donderdag, mei 02, 2019

Vraag het maar aan de belastingdienst



Lieve Stella,

Het bouwvolk van hiernaast is terug en maakt weer op volle kracht herrie en ook de malloot die zo gruwelijk saxofoon speelt hebben ze nog niet van de sokken gereden. Gisteren had de avli* een oase van rust moeten zijn, 1 mei = vrij, maar toen had iemand bedacht dat het wel aardig zou zijn om een reclamevliegtuigje urenlang boven de stad te laten rondcirkelen. Zo'n ronkend, eenmotorig ding met een spandoek er achter. Alsof er al niet genoeg reclame is die het leven verzuurt. Het was bovendien fris voor de tijd van het jaar, toen ik 's avonds terugkeerde van Zorbas heb ik zelfs een trui onder mijn jasje gedragen. 

Dat jasje, daar zou ik eens iets nieuws voor moeten kopen. Er zit geen knoop meer aan de manchetten (waarom naaien ze trouwens knopen aan die manchetten, dat is toch volkomen zinloos?) en het is behoorlijk vies, maar waar vind ik hier een stomerij met 'klaar terwijl u wacht'? We hebben wel een kleine grutter op loopafstand en een bakkerij, maar voor een winkel waar je een fatsoenlijk jasje kunt kopen, moet ik helemaal naar Kolonaki, voorbij de Nationale Tuin, want in Plaka kun je slechts toeristische truttigheden aanschaffen of uit eten gaan. Dat jasje dat ik in oktober in Thessaloniki kocht is een dure miskoop. Ik bedoel, het staat me prima, heeft een zekere sjiek, maar als ik mijn agenda of een notitieboekje in een binnenzak doe, gaat het raar hangen. 
Toen ik een kind was, zat ik altijd goed in de kleren. Die maakte mijn moeder gewoon zelf, of anders kochten we ze bij Roodfeld. Dat was (en is, ik geloof dat de zaak nog bestaat) een winkel waar dure, doch degelijke waar werd verkocht, die wij met vijftig procent korting konden aanschaffen, want de eigenaar was een boezemvriend van mijn oom Henk, die jij helaas nooit hebt gekend. Hij is net voor zijn pensioen aan een hartaanval overleden, oom Henk, niet meneer Roodfeld, wat mij indertijd nogal heeft aangegrepen. Twee ooms op te jonge leeftijd aan het hart bezweken en ik maar denken dat mij zoiets nooit zou overkomen. Ik ben de afgelopen jaren tweemaal net aan de dood ontsnapt. De eerste keer bij die hartstilstand, de tweede keer toen ik bijna stikte in een stukje biefstuk tijdens een diner van de Dickens Fellowship in Kraantje Lek. Wel een eervolle plek om op te stappen, maar ik geef toch de voorkeur aan de Dordtse Pottenkade met voorlopig nog even uitstel als ik voldoende inspraak krijg. 

Anke en Lienke (de tweeling van Syros) hebben tijdens hun verblijf in Thessaloniki een heleboel foto's gemaakt, waarvan ik een deel in mijn digitale archief heb zitten. Misschien dat ik daar een soort album van laat afdrukken, want al dat digitale is prachtig en snel (ik stuur een epje naar Archie in Berg en Dal aan de Surinamerivier dat binnen enkele seconden arriveert), maar als de stroom uitvalt heb je er niets meer aan. Het kan nooit kwaad om een paar postduiven te houden en papier en vulpen onder handbereik te hebben, maar dit terzijde. Aan de andere kant ben ik in Dordt nu en dan doende oude foto's uit mijn albums te digitaliseren, want dan kun je er op de computer weer van alles mee doen. Nog niet zolang geleden heb ik foto's opgeslagen uit de tijd dat ik met Annemarie in Llangollen, in Wales verbleef. Toen fotografeerde ik nog veel zwartwit. Kun je je dat nog herinneren, Llangollen? Die romantische vallei, eigenlijk het verwilderde deel van de tuin van Plas Newydd, waar lady Eleanor Butler en Sarah Ponsonby woonden? Ik denk er nog regelmatig aan terug, zeker nu ik gisteren bericht kreeg van Bart en Claudia, die door Wales reizen, dat ze vandaag Plas Newydd bezoeken. Wales, ik wil er ook weer naartoe, maar eerst maar afwachten wat er van die ellendige Brexit terecht gaat komen. Hopelijk leidt uitstel tot afstel.

In 1968 ging ik in Wales kamperen, als jonge en nog vrijwel onbedorven begeleider van de welpen van de padvindersclub van Newton-le-Willows. Die stond onder bevel van Mister Keene, nog niet zolang geleden op hoge leeftijd overleden, maar geestelijk tot op het laatste ogenblik scherp. Net de oude Drees. Daar heb in IJzeren logica een verhaal over. Dat stond eerst in het tijdschrift Kreatief. Een onbeduidende naam voor een uitstekend literair blad, dat echter, zoals dat gaat als het succes te groot wordt, na enige tijd werd opgeheven. Met Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift, dat sinds een jaar of twee G. (Gee-punt) heet, heb ik de samenwerking opgezegd, evenals mijn abonnement, omdat ze zomaar een paar keer mijn naam als Cees schreven, in plaats van als Kees en ik ben wat dat betreft minder mild dan Kees Buddingh'. Als het na een dringend verzoek niet direct wordt rechtgezet kunnen ze het lazarus krijgen. Betalen deden ze ook niet, ik begrijp niet dat ik zo achterlijk ben geweest om dat over mijn kant te laten gaan. Als ik in Kreatief publiceerde, kreeg ik keurig een honorarium. Dat krijg ik van alle tijdschriften waar weleens iets van mij inkomt, vraag het maar aan de belastingdienst, maar die lui hebben jarenlang van mijn scheppende kwaliteiten mogen profiteren en dan ineens Cees gaan schrijven! Ik moet aan mijn bloeddruk denken.

Ik schrijf 'vrijwel onbedorven', want ik had kort voor vertrek ergens bij een tuinfeest de veertienjarige Isabeau uit Frankrijk ontmoet, die mij achter een bloeiende rododendron de kunst van het tongzoenen had bijgebracht. Moet je nagaan, ik was al zeventien, maar Isabeau viel nu eenmaal op oudere mannen. Tijdens dat kamperen inspecteerden wij als begeleiders 's morgens met militaire precisie de tenten van de jeugd, die keurig moesten zijn opgeruimd en schoongehouden, anders volgde strafcorvee. Ga jij maar eens voor veertig man aardappels zitten schillen, van die Engelse zandaardappels die nooit kruimelen, maar waarvan je wel slappe frieten kunt bakken. Die in geolied papier verpakken en in een krant en daarna overgieten met azijn en klaar is Kees (met een K dus).
Naast ons kamp, gelegen op een glooiing in het plaatsje Corwen, niet ver van Llangollen, was dat van een groep padvindsters, ik geloof dat je die kabouters moet noemen, al waren ze de welpenleeftijd al een beetje ontgroeid. Dat kamp werd op een avond verlucht door een kampvuur en bij dat kampvuur kwam ik Wendy tegen. Ook veertien en niet alleen verzot op tongzoenen. Zij was het eerste meisje met wie ik door die romantische vallei zwierf en die ik achter het oude doopvont, dat oorspronkelijk in de abdij van Valle Crucis stond, op innige wijze onzedelijk betast en beknepen heb. Dat leidde tot een verkering van maar liefst twee jaar, voornamelijk per brief, maar tijdens de zomermaanden ook lijfelijk. Ik logeerde met enige regelmaat bij haar en haar ouders in het gehucht Hooton op de Wirral, met uitzicht op de schoorstenen van de chemische fabriek bij Ellesmere Port. Ze had weelderig, rood haar en was echt een kind van de jaren zeventig. Ik heb haar later ingeruild voor een meisje uit Dordrecht, maar dat speelde allemaal al heel lang voor ik jou leerde kennen. Ik heb je er beslist weleens over verteld, maar zonder details, want ik ben pas in 1975 met mijn dagboeken begonnen. 

Er moeten ook nog foto's zijn van ons verblijf in Llangollen, of was dat al nadat ik door een onhandigheid de camera had laten vallen op het marmer van het British Museum? Of was het de National Gallery? Je weet nooit waar je aan toe bent met die Engelsen, maar het ding was wel onherstelbaar kapot. Erg duur was hij niet geweest, maar je kon er mooie foto's mee maken. Ik denk het eigenlijk van wel, want ik kan me foto's uit Londen herinneren, maar niet uit Wales eigenlijk. In dat geval zouden we terug moeten om het allemaal nog eens over te doen. Dát zou ik nu graag eens willen, maar ik ben Orpheus niet, jammer genoeg, al zou ik wel uitkijken om mijn kop om te draaien alvorens we de poort uit waren. Ik ga toch nog eens zoeken in mijn albums.

In gedachten, altijd,

Kees

Athene, 2 mei 2019

* binnenplaats

Foto: auteur

zaterdag, april 27, 2019

Brief aan W. te Nieuwegein



Dordrecht, 5 juni 2008

Beste W.,

Je brief van april heeft mij ontroerd. Ik had er eerder op moeten antwoorden, maar dat is mij om allerlei redenen die er hier niet toe doen en vanwege mijn reis naar Griekenland, naar huis, in mei, niet gelukt. Wat je schrijft over Stella’s poëzie doet mij goed, ik denk ook dat veel van je bemerkingen raak zijn. Ik hoop dat je mening gedeeld wordt door de poëzieredacteur van Liverse, bij wie ik een postume bundel van haar wil uitgeven. Ik zit te wachten op een oordeel. 

Nee, W., je hebt 'nooit geweten wat een knappe, innemende, intelligente en innerlijk rijke vrouw' Stella was. Dat was ze inderdaad en nu ze er niet meer is besef ik hoeveel rijker ze mijn leven heeft gemaakt in de twintig jaar die ik met haar heb gedeeld. We hadden elkaar natuurlijk veel eerder in het leven moeten tegenkomen, maar het is al een wonder dat we elkaar ooit ontmoet hebben, toen, in 1987, aan de Universiteit van Minnesota. Een leraar aan een ingedutte, provinciale, middelbare school in een waterige uithoek van Nederland en een docente aan de Experimentele School van de Universiteit van Thessaloniki met haar wortels in de Pontus in noordoost Turkije. Dat haar vader en moeder als kinderen de Turkse vervolgingen van de Pontiërs in de jaren 1917-1923 hebben overleefd en dat Stella zodoende geboren heeft kunnen worden, aan het begin van de Griekse burgeroorlog, waarin haar vader als linkse Griek ternauwernood aan moord door de fascisten is ontsnapt, is evenzeer een wonder. Hangt het leven van toeval aan elkaar? In ieder geval wel van dramatische gebeurtenissen.

Je vroeg hoe lang voor haar dood Stella het gedicht ‘Ooit’ schreef. Dat was op 2 november, bijna acht weken voor haar overlijden. Haar laatste gedicht, ‘Eindeloze nachten,’ is van 22 december, vier dagen voor haar dood. De doktoren spraken toen nog van 'enkele weken,' maar dat ze die dag van uitputting niet meer in haar dagboek kon schrijven was voor mij een veeg teken. Toch heeft haar overlijden, in haar slaap, zonder dat er iemand bij was, mij nog overvallen. Ik kan nog steeds het verschrikkelijke gevoel niet omschrijven waarmee ik om half zeven die ochtend op de parkeerplaats van de school stond (die ligt naast het ziekenhuis, veel dichterbij dan de officiële parkeerplaats van het hospitaal, ik kijk dagelijks vanuit mijn lokaal op de kamer waarin ze is overleden). Laat ik hier niet op doorgaan, het is allemaal nog te vers, te schrijnend, ik weet nog steeds niet waar dat vlot, waarop ik nu in een donkere stormnacht voortdrijf, naartoe koerst. Ik begin langzamerhand uit de verdoving van de eerste schok te raken, maar het besef dat ik haar onherroepelijk kwijt ben maakt de pijn en het verdriet eigenlijk alleen maar erger. Het is een fase, zegt men, waar je doorheen moet. Jij hebt het allemaal ook meegemaakt, misschien is het waar, in ieder geval is het niet anders. 

Wat jij afleidde uit de zin:

Ik wilde de avond niet bederven

namelijk dat Stella mij vroeg om op wat voor manier ook, waardig door te leven, is ook zeer goed gezien. Ze heeft mij bezworen om mijn leven zo goed mogelijk voort te zetten op de wijze waarop wij samen voortgingen. Ik zie dat als een opdracht die ik naar vermogen tot een goed einde zal brengen. Voortaan bewandel ik onze weg alleen, hoe godvergeten moeilijk dat soms is. 

Ik lees uit je brief dat jij de dood van Maria ook nog niet werkelijk hebt geaccepteerd. Zo is het met mij ook. Dat diepe gevoel van onrechtvaardigheid waarover je het hebt, inderdaad. Een paar dagen geleden stond er weer een wijsneus in de kroeg te oreren dat weet ik wat welke groenten, bloemkool, geloof ik, mits in die en die hoeveelheid en zus en zo bereid, niet alleen kanker kon voorkomen, nee, zelfs genezen. Dat gelul, daar kan ik niet meer tegen. Stella heeft haar hele leven lang op haar voedsel gelet, het gezonde Mediterrane dieet: alles met olijfolie, zelden iets gebakken, matig met alles, weinig vlees, bij voorkeur vis, veel peulvruchten en wat zij in een jaar aan alcohol dronk sla ik in een week naar binnen, zelden rookte ze, een héél enkele keer een sigaartje of een krèteksigaretje, maar niet meer dan drie of vier per jaar en dan maagkanker krijgen! 

Je hebt gelijk, het had ‘mijn gasten verstijfden’ moeten zijn. Toen Stella het gedicht schreef twijfelde ze en vroeg ze mij om advies. Ik zei ‘versteven.’ Jan Lul met ook nog een bevoegdheid Nederlands, al heb ik dat vak in twintig jaar niet meer gegeven. Stella’s taalgevoel was sowieso beter dan het mijne. Zij schreef na enkele jaren in Nederland haar Nederlands vrijwel foutloos, terwijl ze het vlot en accentloos sprak. Mijn Grieks, hoewel uit beleefdheid veelgeprezen, lijkt daarbij vergeleken nergens op. Ik mis haar ook erg als rechterhand bij het vertalen uit het Engels en ondertussen is Jan Eijkelboom, mijn linkerhand, ook weggevallen. En haar geweldige gevoel voor poëzie: wat ik niet van haar geleerd heb, hoeveel dichters ik niet door haar heb leren kennen! André van der Veeke schreef in zijn In Memoriam in de jongste Ballustrada: 'Ze geloofde onvoorwaardelijk in de kracht en betekenis van poëzie.' 

Genoeg, W. Als het zondag niet al te slecht weer is ga ik mijn narigheid eruit wandelen met G., vorig jaar gepensioneerd collega en hoofdredacteur van The Dutch Dickensian, die zich enkele weken geleden een boerderij met enige hectaren grond op de Drentse Hondsrug heeft verworven, waarop hij uien wil gaan verbouwen. We lopen dan van Gorinchem naar Leerdam, een mijl of veertien, tijdens welke onderneming we allebei tot bezinning hopen te komen.

De avond is in een gevorderd stadium geraakt en voor ik ga slapen wil ik de jongste Wiener uitlezen, een schrijver met wie ik verwantschap voel, al was het alleen al omdat ik zijn moeder heb gekend. Die was net als voornoemde G. en ik lid van de Haarlem Branch van de Dickens Fellowship. Het ga je goed,

een hartelijke groet,

Kees

Foto: auteur


vrijdag, april 19, 2019

De long van Thessaloniki



Ten noorden van Thessaloniki ligt het bos van Seïch-Sou. De long van Thessaloniki wordt het wel genoemd. Een long die al verschillende keren door brand werd getroffen. Voor het laatst een jaar of vijftien geleden, als ik het mij goed herinner. Dat was aan de oostkant, waar wij tot voor kort dichtbij woonden. Een minuut of tien lopen en we stonden aan de bosrand. Via een viaduct moest je eerst nog wel de Περιφερειακό oversteken, de rondweg om de stad, waarvoor bij de aanleg, eind jaren tachtig van de vorige eeuw, een stuk van het bos is opgeofferd.

We gingen bijna dagelijks wandelen in Seïch-Sou. 's Morgens in alle vroegte, voor het ontbijt. Ons doel was meestal een kapelletje vanwaar je een mooi uitzicht had over de stad. Vrijwilligers, die het bos zo goed en zo kwaad mogelijk onderhielden, hadden er bankjes geplaatst. De plek lag op ongeveer een uur lopen van ons huis in Ano Toumba. We rustten wat op zo'n bankje, genoten van het uitzicht en maakten soms een praatje met andere wandelaars. Opvallend was de rijke schakering bloemen in het voorjaar. Als je vroeg genoeg was zag je hazen rennen en regelmatig werd ons pad gekruist door wegschietende hagedissen of een gemoedelijk rondscharrelende landschildpad.

In de zomer hielden we ons hart vast, vooral als het wekenlang niet had geregend en er een harde wind woei. Griekenland wordt veelvuldig geteisterd door bosbranden, niet zelden gevolgd door erosie. Na de laatste brand in Seïch-Sou werd kordaat opgetreden. Er werden rietmatten geplaatst om erosie tegen te gaan, waardoor het bos zich verrassend snel begon te herstellen. Toch moet je er niet aan denken dat de long van Thessaloniki, van eminent belang voor milieu en recreatie, ooit volledig in vlammen zou opgaan. 

Ik herinner mij augustus 2007, toen het land met tientallen bosbranden te kampen had. Groot was de angst dat ook Seïch-Sou zou worden getroffen. Het bos werd zelfs enige tijd voor het publiek afgesloten. In die dagen bestond het radioprogramma De Avonden nog. Ik werd gebeld met het verzoek verslag te doen. De meeste branden waren op de Peloponnesus. De Griekse televisie besteedde er urenlang aandacht aan en ik vertelde wat ik zag door aan de journalist van dienst. 'Hebben jullie ook last van de rook?' was een van zijn vragen. 'Nee hoor,' antwoordde ik, 'wij zitten in de rookvrije zone.' Het werd even stil in Hilversum. Gelukkig bleef Seïch-Sou dit keer gespaard.

Of de waarde van het bos tot alle inwoners van Thessaloniki is doorgedrongen, waag ik te betwijfelen. De overheid doet zijn best. Regelmatig kom je een brandkraan tegen en er zijn brandgangen aangelegd waardoor de wagens van de brandweer op veel plekken kunnen komen. Crossmotoren helaas ook en ondanks de waarschuwingsborden om voorzichtig te zijn met vuur, zijn de paden bezaaid met sigarettenpeuken en wordt op sommige plekken naar hartelust gebarbecued. Barbecuen, de gemiddelde Griek is eraan verslaafd.

Een ander probleem is afval. Hoewel er bij de toegangen tot het bos afvalcontainers staan, zijn er nog steeds mensen die een eindje Seïch-Sou inrijden om daar hun grofvuil, of soms zelfs bouwpuin, achter te laten. Onvoorstelbaar eigenlijk, want het is makkelijker om het in die containers te gooien. Kennelijk zit het misbruik maken van de openbare ruimte en anderen opzadelen met jouw troep bij sommige mensen diep in de genen.

Het kapelletje en de zitbanken zijn op een dag door de gemeente gesloopt. Op instigatie van een communistisch lid van de gemeenteraad. Hij was bang dat de plek een 'bedevaartsoord' zou worden. Ook bossen ontkomen niet aan het kleinzielig gedweep van sommige politici.

Eerder gepubliceerd in Griekenland Magazine, zomer 2018.

Foto: auteur


vrijdag, april 12, 2019

Verdomhoekje



Lieve Stella,

Vorige week ben ik een paar dagen naar Düsseldorf geweest. Met de trein, maar niet via de vertrouwde Venlo-route, zoals in de tijd dat jij op de Kennedydamm woonde. Toen namen we in Dordrecht eenvoudig de intercity naar Keulen, stapten in Mönchengladbach over en waren, normaal gesproken, in ongeveer twee en een half uur op het Hauptbahnhof van Düsseldorf. Vandaar was het nog een paar haltes met de U-bahn, die bijna pal tegenover jouw appartementengebouw stopte. Ilse, je vriendin en vroegere buurvrouw, woont er nog steeds. Tilly en Christos* logeerden bij haar, wat de aanleiding was om de trein te nemen, hoewel ik hen binnenkort weer zie in Thessaloniki.

Wil je vandaag de dag via Venlo reizen, dan moet je drie of vier keer overstappen en ben je ongeveer vier uur onderweg. Vooruitgang noemen de Nederlandse Spoorwegen dat. Wil je vanuit Dordrecht naar Keulen, dan kun je het beste eerst naar Rotterdam sporen, daar overstappen op de Thalys naar Brussel en vervolgens de internationale trein naar Keulen nemen. Dat komt allemaal omdat het Drechtstedengebied (bijna 270.000 inwoners!) in het verdomhoekje van de spoorwegen is geraakt. Het aantal intercity's naar het zuiden is sterk beperkt, maar die levensgevaarlijke giftreinen mogen wel iedere nacht op driehonderd meter hier vandaan door de scherpste en gevaarlijkste spoorwegbocht van Nederland denderen. Ik moet op mijn bloeddruk letten.
De snelste manier om in Düsseldorf te komen is nu via Rotterdam naar Utrecht te reizen en daar op de internationale trein van Amsterdam naar Frankfurt te stappen. Die internationale trein is wel aangenaam comfortabel. Vooral omdat ik eersteklas reisde (want op het Nederlandse deel heb ik 40% korting). Ik bestelde een flesje wijn bij een vriendelijke Herr Wolff (aldus het kassabonnetje). Er konden slechts twee glazen uit, maar ik moest doordrinken, want ondanks dat de hele reis drie uur en tien minuten duurde, ben je vanaf Utrecht sneller in Düsseldorf dan je beseft.
Het was er koud en druilerig. Ik logeerde in onze oude buurt, in de Kayserswertherstrasse, op vijf minuten lopen van jouw appartement. Als de zon niet schijnt, sombert die buurt een beetje, maar het hotel was comfortabel, proper en mild van prijs. Mijn kamer zag uit op een mooie binnentuin, waarin vanwege het weer niet kon worden gezeten.
De fles cognac (Comte Joseph XO) die hier thuis in de bar staat, blijkt duurder dan ik dacht. Ik kreeg hem voor mijn verjaardag, maar ik heb geen idee meer van wie. Hoe kom je erop, zul je zeggen, welnu, door de welgevulde minibar die ik aantrof.
Om naar het hotel te gaan stapte ik gewoontegetrouw in lijn 79 van de U-bahn, maar er kwam geen Oststrasse en evenmin een Steinstrasse. Ik was gedachteloos op het verkeerde perron ingestapt en op weg naar de universiteit. Je zou er hartelijk om hebben gelachen, maar daardoor was ik wel aan de late kant bij Ilse voor de lunch.
Op de Kennedydamm is eigenlijk niets veranderd, behalve dat een aantal oude, zieke bomen is gerooid en vervangen door jong goed. Toen ik de Rolandstrasse overstak kreeg ik even het beeld van jouw auto voor ogen, die je daar altijd parkeerde, maar ik werd niet, zoals bij mijn vorige bezoek, overmand door melancholie. Alles went, moet je maar denken, al maakt dat de dingen niet noodzakelijkerwijs leuker. 

Genoeg Düsseldorf. We hebben er Spaans gegeten, Italiaans geluncht en een afzakker gehaald bij een Griek die luidkeels lucht gaf aan zijn hekel aan de stad, het klimaat en de bewoners, waaraan hij ondertussen wel een villa in Portugal en een villa in Griekenland heeft overgehouden. De terugreis verliep probleemloos, zodat ik nog op tijd was voor de borrel van DOCK (een stichting die zich inzet voor creatieve ondernemers) in Americain, het pas geopende café in de openbare bibliotheek. Op de plek van het oude Americain, waar we in de jaren zestig de schoolfeesten van mulo-Groenedijk hadden. De tijd dat je nog dromerig naar meisjes keek, maar veel te onzeker en verlegen was om iets tegen die hemelse wezentjes te zeggen. Inmiddels zijn we in een tijd beland dat de schreeuwers in de sociale media onmiddellijk een heksenjacht ontketenen als ze maar vermoeden dat iemand van mijn leeftijd dromerig naar zo'n meisje kijkt. Niet alleen bij de Nederlandse Spoorwegen woedt de vooruitgang.
Je vraagt je weleens af waar de mentaliteit van de jaren zestig en zeventig is gebleven. Een club mallotige jongeren van christelijke huize heeft een petitie ingediend bij de Tweede Kamer om prostitutie strafbaar te stellen. Kunnen de hoertjes weer lekker de ellende van de illegaliteit in. Fanaten vallen vrouwen lastig die naar een abortuskliniek gaan. Ook van christelijke huize (die fanaten, niet die vrouwen). Onder Jezus' vaandel terug naar de jaren vijftig! Dat Jezus nogal op Maria Magdalena was, wordt voor het gemak vergeten. Als ik aan de opgroeiende generatie denk, schiet me vaak dit citaat van Fernando Pessoa te binnen: 'Wie nooit in dwang heeft geleefd voelt de vrijheid niet' (Het boek der rusteloosheid, Privé Domein, pagina 74).
Ja, die generaties na ons. Soms denk ik weleens dat we iets verkeerd hebben gedaan, maar ik vrees dat de mens toch vooral een irrationeel wezen is dat zijn driften nauwelijks de baas kan. Je kunt het ook zeggen in de woorden van Edmond en Jules de Goncourt: 'Het menselijk handelen wordt bepaald door drie drijfveren. En dat zijn, in klimmende volgorde van belangrijkheid: hartstocht, eigenbelang en ijdelheid.' (Dagboek, Privé Domein, bladzijde 135). Ik kan zo nog een tijdje doorgaan, maar ik geloof dat we afdwalen en de was moet nog worden opgehangen. Daarna moet ik naar de dumpshop om legeroverhemden voor Griekenland. Met van die zakken waar je van alles redelijk veilig in kunt opbergen, zodat niet meteen je bankpassen en buskaartjes over straat rollen als je een stuiver opraapt, want die laten liggen is natuurlijk zonde.

Griekenland nadert. Nog even en dan moet ik weer zo'n eng vliegtuig in, daarna met een levensgevaarlijke taxi en, nu ja, laat ik er maar over ophouden, want drie dagen met trein, boot en bus is ook niet alles, al moet het van Groen Links. Ik ben uren bezig geweest met papieren uitzoeken voor de fiscus, maar de zon schijnt, de perenboom staat prachtig in bloei en vanavond gaat FC Dordrecht winnen van MVV. Gelukkig heb ik nog ergens verstand van.

In gedachten, altijd,

Kees

Dordrecht, 12 april 2019

*Studievriendin van Stella en partner.

Foto: auteur






zaterdag, april 06, 2019

Vooruitgang



Ik logeer in 'onze' oude buurt. In de buurt waar Stella woonde toen ze in Düsseldorf werkte. De tijd van ons weekendhuwelijk. Zij de ene week met de auto, ik de andere week met de trein. Dat was een gemakkelijke reis. Je nam in Dordrecht de intercity naar Keulen, stapte over in Mönchengladbach en in twee en een half uur stond je in Düsseldorf. Dat was in de jaren negentig van de vorige eeuw. Inmiddels lijdt de NS aan vooruitgang, maar omdat vooruitgang duur moet worden betaald, besloot men de trein naar Keulen op te heffen. Erger, vanuit Dordrecht gaan er, op een of twee per dag na, geloof ik, helemaal geen intercities meer naar Breda en verder, richting Duitsland. Ik zocht op de NS planner de 'Venlo-route'. Ja, je kunt zo reizen, dat duurt vier uur en tien minuten. Je kunt ook via Utrecht. Dat is drie en een half uur.

Ik ben een liefhebber van reizen met het spoor. Al van kind af aan. Ik smulde van de verhalen van mijn grootvader, die machinist was in de tijd van de stoomtractie, maar zoals menig middelbare schoolleraar het enthousiasme om iets te leren er bij de brugklassers snel vakkundig uitramt, zo probeert de NS dat met mijn liefde voor treinreizen. Er komt een dag dat dat lukt en ik mij bij een garage meld voor een aardig tweedehandsje. Ik nam de Utrecht-route, maar vertrok voor de zekerheid wel een uur vroeger. Je weet maar nooit met overstappen in Rotterdam en al kan de NS het ook niet helpen als een wanhopige een 'aanrijding met een persoon' veroorzaakt, je bent dan wel de Sjaak met je gereserveerde plaats in die bepaalde internationale trein. Ja, je kunt altijd verder, als je maar bijbetaalt. Ik geef toe, de ICE was comfortabel, maar ik reisde dan ook eersteklas. Je bent van de elite of niet.

Ik logeer in een hotel op vijf minuten lopen van ons vroegere appartement op de Kennedydamm. Een rustig gelegen hotel, met niet overdreven grote, maar comfortabele kamers en fatsoenlijk toiletpapier. Een hotel dient degelijk toiletpapier te hebben. Niet te hard, niet te dun en in voldoende mate aanwezig. Een hotel dat bezuinigt op toiletpapier verdient failliet te gaan. Ook is het fijn dat er een minibar is en dat wat erin staat niet echt prijzig is. Ik kijk uit op een mooie binnentuin. Jammer dat het te koud en te nat is om erin te zitten. De buurt is een beetje grauw. Architectuur uit de jaren dertig. Onze flat lag op de vijfde etage. Er was geen lift. In de jaren dertig streefde men naar gezonde geesten in gezonde lichamen. Dat is niet helemaal gelukt en dat is de buurt nog een beetje aan te zien, maar ik denk niet aan de jaren dertig. Ik denk aan de jaren met Stella, daar op de Kennedydamm. Ze parkeerde haar auto altijd in de Rolandstrasse, met een speciale vergunning. Ik ga zo eens kijken of hij er misschien nog staat.

Foto: auteur


maandag, april 01, 2019

Op de grens




Lieve Stella,

Ineens zit ik weer in een goede schrijfperiode. Deze week kwamen er drie gedichten, waarvan de laatste vanmorgen. Of ze echt beklijven, kan ik nog niet zeggen, daarvoor moeten ze eerst een tijdje in de la om te rijpen, maar ik heb mezelf maar getrakteerd op een glaasje Metaxa (met twaalf sterren, vooruit, waarom niet? Het is maar één keer in de eeuwigheid 31 maart 2019). Ik meen dat Kees Buddingh' me eens vertelde dat, als het even niet erg ging met dichten, je het beste kon gaan vertalen, dan kwamen je eigen gedichten ook wel weer. Ik denk dat dat op het ogenblik zo is. Bezig met Joanne Limburg en met mezelf. Dat laatste voor zolang het duurt en geen garanties, maar ik voel me er wel weer even senang bij.

De aanleiding voor het laatste gedicht was een zot, die ik gisteren voor het Amsterdamse centraalstation zag staan. Zo'n Jezusvereerder, die geheel onopgemerkt, behalve door mij dan, tussen de krioelende toeristen, met een zelfgemaakt bord opriep tot bekering. Ik had in de stationshal, bij wijze van lunch, een patatje-met gekocht bij een vrolijke Marokkaan, die mij verzekerde dat hij de beste frites van Amsterdam had, en dat stond ik buiten, in de zon, te nuttigen. God wat had jij daar een hekel aan, mensen die op straat patat en andere dingen liepen te eten, maar ik zondig weleens. Ik weet nooit of je wel of geen medelijden moet hebben met zo'n Jezusfreak. Is het een verwarde gek, of is het iemand die in alle serieusheid meent de mensheid een dienst te bewijzen door de verbreiding van het woord. Gezien kleding, houding, kreten en de lucht die van hem afwoei, hadden we met een specimen van het eerste te maken. Ik ben met mijn frietjes maar snel de straat overgestoken om dichterlijk over de wateren te staren tot ze op waren en ik op zoek kon naar een afvalbak. 
Ik was onderweg naar de universiteitsbibliotheek, voor de jaarvergadering van het Nederlands Genootschap voor Nieuwgriekse Studies. Anderhalf uur te vroeg, want je weet het maar nooit met de spoorwegen, zodat ik in alle rust naar café De Zwart kon sjokken. Daar hebben ze aangename, rode wijn en een goede maat van schenken. Het was een fraaie lentedag, in tegenstelling tot vandaag, nu waait die rotte, koude noordenwind weer, zodat het terras vol zat. Voornamelijk toeristen en een Chérie Bidet-achtig type, dat zich uit zat te sloven voor een aan zijn lippen hangende juffrouw. Binnen zat niemand. Ik zocht een mooie plek achter het opgeschoven raam, zodat ik het allemaal eens op mijn gemak kon bekijken. Veel levensgevaarlijk gestuntel van toeristen op huurfietsen en nijdig gebel van Amsterdammers, of wat daarvoor door moet gaan, die structureel opzettelijk te hard kwamen aanrijden 'om ze een lesje te leren,' denk ik, want daar zijn de uitvinders van de afzeikhumor goed in. 
Nadat mijn vooroordelen over toeristen in het algemeen en onze hoofdstedelijke medeburgers in het bijzonder, ruim waren gevoed, en we twee wijntjes verder waren, was het tijd om naar de bijeenkomst te gaan. Eerst de routine, daarna het interessante deel, een lezing over Cypriotische historische romans en het boek The Prophecy and the Templar Scroll van Lina Ellina. Dat boek speelt zich deels af in de moderne tijd en deels in de dertiende eeuw, tijdens de regering van Hendrik II (1270-1324). Je weet, de tijd van de Lusignans is mijn favoriete periode in de Cypriotische geschiedenis. Jammer dat ik geen Griekse versie van Afrodite en Europa bij me had, dan had ik die aan de schrijfster kunnen geven, maar nadat ze mijn exemplaar van het boek had gesigneerd, heb ik haar wel op mijn twee mythische dames gewezen, bescheiden als ik ben. Ze zal dat inmiddels wel zijn vergeten, dus misschien moet ik haar een exemplaar sturen. Tijdens de terugreis heb ik al gefascineerd in het boek gelezen.
Ik ben na de receptie, waar ik een aantal leuke gesprekken had, ondermeer met Hero Hokwerda en Willem Ledeboer (de adjunct-directeur van het Nederlands Instituut in Athene, waar ik binnenkort een poosje ga werken), niet naar het avondprogramma gegaan, want in Dordrecht was het Barre Tocht, onder leiding van Scotch the Band en in dat kader speelde Marienke van Terheijden, om elf uur in cafe De Vrijheid, een deel uit haar cabaretprogramma. Daar wilde ik bij zijn. Om half negen was ik thuis, want ook op de terugweg deed de Intercity Direct het zonder morren, zodat ik eerst nog een poosje verder kon lezen.
Marienke was goed. Zeker als je bedenkt dat een drukke kroeg geen gemakkelijke plaats is om te spelen. Ik zou haar hele programma graag in Theater 450 zien. Wie weet in het nieuwe seizoen. Ik ben in ieder geval zo vrij geweest iets te suggereren. Het was na Marienkes optreden nog lang heel gezellig in De Vrijheid. Ik ben tot kwart voor twee blijven hangen en moest toen ik thuiskwam de klokken nog een uur vooruit zetten, want de zomertijd is weer begonnen. Er komen weer lekker lange avonden aan. In de discussie over het wel of niet afschaffen van de zomertijd wil ik me niet mengen, maar ik ben meer zomer- dan wintermens, ook al heb ik een hekel aan in de zon zitten. Dat is iets voor toeristen.

Intussen heb ik Hemelse mevrouw Frederike uit. Ik vind het een prachtige biografie, waarin het alles-moet-kunnen-als-het-maar-feest-is-beeld van Frederike Harmsen van Beek, ontstaan in de periode dat zij het landhuis Jagtlust in het Gooi bewoonde, grondig wordt bijgesteld. Er wordt diep ingegaan op zowel Frederikes leven als haar literair en beeldend werk en Maaike Meijer doet dat ook nog eens in een aantrekkelijke, lekker lezende stijl. Ik werd wel somber van de laatste hoofdstukken, van het oud worden en aanklevend verval. Vooral toen ik las dat ze uiteindelijk in een verpleegtehuis werd opgenomen. Ik zit ook een beetje aan de rand van de fase van lichamelijke neergang, denk maar aan die achillespees, en ik ben ongehoord bang ooit in zo'n gesticht terecht te komen. Dan moeten ze me maar direct een spuitje geven. Jammer dat je dat spuitje niet nu al in huis kunt halen. Of de beroemde pil van Drion, waarvan ik mij weleens stiekem afvraag of die eigenlijk wel bestaat, maar dit terzijde. Ik kom aan moederskant uit een familie met een lange geschiedenis van hersenbloedingen, met nu en dan een hartinfarct tussendoor. Dat is niet altijd geruststellend om te bedenken, al werd mijn moeder gezond negentig, tante Pieta iets minder gezond, maar wel scherp van geest, negenentachtig, en hielden mijn oud-tantes Nel en Pie het respectievelijk vol tot hun drie- en vierennegentigste, zonder daarbij het verstand te verliezen. Mijn oma daarentegen stierf op haar achtenzestigste aan een tweede of derde beroerte, nadat mijn grootvader haar enkele jaren thuis had verzorgd, iets waarvoor hij volgens mijn moeder 'de hemel verdiende.' Zijn beloning viel tegen, want hij ging op z'n vierenzeventigste aan een hersenbloeding dood, nadat hij twee jaar in verpleegtehuis Crabbehof had gelegen. Hij was zijn spraakvermogen kwijt. Ze legden hem op een kamer met een stokdove lotgenoot. Dat was in de jaren zestig, dat moet ik er wel even bij zeggen, anders gaat er op Twitter direct een roedel idioten los.
Morgen moet ik naar de geneesheer, want die rode vlek op mijn wang wordt almaar erger, ondanks het zalfje dat ik ervoor heb gekregen. Rosacea, zegt de dokter, iets dat vooral bij middelbare dames voorkomt. Ik heb dat van mijn grootmoeder geerfd (georven zeggen we in Dordrecht), maar ik hoop dat dat het enige is. Met een vlek valt nog wel te leven en op mijn licht gevorderde leeftijd hoef ik toch niet meer te hopen dat het iets gaat worden met de jongedames waarop ik met enige regelmaat verliefd word. Gerard Reve had het altijd over 'een vieze, oude man van boven de dertig.' Op een gegeven ogenblik moet je in je lot berusten, als de dokter maar niet zegt dat ik moet stoppen met drinken.

In gedachten, altijd,

Kees

Dordrecht, 31 maart 2019

Foto: auteur



maandag, maart 25, 2019

'Fly over land'



Lieve Stella,

Waarom laat je geen baard staan? vroeg je. Ik meen tijdens een etentje in downtown Minneapolis. Ik vond dat een vermakelijke vraag. Een paar weken voordat ik naar Amerika vertrok, toen ik een nieuw paspoort aanvroeg, had ik besloten om na zeventien jaar mijn baard maar eens af te scheren. Ik ging een nieuw avontuur tegemoet en daar hoorde een nieuwe kop bij. Dat avontuur was die reis naar Amerika, waar ik een paar maanden zou gaan studeren aan de Universiteit van Minnesota. Ik had, net als jij, een Fulbrightbeurs gekregen. Gekozen als een van de vier uit een groep van vierenveertig kandidaten. Vanwege mijn vlotte babbel, denk ik. Ze willen daar op de prairie, in wat de Amerikanen zelf 'fly over land' noemen, ook weleens echt Engels horen en daar lijkt het mijne wel op. Jij dacht in het begin ook, net als de Amerikanen, dat ik ergens uit Engeland kwam. Toen was ik daar wel een beetje trots op, nu, met die vreselijke Brexitchaos denk ik er ietsje anders over. Ik ben al mijn hele leven een enthousiaste anglofiel, maar dat enthousiasme staat onder druk, al ben ik van de weeromstuit begonnen aan de vertaling van een serie gedichten van Joanne Limburg, een van mijn Britse literaire vrienden die faliekant tegen de Brexit zijn.

Na jouw vraag liet ik mijn baard weer staan. Tot nu toe en het zit er niet in dat ik hem ooit weer afscheer. Het liefst laat ik alles zoals het was voor jouw overlijden. Dat geldt zeker voor ons huis, al moet ik misschien toch eens aan een nieuw bankstel, voor ik door het onze heen zak. Dat geldt eigenlijk ook voor de eettafel en stoelen, waarover ik steeds mijn benen dreig te breken, over die stoelen dan, omdat de poten licht naar achteren buigen en ik daar na vijfendertig jaar nog niet aan gewend ben. Bij wijze van spreken dan. Ik ben diep in mijn hart nogal conservatief. Niet politiek, ik heb bij de laatste verkiezingen braaf op een partij gestemd die gematigd 'links van het midden' staat, maar in mijn persoonlijk leven houd ik niet zo van veranderingen en in het credo 'verandering is vooruitgang' geloof ik niet altijd, laat staan dat vooruitgang per definitie verbetering betekent. Ja, soms. De vooruitgang in de medische wetenschap, bijvoorbeeld, prima, daar heb ik mijn leven aan te danken, je weet wel, en dat jij veel te jong bent gestorven komt toch vooral omdat het onderzoek op het terrein van jouw ziekte nog niet ver genoeg was gevorderd, maar over het algemeen is het raadzaam om bij veranderingen niet te hard van stapel te lopen en enige behoedzaamheid te betrachten. 
Al die lelijke gebouwen die in Dordrecht zijn neergeplempt nadat omwille van de vooruitgang (wat in feite 'ruim baan voor de auto' betekende) een deel van het historisch centrum meedogenloos werd gesloopt. Laat het een waarschuwing zijn tegen ambitieuze politici en projectontwikkelaars. 
In Amerika zijn ze nog veel meer van afbreken en eigentijds opbouwen, met als gevolg dat, op een enkele uitzondering na, de steden en dorpen als twee druppels water op elkaar lijken, eigenlijk moet ik in de verleden tijd schrijven, want ik ben na ons avontuur nooit meer teruggegaan, en het 'oldest house in the USA', waarvan we er een stuk of wat zijn tegengekomen, toen we ter afsluiting van de studie een rondreis maakten, nooit ouder dan misschien tweehonderd jaar is. Tweehonderd jaar, dat is maar twee keer zo oud als ons eigen huis. 
Gunstige uitzonderingen vond ik New Orleans en Boston, althans de historische centra, en, om de een of andere reden, New York, maar het is algemeen bekend dat New York geen Amerika is. Een andere wereld, met een andere dynamiek. Ik heb het nooit begrepen: ik ben allergisch voor hoogbouw, ik haat woontorens en wolkenkrabbers, maar in New York voelde ik mij toch thuis. Voor ik naar Minneapolis vloog verbleef ik een week in een appartement van de New York University in West 3rd Street, vlakbij de Village en Washington Square. Ik had het prima naar mijn zin, evenals aan het einde van onze rondreis, toen we nog een paar dagen in New York verbleven, voor jij naar Thessaloniki en ik naar Dordrecht terugkeerde. Amerika leek toen nog het land van de ongekende mogelijkheden, de anti-rookhysterie stond nog in de kinderschoenen, terwijl Ronald Reagan bezig was een einde te maken aan de Koude Oorlog, al realiseerden wij ons dat nog niet. Onder die oppervlakte van schone schijn bleek echter een samenleving in deerniswekkend verval te bestaan. Lees Amerika. Land van de begrensde mogelijkheden van Maarten van Rossem er nog maar eens op na.

De belangrijkste gebeurtenis van mijn leven was de kennismaking met jou en al die mooie jaren samen, die daar op volgden. Toch was mijn reis bijna niet doorgegaan, want tot vlak voor mijn vertrek twijfelde ik of ik eigenlijk wel zou gaan. Ik vond de VS een merkwaardig land vol idioten en geestdrijvers, zoals de meer dan dertig miljoen halvegaren die geloven dat we in 'de eindtijd' zitten. Een land waar iedereen elkaar met vuurwapens naar het leven stond en waar ze bovendien een merkwaardig soort Engels spraken. De Pilgrim Fathers, die nog een tijdje in Leiden onderdak vonden, vormden in mijn ogen ook een bijzonder nare en rare club. De echo's van hun akelige godsdienstfanatisme vind je volop in The Scarlet Letter van Nathaniel Hawthorne, een boek dat ik uit jouw bibliotheek leerde kennen, maar dit terzijde. Het was een vertekend beeld. In geen land heb ik zoveel vriendelijke, gastvrije en behulpzame mensen ontmoet als in de VS, al verkeerden wij natuurlijk wel in een academisch milieu en niet in een achterbuurt. Jou heb ik aan Amerika te danken, maar dat had wel als gevolg dat mijn historische belangstelling zich verplaatste in de richting van het moderne Griekenland (en zo langzamerhand in de richting van de Levant), weg van de West naar de Oost. 
Ik heb prettige herinneringen aan de VS en toch ben ik, zoals ik al schreef, nooit meer teruggegaan. Niet alleen vanwege de reis. Die is lang, maar nog te overzien, maar het heeft ook te maken met het gedoe met paspoort, visum en een waslijst vragen die je tegenwoordig schijnt te moeten beantwoorden, terwijl ik jou niet meer heb om samen de reis te maken. Het was een van de plannen die we hadden voor na mijn pensionering. Nog eens terug naar de plek waar we verliefd werden op elkaar, waarbij we dan en-passant de familie in Stillwater konden bezoeken, en die delen van het land, van het continent, verkennen waar we bij de rondreis niet aan toe waren gekomen. Zonder jou lijkt dat me allemaal te veel moeite en blijf ik liever op mijn knusse Eiland van Dordrecht, of in ons vertrouwde Griekenland of Engeland. Hoewel, met die Brexit.... Ik heb mij nog steeds niet opgegeven voor de Annual Conference van de Dickens Fellowship in Eastbourne, want ik heb geen idee wat er de komende weken staat te gebeuren. Kun je straks nog met je Europese ID door Engeland reizen, bijvoorbeeld. Ach, ik zie wel. Misschien bezoek ik in plaats van Eastbourne wel weer Cambridge, waar het mij vorig jaar, ondanks een paar ijskoude dagen, uitstekend is bevallen, al wil ik niet te veel beslag leggen op Jeanine haar tijd. Ze heeft het druk genoeg met haar proefschrift. Ik moet voorlopig verder met mijn boekje over de Dordtse letteren in historisch perspectief. Het aardige daarvan is, dat ik het een beetje kan combineren met mijn belangstelling voor de Dordtse patriotten. Daarna doemt alweer een ander thema op, maar dat vertel ik je nog even niet, want voor je het weet staat in de plaatselijke pers dat de Dordtse historicus Kees Klok zich bezig gaat houden met dit of dat en als er dan, zoals met zoveel dingen, weinig van terechtkomt, heb je wat uit te leggen.

In jouw land herdenken ze vandaag het begin van de onafhankelijkheidsoorlog. Uiteraard weer met bombastische parades van scholieren, studenten en het leger. Dat vertoon is mij allemaal wat te nationalistisch, met dat gemarcheer, die honderden vlaggen, straaljagers en tanks, maar goed, 's lands wijs 's lands eer. Ieder het zijne, als bij ons de koning verjaart loopt een deel van het volk als een zwakzinnige rond met oranje opblaaskronen op de kop. Ook traditie, toch?

In gedachten, altijd,

Kees

Dordrecht, 25 maart 2019

Foto: archief auteur.


dinsdag, maart 19, 2019

Reünie



Lieve Stella,

Afgelopen zaterdag ging ik op weg om gedichten voor te lezen op het Perolfestival, in het Perenlaantje te Hendrik-Ido-Ambacht. Het had de hele dag geregend, maar de weerman op Radio 1 had met enige stelligheid beweerd dat de middag droog zou zijn, zodat ik tegen twee uur, het druppelde nog een klein beetje, monter de fiets nam. Bij de pont tussen Dordrecht en Zwijndrecht aangekomen, begon ik te twijfelen. Er kwamen diepgrijze, bijna zwarte wolkenformaties aanzetten vanuit het westen, maar de weerman is de weerman. Ik stapte aan boord. Net op de Veersedijk werd ik overvallen door een tropische bui. Dat betekende de volgende pont terug naar het Eiland van Dordrecht om thuis op te drogen. Dan maar een festival zonder de gedichten van Kees Klok.

De episode brengt mij terug naar juni 1974. Ik was net geslaagd als 'volledig bevoegd onderwijzer,' aan de Gemeentelijke Pedagogische Akademie te Dordrecht. Akademie met een k, als bewijs van de progressiviteit van het instituut, maar dit terzijde. Op een juni-ochtend fietste ik door stralend zomerweer over de Veersedijk van Zwijndrecht naar Hendrik-Ido-Ambacht. Doel was een charmant, oud schoolgebouw uit het begin van de twintigste eeuw, bekend als O.L.S. III, om daar op verzoek van het hoofd der school een proefles te geven in klas drie, met als onderwerp 'Het konijn.' Met dat onderwerp was ik niet echt gelukkig. Op de GPA was een tekort aan biologieleraren, waardoor ik alleen in het eerste jaar biologie had gevolgd, bij de dichter Albert Donk, die eigenlijk Ab Groenedijk heet. Daardoor wist ik iets van koeienmagen en ook de wijze waarop bladgroen zuurstof produceerde was mij niet onbekend, maar daar bleef het ook bij. Op de Mulo had ik biologie van een voormalige kapitein van het KNIL, maar die man had het te druk met zijn Indische verleden, waardoor we nooit verder kwamen dan het van buiten leren van de botten van het menselijk geraamte. Kennis die ik snel weer vergat. Gelukkig had ik zelf een konijn en trof ik een hoofd der school die het wel kon waarderen dat ik, na wat vaag geklets en gegrap over het onderwerp, de les besloot door de hele klas als konijnen te laten rondhuppelen.

Ik kreeg de baan en fietste daarna drie jaar lang over de Veersedijk. Ik kon in Hendrik-Ido-Ambacht gaan wonen, maar ik gaf de voorkeur aan het gezellige krotje in de Dordtse Marcellus Schampersstraat, dat ik voor een prikje had gekocht. Van een getuige van Jehova, die ergens ver weg ging zitten wachten op het einde der tijden. Het huisje was uit 1882 en is al lang afgebroken om plaats te maken voor nieuwbouw. Daardoor is het een sfeerloos achterstraatje geworden. We zijn er weleens doorheen gelopen tijdens een van je eerste bezoeken aan Dordt, voor we trouwden. Na drie jaar was ik het fietsen zat. Ja, het was heerlijk om op een vroege, zonnige voorjaarsochtend over de dijk te rijden, maar de meeste ochtenden waren regenachtig, winderig en winters. Een rijbewijs had ik nog niet en het openbaar vervoer was al bijna even tijdrovend als nu. Ik nam weleens de brommer van een vriendin, maar zodra het regende was er iets met de bougie en gaf het ding het op, zodat ik nog verder van huis was. Ik kon een baan als leraar krijgen op Mavo-Krispijn, tien minuten fietsen van huis, en verliet voorgoed het lager onderwijs, zoals het toen nog heette. Een enkele keer denk ik weleens dat dat iets te vroeg was, want ik had het op die school goed naar mijn zin. Aardige collega's en een hoofd dat net als ik pijp rookte. Over roken werd in die tijd nog niet gezanikt. Op een dag kwam de inspecteur op school, een streng ogende man in een donker pak. Terwijl hij zich achterin het lokaal installeerde, naast de hokken met, jawel, een konijn en enkele cavia's, ging ik gewoon door met trekken aan mijn pijp. Hij zat nog geen vijf minuten of hij vroeg, terwijl hij een sigaar opstak, om een asbak.

In het voorjaar van 2007 hield een van de klassen waaraan ik toen lesgaf, een derde (tegenwoordig moet je groep vijf zeggen, maar daar is het onderwijs niets beter van gewonden), een reünie. Ik vond het een belevenis mijn oud-leerlingen, die ik mij herinnerde als kinderen van een jaar of negen, terug te zien als late veertigers en hun verhalen te horen. Sommigen van hen waren verbaasd dat 'de meester,' per definitie een oude man, ook al begon ik mijn loopbaan op mijn drieëntwintigste, eigenlijk nog helemaal zo oud niet was. Het hoofd der school, die inmiddels schooloverstijgend in Ambacht en Zwijndrecht het openbaar onderwijs bestuurde, rookte, evenals ik, nog steeds pijp. Jij moest de reünie missen, omdat je je niet lekker voelde. Een griepje dachten wij, maar achteraf waren het misschien wel de eerste voortekenen van de fatale ziekte die zich in het najaar openbaarde. Onbezorgd haalden we herinneringen op. Aan de krijtjes die ik door het lokaal liet vliegen en de vliegtuigjes. Aan het konijn dat op een keer ontsnapte. Aan de middagen na schooltijd als we knikkerden op het schoolplein, wanneer dat weer eens in de mode was. Kind met de kinderen. Ik won wel altijd, maar dan kregen ze de knikkers terug. Er waren natuurlijk ook trieste verhalen. Niemand die er een vermoeden van had dat het onze nog moest beginnen. Toen ik terugkwam was je weer wat opgeknapt. Daarom gingen we pizza eten bij Costa d' Oro, zoals vaak op zaterdagavond. Een paar dagen later ging jij vast naar Griekenland. Ik volgde aan het begin van de zomervakantie. Toen we daarvan terugkwamen aten we weer pizza bij de Italiaan van Dordt, samen met mijn neef Brian en een vriend. Het was de allerlaatste keer van je leven dat je in een restaurant at. Het is een herinnering die steeds terugkomt als ik naar Costa d' Oro ga.

Op jouw begrafenis was een groep oud-leerlingen van je uit Goumenissa, waar je de eerste tien jaar van je loopbaan Engels gaf op de middelbare school. Na afloop van het begrafenismaal raakte ik met hen aan de praat. Enthousiaste verhalen over jou als hun lerares. Ook de leerlingen op de Experimentele School van de Aristotels Universiteit liepen met je weg. De enige waarmee je daar moeilijk kon opschieten was de leraar theologie, die het je kwalijk nam dat je met je leerlingen een toneelstuk van Tsjechov, De meeuw, geloof ik, opvoerde in het Staatstheater van Noord-Griekenland, onder jouw regie. Theater en geloof, o hemel, wat was de spreekbuis van die enge, veel te invloedrijke, Griekse kerk daardoor op zijn teentjes getrapt. 

Je werd niet voor niets uitgenodigd om de vakgroep Engels van de Aristoteles Universiteit te gaan versterken. Toen had je echter net mij ontmoet en daarom werd het het onderwijsbureau van het Griekse consulaat in Düsseldorf. Soms voel ik mij ongemakkelijk als ik bedenk wat jij uit liefde voor mij hebt opgegeven. Zo'n gevoel van waaraan heb ik het te danken. Later in Nederland werden je titel en bevoegdheid erkend en kreeg je als drs. Stella Timonidou een aantal uren Engels aangeboden bij ons op school. Ik had het weleens willen ervaren om je als collega te hebben. Het salaris was hoger dan in Griekenland, maar de secundaire arbeidsvoorwaarden zo bedroevend minder dan wat je daar was gewend, dat je er uiteindelijk niet op in bent gegaan en de voorkeur gaf aan thuis literuur vertalen. Je hebt nog wel als vrijwilligster een paar jaar geholpen in de schoolbibliotheek en je gaf aan de leerlingen die meegingen op de legendarische uitwisselingen, in de jaren negentig, met jouw voormalige school, lessen Nieuwgrieks. Soms spreek ik leerlingen uit die tijd en dan valt me de warmte op waarmee ze nog steeds over je praten.

In gedachten, altijd

Kees

Dordrecht, 3 september 2014

In: Het is er niet van gekomen. Vijftig brieven aan Stella (1946-2007). Uitgeverij Liverse 2015.


woensdag, maart 13, 2019

Platvinkje



Lieve Stella,

Er zijn van die ogenblikken, als ik ervoor in de stemming ben, dat ik mij zorgen maak over de toekomst. Niet zozeer over de mijne, zoveel toekomst heb ik op mijn licht gevorderde leeftijd niet meer, maar groots gezegd: de toekomst van de mensheid. Er zijn genoeg redenen om te vrezen dat die, evenals ik, misschien niet zo heel veel toekomst meer heeft. De klimaatverandering, bijvoorbeeld, die wij min of meer uitsluitend in Europa schijnen te moeten aanpakken, omdat ze in andere delen van de wereld onbekommerd doorgaan met veel, heel veel kinderen maken, met regenwouden te kappen en vieze fabrieken te bouwen, om maar eens iets te noemen. De dreiging van een nieuwe wereldoorlog door de opkomst van China, het verval van de VS onder een ongeleid projectiel als Donald Trump, de machinaties van Rusland, de almaar voortdurende chaos en vernietiging in het Nabije Oosten (grotendeels veroorzaakt door ondoordachte interventies van het Westen) en de opkomst, ook in ons landje, van een virulent, destructief populisme. 

Ik kan zo nog wel een poosje doorgaan, maar dat ligt niet in mijn aard. Ik ben in wezen geen pessimist, maar als je je verdiept in het reilen en zeilen van de mensheid, dan zie je dat de beschaving zich asymmetrisch heeft ontwikkeld. Op het gebied van wetenschap en techniek zijn we razend knap geworden, wat tot prachtige dingen heeft geleid. Zonder die tak van beschaving was ik al drie jaar geleden doodgegaan, gewoon ergens op straat, tijdens een praatje met een bekende. Je valt de duisternis in en dat is het, maar gelukkig waren er snelle en bekwame hulpverleners, cardiologen en stents. Aan de andere kant zijn we nauwelijks gevorderd met de beheersing van de menselijke driften, angsten en superstities, waardoor steeds weer verschrikkelijk leed wordt veroorzaakt. 
Nog altijd worden in talloze landen mensen vervolgd, opgesloten en vermoord om religieuze redenen. Albino's in Africa worden ontvoerd, gedood en tot toverdrankjes vermalen, die geluk moeten brengen, als we dagblad Trouw van vandaag mogen geloven. Over het internet zoemt de grootst mogelijk onzin over vaccinaties, waardoor onlangs in Italië en op de Filipijnen nogal wat doden zijn gevallen door een mazelenepidemie. Kwakzalvers, kruidenvrouwtjes en andere hocus-pocus-figuren vinden gretig aanhang. Er lopen mensen rond met een vergiet op hun hoofd, vanwege hun geloof. Ik moet daar onbedaarlijk om lachen, maar wat is eigenlijk het verschil met een tulband? 
Laat ik er maar over ophouden. Ik heb, eerlijk gezegd, een redelijk prettig leven, ik heb er zelfs nog lol in, al kent het zijn schaduwzijden, met als dieptepunt jouw overlijden. Een paar maanden daarna bezocht ik een klooster in Griekenland, vanwege de bibliotheek. 'Dat je vrouw is overleden,' zei een monnik, 'is een teken dat God van haar houdt.' Dat ik hem niet in een vat wijwater heb verzopen is volgens mij een bewijs dat er ook nog redelijke mensen op aarde rondlopen. Mensen die geloven in de waarden van de Verlichting, in redelijkheid, vrijheid en gematigdheid. Misschien dat dat een sprankje hoop geeft. Het zou zo maar kunnen dat er een medicijn tegen fanatisme en geestdrijverij wordt uitgevonden, dat gemakkelijk via het drinkwater kan worden toegediend.

Onlangs las ik Levant. Splendour en Catastrophe on the Mediterranean van de historcus Philip Mansel. Dat gaat over de geschiedenis van drie belangrijke, kosmopolitische steden, Smyrna, Alexandrië en Beirut (en eigenlijk ook een beetje over Thessaloniki) in de negentiende, twintigste en eenentwintigste eeuw. Op al die steden hebben nationalisme en godsdienstig fanatisme een catastrofale invloed gehad. Alleen Beirut heeft zijn kosmopolitische karakter tot op heden behouden, maar wel ten koste van heel veel bloedvergieten. Een boek waarvan ik niet vrolijk word, ondanks dat het prachtig is geschreven, zeker niet omdat er allerlei parallellen zijn te trekken met het heden. Een paar jaar geleden las ik Mansels indrukwekkende Constantinople, City of the World's Desire en nu ben ik begonnen aan zijn Aleppo. The Rise and Fall of Syria's Great Merchant City, een stad die, na millennia te hebben bestaan, nu vrijwel geheel is verwoest door de burgeroorlog in Syrië. Beirut is ondertussen weer een toeristenattractie geworden. Op Facebook zag ik net een aantal foto's van een oud-leerlinge die daar op bezoek is. Tot nu toe was Ammochostos op Cyprus de meest oostelijke plaats die ik bezocht. Misschien moet ik ook eens naar Beirut, nu het nog kan, maar voorlopig worden het Düsseldorf en Thessaloniki.

Het is nog niet zover, maar langzamerhand ben ik mijn volgende Griekenlandreis aan het voorbereiden. Er is weer een bosje verklaringen van de belastingdienst en de gemeente in het Grieks vertaald, waarop ik volgende week apostilles moet gaan halen bij de rechtbank. Eigenlijk een volkomen zinloze exercitie, want waarom moet een rechtbank de echtheid van zo'n officiële handtekening nog eens bevestigen? Achterhaalde bureaucratie, maar daar zijn ze in Griekenland dol op. In Nederland is men er ook niet vies van, trouwens. Ik ben op jacht naar een nieuwe koffer, eentje met vier wieltjes, wat sjouwen scheelt, en ik heb ook al gekeken of ik straks in een hotel bij Schiphol overnacht of mij door een taxi vanaf Dordt laat brengen, want ik heb weer een vroege vlucht. In januari werd het een hotel, want dat was alleszins betaalbaar, maar nu wordt het een taxi, want 'het seizoen' is begonnen als ik vertrek en dan gooi je als hotel je prijzen fors omhoog. Ik trap daar niet in, zoals ik tot nu toe groepsreizen heb vermeden, omdat je dan altijd 'toeslag' moet betalen voor een eenpersoonskamer. Ik laat me niet graag oplichten.
Ik verheug me zeer op de dagen dat ik in Athene op het Nederlands Instituut ga werken. Ik zal er mijn tijd goed besteden. Ik ga mijn volgende boek afmaken. Daarvoor, in Thessaloniki, wordt het weer allerlei geregel met de Boven Ons Gestelde Autoriteiten, maar ik hoop toch ook, behalve materiaal voor mijn boek, het een en ander aan aardigheden te verzamelen voor nieuwe columns over het leven in de stad. Ik moet ook het woord voeren bij de presentatie van het boek over de ideologie van het kolonelsbewind, van Djamila Zon. Het Nederlandse origineel (De reddende revolutie) is in 2014 verschenen bij Liverse. De andere sprekers zijn mijn hooggeleerde vrienden Alex Dagkas en Dimitris Charalambous. Er komt ook een parlementslid, geloof ik, al waren ze daar bij University Studio Press een beetje vaag over. Ik hoop wel dat er na afloop drank geschonken wordt, want dat vond ik indertijd, toen jouw vertaling van mijn Afrodite en Europa werd gepresenteerd, wel een droevige vertoning: geen druppel drank. Wie wilde kon het boek kopen en het door mij laten signaleren en daarna was het wegwezen. Misschien moet ik voor de zekerheid maar een platvinkje meenemen. Dat mooie, dat ik ooit van jou heb gehad en dat ik nog weleens gebruik als het ijskoud is bij een wedstrijd van FC Dordrecht en ik geen zin heb in een plons bier, omdat de kans dan groot is dat je net naar het toilet bent als het mooiste doelpunt van de wedstrijd wordt gemaakt. Vrijdag ga ik weer, tenzij het vriest, maar volgens jongedame C., die het kan weten, omdat ze een mooi cijfer voor aardrijkskunde had op het VWO, is dat onwaarschijnlijk. We merken het vanzelf, als de wereld vrijdag nog bestaat.

In gedachten, altijd,

Kees

Dordrecht, 13 maart 2019

Foto: auteur



zaterdag, maart 09, 2019

Groene hesjes



Regelmatig loopt een klas van de buurtschool door onze straat, keurig in de rij, de juf voorop, de kwekeling, nog een meisje, achteraan. Allemaal, op de juf en de kwekeling na, dragen ze een groen hesje. Gelukkig maar, want geel doet denken aan die beweging in Frankrijk, waarvan ik laatst de woordvoerder hoorde. Een advocaat. Uiteraard was het weer Europa dat de schuld kreeg. Dat we dankzij de Europese Unie al meer dan zeventig jaar vrede, voorspoed en welvaart kennen in ons hoekje van de wereld, begrijpen de boze kleuters niet. Achterlijke sentimenten als nationalisme, anti-antisemitisme en vreemdelingenhaat steken weer overal de kop op. Ik word er weleens moedeloos van. Iets van de geschiedenis leren? Dan moet je niet bij de mensheid zijn, maar daarover wil ik nu even niet schrijven. Ik wil schrijven over de herinnering die zo'n klas oproept.

Een herinnering aan het begin van mijn 'carrière' in het onderwijs. Carrière tussen aanhalingstekens. Het mag eigenlijk geen naam hebben. Ik heb jarenlang gestudeerd, zesendertig jaar in het onderwijs gewerkt, ben 'opgeklommen' van schoolmeester naar 'seniordocent' geschiedenis, maar mijn lerareninkomen kon niet in de schaduw staan van dat van sommige vrienden, die na een aanzienlijk kortere studie rechten of economie bakken met geld binnenhaalden. Ik trok er geen geel hesje voor aan. Ik had genoeg om mee rond te komen, maar ik kan me voorstellen dat jonge mensen denken: 'Onderwijs? Bekijk het maar.' Hard werken, niet naar aard en niveau van dat werk betaald krijgen, het gemuts aanhoren van die types die alleen maar naar je welverdiende zomervakantie kijken en dan ook nog die zeikende ouders iedere ochtend voor de deur. 

Daar hadden wij, toen ik als schoolmeester begon, nog geen last van. Ouders kwamen alleen op school als er iets bijzonders aan de hand was, en dat was in het dorp waar ik lesgaf, nauwelijks het geval. Luizenmoeders hadden we nog niet. Een paar keer paar jaar was er ouderavond, dan konden vader of moeder langskomen voor een gesprek en als er buiten die gelegenheid iets met een leerling aan de hand was, ontbood je de ouders op school. Die zeiden netjes 'meester' tegen je, ook al was ik drieëntwintig toen ik begon en sommigen van hen al heel oud, ergens in de dertig.

Het dorp was keurig verdeeld in refo's en gewone mensen. De refo's hadden hun School met den Bijbel en wij hadden een mank lopende dominee die één keer in de week de openbaren op vrijwillige basis kwam kerstenen. Je mocht tijdens de dominee ook naar handenarbeid, maar dat deed bijna niemand, want de dominee kon geen orde houden. Twee keer in de week trok ik met mijn klasje, nou ja, klasje, het eerste jaar had ik een klas van achtendertig leerlingen, naar de gymzaal, naast het dorpshuis. Onderweg passeerden we de School met den Bijbel. Ik zette mijn pupillen altijd aan tot het zo luid mogelijk zingen van 'potje met vet,' want muzikaliteit moet je onder alle omstandigheden te stimuleren. Tot ik na enige tijd werd aangesproken door het hoofd der school, dat mij proestend vertelde dat zijn collega van de School met den Bijbel had geklaagd over 'die onderwijzer met dat lange haar,' die zijn leerlingen zo hard liet schreeuwen. Die herinnering komt boven als ik de groene hesjes voorbij zie trekken en daar word ik iedere keer weer vrolijk van.

Foto: archief auteur