zondag, april 26, 2015

Rupert Brooke (1887-1915)




Mijn plaats in het vliegtuig van Athene naar Skyros is aan het gangpad. Die verruil ik met een Engels sprekende man, zodat hij naast zijn vrouw kan zitten. Hij bedankt vriendelijk. Verder spreken wij niet met elkaar. Het toestel, een bescheiden propellervliegtuig, is opmerkelijk vol. Ik hoor veel Engels. Er wordt, als we landen op de airstrip van Skyros, niet geapplaudisseerd. In een toestel met overwegend Grieken gebeurt dat meestal wel. Ik vind het een zielige gewoonte, zoals het slaan van kruisjes bij het opstijgen of in de bus, als een kerk wordt gepasseerd.  

De volgende morgen sta ik in een kleine olijfgaarde, die als een oase in een steenwoestijn ligt. Daar, in het rotsige zuiden van Skyros, niet ver van de marinebasis aan de baai van Tris Boukes, ligt het graf van Rupert Brooke, de talentvolle Engelse dichter, die als een held uit de Ilias op weg was naar de strijd om Troye. In dit geval de Dardanellen. Een insectenbeet werd de dichter, die toch al in wankele gezondheid verkeerde en tegen het advies van zijn commandant scheep was gegaan, fataal. Er ontwikkelde zich een bloedvergiftiging waaraan hij overleed. Dat was op 23 april 1915. Wij staan bij zijn graf om zijn honderdste sterfdag te herdenken.

Een Anglicaanse predikant houdt een toespraak die over verzoening gaat, de Britse ambassadeur spreekt mooie woorden over de dichter, wiens talent te vroeg werd gesmoord. De Griekse luchtmacht heeft voor een erewacht gezorgd. De meeste Skyrianen die gekomen zijn kunnen het Engels niet volgen. Voor een aantal marine- en luchtmachtofficieren wordt vertaald, hoewel die dat, dunkt me, juist niet nodig hebben. Een beeldschone, vrouwelijke onderofficier filmt. Een marinier blaast de Last Post. Het klinkt ontroerend. Er worden kransen gelegd. Ook door mijn buurman uit het vliegtuig. Hij blijkt getransformeerd tot Amerikaans generaal. Ik denk aan de vrienden van Brooke, die hem hier begroeven en die enkele dagen later bijna allemaal door Turkse granaten uiteen werden gereten.


Foto: auteur


zondag, april 19, 2015

Er was een tijd...




Er was een tijd... Ik heb dat altijd een mooie aanhef gevonden vanwege de lichte weemoed die eruit spreekt. Vier woorden die een stemming bepalen. Er was een tijd dat het plantsoen waarop ik uitkijk nog een braakliggend terrein was, met aan de rand een paal van het elektriciteitsbedrijf. Er was een tijd dat de melkboer uit Pyleia nog met paard en wagen de ronde deed. Dat paard zette hij dan vast aan die paal.

Er was een tijd dat we een stukje van de baai konden zien en daar achter, soms, de Olympus. Er was een tijd dat huizen ons niet het zicht benamen en een tijd dat in het voorjaar de zon iedere dag scheen. Er was een tijd dat we geloofden dat godsdienstoorlogen alleen voorkwamen in duistere en achterlijke eeuwen. Er was een tijd dat wij, zij het kort, dachten dat make love not war de wereld zou veranderen. Dat wij liepen op sandalen en de meisjes onbevangen hun blote borsten toonden, met bloemen in hun haar.

Er was een tijd dat wij meenden dat tijd tijdloos was en dat de generatie na ons gelukkig en zorgeloos zou leven.

Er was een tijd dat jij en ik elkaar nog niet kenden en daarna een tijd dat jij nog niet dood en een herinnering zou zijn.


Foto: auteur


dinsdag, april 14, 2015

Hibernia (2)




Werkend aan een nieuw deel van mijn literair dagboek, stuitte ik op de notities van mijn reis door Ierland, in juli/augustus 1979. Als voorproefje van het boek reizen we nog maar eens door Hibernia.

Vrijdag, 27 juli 1979:
Drumcliff (onderweg)
Zojuist het graf van W.B. Yeats bezocht. Zitten nu in Yeats' Tavern met een pint bij een jengelende jukebox. Foto's gemaakt van het graf op het schilderachtige kerkhof met uitzicht op de Ben Bulben.

Carrick (Donegal):
Achter dit plaatsje, in een wijde vallei, waardoor een beek stroomt, rijst heel indrukwekkend een donkere berg op. Het gehucht heeft één straat, waarin wij logeren, boven een kleine, wat vervallen ogende kroeg. Het is 'carnaval' in Carrick, een soort muziek- en dansfestival, dat vanavond begint.

Zaterdag, 28 juli:
Carrick
In de pub beneden een oudere dame gesproken die Roland Holst ('your prime poet') heeft gekend en vertelde dat hij ooit boven dit kroegje logeerde. Ze zong heel mooi enkele liederen op teksten van Yeats. We kwamen ook te spreken met een dikke, baardige Engelsman uit Leicester. Over middeleeuwse geschiedenis en manuscripten, maar het werd niet duidelijk of hij historicus was of antiquair. Later was er levende muziek in The Bridge Bar, waar een accordeonist en een violist optraden. Deze keer waren er aardige Duitsers, die niet schreeuwden of zongen, maar een rondedansje deden.

Vandaag een tocht gemaakt door de bergen boven Carrick. Langs de kust steile stukken, maar prachtige vergezichten. Gegeten in het Glen Bay Hotel en daarna naar de grotten van Maghera gereden, door de oceaan in de bergwand uitgeschuurd. Onderweg stopten we bij een waterval. Thijs en Herbert klommen naar de top. Ik durfde dat niet vanwege mijn hoogtevrees en toen is Marion ook maar beneden gebleven. Bij de grotten raakten we verzeild in een vervelende concurrentiestrijd om de klandizie tussen twee families. De ene vertegenwoordigd door een onfris ogende, oudere kerel, de andere door een lief, blozend meisje van een jaar of tien. Tenslotte bij geen van beiden in de boot gestapt.

Zondag, 29 juli:
Sligo (onderweg). We lunchen in een armzalig restaurant dat met enige vertwijfelde trots de naam Steakhouse voert. Onderweg hadden we opnieuw geluk: we konden zonder bonnen een volle tank benzine krijgen. Wel moesten we de dubbele prijs betalen.

Maandag, 30 juli:
Ballina
Een somber, weinig inspirerend gat, waaruit ik liever vandaag vertrek dan morgen. Herbert en Thijs denken daar anders over en omdat ik niet altijd mijn zin kan krijgen, logeren we hier nog twee dagen. Gisteren wel grandioos gegeten in The Swiss Barn, vier kilometer verderop, in een vrijwel verlaten en tot ruïnes vervallen gehucht, een mijl of wat van de hoofdweg. Voortreffelijk eten en een perfecte bediening door de Zwitserse eigenaar-kok en zijn Ierse vrouw. Het was beter dan Bellevue en goddank had het menu niets Iers, behalve een heerlijke Irish coffee. We waren de enige gasten. De eigenaar, Daniël Veillard, vertrouwde de slagroom niet helemaal en reed op zijn brommer speciaal naar Ballina om verse te halen. We gaan het aanbevelen bij The Good Food Guide. Veillard heeft een van de ruïnes gekocht en eigenhandig opgebouwd. Van buiten lijkt het nog op een bouwvallige schuur, maar als je binnenstapt kom je in een on-Iers, charmant eethuis.

We liepen zojuist bij toeval een kleine pub binnen, waar een stokoude baas accordeon speelde. We werden als oude bekenden begroet door een man die ons gisteren had gezien in de danshal, waar we na het eten terecht waren gekomen. De mensen zijn in het algemeen buitengewoon vriendelijk. Dat valt extra op als je normaal met gereserveerde, wantrouwende Dordtenaren van doen hebt. Na een minuut of tien kwam er een bejaard omaatje binnen, dat haar boodschappentas neerzette, aan de bar een stevige whisky naar binnen sloeg en daarna met een onverstoorbaar gezicht een dansje maakte. Daarna vertrok ze, helaas met de accordeonist, die kennelijk haar man was.

Woensdag, 1 augustus:
Belmullet
Zitten nu in een van de westelijkste streken van het land, op een laag glooiend schiereiland, dat net met een smal strookje land aan de rest van Ierland vastzit.

In de lounge van het hotel kennisgemaakt met David Byrne, een Ierse professor in de taalwetenschap, die doceert aan de universiteit van Quatar. Een dichter ook en fotograaf. Hij heeft geprobeerd het fototoestel van Thijs te maken, waarvan het sluitermechanisme blokkeert, een bekend euvel van Zenithcamera's. Tot sluitingstijd zitten praten, ondermeer over de oorsprong van de Keltische talen en over poëzie. Een man met veel gevoel voor humor en vol puntige opmerkingen en anekdotes.

Het is soms nog net de negentiende eeuw. Herbert heeft met veel moeite, via een ouderwetse zwengeltelefoon, die hier nog in gebruik is, naar Nederland gebeld, om te vertellen dat alles goed gaat. Zijn moeder belt dat weer door naar de Cornelis de Wittstraat.

Donderdag, 2 augustus:
Clifden
Weer een rit door een prachtig landschap. Onderweg het nonnenklooster van Kylemore bezocht. Het gebouw mochten we niet in, maar we konden wel door het park wandelen. Marion als heilige maagd gefotografeerd in een kapel, met een 400 asa film, maar misschien was er toch te weinig licht, want Hij zal het vast afkeuren.

Op zoek geweest naar een 'Kees Buddingh'-hoed', maar niets in mijn maat gevonden.

Vrijdag, 3 augustus:
Clifden
Een rit gemaakt door het ruige landschap van Connemara en een flinke wandeling gemaakt bij Dog's Bay. Een dolfijn gefotografeerd, of wat er van over was, die waarschijnlijk in een storm op de rotsen is geworpen. Veel konijnenholen gezien en enkele hazen op de vlucht. Het leek op Elfenland.

Afgesproken dat Herbert gedurende de laatste week de gezamenlijke pot beheert en ik het grootste deel van het rijden voor mijn rekening neem.

Zondag, 5 augustus:
Limerick
Zelden zoveel slecht gerestaureerde meubels gezien als in Bunratty Castle. Ook de wandkleden verkeerden in zeer slechte staat, hoewel de rest van dit veertiende eeuwse kasteel degelijk opgeknapt lijkt.

Gisteravond zijn we naar de windhondenraces geweest. Leuk om een keer te zien. Vooral het tumult bij de onofficiële bookmakers, net voor het begin van een race. En dan dat elektrieke konijn op rails!

Kocht in Bunratty Castle een boekje van de Limerick Poetry Circle. Las mooie gedichten. Jammer dat er geen adres wordt vermeld. Ik wil er misschien wel een paar vertalen voor de Herman.

Maandag, 6 augustus:
Tralee
Thijs is vandaag een beetje bokkig. Heeft last van ontwenningsverschijnselen. Het gebrek aan goede koffie begint zich te wreken.

Dinsdag, 7 augustus:
Tralee
Een prachtige rondrit gemaakt over het schiereiland van Dingle, door de indrukwekkende Connor Pass. Foto's gemaakt van een meisje dat bij een waterval haar kleren waste. We wilden enkele prehistorisch 'beehive huts' bekijken, maar de plaatselijke boer vroeg 28 pennies toegang per persoon. Dat vonden we iets te veel. In Dingle, veel leuker plaatsje dan Tralee, werd in de pub muziek gemaakt en gezongen. Heel gezellig.

Woensdag, 8 augustus:
Killarney
Hoewel we gisteren een leuke avond hadden met zang en drank, is Killarney iets te druk voor het mooi, iets te veel toeristen.

Het is voor Marion een beetje een pech-vakantie. Haar cassetterecorder is kapot gegaan, voor de tweede keer is de film in haar camera gebroken en ze heeft vaak last van haar rug, door de veel te zachte bedden.

De dag is mooi begonnen, maar na de middag is het vreselijk gaan regenen. Desondanks met Marion een uur gewandeld. Buiten het stadje een weggetje genomen dat naar een bos leidde. Helaas stuitten we aan de andere kant daarvan op een waterzuiveringsinstallatie.

We hadden wat problemen om logies te vinden. De kamers die we vooruit hadden geboekt, bleken al verhuurd. Niemand had ons verteld dat we onze komst een dag van tevoren hadden moeten bevestigen. Na wat zoeken kamers gevonden in een pension dat St. Joseph heet en door nonnen wordt bestierd.

Donderdag, 9 augustus:
Cork
Terug op Greystones. Tijdens de rit van Killarney naar Cork bij zitten komen van een kater, de enige van deze vakantie. Gisteravond ontmoetten we bij een sing-song in The Red Shadow (slechte band, chagrijnige kroegbaas) een Zweeds stel waarmee we iets te gezellig hebben geborreld. De zon schijnt, in tegenstelling tot gisteren, toen het aanhoudend goot. We hebben nog wel een ritje gemaakt met paard en wagen, maar door de regen was er weinig aan.


Foto: auteur


zondag, april 12, 2015

Hibernia (1)




Werkend aan een nieuw deel van mijn literair dagboek, stuitte ik op de notities van mijn reis door Ierland, in juli/augustus 1979, samen met mijn vriendin Marion en twee vrienden. Als voorproefje van het boek reizen we nog maar eens door Hibernia.

Vrijdag, 20 juli 1979:
Cork
Om tien over twaalf zette ik mijn eerste voet op Ierse bodem. Na de huurauto, een gloednieuwe Ford Escort, in ontvangst te hebben genomen naar Cork gereden, een rommelige, vuile stad. We logeren in het gehucht Douglas, drie mijl buiten Cork, op Greystones. Prachtig gelegen natuurstenen landhuis, waar we de nacht voor onze terugreis weer zullen verblijven. Door de vage aanwijzingen van de Tourist Information hadden we nogal wat moeite om het te vinden.

Er lopen twee prachtige dochters rond op Greystones. Naar men zegt een uitzondering, want er zouden in Ierland weinig knappe meisjes zijn. We zijn net terug van de pub, beneden aan de heuvel. Marion leest nog wat op bed, ik ga baden. Boven, bij Herbert en Thijs, is het al heel stil.

Zondag, 22 juli:
Dublin
Net terug van een wandeling over de kliffen van Howth, aan de overzijde van de baai. Het is nevelig weer. Jammer, anders hadden we een mooi uitzicht op de stad gehad.

Het gaat zoals op iedere reis: ik doe een veelheid aan indrukken op, die ik nauwelijks op papier kan krijgen. Dat gaat me weken kosten. Ik heb een 'slow working' mind, ik reageer daardoor vaak secundair. Daarom maak ik korte notities, die ik later nog eens hoop uit te werken.

Tijdens de rit van Cork naar Dublin viel op hoe roekeloos er wordt gereden. Inhalen, bijvoorbeeld, doe je niet als het kan, maar als je daar zin in hebt. Het is niet erg druk op de wegen, anders zou het doden regenen.

Dublin heeft veel weg van Edinburgh. Herbert noemt het een Parijs-Brussel-verhouding. De straten zijn erg smerig, te vergelijken met het Scheffersplein direct na het opbreken van de markt. Ook in Cork zag je overal straatvuil liggen. Misschien een van de weinige verschillen met Engeland, want voor de rest heeft Thijs gelijk, die zegt dat de Ieren, na hun onafhankelijkheidsstrijd, niet wisten hoe gauw ze de gewoonten van de Engelsen moesten overnemen, zoals de belachelijke sluitingstijden in de horeca en de kommervolle eetgewoonten. Wat we tot nu toe hebben gezien van Ierland lijkt een armoedige kopie van Engeland.

We logeren in een stille buitenwijk, Clontarf, vanwaar we in tien minuten met de bus in het centrum zijn. De landlady is een praatgraag type, in tegenstelling tot die van Greystones. Die liet zich zelfs niet zien, we werden daar bediend door de lieftallige dochters, die wat zwijgzaam waren.

Gisteren gegeten in een zaak die Old Kentucky heet. We hadden het moeten weten, met zo'n naam. Vies vet voer en de helft van de gerechten op de kaart niet in voorraad. We hebben The Good Food Guide bij ons, daaruit kiezen we vanavond een restaurant. Daarna gaan we naar de bioscoop, de nieuwste James Bond-film (Moonraker) zien.

Marion en Thijs hebben, in een oud winkeltje met religieuze boekjes en heiligenbeelden, elk een Maagd Maria gekocht. In zo'n glas waarin het gaat sneeuwen als je het schudt. Relikitsch te over in Dublin. Het wemelt op straat ook van de paters en de nonnen. Het is maar goed dat Marion aan de pil is, want condooms zijn streng verboden.

Maandag, 23 juli:
Dublin
Motregen. Kou. Herbert is met de zoon van de landlady op zoek naar benzine. Door een havenstaking is die moeilijk te krijgen, zeker voor buitenlanders.

Dinsdag, 24 juli:
Dublin
Het vertrek een dag uitgesteld, vanwege de benzineschaarste. Vanmorgen lukte het om vijf gallons te bemachtigen, met een benzinebon van de Tourist Information. We weten inmiddels ook waarom het zo'n troep op straat is. De vuilnismannen staken en als het even wil, beginnen de postbodes aan een stiptheidsactie. Ook weer net Engeland dus.

Gisteren de National Gallery bezocht. Waarschijnlijk het enige museum ter wereld met een patatlucht in de zalen. 's Avonds naar een concert van The Wolfe Tones geweest. Bij de ingang van het concertgebouw strenge controle. Fouillerende agenten, alle tassen open. Een echo van de strijd tussen protestanten en katholieken in het noorden. Ons laten meeslepen door het enthousiasme van het publiek en zelfs gedanst. Napraten in de pub was er niet bij: Groot-Britse sluitingstijden.

De oogst van een dagje boekwinkelen:
Joan Wyatt, A Middle Earth Album. Painting inspired by Lord of the Rings; Maurice Sheely, When the Normans came to Ireland; Nicolas Furlong, King of Leinster and the Foreigners; Arnold Bennett, Buried Alive; Joseph Conrad, Chance; George Pendle, A History of Latin America; George Holmes, Europe: Hierarchy and Revolt 1320-1450; Christopher Hill, The World turned upside down.

Tijdens het winkelen steeds opdringerige, bedelende zigeunerkinderen, gehuld in een soort dekens en soms erg agressief.

Woensdag, 25 juli:
Carrick-on-Shannon
Buiig. Binnen twee minuten een bed & breakfast gevonden boven een boekhandel, annex restaurant. Als aperitief een paar jenevertjes genomen. We zitten nu vrolijk in het restaurant voor de lunch, al stemt de inrichting eerder tot treurnis.

In een pub, The Tavern, in afwachting van de beloofde, levende muziek. Een Duitser zit veel te hard te praten. We drinken Guiness. Na de lunch een uurtje geslapen om bij te komen van eten, jenever en autorit. Onderweg onverwacht nog een paar gallon benzine kunnen tanken, zodat we voorlopig verder kunnen.

Donderdag, 26 juli:
Carrick-on-Shannon
Leuke muziek, gisteravond. Een duo, drummer (matig) en accordeonist/pianist (speelde heel goed). Jammer dat er steeds dronken Duitsers buiten voor de deur stonden te brallen en te zingen.

De menukaarten van Ierse restaurants lijken vooral te zijn gebaseerd op wishful thinking. We hebben nog nergens probleemloos à la carte kunnen bestellen. Altijd was er wel iets toevallig niet in voorraad.


(Wordt vervolgd)

Foto: auteur


maandag, april 06, 2015

Roeiboot




Holland op z'n mooist heet de tentoonstelling in het Dordrechts Museum waar ik dit schilderij van Willem Maris fotografeerde. Wat koeien, een paar eenden, zes bomen en een sloot. Wat moet je er mee? Waarom kan ik er zo lang naar kijken, steeds weer? Misschien door een verlangen naar zo'n mooie zomerdag, de warmte zindert door het canvas, met nauwelijks wolken, een zacht briesje en het gezoem van insecten dat de stilte benadrukt. Het verlangen naar een tijd die ik nooit heb meegemaakt en die nooit meer terugkomt. Naar een landschap dat mijn grootvader als jong ventje nog heeft gekend.

Het is een landschap waarin hoogspanningsmasten, woontorens, de tenenkrommende 'skyline' van steden als Rotterdam en Den Haag of de spuuglelijke windmolens van de 21e eeuw ontbreken. Bij mooi weer ga ik weleens op zoek naar zo'n landschap. Dan fiets ik over mijn eiland, of ik waag de oversteek naar de Alblasserwaard, waar ik lang geleden bij mooi weer met mijn vader op de Graafstroom ging vissen. Pa huurde dan een roeiboot, die we ergens in het riet legden. Visserslatijn spraken we niet. Omdat hij niet zo handig was ging zijn lijn steevast in de war of verloor hij zijn dobber. Hij had het vaak niet in de gaten als een vis aan zijn aas knabbelde. Een heel enkele keer werd er een voorn gevangen of een brasem. Die moest ik dan voor hem van de haak halen, anders leed de vis, die altijd weer werd teruggezet, te veel.

Ik stel mij het paradijs voor als die uren in het riet, dat zacht wuivend, zoals het hoort, het zicht benam op alle lelijkheid die de mens de afgelopen honderd jaar het landschap heeft ingerommeld. Dat paradijs is verdwenen, daar zorgen speedboten en waterscooters wel voor. Het landschap waarnaar ik als onverbeterlijk romanticus op zoek ga, zal ik niet vinden, tenzij ik op pad ga in streken die mij veel te veraf zijn. Daarom ga ik nu en dan een uurtje naar een schilderij als van Willem Maris kijken. Dan zie ik mijn vader weer, met dat kleine ventje en die hengel, klunzig manoeuvreren met een roeiboot.


vrijdag, april 03, 2015

Mevrouw O.




Mevrouw O. zat op iedere bijeenkomst bij de ingang van de zaal, voorzien van een notitieboekje en een pen. Zij turfde het aantal aanwezigen. Zij werden onderdeel van een patroon van verticale en schuine strepen, steeds van linksonder naar rechtsboven. Ook bij weinig streepjes sprak de voorzitter van een overweldigende opkomst.

Warnaar moet aan dit tafereel denken als hij plaatsneemt in het café. Direct naast de ingang, vanwaar café en terras goed zijn te overzien. Het is een schrale dag, het stormt, er schijnt een waterige zon. Toch zitten er mensen op het nauwelijks beschutte terras. Hij vindt dat iets dwangmatigs hebben. Dat buiten moeten zitten als er maar iets van zon is, ook al is de temperatuur nog winters. Hij heeft ook de eerste zwakzinnige man in korte broek al gezien.

Mevrouw O. achter haar tafeltje. Ze was berucht in kringen van het Genootschap van de Grote Schrijver, vanwege haar weergaloze kennis van de feiten uit Zijn leven en werk. Tot de triviaalste toe. Soms werd iemand bestraffend toegesproken of gehoond omdat Zijn schoenmaat niet kon worden opgehoest of de favoriete kleur Zijner sokken. Mevrouw O. maakte lange wandelingen met haar echtgenoot, een advocaat in ruste met roze babywangen, omdat de Grote Schrijver in Zijn tijd een bezeten wandelaar was.

Op een dag bleek mevrouw O. overleden. Ik heb haar nooit gevraagd of Hij ook een liefhebber van terrassen was, bedacht Warnaar. Je werd geacht zulke vragen niet aan mevrouw O. te stellen.


Foto: auteur



donderdag, maart 26, 2015

Bos guien




Regelmatig ging ik met vrienden een weekeinde naar Parijs. Meestal met de trein, een enkele keer met iemands auto. Wanneer de eerste keer was, weet ik niet precies. Ik denk in 1972. In ieder geval enkele jaren voordat ik met mijn dagboek begon. Dat was in augustus 1975, op de dag van de grote blokkade die ontevreden schippers in de Oude Maas legden, tussen Dordrecht en Zwijndrecht.

In dat jaar was ik getrouwd met Annemarie, een schippersdochter. Daarom was ik solidair. Dat was ik ook omdat mijn in 1966 gestorven grootvader van moeders kant ooit schipper was. Zijn Rijnpatent moet nog ergens in mijn archief liggen. Na de Eerste Wereldoorlog, waarbij opa als afschrikwekkend middel werd ingezet langs de Duitse grens, ging hij naar de grote vaart. Eerst bij de Holland-Amerika Lijn, daarna bij de Stoomvaartmaatschappij Zeeland. Op en neer van Hoek van Holland naar Harwich. Bij het spoor, waar mijn andere opa werkte, noemen ze dat een rondje om de kerk. Toen zijn vijfde kind werd geboren, in 1925, hield mijn grootmoeder hem definitief aan wal.

Geen van mijn grootvaders heeft ooit Parijs bezocht. Ik des te meer. Aanleiding was altijd een of andere aansprekende tentoonstelling. In het Grand Palais of het Jeu de Paume. Dat leverde een extra bijdrage van mijn ouders op, tot in augustus 1974, een jaar voor ik aan mijn dagboek begon, mijn eerste salaris als onderwijzer op mijn rekening werd gestort. In de tijd dat ik voor schoolmeester leerde, leende ik het grootste deel van de reissom altijd van een vriend die bij een bank werkte. Tegen de tijd dat ik het bedrag had terugbetaald, waren we toe aan de lening voor het volgende uitje.

In Parijs trokken de meisjes evenzeer onze aandacht als de kunst. Stond er een gigantische rij voor de ingang van een expositie, dan kochten we bij een boekhandel de catalogus en zochten daarna een terras. Daar werd de aandacht verdeeld tussen die catalogus en de passanten. Soms mompelden we, als een aantrekkelijk meisje langskwam: 'Daar word je zo eil van als een bos guien.' Nu klinkt dat banaal, toen dachten we dat het de kwinkslag van de eeuw was. We bleven zo lang mogelijk zitten op een enkele consumptie, om een paar franken te besparen. Om diezelfde reden logeerden we aanvankelijk in een spotgoedkoop hotel. Daar was 's nachts veel verkeer in het trappenhuis, maar waarom, daar kwamen wij jongens uit de Hollandse provincie pas achter toen een correspondentievriendinnetje uit Ivry-sur-Seine mij op een middag opzocht. Zij begreep de melding op een bord bij de ingang wel, ook al werden wij geacht zo eil als een bos guien te zijn.

Afbeelding: Henri de Toulouse-Lautrec (1892)


maandag, maart 23, 2015

Bloem


   Dante Gabriel Rossetti - Lady Lilith

'Noem mij maar Bloem.' Ze tikt met haar glas wijn even het mijne aan. Bloem. Ze staat in een groepje vage bekenden, waarbij ik mij tijdens de boekpresentatie van een collega heb aangesloten. Vrienden uit wat ze buiten deze provinciestad 'the inner circle' noemen, zie je zelden op dit soort bijeenkomsten. Bloem. Groene ogen, weelderig rood haar, een welgevormde, uitdagende boezem en een huid nog blanker dan de mijne. Ik houd mijzelf al jaren uit zon. Van nature ben ik ook iemand die vanuit de coulissen roept. Daarom werk ik liever voor de radio dan voor de televisie.

Bloem doet mij denken aan een meisje dat ik een keer op een tuinfeest ontmoette. Een klasgenootje van mijn jongste neef. Hetzelfde betoverende haar, dezelfde ogen, dezelfde smetteloos ivoren huid. Ze heette Veronique. Ik was mateloos in haar ban. Mijn verlegen-ik en mijn wellustige-ik raakten verwikkeld in een verlammend duel. Tot Veronique doortastend ingreep. Ze leidde mij naar het diepst van de tuin, waar zij mij inwijdde in de magie van het tongen.  

Ik haal wijn voor Bloem en mijzelf. Het is druk. Iemand stoot haar per ongeluk aan. Ze doet een stap naderbij, zoekt haar balans. Haar vrije hand strijkt even over mijn rug. 'Het is wel erg druk hier, zullen we even naar het café aan de overkant?' Buiten glijdt haar arm op natuurlijke wijze in de mijne. Anderhalf uur later zit ik met Veronique's dochter in een restaurant.


zaterdag, maart 21, 2015

Voetjevrijen




Tijdens onze woestijnexcursie stopten we kort in El Hamma. De keuze was thee, cola of water. Het was warm, erg warm. De bus had geen luchtkoeling. Door de open ramen kwam volop woestijnstof. Je moest er iets voor over hebben om het zoutmeer te zien. In het toilet, zo'n hangplee, dreven de drollen dapper rond. Buiten was geen boom te zien. Ik liep een eind de woestijn in om te wateren. Druppels op een gloeiende plaat.

Wij overnachtten in een oase met beek. In het Saharahotel, wat bedoeïenententen met een muur er omheen. Middenin stond een hok waarop Douche et toilet. De douche gaf op volle kracht een onbetekenend straaltje. Water om door te spoelen moest je halen bij de beek. Daar speelden kinderen die begonnen steentjes te gooien. Tot de hotelbaas hen wegjoeg. 's Avonds liep hij een blauwtje bij een Zweedse studente. Het stenen gooien werd 's morgens, na een ritje op een dromedaris, enthousiast hervat.

Later die dag dronken we thee bij een Berberfamilie in een grotwoning. Het was er koel. We zagen een televisie, een koelkast en een jaren vijftig bankstel. De oma van het gezin wilde tegen betaling wel op de foto, maar mijn filmrolletje was vol. Op de terugweg naar Sousse vree ik voetje met een Duits meisje, terwijl haar vriendje sliep.

Foto: archief auteur


donderdag, maart 19, 2015

Meidoorn II




Op een nevelige oktobermorgen rijden we met de Opel Ascona naar de kust. We gaan een week wonen in een huisje dat Meidoorn II heet. Op een vakantiekamp. We halen de sleutel bij de beheerder en laden voorraden drank en eten uit. Ik haal houtblokken, die naast het kantoortje liggen opgestapeld. Een boswachterij, dat zegt een bord, scheidt ons van duinen en strand.

Meidoorn II is ruim. We proberen alle bedden uit voor we er een kiezen. Daarna lopen we over herfstbladeren door het zacht druipende bos. Tegen de avond verandert de nevel in mist die alle geluiden dempt. In de duinen is geen zee te horen. De volgende dag schijnt de zon waterig door de wolken. Op het strand bouwen we een zandkasteel, zoals vroeger, in lange, voorbije zomers.

Het is stil op het kamp. Verderop huist een Belgisch gezin met twee kleuters. Nog verder twee vrouwen op leeftijd, vast al dertig, in tuinbroeken. Tussen broek en tieten steekt een pakje zware shag. Ze lopen altijd hand in hand. Als we hen tegenkomen, beeld ik mij in dat ze geil naar je kijken. Overdag wandelen we uren door het bos en over het strand. 's Avonds steken we de open haard aan. Daarna kleed ik je voorzichtig uit en mag de warme gloed met je meisjeslichaam spelen.

Foto: auteur


dinsdag, maart 17, 2015

Pottenkade




De Pottenkade is een van de meest romantische plekjes van Dordrecht. Dat begrepen niet alleen de makers van de film over Michiel Adriaanszoon de Ruyter. Vandaag is alweer een cameraploeg aan de gang. Het gaat om foto's, niet om bewegende beelden. Een luchtig geklede dame neemt enkele aantrekkelijke poses aan. De zon schijnt, maar het is te fris om ongeschonden uit de strijd te komen. Ik hoop dat het model vanavond niet al te veel moet snotteren.

Op een andere, zonnige voorjaarsmiddag liep ik met Marion over de Pottenkade. We zwierven graag langs de romantische plekjes van Dordt. Ver van huis hoefden we niet. Wij woonden op de Waag, waar we het genot hadden van een lavet, een soort betonnen bak op borsthoogte, waar je in moest klimmen om te douchen. Met zijn tweeën was het een hele toer er niet tijdens het spetteren uit te vallen.

Het grote voordeel van het lavet was dat je er een plank over kon leggen. De badcel was pikkedonker en had stromend water. Het was onze ideale doka. Daarom leefden we nog volledig in de tijd van de zwart-witfotografie. 

Ze poseerde ongedwongen op het steigertje, met haar stralende glimlach en haar onafscheidelijke peuk. Het steigertje is er nog steeds. De fotograaf geeft aanwijzingen. De dame ontbloot rillend haar schouders wat meer.

Foto: auteur


zondag, maart 15, 2015

Parijs (2)






Werkend aan het volgende deel van mijn literair dagboek kom ik af en toe ik in Parijs terecht. Hier deel 2 van een voorproefje uit Een zootje ongeregeld. Literair dagboek 1975 - 1978, dat, als alles loopt zoals bedoeld, in 2016 zal verschijnen.


Vrijdag, 5 mei:
Parijs
Een rustige, zonnige vierde mei. Naar het Bois de Boulogne gegaan. Langdurige lunch in de Jardin d' Acclimation, vooral door de beroerde bediening. Herbert's geduld, waarvan hij niet zoveel heeft, werd zwaar op de proef gesteld. De kwaliteit van het eten was ook matig. Herbert heeft de rest van de middag lopen foeteren. Had last van de vette rijst en voelde zich nog steeds hongerig. Peter mopperde omdat ze geen bier hadden. Het was overvol in het Bois, daarom al spoedig via de Boulevard Henri Martin naar Trocadero gewandeld en vandaar, na een pauze op een terras, naar het Quartier Latin gegaan. We zaten net op een schilderachtig pleintje, toen met veel misbaar drie ambulances, een brandweerwagen en een bus vol agenten arriveerden. In een van de omliggende straatjes was iets mis, maar wat, daar konden we niet achter komen. Na een minuut of tien vertrok het hele spul weer.

Er hing sowieso een gespannen sfeer. Oproerpolitie met karabijnen, een eng gezicht. Het leek wel een bezette stad. Een rij gepantserde bussen op de Rue Danton, mannen met geweren in de omliggende straten. Om de paar minuten wagens met sirenes en zwaailichten. Op een terras Grieks gegeten. Smaakte goed, maar ik voelde mij voortdurend op mijn vingers gekeken door die drommen voorbijgangers. Iemand riep 'hallo!'. Het was Damiët van Dalsum (voorheen De Caluwé) met een vriendje.

Vandaag staan het Louvre en het Jeu de Paume op het programma. Het moet maar. In het Louvre verdrink ik in de overdaad, de enorme hoeveelheid van wat er te zien is. Het Jeu de Paume vind ik een fijn, overzichtelijk museum, met een fascinerende collectie. Ik sjok vandaag weer eens ouderwets achter Herbert aan. Als je die niet remt rent hij onvermoeibaar alle bezienswaardigheden van Parijs af. Vandaag mag het een keer. Mijn voet voel ik bijna niet meer. Een kwestie van gewoon doorlopen en er zo weinig mogelijk aan denken.

Zaterdag, 6 mei:
Parijs.
Vanavond om kwart voor zes vanavond nemen we de T.E.E. Het is hetzelfde sombere regenweer als toen we aankwamen. Gisteravond ergens op de Boulevard St. German Frans gegeten. Vroeg terug gewandeld naar het hotel. Een mooie avond na een natte dag. We lopen zoveel mogelijk om de gemakkelijke, maar benauwde metro een beetje te mijden. Onderweg koffie op de Avenue de l' Opera. Op de hotelkamer hadden we nog drie blikjes bier. Die opgedronken met uitzicht op het station St. Lazare. Het gelegenheidsgedicht voorgelezen, dat ik eergisteren maakte. Peter las wat aantekeningen voor over de eerste vier dagen. Een aardige afsluiting van de week. Slecht geslapen door het verkeer.

Gisteren zijn de plannen wat anders gelopen. Door de drukte zijn we noch in het Louvre, noch in het Jeu de Paume geweest. Alleen Peter kon de moed opbrengen in de eindeloze rij voor het Louvre te gaan staan. Wij zijn ondertussen naar de tentoonstelling van Gino Conti geweest, in een galerie in de Rue St. Honoré nummer 42. Zijn objecten zeiden me weinig, maar er hing een aantal bijzonder mooie schilderijen. Het leek alsof de Mediterrane zon er vanaf straalde. Bij een boekhandel op de hoek van de straat La vie devant soi gekocht voor Thijs. Een hardback voor slechts 24 franc.

Lunch in de Rue de Rivoli, bediend door een ober met een hondenkop, die zich vreselijk druk maakte, half naar de bestelling luisterde, waardoor ik alleen ham op de omelet kreeg, geen kaas, en die nog bleek te blaffen ook. Bij het afrekenen wilde hij ons ook de bon van een vorige klant laten betalen. Dat moet je bij Herbert niet proberen. Hij kreeg de volle laag, verbaal uiteraard, waarna hij hoofdschuddend afdroop. Daarna wilde de heer Bos nog naar het Grand Palais. Gerrit en ik hadden daar de energie niet meer voor. We hebben bij de Deux Magots op de heren gewacht en zijn daarna verkast naar café Flore. Beide zaken misbruiken hun faam door exorbitante prijzen te vragen. Vier gulden voor een kop koffie! In de kroegen achter de boulevard betaal je maar een derde van de prijs, soms nog minder, als je aan de bar gaat staan.

Dordrecht:
Zojuist teruggekeerd in een volslagen uitgestorven Dordt. De laatste uren in Parijs door de aanhoudende regen wat verveeld doorgebracht. Gerrit en ik sliepen uit, Peter en Herbert stonden vroeg op om nogmaals een poging te wagen het Jeu de Paume te bezoeken. Om elf uur ontbeten bij Dupont, daarna de bagage naar het Gare du Nord gebracht. Besloten koffie te gaan drinken bij de Boulevard St, Michel. Op station Palais Royal stapten Herbert en Peter in, nog wel op hetzelfde balkon waar wij stonden! Na de koffie uitgebreide lunch bij 'onze' Vietnamees. Daarna wat futloos rondgehangen in een brasserie nabij het Gare du Nord. Goed gegeten in de T.E.E. Het was niet eens buitensporig duur. Op het ogenblik dat de trein Parijs uitreed hield het op met regenen. In Roosendaal overgestapt op een stoptrein voor het laatste stuk. In Dordt met een taxi naar huis, ik had geen zin in al die doodse straten.

Foto: archief auteur


zaterdag, maart 14, 2015

Parijs (1)




Werkend aan het volgende deel van mijn literair dagboek kom ik af en toe ik in Parijs terecht. Hier deel 1 van een voorproefje uit Een zootje ongeregeld. Literair dagboek 1975 - 1978, dat, als alles loopt zoals bedoeld, in 2016 zal verschijnen.

Zondag, 30 april 1978:
Parijs
De week slecht begonnen. Zodra we in Bellevue waren gearriveerd, begon het te regenen. Een voorteken. Daarna werd ik nogal dronken, verzwikte mijn voet ernstig en kreeg ik in een restaurant een van mijn beroemde flauwtes. Ik zit nu met een rekverband van Peter om mijn voet en kan moeilijk grote afstanden lopen. De trein was stampvol, maar wij zaten comfortabel eersteklas. Met belangstelling zagen we het geruzie om een plekje in het gangpad aan. Half Nederland schijnt op reis. Toen we op een overdekt terras bij de Pont St. Michel zaten, streek hetzelfde stelletje naast ons neer dat we vorig week op het terras van Bellevue in Dordt zagen. Nog even en ik kom een paar leerlingen tegen.

We zitten dit keer prima in Bellevue. Op de eerste etage en dat is, gezien de brandpreventie van dit hotel, die geheel volgens de Franse slag is opgezet (deur nat houden en hard 'au feu' roepen), gunstig. Met een paar gebroken benen kom je er wel uit. Als ontmoetingsplaats voor het ontbijt hebben we het etablissement van Dupont gekozen, aan het einde van de Rue d' Amsterdam, de zaak van 'La Petite Tzigane.' Wie weet zien we haar weer.

Maandag, 1 mei:
Parijs
Gisteren een drukke, rommelige dag. Ontbijt bij Dupont, daarna naar de vlooienmarkt bij de Porte de Clignancourt. Zelden zo'n zootje troep bij elkaar gezien. Herbert verbaasde zich hevig, begeleid met kenmerkend 'geklapwiek,' over een mannetje dat zijn 'stand' had ingericht met slechts een vogelkooi, een paar rubberlaarzen en een koperen kraan, dat ruzie maakte met een naburige Afrikaan omdat die hem het brood uit de mond zou stoten. De markt heeft een wat duurder deel, waar echt antiek wordt verkocht. Opvallend veel vrouwelijke handelaren. Mooie meiden soms. Er waren nauwelijks handelaren in tweedehands boeken. Na de markt met de metro naar Montparnasse gegaan. Een lange en benauwde rit. Op de Boulevard de Montparnasse geluncht en de voet wat rust gegund. Daarna de lift naar de top van de Tour Montparnasse genomen. Niet zo hoog als de Eiffeltoren en een veel comfortabeler lift. Je doet er nog geen minuut over om boven te komen. Dat is wat anders dan het schommelende en krakende ding in de Eiffeltoren. Het was de moeite waard, we zagen een prachtig panorama van de stad.

Na Montparnasse via het Jardin de Luxembourg naar Café des Deux Magots, het oude schrijverscafé, gelopen. Vergane glorie, maar waar vind je in de gezapige jaren zeventig iets anders dan vergane glorie? Er was een hoempabandje op de boulevard, een zootje ongeregeld, dat er vrolijk op los toeterde. Na het eten, ergens in St. Germain, wilden we gaan kijken naar de hoeren in de Rue de Budapest. Ons in het hotel wat opgefrist en ons daarna bij Dupont moed ingedronken. Dat liep zo uit de hand, dat de rest van het plan niet is doorgegaan. Het goot weer van de regen toen we teruggingen naar Bellevue.

Dinsdag, 2 mei:
Parijs
Met de voet gaat het gelukkig aardig de goede kant op. Ik had het met Herbert over onze drankgewoonten. Tot de conclusie gekomen dat we flink op de rem moeten gaan staan, om niet als volslagen alcoholist te eindigen. Hier drink ik alleen nog maar rode wijn.

De meeste musea waren gisteren dicht. Maandag en 1 mei, dubbelop. Van die eerste mei niets gemerkt. Geen optocht of demonstratie gezien. Het was de hele dag koud en winderig. We hebben nog nooit zulk slecht weer gehad in Parijs. Het Grand Palais was wel open. Daar de Cezanne-tentoonstelling bezocht. Zijn latere werk. Misschien zijn belangrijkste periode, maar niet zijn aantrekkelijkste. Vooral de vele aquarelstudies, in lelijke pastelkleuren, neigen al te veel naar het latere, dolmakende en vervreemdende kubisme, een van de meest onesthetische stromingen die onze eeuw in haar jeugd heeft voortgebracht. Verder weinig gedaan. Wat rondgelopen: Rue St. Honoré, de tuinen van het Louvre, de Champs Elysée. Daar wat gedronken. Tenslotte via de onvermijdelijke Arc de Triomf naar St. Germain, waar we op een terras een uurtje naar verkleumde en uitgewaaide voorbijgangers hebben zitten kijken. Weer talloze mooie meisjes. 's Avonds fondue gegeten. Daarna gingen Herbert en ik vroeg slapen. Moe en een beetje verveeld. Peter en Gerrit achtergelaten op de Boulevard St. Germain.

Woensdag, 3 mei:
Parijs
Gisteren bleken de musea ook dicht, zodat we voor de tweede keer voor een gesloten Centre Pompidou stonden. We gaan het straks nog maar eens proberen. Het begint een beetje op een bedevaart te lijken. Gisteren de dag voornamelijk doorgebracht op terrasjes aan de Boulevard St. Germain. Bij Gibert, op de Boulevard St. Michel, drie boeken van Léautaud gekocht: Propos d'un jour, Amours en Lettres à ma Mère. Het boek van Ajar, dat ik voor Thijs moet kopen, hadden ze niet in voorraad.

Gisteren gegeten bij een Vietnamees, onze 'vaste,' in het Quartier Latin. Peter en Gerrit verschenen met een gruwelijke kater aan het ontbijt. Ze hadden in een bar een paar Nederlanders ontmoet en waren daarmee doorgezakt. Omdat ze er nogal over opgaven, zijn we er na de Vietnamees naartoe gegaan. Het viel wat tegen. De Hollandse vrienden, van wie Gerrit en Thijs nog wat te goed hadden, lieten zich wijselijk niet zien.

's Morgens voor het ontbijt op de Place Gabriël Peri (ik zeg altijd aan het einde van de Rue d' Amsterdam, maar zo heet het niet) is de prettigste tijd om mijn dagboek bij te werken. Ik ben altijd ruim vroeger op dan de anderen en kan daardoor een uurtje of wat ongestoord schrijven.

Zolang we hier zijn nog geen ogenblik stilte gehoord. Misschien bijna in het Jardin de Luxembourg, maar ook daar hoor je nog het constante geraas van het verkeer. Wat dat betreft ligt het hotel ongelukkig. Als het raam open staat, kun je in onze kamer niet op normale toon met elkaar spreken.

Herbert heeft ons de anti-club gedoopt, naar aanleiding van een reclame in de metro voor een reisbureau. We hebben wel iets van de gebroeders Dalton. We lopen ook op van klein tot lang. Ik ben de kleinste , dan komt Gerrit, vervolgens Herbert en daarna Peter. Het lijkt ook een beetje de Pickwick Club. Peter heeft ook wel iets van Mr. Micawber uit Great Expectations.

Donderdag, 4 mei:
Parijs
Gisteren weer de rit gemaakt naar het Centre Pompidou. Nu was het geopend. De nationale collectie twintigste eeuwse kunst bekeken. Veel indrukwekkend werk, maar ook de gebruikelijke, modernistische rommel. In het restaurant raakten we in discussie over de vraag of je de ene kunstvorm hoger kunt aanslaan dan de andere. Gerrit en ik stelden dat je de literatuur in het algemeen boven de beeldende kunst moet stellen, omdat de eerste nagenoeg onbegrensd is in haar mogelijkheden, in tegenstelling tot de laatste. 's Middags de tentoonstelling van Henri Michaux bekeken. Verspilde moeite. Non-figuratieve ellende.

Op het grote plein voor het kunstcentrum tiert een welig straatleven. Muzikanten, mimespelers, redenaars, goochelaars, acrobaten, vuurvreters, allemaal doen ze er hun kunstje. We hebben het een tijdje bekeken van een geïmproviseerd terrasje, want de plaatselijke horeca heeft zich nog niet aan de nieuwe situatie aangepast. Het was eindelijk mooi weer. De sfeer was wat surrealistisch met het waanzinnige staketsel van het Centre Pompidou als decor.

's Avonds gegeten bij La Ribaudière op het kleine eiland. Je zit daar in de middeleeuwse kelders. Je krijgt tegen betaling van een vast bedrag een hoofdgerecht en een dessert. Verder kun je onbeperkt andere gerechten en wijn tot je nemen. Het was prima, al is zo'n systeem eigenlijk niet aan mij besteed, want ik ben een maar een kleine eter. Ook opgepast met de drank, alleen Peter was een tikje aangeschoten. Als dessert ijs genomen, waardoor ik een beetje aan de race ben. Gelukkig uit voorzorg pillen meegenomen.

Een paar dagen geleden kocht Herbert een elpee met daarop het adres van een folkclub in Parijs. In de Rue de la Reine Blanche. We zijn er heen gegaan, een fikse wandeling in de richting van de Place d' Italie, door een buurt die we niet kenden, maar we troffen slechts een woonhuis en een groenteboer. Teleurgesteld een afzakker gehaald bij Dupont, waar we in gesprek raakten met een paar Vlamingen. Hen gelukgewenst met de overwinning van Anderlecht.

Foto: archief auteur


vrijdag, maart 06, 2015

Overspel




Op 14 januari 1978 sloot het beroemde Dordtse café De Meierijsche Kar voorgoed de deuren. Op donderdagavonden was de Kar hét ontmoetingspunt van kunstzinnig en alternatief Dordrecht. Dan was het de avond van Sociëteit De Vrijheid, vernoemd naar zijn achttiende eeuwse, patriottische voorganger. Ook op andere dagen kwam ik er graag. Niet alleen om de sfeer, de Kar was een heerlijke, bruine kroeg met billijke prijzen, maar hij lag ook dicht bij mijn toenmalige woning in de Marcellus Schampersstraat. Als ik het eens te bont had gemaakt, hoefde ik maar de hoek om te slaan, vanwaar ik bij wijze van spreken van de Noordendijk kon rollen om dicht bij de voordeur te eindigen. Natuurlijk waren er andere cafés waar ik geregeld kwam (Visser, het Avontuur, Centre Ville (dat toen nog gewoon 's avonds open was), de Bombardon), maar de donderdagavonden in de Kar waren onovertroffen.

De redding van Dordt betekende de ondergang van de Kar en het belendende café Oscar Bakker. De dijk waarop ze stonden moest op deltahoogte worden gebracht en klaarblijkelijk was er geen andere oplossing dan sloop. Ik had het graag anders gezien. Er was in de jaren zestig al veel te veel in Dordrecht afgebroken, vanwege het Saneringsplan, waarvan ze de bedenkers alsnog, desnoods postuum, voor de rechter zouden moeten slepen. Helaas, de sloopkogel sloeg meedogenloos toe. Pleister op de wonde was de overname door 'ome' Leen van Ast, de waard van de Kar, van het schipperscafé op de hoek van de Noordendijk en de Noorderstraat. Dat werd De Vrijheid gedoopt. De sfeer van de Kar keerde er grotendeels terug, al zou het nooit meer worden zoals aan de Bleyenhoek.

Café De Vrijheid lag nog dichter bij huis dan de Kar. Het is jarenlang mijn stamkroeg gebleven, ook toen ik niet lang na het sluiten van De Meierijsche Kar met mijn toenmalige geliefde een flat op de Waag betrok. Dat was om de hoek bij Visser, dat altijd al een geliefde kroeg was. Het voelde weleens aan als overspel, wanneer ik tussen die twee moest kiezen. In de loop der jaren heeft Visser het pleit om allerlei redenen gewonnen. Dat neemt niet weg dat ik af en toe graag nog eens even vreemdga op de Noordendijk.


Foto: Beeldbank Regionaal Archief Dordrecht


dinsdag, maart 03, 2015

Dordtse Dialogen




RTV Dordt heeft een nieuw televisieprogramma: Dordtse Dialogen. Hierin interviewt Bert den Boer bekende Dordtenaren. Als eerste was burgemeester Arno Brok aan de beurt. Het is een mooi vraaggesprek, opgenomen in een van de stijlkamers van galerie De Compagnie. Een waardige omgeving voor zo'n gesprek. Ik heb met veel plezier gekeken. Een bijzondere man, onze burgervader. Vriendelijk, beschaafd, empathisch en als het nodig is doortastend. Ik ben het niet altijd met zijn opvattingen eens, zo vind ik het bijvoorbeeld nogal betuttelend om bij de nieuwjaarsreceptie van de gemeente pas in de tweede helft van de bijeenkomst alcohol te schenken, al moet ik er direct bij zeggen dat ik niet zeker weet of dat een beslissing was die uit de koker van Arno Brok zelf kwam. Ook zijn standpunt over de coffeeshops in de stad deel ik niet.

Arno Brok komt in het interview over als een cultureel zeer onderlegd man. Dat bevalt mij. Vooral zijn uitleg waarom hij de poëzie van de jong gestorven dichter Hans Lodeizen bewondert trof mij. Ik deel met hem de grote waardering voor de dagboeken van Hans Warren. Eén deel moet hij nog lezen, begreep ik. De dagboeken van Warren schijnen moeilijk verkrijgbaar. Ik heb ze allemaal en wil het ontbrekende deel graag aan onze burgemeester uitlenen. Hij lijkt mij iemand die een geleend boek ook weer terugbezorgt, iets waar menigeen in mijn vriendenkring een voorbeeld aan mag nemen. U belt maar en ik breng het even langs, mijn oud-klasgenoot wethouder Sleeking heeft mijn nummer.

Ik vind het aanbod van RTV Dordt nogal mager. Op televisie die camera in dat autootje dat vrij zinloos door de Dordtse dreven toert, het volkomen oninteressante 'Uw mening' en niet eens meer een gepresenteerd nieuwsbulletin. Met Drechtstad FM is het niet veel beter. Al die oninteressante uren (techno)muziek, ik kan er slecht naar luisteren. Het is een kwestie van geld en een kwestie van visie. Helaas meer het eerste dan het laatste. Toch bespeur ik een opwaartse trend. Dordtse Dialogen kan, met een prettige interviewer als Den Boer, uitgroeien tot een succesvol programma dat kijkers trekt. Op de radio is op donderdag Via Cultura, het programma over kunst en cultuur van Ilse Schrier, iets waar ik steeds weer naar uitkijk. Wat minder muziek misschien in dat uurtje, zeker bij de introductie, dan wordt het nog beter. Op zaterdag hebben we sinds kort Studio de Witt door Ben Corino, een interessante mix van actualiteit, het centraal stellen van een iemand uit de Dordtse samenleving en een dichter van dienst.

De lokale omroep is duidelijk op de goede weg, daarom hoop ik dat er meer geld komt, om dat pad te kunnen blijven volgen. Ik miste wel één vraag aan Arno Brok, namelijk hoe hij het als poëzieliefhebber vindt dat wij in Dordt geen stadsdichter meer hebben. Als hij dat boek van mij leent, zal ik hem dat toch even vragen.


Foto: auteur