen zat niemand. Ik zocht een mooie plek achter het opgeschoven raam, zodat ik het allemaal eens op mijn gemak kon bekijken. Veel levensgevaarlijk gestuntel van toeristen op huurfietsen en nijdig gebel van Amsterdammers, of wat daarvoor door moet gaan, die structureel opzettelijk te hard kwamen aanrijden 'om ze een lesje te leren,' denk ik, want daar zijn de uitvinders van de afzeikhumor goed in. 
Nadat mijn vooroordelen over toeristen in het algemeen en onze hoofdstedelijke medeburgers in het bijzonder, ruim waren gevoed, en we twee wijntjes verder waren, was het tijd om naar de bijeenkomst te gaan. Eerst de routine, daarna het interessante deel, een lezing over Cypriotische historische romans en het boek The Prophecy and the Templar Scroll van Lina Ellina. Dat boek speelt zich deels af in de moderne tijd en deels in de dertiende eeuw, tijdens de regering van Hendrik II (1270-1324). Je weet, de tijd van de Lusignans is mijn favoriete periode in de Cypriotische geschiedenis. Jammer dat ik geen Griekse versie van Afrodite en Europa bij me had, dan had ik die aan de schrijfster kunnen geven, maar nadat ze mijn exemplaar van het boek had gesigneerd, heb ik haar wel op mijn twee mythische dames gewezen, bescheiden als ik ben. Ze zal dat inmiddels wel zijn vergeten, dus misschien moet ik haar een exemplaar sturen. Tijdens de terugreis heb ik al gefascineerd in het boek gelezen.
Ik ben na de receptie, waar ik een aantal leuke gesprekken had, ondermeer met Hero Hokwerda en Willem Ledeboer (de adjunct-directeur van het Nederlands Instituut in Athene, waar ik binnenkort een poosje ga werken), niet naar het avondprogramma gegaan, want in Dordrecht was het Barre Tocht, onder leiding van Scotch the Band en in dat kader speelde Marienke van Terheijden, om elf uur in cafe De Vrijheid, een deel uit haar cabaretprogramma. Daar wilde ik bij zijn. Om half negen was ik thuis, want ook op de terugweg deed de Intercity Direct het zonder morren, zodat ik eerst nog een poosje verder kon lezen.
Marienke was goed. Zeker als je bedenkt dat een drukke kroeg geen gemakkelijke plaats is om te spelen. Ik zou haar hele programma graag in Theater 450 zien. Wie weet in het nieuwe seizoen. Ik ben in ieder geval zo vrij geweest iets te suggereren. Het was na Marienkes optreden nog lang heel gezellig in De Vrijheid. Ik ben tot kwart voor twee blijven hangen en moest toen ik thuiskwam de klokken nog een uur vooruit zetten, want de zomertijd is weer begonnen. Er komen weer lekker lange avonden aan. In de discussie over het wel of niet afschaffen van de zomertijd wil ik me niet mengen, maar ik ben meer zomer- dan wintermens, ook al heb ik een hekel aan in de zon zitten. Dat is iets voor toeristen.

Intussen heb ik Hemelse mevrouw Frederike uit. Ik vind het een prachtige biografie, waarin het alles-moet-kunnen-als-het-maar-feest-is-beeld van Frederike Harmsen van Beek, ontstaan in de periode dat zij het landhuis Jagtlust in het Gooi bewoonde, grondig wordt bijgesteld. Er wordt diep ingegaan op zowel Frederikes leven als haar literair en beeldend werk en Maaike Meijer doet dat ook nog eens in een aantrekkelijke, lekker lezende stijl. Ik werd wel somber van de laatste hoofdstukken, van het oud worden en aanklevend verval. Vooral toen ik las dat ze uiteindelijk in een verpleegtehuis werd opgenomen. Ik zit ook een beetje aan de rand van de fase van lichamelijke neergang, denk maar aan die achillespees, en ik ben ongehoord bang ooit in zo'n gesticht terecht te komen. Dan moeten ze me maar direct een spuitje geven. Jammer dat je dat spuitje niet nu al in huis kunt halen. Of de beroemde pil van Drion, waarvan ik mij weleens stiekem afvraag of die eigenlijk wel bestaat, maar dit terzijde. Ik kom aan moederskant uit een familie met een lange geschiedenis van hersenbloedingen, met nu en dan een hartinfarct tussendoor. Dat is niet altijd geruststellend om te bedenken, al werd mijn moeder gezond negentig, tante Pieta iets minder gezond, maar wel scherp van geest, negenentachtig, en hielden mijn oud-tantes Nel en Pie het respectievelijk vol tot hun drie- en vierennegentigste, zonder daarbij het verstand te verliezen. Mijn oma daarentegen stierf op haar achtenzestigste aan een tweede of derde beroerte, nadat mijn grootvader haar enkele jaren thuis had verzorgd, iets waarvoor hij volgens mijn moeder 'de hemel verdiende.' Zijn beloning viel tegen, want hij ging op z'n vierenzeventigste aan een hersenbloeding dood, nadat hij twee jaar in verpleegtehuis Crabbehof had gelegen. Hij was zijn spraakvermogen kwijt. Ze legden hem op een kamer met een stokdove lotgenoot. Dat was in de jaren zestig, dat moet ik er wel even bij zeggen, anders gaat er op Twitter direct een roedel idioten los.
Morgen moet ik naar de geneesheer, want die rode vlek op mijn wang wordt almaar erger, ondanks het zalfje dat ik ervoor heb gekregen. Rosacea, zegt de dokter, iets dat vooral bij middelbare dames voorkomt. Ik heb dat van mijn grootmoeder geerfd (georven zeggen we in Dordrecht), maar ik hoop dat dat het enige is. Met een vlek valt nog wel te leven en op mijn licht gevorderde leeftijd hoef ik toch niet meer te hopen dat het iets gaat worden met de jongedames waarop ik met enige regelmaat verliefd word. Gerard Reve had het altijd over 'een vieze, oude man van boven de dertig.' Op een gegeven ogenblik moet je in je lot berusten, als de dokter maar niet zegt dat ik moet stoppen met drinken.

In gedachten, altijd,

Kees

Dordrecht, 31 maart 2019

Foto: auteur



maandag, maart 25, 2019

'Fly over land'



Lieve Stella,

Waarom laat je geen baard staan? vroeg je. Ik meen tijdens een etentje in downtown Minneapolis. Ik vond dat een vermakelijke vraag. Een paar weken voordat ik naar Amerika vertrok, toen ik een nieuw paspoort aanvroeg, had ik besloten om na zeventien jaar mijn baard maar eens af te scheren. Ik ging een nieuw avontuur tegemoet en daar hoorde een nieuwe kop bij. Dat avontuur was die reis naar Amerika, waar ik een paar maanden zou gaan studeren aan de Universiteit van Minnesota. Ik had, net als jij, een Fulbrightbeurs gekregen. Gekozen als een van de vier uit een groep van vierenveertig kandidaten. Vanwege mijn vlotte babbel, denk ik. Ze willen daar op de prairie, in wat de Amerikanen zelf 'fly over land' noemen, ook weleens echt Engels horen en daar lijkt het mijne wel op. Jij dacht in het begin ook, net als de Amerikanen, dat ik ergens uit Engeland kwam. Toen was ik daar wel een beetje trots op, nu, met die vreselijke Brexitchaos denk ik er ietsje anders over. Ik ben al mijn hele leven een enthousiaste anglofiel, maar dat enthousiasme staat onder druk, al ben ik van de weeromstuit begonnen aan de vertaling van een serie gedichten van Joanne Limburg, een van mijn Britse literaire vrienden die faliekant tegen de Brexit zijn.

Na jouw vraag liet ik mijn baard weer staan. Tot nu toe en het zit er niet in dat ik hem ooit weer afscheer. Het liefst laat ik alles zoals het was voor jouw overlijden. Dat geldt zeker voor ons huis, al moet ik misschien toch eens aan een nieuw bankstel, voor ik door het onze heen zak. Dat geldt eigenlijk ook voor de eettafel en stoelen, waarover ik steeds mijn benen dreig te breken, over die stoelen dan, omdat de poten licht naar achteren buigen en ik daar na vijfendertig jaar nog niet aan gewend ben. Bij wijze van spreken dan. Ik ben diep in mijn hart nogal conservatief. Niet politiek, ik heb bij de laatste verkiezingen braaf op een partij gestemd die gematigd 'links van het midden' staat, maar in mijn persoonlijk leven houd ik niet zo van veranderingen en in het credo 'verandering is vooruitgang' geloof ik niet altijd, laat staan dat vooruitgang per definitie verbetering betekent. Ja, soms. De vooruitgang in de medische wetenschap, bijvoorbeeld, prima, daar heb ik mijn leven aan te danken, je weet wel, en dat jij veel te jong bent gestorven komt toch vooral omdat het onderzoek op het terrein van jouw ziekte nog niet ver genoeg was gevorderd, maar over het algemeen is het raadzaam om bij veranderingen niet te hard van stapel te lopen en enige behoedzaamheid te betrachten. 
Al die lelijke gebouwen die in Dordrecht zijn neergeplempt nadat omwille van de vooruitgang (wat in feite 'ruim baan voor de auto' betekende) een deel van het historisch centrum meedogenloos werd gesloopt. Laat het een waarschuwing zijn tegen ambitieuze politici en projectontwikkelaars. 
In Amerika zijn ze nog veel meer van afbreken en eigentijds opbouwen, met als gevolg dat, op een enkele uitzondering na, de steden en dorpen als twee druppels water op elkaar lijken, eigenlijk moet ik in de verleden tijd schrijven, want ik ben na ons avontuur nooit meer teruggegaan, en het 'oldest house in the USA', waarvan we er een stuk of wat zijn tegengekomen, toen we ter afsluiting van de studie een rondreis maakten, nooit ouder dan misschien tweehonderd jaar is. Tweehonderd jaar, dat is maar twee keer zo oud als ons eigen huis. 
Gunstige uitzonderingen vond ik New Orleans en Boston, althans de historische centra, en, om de een of andere reden, New York, maar het is algemeen bekend dat New York geen Amerika is. Een andere wereld, met een andere dynamiek. Ik heb het nooit begrepen: ik ben allergisch voor hoogbouw, ik haat woontorens en wolkenkrabbers, maar in New York voelde ik mij toch thuis. Voor ik naar Minneapolis vloog verbleef ik een week in een appartement van de New York University in West 3rd Street, vlakbij de Village en Washington Square. Ik had het prima naar mijn zin, evenals aan het einde van onze rondreis, toen we nog een paar dagen in New York verbleven, voor jij naar Thessaloniki en ik naar Dordrecht terugkeerde. Amerika leek toen nog het land van de ongekende mogelijkheden, de anti-rookhysterie stond nog in de kinderschoenen, terwijl Ronald Reagan bezig was een einde te maken aan de Koude Oorlog, al realiseerden wij ons dat nog niet. Onder die oppervlakte van schone schijn bleek echter een samenleving in deerniswekkend verval te bestaan. Lees Amerika. Land van de begrensde mogelijkheden van Maarten van Rossem er nog maar eens op na.

De belangrijkste gebeurtenis van mijn leven was de kennismaking met jou en al die mooie jaren samen, die daar op volgden. Toch was mijn reis bijna niet doorgegaan, want tot vlak voor mijn vertrek twijfelde ik of ik eigenlijk wel zou gaan. Ik vond de VS een merkwaardig land vol idioten en geestdrijvers, zoals de meer dan dertig miljoen halvegaren die geloven dat we in 'de eindtijd' zitten. Een land waar iedereen elkaar met vuurwapens naar het leven stond en waar ze bovendien een merkwaardig soort Engels spraken. De Pilgrim Fathers, die nog een tijdje in Leiden onderdak vonden, vormden in mijn ogen ook een bijzonder nare en rare club. De echo's van hun akelige godsdienstfanatisme vind je volop in The Scarlet Letter van Nathaniel Hawthorne, een boek dat ik uit jouw bibliotheek leerde kennen, maar dit terzijde. Het was een vertekend beeld. In geen land heb ik zoveel vriendelijke, gastvrije en behulpzame mensen ontmoet als in de VS, al verkeerden wij natuurlijk wel in een academisch milieu en niet in een achterbuurt. Jou heb ik aan Amerika te danken, maar dat had wel als gevolg dat mijn historische belangstelling zich verplaatste in de richting van het moderne Griekenland (en zo langzamerhand in de richting van de Levant), weg van de West naar de Oost. 
Ik heb prettige herinneringen aan de VS en toch ben ik, zoals ik al schreef, nooit meer teruggegaan. Niet alleen vanwege de reis. Die is lang, maar nog te overzien, maar het heeft ook te maken met het gedoe met paspoort, visum en een waslijst vragen die je tegenwoordig schijnt te moeten beantwoorden, terwijl ik jou niet meer heb om samen de reis te maken. Het was een van de plannen die we hadden voor na mijn pensionering. Nog eens terug naar de plek waar we verliefd werden op elkaar, waarbij we dan en-passant de familie in Stillwater konden bezoeken, en die delen van het land, van het continent, verkennen waar we bij de rondreis niet aan toe waren gekomen. Zonder jou lijkt dat me allemaal te veel moeite en blijf ik liever op mijn knusse Eiland van Dordrecht, of in ons vertrouwde Griekenland of Engeland. Hoewel, met die Brexit.... Ik heb mij nog steeds niet opgegeven voor de Annual Conference van de Dickens Fellowship in Eastbourne, want ik heb geen idee wat er de komende weken staat te gebeuren. Kun je straks nog met je Europese ID door Engeland reizen, bijvoorbeeld. Ach, ik zie wel. Misschien bezoek ik in plaats van Eastbourne wel weer Cambridge, waar het mij vorig jaar, ondanks een paar ijskoude dagen, uitstekend is bevallen, al wil ik niet te veel beslag leggen op Jeanine haar tijd. Ze heeft het druk genoeg met haar proefschrift. Ik moet voorlopig verder met mijn boekje over de Dordtse letteren in historisch perspectief. Het aardige daarvan is, dat ik het een beetje kan combineren met mijn belangstelling voor de Dordtse patriotten. Daarna doemt alweer een ander thema op, maar dat vertel ik je nog even niet, want voor je het weet staat in de plaatselijke pers dat de Dordtse historicus Kees Klok zich bezig gaat houden met dit of dat en als er dan, zoals met zoveel dingen, weinig van terechtkomt, heb je wat uit te leggen.

In jouw land herdenken ze vandaag het begin van de onafhankelijkheidsoorlog. Uiteraard weer met bombastische parades van scholieren, studenten en het leger. Dat vertoon is mij allemaal wat te nationalistisch, met dat gemarcheer, die honderden vlaggen, straaljagers en tanks, maar goed, 's lands wijs 's lands eer. Ieder het zijne, als bij ons de koning verjaart loopt een deel van het volk als een zwakzinnige rond met oranje opblaaskronen op de kop. Ook traditie, toch?

In gedachten, altijd,

Kees

Dordrecht, 25 maart 2019

Foto: archief auteur.


dinsdag, maart 19, 2019

Reünie



Lieve Stella,

Afgelopen zaterdag ging ik op weg om gedichten voor te lezen op het Perolfestival, in het Perenlaantje te Hendrik-Ido-Ambacht. Het had de hele dag geregend, maar de weerman op Radio 1 had met enige stelligheid beweerd dat de middag droog zou zijn, zodat ik tegen twee uur, het druppelde nog een klein beetje, monter de fiets nam. Bij de pont tussen Dordrecht en Zwijndrecht aangekomen, begon ik te twijfelen. Er kwamen diepgrijze, bijna zwarte wolkenformaties aanzetten vanuit het westen, maar de weerman is de weerman. Ik stapte aan boord. Net op de Veersedijk werd ik overvallen door een tropische bui. Dat betekende de volgende pont terug naar het Eiland van Dordrecht om thuis op te drogen. Dan maar een festival zonder de gedichten van Kees Klok.

De episode brengt mij terug naar juni 1974. Ik was net geslaagd als 'volledig bevoegd onderwijzer,' aan de Gemeentelijke Pedagogische Akademie te Dordrecht. Akademie met een k, als bewijs van de progressiviteit van het instituut, maar dit terzijde. Op een juni-ochtend fietste ik door stralend zomerweer over de Veersedijk van Zwijndrecht naar Hendrik-Ido-Ambacht. Doel was een charmant, oud schoolgebouw uit het begin van de twintigste eeuw, bekend als O.L.S. III, om daar op verzoek van het hoofd der school een proefles te geven in klas drie, met als onderwerp 'Het konijn.' Met dat onderwerp was ik niet echt gelukkig. Op de GPA was een tekort aan biologieleraren, waardoor ik alleen in het eerste jaar biologie had gevolgd, bij de dichter Albert Donk, die eigenlijk Ab Groenedijk heet. Daardoor wist ik iets van koeienmagen en ook de wijze waarop bladgroen zuurstof produceerde was mij niet onbekend, maar daar bleef het ook bij. Op de Mulo had ik biologie van een voormalige kapitein van het KNIL, maar die man had het te druk met zijn Indische verleden, waardoor we nooit verder kwamen dan het van buiten leren van de botten van het menselijk geraamte. Kennis die ik snel weer vergat. Gelukkig had ik zelf een konijn en trof ik een hoofd der school die het wel kon waarderen dat ik, na wat vaag geklets en gegrap over het onderwerp, de les besloot door de hele klas als konijnen te laten rondhuppelen.

Ik kreeg de baan en fietste daarna drie jaar lang over de Veersedijk. Ik kon in Hendrik-Ido-Ambacht gaan wonen, maar ik gaf de voorkeur aan het gezellige krotje in de Dordtse Marcellus Schampersstraat, dat ik voor een prikje had gekocht. Van een getuige van Jehova, die ergens ver weg ging zitten wachten op het einde der tijden. Het huisje was uit 1882 en is al lang afgebroken om plaats te maken voor nieuwbouw. Daardoor is het een sfeerloos achterstraatje geworden. We zijn er weleens doorheen gelopen tijdens een van je eerste bezoeken aan Dordt, voor we trouwden. Na drie jaar was ik het fietsen zat. Ja, het was heerlijk om op een vroege, zonnige voorjaarsochtend over de dijk te rijden, maar de meeste ochtenden waren regenachtig, winderig en winters. Een rijbewijs had ik nog niet en het openbaar vervoer was al bijna even tijdrovend als nu. Ik nam weleens de brommer van een vriendin, maar zodra het regende was er iets met de bougie en gaf het ding het op, zodat ik nog verder van huis was. Ik kon een baan als leraar krijgen op Mavo-Krispijn, tien minuten fietsen van huis, en verliet voorgoed het lager onderwijs, zoals het toen nog heette. Een enkele keer denk ik weleens dat dat iets te vroeg was, want ik had het op die school goed naar mijn zin. Aardige collega's en een hoofd dat net als ik pijp rookte. Over roken werd in die tijd nog niet gezanikt. Op een dag kwam de inspecteur op school, een streng ogende man in een donker pak. Terwijl hij zich achterin het lokaal installeerde, naast de hokken met, jawel, een konijn en enkele cavia's, ging ik gewoon door met trekken aan mijn pijp. Hij zat nog geen vijf minuten of hij vroeg, terwijl hij een sigaar opstak, om een asbak.

In het voorjaar van 2007 hield een van de klassen waaraan ik toen lesgaf, een derde (tegenwoordig moet je groep vijf zeggen, maar daar is het onderwijs niets beter van gewonden), een reünie. Ik vond het een belevenis mijn oud-leerlingen, die ik mij herinnerde als kinderen van een jaar of negen, terug te zien als late veertigers en hun verhalen te horen. Sommigen van hen waren verbaasd dat 'de meester,' per definitie een oude man, ook al begon ik mijn loopbaan op mijn drieëntwintigste, eigenlijk nog helemaal zo oud niet was. Het hoofd der school, die inmiddels schooloverstijgend in Ambacht en Zwijndrecht het openbaar onderwijs bestuurde, rookte, evenals ik, nog steeds pijp. Jij moest de reünie missen, omdat je je niet lekker voelde. Een griepje dachten wij, maar achteraf waren het misschien wel de eerste voortekenen van de fatale ziekte die zich in het najaar openbaarde. Onbezorgd haalden we herinneringen op. Aan de krijtjes die ik door het lokaal liet vliegen en de vliegtuigjes. Aan het konijn dat op een keer ontsnapte. Aan de middagen na schooltijd als we knikkerden op het schoolplein, wanneer dat weer eens in de mode was. Kind met de kinderen. Ik won wel altijd, maar dan kregen ze de knikkers terug. Er waren natuurlijk ook trieste verhalen. Niemand die er een vermoeden van had dat het onze nog moest beginnen. Toen ik terugkwam was je weer wat opgeknapt. Daarom gingen we pizza eten bij Costa d' Oro, zoals vaak op zaterdagavond. Een paar dagen later ging jij vast naar Griekenland. Ik volgde aan het begin van de zomervakantie. Toen we daarvan terugkwamen aten we weer pizza bij de Italiaan van Dordt, samen met mijn neef Brian en een vriend. Het was de allerlaatste keer van je leven dat je in een restaurant at. Het is een herinnering die steeds terugkomt als ik naar Costa d' Oro ga.

Op jouw begrafenis was een groep oud-leerlingen van je uit Goumenissa, waar je de eerste tien jaar van je loopbaan Engels gaf op de middelbare school. Na afloop van het begrafenismaal raakte ik met hen aan de praat. Enthousiaste verhalen over jou als hun lerares. Ook de leerlingen op de Experimentele School van de Aristotels Universiteit liepen met je weg. De enige waarmee je daar moeilijk kon opschieten was de leraar theologie, die het je kwalijk nam dat je met je leerlingen een toneelstuk van Tsjechov, De meeuw, geloof ik, opvoerde in het Staatstheater van Noord-Griekenland, onder jouw regie. Theater en geloof, o hemel, wat was de spreekbuis van die enge, veel te invloedrijke, Griekse kerk daardoor op zijn teentjes getrapt. 

Je werd niet voor niets uitgenodigd om de vakgroep Engels van de Aristoteles Universiteit te gaan versterken. Toen had je echter net mij ontmoet en daarom werd het het onderwijsbureau van het Griekse consulaat in Düsseldorf. Soms voel ik mij ongemakkelijk als ik bedenk wat jij uit liefde voor mij hebt opgegeven. Zo'n gevoel van waaraan heb ik het te danken. Later in Nederland werden je titel en bevoegdheid erkend en kreeg je als drs. Stella Timonidou een aantal uren Engels aangeboden bij ons op school. Ik had het weleens willen ervaren om je als collega te hebben. Het salaris was hoger dan in Griekenland, maar de secundaire arbeidsvoorwaarden zo bedroevend minder dan wat je daar was gewend, dat je er uiteindelijk niet op in bent gegaan en de voorkeur gaf aan thuis literuur vertalen. Je hebt nog wel als vrijwilligster een paar jaar geholpen in de schoolbibliotheek en je gaf aan de leerlingen die meegingen op de legendarische uitwisselingen, in de jaren negentig, met jouw voormalige school, lessen Nieuwgrieks. Soms spreek ik leerlingen uit die tijd en dan valt me de warmte op waarmee ze nog steeds over je praten.

In gedachten, altijd

Kees

Dordrecht, 3 september 2014

In: Het is er niet van gekomen. Vijftig brieven aan Stella (1946-2007). Uitgeverij Liverse 2015.


woensdag, maart 13, 2019

Platvinkje



Lieve Stella,

Er zijn van die ogenblikken, als ik ervoor in de stemming ben, dat ik mij zorgen maak over de toekomst. Niet zozeer over de mijne, zoveel toekomst heb ik op mijn licht gevorderde leeftijd niet meer, maar groots gezegd: de toekomst van de mensheid. Er zijn genoeg redenen om te vrezen dat die, evenals ik, misschien niet zo heel veel toekomst meer heeft. De klimaatverandering, bijvoorbeeld, die wij min of meer uitsluitend in Europa schijnen te moeten aanpakken, omdat ze in andere delen van de wereld onbekommerd doorgaan met veel, heel veel kinderen maken, met regenwouden te kappen en vieze fabrieken te bouwen, om maar eens iets te noemen. De dreiging van een nieuwe wereldoorlog door de opkomst van China, het verval van de VS onder een ongeleid projectiel als Donald Trump, de machinaties van Rusland, de almaar voortdurende chaos en vernietiging in het Nabije Oosten (grotendeels veroorzaakt door ondoordachte interventies van het Westen) en de opkomst, ook in ons landje, van een virulent, destructief populisme. 

Ik kan zo nog wel een poosje doorgaan, maar dat ligt niet in mijn aard. Ik ben in wezen geen pessimist, maar als je je verdiept in het reilen en zeilen van de mensheid, dan zie je dat de beschaving zich asymmetrisch heeft ontwikkeld. Op het gebied van wetenschap en techniek zijn we razend knap geworden, wat tot prachtige dingen heeft geleid. Zonder die tak van beschaving was ik al drie jaar geleden doodgegaan, gewoon ergens op straat, tijdens een praatje met een bekende. Je valt de duisternis in en dat is het, maar gelukkig waren er snelle en bekwame hulpverleners, cardiologen en stents. Aan de andere kant zijn we nauwelijks gevorderd met de beheersing van de menselijke driften, angsten en superstities, waardoor steeds weer verschrikkelijk leed wordt veroorzaakt. 
Nog altijd worden in talloze landen mensen vervolgd, opgesloten en vermoord om religieuze redenen. Albino's in Africa worden ontvoerd, gedood en tot toverdrankjes vermalen, die geluk moeten brengen, als we dagblad Trouw van vandaag mogen geloven. Over het internet zoemt de grootst mogelijk onzin over vaccinaties, waardoor onlangs in Italië en op de Filipijnen nogal wat doden zijn gevallen door een mazelenepidemie. Kwakzalvers, kruidenvrouwtjes en andere hocus-pocus-figuren vinden gretig aanhang. Er lopen mensen rond met een vergiet op hun hoofd, vanwege hun geloof. Ik moet daar onbedaarlijk om lachen, maar wat is eigenlijk het verschil met een tulband? 
Laat ik er maar over ophouden. Ik heb, eerlijk gezegd, een redelijk prettig leven, ik heb er zelfs nog lol in, al kent het zijn schaduwzijden, met als dieptepunt jouw overlijden. Een paar maanden daarna bezocht ik een klooster in Griekenland, vanwege de bibliotheek. 'Dat je vrouw is overleden,' zei een monnik, 'is een teken dat God van haar houdt.' Dat ik hem niet in een vat wijwater heb verzopen is volgens mij een bewijs dat er ook nog redelijke mensen op aarde rondlopen. Mensen die geloven in de waarden van de Verlichting, in redelijkheid, vrijheid en gematigdheid. Misschien dat dat een sprankje hoop geeft. Het zou zo maar kunnen dat er een medicijn tegen fanatisme en geestdrijverij wordt uitgevonden, dat gemakkelijk via het drinkwater kan worden toegediend.

Onlangs las ik Levant. Splendour en Catastrophe on the Mediterranean van de historcus Philip Mansel. Dat gaat over de geschiedenis van drie belangrijke, kosmopolitische steden, Smyrna, Alexandrië en Beirut (en eigenlijk ook een beetje over Thessaloniki) in de negentiende, twintigste en eenentwintigste eeuw. Op al die steden hebben nationalisme en godsdienstig fanatisme een catastrofale invloed gehad. Alleen Beirut heeft zijn kosmopolitische karakter tot op heden behouden, maar wel ten koste van heel veel bloedvergieten. Een boek waarvan ik niet vrolijk word, ondanks dat het prachtig is geschreven, zeker niet omdat er allerlei parallellen zijn te trekken met het heden. Een paar jaar geleden las ik Mansels indrukwekkende Constantinople, City of the World's Desire en nu ben ik begonnen aan zijn Aleppo. The Rise and Fall of Syria's Great Merchant City, een stad die, na millennia te hebben bestaan, nu vrijwel geheel is verwoest door de burgeroorlog in Syrië. Beirut is ondertussen weer een toeristenattractie geworden. Op Facebook zag ik net een aantal foto's van een oud-leerlinge die daar op bezoek is. Tot nu toe was Ammochostos op Cyprus de meest oostelijke plaats die ik bezocht. Misschien moet ik ook eens naar Beirut, nu het nog kan, maar voorlopig worden het Düsseldorf en Thessaloniki.

Het is nog niet zover, maar langzamerhand ben ik mijn volgende Griekenlandreis aan het voorbereiden. Er is weer een bosje verklaringen van de belastingdienst en de gemeente in het Grieks vertaald, waarop ik volgende week apostilles moet gaan halen bij de rechtbank. Eigenlijk een volkomen zinloze exercitie, want waarom moet een rechtbank de echtheid van zo'n officiële handtekening nog eens bevestigen? Achterhaalde bureaucratie, maar daar zijn ze in Griekenland dol op. In Nederland is men er ook niet vies van, trouwens. Ik ben op jacht naar een nieuwe koffer, eentje met vier wieltjes, wat sjouwen scheelt, en ik heb ook al gekeken of ik straks in een hotel bij Schiphol overnacht of mij door een taxi vanaf Dordt laat brengen, want ik heb weer een vroege vlucht. In januari werd het een hotel, want dat was alleszins betaalbaar, maar nu wordt het een taxi, want 'het seizoen' is begonnen als ik vertrek en dan gooi je als hotel je prijzen fors omhoog. Ik trap daar niet in, zoals ik tot nu toe groepsreizen heb vermeden, omdat je dan altijd 'toeslag' moet betalen voor een eenpersoonskamer. Ik laat me niet graag oplichten.
Ik verheug me zeer op de dagen dat ik in Athene op het Nederlands Instituut ga werken. Ik zal er mijn tijd goed besteden. Ik ga mijn volgende boek afmaken. Daarvoor, in Thessaloniki, wordt het weer allerlei geregel met de Boven Ons Gestelde Autoriteiten, maar ik hoop toch ook, behalve materiaal voor mijn boek, het een en ander aan aardigheden te verzamelen voor nieuwe columns over het leven in de stad. Ik moet ook het woord voeren bij de presentatie van het boek over de ideologie van het kolonelsbewind, van Djamila Zon. Het Nederlandse origineel (De reddende revolutie) is in 2014 verschenen bij Liverse. De andere sprekers zijn mijn hooggeleerde vrienden Alex Dagkas en Dimitris Charalambous. Er komt ook een parlementslid, geloof ik, al waren ze daar bij University Studio Press een beetje vaag over. Ik hoop wel dat er na afloop drank geschonken wordt, want dat vond ik indertijd, toen jouw vertaling van mijn Afrodite en Europa werd gepresenteerd, wel een droevige vertoning: geen druppel drank. Wie wilde kon het boek kopen en het door mij laten signaleren en daarna was het wegwezen. Misschien moet ik voor de zekerheid maar een platvinkje meenemen. Dat mooie, dat ik ooit van jou heb gehad en dat ik nog weleens gebruik als het ijskoud is bij een wedstrijd van FC Dordrecht en ik geen zin heb in een plons bier, omdat de kans dan groot is dat je net naar het toilet bent als het mooiste doelpunt van de wedstrijd wordt gemaakt. Vrijdag ga ik weer, tenzij het vriest, maar volgens jongedame C., die het kan weten, omdat ze een mooi cijfer voor aardrijkskunde had op het VWO, is dat onwaarschijnlijk. We merken het vanzelf, als de wereld vrijdag nog bestaat.

In gedachten, altijd,

Kees

Dordrecht, 13 maart 2019

Foto: auteur



zaterdag, maart 09, 2019

Groene hesjes



Regelmatig loopt een klas van de buurtschool door onze straat, keurig in de rij, de juf voorop, de kwekeling, nog een meisje, achteraan. Allemaal, op de juf en de kwekeling na, dragen ze een groen hesje. Gelukkig maar, want geel doet denken aan die beweging in Frankrijk, waarvan ik laatst de woordvoerder hoorde. Een advocaat. Uiteraard was het weer Europa dat de schuld kreeg. Dat we dankzij de Europese Unie al meer dan zeventig jaar vrede, voorspoed en welvaart kennen in ons hoekje van de wereld, begrijpen de boze kleuters niet. Achterlijke sentimenten als nationalisme, anti-antisemitisme en vreemdelingenhaat steken weer overal de kop op. Ik word er weleens moedeloos van. Iets van de geschiedenis leren? Dan moet je niet bij de mensheid zijn, maar daarover wil ik nu even niet schrijven. Ik wil schrijven over de herinnering die zo'n klas oproept.

Een herinnering aan het begin van mijn 'carrière' in het onderwijs. Carrière tussen aanhalingstekens. Het mag eigenlijk geen naam hebben. Ik heb jarenlang gestudeerd, zesendertig jaar in het onderwijs gewerkt, ben 'opgeklommen' van schoolmeester naar 'seniordocent' geschiedenis, maar mijn lerareninkomen kon niet in de schaduw staan van dat van sommige vrienden, die na een aanzienlijk kortere studie rechten of economie bakken met geld binnenhaalden. Ik trok er geen geel hesje voor aan. Ik had genoeg om mee rond te komen, maar ik kan me voorstellen dat jonge mensen denken: 'Onderwijs? Bekijk het maar.' Hard werken, niet naar aard en niveau van dat werk betaald krijgen, het gemuts aanhoren van die types die alleen maar naar je welverdiende zomervakantie kijken en dan ook nog die zeikende ouders iedere ochtend voor de deur. 

Daar hadden wij, toen ik als schoolmeester begon, nog geen last van. Ouders kwamen alleen op school als er iets bijzonders aan de hand was, en dat was in het dorp waar ik lesgaf, nauwelijks het geval. Luizenmoeders hadden we nog niet. Een paar keer paar jaar was er ouderavond, dan konden vader of moeder langskomen voor een gesprek en als er buiten die gelegenheid iets met een leerling aan de hand was, ontbood je de ouders op school. Die zeiden netjes 'meester' tegen je, ook al was ik drieëntwintig toen ik begon en sommigen van hen al heel oud, ergens in de dertig.

Het dorp was keurig verdeeld in refo's en gewone mensen. De refo's hadden hun School met den Bijbel en wij hadden een mank lopende dominee die één keer in de week de openbaren op vrijwillige basis kwam kerstenen. Je mocht tijdens de dominee ook naar handenarbeid, maar dat deed bijna niemand, want de dominee kon geen orde houden. Twee keer in de week trok ik met mijn klasje, nou ja, klasje, het eerste jaar had ik een klas van achtendertig leerlingen, naar de gymzaal, naast het dorpshuis. Onderweg passeerden we de School met den Bijbel. Ik zette mijn pupillen altijd aan tot het zo luid mogelijk zingen van 'potje met vet,' want muzikaliteit moet je onder alle omstandigheden te stimuleren. Tot ik na enige tijd werd aangesproken door het hoofd der school, dat mij proestend vertelde dat zijn collega van de School met den Bijbel had geklaagd over 'die onderwijzer met dat lange haar,' die zijn leerlingen zo hard liet schreeuwen. Die herinnering komt boven als ik de groene hesjes voorbij zie trekken en daar word ik iedere keer weer vrolijk van.

Foto: archief auteur




woensdag, februari 27, 2019

Bespottelijk boekhoudkundig denken



Op pagina 104 van zijn boek Lof der Simpelheid schrijft Gerrit Komrij: 'Een Nederlander maalt evenveel om cultuur als een pissebed om zonlicht.' Ik moest daar aan denken toen ik het bericht las dat de Vrije Universiteit in Amsterdam de bachelorstudie Nederlands wegens gebrek aan belangstelling heeft geschrapt. De opleiding zou 'verliesgevend' zijn. Alsof een universiteit een commercieel bedrijf is. Het is weer een bespottelijk geval van boekhoudkundig denken, waarbij het Nederlands, de belangrijkste pijler van onze cultuur, de verliezende partij is. Ze moesten zich daar in Amsterdam de ogen uit de kop schamen.

In Trouw legde columnist Stevo Akkerman terecht een verbinding met, in mijn woorden, de bedenkelijke inhoud van het vak Nederlands in het voortgezet onderwijs. Dat onderwijs staat vooral in het teken van het leren lezen en schrijven, maar het literatuuronderwijs wordt verwaarloosd. In de woorden van Akkerman: 'Er zijn dingen die nut hebben en er zijn dingen die zin hebben.' Dat nut is het goed leren lezen en schrijven, het zin hebben is die vaardigheden inzetten voor goed literatuuronderwijs. Daardoor wordt het vak boeiend en worden vensters op de wereld geopend. Zoals het in goed onderwijs hoort.

Ik heb zelf ooit Nederlands gegeven, van 1977 tot 1989, en toen al was op het niveau waarop ik doceerde (mavo en onderbouw havo/vwo) officieel geen enkele sprake van literatuuronderwijs. Ik heb dat tegen alle regels in gesaboteerd en besteedde binnen de mij toegemeten, beperkte tijd, toch aandacht aan literatuur. Het werd mij door sommige leden van de sectie-Nederlands, typerend twee collega's die later aan een universiteit gingen werken, kwalijk genomen. Toen ik allang geen Nederlands meer gaf, maar uitsluitend het prachtige vak geschiedenis, had ik de gewoonte iedere week een 'gedicht van de week' op het bord te schrijven. Mijn leerlingen mochten daarmee doen wat ze wilden. Het overschrijven, het negeren, er vragen over stellen, er om lachen of huilen, dat maakte mij niet uit. Vrijwel altijd kreeg ik er aardige reacties op en als ik een keertje het 'gedicht van de week' vergat, werd ik daar altijd onmiddellijk attent op gemaakt.

Tijdens mijn jaren als docent aan het havo/vwo heb ik het niveau van het literatuuronderwijs bedroevend zien zakken. Dat konden mijn collega's Nederlands grotendeels niet helpen, dat was beleid van een aantal kortzichtige koekenbakkers op het ministerie van onderwijs, dat in onze docentenkamer bekend stond als ministerie van onwijs. Uiteindelijk werd er niet of nauwelijks meer literatuuronderwijs gegeven en verschrompelden de leeslijsten voor het eindexamen tot een lachertje. Even een vergelijking: toen ik in 1969 zelf eindexamen havo deed, moest ik voor Nederlands 25 boeken lezen, waarvan 8, meen ik, voor 1880. Voor Frans, Engels en Duits, vakken die ik godzijdank ook in mijn pakket had, moesten per vak 15 boeken op de lijst staan. Vijfenvijftig boeken in twee jaar. Ik heb er mateloos van genoten, er ging in die tijd, mede door een aantal fantastische, bevlogen leraren, werkelijk een wereld voor mij open. Wat leerlingen op het vwo nu moeten lezen? Ik weet het niet precies, maar veel meer dan vijf boeken voor Nederlands zal het niet zijn. Ik durf niet te bedenken hoeveel er voor Frans, Duits en Engels worden gevraagd.

Vinden we het gek dat veel leerlingen Nederlands een saai, inhoudsloos vak zijn gaan vinden? Vinden we het gek dat ze dat dan ook niet meer willen studeren? Ik weet hoe de huidige stand van zaken veel oud-collega's ter harte gaat en ik weet ook dat sommigen van hen tegen alle regels in meer aandacht aan literatuur besteden dan van het ministerie van onwijs mag. Van de boekhouders daar valt, vrees ik, weinig te verwachten. Laten leraren gewoon zelf het heft in eigen hand nemen, hoe moeilijk dat misschien ook is. Vooral gesteund door de universiteiten, waar je de basis van je cultuur onder alle omstandigheden dient aan te bieden, ook al meldt zich maar een enkele student!

Foto: auteur


woensdag, februari 20, 2019

Dordrecht aan de Linge



Lieve Stella,

Vandaag ben ik door mevrouw de cardiologe weer voor een heel jaar goedgekeurd. Ja, ik weet ook wel dat ze garantie geven tot de voordeur, maar het klinkt toch bemoedigender dan 'meneer, ik geef u nog zes maanden.' Dat kreeg ik te horen van de orthopedisch chirurg. Hij bedoelde ermee dat die achillespees nog wel een maandje of zes zal zeuren voor hij geheel genezen is, als dat ooit nog gebeurt. Dat zei hij niet, dat denk ik er bij. Hoe dan ook, ik ben weer in montere stemming het ziekenhuis uitgewandeld. Nu is het wachten op de domper op de vreugde. Noemen de Chinezen dat niet Yin en Yang? Ik weet het niet precies, ik ben niet zo'n spiritueel type, dat weet je. Voor je er erg in hebt zweef je op je eigen vloerkleed naar een of ander streng veganistisch kampement, waar ze de boter, kaas, eieren en rookwaren van je afpakken.

Ik had je al eerder willen schrijven, maar afgelopen zaterdag was het plotsklaps mooi weer en ben ik het nodige snoeiwerk in de tuin gaan doen. Daarna moest ik naar een opening van moderne kunst in Pictura, over 'leven, dood en wederopstanding in de natuur,' waar ik ondermeer mooie aquarellen van Ad Kooimans zag, wanden vol heel kleine beeldjes van Barbara Witteveen, die ik niet goed in het thema kon plaatsen, maar die mij veel kijkplezier gaven en een tapijt van Lizan Freijssens dat ik knap gemaakt vond, maar dat mij op griezelige wijze deed denken aan het Eiland van Dordrecht over tweehonderd jaar, als de hele kolerezooi is ondergelopen en ons slechts schorren en kreken resten. Ik zal daar naar alle waarschijnlijkheid niet bij zijn, gelukkig, maar onwillekeurig denk je aan de komende generaties, die er weinig of niets tegen zullen kunnen ondernemen zolang de idiote groei van de wereldbevolking maar doorgaat.
Zondag heb ik een uitstapje gemaakt naar Amstelveen en Amsterdam. In Amstelveen was een concert, bij Mokum Folk, de club die in Amsterdam en omstreken de volksmuziek levend houdt, van het Serenade Ensemble, studenten van Codarts (ik meen dat dat vroeger het Rotterdamse conservatorium was), die Griekse, Turkse, Arabische en Armeense muziek ten gehore brachten. Levantijnse muziek noem ik het maar. Ik vond het zeer geslaagd, al heb ik een tijdje getwijfeld of ik zou gaan. Een trein, een metro en een stuk lopen door onbekende streken, daar ben ik niet zo van. Sinds ik mijn kompas kwijt ben, loop ik steevast de verkeerde kant op, maar zondag viel het mee. De trein was vrijwel op tijd, wat steeds met nadruk door de conducteur werd omgeroepen, alsof hij er zelf ook verbaasd over was, de metro bracht me keurig aan een halte in de wildernis en sinds ik kort geleden heb ontdekt dat er in mijn telefoon een juffrouw zit die aanwijzingen geeft, viel de wandeling ook mee. Ik moest door een park, alleen, zonder hond om uit te laten, maar ik ben gelukkig niet opgepakt als verdachte, vieze, oude man.
Na afloop ben ik met onze vrienden Herbert en Elly (die in de organisatie zitten, volgens mij hebben ze elkaar daar ook leren kennen, maar dit terzijde) meegereden naar Slotervaart, je weet wel, die wildwestwijk waar de kogels je soms om de oren vliegen, om te eten bij Perla di Roma, een sfeervolle Italiaan, met een goede kwaliteit-prijsverhouding en een zeer goede hand van wijn schenken. Niet die oer-Hollandse kutsmoes van we doen de glazen maar halfvol omdat ze zo groot zijn, nee, gewoon tot het randje, kein geloel.  
Van Perla di Roma loop je in vijf minuten naar station Lelylaan, waar ik dacht de sprinter naar Schiphol te nemen om daar over te stappen op de intercity naar Vlissingen, die Dordt aandoet. Misgerekend. Het ding reed niet. Het kan ook zelden vlekkeloos in het openbaar vervoer, maar voor ik luidkeels kon gaan mopperen stopte er een trein naar Amsterdam CS, waar ik in ben gesprongen, waarna ik even een sprintje moest trekken, lullig voor Achilles, maar het moest, om diezelfde trein naar Vlissingen te halen. Was ik toch nog redelijk op tijd thuis, zij het met een protesterende poot. 'Je staat ervoor en je moet erdoor,' aldus Gerard Reve, een groot schrijver en nooit te beroerd iemand moed in te spreken.
Toen wij op de heenreis over de Zwijndrechtse brug reden, vroeg de mannelijke helft van een stel zich af welke rivier we passeerden. 'Ik weet het niet, ' zei de vrouwelijke helft, tegen de zeventig, dus nog degelijk lager onderwijs gehad, 'ik denk de Linge.' Daar werd ik een beetje droevig van, die mensen reisden wel eersteklas, net als ik.

Gisteren was het nog steeds lente-achtig weer, een verademing na al die grauwe weken, dus toen heb ik in plaats van je te schrijven de rest van het snoeiwerk afgemaakt. De tuin is, om zo te zeggen, winterklaar. Net voordat de lente echt begint, en planten en bomen gaan uitlopen. Vooral het snoeien van de klimroos, met al die vreselijke doornen, was een bezoeking, maar het is volbracht en ik heb geen geld om ieder jaar een hovenier te laten komen. Vroeger kwam Kees Zijderveld nog weleens helpen, die was voor hij conciërge werd hovenier, maar sinds zijn ene zoon in California bosbranden bestrijdt en zijn andere in China de Engelse taal en letteren verkondigt, is hij zelden meer in Dordt. Ik weet niet of ik zo blij ben met die globalisering.
Donderdag was ik eerst met Thijs en Han naar het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, naar een tentoonstelling over de goden van Egypte. Machtig interessant, maar veel te uitgebreid om alles in een keer te kunnen zien. Ik heb een keuze gemaakt uit de mooiste artefacten en daar deed ik nog twee uur over. Terug in Dordt naar de Liverse-vergadering in Visser gegaan en 's avonds naar de uitzending van Via Cultura (van de regionale zenders van Papendrecht, Zwijndrecht en Dordrecht) vanuit restaurant Post, omdat daar mijn oud-collega Rein Top speelde als lid van de cabaretgroep Peter de Liefde. Het was 14 februari, dus je begrijpt, dan vraag je De Liefde. Het zijn een beetje mijn buren, want ze repeteren iedere week in het theatertje aan de overkant. Rein zat ook in het panel, om over het cabaret en over de liefde te praten. 
Ik mocht even aan het woord, om uit te leggen hoe het allemaal was begonnen, weet je nog, met het cabaret Jong en Aanstormend Talent (JAT) van Rein, Henk Nieboer en mij. Nadat we een paar keer hadden opgetreden, vond jij dat ik beter kon stoppen, om me uitsluitend met schrijven bezig te houden. Ik denk dat je gelijk had. Ik kon aardig acteren, maar zingen ho maar en ik had in geen veertig jaar gitaar gespeeld, dus je begrijpt. Rein en Henk zijn toen, onder regie van Maarten Doomen nog een tijdje doorgegaan, hebben zelfs een geslaagde CD uitgebracht, ik draai hem nog weleens, en tenslotte heeft zich uit dat alles De Liefde ontwikkeld. Henk is er ook allang mee gestopt, maar Rein is nog volop in de running en ik moet zeggen, hun nummers bevielen mij uitstekend. Die waren ook het enige wat ik van de uitzending kon horen, want het is weliswaar altijd heel gezellig in Post, maar de zaak is totaal ongeschikt om een radiouitzending te maken, omdat het vol zit met mensen die niet komen voor die uitzending, maar om gezellig een hapje te eten en met elkaar te kletsen en omdat de ruimte nogal groot is en de akoestiek niet briljant, zit je in een storm van achtergrondlawaai. Zaterdagmorgen heb ik de boel op Drechtstad FM ('s morgens tussen acht en tien) teruggeluisterd. Het was alsof er uit een zwembad werd uitgezonden.

Ik had het net over dat stel en de Linge, maar dat is nog niks vergeleken bij het groeiend aantal idioten dat gelooft dat de aarde plat is. Al in de vijfde eeuw voor Christus hebben jouw voorvaderen bewezen dat het ding rond is, als dat niet zo zou zijn hadden we vijfentwintig eeuwen de tijd gehad om de rand van de aarde te vinden, wat niet is gebeurd, en nu staat er een ploegje geestelijke bonobo's op, dat roept dat de leer van de ronde aarde een complot van de Nasa is. Tja, als je het maar geraffineerd brengt, kun je sommige mensen alles laten geloven. Dat iemand over water loopt of na drie dagen vrolijk fluitend uit zijn graf komt, toe maar. Bij onze fijne bondgenoot en boezemvriend Saoedi-Arabië onthoofden ze nog weleens iemand vanwege hekserij, zo gaat dat in een modern land dat de Verlichting heeft overgeslagen, dus dat er ergens een Australopithecus rondloopt die in een platte aarde gelooft, hoeft niet te verbazen. Wat mij hogelijk verbaast, is dat er in de media veel ophef over wordt gemaakt. Iemands krankzinnigheid wordt tot wereldnieuws gebombardeerd. Daar begrijp ik eigenlijk niets van. Het zal wel aan mij liggen. 
Ondertussen houd ik mij bezig met de geschiedenis van de Levant, het boeiende boek van Philip Mansel, dezelfde die het prachtige Constantinople, City of the World's Desire schreef. De Levant, met kosmopolitische steden als Alexandrië, Smyrna, Beiroet en Thessaloniki, die hun kosmopolitisme stuk voor stuk verloren zagen gaan door desastreuze invloeden als nationalisme, religieus fanatisme en domheid. De domheid van massa's die zich voor ideologische of godsdienstige karretjes laten spannen. Het is een geschiedenis waar ik immens treurig van word, vooral in een tijd waarin antisemitisme, religieus fanatisme, nationalisme en fascisme opnieuw om zich heen grijpen. Kijk maar naar die beweging van de 'gele hesjes,' binnen de kortste keren gekaapt door het droesem uit de riolen van de maatschappij. 

Zo is het wel weer genoeg, dunkt me. Ik zou deze brief graag romantisch eindigen, met een zonsondergang boven de vredig voortkabbelende Merwede. De hemel is onbewolkt, heel even, maar onder de horizon pakken grauwe wolken zich alweer samen. Dat we dat niet kunnen zien, komt omdat de aarde rond is. Nu jij weer. Die zonsondergang houd je tegoed.

In gedachten, altijd,

Kees

Dordrecht, 19 februari 2019

Foto: auteur


zaterdag, februari 16, 2019

Poëzieparadijs



Het Poëziecentrum Nederland is gevestigd in de Nijmeegse bibliotheek. In het Poëziecentrum heeft Wim van Til een unieke collectie poëzie bijeengebracht, zelfs mijn jeugdzonden, in primitief gestencilde, nog in eigen beheer uitgegeven boekjes, zijn er te vinden, evenals de bundel die ik samen met Jacques Noorman publiceerde in 1978. Die was wel keurig gedrukt, bij Morks in Dordrecht, maar aan een omslagontwerp deden we niet, zodat De Theeman en andere gedichten er weliswaar keurig, maar ook heel saai uitziet. Jacques en ik hebben nooit vermeld welke gedichten van wie zijn, maar wie ons goed kent, komt daar snel achter en ik koester niet de illusie dat ooit een literatuurwetenschapper zich de moeite zal troosten om het, tientallen jaren na ons verscheiden, nog eens uit te zoeken. In de Nederlandse letteren kun je twintig boeken publiceren, nooit in de Volkskrant, het NRC-Handelsblad of Trouw zijn besproken en toch gelukkig zijn.

Ik heb een paar keer het genoegen gehad om in het Poëziecentrum te mogen spreken bij boekpresentaties van uitgeverij Liverse, die gestaag, tegen de draad in, voortbouwt aan een almaar uitdijende poëziereeks, de Bordeauxreeks, of uit eigen werk te lezen. Ik vertoef graag in bibliotheken (toen ik studeerde bracht ik mijn tijd zoveel mogelijk door in de letterenbibliotheek van de Universiteit Utrecht) en zeker in de Nijmeegse. Vanwege dat letterkundig paradijsje dat Poëziecentrum heet, maar er is ook en prettig café. Ik heb begrepen dat we zoiets ook krijgen in de Dordtse bibliotheek, die op het ogenblik wordt verbouwd. Dat café gaat, als ik het goed begrepen heb, 'Americain' heten en dat lijkt me een goede greep, want in het pand van de bibliotheek was ooit het roemruchte café Americain gevestigd. 

In Americain werden weleens feesten gehouden van mijn middelbare school. Nu ja, feesten. Het begon doorgaans om een uur of zes, was niet later afgelopen dan negen uur, er werd geen alcohol geschonken en als je bij een langzaam nummer te dicht bij elkaar danste, stond er altijd wel een leraar aan de kant driftig te gebaren dat je meer afstand moest nemen. De lulligheid van de jaren vijftig was nog niet uitgewerkt, al hing er midden jaren zestig wel verandering in de lucht. In die periode kwam ik in de redactie van de schoolkrant, waarin ik uiteraard mijn eerste gedichten publiceerde. De meeste probeersels van die tijd zijn, zoals L.H. Wiener dat zegt, 'verdwenen in de mist der mensen.' Een paar vind je wellicht nog in het Poëziecentrum Nijmegen. Een plek om zeker eens te bezoeken.



Foto's: auteur


zaterdag, februari 09, 2019

Sneu



'Men moet trachten zich niet belachelijker te maken dan men van nature al is.' Een citaat van C. Buddingh', de man van wie de naam zo vaak verkeerd wordt gespeld. Ook door citatenverzameling.com, die het weer ijzerenheinig hebben over Cees, waar het volgens Buddingh' zelf Kees moet zijn. De citaten waaruit dat blijkt zijn niet opgenomen en aan bronvermelding doen ze ook niet. Ik heb het daarom maar even opgezocht. Het citaat is te vinden op bladzijde 10 van En in een mum is het avond, althans in mijn eerste druk uit 1975.

De foto op de achterkant toont een vriendelijk lachende Buddingh'. In zijn rechterhand een glas, misschien wel met zijn favoriete whisky, en in de linker een sigaartje. In 1975 kon dat nog gewoon. Nu zou je de moraalpolitie aan de deur krijgen, de zeloten van Fons Nijpels, dat anti-rookfantoom dat zich inderdaad belachelijker maakt dan het van nature al is. Hetzelfde geldt voor de eurocommissaris met die onuitsprekelijke naam, die onlangs meende de Griekse onderminister voor volksgezondheid te moeten kapittelen, omdat hij op zijn ministerie rookte. Na het zwaaien met het waarschuwende vingertje, mocht de moraalridder in een dienstauto door de smog van Athene naar het vliegveld, stel ik mij voor.

Wie zich ook voortdurend belachelijker maken dan ze van nature al zijn: die jurken uit de Tweede Kamer van DENK en de PVV, die steeds ruzie hebben op een toon die meer past bij een achterbuurtkroeg dan een parlement. Je zou maar op een van die twee hebben gestemd. De Bond tegen het vloeken kan er trouwens ook wat van. Ik ben voor beschaafd en zorgvuldig taalgebruik, waarmee je je kunt onderscheiden van gele hesjes en ander ordinair rancunevolk, maar je zet jezelf toch wel een tikje voor schut als je gaat mauwen wanneer iemand 'Jezus!" roept in De Luizenmoeder. Wat moeten ze dan roepen? Cees, pardon, Kees misschien? Sneu hoor, dat je vindt dat je moet opkomen voor iemand waarvan je gelooft dat hij de zoon van God is, zonder te beseffen dat, als het zou kloppen, zo'n type wel voor zichzelf zou opkomen. Reken maar dat die acteurs dan allang geslagen zouden zijn door één van de plagen van Egypte.


maandag, februari 04, 2019

Poëzieweek



Lieve Stella,

We zitten midden in de Poëzieweek. Een mooi initiatief in de verkeerde tijd van het jaar. Poëzie is iets voor zwoele zomeravonden in het openluchttheater van de Romeinse Agora in Thessaloniki. Op afstand, maar niet storend, bruist de stad onwetend voort en nu en dan zoemt op grote hoogte een vliegtuig voorbij. Of in de tuin van Floor, naast die kille Rotterdamse schouwburg. Ik herinner mij een avond in 2000, dat we daar met een aantal Griekse dichters, te gast bij Poetry, zaten. Ondermeer met Nasos Vayenas, die verrast was dat hij in de Spiegel van de Griekse Poëzie, van Hans Warren en Mario Molegraaf, stond, iets wat zijn Atheense uitgever vergeten was te melden. Hij ging het boek direct kopen, ook al had hij vast een gratis exemplaar van uitgeverij Meulenhoff kunnen krijgen. Ik herinner mij ook Athina Papadaki en die aardige Titos Patrikios.

Juni, dat is een maand voor een Poëzieweek, maar januari! In 2003 was het vijftig jaar geleden dat de watersnoodramp plaatsvond. Ik was door de redactie van het literaire tijdschrift Ballustrada uitgenodigd om mee te gaan met een bustocht door Zeeland, met Zeeuwse collega's, die op verschillende plaatsen in de provincie verzen over de ramp lazen. Daar stonden we 's morgens om negen uur in een sneeuwstorm op een verlaten parkeerplaats in Vlissingen voor eigen parochie te lezen. Een voorbijganger die de hond uitliet schudde verbijsterd het hoofd en liep toen toch maar snel door.

'Bent u van een sekte?' vroeg een passerende dame. Ik kan mij het jaar niet meer herinneren, maar ik was gevraagd om onder aanvoering van Alexis de Roode met een aantal dichters voor te dragen in het Utrechtse Hoog Catharijne, nog voor het een grondige verbouwing onderging. We trokken met een bakfiets, die dienst deed als mobiel podium, steeds van de ene kant van het winkelcentrum naar het andere. Zodra we in het vizier kwamen, maakten de meeste voorbijgangers zich zo onopvallend mogelijk uit de voeten. Het was binnen, dus we hadden geen last van het weer en het was ook niet in de Poëzieweek, maar ik begreep de vraag van die mevrouw wel, al ging het in ons geval duidelijk niet om Jehova of Swami Bami, maar om Erato en Terpsichore.
Wie aan poëzie doet, behoort tot een sekte. Wat mij steeds weer verbaast is hoeveel mensen staan te trappelen om het tot prediker van die sekte te brengen, zonder ooit kennis te hebben genomen van een boodschap. Ik bedoel, we krijgen bij uitgeverij Liverse veel bagger binnen van mensen die zich inbeelden dichter te zijn, maar die meestal geen letter poëzie hebben gelezen, behalve misschien die enkele verplichte versjes voor het examen Nederlands. Als die nog niet zijn afgeschaft. Het lezen, lezen en lezen van poëzie is, naast het hebben van talent, de absolute voorwaarde om je als dichter te kunnen ontwikkelen, maar die boodschap is aan veel inzenders niet besteed. Ik heb dat afgelopen zaterdag ook maar weer eens uitgelegd op de lokale radio, waarna ik naar huis ben gefietst om het zoveelste goedbedoelde, maar oubollige en zonder talent geschreven manuscript voor de Bordeauxreeks met een standaardbrief te laten terugsturen. Dat is niet beleefd, ik geef het toe, maar ik ga niet meer in discussie met mensen die misschien een aardig balletje kunnen trappen in het vijfde elftal van een club uit de laagste afdeling zaterdagvoetbal, maar er zelf van overtuigd zijn dat ze zo in de basis kunnen bij FC Dordrecht. 'Lees eerst Kira Wuck eens, of Radna Fabias, Tjitkse Jansen, Job Degenaar, Gerrit Komrij, De Schoolmeester, Hans Warren, Hugo Claus, Remco Campert, André van der Veeke, Jan J.B. Kuipers, Amarantha Groen, Josse Kok en nog driehonderd anderen!' Ik zou het van de daken willen schreeuwen al heb ik niet de illusie dat het helpt. Straks kijk ik in de brievenbus en dan ligt er weer zo'n door de eigen familie bewonderd genie, dat in de spiegel een tweede Jean Pierre Rawie ziet, met bijbehorende verkoopcijfers.
Poëzieweek, een prachtig initiatief, maar er waait een gure westenwind en er is natte sneeuw voorspeld. Gelukkig is het over vierentwintig dagen maart. Eind maart komt de debuutbundel uit van Rogier de Jong. Iemand met talent die het wel heeft begrepen.

Op de internetpagina met Poëzieweekactiviteiten in Nederland en Vlaanderen is Dordrecht notoir afwezig. Dat verbaast mij niet, maar ik wil niet opnieuw gaan klagen. We weten nu eenmaal dat in onze stad de letteren traditioneel, want dat gaat heel ver terug, een ondergeschikte rol spelen vergeleken met de andere kunsten en zeker met de beeldende kunst. Dat wordt treffend geïllustreerd door het feit dat Dordrecht wel een stadskunstenaar heeft, maar geen stadsdichter. Het zal de gemiddelde Dordtenaar een zorg zijn. Nergens worden de uitgaven van het Buddingh'-genootschap zo slecht verkocht, vertelde de uitgever mij, als in Dordrecht. De gemiddelde Schapenkop heeft trouwens geen idee dat Dordt een uitgeverij herbergt, Liverse, jawel, die stug voortbouwt aan een kloek poëziefonds, iets wat veel landelijke critici ook nog steeds lijkt te ontgaan, en er is in juli dan wel een hele grote boekenmarkt, maar hoeveel inwoners van de buitenwijken komen daar op af? Ach, wat hindert het ook. Gerard Reve schreef in al zijn wijsheid dat dit land over vier- of vijfhonderd jaar, dat wil ik even kwijt zijn, toch is ondergelopen. Als de wereldbevolking zich in het huidige tempo blijft voortplanten, hoeven we echt niet zo lang te wachten, vrees ik, al gaat de middelbare schooljeugd tot in lengte van dagen door met demonstreren tegen de klimaatverandering.

Demonstreren! Toen ik zestien was dacht ik ook dat het nut had. Op mijn zesentwintigste speelde de kwestie van de kruisraketten en er was ook iets met wat neutronenbom werd genoemd. Ik ben er niet tegen gaan betogen, ik had toen al een hekel aan schreeuwende menigten, maar op het prikbord achter in mijn lokaal, ik gaf toen les op een mavo, hingen wel posters met 'Stop de neutronenbom!' Dankzij Trump en zijn opzeggen van een belangrijk kernwapenverdrag lijkt die discussie weer helemaal terug. Tja, Donald Trump, ook zo'n icoon van een zelfdestructieve mensheid, die vermoedelijk nooit een dichtbundel leest, al weet je dat nooit honderd procent zeker.

In gedachten, altijd,

Kees

Dordrecht, 4 februari 2019

Foto: Ronald Peters