dinsdag, maart 19, 2019

Reünie



Lieve Stella,

Afgelopen zaterdag ging ik op weg om gedichten voor te lezen op het Perolfestival, in het Perenlaantje te Hendrik-Ido-Ambacht. Het had de hele dag geregend, maar de weerman op Radio 1 had met enige stelligheid beweerd dat de middag droog zou zijn, zodat ik tegen twee uur, het druppelde nog een klein beetje, monter de fiets nam. Bij de pont tussen Dordrecht en Zwijndrecht aangekomen, begon ik te twijfelen. Er kwamen diepgrijze, bijna zwarte wolkenformaties aanzetten vanuit het westen, maar de weerman is de weerman. Ik stapte aan boord. Net op de Veersedijk werd ik overvallen door een tropische bui. Dat betekende de volgende pont terug naar het Eiland van Dordrecht om thuis op te drogen. Dan maar een festival zonder de gedichten van Kees Klok.

De episode brengt mij terug naar juni 1974. Ik was net geslaagd als 'volledig bevoegd onderwijzer,' aan de Gemeentelijke Pedagogische Akademie te Dordrecht. Akademie met een k, als bewijs van de progressiviteit van het instituut, maar dit terzijde. Op een juni-ochtend fietste ik door stralend zomerweer over de Veersedijk van Zwijndrecht naar Hendrik-Ido-Ambacht. Doel was een charmant, oud schoolgebouw uit het begin van de twintigste eeuw, bekend als O.L.S. III, om daar op verzoek van het hoofd der school een proefles te geven in klas drie, met als onderwerp 'Het konijn.' Met dat onderwerp was ik niet echt gelukkig. Op de GPA was een tekort aan biologieleraren, waardoor ik alleen in het eerste jaar biologie had gevolgd, bij de dichter Albert Donk, die eigenlijk Ab Groenedijk heet. Daardoor wist ik iets van koeienmagen en ook de wijze waarop bladgroen zuurstof produceerde was mij niet onbekend, maar daar bleef het ook bij. Op de Mulo had ik biologie van een voormalige kapitein van het KNIL, maar die man had het te druk met zijn Indische verleden, waardoor we nooit verder kwamen dan het van buiten leren van de botten van het menselijk geraamte. Kennis die ik snel weer vergat. Gelukkig had ik zelf een konijn en trof ik een hoofd der school die het wel kon waarderen dat ik, na wat vaag geklets en gegrap over het onderwerp, de les besloot door de hele klas als konijnen te laten rondhuppelen.

Ik kreeg de baan en fietste daarna drie jaar lang over de Veersedijk. Ik kon in Hendrik-Ido-Ambacht gaan wonen, maar ik gaf de voorkeur aan het gezellige krotje in de Dordtse Marcellus Schampersstraat, dat ik voor een prikje had gekocht. Van een getuige van Jehova, die ergens ver weg ging zitten wachten op het einde der tijden. Het huisje was uit 1882 en is al lang afgebroken om plaats te maken voor nieuwbouw. Daardoor is het een sfeerloos achterstraatje geworden. We zijn er weleens doorheen gelopen tijdens een van je eerste bezoeken aan Dordt, voor we trouwden. Na drie jaar was ik het fietsen zat. Ja, het was heerlijk om op een vroege, zonnige voorjaarsochtend over de dijk te rijden, maar de meeste ochtenden waren regenachtig, winderig en winters. Een rijbewijs had ik nog niet en het openbaar vervoer was al bijna even tijdrovend als nu. Ik nam weleens de brommer van een vriendin, maar zodra het regende was er iets met de bougie en gaf het ding het op, zodat ik nog verder van huis was. Ik kon een baan als leraar krijgen op Mavo-Krispijn, tien minuten fietsen van huis, en verliet voorgoed het lager onderwijs, zoals het toen nog heette. Een enkele keer denk ik weleens dat dat iets te vroeg was, want ik had het op die school goed naar mijn zin. Aardige collega's en een hoofd dat net als ik pijp rookte. Over roken werd in die tijd nog niet gezanikt. Op een dag kwam de inspecteur op school, een streng ogende man in een donker pak. Terwijl hij zich achterin het lokaal installeerde, naast de hokken met, jawel, een konijn en enkele cavia's, ging ik gewoon door met trekken aan mijn pijp. Hij zat nog geen vijf minuten of hij vroeg, terwijl hij een sigaar opstak, om een asbak.

In het voorjaar van 2007 hield een van de klassen waaraan ik toen lesgaf, een derde (tegenwoordig moet je groep vijf zeggen, maar daar is het onderwijs niets beter van gewonden), een reünie. Ik vond het een belevenis mijn oud-leerlingen, die ik mij herinnerde als kinderen van een jaar of negen, terug te zien als late veertigers en hun verhalen te horen. Sommigen van hen waren verbaasd dat 'de meester,' per definitie een oude man, ook al begon ik mijn loopbaan op mijn drieëntwintigste, eigenlijk nog helemaal zo oud niet was. Het hoofd der school, die inmiddels schooloverstijgend in Ambacht en Zwijndrecht het openbaar onderwijs bestuurde, rookte, evenals ik, nog steeds pijp. Jij moest de reünie missen, omdat je je niet lekker voelde. Een griepje dachten wij, maar achteraf waren het misschien wel de eerste voortekenen van de fatale ziekte die zich in het najaar openbaarde. Onbezorgd haalden we herinneringen op. Aan de krijtjes die ik door het lokaal liet vliegen en de vliegtuigjes. Aan het konijn dat op een keer ontsnapte. Aan de middagen na schooltijd als we knikkerden op het schoolplein, wanneer dat weer eens in de mode was. Kind met de kinderen. Ik won wel altijd, maar dan kregen ze de knikkers terug. Er waren natuurlijk ook trieste verhalen. Niemand die er een vermoeden van had dat het onze nog moest beginnen. Toen ik terugkwam was je weer wat opgeknapt. Daarom gingen we pizza eten bij Costa d' Oro, zoals vaak op zaterdagavond. Een paar dagen later ging jij vast naar Griekenland. Ik volgde aan het begin van de zomervakantie. Toen we daarvan terugkwamen aten we weer pizza bij de Italiaan van Dordt, samen met mijn neef Brian en een vriend. Het was de allerlaatste keer van je leven dat je in een restaurant at. Het is een herinnering die steeds terugkomt als ik naar Costa d' Oro ga.

Op jouw begrafenis was een groep oud-leerlingen van je uit Goumenissa, waar je de eerste tien jaar van je loopbaan Engels gaf op de middelbare school. Na afloop van het begrafenismaal raakte ik met hen aan de praat. Enthousiaste verhalen over jou als hun lerares. Ook de leerlingen op de Experimentele School van de Aristotels Universiteit liepen met je weg. De enige waarmee je daar moeilijk kon opschieten was de leraar theologie, die het je kwalijk nam dat je met je leerlingen een toneelstuk van Tsjechov, De meeuw, geloof ik, opvoerde in het Staatstheater van Noord-Griekenland, onder jouw regie. Theater en geloof, o hemel, wat was de spreekbuis van die enge, veel te invloedrijke, Griekse kerk daardoor op zijn teentjes getrapt. 

Je werd niet voor niets uitgenodigd om de vakgroep Engels van de Aristoteles Universiteit te gaan versterken. Toen had je echter net mij ontmoet en daarom werd het het onderwijsbureau van het Griekse consulaat in Düsseldorf. Soms voel ik mij ongemakkelijk als ik bedenk wat jij uit liefde voor mij hebt opgegeven. Zo'n gevoel van waaraan heb ik het te danken. Later in Nederland werden je titel en bevoegdheid erkend en kreeg je als drs. Stella Timonidou een aantal uren Engels aangeboden bij ons op school. Ik had het weleens willen ervaren om je als collega te hebben. Het salaris was hoger dan in Griekenland, maar de secundaire arbeidsvoorwaarden zo bedroevend minder dan wat je daar was gewend, dat je er uiteindelijk niet op in bent gegaan en de voorkeur gaf aan thuis literuur vertalen. Je hebt nog wel als vrijwilligster een paar jaar geholpen in de schoolbibliotheek en je gaf aan de leerlingen die meegingen op de legendarische uitwisselingen, in de jaren negentig, met jouw voormalige school, lessen Nieuwgrieks. Soms spreek ik leerlingen uit die tijd en dan valt me de warmte op waarmee ze nog steeds over je praten.

In gedachten, altijd

Kees

Dordrecht, 3 september 2014

In: Het is er niet van gekomen. Vijftig brieven aan Stella (1946-2007). Uitgeverij Liverse 2015.


woensdag, maart 13, 2019

Platvinkje



Lieve Stella,

Er zijn van die ogenblikken, als ik ervoor in de stemming ben, dat ik mij zorgen maak over de toekomst. Niet zozeer over de mijne, zoveel toekomst heb ik op mijn licht gevorderde leeftijd niet meer, maar groots gezegd: de toekomst van de mensheid. Er zijn genoeg redenen om te vrezen dat die, evenals ik, misschien niet zo heel veel toekomst meer heeft. De klimaatverandering, bijvoorbeeld, die wij min of meer uitsluitend in Europa schijnen te moeten aanpakken, omdat ze in andere delen van de wereld onbekommerd doorgaan met veel, heel veel kinderen maken, met regenwouden te kappen en vieze fabrieken te bouwen, om maar eens iets te noemen. De dreiging van een nieuwe wereldoorlog door de opkomst van China, het verval van de VS onder een ongeleid projectiel als Donald Trump, de machinaties van Rusland, de almaar voortdurende chaos en vernietiging in het Nabije Oosten (grotendeels veroorzaakt door ondoordachte interventies van het Westen) en de opkomst, ook in ons landje, van een virulent, destructief populisme. 

Ik kan zo nog wel een poosje doorgaan, maar dat ligt niet in mijn aard. Ik ben in wezen geen pessimist, maar als je je verdiept in het reilen en zeilen van de mensheid, dan zie je dat de beschaving zich asymmetrisch heeft ontwikkeld. Op het gebied van wetenschap en techniek zijn we razend knap geworden, wat tot prachtige dingen heeft geleid. Zonder die tak van beschaving was ik al drie jaar geleden doodgegaan, gewoon ergens op straat, tijdens een praatje met een bekende. Je valt de duisternis in en dat is het, maar gelukkig waren er snelle en bekwame hulpverleners, cardiologen en stents. Aan de andere kant zijn we nauwelijks gevorderd met de beheersing van de menselijke driften, angsten en superstities, waardoor steeds weer verschrikkelijk leed wordt veroorzaakt. 
Nog altijd worden in talloze landen mensen vervolgd, opgesloten en vermoord om religieuze redenen. Albino's in Africa worden ontvoerd, gedood en tot toverdrankjes vermalen, die geluk moeten brengen, als we dagblad Trouw van vandaag mogen geloven. Over het internet zoemt de grootst mogelijk onzin over vaccinaties, waardoor onlangs in Italië en op de Filipijnen nogal wat doden zijn gevallen door een mazelenepidemie. Kwakzalvers, kruidenvrouwtjes en andere hocus-pocus-figuren vinden gretig aanhang. Er lopen mensen rond met een vergiet op hun hoofd, vanwege hun geloof. Ik moet daar onbedaarlijk om lachen, maar wat is eigenlijk het verschil met een tulband? 
Laat ik er maar over ophouden. Ik heb, eerlijk gezegd, een redelijk prettig leven, ik heb er zelfs nog lol in, al kent het zijn schaduwzijden, met als dieptepunt jouw overlijden. Een paar maanden daarna bezocht ik een klooster in Griekenland, vanwege de bibliotheek. 'Dat je vrouw is overleden,' zei een monnik, 'is een teken dat God van haar houdt.' Dat ik hem niet in een vat wijwater heb verzopen is volgens mij een bewijs dat er ook nog redelijke mensen op aarde rondlopen. Mensen die geloven in de waarden van de Verlichting, in redelijkheid, vrijheid en gematigdheid. Misschien dat dat een sprankje hoop geeft. Het zou zo maar kunnen dat er een medicijn tegen fanatisme en geestdrijverij wordt uitgevonden, dat gemakkelijk via het drinkwater kan worden toegediend.

Onlangs las ik Levant. Splendour en Catastrophe on the Mediterranean van de historcus Philip Mansel. Dat gaat over de geschiedenis van drie belangrijke, kosmopolitische steden, Smyrna, Alexandrië en Beirut (en eigenlijk ook een beetje over Thessaloniki) in de negentiende, twintigste en eenentwintigste eeuw. Op al die steden hebben nationalisme en godsdienstig fanatisme een catastrofale invloed gehad. Alleen Beirut heeft zijn kosmopolitische karakter tot op heden behouden, maar wel ten koste van heel veel bloedvergieten. Een boek waarvan ik niet vrolijk word, ondanks dat het prachtig is geschreven, zeker niet omdat er allerlei parallellen zijn te trekken met het heden. Een paar jaar geleden las ik Mansels indrukwekkende Constantinople, City of the World's Desire en nu ben ik begonnen aan zijn Aleppo. The Rise and Fall of Syria's Great Merchant City, een stad die, na millennia te hebben bestaan, nu vrijwel geheel is verwoest door de burgeroorlog in Syrië. Beirut is ondertussen weer een toeristenattractie geworden. Op Facebook zag ik net een aantal foto's van een oud-leerlinge die daar op bezoek is. Tot nu toe was Ammochostos op Cyprus de meest oostelijke plaats die ik bezocht. Misschien moet ik ook eens naar Beirut, nu het nog kan, maar voorlopig worden het Düsseldorf en Thessaloniki.

Het is nog niet zover, maar langzamerhand ben ik mijn volgende Griekenlandreis aan het voorbereiden. Er is weer een bosje verklaringen van de belastingdienst en de gemeente in het Grieks vertaald, waarop ik volgende week apostilles moet gaan halen bij de rechtbank. Eigenlijk een volkomen zinloze exercitie, want waarom moet een rechtbank de echtheid van zo'n officiële handtekening nog eens bevestigen? Achterhaalde bureaucratie, maar daar zijn ze in Griekenland dol op. In Nederland is men er ook niet vies van, trouwens. Ik ben op jacht naar een nieuwe koffer, eentje met vier wieltjes, wat sjouwen scheelt, en ik heb ook al gekeken of ik straks in een hotel bij Schiphol overnacht of mij door een taxi vanaf Dordt laat brengen, want ik heb weer een vroege vlucht. In januari werd het een hotel, want dat was alleszins betaalbaar, maar nu wordt het een taxi, want 'het seizoen' is begonnen als ik vertrek en dan gooi je als hotel je prijzen fors omhoog. Ik trap daar niet in, zoals ik tot nu toe groepsreizen heb vermeden, omdat je dan altijd 'toeslag' moet betalen voor een eenpersoonskamer. Ik laat me niet graag oplichten.
Ik verheug me zeer op de dagen dat ik in Athene op het Nederlands Instituut ga werken. Ik zal er mijn tijd goed besteden. Ik ga mijn volgende boek afmaken. Daarvoor, in Thessaloniki, wordt het weer allerlei geregel met de Boven Ons Gestelde Autoriteiten, maar ik hoop toch ook, behalve materiaal voor mijn boek, het een en ander aan aardigheden te verzamelen voor nieuwe columns over het leven in de stad. Ik moet ook het woord voeren bij de presentatie van het boek over de ideologie van het kolonelsbewind, van Djamila Zon. Het Nederlandse origineel (De reddende revolutie) is in 2014 verschenen bij Liverse. De andere sprekers zijn mijn hooggeleerde vrienden Alex Dagkas en Dimitris Charalambous. Er komt ook een parlementslid, geloof ik, al waren ze daar bij University Studio Press een beetje vaag over. Ik hoop wel dat er na afloop drank geschonken wordt, want dat vond ik indertijd, toen jouw vertaling van mijn Afrodite en Europa werd gepresenteerd, wel een droevige vertoning: geen druppel drank. Wie wilde kon het boek kopen en het door mij laten signaleren en daarna was het wegwezen. Misschien moet ik voor de zekerheid maar een platvinkje meenemen. Dat mooie, dat ik ooit van jou heb gehad en dat ik nog weleens gebruik als het ijskoud is bij een wedstrijd van FC Dordrecht en ik geen zin heb in een plons bier, omdat de kans dan groot is dat je net naar het toilet bent als het mooiste doelpunt van de wedstrijd wordt gemaakt. Vrijdag ga ik weer, tenzij het vriest, maar volgens jongedame C., die het kan weten, omdat ze een mooi cijfer voor aardrijkskunde had op het VWO, is dat onwaarschijnlijk. We merken het vanzelf, als de wereld vrijdag nog bestaat.

In gedachten, altijd,

Kees

Dordrecht, 13 maart 2019

Foto: auteur



zaterdag, maart 09, 2019

Groene hesjes



Regelmatig loopt een klas van de buurtschool door onze straat, keurig in de rij, de juf voorop, de kwekeling, nog een meisje, achteraan. Allemaal, op de juf en de kwekeling na, dragen ze een groen hesje. Gelukkig maar, want geel doet denken aan die beweging in Frankrijk, waarvan ik laatst de woordvoerder hoorde. Een advocaat. Uiteraard was het weer Europa dat de schuld kreeg. Dat we dankzij de Europese Unie al meer dan zeventig jaar vrede, voorspoed en welvaart kennen in ons hoekje van de wereld, begrijpen de boze kleuters niet. Achterlijke sentimenten als nationalisme, anti-antisemitisme en vreemdelingenhaat steken weer overal de kop op. Ik word er weleens moedeloos van. Iets van de geschiedenis leren? Dan moet je niet bij de mensheid zijn, maar daarover wil ik nu even niet schrijven. Ik wil schrijven over de herinnering die zo'n klas oproept.

Een herinnering aan het begin van mijn 'carrière' in het onderwijs. Carrière tussen aanhalingstekens. Het mag eigenlijk geen naam hebben. Ik heb jarenlang gestudeerd, zesendertig jaar in het onderwijs gewerkt, ben 'opgeklommen' van schoolmeester naar 'seniordocent' geschiedenis, maar mijn lerareninkomen kon niet in de schaduw staan van dat van sommige vrienden, die na een aanzienlijk kortere studie rechten of economie bakken met geld binnenhaalden. Ik trok er geen geel hesje voor aan. Ik had genoeg om mee rond te komen, maar ik kan me voorstellen dat jonge mensen denken: 'Onderwijs? Bekijk het maar.' Hard werken, niet naar aard en niveau van dat werk betaald krijgen, het gemuts aanhoren van die types die alleen maar naar je welverdiende zomervakantie kijken en dan ook nog die zeikende ouders iedere ochtend voor de deur. 

Daar hadden wij, toen ik als schoolmeester begon, nog geen last van. Ouders kwamen alleen op school als er iets bijzonders aan de hand was, en dat was in het dorp waar ik lesgaf, nauwelijks het geval. Luizenmoeders hadden we nog niet. Een paar keer paar jaar was er ouderavond, dan konden vader of moeder langskomen voor een gesprek en als er buiten die gelegenheid iets met een leerling aan de hand was, ontbood je de ouders op school. Die zeiden netjes 'meester' tegen je, ook al was ik drieëntwintig toen ik begon en sommigen van hen al heel oud, ergens in de dertig.

Het dorp was keurig verdeeld in refo's en gewone mensen. De refo's hadden hun School met den Bijbel en wij hadden een mank lopende dominee die één keer in de week de openbaren op vrijwillige basis kwam kerstenen. Je mocht tijdens de dominee ook naar handenarbeid, maar dat deed bijna niemand, want de dominee kon geen orde houden. Twee keer in de week trok ik met mijn klasje, nou ja, klasje, het eerste jaar had ik een klas van achtendertig leerlingen, naar de gymzaal, naast het dorpshuis. Onderweg passeerden we de School met den Bijbel. Ik zette mijn pupillen altijd aan tot het zo luid mogelijk zingen van 'potje met vet,' want muzikaliteit moet je onder alle omstandigheden te stimuleren. Tot ik na enige tijd werd aangesproken door het hoofd der school, dat mij proestend vertelde dat zijn collega van de School met den Bijbel had geklaagd over 'die onderwijzer met dat lange haar,' die zijn leerlingen zo hard liet schreeuwen. Die herinnering komt boven als ik de groene hesjes voorbij zie trekken en daar word ik iedere keer weer vrolijk van.

Foto: archief auteur




woensdag, februari 27, 2019

Bespottelijk boekhoudkundig denken



Op pagina 104 van zijn boek Lof der Simpelheid schrijft Gerrit Komrij: 'Een Nederlander maalt evenveel om cultuur als een pissebed om zonlicht.' Ik moest daar aan denken toen ik het bericht las dat de Vrije Universiteit in Amsterdam de bachelorstudie Nederlands wegens gebrek aan belangstelling heeft geschrapt. De opleiding zou 'verliesgevend' zijn. Alsof een universiteit een commercieel bedrijf is. Het is weer een bespottelijk geval van boekhoudkundig denken, waarbij het Nederlands, de belangrijkste pijler van onze cultuur, de verliezende partij is. Ze moesten zich daar in Amsterdam de ogen uit de kop schamen.

In Trouw legde columnist Stevo Akkerman terecht een verbinding met, in mijn woorden, de bedenkelijke inhoud van het vak Nederlands in het voortgezet onderwijs. Dat onderwijs staat vooral in het teken van het leren lezen en schrijven, maar het literatuuronderwijs wordt verwaarloosd. In de woorden van Akkerman: 'Er zijn dingen die nut hebben en er zijn dingen die zin hebben.' Dat nut is het goed leren lezen en schrijven, het zin hebben is die vaardigheden inzetten voor goed literatuuronderwijs. Daardoor wordt het vak boeiend en worden vensters op de wereld geopend. Zoals het in goed onderwijs hoort.

Ik heb zelf ooit Nederlands gegeven, van 1977 tot 1989, en toen al was op het niveau waarop ik doceerde (mavo en onderbouw havo/vwo) officieel geen enkele sprake van literatuuronderwijs. Ik heb dat tegen alle regels in gesaboteerd en besteedde binnen de mij toegemeten, beperkte tijd, toch aandacht aan literatuur. Het werd mij door sommige leden van de sectie-Nederlands, typerend twee collega's die later aan een universiteit gingen werken, kwalijk genomen. Toen ik allang geen Nederlands meer gaf, maar uitsluitend het prachtige vak geschiedenis, had ik de gewoonte iedere week een 'gedicht van de week' op het bord te schrijven. Mijn leerlingen mochten daarmee doen wat ze wilden. Het overschrijven, het negeren, er vragen over stellen, er om lachen of huilen, dat maakte mij niet uit. Vrijwel altijd kreeg ik er aardige reacties op en als ik een keertje het 'gedicht van de week' vergat, werd ik daar altijd onmiddellijk attent op gemaakt.

Tijdens mijn jaren als docent aan het havo/vwo heb ik het niveau van het literatuuronderwijs bedroevend zien zakken. Dat konden mijn collega's Nederlands grotendeels niet helpen, dat was beleid van een aantal kortzichtige koekenbakkers op het ministerie van onderwijs, dat in onze docentenkamer bekend stond als ministerie van onwijs. Uiteindelijk werd er niet of nauwelijks meer literatuuronderwijs gegeven en verschrompelden de leeslijsten voor het eindexamen tot een lachertje. Even een vergelijking: toen ik in 1969 zelf eindexamen havo deed, moest ik voor Nederlands 25 boeken lezen, waarvan 8, meen ik, voor 1880. Voor Frans, Engels en Duits, vakken die ik godzijdank ook in mijn pakket had, moesten per vak 15 boeken op de lijst staan. Vijfenvijftig boeken in twee jaar. Ik heb er mateloos van genoten, er ging in die tijd, mede door een aantal fantastische, bevlogen leraren, werkelijk een wereld voor mij open. Wat leerlingen op het vwo nu moeten lezen? Ik weet het niet precies, maar veel meer dan vijf boeken voor Nederlands zal het niet zijn. Ik durf niet te bedenken hoeveel er voor Frans, Duits en Engels worden gevraagd.

Vinden we het gek dat veel leerlingen Nederlands een saai, inhoudsloos vak zijn gaan vinden? Vinden we het gek dat ze dat dan ook niet meer willen studeren? Ik weet hoe de huidige stand van zaken veel oud-collega's ter harte gaat en ik weet ook dat sommigen van hen tegen alle regels in meer aandacht aan literatuur besteden dan van het ministerie van onwijs mag. Van de boekhouders daar valt, vrees ik, weinig te verwachten. Laten leraren gewoon zelf het heft in eigen hand nemen, hoe moeilijk dat misschien ook is. Vooral gesteund door de universiteiten, waar je de basis van je cultuur onder alle omstandigheden dient aan te bieden, ook al meldt zich maar een enkele student!

Foto: auteur


woensdag, februari 20, 2019

Dordrecht aan de Linge



Lieve Stella,

Vandaag ben ik door mevrouw de cardiologe weer voor een heel jaar goedgekeurd. Ja, ik weet ook wel dat ze garantie geven tot de voordeur, maar het klinkt toch bemoedigender dan 'meneer, ik geef u nog zes maanden.' Dat kreeg ik te horen van de orthopedisch chirurg. Hij bedoelde ermee dat die achillespees nog wel een maandje of zes zal zeuren voor hij geheel genezen is, als dat ooit nog gebeurt. Dat zei hij niet, dat denk ik er bij. Hoe dan ook, ik ben weer in montere stemming het ziekenhuis uitgewandeld. Nu is het wachten op de domper op de vreugde. Noemen de Chinezen dat niet Yin en Yang? Ik weet het niet precies, ik ben niet zo'n spiritueel type, dat weet je. Voor je er erg in hebt zweef je op je eigen vloerkleed naar een of ander streng veganistisch kampement, waar ze de boter, kaas, eieren en rookwaren van je afpakken.

Ik had je al eerder willen schrijven, maar afgelopen zaterdag was het plotsklaps mooi weer en ben ik het nodige snoeiwerk in de tuin gaan doen. Daarna moest ik naar een opening van moderne kunst in Pictura, over 'leven, dood en wederopstanding in de natuur,' waar ik ondermeer mooie aquarellen van Ad Kooimans zag, wanden vol heel kleine beeldjes van Barbara Witteveen, die ik niet goed in het thema kon plaatsen, maar die mij veel kijkplezier gaven en een tapijt van Lizan Freijssens dat ik knap gemaakt vond, maar dat mij op griezelige wijze deed denken aan het Eiland van Dordrecht over tweehonderd jaar, als de hele kolerezooi is ondergelopen en ons slechts schorren en kreken resten. Ik zal daar naar alle waarschijnlijkheid niet bij zijn, gelukkig, maar onwillekeurig denk je aan de komende generaties, die er weinig of niets tegen zullen kunnen ondernemen zolang de idiote groei van de wereldbevolking maar doorgaat.
Zondag heb ik een uitstapje gemaakt naar Amstelveen en Amsterdam. In Amstelveen was een concert, bij Mokum Folk, de club die in Amsterdam en omstreken de volksmuziek levend houdt, van het Serenade Ensemble, studenten van Codarts (ik meen dat dat vroeger het Rotterdamse conservatorium was), die Griekse, Turkse, Arabische en Armeense muziek ten gehore brachten. Levantijnse muziek noem ik het maar. Ik vond het zeer geslaagd, al heb ik een tijdje getwijfeld of ik zou gaan. Een trein, een metro en een stuk lopen door onbekende streken, daar ben ik niet zo van. Sinds ik mijn kompas kwijt ben, loop ik steevast de verkeerde kant op, maar zondag viel het mee. De trein was vrijwel op tijd, wat steeds met nadruk door de conducteur werd omgeroepen, alsof hij er zelf ook verbaasd over was, de metro bracht me keurig aan een halte in de wildernis en sinds ik kort geleden heb ontdekt dat er in mijn telefoon een juffrouw zit die aanwijzingen geeft, viel de wandeling ook mee. Ik moest door een park, alleen, zonder hond om uit te laten, maar ik ben gelukkig niet opgepakt als verdachte, vieze, oude man.
Na afloop ben ik met onze vrienden Herbert en Elly (die in de organisatie zitten, volgens mij hebben ze elkaar daar ook leren kennen, maar dit terzijde) meegereden naar Slotervaart, je weet wel, die wildwestwijk waar de kogels je soms om de oren vliegen, om te eten bij Perla di Roma, een sfeervolle Italiaan, met een goede kwaliteit-prijsverhouding en een zeer goede hand van wijn schenken. Niet die oer-Hollandse kutsmoes van we doen de glazen maar halfvol omdat ze zo groot zijn, nee, gewoon tot het randje, kein geloel.  
Van Perla di Roma loop je in vijf minuten naar station Lelylaan, waar ik dacht de sprinter naar Schiphol te nemen om daar over te stappen op de intercity naar Vlissingen, die Dordt aandoet. Misgerekend. Het ding reed niet. Het kan ook zelden vlekkeloos in het openbaar vervoer, maar voor ik luidkeels kon gaan mopperen stopte er een trein naar Amsterdam CS, waar ik in ben gesprongen, waarna ik even een sprintje moest trekken, lullig voor Achilles, maar het moest, om diezelfde trein naar Vlissingen te halen. Was ik toch nog redelijk op tijd thuis, zij het met een protesterende poot. 'Je staat ervoor en je moet erdoor,' aldus Gerard Reve, een groot schrijver en nooit te beroerd iemand moed in te spreken.
Toen wij op de heenreis over de Zwijndrechtse brug reden, vroeg de mannelijke helft van een stel zich af welke rivier we passeerden. 'Ik weet het niet, ' zei de vrouwelijke helft, tegen de zeventig, dus nog degelijk lager onderwijs gehad, 'ik denk de Linge.' Daar werd ik een beetje droevig van, die mensen reisden wel eersteklas, net als ik.

Gisteren was het nog steeds lente-achtig weer, een verademing na al die grauwe weken, dus toen heb ik in plaats van je te schrijven de rest van het snoeiwerk afgemaakt. De tuin is, om zo te zeggen, winterklaar. Net voordat de lente echt begint, en planten en bomen gaan uitlopen. Vooral het snoeien van de klimroos, met al die vreselijke doornen, was een bezoeking, maar het is volbracht en ik heb geen geld om ieder jaar een hovenier te laten komen. Vroeger kwam Kees Zijderveld nog weleens helpen, die was voor hij conciërge werd hovenier, maar sinds zijn ene zoon in California bosbranden bestrijdt en zijn andere in China de Engelse taal en letteren verkondigt, is hij zelden meer in Dordt. Ik weet niet of ik zo blij ben met die globalisering.
Donderdag was ik eerst met Thijs en Han naar het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, naar een tentoonstelling over de goden van Egypte. Machtig interessant, maar veel te uitgebreid om alles in een keer te kunnen zien. Ik heb een keuze gemaakt uit de mooiste artefacten en daar deed ik nog twee uur over. Terug in Dordt naar de Liverse-vergadering in Visser gegaan en 's avonds naar de uitzending van Via Cultura (van de regionale zenders van Papendrecht, Zwijndrecht en Dordrecht) vanuit restaurant Post, omdat daar mijn oud-collega Rein Top speelde als lid van de cabaretgroep Peter de Liefde. Het was 14 februari, dus je begrijpt, dan vraag je De Liefde. Het zijn een beetje mijn buren, want ze repeteren iedere week in het theatertje aan de overkant. Rein zat ook in het panel, om over het cabaret en over de liefde te praten. 
Ik mocht even aan het woord, om uit te leggen hoe het allemaal was begonnen, weet je nog, met het cabaret Jong en Aanstormend Talent (JAT) van Rein, Henk Nieboer en mij. Nadat we een paar keer hadden opgetreden, vond jij dat ik beter kon stoppen, om me uitsluitend met schrijven bezig te houden. Ik denk dat je gelijk had. Ik kon aardig acteren, maar zingen ho maar en ik had in geen veertig jaar gitaar gespeeld, dus je begrijpt. Rein en Henk zijn toen, onder regie van Maarten Doomen nog een tijdje doorgegaan, hebben zelfs een geslaagde CD uitgebracht, ik draai hem nog weleens, en tenslotte heeft zich uit dat alles De Liefde ontwikkeld. Henk is er ook allang mee gestopt, maar Rein is nog volop in de running en ik moet zeggen, hun nummers bevielen mij uitstekend. Die waren ook het enige wat ik van de uitzending kon horen, want het is weliswaar altijd heel gezellig in Post, maar de zaak is totaal ongeschikt om een radiouitzending te maken, omdat het vol zit met mensen die niet komen voor die uitzending, maar om gezellig een hapje te eten en met elkaar te kletsen en omdat de ruimte nogal groot is en de akoestiek niet briljant, zit je in een storm van achtergrondlawaai. Zaterdagmorgen heb ik de boel op Drechtstad FM ('s morgens tussen acht en tien) teruggeluisterd. Het was alsof er uit een zwembad werd uitgezonden.

Ik had het net over dat stel en de Linge, maar dat is nog niks vergeleken bij het groeiend aantal idioten dat gelooft dat de aarde plat is. Al in de vijfde eeuw voor Christus hebben jouw voorvaderen bewezen dat het ding rond is, als dat niet zo zou zijn hadden we vijfentwintig eeuwen de tijd gehad om de rand van de aarde te vinden, wat niet is gebeurd, en nu staat er een ploegje geestelijke bonobo's op, dat roept dat de leer van de ronde aarde een complot van de Nasa is. Tja, als je het maar geraffineerd brengt, kun je sommige mensen alles laten geloven. Dat iemand over water loopt of na drie dagen vrolijk fluitend uit zijn graf komt, toe maar. Bij onze fijne bondgenoot en boezemvriend Saoedi-Arabië onthoofden ze nog weleens iemand vanwege hekserij, zo gaat dat in een modern land dat de Verlichting heeft overgeslagen, dus dat er ergens een Australopithecus rondloopt die in een platte aarde gelooft, hoeft niet te verbazen. Wat mij hogelijk verbaast, is dat er in de media veel ophef over wordt gemaakt. Iemands krankzinnigheid wordt tot wereldnieuws gebombardeerd. Daar begrijp ik eigenlijk niets van. Het zal wel aan mij liggen. 
Ondertussen houd ik mij bezig met de geschiedenis van de Levant, het boeiende boek van Philip Mansel, dezelfde die het prachtige Constantinople, City of the World's Desire schreef. De Levant, met kosmopolitische steden als Alexandrië, Smyrna, Beiroet en Thessaloniki, die hun kosmopolitisme stuk voor stuk verloren zagen gaan door desastreuze invloeden als nationalisme, religieus fanatisme en domheid. De domheid van massa's die zich voor ideologische of godsdienstige karretjes laten spannen. Het is een geschiedenis waar ik immens treurig van word, vooral in een tijd waarin antisemitisme, religieus fanatisme, nationalisme en fascisme opnieuw om zich heen grijpen. Kijk maar naar die beweging van de 'gele hesjes,' binnen de kortste keren gekaapt door het droesem uit de riolen van de maatschappij. 

Zo is het wel weer genoeg, dunkt me. Ik zou deze brief graag romantisch eindigen, met een zonsondergang boven de vredig voortkabbelende Merwede. De hemel is onbewolkt, heel even, maar onder de horizon pakken grauwe wolken zich alweer samen. Dat we dat niet kunnen zien, komt omdat de aarde rond is. Nu jij weer. Die zonsondergang houd je tegoed.

In gedachten, altijd,

Kees

Dordrecht, 19 februari 2019

Foto: auteur


zaterdag, februari 16, 2019

Poëzieparadijs



Het Poëziecentrum Nederland is gevestigd in de Nijmeegse bibliotheek. In het Poëziecentrum heeft Wim van Til een unieke collectie poëzie bijeengebracht, zelfs mijn jeugdzonden, in primitief gestencilde, nog in eigen beheer uitgegeven boekjes, zijn er te vinden, evenals de bundel die ik samen met Jacques Noorman publiceerde in 1978. Die was wel keurig gedrukt, bij Morks in Dordrecht, maar aan een omslagontwerp deden we niet, zodat De Theeman en andere gedichten er weliswaar keurig, maar ook heel saai uitziet. Jacques en ik hebben nooit vermeld welke gedichten van wie zijn, maar wie ons goed kent, komt daar snel achter en ik koester niet de illusie dat ooit een literatuurwetenschapper zich de moeite zal troosten om het, tientallen jaren na ons verscheiden, nog eens uit te zoeken. In de Nederlandse letteren kun je twintig boeken publiceren, nooit in de Volkskrant, het NRC-Handelsblad of Trouw zijn besproken en toch gelukkig zijn.

Ik heb een paar keer het genoegen gehad om in het Poëziecentrum te mogen spreken bij boekpresentaties van uitgeverij Liverse, die gestaag, tegen de draad in, voortbouwt aan een almaar uitdijende poëziereeks, de Bordeauxreeks, of uit eigen werk te lezen. Ik vertoef graag in bibliotheken (toen ik studeerde bracht ik mijn tijd zoveel mogelijk door in de letterenbibliotheek van de Universiteit Utrecht) en zeker in de Nijmeegse. Vanwege dat letterkundig paradijsje dat Poëziecentrum heet, maar er is ook en prettig café. Ik heb begrepen dat we zoiets ook krijgen in de Dordtse bibliotheek, die op het ogenblik wordt verbouwd. Dat café gaat, als ik het goed begrepen heb, 'Americain' heten en dat lijkt me een goede greep, want in het pand van de bibliotheek was ooit het roemruchte café Americain gevestigd. 

In Americain werden weleens feesten gehouden van mijn middelbare school. Nu ja, feesten. Het begon doorgaans om een uur of zes, was niet later afgelopen dan negen uur, er werd geen alcohol geschonken en als je bij een langzaam nummer te dicht bij elkaar danste, stond er altijd wel een leraar aan de kant driftig te gebaren dat je meer afstand moest nemen. De lulligheid van de jaren vijftig was nog niet uitgewerkt, al hing er midden jaren zestig wel verandering in de lucht. In die periode kwam ik in de redactie van de schoolkrant, waarin ik uiteraard mijn eerste gedichten publiceerde. De meeste probeersels van die tijd zijn, zoals L.H. Wiener dat zegt, 'verdwenen in de mist der mensen.' Een paar vind je wellicht nog in het Poëziecentrum Nijmegen. Een plek om zeker eens te bezoeken.



Foto's: auteur


zaterdag, februari 09, 2019

Sneu



'Men moet trachten zich niet belachelijker te maken dan men van nature al is.' Een citaat van C. Buddingh', de man van wie de naam zo vaak verkeerd wordt gespeld. Ook door citatenverzameling.com, die het weer ijzerenheinig hebben over Cees, waar het volgens Buddingh' zelf Kees moet zijn. De citaten waaruit dat blijkt zijn niet opgenomen en aan bronvermelding doen ze ook niet. Ik heb het daarom maar even opgezocht. Het citaat is te vinden op bladzijde 10 van En in een mum is het avond, althans in mijn eerste druk uit 1975.

De foto op de achterkant toont een vriendelijk lachende Buddingh'. In zijn rechterhand een glas, misschien wel met zijn favoriete whisky, en in de linker een sigaartje. In 1975 kon dat nog gewoon. Nu zou je de moraalpolitie aan de deur krijgen, de zeloten van Fons Nijpels, dat anti-rookfantoom dat zich inderdaad belachelijker maakt dan het van nature al is. Hetzelfde geldt voor de eurocommissaris met die onuitsprekelijke naam, die onlangs meende de Griekse onderminister voor volksgezondheid te moeten kapittelen, omdat hij op zijn ministerie rookte. Na het zwaaien met het waarschuwende vingertje, mocht de moraalridder in een dienstauto door de smog van Athene naar het vliegveld, stel ik mij voor.

Wie zich ook voortdurend belachelijker maken dan ze van nature al zijn: die jurken uit de Tweede Kamer van DENK en de PVV, die steeds ruzie hebben op een toon die meer past bij een achterbuurtkroeg dan een parlement. Je zou maar op een van die twee hebben gestemd. De Bond tegen het vloeken kan er trouwens ook wat van. Ik ben voor beschaafd en zorgvuldig taalgebruik, waarmee je je kunt onderscheiden van gele hesjes en ander ordinair rancunevolk, maar je zet jezelf toch wel een tikje voor schut als je gaat mauwen wanneer iemand 'Jezus!" roept in De Luizenmoeder. Wat moeten ze dan roepen? Cees, pardon, Kees misschien? Sneu hoor, dat je vindt dat je moet opkomen voor iemand waarvan je gelooft dat hij de zoon van God is, zonder te beseffen dat, als het zou kloppen, zo'n type wel voor zichzelf zou opkomen. Reken maar dat die acteurs dan allang geslagen zouden zijn door één van de plagen van Egypte.


maandag, februari 04, 2019

Poëzieweek



Lieve Stella,

We zitten midden in de Poëzieweek. Een mooi initiatief in de verkeerde tijd van het jaar. Poëzie is iets voor zwoele zomeravonden in het openluchttheater van de Romeinse Agora in Thessaloniki. Op afstand, maar niet storend, bruist de stad onwetend voort en nu en dan zoemt op grote hoogte een vliegtuig voorbij. Of in de tuin van Floor, naast die kille Rotterdamse schouwburg. Ik herinner mij een avond in 2000, dat we daar met een aantal Griekse dichters, te gast bij Poetry, zaten. Ondermeer met Nasos Vayenas, die verrast was dat hij in de Spiegel van de Griekse Poëzie, van Hans Warren en Mario Molegraaf, stond, iets wat zijn Atheense uitgever vergeten was te melden. Hij ging het boek direct kopen, ook al had hij vast een gratis exemplaar van uitgeverij Meulenhoff kunnen krijgen. Ik herinner mij ook Athina Papadaki en die aardige Titos Patrikios.

Juni, dat is een maand voor een Poëzieweek, maar januari! In 2003 was het vijftig jaar geleden dat de watersnoodramp plaatsvond. Ik was door de redactie van het literaire tijdschrift Ballustrada uitgenodigd om mee te gaan met een bustocht door Zeeland, met Zeeuwse collega's, die op verschillende plaatsen in de provincie verzen over de ramp lazen. Daar stonden we 's morgens om negen uur in een sneeuwstorm op een verlaten parkeerplaats in Vlissingen voor eigen parochie te lezen. Een voorbijganger die de hond uitliet schudde verbijsterd het hoofd en liep toen toch maar snel door.

'Bent u van een sekte?' vroeg een passerende dame. Ik kan mij het jaar niet meer herinneren, maar ik was gevraagd om onder aanvoering van Alexis de Roode met een aantal dichters voor te dragen in het Utrechtse Hoog Catharijne, nog voor het een grondige verbouwing onderging. We trokken met een bakfiets, die dienst deed als mobiel podium, steeds van de ene kant van het winkelcentrum naar het andere. Zodra we in het vizier kwamen, maakten de meeste voorbijgangers zich zo onopvallend mogelijk uit de voeten. Het was binnen, dus we hadden geen last van het weer en het was ook niet in de Poëzieweek, maar ik begreep de vraag van die mevrouw wel, al ging het in ons geval duidelijk niet om Jehova of Swami Bami, maar om Erato en Terpsichore.
Wie aan poëzie doet, behoort tot een sekte. Wat mij steeds weer verbaast is hoeveel mensen staan te trappelen om het tot prediker van die sekte te brengen, zonder ooit kennis te hebben genomen van een boodschap. Ik bedoel, we krijgen bij uitgeverij Liverse veel bagger binnen van mensen die zich inbeelden dichter te zijn, maar die meestal geen letter poëzie hebben gelezen, behalve misschien die enkele verplichte versjes voor het examen Nederlands. Als die nog niet zijn afgeschaft. Het lezen, lezen en lezen van poëzie is, naast het hebben van talent, de absolute voorwaarde om je als dichter te kunnen ontwikkelen, maar die boodschap is aan veel inzenders niet besteed. Ik heb dat afgelopen zaterdag ook maar weer eens uitgelegd op de lokale radio, waarna ik naar huis ben gefietst om het zoveelste goedbedoelde, maar oubollige en zonder talent geschreven manuscript voor de Bordeauxreeks met een standaardbrief te laten terugsturen. Dat is niet beleefd, ik geef het toe, maar ik ga niet meer in discussie met mensen die misschien een aardig balletje kunnen trappen in het vijfde elftal van een club uit de laagste afdeling zaterdagvoetbal, maar er zelf van overtuigd zijn dat ze zo in de basis kunnen bij FC Dordrecht. 'Lees eerst Kira Wuck eens, of Radna Fabias, Tjitkse Jansen, Job Degenaar, Gerrit Komrij, De Schoolmeester, Hans Warren, Hugo Claus, Remco Campert, André van der Veeke, Jan J.B. Kuipers, Amarantha Groen, Josse Kok en nog driehonderd anderen!' Ik zou het van de daken willen schreeuwen al heb ik niet de illusie dat het helpt. Straks kijk ik in de brievenbus en dan ligt er weer zo'n door de eigen familie bewonderd genie, dat in de spiegel een tweede Jean Pierre Rawie ziet, met bijbehorende verkoopcijfers.
Poëzieweek, een prachtig initiatief, maar er waait een gure westenwind en er is natte sneeuw voorspeld. Gelukkig is het over vierentwintig dagen maart. Eind maart komt de debuutbundel uit van Rogier de Jong. Iemand met talent die het wel heeft begrepen.

Op de internetpagina met Poëzieweekactiviteiten in Nederland en Vlaanderen is Dordrecht notoir afwezig. Dat verbaast mij niet, maar ik wil niet opnieuw gaan klagen. We weten nu eenmaal dat in onze stad de letteren traditioneel, want dat gaat heel ver terug, een ondergeschikte rol spelen vergeleken met de andere kunsten en zeker met de beeldende kunst. Dat wordt treffend geïllustreerd door het feit dat Dordrecht wel een stadskunstenaar heeft, maar geen stadsdichter. Het zal de gemiddelde Dordtenaar een zorg zijn. Nergens worden de uitgaven van het Buddingh'-genootschap zo slecht verkocht, vertelde de uitgever mij, als in Dordrecht. De gemiddelde Schapenkop heeft trouwens geen idee dat Dordt een uitgeverij herbergt, Liverse, jawel, die stug voortbouwt aan een kloek poëziefonds, iets wat veel landelijke critici ook nog steeds lijkt te ontgaan, en er is in juli dan wel een hele grote boekenmarkt, maar hoeveel inwoners van de buitenwijken komen daar op af? Ach, wat hindert het ook. Gerard Reve schreef in al zijn wijsheid dat dit land over vier- of vijfhonderd jaar, dat wil ik even kwijt zijn, toch is ondergelopen. Als de wereldbevolking zich in het huidige tempo blijft voortplanten, hoeven we echt niet zo lang te wachten, vrees ik, al gaat de middelbare schooljeugd tot in lengte van dagen door met demonstreren tegen de klimaatverandering.

Demonstreren! Toen ik zestien was dacht ik ook dat het nut had. Op mijn zesentwintigste speelde de kwestie van de kruisraketten en er was ook iets met wat neutronenbom werd genoemd. Ik ben er niet tegen gaan betogen, ik had toen al een hekel aan schreeuwende menigten, maar op het prikbord achter in mijn lokaal, ik gaf toen les op een mavo, hingen wel posters met 'Stop de neutronenbom!' Dankzij Trump en zijn opzeggen van een belangrijk kernwapenverdrag lijkt die discussie weer helemaal terug. Tja, Donald Trump, ook zo'n icoon van een zelfdestructieve mensheid, die vermoedelijk nooit een dichtbundel leest, al weet je dat nooit honderd procent zeker.

In gedachten, altijd,

Kees

Dordrecht, 4 februari 2019

Foto: Ronald Peters


donderdag, januari 31, 2019

Gedichtenweekgedicht



Picasso's leed

Zijn naam was eindeloos langer
dan die van Anton Heyboer.

Zijn vrouwen kwamen een voor een, zoals
de Russen in de tijd van Karel van het Reve.

Bij iedere nieuwe liefde wisselde hij van stijl.
Heyboers vrouwen bleven hem op twee na haremtrouw.

Waar Picasso koos voor Parijs verbleef Heyboer
kortstondig gedwongen te Berlijn, waarna hij vluchtte

naar de Vinkeveense plassen. Het is de vraag of Picasso
ooit van de Vinkeveense plassen heeft gehoord.

Later werd het een boerderij in Den Ilp. Ook daar had
Picasso geen weet van, denken wij.

Foto: auteur


woensdag, januari 30, 2019

Kafka



Een boekhandel die tegelijkertijd café is, of een café dat tevens boekhandel is. Dat vind ik een prachtcombinatie. Jarenlang was ik stamgast in Loxias, café en boekhandel in Thessaloniki. Een geliefde plek bij studenten, geleerden, dichters, schrijvers en dergelijken. Jarenlang gold het adagium 'als er een bom op Loxias valt, is het gedaan met de cultuur van de stad.' Wie doodging bleef een beetje meedoen, want waar geen boekenkasten stonden, hingen portretten van dichters, filosofen en acteurs aan de muur. Vanaf zijn plek tegenover de bar keek de wijsgeer Kornilios Kastoriadis (1922-1997) mij altijd indringend aan, zoals je dat van een filosoof verwacht. Dat wij niet alleen dezelfde voornaam hebben, maar ook een identiek kapsel, is toeval, maar het komt niet zelden voor dat, als ik mij in Griekenland voorstel als Kornilios, iemand 'Kastoriadis' roept.

Een ander café alias boekhandel is Kafka, in de havenstad Alexandroupolis. Ik ontdekte Kafka bij toeval, toen ik in de stad overnachtte op doorreis naar het eiland Samothraki. De dag dat ik aankwam was er geen veerboot. Het openbaar vervoer in Griekenland neemt steeds dramatischer vormen van verval aan, ook al doen ze er alles aan om het anders te laten lijken. Onlangs opende premier Tsipras juichend een metrostation in Thessaloniki, waar al sinds 2006 wordt gebouwd aan een lijntje van negen kilometer, maar er lag nog geen meter rails en volgens optimistische prognoses kan de lijn pas in 2021 of 22 in gebruik worden genomen. Het doet aan de Hoekse Lijn denken, of aan de Noord-Zuidlijn, maar in Nederland hebben we alles vanzelfsprekend veel beter voor elkaar dan in het zonnige zuiden. Er wordt veel gesproken over een hogesnelheidslijn tussen Thessaloniki en Athene, maar ook die schijnt steeds weer op uitstel te stuiten. Misschien moeten ze de bedenkers van de Intercity Direct eens raadplegen, die hebben ervaring met krukken op het spoor.

Kafka dus. Toen ik binnenstapte trof me een aangename, wat studieuze sfeer. Boeken tot het plafond. Je moest via een verschuifbare ladder naar de hoogste planken, iets wat ik met mijn hoogtevrees maar overliet aan het personeel. Aan de andere kant tafeltjes, waaraan overduidelijk werd gestudeerd, achterin een bar en daarachter een prettige binnenplaats, waar regelmatig literaire- en muziekavonden worden georganiseerd. Voor Kafka ben ik op de terugreis van Samothraki nog een nachtje overgebleven. Alexandroupolis heeft ruim 72.000 inwoners, een universiteit en een boekhandel annex café, of, zoals je wil, café annex boekhandel. Soms voel ik mij als inwoner van Dordrecht ernstig tekort gedaan.



Foto's: auteur


zaterdag, januari 26, 2019

Lage streek



Iemand belt namens het NRC-Handelsblad. Ik heb mij vele malen aangemeld bij het bel-mij-niet-register, maar weet zo'n man in een 'call centre' ergens in het buitenland veel. Of hij mij een proefabonnement cadeau kan doen, 'want in het verleden heeft u de krant ook gelezen.'
'Dat is lang geleden, toen heer Olivier B. Bommel nog op de Achterpagina stond.'

Ik vertel dat ik mijn abonnenment heb opgezegd toen Bommel uit de krant verdween. Er zijn grenzen. 'Als Bommel terugkeert, neem ik weer een abonnement, zeg dat maar tegen je hoofdredacteur.'
Hij probeert het nog met een: 'Maar Marten Toonder is toch alweer een tijdje dood?'
'Jazeker. Stan Laurel en Oliver Hardy ook, maar daarom lachen we niet minder om de Dikke en de Dunne.'

Voor hij afbelt klinkt het bandje van het bel-mij-niet-register, waar ik niet meer naar luister. Ik luister naar de radio, de lokale, waar iemand zich druk maakt over de giftreinen die al jaren onbekommerd door de bebouwde kom van Dordrecht rijden. Op tweehonderdvijftig meter van mijn huis, door de gevaarlijkste spoorbocht van Nederland. De boosheid en verontrusting zijn terecht, maar het economisch belang gaat altijd voor, vraag dat maar aan de Groningers, en er is geen Tom Poes om een list te verzinnen.

Bommel uit het NRC-Handelsblad! Een lage streek van het Internationaal Oliekapitaal.


zaterdag, januari 19, 2019

Onbezorgd genieten



Lieve Stella,

Vanmorgen stond een overlijdensadvertentie in De Dordtenaar van Anton Stoop (die achtentachtig jaar is geworden, maar dit terzijde), waarin een dichtregel van jou. Het ontroerde me. Ik zag het via het internet. Hans van Rijn maakte mij er op attent, want ik ben op het ogenblik in Athene. Ik schrijf dit op het terras van O Glykys, dat je je nog wel herinnert van onze bezoeken aan de stad. Ik vind het mooi dat jouw woorden, zoveel jaren na je overlijden, nog troost bieden. Het is een prettig terras, dat mij ook een beetje troost biedt op ogenblikken dat ik je mis, als ik alleen door Athene heb gezworven. 'Ben je eenzaam?' vroeg de jongedame die mijn bestaan nu en dan luister bijzet. Nee, dat ben ik niet, maar ik zou er heel wat voor geven als jij hier bij me kon zijn.

Gisteren heb ik het vliegtuig genomen. Op Schiphol. Ik arriveerde om een uur of tien. Omdat het toestel om twaalf uur vertrok, had ik tijd genoeg om na al het gedoe bij de controle koffie te drinken. Ik doe dat graag bij Het Paleis, maar daar was ik kennelijk nagenoeg onzichtbaar geworden. Hoewel het allerminst druk was, kwam geen enkele ober of serveerster de bestelling opnemen. Eén juffrouw zei goedemorgen in het voorbijgaan, maar daar bleef het bij. Na vijfentwintig minuten ben ik vertrokken. In de buurt van de gate was een aardig koffietentje. Wel zo makkelijk en ik denk nog goedkoper ook, al is niets op Schiphol echt goedkoop.
Ik heb met Aegean gevlogen. Er was nogal wat turbulentie. Misschien dat daarom het eten niets voorstelde. Doorgaans krijg je bij Aegean, die daarin een van de laatste der Mohikanen is, een maaltijd die voor luchtvaartbegrippen wel aardig is, maar nu...., een paar stukjes onbestemd vlees met kritharaki en een sausje dat nergens naar smaakte. Ik heb er vrijwel niets van gegeten en 's avonds de schade ingehaald bij Zorbas. Daar werd ik als de verloren zoon ontvangen. Het was er verontrustend stil, maar dat kan toeval zijn.
Ik ben hier ten eerste om Vaso en Alexis te zien. Alexis heeft mij opgehaald met de auto, zodat ik niet de metro van het vliegveld naar Monastiraki hoefde te nemen. De tweede reden is af te komen van mijn Griekse pensioentje, dat mij meer last dan profijt oplevert. Toen jij overleed had ik recht op een nabestaandenpensioen en in het begin was het een aardig extraatje, waarover ik in Nederland belasting betaal, want, zegt de Belastingdienst, dat wordt bepaald door het belastingverdrag dat Nederland met Griekenland heeft gesloten. In 1984, meen ik. Tot 2012 viel het in Griekenland onder de belastingvrije voet en hoefde ik daar geen aangifte te doen. Dat werd mij in het begin verteld, maar in Griekenland veranderde dus die voet, waardoor ik aangifteplichtig werd. Daarop heeft de Griekse fiscus besloten dat ik daar ook moet betalen, want zo is het volgens het belastingverdrag bepaald, zeggen ze op het kantoor in Thessaloniki. Beide diensten vinden dat ze gelijk hebben, waardoor er slechts een gering bedrag voor mezelf overblijft. Die fooi is de moeite niet waard en aangezien ik al lang droom dat ik helemaal niets meer te maken heb met de Griekse bureaucratie, heb ik al twee keer een aangetekende brief gestuurd met het verzoek dat pensioen te stoppen. Dan hoef ik ook geen aangifte meer te doen in Thessaloniki. Kennelijk heeft het ministerie veel prullenbakken, want ik kreeg geen enkele reactie.
Ik weet het, het is een luxeprobleem, maar het veroorzaakt niettemin nogal wat spanning. Jouw landgenoten eisen steeds weer andere verklaringen die, als de Nederlandse fiscus ze al afgeeft, moeten worden vertaald en van een apostille voorzien, waarna ze in Thessaloniki zeggen dat dit niet het papier is dat ze willen. Ik wil gewoon onbezorgd van Griekenland genieten, zonder al dat gedoe met die Derde Wereld-ambtenarij. Vandaar dat ik nu maar persoonlijk een verzoek tot stopzetting van het pensioentje ga indienen.

Ik logeer als gewoonlijk in Plaka. Niet in het luxe, maar dure Herodion, maar in het Adrian, vlakbij de Romeinse agora. Een sterretje minder, maar gerieflijk genoeg. De badkamers zijn net vernieuwd en er is voldoende toiletpapier. De zestiende september logeerde ik in het Courthotel in Utrecht, in kamer 105. Een paar dagen later logeerde ik in het Holland Hall in Upholland (Lancashire) in kamer 105 en nu in het Adrian zit ik opnieuw in kamer 105. Ik vind dat op de een of andere manier een goed voorteken, al zit ik straks bij Roos en Nikos op Skyros natuurlijk gewoon in mijn 'eigen' kamer 215.
Ik was in Utrecht voor de Nacht van de Poëzie. Die heb ik niet helemaal uitgezeten, want ik moest de volgende ochtend alweer vroeg met de trein terug naar Dordt, om een lezing te geven voor het Humanistisch Verbond, in Villa Augustus. Het ging over nostalgie en daar sluiten een paar verhalen uit mijn nieuwe bundel, Oude dromen, min of meer bij aan, ook al ben ik minder nostalgisch dan ik de mensheid soms wil laten geloven. Dat boek is op 28 september gepresenteerd in Visser en daar juichend ontvangen. Het is mooi geïllustreerd door buurvrouw Elvira, die ook het omslag heeft ontworpen.

In Engeland was ik op bezoek bij Sue en Bill P. Een tegenbezoek, want Sue (voor mij nog gewoon Susan D., het buurmeisje van oom Harold en tante Ann in Newton-le-Willows) was in juni in Dordt. Voor het eerst sinds 1969. Toen stond het oude postkantoor aan het Bagijnhof er nog, dat niet lang daarna door vandalen werd afgebroken. Iedere Dordtenaar van boven de vijftig is daar nog woedend over. Ze (Sue en Bill, niet die vandalen) wonen in Upholland, een dorp in de buurt van Wigan, in het armoedige noordwesten, waar veel industrie is verdwenen, maar waar landschappelijk veel is opgeknapt met geld van de EU. Dezelfde EU waar net iets meer dan de helft van die merkwaardige eilandbewoners nu uit wil. Dat de Engelsen een tikje krankjorum zijn, zie je bijvoorbeeld aan hun obsessie met veiligheid. We gingen een ritje maken met de fietsclub van Wigan. Ik moest en zou zo'n achterlijke helm op, terwijl het veel lekkerder rijdt onder mijn hoed. Na de Brexit wordt alles beter. Er zijn er veel die dat nog geloven ook. Ja, als alle boeren in 1963 op boer Koekoek hadden gestemd, waren ze nog veel rijker geweest dan nu.
Ik heb met Sue ook neef Brian in Newton-le-Willows bezocht, die het naar omstandigheden wel maakt, al is hij oud geworden. Ik niet natuurlijk. Ik draag een elfenring en blijf altijd drieëntwintig. 

Ik moet je iets ergs vertellen: ik heb een e-reader gekocht. Voor op reis. Ik had een stapel boeken klaarliggen om mee te nemen naar Griekenland, maar ik was dat gesjouw al een tijd zat. Het leest niet fijn, maar het leest en het weegt niks. Als ik thuis ben ga ik direct weer aan de echte boeken, maar voorlopig ben ik gesteld. Ik lees nu Lord of the Rings. Of het de achtste of negende keer is, weet ik niet precies, maar het blijft fascineren. Weet je dat ik, lang voor ik je leerde kennen, twee cavia's had die Meriadoc en Peregrijn heetten?

Straks ga ik met Vaso en Alexis eten bij Zorbas. Daarna ga ik op tijd naar bed, want morgenochtend ga ik met Vaso naar de pensioenautoriteit, die zich in de buurt van het Omoniaplein schijnt op te houden. Vaso weet waar het is. Je hoort het allemaal nog wel.

In gedachten, altijd,
Kees

Athene, 3 oktober 2017

Foto: auteur


woensdag, januari 09, 2019

Teil



In mijn verhalenbundel Op koers noem ik de jaren vijftig 'de zwart-witte jaren.' Dat komt niet alleen omdat de foto's die ik uit die tijd heb zwartwit zijn, ook de televisie, die in de loop van die periode zijn intrede deed, was aanvankelijk zwartwit. Omdat ik niet zo heel veel op had met de televisie, behalve als de VPRO uitzond, heb ik mij nog tot begin jaren tachtig beholpen met een zwartwit-toestel. Sinds kort heb ik 'interactieve' televisie. Daarop kan ik via Youtube mijn eigen kop op de buis toveren en daar een foto van maken, zodat mijn vrienden in mijn Griekse kafeneion geloven dat ik een echte televisiepersoonlijkheid ben, maar als ze mij goegelen, krijgen ze de partijdichter van de PvdA in, ik meen, Hoogezand-Sappemeer voorgeschoteld.

In de zwart-witte jaren gingen we thuis één keer in de week in de teil. Een badkamer of douche hadden we niet in ons krot aan de Vrieseweg, dat in de jaren tachtig wegens vergaande bouwvalligheid, of liever, verwaarlozing door de huisjesmelker die het zootje uitbuitte, is gesloopt. Er is veel te veel gesloopt in Dordt, ik kan er eindeloos over jeremiëren, al krijg je het moois dat verwoest is nooit meer terug, maar dat het blok waarvan mijn geboortehuis onderdeel uitmaakte is afgebroken en vervangen door niet eens zo lelijke nieuwbouw, is eigenlijk wel terecht. Klagen over het saneringsplan uit de vorige eeuw is ook terecht, al was het alleen al om de gemeentelijk overheden scherp te houden en te zorgen dat zoiets nooit meer gebeurt. Dat ik daar allerminst gerust op ben, bewijst de gang van zaken rond de monsterlijk hoog wordende 'Johan van Beverwijck' aan de Spuiboulevard.

Er was in die prebadkamerlijke periode wel een badhuis bij ons in de buurt, maar daar gingen we nooit heen. Ik weet niet of mijn ouders het daar te onhygiënisch vonden (stel je voor dat je na vrouw Kaanis was, die altijd met een druppel aan haar neus liep), of te duur. Ik heb het nooit gevraagd en ik vond die teil wel prima. Geen gedoe in klamme kleedhokjes, gladde vloeren van de zeep en haren van een ander in de badcel. En één keer in de week was ook wel lekker. Geen dagelijks, tijdrovend gedoe onder een douche. Dat is alleen maar slecht voor het milieu. Hoewel, zolang we met de jaarwisseling een hoeveelheid vuil de lucht in blazen waar duizenden dieselauto's een jaar lang voor door het land kunnen scheuren, moeten ze mij niet meer aan mijn kop zeuren over het milieu.

Foto: archief auteur

woensdag, januari 02, 2019

Krankjorum kutvolk



Omdat ik op de laatste zondag van 2018 een ongelukje had met de fiets, waarbij ik mijn kop schaafde, zag ik er tijdens de jaarwisseling uit als het prototype van een hooligan. Het meisje dat de schuld van het ongelukje had, schrok hevig, maar ik weet niet of dat kwam doordat haar Facebookchat, altijd gezellig op de fiets, onverwacht werd onderbroken of van mijn aangezicht. Het was een beleefd meisje, ze reed niet eens door, maar dat maakt van een onverantwoordelijke puber nog niet direct een slimme meid. 

Ik besloot de jaarwisseling thuis te blijven. Met zo'n gehavende kop de oorlog in, die iedere jaarwisseling om middernacht uitbreekt, trekt alleen maar narigheid aan en narigheid is er op die avond al volop, daar zorgt de zo geroemde Nederlandse traditie wel voor. We hebben onszelf dit jaar weer eens fijn laten gelden. Vier doden, waarvan twee door vuurwerk en twee door schietpartijen. Of die laatste twee mogen meetellen, weet ik niet. Fijn dat die 15 tot 20 miljoen euro schade wel volop meetelt. Er was weer een respectabel aantal gewonden, dus volop werk voor de ziekenhuizen, en er zijn gelukkig weer meer hulpverleners met vuurwerk bestookt dan vorig jaar, zodat er veel te lachen viel. Als het niet een beetje van alle tijden was, zou je denken dat we een volkomen krankjorum kutvolk zijn, een zootje onbeschaafde, starnakeldronken, gewelddadige pyromanen.

In de jongste aflevering van het blad van de vereniging oud-Dordrecht, 26e jaargang nummer 3, staat een vermakelijk artikel door Kees Sigmond over sport en spel in 15e-eeuws Dordrecht. Ook toen kon de jeugd er wat van. Stenen gooien naar schoolkinderen, vernielingen aanrichten, boogschieten, kaatsen en klootschieten waar het niet mocht en ongetwijfeld nog meer kattenkwaad, dat buiten de annalen is gebleven. 

Kort na de jaarwisseling belden vrienden, of ik nog even wat kwam drinken. Ze hadden een horde pubervrienden van zoonlief in huis. Die waren volop aan het feesten. Ik dacht: ze hebben een oud-leraar nodig om de boel een beetje in toom te houden. Aangekomen trof ik een gezelschap jongens en meisjes van rond de zeventien. Ze waren gezellig aan het kletsen, dronken nauwelijks bier of wijn (ook al zijn mijn vrienden niet van het zanikende type), maar wel veel water, luisterden naar Jimi Hendrix en gingen netjes naar het balkon voor een peuk. Aan vuurwerk deden ze niet en ze zeiden allemaal, 'meneer' tegen me, ondanks die kop vol schaafwonden en een brilhematoom. Om half twee vertrokken ze naar een feest in Bibelot, dat nog wel even. 'Dat is in het Energiehuis, meneer,' zei een aandoenlijke gymnasiaste. Ik heb haar niet verteld dat ik al in Bibelot feestte voor haar ouders werden geboren, maar ik hoop wel dat ze haar telefoon onderweg in haar tas heeft gelaten.

Foto: auteur