donderdag, mei 06, 2010

Griekenland: geen stap terug!


De eerste slachtoffers zijn gevallen, toen gisteren een bankkantoor in Athene in brand werd gestoken en drie medewerkers omkwamen. Het lijkt alsof Griekenland in snel tempo aan het afglijden is naar een gewelddadige chaos. Als je het televisienieuws mag geloven. Ik zou dat niet kritiekloos doen. De beelden van brandende gebouwen en met stenen en molotov-cocktails smijtende heethoofden zijn ernstig genoeg, maar wat de buis niet toont, is dat het aantal demonstranten nog beduidend minder is dan doorgaans bij dit soort manifestaties. De tegenstand tegen de bezuinigingsmaatregelen lijkt echter wel groeiende, naarmate de mensen doorkrijgen wat deze voor hun portemonnee betekenen. De vakbonden lopen te hoop, vanuit een terechte verontwaardiging dat de zwakkeren in de samenleving ook dit keer weer de zwaarste lasten moeten dragen, maar zij beseffen evenzeer dat een Grieks bankroet voor diezelfde zwakkeren nog catastrofalere gevolgen zal hebben. Of de KKE en de rest van de luid tetterende oppositie dat besef ook hebben, vraag ik mij af. De KKE is een van de weinige partijen ter wereld die nog in het communisme oude stijl gelooft. Daar valt weinig heil van te verwachten, evenmin als van de onverantwoord populistische leider van de ND, Samaras, die kennelijk alweer is vergeten dat zijn club aan de macht was toen Griekenland probeerde de EU een rad voor ogen te draaien met verkeerde cijfers over het begrotingstekort.


De bonden beseffen ook dat de regering, koste wat kost, 'geen stap terug zal doen,' zoals premier Papandreou zondag in een rechtsreeks uitgezonden vergadering van de ministerraad aankondigde. Hij kan niet anders, de Griekse regering staat met de rug tegen de muur. Deels is dat eigen schuld. Griekenland heeft veel te lang op te grote voet geleefd en dat wreekt zich nu. Het is alleen niet de schuld van de Grieken alleen. Toen het land werd opgenomen in de eurozone, verloor Athene de controle over de eigen munt. Had Griekenland nu de drachme gehad, dan was er veel gewonnen met een devaluatie. Dan waren de prijzen waarschijnlijk ook niet zo enorm gestegen als de afgelopen jaren. De eurolanden, met Nederland en Duitsland, de scherpste critici van Athene, voorop, hebben veel te lang gewacht met het nemen van de gezamenlijke verantwoordelijkheid die het lidmaatschap van de eurozone vereist. Dat is vooral de Duitsers aan te rekenen. Met het oog op de Duitse verkiezingen en het stupide, en zeker niet op feiten steunend ressentiment in Duitsland en andere rijke eurolanden jegens de Grieken, die alleen maar zouden potverteren en veel te vroeg met pensioen zouden gaan, heeft kanselier Merkel de helpende hand veel te lang in de broekrok gehouden en daarmee aanzienlijk bijgedragen tot een verdieping van de crisis. De Griekse regering heeft overigens ook te lang gewacht met het inroepen van hulp, maar toen het verzoek eindelijk kwam, hadden de eurolanden onmiddellijk moeten reageren.


Het anti-Griekse ressentiment en de hypocriete gretigheid waarmee vooral Nederlanders en Duitsers de Grieken een lesje willen leren, heeft er toe bijgedragen dat de voorwaarden van het hulppakket absurde vormen hebben aangenomen. Athene moet het begrotingstekort binnen drie jaar terugbrengen tot de norm die gold bij het binnentreden van de eurozone. Dat vereist een bezuinigingsinspanning die voor een kleine, deerlijk ontwrichte economie als de Griekse in hoge mate irreëel is. Het zal de economie nog verder ontwrichten en het land in een jarenlange, diepe crisis storten, met alle risico's van dien. De maatschappelijke onrust van dit ogenblik kan een voorbode zijn van veel meer stakingen en geweld en kan leiden tot een significante groei van anti-democratische en anti-Europese, extremistische groeperingen. Wat zouden de eurolanden en het IMF er aan verliezen als Griekenland, uiteraard onder strenge controle, een aantal jaren langer werd gegeven?


Wie voorlopig buiten schot blijven zijn de schimmige organisaties die te boek staan als 'de financiële markten.' Die dachten hun kans schoon te zien en begonnen voor eigen gewin een financiële oorlog tegen Griekenland die de crisis vele malen heeft verergerd. Nu staan ze klaar voor de strijd tegen Portugal, Spanje en wellicht Italië. Is het toeval dat dit soort instellingen voornamelijk in Angelsaksische landen zetelt, de landen van de dollar en het pond? Waarom pakt Europa deze 'markten' niet aan en wordt hun destructieve speelruimte niet door Europese wetgeving beperkt? De achterhaalde heilsleer van Marx is niet het antwoord en de lofzangen op het heil van de vrije markt zijn inmiddels verworden tot het geschreeuw van de demonstranten in Athene en Thessaloniki. Op het spandoek dat de KKE eergisteren aan de Akropolis hing had beter kunnen staan: 'Europeans unite against the financial markets.' 

maandag, april 26, 2010

Financiële piraterij


Naar het zich laat aanzien wordt Griekenland nu toch financiële hulp geboden om een volledige ineenstorting van de economie te voorkomen, zowel door het IMF als door de EU. De VVD en de Duitsers sputteren nog wat tegen, maar die zouden heel wat harder sputteren als Nederlandse en Duitse banken bij hun regeringen om steun komen aankloppen omdat ze voor miljarden de teil in zijn gegaan vanwege een ineenstorting van Griekenland. Ik ben geen econoom en zie al het gedoe enigszins bevreemd aan, maar een paar dingen zijn ook voor een leek wel duidelijk.


De vorige Griekse regering is heel dom geweest door het opvoeren van foutieve cijfers, maar de crisis is veel erger geworden door het gedrag van banken en andere financiële instellingen. Hoe noem je het doelbewust speculeren om zelf beter te worden van het in de afgrond duwen van een land? Oorlog is misschien net iets te zwaar, maar het is gedrag dat je verwacht van criminele organisaties. Het legt de zwartste kanten van het vrijemarktkapitalisme bloot. Ik zou niet willen terugvallen op de onheilsboodschap van Marx, maar enige stevige regulering en een keiharde aanpak van dergelijke instellingen zou zeer op zijn plaats zijn en meer effect hebben dan het verongelijkte Duits-Nederlandse vingertje tegen Athene.


Hoewel het voor mij persoonlijk veel gemak betekent, had Griekenland wellicht minder gretig moeten zijn om zich bij de euro aan te sluiten. Naar verluidt heeft dat de concurrentiepositie van het land nogal verzwakt. Griekenland voert veel te veel producten in die in het land zelf kunnen worden gemaakt en zelfs zouden kunnen worden uitgevoerd. Zuivelproducten bijvoorbeeld, maar als je in een Griekse supermarkt rondloopt, waar komt dan een flink deel van de zuivel vandaan? Uit Nederland, het land dat vooraan staat om schande te roepen over Athene's financiële reilen en zeilen. Ook Duitsland vaart wel bij de uitvoer naar Griekenland. Misschien moeten de Grieken ter versterking van hun economie, maar eens ophouden met Nederlandse en Duitse producten te kopen. Koopt Griekse waar, dan helpen wij elkaar!, zou de leus moeten zijn.


Natuurlijk is er in Griekenland veel wat veranderd moet worden om het schip drijvende te houden. Loonstijgingen zitten er voor langere tijd niet in en dat is pijnlijk in een land waar de salarissen relatief en feitelijk veel lager liggen dan in Nederland, maar waar de kosten van levensonderhoud de afgelopen jaren zo zijn gestegen dat ik in een Griekse supermarkt voor veel producten nu meer betaal dan in een Hollandse. Het wordt hard tijd om de belastingontduiking door de vrije beroepen aan te pakken en op dat pad heeft de regering Papandreou al enkele flinke stappen gezet, maar van belang is ook dat er een mentaliteitsverandering komt. Dat het niet meer als normaal wordt gezien dat men de dokter een envelopje met inhoud aanbiedt om van een goede behandeling verzekerd te zijn en dat die dokter het als onmaatschappelijk gaat ervaren om minder inkomen op te geven bij de fiscus dan de straatveger. De ambtenaren zijn hun 14e maand kwijt en er zal ook wel aan de 13e getornd worden, dat lijkt onvermijdelijk. Voor een behoorlijk betaalde hogere ambtenaar is zo'n offer minder erg dan voor al die laagbetaalde ambtenaren, met onder in de pikorde weer die straatveger. Dat doet pijn, veel pijn en het is begrijpelijk dat de vakbonden daarom te hoop lopen, hoe onverstandig dat op dit ogenblik ook is.


Gaat de wal het Griekse schip keren of kan stuurman Papandreou een scheepsramp met enige hulp van buiten voorkomen? En in hoeverre zal zijn bemanning meewerken om het schip in veilige wateren te loodsen? Ik heb nog wel vertrouwen in de Griekse regering en in haar vermogen de crisis te boven te komen. Maar alleen als de Grieken zich, ondanks alle pijn die het doet, massaal achter het regeringsbeleid scharen, zoals ze dat ook deden toen het land de geweldige Olympische Spelen van 2004 organiseerde. Europa kan daarbij helpen door de financiële piraterij, vooral uit de Angelsaksische wereld, waar men nooit te beroerd is voor enig perfide handelen, aan banden te leggen. Daar zouden behalve Griekenland ook Spanje, Italië, Portugal en niet te vergeten België, alsmede onze bloedeigen euro, weleens veel baat bij kunnen hebben.




zaterdag, april 17, 2010

Roman over de gebroeders De Witt


Een buitenlandse schrijfster die een lijvige historische roman publiceert over twee van de grootste figuren uit de Nederlandse geschiedenis. Dat is niet direct een dagelijkse gebeurtenis, niet in Nederland, maar ook niet in Griekenland, waar het boek deze maand verschijnt. Op de presentatie zal ondermeer het woord worden gevoerd door minister van defensie Evangelos Venizelos. Het gaat om de roman ΟΙ ΚΗΡΕΣ ΤΩΝ ΛΕΟΝΤΩΝ (vrij vertaald: De schikgodinnen van de leeuwen). Hij is geschreven door Konstantina Ritsou, inderdaad familie (een nichtje) van de Nobelprijswinnaar. Je zou verwachten dat er in Nederland, waar het genre historische roman bepaald niet impopulair is, veel belangstelling voor het boek zou bestaan, maar er is nog geen uitgever voor een vertaling gevonden. Dat is jammer. Het is een levendige, vlot geschreven roman, Ritsou verstaat haar metier, waarvan je mag verwachten dat menige Nederlandse lezer hem met plezier zou lezen. Daarvoor moet die lezer dan wel de kans krijgen, maar goed boek of niet, het gaat om 554 pagina's, vertalen is duur en in de Nederlandse uitgeverswereld is het aantal mensen dat modern Grieks kent uiterst gering. Een financieel risico lopen alleen omdat Kees Klok iets aanbeveelt, zonder zelf te kunnen oordelen, dat doet men, begrijpelijk, liever niet. Gelukkig komt er binnenkort ook een Engelse vertaling op de markt en wellicht leidt die er toe dat een Nederlandse uitgever zich aan de roman waagt. Mooi overigens van uitgeverij Parousia dat zij een dergelijke uitgave op de markt brengt, want wie is er in Griekenland in 's hemelsnaam in Hollandse geschiedenis geïnteresseerd? Misschien wel meer lezers dan we denken. Het zou jammer zijn als we tot de slotsom moeten komen dat die belangstelling in Griekenland groter is dan in Nederland zelf. Ik geloof daar niets van. Ik hoop daarom dat de Nederlandse letteren binnenkort met een vertaling van Ritsou's roman worden verrijkt.

vrijdag, april 02, 2010

Taaie klus!

Gaat er nog wel eens iets goed in Dordrecht? Ongetwijfeld, al valt mij zo direct geen voorbeeld te binnen, maar in het algemeen sluit de lokale overheid naadloos aan bij de landelijke trend die uitwijst dat de Boven Ons Gestelde Autoriteiten niet of nauwelijks in staat zijn grote projecten deskundig te plannen, te begroten en binnen de gestelde tijd tot een goed einde te brengen. De lijst is lang met in de top-tien de Betuwelijn en de HSL.


Gemeentelijke overheden kunnen er wat van, kijk maar naar de Amsterdamse noord-zuidverbinding en de Haagse tramtunnel. Voor menig station ligt een bouwput bouwput te zijn, zoals in Amsterdam, Rotterdam, Haarlem en nu ook al maanden in Dordrecht. Ik zie er soms een graafmachine rondsukkelen, nu en dan blijkt een fietspad verlegd, soms zijn enkele afzettingen wat verschoven. Er scharrelen wat arbeiders rond, maar zelden meer dan een handvol. Kortom, er gebeurt wel wat maar als we een voorbeeld zoeken van een plek waar volijverig, krachtdadig en opgewekt wordt gebouwd, dan kunnen we beter geen kijkje nemen bij het Dordtse station. We kunnen voorlopig nog volop genieten voor 'de rode loper naar de historische binnenstad' zoals het in de gemeentelijke propaganda heet, is uitgerold. Het zal wel een snel sleets lopertje worden, een koopje uit een van de goedkopetroepaanbieders die in de historische binnenstad nogal oververtegenwoordigd zijn, al weet je het maar nooit. Wie weet slagen ze er tegen alle verwachtingen in om de 'loper naar de historische binnenstad' de allure terug te geven die hij had vóór de kaalslag van het saneringsplan uit de vorige eeuw.


Iedereen die een klein beetje op de hoogte is van wat er in de stad speelt kan een fraai lijstje mislukkingen opstellen. Van Stadswerven tot Vlijbrug, zeg maar. Met hotel Bellevue schijnt het nu helemaal goed te komen, ik ga eerstdaags eens controleren of de opening geen 1 aprilgrap was, maar dat is een particulier initiatief, dat ik overigens van harte toejuich. Minder particulier is de verbouwing van het Dordrechts Museum. Hoe staat het daar mee? Die zou toch in 2009 gereed zijn? We zitten al drie maanden in 2010. Wie weet opent het nieuwe kunstpaleis over enkele weken zijn deuren, maar ik vrees dat het nog even gaat duren voor het zover is. Ik hoor verontrustende berichten over het uitlopen van werkzaamheden en stijgen van kosten. Het begint te lijken op het zelfde liedje dat we al jaren horen bij het opknappen van het Rijksmuseum in Amsterdam en het Stedelijk Museum aldaar, twee bouwschandalen die de hoofdstad zijn aanzien als internationale kunstmetropool hebben gekost. Ik was dol op het Dordrechts Museum, waar ik vele uren tussen de prachtige collectie heb rondgezworven en ik hoop het ook weer op het verbouwde te worden. Op papier ziet alles er prachtig en doordacht uit, maar ik houd mijn hart vast. Ik hoop zeer ten onrechte, maar ik moet het allemaal eerst zien en wel zo snel mogelijk graag!


Waar het de Dordtse overheid altijd aan heeft ontbroken is het in de hand houden van de niet zelden megalomane ambities van allerlei projectontwikkelaars. Die zijn uit op winst, uiteraard, maar het verfraaien van de stad of het verbeteren van het leefgenot van de burgers zijn in dat soort kringen zeer secundair. Dat leidt soms tot schrijnende situaties, zoals in het geval van de Grote Griek, het restaurant dat via een rechterlijke uitspraak, waarbij allerlei vraagtekens waren te zetten, moest worden ontruimd. Daarna liet de betrokken projectontwikkelaar maandenlang anti-krakers in het pand wonen, omdat de dringende plannen die hij ermee had ineens minder dringend bleken te zijn. De Grote Griek moest op zoek naar een nieuw pand. Het duurde maanden voor dat werd gevonden, maanden voor de vergunningen werden verleend en nu duurt het alweer veel te lang voor de eigenaars de benodigde lening voor een herstart wordt verstrekt. Dat komt, naar verluidt, doordat de betrokken bank een deskundige in de hand heeft genomen om te bepalen of de zaak levensvatbaar is. Iemand uit een andere stad die duidelijk niet op de hoogte is van de plaatselijke situatie. Het stadscentrum heeft maar twee Griekse restaurants en een afhaalkiosk en is daarmee wat 'Griekdichtheid' betreft een van de karigst bedeelde stadscentra van Nederland. Bovendien zijn de Dordtenaren de ophef en het schandaal rond de ontruiming van de Grote Griek nog lang niet vergeten, zodat het met de naamsbekendheid wel snor zit. De gemeente is niet alle narigheid die de Grote Griek overkomt aan te rekenen, maar wel dat zij de projectontwikkelaar veel te veel zijn gang heeft laten gaan, ook toen duidelijk werd dat er van diens oorspronkelijke plannen vooralsnog weinig terecht zou komen. Om het leed wat te vergoeden zou zij naar de bank toe een gebaar kunnen maken, door te verklaren dat er wel degelijk ruimte in het centrum is voor een derde Grieks restaurant en zich daar op een of andere manier ook garant voor te stellen.


Er is hoop dat na de gemeenteraadsverkiezingen een nieuwe wind door Dordt gaat waaien. De kiezers hebben zich massaal tot Beter voor Dordt gewend, die veruit de grootste partij in de raad is geworden. Dat schept verwachtingen. Bij het besturen van een stad is niet alleen de kwaliteit van de gemeentelijke politici van belang, maar evenzeer die van het ambtenarenapparaat en daarmee is het in Dordrecht al decennia slecht gesteld. Daar, op het Stadskantoor, ligt voor Piet Sleeking en zijn team de belangrijkste taak voor de komende jaren. Ik wens hen veel sterkte met een taaie klus die door geen enkel gemeentebestuur tot nu toe bevredigend is geklaard.


dinsdag, maart 23, 2010

Meneer Foppe


Het begint er langzamerhand op te lijken dat de eindeloze winter toch ten einde is gekomen. We zien de zon iets meer, de temperaturen stijgen en de terrassen worden weer uitgezet. De stad lijkt overdag levendiger te worden. 's Avonds is ze doods en uitgestorven als altijd. In mijn tuin zie ik de tekenen dat ik binnenkort aan de slag moet. De rommel van de verandarestauratie moet weg, er moet gesnoeid, gespit en gezaaid worden. Alleen mis ik de vertrouwde kopjes van de tulpen die boven de grond beginnen te komen. Het is mij niet gelukt in het najaar bollen te poten, zodat ik Stella's geliefde bloemen dit voorjaar van de markt zal moeten halen.


De winter is een tijd voor terugblikken, het voorjaar richt zich op de toekomst. Het heeft de, niet zelden bedrogen, verwachting van een mooie zomer in zich. De zomervakantie komt naderbij. Dat was voor mij als kind een heerlijke tijd, waarin mijn neefjes uit Engeland naar Holland kwamen, of waarin wij naar Engeland trokken. De school was een verre wolk achter de horizon geworden, de vrijheid en het avontuur lachten je toe. Van de zomervakantie heb ik nooit afscheid kunnen nemen. Het is een tijd van opleven en herleven, een onontbeerlijke periode waarin je je bestaan tijdelijk even kunt inrichten op een wijze die meer lijkt op zoals je eigenlijk zou willen leven. Waarin alle dwang en verplichtingen die onze vrijheid vergaand illusionair maken, even naar de achtergrond schuiven.


Ooit had ik de waan dat ik van de literatuur zou kunnen leven, maar voor het zover was moest er een baan worden gezocht om enigszins behoorlijk te kunnen bestaan. Ik heb weinig behoefte aan luxe, maar ik ben niet voor armoedzaaier in de wieg gelegd. Ik koos voor het onderwijs. Werk met een, zeker in de eerste vijfentwintig jaren, bescheiden traktement, maar met een groot pluspunt: een lange zomervakantie. Die was de belangrijkste reden om het onderwijs in te gaan. Ik heb altijd gezegd dat ik als docent zou opstappen als er aan de zomervakantie zou worden getornd. Dat is dit jaar gebeurd en dus is 2010 voor mij het jaar van een grote verandering. Op 1 augustus vertrek ik uit het onderwijs. Het is bovendien na 36 jaar mooi geweest. En natuurlijk niet alleen door de bekorting van de in dit vak onontbeerlijke zomervakantie. 36 Jaar lang heb ik tegen de bierkaai van blinde veranderingszucht, vernieuwingsgezwets, bezuinigingsrampen, de afbraak van mijn vak, geschiedenis, door politieke onnozelaars en de maatschappelijke minachting jegens het onderwijs gestreden. Daar word je moe van en als je niet oppast zuur en bitter. En om als een tweede meneer Foppe door het leven te gaan, daar pas ik voor.



dinsdag, maart 16, 2010

Ik schenk mij nog eens in


De winter is me te lang, ik krijg nu en dan de neiging toe te geven aan een soort van Scandinavische zwartgalligheid. Dan zie ik eindeloze bossen en van muggen vergeven zompige vlakten. Als ik door de stad loop zweven de schimmen van baardige zelfmoordenaars in schamele blokhutten om mij heen. Alweer regen, alweer een snijdende oostenwind, alweer een duisterende dag waarop je het licht aanhoudt. Zuchtend zet ik de radio aan en stuit op een journalistenforum. Een hysterische halfgek heeft het over een dreigende burgeroorlog in Nederland. Het kan voor dat soort lieden altijd nog doller. Na het programma komt het nieuws met de mededeling dat de regering 29 miljard euro moet bezuinigen omdat we het met zijn allen via onze geliefde belastingen niet meer kunnen bolwerken. En maar schimpen en neerkijken op de Grieken, terwijl het ondertussen in eigen huis ook een zootje blijkt. Dat de Grieken op eigen kracht orde op zaken kunnen stellen, daar heb ik nog wel enig vertrouwen in, ze hebben in 2004 bij de Olympische Spelen tenslotte ook bewezen dat ze tot heel wat in staat zijn dat anderen onmogelijk achtten, maar wij Nederlanders? Bewoners van een achterlijk land zonder postkantoren en stationsrestauraties, waar griepen, kankeren en overal last van hebben de nationale liefhebberijen zijn. Ik houd mijn hart vast.


Gelukkig hebben we in deze duistere tijden nog de poëzie. Ik heb er behoorlijk wat van vertaald in de afgelopen maanden. Helen Dunmore, waarvan onlangs enkele gedichten in De Tweede Ronde verschenen en van wie Ballustrada er binnenkort een zestal van opneemt. En Joanne Limburg, van wie alweer een tijd geleden gedichten verschenen in Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift en van wie ik verwacht dat haar bundel Femenismo, die ik op dit ogenblik vertaal, hoge ogen gaat gooien, voor zover dat wat poëzie betreft geen contradictio in terminis is. En nu en dan is het mij zelfs gelukt om het loden wolkendek wat te verlichten door het lezen van een mooi vers of zelfs een bundel die de moeite waard is.


Er bestaat een categorie azijndrinkers in de literatuurkritiek die de schaarse kolommen die nog aan de dichtkunst worden gewijd het liefst vullen met klagelijk gemekker over de vele bundels die verschijnen (o, o, ze zouden het allemaal eens moeten lezen!) en de vloedgolf van poëzie die door het internet stroomt. Het is me toch wat, al die huismoeders en gepensioneerden die ook zo nodig moeten. Een prettig aspect van het internet is dat je zelf naar een pagina moet surfen, dat het je niet wordt opgedrongen zoals de reclamebagger op radio en tv. Wat je niet zint kun je moeiteloos kunt vermijden. Mij kunnen er niet genoeg dichtbundels verschijnen, al weet ik ook wel dat ik nooit zolang zal kunnen leven om alles wat er in de talen die ik beheers wordt geschreven te lezen. Dat is dezelfde milde frustratie die ik eens voelde toen ik in Griekenland een wijnmakerij bezocht en een kelder kreeg te zien met twee miljoen flessen rode wijn.


Zoals ik mijn wijnen proef, zo proef ik mijn poëzie. Het is heerlijk, het is drinkbaar, het is troep die door de gootsteen moet. Ik zou bij god niet weten waarom, het is de beslissing van tong, verhemelte en al of niet een kater op de volgende ochtend. Met het lezen van gedichten vergaat het mij net zo. Ik raak er van in vervoering, ik vind het 'wel aardig' of ik leg het geërgerd terzijde. De afgelopen week heb ik genoten van twee Grand Cru's onder de dichtbundels: Handkussen van de tijd van Job Degenaar en Het is niet anders van Chrétien Breukers. De laatste streelt ook het oog, vanwege de illustraties van Hans Lemmen, al blijft de inhoud voor mij belangrijker dan de fles. Ik ga mijn smaak niet uitleggen en evenmin verantwoorden, maar wie de Hollandse kou, grauwheid en hysterie een tijdje wil ontlopen zou het eens met deze boeiende bundels kunnen proberen. Ik schenk mij nog eens in.


Job Degenaar - Handkussen van de tijd. Liverse 2009.

Chrétien Breukers -Het is niet anders. De Weideblik 2010.

zaterdag, maart 06, 2010

Moraalridders en echo's uit het verleden


Het is zaterdagmiddag en ik rook een pijp. Een aangename tabaksgeur vult mijn werkkamer. De zon schijnt. Een bedrieglijke maartzon, want buiten is het snijdend koud. 'Zon met tanden,' noemen ze dat in Griekenland. Ik heb de was opgehangen en boodschappen gedaan voor het weekeinde. Over een uur of wat zal ik mijn huis verlaten voor een wandeling naar de kroeg. Daar zal ik hoog opgeven over wat ik deze week allemaal wel niet heb beleefd. Over de zondagavond in een luxe hotel in Frankfurt, waar ik, nadat door slecht weer mijn vlucht naar Amsterdam niet doorging, met twee Amerikanen en een Chinees aan de borrel ging. We deelden toevallig een taxi en later ook de bar. Over de conferentie, dinsdag, waarop een bevlogen, jonge collega ons toonde wat hij met zijn leerlingen op dichterlijk terrein had bereikt. Over de woensdag, waarop niets gebeurde en waarover dus van hartenlust te fantaseren valt. Over het inzakken van het trottoir voor onze deur. 'Het hele eiland verzakt, meneer, niets bijzonders,' zei de stratenmaker van de gemeente laconiek, toen hij het gat kwam vullen. Over het feit dat hij binnen een uur nadat ik in lichte paniek naar de gemeente had gebeld, al voor de deur stond. Soms is men verbazingwekkend snel in Dordrecht. Misschien met de adem van Beter voor Dordt in de nek, de lokale partij die de gemeenteraadsverkiezingen glansrijk won. Ik reken er nu op dat de onzalige plannen die men op het stadhuis smeedde om de Zuidpolder vol te bouwen, de nek worden omgedraaid.


Beter voor Dordt heeft ruime ervaring in de oppositie. We zullen zien hoe recht de rug van mijn klasgenoot Piet Sleeking blijft nu zijn partij bestuurlijke verantwoordelijkheid moet gaan dragen. Ik neem tenminste aan dat BvD in het college komt, met 15 van de 39 raadszetels. Dat zij in de oppositie blijft lijkt me onbestaanbaar, al weet je het nooit in de politiek. Brokkenpiloot Balkenende, die in acht jaar tijd een record aan kabinetscrises scoorde, riep aan het einde van de verkiezingsdag luid dat hij in is voor nog een rondje eerste minister. De man kan nog niet eens de eigen stoep schoonvegen. En dan was er nog het drama rond Agnes Kant. Mooi, slim, deskundig. Onderuitgehaald door haar eigen gedrevenheid, die enige humor en relativering uitsloot, maar evenzeer door een aantal schobbejakken uit het journaille, die over haar schreven op een manier die als weinig anders te bestempelen valt dan als karaktermoord. Er werd weer veel geschreeuwd, gehijgd en getetterd in de media. Vooral over het veronderstelde succes van de PVV. Nog niemand gehoord die op het idee kwam dat 78% van de kiezers in Almere niet op die partij heeft gestemd. Ik moest wel lachen om dat zure, eeuwig verongelijkte, benepen smoeltje van Marco Pastors. Net een millimeter achter de erfvijand bij de fotofinish.


Ik heb me tussen de bedrijven door met andere dingen beziggehouden. Ondermeer met The Invisible Woman van Claire Tomalin, de biografie van Ellen Ternan, de actrice die dertien jaar lang in het diepste geheim een affaire met Charles Dickens had. Zo werd ik weer eens krachtig met de neus op de schijnheiligheid van de maatschappij in het Victoriaanse Engeland gedrukt. Een samenleving waar de moraalridders het voor het zeggen hadden, waar niets kon en niets mocht en waar zowat alles dat maar even zweemde naar seks en aanverwante genoegens een schandaal kon veroorzaken. Waar het percentage hoeren nooit meer zo hoog is geweest als toen. Ik moet daar weleens aan denken als ik dezelfde soort moraalridders hoor trompetteren in de vaderlandse politiek en dat stemt mij niet vrolijk. Een VVD-propagandafilmpje bijvoorbeeld, waarin een meisje in bikini voorkwam. Schande, riep een onbereden blauwkous uit de feministische hoek, hier was sprake van vrouwenonderdrukking! Ik denk weleens met weemoed terug naar die verkiezingscampagne, eind jaren zestig, waarin de PSP kwam met een affiche met daarop een koe en een leuk, bloot meisje, dat op frisse wijze door een weiland huppelde. De PSP, ach, dat is ook alweer zo'n echo uit het verleden.

donderdag, februari 25, 2010

Hoe algemeen is algemeen?


De bonden hebben een algemene staking uitgeroepen, maar de vuilnisman kwam vanmorgen vroeg gewoon de containers legen en er rijden volop taxi's. Ook zie ik nu en dan een stadsbus voorbij komen, al zijn het er minder dan normaal. De leraren staken, maar niet, of maar voor een deel, op de middelbare school in onze wijk. De vraag is hoe algemeen algemeen vandaag is. De vraag is ook hoeveel stakers werkelijk te hoop lopen tegen de baaierd van maatregelen die de Griekse regering heeft aangekondigd om de uit de hand gelopen financiën weer op orde te brengen. Veel Grieken zien de noodzaak van maatregelen wel in, maatregelen waarvan de strekking soms nog niet helemaal duidelijk is. Geef ze de kost die meestaken omdat je dat nu eenmaal doet als de bonden het verordonneren. Of omdat je anders door collega's niet als solidair wordt gezien. Of omdat men geen vertrouwen in de overheid heeft. Of omdat het erop lijkt dat de laagstbetaalden weer het relatief grootste offer moeten brengen. Dat laatste is wel juist, maar er zijn nu eenmaal zeer veel meer laagstbetaalden dan zeer rijken en daarom brengen ze in alle geval meer in het laadje dan die groep bevoorrechten. Een deel van de stakers doet het vandaag niet van harte, dat is wel duidelijk. Gisteravond sprak ik een architecte, in dienst van de gemeente. 'Wat doe je als je huis in brand staat?' vroeg ik haar, 'met je armen over elkaar toekijken?' Ze was wel met me eens dat dat niet erg verstandig is, maar ja, die dertiende maand weg, dat is wel beroerd voor de ambtenaren. Wat de vuilnismannen betreft heeft ze gelijk.


Wie wel volledig meedoen zijn de journalisten en technici van de staatsradio en -televisie. Die kan ik best een dagje missen, al is, het moet gezegd, het aanbod van programma's over kunst en cultuur aanzienlijk groter dan in Nederland en schuwt men prime time (hoe zeg je dat in het Nederlands: hoogtij?) niet. De commerciëlen hetzen, hijgen en stoken gewoon door, alsof er niets aan de hand is. Ook de weerman doet mee: het is een sombere dag, met nu en dan wat druilerige regen. Niet eens een stevige watervloed die stof en vuil van de heuvel veegt en de baai in kiepert.


Ik besluit er maar eens een echte werkdag van te maken. Er ligt nog het een en ander aan redactiewerk, dat ik in de ochtenduren afhandel. Daarna begin ik aan een nieuwe episode uit mijn alles onthullende autobiografische en door velen gevreesde succesroman, maar het wordt minder spannend dan ik mij had voorgesteld, dus stort ik me op de vertaling van een gedicht van de Engelse dichteres Joanne Limburg. Een paar jaar geleden publiceerde ik werk van haar in Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift, een van de mooie literaire bladen die we hebben, maar hoe lang nog, want het Vlaamse Fonds voor de Letteren geeft geen subsidie meer. Onbegrijpelijk als je de kwaliteit van de bijdragen in ogenschouw neemt en helaas toegejuicht, vrees ik, door al die mensen die geloven dat het internet de literaire bladen kan gaan vervangen. Geloven is in alle gevallen, zonder uitzondering, een tot onheil leidend verschijnsel, maar dit terzijde. Prachtig hoor, internet, maar zonder de reuk van papier en drukinkt komt een mens niet goed tot bezinning en bovendien zijn die schermen een aanslag op je ogen. Internet, ik maak er graag gebruik van, maar wel altijd als aanvulling op en nooit in de plaats van. Bij mij komt de e-reader er trouwens ook niet in. Ik blijf het boek trouw, met mijn vulpotlood in de aanslag om heerlijk te kunnen strepen en te krabbelen.


We dwalen af. De eerste versie van de vertaling is gereed. Tijd om de deur uit te gaan. Er zal heus wel een keer een bus komen, maar ik weet niet wanneer en omdat een beetje lichaamsbeweging geen kwaad kan, besluit ik naar het centrum te lopen. Een paar kilometer en alles heuvelafwaarts. In ruim een uur ben ik bij mijn krantenboer, ondanks een praatje onderweg met een nichtje dat ik toevallig tegenkom. Zit op kantoor bij de spoorwegen en komt net van haar werk. Ik koop een Athens News, die ik op mijn gemak ga lezen bij het Mechanische Varken. Cappuccino en een pijp erbij en bediend door het meisje dat in Duitsland heeft gewoond en daarom altijd Duits tegen mij wil spreken. Duitsers en Nederlanders, dat is toch ongeveer hetzelfde, is haar geloof. Maar ze is mooi, heeft een lieve glimlach en is vlot met de bestellingen en dus is haar veel vergeven. In het blad kom ik een oude bekende tegen, professor Mark Janse uit Gent, die heeft ontdekt dat in een aantal dorpen in Griekenland het Cappadocisch, een verloren gewaande taal, nog wordt gesproken. Een paar jaar geleden sprak ik hem in ditzelfde café, toen hij op reis was in Griekenland. De wereld is klein, luidt het cliché, en toeval bestaat niet.


Ik word aangesproken door een heer aan een belendend tafeltje. Of er nog nieuws in de krant staat? Ik vertel hem van het Cappadocisch. Manolis komt uit Grevena in West-Macedonië, is econoom, maar heeft net een lijvig boek over Byzantijnse geschiedenis gekocht. Cappadocië maakte ooit deel uit van het Byzantijnse rijk, een exotisch deel, in een soort maanlandschap. De Cappadociërs werden, even als andere orthodoxe christenen, bij de volkerenruil van 1923 uit Turkije verdreven en zochten hun heil in Griekenland. Ineens moet ik denken aan de verhalen van mijn schoonouders, in hetzelfde jaar, kinderen nog, verjaagd uit hun dorp in de buurt van Trapezounda (Trabzon). Op dat ogenblik beginnen de klokken van de Agia Sophia te luiden, die mij doen beseffen dat het hoog tijd is om naar huis te gaan. Er komen vrienden op visite en die kun je niet ontvangen met alleen een pilsje en een bak pinda's. Ik neem afscheid van Manolis, haast mij naar de Egnatiastraat en vind daar vlot een taxi. Onderweg oreer ik volop met de chauffeur over het nut en de noodzaak van staken. 

zondag, februari 21, 2010

Crisis!

Eind februari, maar het heeft iets van een milde zomeravond. Tegen kroegtijd sluit ik de computer af en neem de bus naar het centrum. Het is druk op straat. We rijden de Kamarra, de triomfboog van keizer Galerius voorbij. Als ik mij goed herinner dezelfde die in het hippodroom een paar duizend mensen liet afslachten. Het wemelt er van de jongelui. Kamarra is bij uitstek de plaats om met elkaar af te spreken. Veel studenten. Meisjes die lustig anticiperen op meer mooi weer, al is de voorspelling voor morgen somber. We hopen op een programmeringsfout in de weercomputer.


Voor ik uitstap bij de halte Agia Sophia zie ik twee pubers een kruis slaan bij het passeren van een kerk. Een gewoonte die steeds meer van de alom aanwezige, oude kwezels overslaat naar de jeugd. Ik begrijp daar niets van. Mijn beeld van gelovigen verhoudt zich slecht met korte rokjes, strenge laarzen en strakke, laag uitgesneden truitjes, al heb ik mij laten vertellen dat in bevindelijke kringen opwindende lingerie een grote mate van populariteit geniet.


Ik zuig mijn longen vol prezomermildheid en begin aan mijn ronde. Eerst naar News Stand voor kranten, want ik moet voor het Griekenland Magazine over de heersende crisis schrijven. In Nederland is het ook crisis, vernam ik van de Wereldomroep. Wouter Bos heeft er de brui aan gegeven. Afghanistan werd hem te veel, althans het drijven en konkelen van het CDA om daar tegen de wens van een meerderheid van de Nederlanders te blijven. Ik vind het nog knap dat hij het zo lang met de zingende zagen Jan-Peter en Maxime heeft uitgehouden. Ik vraag me alleen af of we straks niet van de regen in de drup komen. Boven de vlakte van Mordor groeit de steeds bruiner wordende schaduw van Geert Wilders.


Met een tas vol kranten loop ik langs de Agia Sophia, de alfa en de omega van mijn gelukkige jaren met Stella, naar de winkel van de Tabaksclub. Ik ben geen lid, maar krijg wel altijd korting. Waarschijnlijk vanwege mijn mooie groene ogen. Met een naar inroken hunkerende, nieuwe pijp zet ik koers naar Loxias, waar ik heb afgesproken met een meesteres in de financiën, die mij de kleine lettertjes van de Griekse crisis gaat uitleggen. De koffieboer in het souterrain van ons flatgebouw is failliet gegaan en op steeds meer plaatsen zie je vooral kleine winkels die het opgeven, maar of dat nu door de crisis komt of door de supermarkt, weet ik niet.


Ik ben redelijk vroeg, dus is het nog rustig in Loxias. Er staat zachte, klassieke muziek op. Eigenlijk overbodig, maar het volume is niet storend. Twee tafels verder zit een man met lang grijs haar, een gegroefd gelaat en een fikse haviksneus te schrijven. Dat kan niet anders dan een door het leven getekende dichter zijn. Ik herken de soort op ruime afstand. Zwijgend pak ik mijn Moleskin en begin mee te schrijven. Mijn bier wordt gebracht samen met een bordje kazen. Dat is het aardige van Loxias. Het bier is er, zoals overal in Griekenland, peperduur, maar je krijgt er altijd een verrassing bij. De tweede ronde levert een schotel pittige worstjes op.


De deskundige schuift aan. Ik bestel nog een keer. Nu komen er olijven in knoflooksaus en bloedworst mee. De worst laat ik aan de expert, die mij in drie kwartier alles uitlegt dat ik zelf ook al had bedacht. Daarna maken we ruzie om de rekening. Zij, nadrukkelijk geëmancipeerd, staat erop om te betalen, ik eveneens. Ik win tenslotte, waarna we hartelijk afscheid nemen. Buiten is het donker geworden, windstil en nog steeds zeer mild. De Gounarisstraat, aan weerszijden van de langgerekte fundamenten van – alweer – keizer Galerius zijn paleis, nu te zien als historisch monument, bruist van leven. De winkels zijn nog open, de terrassen in de zijstraten zitten tjokvol, overal zie je illegale straatventers en de studentes lijken nog frivoler dan op de heenweg. Het zal wel met die crisis, denk ik met de Grieken mee, maar nu hebben we even een onverwachte zomeravond en laten we daar eerst maar van genieten.

zaterdag, februari 13, 2010

Waterstad


Eind januari 1910 werd Parijs getroffen door een grote overstroming, waarover de Amerikaanse historicus Jeffrey Jackson onlangs een boek publiceerde onder de titel How the City of Light Survived the Great Flood of 1910. Zijn studie wordt uitgebreid besproken in The London Review of Books van 28 januari. Getuigen van de overstroming vergeleken het beeld van de verdronken straten en boulevards, waarboven de gebouwen en paleizen uit toornden, vooral op de linker Seine-oever, meestal met Venetië, een vergelijking die nogal voor de hand ligt. Een uitzondering daarop was de dichter Guillaume Apollinaire. Hij schreef in het dagblad L' Intransigeant dat de overstroming bij hem vooral herinneringen opriep aan Dordrecht.


Hoewel minder voor de hand liggend dan Venetië, was dat zo vreemd nog niet. Dordrecht was in de tijd dat Apollinaire het moet hebben gezien nog vooral een waterstad. Het Steegoversloot, de Museumstraat (toen Lindengracht), en de Grote Spuistraat bijvoorbeeld waren nog echte grachten, zoals we die nu kennen uit Delft, Utrecht en Amsterdam. Wie schilderijen en prentenboeken van het 19e eeuwse Dordrecht bekijkt wordt getroffen door de schoonheid van de stad en vooral door zijn grachten. Ik droom er weleens van dat ik door dat schilderachtige Dordrecht zwerf, dat eind 19e eeuw nog geen veertigduizend inwoners telde. Ik zou Dordrecht weleens willen beleven zoals het tevoorschijn komt uit het prachtige boek Dromen van Dordrecht. Buitenlandse kunstenaars schilderen Dordrecht, 1850-1920, onder redactie van Moniek Peters, Ursula de Goede en Jan Alleblas. Uit dat boek blijkt dat niet alleen dichters, maar vooral schilders zich door het 'Venetië van het noorden' lieten inspireren.


Voor de bewoners had dat schilderachtige een duidelijke keerzijde. De grachten, met meestentijds stilstaand water, fungeerden ook als riolen, wat 's zomers leidde tot stankoverlast en vooral tot het steeds weer voorkomen van besmettelijke ziekten als tyfus en cholera. Vandaar dat beter gesitueerde Dordtenaren hun villa's aan de Singel buiten het centrum lieten bouwen, zoals in eerdere eeuwen regenten zich terugtrokken in landhuizen als Dordwijk en Dubbelsteyn. De modernisering in de loop van de 19e eeuw maakte door de komst van riolering en stromend water een einde aan de jaarlijks terugkerende cholera-ellende, maar ook grotendeels aan de schoonheid van Dordrecht. Op twee na werden de stadspoorten afgebroken, grachten werden gedempt, straten verbreed, de stad begon te groeien en nieuwe wijken verrezen. Het trieste hoogtepunt van de modernisering was het idiote en megalomane 'saneringsplan' uit de jaren vijftig, waaraan we de foeilelijke Spuiboulevard te danken hebben, die in de oorspronkelijke visie had moeten worden doorgetrokken tot aan de Noordendijk. Een tochtgat van niets naar nergens.


In het havenkwartier en in delen van het centrum is de oorspronkelijke grandeur van Dordrecht nog wel te zien en te voelen, wat vooral te danken is aan het stadsherstel uit de jaren zeventig en tachtig. Anderzijds is Dordt op veel plaatsen onherstelbaar verminkt. Een slachtoffer van projectontwikkelaars en hedendaagse architecten. Vergeleken bij Rotterdam is het nog altijd een parel, zoals een ekster mooi is vergeleken met een kraai, maar of Apollinaire aan Dordrecht zou hebben gedacht als de Parijse geschiedenis zich honderd jaar later had afgespeeld, dat wens ik ernstig te betwijfelen.

zondag, februari 07, 2010

Winter in Weerdinge


Vanmorgen bevond ik mij in de tuinkamer van een landhuis in het Drentse Weerdinge. Ik keek uit over de nog deels met sneeuw bedekte tuin, aan de rand van de Hondsrug, vanwaar een op het oog schier eindeloze vlakte zich uitstrekte richting Duitsland. Over de vlakte woei een venijnige oostenwind. Nog steeds was er geen einde gekomen aan de winter. De volgende grijze, waterkoude dag kondigde zich aan.


Een paar uur later reed ik over de Veluwe. De bossen aan de rand van de A28 waren grotendeels in nevel gehuld. Naarmate ik verder naar het westen kwam werd het dreigender en donkerder. Eenmaal de Veluwe over was ik van plan de afslag naar Nijkerk te nemen voor een kort bezoek aan de stad waaruit de familie Klok stamt, maar de kou en de diepdroevige sfeer deden mij van gedachten veranderen. Ik besloot direct door te rijden naar Dordrecht, blij dat ik wat bandjes met Griekse muziek had meegenomen om de somberheid te verdrijven. Dit was niet de dag om mijmerend rond te lopen door mijn grootvaders geboorteplaats en mij de familieverhalen te herinneren die ik als jongen zo vaak heb gehoord. Ik had mij ondermeer teruggetrokken in Weerdinge om even afstand te nemen van de afgelopen nare weken in Dordrecht. Even de gedachten aan ziekte, dood, begrafenissen en asverstrooiingen van mij af zetten. Daarom liever geen weemoedige rondgang door een ijzig en zondags Nijkerk vandaag.


De gedachte aan ziekte en dood uitbannen is niet helemaal gelukt, vrees ik, hoewel het weerzien met mijn Weerdingse vrienden koesterend was. Vrijdagvond hebben we ons aangenaam vertreden in het gastvrije en gezellige Dorpscafé de Roos en zaterdag heb ik genoten van de voorstelling van toneelvereniging W.E.D.T., een gezelschap dat zich zondermeer met het Dordtse Inter Amicos kan meten. Toch bereikten mij twee nieuwe overlijdensberichten. Een lieve tante, nicht van mijn moeder, en een vriend in Thessaloniki. Ik weet ook wel dat het bij het leven hoort, maar soms dringen bepaalde aspecten van dat leven zich iets te vaak aan je op. Na afscheid genomen te hebben was ik nog niet op de A37 of ik stuitte op een ongeval met ogenschijnlijk ernstige gevolgen. Enkele zwaar beschadigde auto's, twee ambulances en een toesnellende materiaalwagen van de brandweer.


Had ik niet beter de trein kunnen nemen, vroeg ik me af. Dat doe ik meestal. Ik heb het niet zo op autorijden en zeker niet op het autorijden van veel medeweggebruikers. 'Door gevaarlijke gekken omringd,' om met W.F. Hermans te spreken, maar ik had een inmiddels aardig geslonken spierpijn in mijn been en dat was het excuus om dit keer maar eens niet met stok en rolkoffer de puinzooi voor het station Dordrecht te trotseren. Evenmin had ik zin om met dit gruwzame winterweer twee keer over te stappen, in Rotterdam en Zwolle, om daarna nog ruim een uur in de haveloze boemel naar Emmen te moeten zitten. In ruil voor het mij niet te hoeven ergeren aan smerige treinen, al te jolige conducteurs en de vrijwel overal afgeschafte stationsrestauraties, mocht ik op de heenweg wel bij Utrecht, Amersfoort en Zwolle een poosje in de file staan, maar ach, voor iemand die zelden autorijdt, geen enkele haast heeft, maar wel mooie muziek in de cassetterecorder, is dat voor een keer eigenlijk helemaal niet zo erg. Ik moest wel een beetje lachen om allerlei zenuwlijders die steeds van rijstrook verwisselden om een halve meter te winnen. Ik heb er maar een sigaartje bij opgestoken, want anders dan de trein heeft mijn automobiel een rookafdeling. Tot een ander soort gevaarlijke gekken dat ook gaat verbieden. In dat geval doe ik de auto de deur uit en ga ik misschien wel op de fiets. Dan moet wel die ellendige winter eindelijk voorbij zijn.

donderdag, januari 28, 2010

Gedichtendaggedicht

De Rozenkoningin

Hoewel geen dag grijzer kon zijn
leek zij een ware Rozenkoningin
ook al glimlachte zij nauwelijks
mechanisch wuivend met haar hand:
Pinokkio in tule
onder een druipend baldakijn.

Voor de wagen uit marcheerde fier
de band van de Nationale Reserve
met maar af en toe
een ongetrainde noot.
Straks zou er geklink zijn
bluf over betere tijden
en een huiverende tiener
met een verregende droom.

Iemand klapte in zijn handen
en riep een zwak hoera.
De regen wiste grenzen tussen
welkomstloper en bemodderd
festivalterrein.
In de feesttent vulde schuimloos bier
de eerste plastic glazen.

©Kees Klok



vrijdag, januari 22, 2010

In memoriam Gerrit de Wolf (1949-2010)

Vandaag heeft Gerrit de Wolf afscheid genomen van het leven. Bijna een jaar lang heeft hij gestreden tegen de agressieve vorm van longkanker die zich in begin 2009 bij hem openbaarde. Gerrit, Lupius voor intimi, behoorde tot het groepje van mijn beste vrienden. We leerden elkaar 45 jaar geleden kennen op de Mulo-Groenedijk en zijn tot op het laatste ogenblik van zijn leven bevriend geweest. We zaten in de derde en de vierde bij elkaar in de klas en raakten beiden betrokken bij de schoolkrant De Groene Mug, die in die dagen onder teken- en boekhouddocent, en later hoogleraar economie, Cees Esseboom een bloeiperiode beleefde. Gerrit schreef gedichten en verhalen in De Groene Mug. Een van die verhalen ging over een mythische figuur die zich in een rijdend orgel door de stad begaf en Bobby Kinghe heette.


Als de trainer van DFC er halverwege de jaren '60 niet op had gestaan dat zijn eerste teamspelers hun haar kort lieten knippen, zou Gerrit misschien een mooie voetbalcarrière hebben gevolgd. Hij hield echter zijn lange, blonde lokken en gooide uiteindelijk hoge ogen in een andere tak van sport, de schaaksport. Hij begon bij de schaakclub Dordrecht en stapte na de oprichting van Groothoofd over naar die club, waar hij zich een vaste plaats veroverde bij de top tien. Na de opheffing van Groothoofd was hij vanaf het eerste uur betrokken bij De Willige Dame, waar hij tot de openbaring van zijn ziekte een van de boegbeelden van de club was.


Gerrits grote liefde was de literatuur. In 1969 begon hij samen met Jan v.d. Geer in de Hofstraat, in het pand waar voorheen de boekwinkel van Koos Versteegh was gevestigd, het Cultureel Warenhuis Bobby Kinghe. De kern daarvan was de handel in tweedehands boeken. Omdat zowel Gerrit als Jan werkzaam waren op kantoor, was de winkel meer een hobby dan een inkomstenbron, maar uiteindelijk werd het Cultureel Warenhuis Bobby Kinghe de basis van de Stichting Produktiegroep Bobby Kinghe, grotendeels voortgekomen uit plannen van Gerrit, die, zoals we dat in een interview in Het Vrije Volk eens zeiden: 'de Dordtenaren over de cultuurdrempel zou schoppen.' In 1971 passeerde de stichtingsakte en was Bobby Kinghe volwassen. Nu, bijna veertig jaar later, leeft Lupius geesteskind nog steeds voort, al is er in de oorspronkelijke opzet wel het een en ander veranderd. In de dagen van de boekwinkel was er weleens iemand die vroeg naar meneer Bobby Kinghe. Wij pleegden dan op Lupius te wijzen en te zeggen 'Bobby Kinghe is er even niet, maar zijn vader is er wel.'


Gerrit was de grote plannenmaker van Bobby Kinghe en als zodanig een van de drijvende krachten achter het Dordtse culturele leven in de jaren '70. In die jaren schreef hij regelmatig voor het blad BIJ, orgaan van de Culturele Raad Dordrecht en was hij redacteur van het literaire tijdschrift Letteriek, eveneens opgericht op initiatief van Bobby Kinghe. Later legde hij zich meer toe op de organisatorische kant van de cultuur. Behalve bestuurslid van Bobby Kinghe was hij jarenlang lid van de sectie letteren van de Culturele Raad Dordrecht. Hij was ook een gretig lezer en een groot verzamelaar van boeken. Hij laat een indrukwekkende collectie boeken na. Zijn belangstelling reikte veel verder dan uitsluitend de Nederlandse literatuur. Een belangrijk deel van zijn boekenbezit wordt gevormd door een collectie wetenschappelijke, historische en filosofische werken. Speciale belangstelling had hij voor Indonesië. Hij verdiepte zich in de geschiedenis van het land, reisde er verschillende keren naartoe, leerde bahasa Indonesia en verbleef daartoe enige tijd aan een taalschool in Jogjakarta.


Na de middelbare school maakte Gerrit carrière bij verzekeringsmaatschappij de Holland, later Amev en Fortis. Na zijn vervroegde pensionering in 2007 nam hij de pen weer op om een oud plan, het schrijven van een literaire thriller, uit te voeren. Door zijn ziekte is het manuscript hiervan echter onvoltooid gebleven.


Over onze 45 jaar vriendschap zou ik een boek kunnen schrijven. Gerrit was een van mijn steunpilaren in de verschrikkelijke tijd van Stella's ziekte en dood. Hij was geen man van erg veel woorden, maar hij was er wel altijd. Er doen veel verhalen en anekdotes over Gerrit de ronde, ontstaan tijdens de vele reizen die wij maakten, tijdens bijeenkomsten en feesten, tijdens schaakwedstrijden, tijdens ons wekelijks borreluur in poffertjessalon Visser, en zo laat Gerrit vele mooie herinneringen achter. Maar ook een enorme leegte. Ik kan me Dordrecht niet goed voorstellen zonder Gerrit. Pessoa mag dan geschreven hebben dat de stad niet zou veranderen bij zijn dood, dat geldt zeker niet voor Lupius. Dordrecht heeft een markante inwoner minder en ik een dierbare vriend. Ik vind dat, net als met de dood van Stella, buitengewoon moeilijk om te accepteren, maar tegen de meedogenloosheid en de vernietigende kracht van de natuur is geen kruid gewassen.

vrijdag, januari 08, 2010

Warm lopen


Het lijkt niet op te kunnen met het winterweer. Strenge vorst en voor de komende dagen wordt er wederom sneeuw voorspeld. Als je de commotie in de media hoort, zou je denken dat de winter van 1963 al ver is overtroffen. Daar is vooralsnog geen sprake van, maar het is nu eenmaal bon ton geworden in dit land om alles aan te dikken en te overdrijven. Wel zijn de Dordtse sloten al behoorlijk dichtgevroren en gisteren mocht ik constateren dat ook de Vriesehaven dicht ligt. Er werd al volop door de jeugd geschaatst. Net zoals wij dat vroeger deden. Niet alleen op de haven, maar ook op de ijsbaan in de Windhondenpolder. Een geweldige schaatser ben ik overigens nooit geweest, ik krabbelde wat rond op oude Friese doorlopers, had al snel genoeg van de kou en de valpartijen en heb er nooit het geld voor over gehad om goede schaatsen te kopen. 


Het schijnt een geweldige ervaring te zijn om toertochten in de polder te rijden, maar ik loop liever en dan bij voorkeur bij mooi zomerweer. Ik ben geen wintermens en betreur het daarom dat ik het zonnige, milde Griekenland weer achter mij moest laten om in Nederland te vernikkelen. Te bedenken dat ik op 1 januari nog de hele middag op ons zonnige balkon zat te lezen. Of het nieuwe jaar ook even zonnig zal blijven als het begon, valt te bezien. Bij leven en welzijn gaat er in 2010 een belangrijke verandering in mijn bestaan plaatsvinden, een verandering waarvan ik hoop dat die vooral van invloed zal zijn op mijn werk als dichter en schrijver. Wat er verder dit jaar staat te gebeuren? Ik zal al blij zijn als er in mijn familie- en vriendenkring nu eens geen ernstige ziekten opduiken, maar wat dat betreft is het jaar alweer tamelijk omineus begonnen.


Op letterkundig gebied staat Dordrecht in het komende jaar wel het een en ander te wachten. Gezien de plannen van Uitgeverij Liverse kunnen we weer een aantal interessante boeken tegemoet zien. Onder andere het nagelaten werk van Bergman (pseudoniem van Aart Kok), een vervolg op zijn succesvolle boek De tijd te lijf, dat in 1994 verscheen in de reeks Privé Domein. Ook gaat Liverse mijn poëzievertalingen van John Burnside uitgeven, onder de titel Het bal in de inrichting, een boek dat al lang had moeten verschijnen, maar dat door de teloorgang van uitgeverij Wagner & Van Santen ernstige vertraging heeft opgelopen. Ook komt de nieuwe bundel van André v.d. Veeke bij Liverse uit en deze dichter zal samen met zijn Zeeuwse collega's Tom Schrijer, Jan J.B. Kuipers en Wim Hofman op 30 mei in Dordrecht optreden met hun programma 'Mannen van Papier.' Dat gaat plaatsvinden in het theater van stadsdichter Marieke van Leeuwen, die samen met ondergetekende als gast een bijdrage aan het programma zal leveren. Binnenkort wacht ons de Landelijke Gedichtendag, waarop Micha Hamel naar Dordrecht komt (bij Rood, Wit & Rosé) en hopelijk worden we opnieuw vergast op de Dordtse Dag van de Poëzie. Ik verklap nog even niet dat er een nieuw, spectaculair boek van mezelf op stapel staat. Het gerucht gaat dat diverse advocaten zich al warm lopen vanwege de compromitterende inhoud. De titel wordt binnenkort onthuld, maar eerst moeten we zien de winterse koude het hoofd te bieden. Wat dat betreft is er een mooie taak weggegelegd voor de Afdeling Hak een Wak van het Genootschap ter Bevordering van Eb & Vloed (zie: http://home.planet.nl/~aadel).