donderdag, januari 31, 2019

Gedichtenweekgedicht



Picasso's leed

Zijn naam was eindeloos langer
dan die van Anton Heyboer.

Zijn vrouwen kwamen een voor een, zoals
de Russen in de tijd van Karel van het Reve.

Bij iedere nieuwe liefde wisselde hij van stijl.
Heyboers vrouwen bleven hem op twee na haremtrouw.

Waar Picasso koos voor Parijs verbleef Heyboer
kortstondig gedwongen te Berlijn, waarna hij vluchtte

naar de Vinkeveense plassen. Het is de vraag of Picasso
ooit van de Vinkeveense plassen heeft gehoord.

Later werd het een boerderij in Den Ilp. Ook daar had
Picasso geen weet van, denken wij.

Foto: auteur


woensdag, januari 30, 2019

Kafka



Een boekhandel die tegelijkertijd café is, of een café dat tevens boekhandel is. Dat vind ik een prachtcombinatie. Jarenlang was ik stamgast in Loxias, café en boekhandel in Thessaloniki. Een geliefde plek bij studenten, geleerden, dichters, schrijvers en dergelijken. Jarenlang gold het adagium 'als er een bom op Loxias valt, is het gedaan met de cultuur van de stad.' Wie doodging bleef een beetje meedoen, want waar geen boekenkasten stonden, hingen portretten van dichters, filosofen en acteurs aan de muur. Vanaf zijn plek tegenover de bar keek de wijsgeer Kornilios Kastoriadis (1922-1997) mij altijd indringend aan, zoals je dat van een filosoof verwacht. Dat wij niet alleen dezelfde voornaam hebben, maar ook een identiek kapsel, is toeval, maar het komt niet zelden voor dat, als ik mij in Griekenland voorstel als Kornilios, iemand 'Kastoriadis' roept.

Een ander café alias boekhandel is Kafka, in de havenstad Alexandroupolis. Ik ontdekte Kafka bij toeval, toen ik in de stad overnachtte op doorreis naar het eiland Samothraki. De dag dat ik aankwam was er geen veerboot. Het openbaar vervoer in Griekenland neemt steeds dramatischer vormen van verval aan, ook al doen ze er alles aan om het anders te laten lijken. Onlangs opende premier Tsipras juichend een metrostation in Thessaloniki, waar al sinds 2006 wordt gebouwd aan een lijntje van negen kilometer, maar er lag nog geen meter rails en volgens optimistische prognoses kan de lijn pas in 2021 of 22 in gebruik worden genomen. Het doet aan de Hoekse Lijn denken, of aan de Noord-Zuidlijn, maar in Nederland hebben we alles vanzelfsprekend veel beter voor elkaar dan in het zonnige zuiden. Er wordt veel gesproken over een hogesnelheidslijn tussen Thessaloniki en Athene, maar ook die schijnt steeds weer op uitstel te stuiten. Misschien moeten ze de bedenkers van de Intercity Direct eens raadplegen, die hebben ervaring met krukken op het spoor.

Kafka dus. Toen ik binnenstapte trof me een aangename, wat studieuze sfeer. Boeken tot het plafond. Je moest via een verschuifbare ladder naar de hoogste planken, iets wat ik met mijn hoogtevrees maar overliet aan het personeel. Aan de andere kant tafeltjes, waaraan overduidelijk werd gestudeerd, achterin een bar en daarachter een prettige binnenplaats, waar regelmatig literaire- en muziekavonden worden georganiseerd. Voor Kafka ben ik op de terugreis van Samothraki nog een nachtje overgebleven. Alexandroupolis heeft ruim 72.000 inwoners, een universiteit en een boekhandel annex café, of, zoals je wil, café annex boekhandel. Soms voel ik mij als inwoner van Dordrecht ernstig tekort gedaan.



Foto's: auteur


zaterdag, januari 26, 2019

Lage streek



Iemand belt namens het NRC-Handelsblad. Ik heb mij vele malen aangemeld bij het bel-mij-niet-register, maar weet zo'n man in een 'call centre' ergens in het buitenland veel. Of hij mij een proefabonnement cadeau kan doen, 'want in het verleden heeft u de krant ook gelezen.'
'Dat is lang geleden, toen heer Olivier B. Bommel nog op de Achterpagina stond.'

Ik vertel dat ik mijn abonnenment heb opgezegd toen Bommel uit de krant verdween. Er zijn grenzen. 'Als Bommel terugkeert, neem ik weer een abonnement, zeg dat maar tegen je hoofdredacteur.'
Hij probeert het nog met een: 'Maar Marten Toonder is toch alweer een tijdje dood?'
'Jazeker. Stan Laurel en Oliver Hardy ook, maar daarom lachen we niet minder om de Dikke en de Dunne.'

Voor hij afbelt klinkt het bandje van het bel-mij-niet-register, waar ik niet meer naar luister. Ik luister naar de radio, de lokale, waar iemand zich druk maakt over de giftreinen die al jaren onbekommerd door de bebouwde kom van Dordrecht rijden. Op tweehonderdvijftig meter van mijn huis, door de gevaarlijkste spoorbocht van Nederland. De boosheid en verontrusting zijn terecht, maar het economisch belang gaat altijd voor, vraag dat maar aan de Groningers, en er is geen Tom Poes om een list te verzinnen.

Bommel uit het NRC-Handelsblad! Een lage streek van het Internationaal Oliekapitaal.


zaterdag, januari 19, 2019

Onbezorgd genieten



Lieve Stella,

Vanmorgen stond een overlijdensadvertentie in De Dordtenaar van Anton Stoop (die achtentachtig jaar is geworden, maar dit terzijde), waarin een dichtregel van jou. Het ontroerde me. Ik zag het via het internet. Hans van Rijn maakte mij er op attent, want ik ben op het ogenblik in Athene. Ik schrijf dit op het terras van O Glykys, dat je je nog wel herinnert van onze bezoeken aan de stad. Ik vind het mooi dat jouw woorden, zoveel jaren na je overlijden, nog troost bieden. Het is een prettig terras, dat mij ook een beetje troost biedt op ogenblikken dat ik je mis, als ik alleen door Athene heb gezworven. 'Ben je eenzaam?' vroeg de jongedame die mijn bestaan nu en dan luister bijzet. Nee, dat ben ik niet, maar ik zou er heel wat voor geven als jij hier bij me kon zijn.

Gisteren heb ik het vliegtuig genomen. Op Schiphol. Ik arriveerde om een uur of tien. Omdat het toestel om twaalf uur vertrok, had ik tijd genoeg om na al het gedoe bij de controle koffie te drinken. Ik doe dat graag bij Het Paleis, maar daar was ik kennelijk nagenoeg onzichtbaar geworden. Hoewel het allerminst druk was, kwam geen enkele ober of serveerster de bestelling opnemen. Eén juffrouw zei goedemorgen in het voorbijgaan, maar daar bleef het bij. Na vijfentwintig minuten ben ik vertrokken. In de buurt van de gate was een aardig koffietentje. Wel zo makkelijk en ik denk nog goedkoper ook, al is niets op Schiphol echt goedkoop.
Ik heb met Aegean gevlogen. Er was nogal wat turbulentie. Misschien dat daarom het eten niets voorstelde. Doorgaans krijg je bij Aegean, die daarin een van de laatste der Mohikanen is, een maaltijd die voor luchtvaartbegrippen wel aardig is, maar nu...., een paar stukjes onbestemd vlees met kritharaki en een sausje dat nergens naar smaakte. Ik heb er vrijwel niets van gegeten en 's avonds de schade ingehaald bij Zorbas. Daar werd ik als de verloren zoon ontvangen. Het was er verontrustend stil, maar dat kan toeval zijn.
Ik ben hier ten eerste om Vaso en Alexis te zien. Alexis heeft mij opgehaald met de auto, zodat ik niet de metro van het vliegveld naar Monastiraki hoefde te nemen. De tweede reden is af te komen van mijn Griekse pensioentje, dat mij meer last dan profijt oplevert. Toen jij overleed had ik recht op een nabestaandenpensioen en in het begin was het een aardig extraatje, waarover ik in Nederland belasting betaal, want, zegt de Belastingdienst, dat wordt bepaald door het belastingverdrag dat Nederland met Griekenland heeft gesloten. In 1984, meen ik. Tot 2012 viel het in Griekenland onder de belastingvrije voet en hoefde ik daar geen aangifte te doen. Dat werd mij in het begin verteld, maar in Griekenland veranderde dus die voet, waardoor ik aangifteplichtig werd. Daarop heeft de Griekse fiscus besloten dat ik daar ook moet betalen, want zo is het volgens het belastingverdrag bepaald, zeggen ze op het kantoor in Thessaloniki. Beide diensten vinden dat ze gelijk hebben, waardoor er slechts een gering bedrag voor mezelf overblijft. Die fooi is de moeite niet waard en aangezien ik al lang droom dat ik helemaal niets meer te maken heb met de Griekse bureaucratie, heb ik al twee keer een aangetekende brief gestuurd met het verzoek dat pensioen te stoppen. Dan hoef ik ook geen aangifte meer te doen in Thessaloniki. Kennelijk heeft het ministerie veel prullenbakken, want ik kreeg geen enkele reactie.
Ik weet het, het is een luxeprobleem, maar het veroorzaakt niettemin nogal wat spanning. Jouw landgenoten eisen steeds weer andere verklaringen die, als de Nederlandse fiscus ze al afgeeft, moeten worden vertaald en van een apostille voorzien, waarna ze in Thessaloniki zeggen dat dit niet het papier is dat ze willen. Ik wil gewoon onbezorgd van Griekenland genieten, zonder al dat gedoe met die Derde Wereld-ambtenarij. Vandaar dat ik nu maar persoonlijk een verzoek tot stopzetting van het pensioentje ga indienen.

Ik logeer als gewoonlijk in Plaka. Niet in het luxe, maar dure Herodion, maar in het Adrian, vlakbij de Romeinse agora. Een sterretje minder, maar gerieflijk genoeg. De badkamers zijn net vernieuwd en er is voldoende toiletpapier. De zestiende september logeerde ik in het Courthotel in Utrecht, in kamer 105. Een paar dagen later logeerde ik in het Holland Hall in Upholland (Lancashire) in kamer 105 en nu in het Adrian zit ik opnieuw in kamer 105. Ik vind dat op de een of andere manier een goed voorteken, al zit ik straks bij Roos en Nikos op Skyros natuurlijk gewoon in mijn 'eigen' kamer 215.
Ik was in Utrecht voor de Nacht van de Poëzie. Die heb ik niet helemaal uitgezeten, want ik moest de volgende ochtend alweer vroeg met de trein terug naar Dordt, om een lezing te geven voor het Humanistisch Verbond, in Villa Augustus. Het ging over nostalgie en daar sluiten een paar verhalen uit mijn nieuwe bundel, Oude dromen, min of meer bij aan, ook al ben ik minder nostalgisch dan ik de mensheid soms wil laten geloven. Dat boek is op 28 september gepresenteerd in Visser en daar juichend ontvangen. Het is mooi geïllustreerd door buurvrouw Elvira, die ook het omslag heeft ontworpen.

In Engeland was ik op bezoek bij Sue en Bill P. Een tegenbezoek, want Sue (voor mij nog gewoon Susan D., het buurmeisje van oom Harold en tante Ann in Newton-le-Willows) was in juni in Dordt. Voor het eerst sinds 1969. Toen stond het oude postkantoor aan het Bagijnhof er nog, dat niet lang daarna door vandalen werd afgebroken. Iedere Dordtenaar van boven de vijftig is daar nog woedend over. Ze (Sue en Bill, niet die vandalen) wonen in Upholland, een dorp in de buurt van Wigan, in het armoedige noordwesten, waar veel industrie is verdwenen, maar waar landschappelijk veel is opgeknapt met geld van de EU. Dezelfde EU waar net iets meer dan de helft van die merkwaardige eilandbewoners nu uit wil. Dat de Engelsen een tikje krankjorum zijn, zie je bijvoorbeeld aan hun obsessie met veiligheid. We gingen een ritje maken met de fietsclub van Wigan. Ik moest en zou zo'n achterlijke helm op, terwijl het veel lekkerder rijdt onder mijn hoed. Na de Brexit wordt alles beter. Er zijn er veel die dat nog geloven ook. Ja, als alle boeren in 1963 op boer Koekoek hadden gestemd, waren ze nog veel rijker geweest dan nu.
Ik heb met Sue ook neef Brian in Newton-le-Willows bezocht, die het naar omstandigheden wel maakt, al is hij oud geworden. Ik niet natuurlijk. Ik draag een elfenring en blijf altijd drieëntwintig. 

Ik moet je iets ergs vertellen: ik heb een e-reader gekocht. Voor op reis. Ik had een stapel boeken klaarliggen om mee te nemen naar Griekenland, maar ik was dat gesjouw al een tijd zat. Het leest niet fijn, maar het leest en het weegt niks. Als ik thuis ben ga ik direct weer aan de echte boeken, maar voorlopig ben ik gesteld. Ik lees nu Lord of the Rings. Of het de achtste of negende keer is, weet ik niet precies, maar het blijft fascineren. Weet je dat ik, lang voor ik je leerde kennen, twee cavia's had die Meriadoc en Peregrijn heetten?

Straks ga ik met Vaso en Alexis eten bij Zorbas. Daarna ga ik op tijd naar bed, want morgenochtend ga ik met Vaso naar de pensioenautoriteit, die zich in de buurt van het Omoniaplein schijnt op te houden. Vaso weet waar het is. Je hoort het allemaal nog wel.

In gedachten, altijd,
Kees

Athene, 3 oktober 2017

Foto: auteur


woensdag, januari 09, 2019

Teil



In mijn verhalenbundel Op koers noem ik de jaren vijftig 'de zwart-witte jaren.' Dat komt niet alleen omdat de foto's die ik uit die tijd heb zwartwit zijn, ook de televisie, die in de loop van die periode zijn intrede deed, was aanvankelijk zwartwit. Omdat ik niet zo heel veel op had met de televisie, behalve als de VPRO uitzond, heb ik mij nog tot begin jaren tachtig beholpen met een zwartwit-toestel. Sinds kort heb ik 'interactieve' televisie. Daarop kan ik via Youtube mijn eigen kop op de buis toveren en daar een foto van maken, zodat mijn vrienden in mijn Griekse kafeneion geloven dat ik een echte televisiepersoonlijkheid ben, maar als ze mij goegelen, krijgen ze de partijdichter van de PvdA in, ik meen, Hoogezand-Sappemeer voorgeschoteld.

In de zwart-witte jaren gingen we thuis één keer in de week in de teil. Een badkamer of douche hadden we niet in ons krot aan de Vrieseweg, dat in de jaren tachtig wegens vergaande bouwvalligheid, of liever, verwaarlozing door de huisjesmelker die het zootje uitbuitte, is gesloopt. Er is veel te veel gesloopt in Dordt, ik kan er eindeloos over jeremiëren, al krijg je het moois dat verwoest is nooit meer terug, maar dat het blok waarvan mijn geboortehuis onderdeel uitmaakte is afgebroken en vervangen door niet eens zo lelijke nieuwbouw, is eigenlijk wel terecht. Klagen over het saneringsplan uit de vorige eeuw is ook terecht, al was het alleen al om de gemeentelijk overheden scherp te houden en te zorgen dat zoiets nooit meer gebeurt. Dat ik daar allerminst gerust op ben, bewijst de gang van zaken rond de monsterlijk hoog wordende 'Johan van Beverwijck' aan de Spuiboulevard.

Er was in die prebadkamerlijke periode wel een badhuis bij ons in de buurt, maar daar gingen we nooit heen. Ik weet niet of mijn ouders het daar te onhygiënisch vonden (stel je voor dat je na vrouw Kaanis was, die altijd met een druppel aan haar neus liep), of te duur. Ik heb het nooit gevraagd en ik vond die teil wel prima. Geen gedoe in klamme kleedhokjes, gladde vloeren van de zeep en haren van een ander in de badcel. En één keer in de week was ook wel lekker. Geen dagelijks, tijdrovend gedoe onder een douche. Dat is alleen maar slecht voor het milieu. Hoewel, zolang we met de jaarwisseling een hoeveelheid vuil de lucht in blazen waar duizenden dieselauto's een jaar lang voor door het land kunnen scheuren, moeten ze mij niet meer aan mijn kop zeuren over het milieu.

Foto: archief auteur

woensdag, januari 02, 2019

Krankjorum kutvolk



Omdat ik op de laatste zondag van 2018 een ongelukje had met de fiets, waarbij ik mijn kop schaafde, zag ik er tijdens de jaarwisseling uit als het prototype van een hooligan. Het meisje dat de schuld van het ongelukje had, schrok hevig, maar ik weet niet of dat kwam doordat haar Facebookchat, altijd gezellig op de fiets, onverwacht werd onderbroken of van mijn aangezicht. Het was een beleefd meisje, ze reed niet eens door, maar dat maakt van een onverantwoordelijke puber nog niet direct een slimme meid. 

Ik besloot de jaarwisseling thuis te blijven. Met zo'n gehavende kop de oorlog in, die iedere jaarwisseling om middernacht uitbreekt, trekt alleen maar narigheid aan en narigheid is er op die avond al volop, daar zorgt de zo geroemde Nederlandse traditie wel voor. We hebben onszelf dit jaar weer eens fijn laten gelden. Vier doden, waarvan twee door vuurwerk en twee door schietpartijen. Of die laatste twee mogen meetellen, weet ik niet. Fijn dat die 15 tot 20 miljoen euro schade wel volop meetelt. Er was weer een respectabel aantal gewonden, dus volop werk voor de ziekenhuizen, en er zijn gelukkig weer meer hulpverleners met vuurwerk bestookt dan vorig jaar, zodat er veel te lachen viel. Als het niet een beetje van alle tijden was, zou je denken dat we een volkomen krankjorum kutvolk zijn, een zootje onbeschaafde, starnakeldronken, gewelddadige pyromanen.

In de jongste aflevering van het blad van de vereniging oud-Dordrecht, 26e jaargang nummer 3, staat een vermakelijk artikel door Kees Sigmond over sport en spel in 15e-eeuws Dordrecht. Ook toen kon de jeugd er wat van. Stenen gooien naar schoolkinderen, vernielingen aanrichten, boogschieten, kaatsen en klootschieten waar het niet mocht en ongetwijfeld nog meer kattenkwaad, dat buiten de annalen is gebleven. 

Kort na de jaarwisseling belden vrienden, of ik nog even wat kwam drinken. Ze hadden een horde pubervrienden van zoonlief in huis. Die waren volop aan het feesten. Ik dacht: ze hebben een oud-leraar nodig om de boel een beetje in toom te houden. Aangekomen trof ik een gezelschap jongens en meisjes van rond de zeventien. Ze waren gezellig aan het kletsen, dronken nauwelijks bier of wijn (ook al zijn mijn vrienden niet van het zanikende type), maar wel veel water, luisterden naar Jimi Hendrix en gingen netjes naar het balkon voor een peuk. Aan vuurwerk deden ze niet en ze zeiden allemaal, 'meneer' tegen me, ondanks die kop vol schaafwonden en een brilhematoom. Om half twee vertrokken ze naar een feest in Bibelot, dat nog wel even. 'Dat is in het Energiehuis, meneer,' zei een aandoenlijke gymnasiaste. Ik heb haar niet verteld dat ik al in Bibelot feestte voor haar ouders werden geboren, maar ik hoop wel dat ze haar telefoon onderweg in haar tas heeft gelaten.

Foto: auteur


zondag, december 30, 2018

Timoer Lenk



Iemand op 28 december 2018 een aanslag sturen, waarvan het eerste gedeelte moet zijn betaald voor 31 juli 2018, dat kan alleen de Griekse belastingdienst. Een illegale aanslag bovendien, want in strijd met het Nederlands-Griekse belastingverdrag, dus we gaan hem, zoals ieder jaar, aanvechten. De aanslag kwam een week na het bericht dat ik mijn beroep over de vorige had gewonnen. Ik zal binnenkort maar weer eens afreizen naar de rafelrand van Europa, om daar met de vuist op tafel te slaan. Ik neem mij iedere keer voor de eerste de beste ambtenaar in het belastingkantoor in Thessaloniki over de balie te trekken, maar gelukkig keert het gezond verstand tijdens de vlucht erheen meestal al terug. Het valt niet mee, ruim twee, soms drie, uur in zo'n enge sigaar, volgepropt met onbekenden. Daar word je bedachtzaam van. 

Het was me de maand wel en dan heb ik het niet over de feestdagen, maar over de menselijke fouten. In het Griekenland Magazine viel een stuk van een regel uit mijn column, zodat er onzin staat, en in mijn artikel in het tijdschrift Lychnari veranderde een beter wetende redacteur zonder overleg een zin, waardoor er nu een aperte fout staat, zodat de lezers denken dat ik nog nooit in Thessaloniki ben geweest. In januari komt Tetradio uit, het jaarboek van het Griekenlandcentrum van de Universiteit Gent en ik houd nu al mijn hart vast voor mijn stuk daarin over de geschiedenis van mijn favoriete, Griekse stad.

Ik ben in de kersttijd vergevensgezinder dan anders. We leven niet meer in de tijd van Timoer Lenk. Die liet piramides achter van menselijke schedels, als we de hoofdpersoon in De ommegang van Jan van Aken mogen geloven, maar hij bezorgde het zieltogende Oost-Romeinse Rijk, dat wij kennen als het Byzantijnse, wel enig uitstel van executie. In ieder mens schuilt wel iets goeds, ook in een belastingambtenaar, en ja, als ik in Thessaloniki Timoer Lenk zou spelen, kan ik die teruggave helemaal vergeten.

Foto: auteur


woensdag, december 26, 2018

Stella Timonidou-Klok (26-7-1946 - 26-12-2007)



Ongenode gast

Hij kwam ongenood en stiekem.
In het begin deed ik alsof ik
zijn aankloppen niet hoorde,
maar toen hij de tuinpoort sloopte
kon ik hem niet meer tegenhouden.

Ik heb hem opengedaan
en hij kwam binnen als een wervelwind.
De muziek zweeg.
Mijn gasten versteven op hun plek
met hun glas in de hand.

Hij heeft iedereen nieuwsgierig bekeken,
van top tot teen.
Uiteindelijk greep hij mij en we begonnen
een tango van Piazzola te dansen.

Harmonische bewegingen met ingewikkelde figuren. 
Ik volgde trouw zijn passen.
Ik wilde geen ruzie maken.
Ik wilde de avond niet bederven.

Albert Schweitzerziekenhuis, Dordrecht, 14.10.2007

In: Stella Timonidou - Eindeloze nachten. Gedichten. Liverse, Dordrecht 2009.


Απρόσκλητος επισκέπτης

Ήρθε απρόσκλητα και ύπουλα.
Στην αρχή έκανα πως δεν άκουγα 
τα χτυπήματά του.
Όταν όμως γκρέμισε την αυλόπορτα
δε μπόρεσα άλλο ν’ αντισταθώ.

Του άνοιξα και μπήκε
σα σίφουνας.
Η μουσική σταμάτησε.
Οι καλεσμένοι μου μαρμάρωσαν
στις θέσεις τους με τα ποτήρια στο χέρι.

Τους περιεργάστηκε έναν-έναν
από την κορυφή ώς τα νύχια.
Τελικά άρπαξε εμένα κι αρχίσαμε
να χορεύουμε ένα τανγκό του Piazzola.

Αρμονικές κινήσεις με δύσκολες φιγούρες. 
Ακολούθησα πιστά τα βήματά του.
Δεν ήθελα να κάνω φασαρία.
Δεν ήθελα να χαλάσω τη βραδιά.

Νοσοκομείο Albert Schweitzer, Ντόρντρεχτ, 14.10.2007

Στο: Στέλλα Τιμωνίδου - ατελείωτες νύχτες. Συλλογή Ποιημάτον. University Studio Press, Θεσσαλονίκη 2008.


vrijdag, december 21, 2018

Brexidiots



Lieve Stella,

Gisteren was de zeventiende sterfdag van Hans Warren. Ik herinner mij nog hoe wij schrokken van het nieuwsbericht. Ik ben een groot liefhebber van zijn werk, vooral van zijn indrukwekkende reeks Geheim Dagboek. Je herinnert je vast wel dat ik steeds reikhalzend uitkeek naar het verschijnen van een volgend deel. Het laatste is na zijn overlijden door zijn partner, Mario Molegraaf, afgemaakt. Hij heeft ook alle delen bezorgd die bij de dood van Hans nog niet waren gepubliceerd. Wat moet dat een verschrikkelijk zware, maar wellicht ook dankbare, taak zijn geweest. Ik weet nog hoe moeilijk, maar ook hoe troostend, het voor mij was om jouw postume bundel te redigeren en samen met je nichtje Vaso daarna de Griekse editie persklaar te maken. 

Over zes dagen is het elf jaar geleden dat jij overleed. Een paar weken daarvoor kwam een meisje van Radio5 mij en Klaas Blokhuis interviewen voor het programma De Avonden over het onderwerp wat is uw favoriete schrijver en waarom? Ik heb toen uitgebreid over het Geheim Dagboek gesproken. We ontvingen haar in de woonkamer. Jij was er speciaal voor opgestaan, het was net in de periode dat je een opleving had, zelfs weer een beetje kon eten, maar het interview was nauwelijks begonnen of je moest hevig overgeven, waarna je terugging in bed, het ziekenhuisbed dat hier beneden in de kamer stond. Dat meisje, ik meen dat ze Bente heette, Klaas en ik hebben de interviews toen boven, in mijn werkkamer afgemaakt. Je hebt de uitzending nog gehoord, maar kort daarop ging je zo sterk achteruit dat je terug moest naar het ziekenhuis, tot het einde, op die stormachtige, zwaarbewolkte tweede kerstdag. 
Dingen veranderden in die elf jaar, logisch natuurlijk. Ik heb mensen leren kennen die jij nooit hebt ontmoet, of die indertijd slechts een naam voor je waren, in een boek of tijdschrift. Vrienden zijn overleden, zoals Klaas Blokhuis en Lupius. Mijn regelmatige uitstapjes naar Skyros zijn van na jouw tijd en sinds 2015 heb ik het vruchtgebruik van het huis in Ano Toumba niet meer. Een hele kopzorg minder, maar ik vraag me nog altijd af of ik dat niet te vroeg heb opgegeven. Soms weet je niet wat verstandig is. Ik zit prima in mijn pied-à-terre in de Ano Polis van Thessaloniki, maar ik moet het altijd wel lang van tevoren bespreken om zeker te zijn dat het niet al verhuurd is, en ik krijg steeds meer moeite met dingen plannen op de lange termijn. Bovendien is het wel comfortabel, maar klein en heb ik er mijn boeken niet. Ik reis, eigenlijk tegen mijn zin, met een e-reader, die ik steeds als ik thuiskom weer snel opberg. In Griekenland koop ik er altijd nog wel een paar boeken bij, die ik soms opstuur via de post (of via een koerier, want de posterijen zijn tegenwoordig niet echt betrouwbaar meer), om te voorkomen dat ik flink moet bijbetalen voor mijn koffer tijdens de terugreis. Ook die aardige, Griekse consul in Rotterdam, Kyriakos Amiridis, leeft niet meer. Hij werd overgeplaatst naar Brazilië, waar hij door de minnaar van zijn vrouw is vermoord. Gelukkig dat Kyriakos de dag na jouw overlijden de helpende hand bood, want als het aan de idioot op het consulaat had gelegen die de begrafenisondernemer in eerste instantie te woord stond, was jouw laatste reis naar Griekenland een drama geworden.
De Grieken hebben het consulaat in Rotterdam gesloten, je moet nu voor alle consulaire zaken naar Den Haag, maar dat heeft niets met die moord te maken. Een geldkwestie, zoals er sinds het uitbreken van de economische crisis ook een einde is gekomen aan de jaarlijkse recepties ter gelegenheid van de nationale feestdagen op 25 maart en 28 oktober in de residentie van de ambassadeur. Ik weet op het ogenblik niet eens hoe de Griekse ambassadeur in Den Haag heet. Dat kun je, zoals dat tegenwoordig heet, 'goegelen', maar ik heb wel iets beters te doen dan naar het schermpje van mijn telefoon staren. De Cyprioten hielden hun recepties, waaraan door de crisis voorlopig ook een einde is gekomen, vaak in het Crown Plaza hotel. Ik heb mij altijd verbaasd dat je daar zomaar kon binnenlopen, bij de Griekse recepties trouwens ook, alsof er geen terroristen en andere griezels bestonden. Geen agent voor de deur, geen particuliere beveiligers in zicht, ze zullen er wel zijn geweest, neem ik aan, maar niet zichtbaar, en er werd nooit naar onze namen gevraagd. Nu ja, we waren daar toen bekend als de bonte hond, vooral jij, als oud-onderwijsattaché.

De donkere decemberdagen werden in het afgelopen weekeinde verlicht door de kerstbijeenkomst van de Haarlem Branch van de Dickens Fellowship, traditiegetrouw in Haarlem. Omdat de kas het dit jaar niet toeliet, was er voor het eerst sinds jaren geen spreker uit Engeland, maar de mooie lezing door Dick Kooiman, over Dickens en het koesteren van herinneringen, maakte veel goed. De bijeenkomst was traditiegetrouw in heerensociëteit Trou moet blycken in de Grote Houtstraat, waar het altijd bijzonder sfeervol is, al weet men het pand, mooi gerestaureerd na een brand, enkele jaren geleden, nog steeds niet goed warm te stoken. Vooraf lunchte ik met Annemarie, mijn eerste vrouw, met wie ik na onze scheiding altijd bevriend ben gebleven, in Brinkman aan de Groote Markt (in Haarlem hanteert men nog de klassieke spelling, mooi zo!), waar ze je er zowat uit stookten. Weet je nog dat we eens wat dronken in café Louvre in Praag? Dat het daar bloedheet was, maar dat de kachels niet lager werden gezet? Nee, het personeel deed gewoon een paar ramen wijd open. Daar leefden ze nog helemaal in de herinnering van het zegenrijke communisme, toen verwarming niets kostte. Je mocht er ook gewoon roken, maar dit terzijde.
In Engeland leeft een deel van het volk ook nog in het nostalgische verleden. Daarom willen ze een Brexit. Dan wordt het weer als vroeger, toen alles beter was. Terug naar de vervallen resten van het verdampte wereldrijk, met de vreeswekkend geslonken Royal Navy in het Kanaal om het buitenlandse tuig buiten de deur te houden. Als ik niet zoveel familie en vrienden in Engeland had en niet heimelijk nog steeds anglofiel was, zou ik zeggen: 'good riddance', donder maar op na meer dan veertig jaar zieken en lijntrekken, maar dat is natuurlijk een even stompzinnige en simpele gedachte als de opvatting van cartooneske figuren als Jacob Rees-Mogg en Boris Johnson, die geloven dat het Verenigd Koninkrijk het beste zonder enige overeenstemming uit het huwelijk met de Europese Unie kan stappen. Ik vind die Brexidiots eigenlijk gewoon landverraders, maar ik ga er gelukkig niet over. Ik wil naar de Annual Conference van de Dickens Fellowship in Eastbourne, in juli, maar als ik daarvoor vanwege de Brexidiots een paspoort moet aanvragen of misschien zelfs een visum, dan sla ik maar een keertje over.

Het jaar loopt ten einde. Eerst nog even Yule en daarna kan het vuurwerk weer losbarsten. Het 'volk', alleen God weet wat dat is, maar God bestaat uitsluitend in het menselijk brein, schreeuwt moord en brand als de patat, de kapsalon of het treinkaartje een grijpstuiver duurder worden, maar als het om vuurwerk gaat trekt het onbekommerd de zogenaamd krap gevulde beurs. Ik doe er dit jaar maar eens niet aan mee. Ik steek lekker de open haard aan, schenk een Metaxa met twaalf sterren in, een cadeautje van een lieve oud-leerlinge en haar vriend, en pak er een spannend boek bij. Het mag natuurlijk niet van de activisten, die open haard, maar die moeten er eerst maar eens voor zorgen dat vuurwerk wordt verboden en roken in de kroeg weer toegestaan. Misschien schrijf ik je voor die tijd nog wel en anders wordt het, bij leven en welzijn, en dat weet je met al die proleten in de wereldpolitiek maar nooit, volgend jaar.

In gedachten, altijd,

Kees

Dordrecht, 20 december 2018

Foto: auteur




maandag, december 17, 2018

Olympische prestatie



Toen Stella nog leefde, gingen we er af en toe op uit. Een van die uitjes voerde naar Lochem. Ik herinner mij van Lochem niet veel, behalve een bomenrijk plein en een oud café. De omgeving was mooi. We maakten daarom iedere dag een lange wandeling. We logeerden in een klein hotel, dat werd uitgebaat door een mevrouw die erg uit de hoogte deed toen Stella klaagde dat er geen zeep in de badkamer was. Je moest direct bij aankomst betalen. Er waren keuken noch bar, het ontbijt moest elders worden genoten. 

Onlangs reisde ik per trein van Haarlem terug naar Dordrecht. Op een mistige, door natte sneeuw bedorven zondagochtend. Op het station het ene omroepbericht na het andere. Overal wisselstoringen die voor vertraging of busvervoer zorgden. Een enkel vlokje sneeuw en de spoorwegen raken volledig ontspoord. Mijn trein was de enige die op tijd reed én op tijd aankwam. Een prestatie van Olympisch formaat. 

Onderweg zag ik hoe lelijk Nederland aan weerszijden van de spoorlijn is geworden. Ogentergende kantoorbouw, droevige bedrijfsloodsen, suïcidaal makende Vinex-wijken, met als kers op de taart het rangeerterrein Kijfhoek. Toen we op de spoorbrug over de Oude Maas reden, benam mist ons het uitzicht op de Grote Kerk. Lochem ligt ook aan het spoor, bedacht ik. Gelukkig waren wij indertijd met de automobiel.

Foto: auteur


woensdag, december 12, 2018

Verdwenen



Ik zie hen in gedachten nog weleens zitten, aan de bar van café De Vrijheid: Nico de Lijkensnijder, Dokter Henk en Dichter Flip. De Lijkensnijder had zijn bijnaam te danken aan zijn beroep. Hij werkte als veterinair patholoog-anatoom, onderzocht gestorven vee op ziekten, en gaf daarnaast les bij diergeneeskunde in Utrecht, beweerde hij. Hij zat vol verhalen, maar of ze klopten wist niemand. Internet, laat staan googelen, was nog een futuristische droom. Na sluitingstijd stapte hij op zijn brommer en reed daarmee naar Zwijndrecht, waar hij woonde. Waar precies wist ook niemand, maar hij was met het geven van rondjes even gul als met zijn verhalen. Je was nog niet binnen of je hoorde aan de bar: 'Jaap, geef dat stuk protoplasma een alcoholische consumptie van me.' Als hij zijn blaas moest ledigen, zei hij steevast: 'Ik ga even mijn slurf in de bak hangen.' 

Dokter Henk kwam uit het oosten des lands, ergens vanachter het oerbos. Hij was na zijn scheiding naar Dordt gekomen, werkte met verslaafden en werkte na dat werken grote hoeveelheden bier onder zijn walrussnor naar binnen. Niet zelden stuitte een om hulp vragend alcoholist 's morgens in de spreekkamer op de forse kegel van de goedlachse psychiater. Hij woonde in een knoepert van een huis, in de buurt van de rechtbank, maar reed rond in een Morris Mini. Omdat vrijwel alle horeca die er in die dagen in Dordrecht toe deed hopeloos verspreid lag, gebeurde het niet zelden dat wij ons met vijf, zes man in het blikje propten, om met Dokter Henk van De Vrijheid naar De Bombardon te rijden of vice versa, afhankelijk van welk bandje waar stond te spelen. Soms vroeg hij wat tegen sluitingstijd nog aan de bar hing mee naar huis. Daar ging het drinken dan nog een poosje door. Als het hem uiteindelijk te laat werd zei hij: 'De laatste doet het licht maar uit en trekt de deur achter zich dicht,' waarna hij naar bed ging.

Dichter Flip was van een ander kaliber. Een filosoof die uiterst verzorgd Nederlands sprak met een keurig accent. Bloemendaal of het Gooi waren er niks bij. Niemand wist of hij ook werkelijk uit Bloemendaal of het Gooi kwam, of waar hij, als hij na een periode van afwezigheid ineens weer opdook, altijd platzak, altijd dorstig en altijd zo innemend dat wij wel weer voor hem dokten, in de stad verbleef. Ja, hij sliep weleens bij bekenden in een kraakpand, paste een poosje op een boot in de Wijnhaven, waarop je, zoals hij zei, 'enigszins ruim' kon slapen, maar je zag hem ook weleens de nachtopvang van het Leger des Heils uit sluipen. Hoewel hij veel wist van poëzie en literatuur, heeft niemand ooit een vers van zijn hand gelezen, maar Dichter Flip was Dichter Flip. Geen stamgast die daar aan twijfelde.

Zo rond dezelfde tijd zijn ze uit het café en uit ons leven verdwenen. De Lijkensnijder ging met pensioen en stak de rivier daarna maar weinig over. Ik zag hem nog een keer, opmerkelijk snel verouderd, in Visser, maar daarop volgde permanente radiostilte. Dokter Henk was de verslaafden beu en zocht een nieuwe baan, een woning en een stamcafé in Rotterdam, van waaruit ons slechts vage geruchten bereikten over almaar meer drank, uitmondend in een hersenbloeding en Dichter Flip verdween eveneens definitief uit beeld. Mijn literaire held L.H. Wiener heeft daar een prachtige uitdrukking voor: Verdwenen in de mist der mensen. De weemoed die mij weleens bevangt als ik aan die jaren denk, wordt er niet minder door.

Foto: Stockfoto


zaterdag, december 08, 2018

Gele hesjes



Het was kerst 1967. Ik was zestien, een magere puber die zijn haar, zeer tegen de zin van z'n ouders en leraren, over zijn oren liet groeien. Met een groepje vrienden vonden we dat de wereld moest worden verbeterd. Om dat te bewerkstelligen gingen we tijdens de kerstdagen hongerstaken op het Dordtse Scheffersplein. Een avontuur waarvan ik mij vooral de kou herinner en de vele, zeer vele, dronken Dordtenaren die in de avond- en nachtelijke uren langs wankelden. Pissen deden we in het urinoir, dat toen nog aan de rand van het plein stond. Voor de grotere behoefte hadden we café de Beurs. Daar werd om ons gelachen. In het gunstigste geval enigszins meewarig. 

De wereld trok zich niets aan van ons protest. Dat kwam natuurlijk omdat er alleen door de plaatselijke pers aandacht aan werd besteed. De journalist van huis-aan-huisblad Merwesteijn arriveerde, een teken aan de wand, op het ogenblik dat wij aan het opbreken waren, tweede kerstdag tegen zes uur, om thuis het kerstmaal te gaan gebruiken. Er waren grenzen. Er was nog geen lokale radio, laat staan televisie, van mobiele telefoons en internet had nog niemand gehoord en ik was wel klaar met actievoeren. 

De wereld is ondertussen veranderd. Het urinoir is verdwenen (alle pisbakken verdwenen uit de stad, wat vooruitgang heet), het Dordtse stadshart wreed verbouwd, waardoor naargeestige pleinen als de Grote Markt en het Statenplein ontstonden. Er is veel ogentergende nieuwbouw verrezen.

De wereld draaide door en bekeerde zich grotendeels tot het geloof in neo-liberalisme. De markt die al onze problemen zou oplossen. We hebben internet, die fijne broedplaats van nog ongezondere ideeën dan de nl-illusie, die uitgeschreeuwd worden door de akeligste types. Een overgroot deel van de wereld wordt geleid door proleten van het zuiverste water. Je kunt een geel hesje aantrekken en boos de straat op gaan. Die pisbak zal er niet door terugkomen, de proleten blijven zitten waar ze zitten. Ik blijf lekker binnen. Ik ben geen zestien meer.

Foto: auteur




zaterdag, december 01, 2018

Voedselfarizeeër



"Al die niet-rokers, al die niet-drinkers, het kunnen beste mensen zijn, maar ik blijf ze wantrouwen," schreef C. Buddingh' op bladzijde 62 van zijn dagboek Een mooie tijd om later te worden. Inmiddels kunnen we daar de dierenactivisten uit de veganistische kerk aan toevoegen. Daar zullen ook wel beste mensen tussen zitten, maar af en toe bekruipt mij het gevoel dat Folkert van der G. niet de enige doorgeslagen fanaat in die kringen is. 

Onlangs werd een bekende van mij door zo'n dolgedraaide vegafundamentalist uitgescholden voor moordenaar, omdat hij een foto op het internet had gezet van twee gebakken garnalen en een brokje sateh. Iemand reageerde op de schuimbekkende voedselfarizeeër met de verstandige raad 'zoek een hobby.' Ik denk eerder aan een goede psychiater. Als je zo door je stootblokken gaat, spoor je niet en dat zou zo maar kunnen eindigen met een bloedbad in de vleeswarenafdeling van de plaatselijke super.

Ik ben niet uitermate dol op vlees en gevogelte, eet ook weleens vegetarisch, maar houd daarentegen wel van een visje en laat mij door niemand de garnalen van het brood eten. Alles met mate. Dat zeiden de oude Grieken al. Ik heb een gruwelijke bloedhekel aan alles en iedereen die zijn (of haar, anders krijgen we dat gezeur weer) opvattingen, geloof en levenswijze desnoods te vuur en te zwaard aan anderen wil opdringen. Hoed u voor respect- en humorloze dwepers en drammers. Van dat soort is de wereld nog nooit een millimeter beter geworden.

Foto: auteur


woensdag, november 28, 2018

Alleen op dinsdag



Door Nederland reizen met de trein is tegenwoordig een opgave. Dan wordt er hier en dan weer daar aan het spoor gewerkt, zodat je om moet rijden, of een bus in. Bussen vermijd ik zoveel mogelijk. Ik weet ook niet hoe het komt, ik wil het ook niet weten, maar in een bus kan ik niet lezen, in een trein wel. Onlangs was het weer zo ver. Ik moest naar Groningen, maar kon niet langs Utrecht, als ik niet met een bus wilde. Dat betekende omreizen tot Zwolle, via Leiden, Almere en Lelystad. Wat is Nederland op het traject Leiden-Zwolle, via Flevoland, bedroevend lelijk geworden. Alleen al de aaneenschakeling van rommelige bedrijventerreinen, verwaarloosde volkstuincomplexen met van die traag inzakkende, 'knusse' tuinhuisjes en vervolgens al die tot wanhoop stemmende zelfmoordnieuwbouw. Waar vinden ze toch de derderangsarchitecten die verantwoordelijk zijn voor zoveel betonzooi? 

Ja, het zal binnen allemaal wel geweldig zijn, met van die spierwitte muren waaraan weinig hangt (niet zelden omdat het anders niet bij de bank kleurt), een kille laminaatvloer en een open keuken, wat ik toch altijd als een teken van binnenhuisarchitectonische armoede zie, al moet je ze niet de kost geven die dat 'lekker makkelijk' of zelfs wel 'gezellig' vinden, maar ik ben als een kind zo blij dat ik in een huis van meer dan honderd jaar oud woon met een trapgevel, geen open keuken, Nepalese en Perzische tapijten op de vloer, volgehangen muren, hoge plafonds en een Victoriaanse open haard. Heel fout, maar de milieufundamentalisten kunnen water achter het hart krijgen, zo vaak stook ik dat ding niet en bovendien gebruik ik geen hout, maar van die haardblokken uit de super die het een uur of twee, drie blijven doen zonder dat je ernaar hoeft om te kijken.

Het was karakteristiek, grauw novemberweer, dat vrolijkt zo'n reis ook niet op. Er waren tijden dat je troost kon zoeken in een pijp (weet u nog: 'Van Rossems troost'?) of een sigaartje, maar daar heeft de anti-rooktaliban een stokje voor gestoken. Fatsoenlijke stationsrestauraties zijn er, als de overstaptijd wat langer duurt dan gewenst, omdat de zoveelste idioot zonder vervoers- en legitimatiebewijs ergens door een paar klerenkasten uit je aansluitende trein moet worden geplukt om een prent uitgereikt te krijgen, ook nauwelijks meer te vinden. Sta je bij zo'n povere kiosk met te hete koffie in een te dun kartonnetje te vernikkelen tussen al die andere chagrijnige koppen.

Uiteindelijk kwam ik te Groningen. Het was inmiddels donker. Wintertijd. Door de waterkoude ging ik op pad naar het schamele zaaltje waar ik voor een appel en een ei mijn boodschap moest brengen. Daarna raakte ik verzeild in een café waar iemand mij erop wees dat ik de vaste stoel van Jean Pierre Rawie bezet hield, maar dat het niet gaf, want hij zat er alleen op dinsdag. Dat fleurde op. 

Foto: auteur


donderdag, november 22, 2018

Verrast en ontroerd




Lieve Stella,

Bij het voorbereiden van een lezing vond ik in de beeldbank van het Regionaal Archief Dordrecht een foto uit 1995, toen Ton van Dalen bezig was zijn project Ars Celare Artem (het is kunst om kunst te verbergen) uit te voeren op de Noordendijk. Je weet wel, waarover Gert van Engelen en Ton dat mooie boek Putjes in de dijk publiceerden. Op de voorgrond, tussen het toekijkend publiek, sta jij. Ik was verrast en ontroerd. Ik kende de foto niet, hij zal toen wel in een van de plaatselijke kranten hebben gestaan. Ik kom je graag onverwacht tegen.

Ik herinner mij die zonnige voorjaarsmiddag nog goed. Toen de laatste van de vierenvijftig putjes met persoonlijke herinneringen van buurtbewoners was dichtgelast, gingen we met Ton en enkele vrienden wat drinken in het nabije café De Vrijheid, de kroeg waar ik, toen we nog studeerden, vaak kwam met mijn maatje Peerke, de historicus die noodgedwongen boekhouder werd. Het was amper drie maanden na Peerkes overlijden. Hij woonde een tijd op de Noordendijk, ingang Fortuinhof, in een krot dat alweer jaren geleden is gesloopt en vervangen door dubieus ogende nieuwbouw. Toen hij aan kanker bezweek, leefde hij in ballingschap in het gewest Gelre. Je weet wel waarom. Ik heb mij voor het titelverhaal van mijn boek IJzeren logica enigszins laten inspireren door zijn vrij dramatische levenswandel. Een goeie jongen wie het noodlot slecht gezind was. Hij kon uitstekend koken en wist tijdens de indertijd fameuze etentjes in zijn krot een geweldige sfeer te scheppen. Daarover deden wilde verhalen de ronde, maar waarover doen ze dat niet in het roddeldorp dat Dordrecht eigenlijk is?
We konden Peerkes begrafenis niet bijwonen omdat we in Griekenland waren voor de uitvaart van je vader. Eerst de dienst in het kerkje van Chatzibayram in de bergen van Grieks-Macedonië, waarna de kist op een soort ijskar naar het romantische kerkhof onderaan het dorp werd gereden, waar jij inmiddels ook ligt. Als ik vertrokken ben, wil ik dat mijn as daar bij jou wordt bijgezet. Dat zal wel een hoop bureaucratisch gezeik met zich meebrengen, leer mij Griekenland kennen, maar met een beetje geluk kan dat worden omzeild. Gewoon even de dekplaat oplichten, als niemand kijkt, die asbus erin en klaar is Kees. Wordt leuk zoeken voor de vele bewonderaars van mijn boeken op pelgrimstocht.

Ik heb maar van twee dingen spijt. Van het weggooien van de brieven van mijn eerste, Engelse, vriendinnetje en van het feit dat ik jou nooit heb meegenomen naar Parijs, om een roos te leggen op het graf van Oscar Wilde. Ook iemand met een tamelijk dramatische levensloop, dat hoef ik jou als Angliciste niet te vertellen. Peerke was een zeer talentvolle student en als alles net iets anders was gelopen, had hij een groot historicus kunnen worden. Met hem heb ik het graf van Wilde wel bezocht. In de jaren voor ik jou kende gingen we met onze vriendengroep regelmatig naar Parijs. Niet alleen voor Wilde (en niet te vergeten Jim Morrison), maar ook om tentoonstellingen te bezoeken, veel Pelforth te drinken, te eten bij onze vaste Vietnamees in het Quartier Latin en moed te verzamelen om de hoertjes in de Rue de Budapest te bezoeken. Helaas was die moed nooit toereikend, wat beslist een zegen betekende voor onze krappe beurzen. Van die vrienden is niet alleen Peerke inmiddels dood, ook Wim en Gerrit leven niet meer en ook door dezelfde kutziekte. Als het noodlot mij slechter was gezind dan tot nu toe, hadden ze mij op 21 maart 2016 in het rijtje kunnen bijschrijven, zodat we in het hiernamaals konden klaverjassen.
Het hiernamaals, tja, je hebt mensen die erin geloven. Als het had bestaan, zou ik er vast van jou op mijn falie krijgen vanwege mijn misdragingen op aarde. Dat ik afgelopen vrijdag, na een zeer geslaagd etentje bij goede vrienden, met aanklevend naspoelen, niet van mijn fiets ben getuimeld, mag een klein wonder heten. Je weet, ik ben een bescheiden mens en dan valt het al snel verkeerd.

Er waren meer reizen die we voor ons uitschoven. Later, dachten we, als we met pensioen zijn. We hadden tenslotte het eeuwige leven, nietwaar? Er ligt ergens in mijn werkkamer nog een lijstje met reisdoelen, maar inmiddels ben ik steeds minder happig geworden om van mijn eiland af te gaan. Zeker niet nu de winter voor de deur staat. Tijdens die afschuwelijke, donkere dagen voor kerst kun je maar beter thuis lekker zitten lezen bij de open haard, met de jongedame die nu en dan mijn bestaan wat opluistert op het Nepalese tapijt ervoor. Het lieve kind heeft griep, zodat ik rustig kan werken aan de lezingen die ik binnenkort moet geven.
Vrijdag ga ik naar Oudenbosch, dat dorpje in Brabant met die reusachtige, bordkartonnen kerk, voor een verhaal over de geschiedenis van Kreta. Dat is vanuit Dordrecht nog wel te doen met de trein, maar zaterdag heb ik een lezing in Groningen. Over Macedonië, een onderwerp dat ik tegenwoordig vooral associeer met schreeuwend en vlaggen zwaaiend straattuig. Ik begrijp niet waarom ik die lezing heb aangenomen, al weet ik er meer van dan de verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Het onderwerp staat me niet aan, vanwege die associatie, al moet je daar als historicus natuurlijk afstand van nemen. De hele geschiedenis is tenslotte doordrenkt van de walgelijkste types. Groningen is een mooie stad, 'maar wel wat te ver weg,' zou Drs.P. zingen. Er wordt ook weer aan het spoor gewerkt, zodat de reis nog langer duurt dan normaal. Ik moet met een flinke omweg, want ik ga niet in een bus zitten. In een bus kan ik niet lezen, in een trein gelukkig wel.
Ik heb eigenlijk alleen maar ja gezegd omdat ik werd gevraagd door een aardig medelid van het Nederlands Genootschap voor Nieuwgriekse Studies en omdat ik na afloop met Hero Hokwerda, die bezig is aan een serie nieuwe vertalingen van Kazantzakis, maar dit terzijde, naar café Wolthoorn & Co ga. Ik mis nu wel de marathonavond, in het Dordtse Kunstmin, met alle nog levende winnaars van de C. Buddingh'-prijs. Toen ik van die avond hoorde, was de afspraak al gemaakt. Ik had natuurlijk een smoes kunnen verzinnen, maar je houdt je aan je afspraken, vind ik, al is dit wel de laatste keer dat ik een lezing geef op meer dan anderhalf uur sporen van huis.

Wat ik erg aardig vond om te doen, was mijn lezing voor de vereniging oud-Dordrecht, vorige week. Over de geschiedenis van Dordrecht en mijn eigen geschiedenis ter stede. In de Remonstrantse kerk, een thuiswedstrijd dus. Ik zie mij daar als zoontje van de koster nog op mijn rode driewielertje tussen de kerkbanken door scheuren. Ik raak de laatste tijd meer en meer geboeid door lokale geschiedenis. Misschien dat ik in de nabije toekomst wel weer terugkeer tot mijn oude liefde, Dordrecht in de achttiende eeuw en dan vooral het reilen en zeilen van de Patriotten tussen 1780 en 1787, met die pamflettenstrijd. Ook de middeleeuwse geschiedenis van de stad is machtig interessant, maar daar hebben we Henk 't Jong al voor, die onlangs een indrukwekkend boek heeft gepubliceerd over de opkomst van het graafschap Holland (De dageraad van Holland. Geschiedenis van het graafschap 1100-1300). Lokale geschiedenis heeft in ieder geval het voordeel van het archief om de hoek en niet te vergeten het studiecentrum Augustijnenhof, waar ze mij bij mijn voorbereiding voor die Dordtse lezing uitstekend hebben geholpen.
Bij die voorbereiding kwam ik jou dus tegen en ik zal zeker nog vaker in de beeldbank grasduinen, want je weet maar nooit wat voor verrassingen dat nog oplevert. De grootste verrassing deze week was trouwens het bezoek van een journalist die mij kwam interviewen voor de krant. Hij bleek uitstekend voorbereid! Het resultaat ligt straks in de bus, als de bezorger zich niet laat afschrikken door het ijzige novemberweer, maar over het weer klagen we voorlopig niet, na de mooiste zomer sinds 1976.

In gedachten, altijd,

Kees

Dordrecht, 21 november 2018

Foto: Beeldbank Regionaal Archief Dordrecht.

maandag, november 19, 2018

Chinezen



In 1923 maakte mijn grootvader een reis om de wereld. Met het ss. Sloterdijk van de Holland Amerika Lijn. Hij schreef daarvan een verslag, in keurig schoolschrift. Mijn moeder was net zeven jaar. Een uitstekende leerlinge op de lagere school. Ze heeft haar rapporten altijd bewaard, een regen van negens en tienen, maar doorleren mocht niet van opa: 'Meisjes trouwen toch.' 

Zo achterlijk was Nederland tot ver in de jaren vijftig: meisjes die trouwden werkten niet meer. Mijn kleuterjuf ging trouwen, dus ontslag! Ik heb haar nooit meer gezien. Ze was misschien twintig. Theoretisch kan ik haar nog steeds tegen het lijf lopen. Ik denk dat wij elkaar niet zullen herkennen. 

Als grootvader terugkwam van een reis, hadden zijn kinderen moeite hém te herkennen. Hij was een vreemde man met een snor geworden. Na de geboorte van nummer vijf, mijn oom, die wel mocht doorleren (hij werd waterstaatkundig ingenieur), moest Cornelis van oma aan wal. Hij werd winkelier, een melkboer vol zeemansverhalen. In Indië, vertelde hij vaak, kwamen Chinese koelies aan boord voor het laden en lossen. Ze leefden aan dek. Als ze een zeeslang vingen, werd die in mootjes gehakt en geroosterd. Steeds liepen de rillingen over mijn rug. Zeeslang.... terwijl ik dacht dat Chinezen uitsluitend pinda's aten. Maar ja, toen geloofde ik ook nog in Sinterklaas.

Afbeelding: C. Bekker - De 101e reis van het ss. Sloterdijk. Handschrift, archief Kees Klok.