maandag, juni 10, 2013

Alternatief



Mirovolos Smyrni is een van de aardigste restaurants van Thessaloniki. Het is te vinden op de overdekte markt van Modiano, ingang Komninonstraat, en ziet er niet uit. Schamel en vervallen, maar overvloedig gedecoreerd met foto's van alle beroemdheden die het ooit bezochten. Er wordt altijd mooie rebetica of laïka ten gehore gebracht en de keuken is bepaald goed. Als ik er ga eten word ik ontvangen als de verloren zoon en moet ik beslist de keuken in om mijn keuze te maken. Ik ben niet echt in Thessaloniki geweest als ik niet een keertje bij Mirovolos Smyrni heb gegeten. Vandaag at ik er zouzoukakia (gehaktrolletjes) uit Smyrna met een rijke rauwkostsalade en een schaal dolmades. Die schaal was van de zaak.

De zon scheen toen ik ging eten. Na afloop regende het een beetje. Ik vraag mij altijd af waar ineens die zee van paraplu's vandaan komt, zodra er een spatje regen valt. Ook als het buitje niet werd verwacht. De mensen lijken nogal bang te zijn voor een paar druppels water. Het is alweer droog, maar nog steeds deinen er geopende paraplu's langs het terras waarop ik inmiddels ben gaan zitten. Ze worden bijna uitsluitend gedragen door vrouwen en meisjes. Ik moet denken aan mijn moeder en tantes. Die hadden altijd een regenkapje van doorzichtig plastic bij zich op de fiets. Bij de eerste regendruppels werd dat als een soort hoofddoek omgedaan om het permanentje te beschermen. Dat was geen gezicht. Ik wilde er als kind dan even niet bijhoren. De grijze mantelpakjes die toen in de mode waren vond ik ook niet om aan te zien. Dat je smaak verandert blijkt uit het feit dat ik tegenwoordig wel kan genieten van een dame in zo'n strak afkledend pakje.

Grieken lopen niet graag in de regen. Veel houden helemaal niet van lopen. Het verbaast mij iedere keer weer dat (ook jonge) mensen de bus nemen om één of twee haltes verderop alweer uit te stappen. Zo'n fluteindje loop je toch? Geen sprake van. Lopen is uit den boze, zeker als je een auto hebt. Wat met de auto kan, zal met de auto. Ook sigaretten halen bij de kiosk honderd meter verderop. Het zijn net die moeders in Dordrecht, die twee straten bij mij vandaan wonen, maar toch hun kinderen met de auto afleveren bij de school aan de overkant. Het zou wel toeval zijn als die allemaal daarna door moeten naar hun werk, ergens een eind buiten de stad.

Omdat het openbaar vervoer in Thessaloniki ontoereikend is en de auto ondanks de crisis populair, is er een geweldig parkeerprobleem. Dat wordt verergerd doordat er van enig sociaal voelend en gedisciplineerd parkeergedrag geen enkele sprake is. Je zet de auto neer waar het jou uitkomt, anders moet je te ver lopen. Als dat op een trottoir, een straathoek of een zebra is, of dubbel in een smalle straat, zodat de bus moet wachten tot je je boodschap hebt gedaan, dan is het 'jammer dan.'

Bijna alle flatgebouwen hebben een lift. Die geldt als eerste levensbehoefte. Ik kan mij voorstellen dat je die neemt als je op vier of vijf hoog woont, maar waarom mijn zwagers nooit die twee trappen naar mijn verdieping nemen en wel altijd de lift, ontgaat me. De ene is gymnastiekleraar en volleybalcoach, de andere atletiektrainer en voormalig Grieks kampioen tienkamp.

Er lijkt langzamerhand toch iets te veranderen. Je ziet steeds meer fietsers, ook al is fietsen levensgevaarlijk in het chaotische verkeer. De fiets lijkt in opkomst. Hij vraagt geen dure benzine en is gemakkelijk te parkeren. Of de fiets echt een succes wordt in dit land van bergen en steile hellingen, weet ik niet. Ik zie mezelf nog wel de heuvel van Ano Toumba af freewheelen, maar er 's zomers met vijfendertig graden weer tegenop fietsen? Het alternatief is een overvolle, stikhete bus. Of een auto kopen.

©Kees Klok


zaterdag, juni 08, 2013

Fout


Ik ben kort na de Tweede Wereldoorlog geboren, in een tijd dat de terreurbende van Adolf Hitler beschouwd werd als het verachtelijkste dat er was. Als het grootste kwaad op aarde. Je had ook nog de communisten, maar dat was toch wat anders. Wie in Nederland 'fout' was geweest in de oorlog werd gemeden als een melaatse en dat tot in het volgende geslacht. Bij mij op school zat een jongen met 'foute' ouders. Met zo'n jongen ging je niet om. Zijn ouders hadden weinig verkeerds gedaan, niemand verraden, niet voor de bezetter gewerkt, alleen op Mussert gestemd en zijn kop op het raam gehangen. Het was een aardige jongen, die zijn stigma lijdzaam droeg. Het is nu een vriendelijke man, maar als ik hem tegenkom en groet schiet onwillekeurig 'fout geweest' door mij heen.

De terreurbende van Adolf Hitler is terug op straat. In Griekenland. De leden dragen zwarte in plaats van bruine hemden, ze gebruiken symbolen die doen denken aan het Derde Rijk en houden zich bezig met straatterreur. Die richt zich op Afrikaanse en Aziatische immigranten, op politieke tegenstanders en op gehandicapten. Allemaal volksvijandige elementen die zo snel mogelijk het land uit moeten. Ze ontkennen de holocaust en gaan hun slachtoffers te lijf met knuppel en mes. Daarna gaan ze lekker een uurtje aftrainen op de sportschool onder het zingen van nationalistische liederen. Lange tijd stelde die nazi-club weinig voor, maar de economische crisis bood de gelegenheid om uit de riolen te kruipen en steeds meer op de voorgrond te treden. Zo werd hun held Adolf Hitler groot en zo denken de aanhangers van de Gouden Dageraad succes te krijgen.

Het zijn de rechtstreekse erfgenamen van Griekse nazi's die tijdens de Tweede Wereldoorlog de Duitse bezetter ter zijde stonden in zogenaamde 'veiligheidsbataljons'. Na de Duitse aftocht wisten zij in de burgeroorlog tegen links in grote getale op te gaan in leger en politie. Cijfers kennen we niet, maar het verhaal gaat dat rechtsextremisten tot op de dag van vandaag oververtegenwoordigd zijn in het politieapparaat. Het zijn de rechtstreekse erfgenamen van de junta-aanhangers, liefhebbers van het fascistische kolonelsregiem dat Griekenland van 1967 tot 1974 teisterde. Lieden die in Nederland in de categorie 'fout' zouden vallen. Die je zou moeten mijden als melaatsen. Rechts won echter de Griekse burgeroorlog (1946-1949), waarmee het begrip 'fout' het stigma werd van alles wat links was of daarmee werd geassocieerd.

Tot 1938 dachten veel Europeanen dat het wel meeviel met die Hitler. Ja, grote bek, veel poeha en altijd schelden op de joden, maar toch een nette man die lief was voor kinderen en honden. Europa heeft het geweten. Ik zie op de televisie een onderwereldfiguur, een gorilla in een zwart t-shirt, schelden en tieren in het Griekse parlement. Ik merk dat de racistische terreur van zijn partij maar matig aandacht krijgt in de Europese media. Ach, denken ze misschien in Europa, het zal wel meevallen in dat zonnige en in de internationale politiek toch niet zo heel gewichtige Griekenland. Je kunt er tenslotte nog steeds heerlijk vakantie houden op die prachtige eilanden. Misschien is dat zo. Misschien keert het economisch tij en neemt de radicalisering af. Veel kiezers moeten niets van het nazisme hebben, maar hebben toch GD gestemd uit woede over de economische puinhoop die de, niet zelden corrupte, politici van het land hebben gemaakt. Misschien beseffen ze tijdig hun vergissing. Misschien gaat de regering wel effectiever optreden, je weet het nooit. Wie weet wordt Brussel langzamerhand wakker. Het kan zijn, maar voorlopig ben ik er niet gerust op.

©Kees Klok


donderdag, juni 06, 2013

Literair dagboek: Cyprus (3)


Donderdag, 9 april 2009:
Nicosia
Ik voel me goed, alleen wat zweterig en met een lichte hoofdpijn. Dat kan niet aan de hoeveelheid wijn van gisteren liggen. Ik heb me zeer ingehouden. 's Morgens kwam Fivos Stavridis (dichter en beheerder van een grote bibliotheek in Larnaca) op de koffie in het hotel. Goed hem weer te zien. Een van de mensen die ons enorm heeft geholpen toen we bezig waren met de samenstelling van Wij wonen in een taal. Daarna lunch bij schrijfster, beeldend kunstenaar en goede vriendin Niki Marangou, in haar prachtige tuin in Agios Dometios. Ik was blij verrast er ook schrijver Nikos Nikolaou-Hatzimichaïl te treffen. Lang over Stella gesproken. Gedichten uitgewisseld en heerlijke yemista gegeten, al heb ik opgepast niet te veel te nemen. Om vier uur bracht Nikos mij terug naar het hotel. De bedoeling was mij weer bij de conferentie te voegen, maar ik voelde me akelig en slap. Een paar uur geslapen. Daarna meegegaan naar het avondeten, ergens in het noorden, per touringcar. Een geweldige maaltijd, maar ik kon wederom niet viel eten. Voelde mij wel voldoende opgeknapt om te dansen. De Turken en Turks-Cyprioten in het gezelschap dansten, maar de Grieken en Grieks-Cyprioten niet. Geanimeerd gesprek met tafelgenoot Semih Aktekin van de Karadeniz Technical University in Trabzon, die ondertussen het grootste deel van mijn maaltijd op at. Raar idee dat Stella's vader als Osmaans onderdaan nog op school heeft gezeten in Trabzon, toen dat Trapezounda heette.

Vrijdag, 10 april:
Nicosia
Michalis Pieris opgezocht in het Cultureel Centrum van de universiteit in Agios Kassianos. Ondermeer gesproken over onze vertalingen van zijn gedichten en over de aanstaande publicatie van Stella's werk in Ylantron. Samen geluncht in het Xenona (gastenverblijf) van de universiteit, aan de overkant van de straat. Prachtig gerestaureerd herenhuis met idyllische binnentuin. 'Als je weer naar Cyprus komt, laat het dan weten, dan kun je hier logeren,' bood hij aan. Hij wilde mij met de auto naar het hotel rijden, maar ik ging liever lopen. Halverwege dreigde er regen. Onder een parasol gaan zitten op het terras van café Erotas. Ineens kwam er een ongehoorde wolkbreuk, het plensde met emmers naar beneden. Naar de ingang van het café lopen was onmogelijk zonder meteen zeiknat te worden. Ik ging midden onder de parasol staan en bleef onverstoorbaar mijn pijp roken en van mijn wijn drinken. Uiteindelijk kwam de waard met een paraplu en ben ik toch maar naar binnen gegaan, waar het water langs de muren stroomde, buiten, maar ook binnen. Wij zaten op het verhoogde deel achterin, terwijl de serveerster voorin almaar aan het dweilen was. Na een minuut of twintig hield de regen op en per kerende post verscheen de zon. Een mooi café trouwens, waar liederen van Yannis Parios werden gespeeld. Je kunt hier in de kroeg nog roken, wat een zegen is.

Gisteren per touringcar naar Lefkara, een bergdorp halverwege Limasol en Larnaca. Welkomstwoord door de burgemeester, dorp bezichtigd, loukoumia (Turks fruit) gekocht. Schilderachtig, maar niet spectaculair, zoals St. Hilarion. Onderweg door een gevarieerd, bijna liefelijk berglandschap. Cyprus is overweldigend in het vroege voorjaar: de bloemen overal, maar vooral ook de krachtige geuren. Soms even een paradijselijk plek, maar al snel doemen er dan weer vlaggen op en barricades van prikkeldraad en olievaten met daar achter militairen. Na Lefkara richting Famagusta gereden. Bij een check point dat grenst aan de Britse basis Dhekelia een half uur oponthoud. Geen idee waarom. Zagen het maar als een soort tragische folklore. Salamis bezocht. Het belangrijkste archeologische terrein van Cyprus ligt er volkomen verwaarloosd bij. Daardoor is het wel een zee van prachtige voorjaarsbloemen. Er gaan verhalen, maar bevestiging heb ik er niet van, dat het Turkse leger het soms als oefenterrein gebruikt. Ik kan het mij niet voorstellen, er is ook niets dat er op wijst.

Famagusta (Ammochostos) is boeiend, romantisch en soms onvoorstelbaar triest. Ik kon het niet opbrengen om de nog steeds door Turks prikkeldraad omsloten spookwijk Varoshia van nabij te gaan zien. In plaats daarvan een deel van de Venetiaanse fortificaties bekeken (waaronder de toren van Othello). Daarna met twee jonge Turks-Cypriotische collega's, een man en een vrouw, in een kroegje wat gedronken. Het meisje zei dat ze dertig is, maar ze ziet er nóg jonger uit. Ik zou zo smoorverliefd kunnen worden. Lang gesprek over de toestand op Noord-Cyprus. Ze beklaagden zich over de isolatie van Noord-Cyprus, voelen zich in de steek gelaten door Europa en ondergaan de Turkse militaire bezetting als onderdrukkend. Later was er voor de middeleeuwse kathedraal, nu moskee, een voorstelling door een volksdansgroep. Vrijwel alle muziek waarop werd gedanst hoor je ook in Griekenland. Voor de moskee staat de oudste boom van Cyprus. Op het plein er tegenover aten we. Een sfeervolle plek, maar in april koelt het 's avonds snel af. Ik had er qua kleding gelukkig op gerekend. Weer een geweldige maaltijd met goede wijn. Mijn tafeldame was dit keer de charmante voorzitster van Euroclio, Suzanna Margret Gestsdottir uit IJsland. De bus nam op de terugweg het check point in Agios Domitios, waar we vlot konden passeren. In de bar nog tot half twee geborreld met een groepje collega's uit Kroatië, Denemarken, Zweden en Nederland. Het valt op hoe amicaal de collega's uit Kroatië, Montenegro, Servië en Slovenië op de conferentie met elkaar omgaan.

Voor het vertrek naar Lefkara een ontmoeting met vertegenwoordigers van de Intercommunale Organisatie voor Vermisten. Grieks en Turks-Cyprioten, die daarin met elkaar samenwerken, vertelden op indrukwekkende wijze hun persoonlijke verhalen uit de periode van de Turkse invasie. Geen spoor van haat, wel weer de wederzijdse wil tot samenwerking en hereniging. Dat zouden de politici, die zich tijdens de conferentie volstrekt onzichtbaar hebben gehouden, ter harte moeten nemen.

©Kees Klok


dinsdag, juni 04, 2013

Literair dagboek: Cyprus (2)


Zondag, 5 april 2009:
Nicosia
Gisteravond met een broodje zalm, een glaasje wijn en de pijp tot kwart voor elf gelezen in de bar. Er zaten een paar zwaar getatoeëerde types met twee meiden die zo uit een pornofilm waren weggelopen: ultra korte rokjes, knielaarzen met stilettohakken, nietsverhullende decolletés. Alleen de handboeien en de zweepjes ontbraken. Ik bleef stoïcijns doorlezen en roken.

Het gekerm dat met regelmatige tussenpozen over de stad is te horen komt van de imams, die de oproep tot gebed krachtig elektronisch versterkt laten uitgaan van de minaretten. Ik werd er vanmorgen om vijf uur wakker van, maar sliep daarna direct weer in.

Wat is die zonnebrandcrème stroef, dacht ik, toen ik het op mijn gezicht smeerde. Bleek dat ik de tandpasta had staan uitknijpen.

Maandag, 6 april:
Nicosia
'Wat vermoeid.' Na een lang bezoek aan bezet Cyprus nog een fors programma in het hotel. Introducties, lezingen, discussie. Daarna mooie Cypriotische liederen door leerlingen van een muziekschool. Ik herkende veel, dacht aan Stella, raakte ontroerd. Beeldschone meisjes, een engelenkoor. Daarna een maaltijd met veel wijn en vervolgens doorgezakt. Werd midden in de nacht wakker. Op bed, met mijn kleren nog aan.

Het kasteel van St. Hilarion was spectaculair, vooral het uitzicht over de pas en over de zee richting Turkije. Kyreneia viel wat tegen. Een schilderachtig haventje, maar te veel eentonige, saaie nieuwbouw. Dankzij Britse projectontwikkelaars die onbekommerd bouwen in bezet gebied, veroordelingen door het Europese Hof ten spijt. Bellapais, waar we een uitstekende lunch hadden, was even romantisch als ik me bij het lezen van Durrell's Bitter Lemons had voorgesteld. Je voelde er de geschiedenis. In St. Hilarion ook. In het Venetiaanse kasteel van Kyreneia iets minder, door de knullige tentoonstelling die de Turken er hebben ingericht.

De voorzitter van de Turks-Cypriotische lerarenbond haalde scherp uit tegen de Turkije. 'Vergeet u niet dat wij in een bezet land leven,' begon hij zijn toespraak. Ik had die opmerking eerder uit Grieks-Cypriotische hoek verwacht.

Tijdens een gesprek met onze (Turks-Cypriotische) gids (leraar Engels) verzuchtte hij: 'Ons probleem is al dat achterlijke volk, uit de diepte van Anatolië, dat door Turkije op Cyprus is gedumpt.'

Dinsdag, 7 april:
Nicosia
Mijn darmen spelen op, net als afgelopen zomer op Athos, zij het minder heftig. Het water in Bellapais? De sloot wijn zondagavond? De rauwkost? De sterke afkoeling 's avonds? Gisteren een veel te vet Engels ontbijt genomen, dat kan het ook zijn. Ben zo vooruitziend geweest om pillen mee te nemen. Na twee of drie ben ik meestal weer het ventje.

Even de e-mail bekeken. Een leuk en opbeurend bericht van Annemarie.

Gisteren een boeiende, maar vermoeiende dag in het Ledra Palace, hoofdkwartier van de VN. Het voelt wel goed als je aankomt en zo'n schildwacht je groet. Veel presentaties, te veel eigenlijk, maar allemaal van heel behoorlijk niveau. Wat opviel was de goede wil en vastbeslotenheid van de Turks-Cypriotische sprekers om tot een hereniging van het eiland te komen, maar dit zijn wel allemaal progressieve, sociaal voelende en vredelievende mensen. Er lijkt geen enkele rechts-nationalistische griezel aanwezig. In die kringen, aan beide kanten van de demarcatielijn, wordt een conferentie als deze met afschuw bekeken.

De wereld is deze week weer erg klein. Chrysa Tamisoglu uit Thessaloniki heeft college gelopen bij mijn vrienden Dimitris Charalambous en Sofronis Hatzisavvidis. Jon Ingi Sigurbjornson uit IJsland blijkt de beste vriend van mijn kamergenoot aan de Universiteit van Minnesota, Ragnar Sigurdson. Nog even en ik kom verre familie tegen.

De lunches en koffiepauzes zijn meestal in het fraai gerestaureerde Chateau Status, in de bufferzone, tegenover het Ledra Palace. Achter het Ledra de kazerne van het Britse VN-contingent. Pal ernaast de Griekse ambassade. De sfeer lijkt ontspannen. Als je het bezette gebied in wil wordt er door de Turks-Cyprioten gecontroleerd en krijg je een briefje met een stempel. Bij de doorgang naar vrij Cyprus zitten ze meestal aan de koffie en laten ze je ongehinderd door.

De avondmaaltijd was in Noord-Nicosia, op de achtste verdieping van een hotel. We liepen er heen via de doorgang in de Ledrastraat. Vanwege de darmen weinig gegeten, maar des te gezelliger zitten kletsen met tafelgenoten uit Coïmbra, Enschede en Frankfurt.

©Kees Klok




zaterdag, juni 01, 2013

Literair dagboek: Cyprus (1)


Zaterdag, 4 april 2009:
Nicosia
Holiday Inn, kamer 213. Er ligt een dun wolkendek over de stad, alsof ze een beetje mee treurt dat ik hier zonder Stella ben. Met meer dan twee uur vertraging aangekomen. Er was iets met het vliegtuig. Er moest een vervangend toestel komen. Tijdens de vlucht kennisgemaakt met het Euroclio-bestuur. De taximeter stond op vijftig euro toen we voor het hotel aankwamen. Nu Cyprus de euro heeft zie je pas hoe duur de taxi's zijn. Niet de schandaalprijzen van Nederland, maar twee keer zo duur dan in Griekenland. Het was half twaalf. Koffer gedeeltelijk ontpakt, mij opgefrist en daarna met het bestuur nog heel gezellig in de bar wat gedronken. Het hotel ligt net binnen de wallen, honderd meter van het Vrijheidsplein. Stella en ik zijn er regelmatig langs gelopen zonder er acht op te slaan.

Bij de controle van de handbagage hebben ze, net als op de vlucht naar Londen, mijn potje inkt niet opgemerkt, evenmin als de memory-stick om mijn nek. Dat potje had ik overigens wel volgens de voorschriften verpakt. Met zo'n vertraging ben je aan de horeca op Schiphol overgeleverd met zijn woekerprijzen. Ik heb het rustig gehouden, maar je ontkomt niet aan een cappuccino en een glaasje rode wijn.

In de verte een jankend geluid. Het klinkt erg oosters. Vanuit mijn raam uitzicht op de Agia Sofia, een van de weinige gotische moskeeën in Europa. Tijdens het ontbijt waait er een vlucht kwetterende, veertienjarige schoolmeisjes binnen in zeer korte zomerjurkjes. Opa drinkt snel zijn koffie op en neemt de benen.

Vanmorgen eerst de stad ingelopen op zoek naar een krant. De Cyprus Mail gekocht en naar het einde van de Ledrastraat gegaan om te kijken hoe de doorgang naar bezet gebied er uitziet. In 2005 was er nog die barricade. Koffie bij To Kafeneio. Daarna terug naar het hotel om een aantal mensen te bellen. Bij boekhandel MAM mezelf gekocht om later aan Stephanos Stephanides* cadeau te doen. Leuke ervaring om naar je eigen boek te vragen en te zien dat ze het inderdaad hebben. Kom daar in Dordrecht eens om bij De Bengel of bij Vos & v.d. Leer. In de Laïki Yeitoneia dat aardige café naast het 'Waterpijpcentrum van het Nabije Oosten' teruggevonden. Koffie gedronken, daarna bier. Pijpje er bij. De wolken waren ondertussen verdwenen. Mij vermaakt met het kijken naar de kleurrijke mengeling van mensen die langs slenterden. Om half twee haalde Stephanos mij met de auto op voor de lunch, ergens bij de open markt, niet ver van de Omeriye moskee. We troffen vrienden van hem: de Engelse lerares Elizabeth Elston met haar Cypriotische man (scheikundige) en vier van hun vijf mooie dochters. Het werd een geanimeerde lunch met koffie na bij café Ta Kala Kathoumena in de Stoa Papadopoulou. Daar kennis gemaakt met Steven Birk, een Ier die iets bij de VN doet. Om kwart voor vijf bracht Stephanos mij terug naar het hotel. Hij gaf me een exemplaar van Cadences, het literaire jaarboek van de European University of Cyprus. Bij de koffie bespraken we zijn Engelse vertaling van mijn gedicht Kypros, dat in het volgende nummer komt. Kreeg ook de door hem geredigeerde studie Cultures of Memory.

Een kwartier later was Mehmet Yashin** in het hotel. Een aangenaam weerzien. Naar de Omeriye moskee gelopen, waar tegenover een aardig café is (Erotas) met een mooi terras. Uitgebreid zitten praten over literatuur, Stella, het wonen in verschillende landen, de kortzichtigheid van veel politici en de aanstaande vertaling van zijn gedichten in het Nederlands. Ik gaf hem Stella's boek (hij leest Grieks) en een exemplaar van Het is al laat. Ik kreeg zijn nieuwste, Turkstalige, bundel met opdracht en vijf boeken uit de Turks-Engelse serie Modern Turkish-Cypriot Literature. Gesponsord door een stichting uit Texas, maar tot stand gekomen zonder een cent van de Cypriotische regering. Toen de zon onderging en het fris werd samen naar de doorgang in de Ledrastraat gelopen, waar we afscheid namen. We hopen elkaar snel weer te spreken. In Nederland misschien, of wie weet in Istanbul.

Blijf vanavond rustig in de hotelbar met een boek. Wellicht duiken er nog wat Euroclio's op. Er zijn hier in de buurt diverse 'cabarets' waar je het met Oost-Europese meisjes kunt doen. Ik zou dat wel willen, maar niet met de internationale criminaliteit in het gangetje achter de deur.

©Kees Klok


*Dichter, hoogleraar Engelse taal- en letterkunde.

**Dichter en hoogleraar vergelijkende literatuurwetenschap. Zijn bundel De nachtbus verscheen in de Bordeauxreeks van uitgeverij Liverse.




maandag, mei 27, 2013

Lakenhandelaar


Halverwege de jaren '80 bezocht in een living history evenement in Kentwell Hall, bij het dorp Long Melford in het Engelse graafschap Suffolk. Daar werd het leven uit het jaar 1556 nagespeeld. Het landhuis was geheel teruggebracht in Tudor-stijl, er was zelfs geen stopcontact of lichtschakelaar meer te zien. Je hebt in Engeland een groot aantal verenigingen die zich toeleggen op het naspelen van bepaalde historische perioden, gebeurtenissen of veldslagen. Soms een week of langer, dag en nacht, zonder aanzien des persoons. In Kentwell Hall gebruikte men Tudor-munten, kregen de kinderen van de lord of the manor, de landheer, les van een privé-onderwijzer, hadden de meisjes een gouvernante en ploeterde, zuchtte en danste het werkvolk. In de keukens werd volop gekookt, er buiten kneedden een paar meisjes in een grote, houten trog het deeg voor vele broden, die werkelijk werden gebakken en gegeten. Er werd bier gebrouwen, getimmerd aan de omheiningen en gewied in de moestuinen. Een kwakzalver prees zijn zalven aan en ik werd aangeklampt door een beeldschoon meisje. Ze was blootsvoets en droeg geen hoofdbedekking, teken dat ze het oudste beroep ter wereld uitoefende. Misschien had ik met haar mee moeten gaan naar een kamer boven de herberg en wie weet hadden we dan wel op zestiende eeuwse wijze de betaalde liefde bedreven.

Alles maakte een vredige indruk, zelfs de bewapende poortwachters. Dat kwam misschien wel omdat het een mooie, zonnige dag was. In 1556. Tijdens de regering van Mary Tudor, nicht van keizer Karel V, getrouwd met diens zoon Filips II (ónze Filips II) en even fanatiek rooms als haar echtgenoot. Vastbesloten om de kerkhervormingen van haar vader, Hendrik VIII, te niet te doen en Engeland terug te brengen onder het gezag van Rome, hield ze er een religieus terreurbewind op na van moord, doodslag, martelingen, onthoofdingen en ketterverbrandingen, waaraan ze de bijnaam Bloody Mary te danken heeft. Een waar voorbeeld voor de taliban, totdat met haar dood in 1558 de rooms-katholieken weer de vervolgde partij werden. Daar merkten we weinig van in Kentwell Hall. Het vee werd gehoed, de koeien werden gemolken en het mooie hoertje werd begeerd. De landheer vroeg mij wie ik was en wat mij naar Kentwell bracht. Geheel naar waarheid antwoordde ik dat ik een lakenhandelaar uit de Lage Landen was, met een mooie partij in de aanbieding. We dronken een pul bier, maar lieten de kerk in het midden. Op het galgenveld bungelde de lokale vogelverschrikker in een strop. Een man in een schandblok beeldde de Van-Rossums-Troost-reclame uit de jaren '50 uit, maar ik kon hem geen pijp aanbieden. Tabak was al wel bekend, dankzij de ontdekkingsreizen, maar werd toen nog vooral gezien als genees- in plaats van genotmiddel.

Ik moest aan die dag in Long Malden denken toen ik de laatste bladzijde uit had van Wolf Hall, de magistrale roman van Hilary Mantel over Thomas Cromwell ten tijde van Mary Tudors vader. Zeshonderdvijftig pagina's lang leefde ik in het Engeland van de Tudors, wandelde ik door de kamers van Cromwells huis in Austin Friars, leefde ik geschokt mee toen hij in korte tijd zijn vrouw en twee dochters verloor, maakte ik de restauratiewerkzaamheden in de Tower mee en gruwde ik bij het verbranden van ketters en de wrede executies wegens hoogverraad. Zonder een ogenblik vulgair te worden laat Mantel je genieten van de hitsigheid van Mary Boleyn en de woedeaanvallen van haar zus Anna, voor wie Hendrik VIII scheidde van Catharina van Aragon, de moeder van Mary. Steeds en overal staat Cromwell in de coulissen of treedt hij op de voorgrond. Steeds hoger rijzend in het bestuur, ondanks zijn zeer bescheiden afkomst. Aan het einde van het boek rijst zijn ster nog steeds. In het vervolg, Bring the bodies up, gaan weer veel koppen rollen, maar op dat verhaal moet ik node wachten. Het is besteld, maar ik had die twee delen natuurlijk tegelijk moeten kopen, dan was ik nu weer terug in Tudor-Engeland. Het was weer eens valse zuinigheid van een op penningen beluste lakenhandelaar uit de Lage Landen.

©Kees Klok


woensdag, mei 22, 2013

Ecologisch gidsland


Het is voorjaar en ook voor Griekse begrippen warm. Ik zit op het achterbalkonnetje van Loxias, bijna boven op de restanten van het paleis van de Romeinse keizer Galerius. Voor het kafeneion zit een groepje elegante studentes, maar daar heb je de pestherrie van het belendende barretje, waar het motto 'hoe harder, hoe beter,' wordt gekoesterd. Hier is het rustig en bovendien waait er een licht en aangenaam briesje. Het herriebarretje opereert zonder vergunning en is al een paar keer door de politie gesloten wegens geluidsoverlast, maar de eigenaar heeft connecties bij de overheid, zodat het gehengst na enkele dagen opnieuw kan beginnen. Zo werkt het al bijna twee eeuwen in Griekenland, crisis of geen crisis, Trojka of geen Trojka. Bij de halte waar ik meestal de bus naar het centrum neem is de kiosk gesloten. Op het rolluik een papier: 'Gesloten wegens problemen met de vergunning.' Aardige mevrouw, altijd een gezellig praatje, maar geen of te weinig connecties die er toe doen.

Hoe dat in de tijd van Galerius was, weet ik niet precies. Het is lang geleden dat ik mij met de oudheid heb beziggehouden, maar omdat corruptie, vriendjespolitiek en nepotisme ongeveer even oud zijn als het beroep van prostitué, maak ik mij sterk dat je toen ook heel wat kon bereiken met een ambtelijke connectie of met een vriendje aan het hof. Dat het landsbelang in zulke gevallen niet altijd voorop staat moge duidelijk zijn. Goed beschouwd heeft de overheid, in de bijna tweehonderd jaar sinds de geboorte van de Griekse staat, op weinig imponerende wijze de publieke zaak gediend. Er zijn dikke boeken te schrijven over het falen van de overheid. Het paleis van Galerius is een klein voorbeeld in een lange rij. De opgegraven restanten zijn keurig geconserveerd, er zijn looppaden aangelegd en er is een hokje voor de kassa gebouwd, zodat de belangstellende toerist, al dan niet met een gids, het terrein kan bezoeken tegen een milde vergoeding. Griekenland kent een dramatische jeugdwerkloosheid en ik weet zo al vier of vijf werkloze, jonge academici die graag voor een bescheiden loontje achter die kassa willen zitten of voor gids willen spelen, maar in de twee of drie jaar dat de boel er zo bij ligt, heeft geen toerist er een stap gezet. De tent zit stijf op slot en dient als de speeltuin van een groep verwilderde stadskatten. Wat precies de reden is, is mij niet duidelijk. Een of ander ambtelijk conflict luidt het in het café. Ik zou navraag kunnen doen bij de gemeente of de Archeologische Dienst, maar ik ben bang van het kastje naar de muur te worden gestuurd.

De man in de straat geeft van alles wat er in Griekenland op het ogenblik misgaat de schuld aan de Duitse bondskanselier Angela Merkel. Zij heeft de huidige crisis volgens hem hoogstpersoonlijk veroorzaakt 'omdat Duitsland de baas over Griekenland wil spelen,' zoals ik pas in een taxi hoorde. Waarom Duitsland de baas zou willen spelen over een economisch geruïneerd land, hoe prachtig qua natuurschoon ook, vraagt de man in de straat zich in al zijn simplisme niet af. Verstoken van een kortetermijngeheugen koestert hij de illusie dat er vóór de crisis weinig aan de hand was. Dat moeizame ploeteren voor een paar drachmen, de tweede baan die vaak nodig was om rond te komen en de molensteen van de dure, incompetente, corrupte bureaucratie... áls hij zich er nog iets van herinnert, is dat natuurlijk ook allemaal de schuld van mevrouw Merkel. Het is nog een geluk dat de man in de straat niet echt bestaat, behalve in de populistische pers.

'Terug naar de drachme!' roept het groeiend koor populisten van extreem links tot extreem rechts. Terug naar de decennia van inflatie, devaluatie en wegen vol kuilen en gaten. Terug naar de dorpspomp en het vervoer per ezel. Het zou misschien geweldig uitpakken voor het milieu. Griekenland als ecologisch gidsland uit de negentiende eeuw.

©Kees Klok


donderdag, mei 16, 2013

Een Skyriaanse?



Op een stralende morgen loop ik in de meizon van Aspoús naar Kyros-stad. Een gemakkelijke wandeling tot het begin van het stadje. Nog geen veertig minuten, maar dan begint de steile klim naar de platia. Ver is het niet, maar het is een kwartier hard werken. Dat hebben we te danken aan de piraten die in Osmaanse tijden, en daarvoor, de Egeïsche Zee onveilig maakten. Skyros-stad is daarom hoog tegen een rots gebouwd, zoveel mogelijk uit het zicht vanuit zee, zodat piraten goed uit hun doppen moesten kijken en een flinke inspanning moesten leveren, voor de buit kon worden verdeeld. Zeerovers zijn er niet meer in dit deel van de wereld, althans voorlopig niet meer, maar de hellingen zijn gebleven en ik merk iedere keer dat de lange, Nederlandse winter, die weinig tot wandelen noodde, mijn conditie geen goed heeft gedaan.

Achter mij hoor ik een megafoon: 'Kippen, mooie kippen, voor eieren en vlees!' Een vrachtwagentje rijdt voorbij. Door de open achterkant zie ik kooien vol levende kippen. Een rijdende stal. Na een bocht komt het monumentje in zicht voor een man die hier zeven jaar geleden is verongelukt. Het wordt nog steeds keurig onderhouden en ziet er uit alsof het gisteren is neergezet. Nu en dan passeert een auto of een motor. De zee ruist. Achter een hek blaft een hond aan een touw mij toe. Hij kwispelt met zijn staart, maar ik denk dat hij geen vrolijk leven heeft, net zomin als die kippen. Tien minuten later komt een pick-up mij achterop. De bestuurder stopt en biedt mij een lift aan. Dat gebeurt vaak op Skyros. Met de komende helling in gedachten neem ik het aanbod in dank aan. Ik raak in een geanimeerd gesprek met meneer Manolis. Als hij hoort dat ik weduwnaar ben, raadt hij mij met kracht aan een vrouw van Skyros te trouwen. 'Maar dan moet je volgende keer wel met een mooie auto komen,' grapt hij. Bij het kruispunt beneden Skyros-stad zet hij mij af en slaat de weg naar Molos in. Ik begin aan de klim. Als ik bijna buiten adem de platia bereik, verwens ik de lange, wandelarme winter. Misschien moet ik in Nederland toch eens naar de sportschool, of af en toe mee trainen met de veteranen van DFC.

De laatste Paasbezoekers hebben het eiland nu wel verlaten. Dat merk je aan de relatieve rust. In een boekwinkel, annex fotowinkel, annex cadeauwinkel koop ik een gedetailleerde kaart van Skyros, anticiperend op mijn volgende bezoek. Ik zie de weg aangegeven die ik in oktober volgde met vrienden, aan het stuur van een huurauto. Ik herinner mij de afgronden, de steile hellingen, die zich zelfs in de eerste versnelling moeizaam lieten nemen, de kuilen en gaten en de prachtige vergezichten waarmee we werden beloond. Op de kaart staan ook de wandelpaden door het gebied. Ik zit plaatsvervangend te puffen. Ik denk aan de raad van meneer Manolis. Stel dat zij in zo'n hooggelegen huis woont, dan moet ik zeker dringend naar de sportschool.

©Kees Klok


maandag, mei 13, 2013

Achilleshielen


In de rij staan, 'queuing up', is een typisch Engelse liefhebberij. Alsof ze het een genoegen vinden, sluiten de Engelsen gemoedelijk aan achter de rij voor de bakker, de balie of de bus. In Griekenland is dat anders. Als de rij daar niet strikt is gereguleerd, bijvoorbeeld door de verplichting nummers te trekken, staat iedereen te dringen en te roepen en wordt van de bediening verwacht dat die twee of drie klanten gelijktijdig helpt, naast het beantwoorden van de eeuwig rinkelende telefoon. Ik was op het postkantoor van Skyros, waar achter één van de twee balies een mevrouw zat te telefoneren, terwijl ze ondertussen een betaling van een elektriciteitsrekening afhandelde. Als brave Nederlander wachtte ik rustig op mijn beurt. Achter de andere balie verscheen een meneer die vroeg wat ik wilde. 'Een postzegel voor Europa en twee schriften,' antwoordde ik, wijzend op de stapel cahiers op de balie, die uitstekend geschikt zijn voor het dagboek. Tot mijn verbazing liep de man weg en begon de mevrouw mij te helpen, terwijl ze ook nog bezig was met de vorige klant en de telefoon alweer ging. Met een brede glimlach er gratis bij.

Oost is oost en west is west, Kipling zei het al, maar hoe het citaat verder gaat ben ik vergeten. Ik kan het op het terras, waar ik zit om naar de nimfen van Skyros te kijken, ook niet opzoeken. Ik doe niet aan een smart phone. Bewust, om niet het risico te lopen heel de dag op toetsen te willen drukken en naar een schermpje te staren. Het is mooi genoeg dat ik in voorkomende gevallen kan opbellen of een sms-je kan sturen. Heb ik toevallig iemand bij me met zo'n ding, dan vraag ik die om iets op te zoeken. Zo ben ik dan wel weer. Net een orthodoxe jood die op de sabbat het licht aan en uit laat doen door een heidense buurjongen.

Skyros werd in mythologische tijden dicht bevolkt door nimfen. Zeenimfen, riviernimfen, bosnimfen te kust en te keur. Achilles, die hier zat ondergedoken om niet naar de oorlog te hoeven, wist er alles van. Uiteindelijk ging hij toch naar Troje, waar het misging vanwege zijn hielen, maar wie zal zeggen wat hij ondertussen op dit, toen nog rijkelijk beboste eiland heeft uitgehaald? Ik denk dat hij misschien een soort prins Harry was, al zwijgen de bronnen. Nu en dan loopt er een meisje langs waarvan ik denk: 'Die zou wel eens...', maar meer valt mij het aantal vrouwen op, soms nog tamelijk jonge, dat in het zwart gekleed gaat. Dat moet nog in zo'n gemeenschap waar de tijd in bepaalde opzichten maar traag voortkruipt. Er zijn veel weduwen op Skyros. Toch is de strijd om Troje al heel lang voorbij en kwam de wrede burgeroorlog in 1949 ten einde. Je kunt wel sneuvelen in wat de Grieken 'de oorlog op het asfalt,' noemen. Gisteren nog zag ik twee knullen met een bloedgang op hun motoren tegen elkaar racen op wat niet meer dan een nauwe landweg was. Zoals vele Griekse motorrijders droegen ze geen helm, denkend even onkwetsbaar als Achilles te zijn. Aan die hielen dachten ze niet.

©Kees Klok


vrijdag, mei 10, 2013

Meeuwen


Ik zit op een terras met uitzicht op de platia (het centrale plein) van Skyros-stad. Na een paar dagen zomer in mei is het winderig en wat kil. Goed weer om te wandelen en uit de wind is het op het terras wel te doen. Het plein is leeg, maar de hoofdstraat gonst van leven. Er zijn veel Atheners die in de week na Grieks Pasen nog even zijn blijven hangen. Die de rust van een niet door het massatoerisme overlopen eiland verkiezen boven de razernij van de miljoenenstad. Skyros ligt dichtbij Athene of ver af. Het hangt er van af hoe je reist. Met het vliegtuig ben je er in een half uur, als je het wachten op de luchthaven buiten beschouwing laat. Voor de boot moet je helemaal naar Kimi op Evia, met de auto of de bus. Het is een paar uur varen naar Linaria. Ik houd van varen, maar ik heb een hekel aan autorijden en aan de bus. Misschien loop ik vandaag of morgen wel naar Linaria, een uur en een kwartier van waar ik logeer, om te kijken of ik mee kan naar Kimi en meteen retour. Even het zilt van de Egeïsche Zee opsnuiven.

Zilt snuiven kan ik straks trouwens ook wel op de weg langs de zee, waar door de wind de golven hoog opspatten tegen de rotsen. Ik moet denken aan een zomerdag in 1980, toen ik met mijn toenmalige geliefde aan het einde van het schiereiland van Dingle stond, aan de westkust van Ierland. De golven hadden een dolfijn op de rotsen geworpen. Hij moet al dagen dood zijn geweest, want hij was flink aangevreten. Door de meeuwen, denk ik. Het is mooi om te zien hoe meeuwen het schip volgen waarop je vaart. Als ik meeuwen hoor boven de stad, met hun klagelijke geroep, krijg ik romantische herinneringen aan Conwy in Wales, waar ik met andere geliefden was. Met een roodharige elf uit Cheshire en later met mijn grote liefde uit het land van de nimfen. Op Skyros waren die talrijker dan elders, maar dat is toeval. Van meeuwen wil ik weleens wat melancholiek worden, maar het zijn wrede beesten, die drenkelingen de ogen uitpikken, is mij eens verteld.

Aan de andere kant van het plein staat het gemeentehuis. De vlaggen er voor, van Griekenland en van de EU, steken mooi af tegen de wit gesausde muren. Het is een neo-klassiek gebouw van bescheiden omvang. Eind negentiende of begin twintigste eeuw, vermoed ik. Vanmorgen ben ik vanuit Aspoús meegereden met Nikos. Hij wil zich volgend jaar verkiesbaar stellen als burgemeester. Ik hoop dat hij wint. Dan krijgt hij de sleutel en kan hij mij rondleiden door het centrum van de plaatselijke macht. Of het benijdenswaardig is aan het hoofd te staan van een kleine gemeenschap waarin meestal, achter een façade van hartelijkheid en gastvrijheid, de gebruikelijke haat, nijd en afgunst van de mens schuilgaat, is een andere zaak.

©Kees Klok


maandag, mei 06, 2013

Meer seks


Ik zit met een bevriende schrijfster op een terras in Haarlem. De zon schijnt, maar het terras raakt langzamerhand in de schaduw en dan laat de kille wind zich voelen. Het is alleen voorjaar in de zon. Op de Grote Markt achter ons is het kermis. Gelukkig staat de St. Bavo er tussen, zodat het gehengst gedempt doordringt. Het café waar het terras bij hoort heet De Karmeliet. Haarlem en het Kennemerland vormen een roomse enclave in protestants Holland. Dat leerden we op de lagere school, in de tijd dat de secularisatie zo'n beetje begon. Ik geloof niet dat de aardrijkskunde zich er nog druk over maakt. De lagere school is basisschool geworden.

Het is feest in Haarlem. Er wordt bevrijdingsdag gevierd. Met een rouwrandje want de regering van dit vrijheidslievende land wil binnenkort illegaal verblijf strafbaar stellen. Behalve de kermis is er een popfestival in een park aan het einde van de Grote Houtstraat. Daar in de buurt is ook het restaurant waar de schrijfster en ik gaan eten. Wij lopen er tussen de festivalgangers heen. Bij een popfestival horen luchtig geklede meisjes. De vigerende mode schrijft heel korte, strakke broekjes voor en daar boven iets flodderigs. We lopen in een massa blote meisjesbenen. Veel zijn er nog opvallend wit. Zon hebben ze dit jaar nog niet gezien. De schrijfster en ik kijken het met genoegen aan. We vinden bleek aantrekkelijker dan zongebruind. Het heeft iets ontwapenends.

De schrijfster is biseksueel, heeft zij mij eens verteld. Ik heb iets met biseksuele vrouwen. Onlangs, op een feest bij een kunstbroeder, sprak ik een prille dichteres die, zoals ze het uitdrukte, een 'crush' had op een meisje, een danseres die sierlijk door de kamer bewoog. Het prille dichteresje was ook heel sierlijk. De zon begint onder te gaan, de temperatuur begint te zakken. Wij vragen ons af hoeveel meisjes de komende dagen blaas- of longontsteking zullen krijgen.

In het restaurant is het druk en warm. Het eten is naar behoren. Het personeel is vriendelijk. Er komt een groep jongelui binnen. Wij worden gevraagd te gaan verzitten en krijgen als dank gratis wijn. De twee toiletten kunnen de drukte niet aan en zijn vies. Erg vies. Waar veel mensen bijeen zijn ontstaat automatisch smerigheid. Ik ben wel voor een zekere smeerlapperij, maar tegen smerigheid. Wij gaan naar café De Roemer op de Botermarkt, waar het terras nog vol zit, maar waar het binnen rustig is. Een geruststellend Jugendstil-interieur. Een interieur dat nooit mag veranderen.

We praten over een prijswinnende collega-schrijfster, die zich afficheert met de omvang van haar boezem en haar voorliefde voor bdsm. Ze heeft daar een boek over geschreven dat ik niet zo goed vind. Op de erotische scenes na, waarvan het gerucht gaat dat zij die wellicht niet zelf schreef. We hebben het over het prille dichteresje en haar 'crush.' Ik zeg dat ik een 'crush' op haar had. Ze heeft gelukkig geen enorme borsten. Ze liet zich fotograferen als lieftallige gothic bitch met een karwats. Dat deed denken aan de meisjes van de voormalige band Rockbitch. Ik zeg dat ik daarvan in de war ben geraakt en een verhaal zou willen schrijven waarin wij doen aan bdsm in een reviaans martelkamertje voor jonge, Duitse toeristes, maar dat ik dat niet doe. Mijn uitgever grapt soms dat hij meer seks in mijn boeken wil. Ik denk dat hij dat niet meent.

©Kees Klok


vrijdag, mei 03, 2013

Rudi Carrell-Duits


Het is een zonnige dag. Licht dat je altijd zo zou willen. De perelaar komt in bloei, de tuin gonst van nieuw leven. Vooral het onkruid tiert welig. Nu en dan bestrijd ik het, maar niet alles hoeft netjes aangeharkt. Hier en daar mag de natuur even zijn gang gaan.

Gisteren zat ik op een terras in Nijmegen, op een plein, onder een boom. Ik had de vreemde plekken op de grond en op sommige tafels pas laat in de gaten. Vogelstront, maar de natuur was genadig. Er was in de buurt geen vogel te bekennen. Later, terug in Dordrecht, liep er een reiger op de Voorstraat. Ik vind dat nare vogels. Daar kunnen zij zelf niets aan doen. Ik vind de terugkeer van de reiger naar de stad geen goede zaak. Ik las pas een ingezonden brief van iemand die bang was dat reigers de hele stad zouden onderschijten.

Nijmegen is een merkwaardige stad. Het kantoor waar ik mij vervoegde ligt in een mooie wijk met herenhuizen uit het begin van de twintigste eeuw. Net Arnhem, maar ik weet niet of je dat hardop mag zeggen in Nijmegen. Het plein in het centrum, waar ik mij op het terras van cafe De Opera vertrad, had veel van Krefeld. 'Omdat ze hier op de grens van het rijk zitten,' dacht ik eerst. Toen herinnerde ik mij dat Nijmegen in 1944 zwaar is gebombardeerd. Door de Amerikanen, die het aanzagen voor een Duitse stad.

Waarom Nijmegen en Krefeld zoveel op elkaar lijken, mag de architectuurgeschiedenis verklaren. Ik vind Krefeld niet zo mooi. Wel hebben ze er een Gesamtschule, op de Kaiserplatz, waarmee het Stedelijk Dalton veel samenwerkte. De collega's van die Gesamtschule waren bijna allemaal aardige mensen. Een aantal sprak goed Nederlands. Dan schaamde ik mij weleens voor mijn Rudi Carrell-Duits.

©Kees Klok


donderdag, april 25, 2013

De uitslag blijft


Bij het kruispunt Blekersdijk-Singel-Dubbeldamseweg hoor ik een auto met grote snelheid over de Singel aankomen. Het is een erg onoverzichtelijk kruispunt, doordat het in een bocht ligt. Dat is het al sinds mijn geboorte, maar aan stoplichten hebben de Boven Ons Gestelde Autoriteiten nooit gedacht. De auto komt van links, de kant van mijn goede oor. Kwam hij van rechts dan had ik dit misschien niet kunnen schrijven. Hij stuift met een griezelige snelheid voorbij. Een Audi. Een goede vriend, die de kost verdient in de letselschade, heeft mij eens verteld dat bij meer dan de helft van het aantal ernstige ongevallen met auto's bestuurders van Audi's of BMW's zijn betrokken. Die chauffeurs zijn vooral jonge mannen. Ik luister zo scherp mogelijk en steek zo snel als ik kan de Singel over.

Zojuist zag ik een voetbalwedstrijd tussen Borussia Dortmund en Real Madrid. Bij mijn zusje en zwager. In de competitie voor de Europacup. De Duitsers liepen over de Spanjaarden heen. Ze wonnen met 4-1. Gisteren droogde Bayern München FC Barcelona af met 4-0. Er is iets gaande in het voetbal. Het zwaartepunt, voor zover je daarvan kunt spreken, lijkt te verschuiven van zuid naar noord. Als je ziet hoeveel nationaliteiten in die ploegen spelen is dat natuurlijk onzin. De kwaliteit hangt van de financiën af. Het arme zuiden dreigt het af te leggen tegen het rijke noorden. Zoals het economisch sukkelende Spanje het in de Tachtigjarige Oorlog uiteindelijk aflegde tegen de minuscule, maar financieel krachtige Republiek der Verenigde Nederlanden. Het was een aantrekkelijk wedstrijd, ondanks de geldelijke belangen. Toch sta ik liever langs de lijn bij DFC of FC Dordrecht. Misschien omdat het grote geld er geen of een beduidend mindere rol speelt. Ik houd ook niet van massale stadions. De paar duizend mensen die in het FC Dordrecht stadion kunnen zijn mij eigenlijk wel genoeg, al zou een nieuwe of vernieuwde accommodatie wel prettig zijn.

Ik heb meer met jongens in de tweede klasse zaterdagamateurs en de Jupiler League, die dromen hebben van een club als Ajax en daarna de grens over, Bayern München misschien, dan met de overbetaalde vedetten. Ze worden niet of weinig betaald, maar knokken toch voor iedere punt. Ik vond FC Dordrecht-De Graafschap nog spannender dan de pot van gisteravond. Ik droom al een leven lang van de kans om de dichterstroon van Campert of Komrij te bestijgen. Een voetballer is rond zijn dertigste wel uit gedroomd. Als ze het tot vedette brengen gaan ze vaak in Audi's of BMW's rijden, met een sexy jonge vrouw naast zich. Ik vraag me af of de bestuurder van mijn race-Audi een vedette was, of gewoon een foute jongen in de auto van pa. Een man op weg naar de noodapotheek of een aangeschoten type uit het vastgoed dat meent boven de wet te staan. Als je de weg op het verkeerde ogenblik oversteekt leggen ze bloemen of schrijft iemand een brief aan de krant over het falen van de afdeling Verkeer. Er zal niets veranderen. De uitslag blijft 4-1.

©Kees Klok


zondag, april 21, 2013

Voorjaarszon


De fluisterboot waarmee je door de havens kunt varen is één van Dordrechts leukste attracties. Veel leuker dan de Ark van Noach, dat geval van ernstige horizonvervuiling. Dat de fluisterboot De Dordtevaar heet is een vergeeflijke middenstandsmeligheid. Het had erger kunnen zijn. Tijdens de vaart zie je namen als Bakjans voor de kotter van het echtpaar Bakker-Janssen en Hengrid voor de roestige tobbe van het losersduo Henk en Ingrid. Die tobbe is te koop. Aan het mastje is een 06-nummer gespijkerd. Ik zie het als we door de Wijnhaven varen. Het is zonnig, hoewel door de wind nog behoorlijk fris. De terrassen zitten niettemin vol. Als we het Scheffersplein en de Visbrug naderen, kijken de drinkers op je neer. Ik hoop dat niemand op het idee komt met bier of bitterballen te gooien. Je bent in zo'n boot nogal kwetsbaar voor bepaalde vormen van terrashumor. De huidartsenvereniging roept op voorzichtig te zijn in de zon.

Iemand maakt een vergelijking met Venetië. Dat is nog wel iets anders dan Dordrecht, maar het moet gezegd dat het tochtje weer eens toont hoe mooi het stadscentrum is. Vooral de Pottenkade is prachtig in de zon. Ik heb iets met de Pottenkade sinds ik er ooit wandelde met een meisje waarop ik erg verliefd was. Dat was vijfenveertig jaar geleden. Zij dacht aan iemand anders. Aan een puistige wielrenner. Als ik buitensteeds bezoek heb, doe ik graag een rondje met De Dordtevaar, maar het moet wel droog zijn, want een overkapping heeft hij niet. Dan zou hij niet meer onder het Scheffersplein door kunnen en zeker niet onder de Roobrug. De wijze waarop de schipper manoeuvreert dwingt ontzag af voor zijn stuurmanskunst.

Na de behouden vaart eten we poffertjes bij Visser. Dat is iets dat je buitensteeds bezoek eigenlijk niet mag onthouden. Daarna nemen wij afscheid en spoed ik mij naar DFC-Rijswijkse Boys. Ik kan net de tweede helft halen. Ik denk aan de huidartsenvereniging en maak een klein ommetje langs huis om mijn hoofd in zonnebrandolie te dompelen. Als ik aan de lijn verschijn, fluit de scheidsrechter net voor de aftrap. Ik heb mijn laatste wedstrijd in 1977 gefloten, op het schoolvoetbaltournooi in Hendrik-Ido-Ambacht, en ik ben niet helemaal onpartijdig, maar ik zie dat deze concertmeester weinig van de partituur snapt. Het spel van Rijswijkse Boys roept gedachten op aan de Tiroler Holzhackerbuben. Na het missen van een paar mooie kansen en het door de dubieuze arbitrage mislopen van een hele serie vrije schoppen, komt DFC met 1-0 voor. Twee minuten voor tijd geeft de pandjesjas een penalty tegen. Ik heb niet goed gezien of dat terecht is. In de tweede klasse zaterdagamateurs denk je niet direct aan een bel-Chinees, maar een juiste beslissing zou uitzondering op de regel zijn. Iemand zegt: 'Ze denken te veel, dat voetbalt niet lekker.' Een ander: 'Ze kijken niet!' Een derde meent dat het de gebruikelijke DFC-pech is. Het eindigt in 1-1. Ik voel mijn kop gloeien. Een paar uur voorjaarszon is soms net iets te veel van het goede.

©Kees Klok


vrijdag, april 19, 2013

Balancerend op de rand van Europa

Vandaag verscheen mijn boek over de moderne geschiedenis en de actualiteit van Griekenland. Het boek is te bestellen bij uitgeverij Liverse Bestelformulier Liverse ISBN 9789076982984, euro 15,=





dinsdag, april 16, 2013

Toeval


Soms denk ik: 'niets is toeval,' al is het niet mijn gewoonte om mij erg druk te maken over de vraag of het toeval bestaat. Ik maak mij tenslotte ook nooit druk over de kwestie van de kip en het ei. Wel is het toevallig dat net nu ik mij weer eens aan het verdiepen ben in de geschiedenis van Wales, ik een tentamen van VWO-6 onder ogen krijg dat begint met de vraag: 'Who were the original inhabitants of Britain and where is their language still spoken?' Ik zit in lokaal 142 van het Stedelijk Dalton aan de Overkampweg. Een groep leerlingen maakt een toets Engels. Als ik niet in Griekenland ben en men zit in nood, kunnen ze me bellen. Vijf minuten fietsen en ik ben er. Even terug op het oude honk, alsof ik nooit weg ben geweest.

Wat voor antwoorden zullen er op die vraag komen? Het moet natuurlijk zijn de Britten en hun taal wordt nog gesproken in het noordwesten van Wales en in het noordwesten van Schotland, maar eigenlijk is dat te simpel. De Britten bestonden uit een bonte verzameling stammen, elk met hun eigen koninkje en dialect, als we het zo mogen noemen. Het Welsh vormde zich daaruit in de vroege middeleeuwen als taal van de Keltische stammen aldaar, die langzamerhand versmolten tot de Cymru, de Welshe natie. Vooral door de unificerende invloed van het christendom. Hoe dat zit in Schotland weet ik niet, wel dat er duidelijke verschillen zijn tussen het Welsh en het Gàidhlig. Zaken die de zwoegende jongelui vandaag niet hoeven te behandelen.

Na deze vraag wachten er nog vijfendertig. Allemaal over Engelse literatuurgeschiedenis. De leerlingen zullen blij zijn als het achter de rug is, maar mij stemt het tentamen vrolijk. Het is in de eerste plaats een aanwijzing dat er weer degelijk aandacht wordt besteed aan literatuur. Jarenlang heeft de politiek zijn best gedaan om het literatuuronderwijs af te breken, evenals het geschiedenisonderwijs. Dat is kennelijk mislukt en dat is een reden tot vreugde. Ten tweede voeren de vragen mij terug naar de lessen Engelse literatuur in mijn eigen middelbare schooltijd. Naar het schooljaar 1968-69 toen dr. Rudolf Dekker (niet te verwarren met de gelijknamige historicus) ons Engels gaf. Hij sprak prachtig Engels en vooral zijn lessen literatuurgeschiedenis waren een genot. Zo inspirerend dat ik nu, na vierenveertig jaar, de tentamenvragen op een enkele na moeiteloos kan beantwoorden. Goed, ik heb ondertussen ook nog wel iets gelezen, maar toch.

Of ze het klaarspelen om alles in anderhalf uur te beantwoorden, weet ik niet. We zullen zien. Er zitten verschillende vragen tussen waarover je een heel essay zou kunnen schrijven. Bijvoorbeeld: 'Give an explanation for the rise of the novel in the 18th century?' Ik denk uiteraard als historicus. Iemand die graag wil verklaren. Bovendien ben ik weleens een beetje babbelziek. Ik zou misschien wel een hele dag over al die vragen willen doen en vele pagina's antwoord inleveren. De eerste leerlinge is klaar en levert haar werk in. 'Haastige spoed, enzovoorts,' denk ik met mijn onderwijservaring, maar de laatste vraag, over Charles Dickens, heeft ze uitstekend beantwoord, dus wie weet valt het reuze mee.

©Kees Klok


zondag, april 14, 2013

Brieven aan de krant


Er zijn twee websites die van mij toestemming hebben gekregen om artikelen van het Weblog Kees Klok geheel of gedeeltelijk over te nemen. Dat zijn iDordt en Dordrecht.net. Soms gebeurt dat, logischerwijze als ik iets over Dordt schrijf. Deze week zag ik ook een ruim citaat uit mijn weblog in een krant, in De Stem van Dordt. Dat is auteursrechtelijk gezien niet helemaal in orde. Nu is De Stem van Dordt geen onsympathieke krant. Ze heeft een paar keer heel aardig over mijn boeken gepubliceerd, ze staat achter FC Dordrecht en ik begrijp ook wel dat de redactie, door de wekelijkse drukte en het altijd maar weer moeten halen van de deadline, vergeten heeft even een mailtje te sturen. Ik zal dus niet direct boos gaan schreeuwen. Ik ben sowieso nogal kalm van mezelf. Vroeger was dat wel anders. In de tijd dat ik nog jong en onbezonnen was, zou de boze brief al zijn gepost.

Brieven aan de krant. Ik stuur ze zelden meer. Ik herinner mij dat De Dordtenaar begin jaren zeventig een brief van mij plaatste waarin ik de vloer aanveegde met het povere culturele klimaat in de stad. Een brief met zo'n eng, verongelijkt ondertoontje. Ik herinner mij een brief in het Amsterdamse blad Aloha, ongeveer tezelfdertijd, van min of meer gelijke strekking. Met datzelfde ondertoontje dat ik inmiddels ben gaan haten. Werd een mens maar direct van ontoerekeningsvatbare puber volwassen en bedachtzaam, maar nee, in je vroege twintiger jaren zit je, althans als man, nog in een tussenfase die soms leidt tot een soort van regressief gedrag. Dan schrijf je ineens een puberbrief aan een krant. Of je wordt ineens stoer en gaat als een wezenloze scheuren in een auto. Daarom vallen er zoveel verkeersslachtoffers in de categorie mannen tussen de achttien en vijfentwintig.

Natuurlijk ben ik een beetje afgunstig op de twintigers. De meisjes op het absolute toppunt van hun bekoorlijkheid, de jongens op het hoogtepunt van hun potentie. Al brengen ze er in bed nog vaak minder van terecht dan oudere mannen, door hun onbeheersbare geilheid, egocentrisme en gebrek aan fantasie. Onlangs stortte een nog piepjonge oud-collega haar hart bij mij uit. Haar vriend had haar in de steek gelaten. Haar nu al in het leven teleurgestelde ogen dwaalden over mijn kale kop en grijze baard. Ik dacht: misschien wordt het weer eens tijd voor een brief aan de krant.

©Kees Klok


maandag, april 08, 2013

Remco Campert


Het is niet mijn gewoonte om na een maaltijd bij de Italiaan direct naar huis te gaan. Meestal ga ik nog even naar de kroeg om de pizza af te blussen met een paar cognacjes. Daar heb ik vanavond een uitzondering op gemaakt. Om de speciale uitzending van Opium met Remco Campert te zien. Campert is mijn inspirator van het eerste uur. Na het lezen van Dit gebeurde overal wist ik dat ik dichter zou worden. Ik werd geen Campert-epigoon, maar wel klonk bij het schrijven de stem van Campert jarenlang op de achtergrond. Evenals die van Buddingh' en Eijkelboom, maar van deze drie vooral Campert. In 1969 ontmoette ik hem voor het eerst tijdens Poëzie in het Minitheater, een dichtmarathon op bescheiden Dordtse schaal, die ik presenteerde. Ik maakte van de gelegenheid gebruik om een eigen gedicht voor te lezen. Toen ik het veel later eens teruglas, schaamde ik mij dood, maar Campert beantwoordde mijn puberaal gestamel met een milde glimlach.

Op 7 september 2008 was Campert een van de gasten bij Drechtsteden Gedicht, op het Hof. Hij trad op met ondermeer Levi Weemoedt, Jules Deelder en Tjitske Jansen. Het podium was buiten, enerzijds prettig omdat er gewoon kon worden gerookt, anderzijds vervelend, want het was een gure, winderige dag. Ik had een boek meegenomen voor Tjitske, met wie ik zat te praten in de foyer, bij Gods gratie geopend voor de dichters. Campert, Deelder en zijn manager kwamen er bij zitten. We spraken over Buddingh', over Tjitskes leven in Schotland en over Poëzie in het Minitheater, waarvan Campert zich weinig herinnerde. Mijn optreden van toen liet ik maar onbesproken. Deelder vertelde dat hij vroeger nogal eens in Sprankje Groen kwam, roemrucht etablissement in de zestiger jaren. Het bleek dat we een aantal gezamenlijke kennissen hadden, waarvan er niet één meer in leven is. Ineens begon hij, Deelder, met een natuurgetrouwe imitatie van de kleurrijke Dordtenaar Jan Vrolijk, die zo hilarisch was dat Campert de tranen over de wangen liepen. Zelfs Levi Weemoedt, die net van zijn optreden kwam, schoot in een gulle lach.

Die gebeurtenis komt mij weer voor ogen als ik Campert zie in Opium. Ik hoor hoe Alma Mathijsen, lekker ontspannen met een sigaret, bewonderend over hem spreekt. Ik voel daarin weer mijn enthousiasme uit de jaren '60, toen ik Camperts poëzie voor het eerst las. Een enthousiasme dat mij nooit heeft losgelaten. Het is geweldig om hem – grand old man van de Nederlandse dichtkunst – weer te horen spreken en nu en dan die milde glimlach te herkennen van toen, op dat podium van het Minitheater in de catacomben van het Dordtse stadskantoor.

©Kees Klok


woensdag, april 03, 2013

Water in wijn


Hoewel zonnig is het een koude tweede paasdag. Iedereen klaagt over de aanhoudende kou, maar als pasen heel vroeg valt, zoals nu, is het meestal koud. Een jaar of zestien geleden brachten Stella en ik een vroege pasen door bij familie in Drenthe. Er waren eieren verstopt in de tuin, waar de kinderen onvervaard gingen zoeken. Onvervaard in pyama bij een temperatuur van rond de twee graden. Mijn theologische kennis gaat niet zo diep dat ik zou weten waarom de paasdatum op zo'n malle manier wordt berekend, maar als ik paus was, schafte ik de vroege pasen in ieder geval af. Er is vast in de bijbel wel een of andere uitspraak te vinden op grond waarvan dat kan. Misschien kan ik, als men toch aan het speuren is, en passant worden ingelicht over de wijze waarop men water in wijn kan veranderen. Kennis die altijd handig is, maar zeker in tijden van crisis, als de tering naar de nering moet worden gezet. Men zegt dat het crisis is. Het wordt ons met groot fanatisme door de media aangepraat. Ik kom regelmatig in Griekenland. Daar heerst crisis. Bij ons is het meer trek hebben, maar roepen dat je vergaat van de honger.

Met kerst en pasen is mijn stamcafé gesloten. Ik ben het daar niet mee eens, maar ik ben de kastelein niet. Ik draag wel bij aan zijn welzijn, ik ben eigenlijk een soort aandeelhouder, maar dan zonder stemrecht. In mijn stamkroeg is in vele jaren niets veranderd, op de komst van een nieuw koffiezetapparaat na. Dat alles zoveel als mogelijk blijft zoals het was, maakt het etablissement extra aantrekkelijk. Ik weet al meer dan veertig jaar waar ik aan toe ben. Ook aan die slechte gewoonte om met kerst en pasen dicht te zijn. Of aan de ontstelde blik van de kastelein als iemand een bittergarnituur bestelt of een bakje noten. In mijn stamkroeg eet je poffers, een broodje bal of desnoods een tosti. Wij hebben daar al meer dan veertig jaar vrede mee. Weten waar je aan toe bent is een groot goed en dat weet ik niet in de zaak waar ik nu min of meer op goed geluk ben gaan zitten. Een mooi uitzicht op de rivier, dat wel, maar schreeuwend meubilair en een ober die al ongeduldig aan mijn tafel stond voor ik goed en wel zat. Zo'n zaak die om het jaar van eigenaar en inrichting verandert. Pure hopeloosheid op een prachtige plek.

Ondanks de pooltemperatuur zijn er toch paastoeristen in de stad. Je ziet ze wat verloren rondlopen door het vrijwel uitgestorven centrum, wantrouwig nagestaard door de enkele Dordtenaar op straat. Als ze een gidsje hebben van de VVV, waarin de poffers van mijn stamkroeg terecht worden aangeprezen, komen ze voor een gesloten deur en niet alleen daar. Dordrecht laat zich voorstaan op haar status als evenementenstad, maar kerst en pasen worden niet gezien als evenement. Dan heerst de strenge ongastvrijheid van de Dordtse Synode. Dan wordt er geen water in wijn veranderd.

©Kees Klok