zaterdag, maart 12, 2016

'Dordtse' brief aan Stella




Lieve Stella,

Ik heb het weer eens bont gemaakt in het weekeinde. Doelbewust, geheel opzettelijk. Waar ik vaak stevige discipline aan de dag leg, anders zou ik nooit iets fatsoenlijks schrijven, moesten zondag de remmen los. Aan het eind van de middag kwam ik terecht in Merz, waar tegen die tijd meestal een band speelt. Altijd te hard, maar als het goede muziek is, voilà, dan schreeuwen we er gewoon overheen. Ik trof er buurvrouw Elvira en kunstbroeder Josse. Later kwam ook Laura er bij, een vriendin van Elvira en een oud-leerlinge van mij. Beter gezelschap voor een zondagmiddag in onze provinciestad is nauwelijks te bedenken. Terwijl de muziek voortdenderde en wij op goed mediterraan volume converseerden, begon de alcohol rijkelijk te stromen. Ze hebben lekkere wijn bij Merz, ik kan je vooral de rode aanraden. Ik zou zelfs bijna vervallen in dubieuze clichés als kruidig bouquet en fluwelen afdronk.

De stemming zat er al snel in en ik vond dat we die vooral zo moesten houden. Ik heb nog een fors bedrag tegoed van de Griekse belastingdienst, dus het kon eraf. Dat ik dat geld wel nooit zal terugkrijgen, is een gedachte die je op zo'n zorgeloze middag niet toelaat. Als de meisjes even naar buiten gingen om te roken (O, de gruwel van het rookverbod!), spraken Josse en ik over ernstige zaken, zoals zijn aanstaande publicatie in Het liegend konijn, waarmee hij is toegetreden tot de Eredivisie van de Nederlandstalige poëzie. Nu was hij dat toch al, door de nominatie van zijn bundel Ik heb geslacht voor de C. Buddingh'-prijs, maar het kan nooit kwaad dat dat nog eens wordt bevestigd. Ik gun het hem van harte, al zal hij er ook veel afgunst mee oogsten. Haat en nijd horen bij de literaire wereld als vlooien bij een straatkat. Lees daar New Grub Street van George Gissing maar eens op na. Vorig jaar is het verschenen in een Nederlandse vertaling door Mario Molegraaf. Een turf van 560 pagina's, oorspronkelijk uitgegeven in 1891, maar nog zo actueel dat het gisteren had kunnen zijn geschreven.

Om het gesprek enigszins in balans te houden, vertelde ik hem een episode uit mijn wilde jaren. Ik had toen een relatie met Marion. Wij hadden de gewoonte om in vakantietijd na het opstaan vaak nog een tijdje naakt rond te lopen. Die zomer kwam een Amerikaans meisje logeren, dat ik in Schotland, op een van de Hebriden, had ontmoet. Ze paste zich moeiteloos aan onze gewoonte aan, wat op een zonovergoten morgen leidde tot een schaamteloze vrijpartij met zijn drieën. Ik herinner mij dat ik de rest van de dag tot weinig meer kwam en of ik zoiets op mijn licht gevorderde leeftijd nog eens moet herhalen, is de vraag, al blijft het een aardige gedachte. Die uitputting kan echter evengoed het gevolg zijn geweest van het doordrinken op de avond ervoor. Dat geloof ik het liefst. We kwamen tot de conclusie dat de late jaren zeventig en de vroege jaren tachtig heel wat minder preuts en benauwend waren dan het huidige tijdsgewricht, ook al doet het bestaan van instituties als Tinder en Second Love je soms anders geloven. Geruststellend was ook dat AIDS nog moest worden uitgevonden. Soms gingen we met zijn vieren roken. Blauwbekken voor de deur, want Merz heeft wel een rookhol, maar dat is het dan ook letterlijk. Ondanks de kou was dat wel even prettig voor de gehoorzenuwen en de stembanden.

In de loop van de avond kwam ik met Laura en Elvira terecht bij de Grote Griek, waar ze wel een fraaie rookruimte hebben. De meisjes waren verstandig overgeschakeld op water, maar ik moest natuurlijk de pallikari, de stoere jongen, uithangen. Ik ben nog wel keurig achter Elvira aan naar huis gefietst, maar nadat zij door haar eigen voordeur was verdwenen en ik de mijne wilde openen, lag ik ineens op de stoep, onder m'n fiets. Eenvoudig een kwestie van omvallen. Jij zou het niet goedkeuren, dat weet ik wel, maar ik had een geweldige middag en avond, beloond met wat blauwe plekken en schaafwondjes, maar vooral de andere dag met een gedicht onder de toepasselijke titel De val. 's Avonds kwam de Dordtse Dichterskring bij mij thuis bijeen en daar kreeg het unanieme waardering.

De gemeente Dordrecht heeft plannen voor de herinrichting van de Visbrug. Daar wil men een gat in maken, met een trap die naar een aanlegsteiger voert. Ik neem aan dat daar dan rondvaartbootjes moeten aanleggen. Kleintjes, want anders kunnen ze niet onder het stadhuis en het Scheffersplein door. Op zich wel een aardig idee, als het maar niet ten koste gaat van de terrassen van Centre Ville en Olympiada, die wat mij betreft eerder groter dan kleiner zouden moeten worden. De loempiakraam van kunstbroeder Xuan Tran moet in het plan worden verplaatst. Op die plek wordt in een nieuw terras voorzien. Dat moet niet gebeuren. Die kraam, die er al ik weet niet hoe lang staat, is op zich een beeldbepalend monumentje en op een terras dat de hele dag in de schaduw ligt, zit niemand te wachten. Ik voel mij er nogal bij betrokken, omdat, zoals je weet, mijn moeders vader boven Centre Ville is geboren, een jaar na de publicatie van New Grub Street. De brug is deel van onze familiegeschiedenis. Ik vraag mij wel af of het plan in deze tijd, waarin op van alles dat waardevol is hard wordt bezuinigd, verantwoord is. Kees Thies schreef daar ook al over in De Dordtenaar. Als het een erg kostbaar gat wordt (door stadsdichter Peter M. van der Linden inmiddels 'de put van Piet' gedoopt, een verwijzing naar wethouder Piet Sleeking) moeten we er maar niet aan beginnen. Het plan om meer bootjes door Dordt te laten varen is zo gek nog niet, maar dat is veel goedkoper en kinderlijk eenvoudig te realiseren door gebruik te maken van bestaande kaden of steigers. Denk aan de Pottenkade, de steiger bij het stadhuisplein, de Taankade, of al die andere steigers naar de Voorstraatshaven, die bij wijze van spreken gebruiksklaar liggen te wachten.

Ik zit te wachten op een monteur van de KPN, die het internet en de telefoon met de glasvezelkabel komt verbinden. Hij zou er tussen negen en elf zijn, maar, ik was er al bang voor, hij is er nog niet. Het is 12.46u. Ik heb de klantenservice gebeld, die iets zou uitzoeken en mij dan terug zou bellen, maar ik heb nog steeds niets gehoord. Na de lunch ga ik een prettige wandeling maken en dan zie ik wel waar het schip strandt. Misschien wel bij een van de concurrenten. Ik ben toch al niet gelukkig met de hele operatie, want Joost weet wat er allemaal mis kan gaan. Never change a winning team. Zo moet je ook afblijven van een systeem dat goed werkt, maar nee, het moet allemaal sneller, sneller en nog sneller. Big deal! zou jij zeggen.

In gedachten, altijd,

Kees

Dordrecht, 8 maart 2016

Foto: auteur
















Te bestellen bij uitgeverij Liverse of de betere boekhandel.


woensdag, maart 09, 2016

Nieuwe Brief aan Stella




Lieve Stella,

Vanmorgen vroeg schrok ik wakker van het alarm dat afging. Ik ben uit bed gesprongen en naar beneden gesneld, maar daar bleek niets aan de hand. Geen inbreker of ander ongerief. Tenzij je belangstelling hebt voor een televisie uit 1989, een defecte CD-speler of een Westminster klok die al maanden op reparatie wacht, is er bij mij niet veel te halen, maar ik heb toch liever geen onguur volk in huis. Ik vroeg mij af waarom het alarm was afgegaan. Op het eerste gezicht was er niets te zien. Na lang rondkijken zag ik dat het lint, waarmee de grote plant bij een van de sensoren is opgebonden, was losgeschoten. De kleine beweging van een zwiepend takje moet de oorzaak zijn geweest. Of een muis, maar van muizen heb ik al jaren geen last meer.

Toen ik weer in bed lag, bedacht ik dat het misschien niet zo verstandig was om direct naar beneden te stuiven. Ik ben niet bang uitgevallen, maar je weet maar nooit wat je tegenkomt. Ik had nog wel snel een onderbroek aangetrokken, maar desondanks sta je niet zo sterk op je pantoffels. Voor ik nog wat probeerde te slapen, heb ik een tijdje gelezen in de nieuwste aanwinst, de Brieven uit Genua van Ilja Leonard Pfeijffer, met wie jij nog eens enthousiast hebt staan praten over Griekse poëzie, elf jaar geleden, in café Van Wegen in Utrecht. Daar werd toen de door Chrétien Breukers samengestelde bloemlezing 25 jaar Nederlandstalige poëzie, 1980-2005 in 666 en een stuk of wat gedichten gepresenteerd.

Ik ben nog maar net in het boek begonnen, maar wat ik tot nu toe heb gelezen, bevalt mij zeer. Niet alleen de stijl. Over veel dingen ben ik het met hem eens en ik ben sowieso een liefhebber van brievenboeken, mits goed geschreven. In een brief wordt iemand rechtstreeks aangesproken en dat is een vorm van directheid die mij goed ligt. Als lezer en als schrijver. Daarbij komt dat hij vanuit Genua schrijft, een mediterrane stad die mij, hoewel ik er nooit ben geweest, aan Thessaloniki doet denken. Als ik tijd van leven heb, wil ik volgend jaar naar de Annual Conference van de Dickens Fellowship in Carrara. Dan ga ik beslist ook naar Genua. De conferentie van dit jaar sla ik over. Het huis moet van buiten worden geschilderd, ik ga al op wandeltocht door Zuid-Engeland en minstens nog twee keer naar Thessaloniki, maar met de verdiensten is het wat slap de laatste tijd en van mijn column in het Griekenland Magazine kan ik het niet allemaal betalen. Een column in een dag- of weekblad zou prettig zijn, maar wie zit er te wachten op iemand die alleen zo af en toe eens op de radio is te horen? Afgelopen vrijdag nog, op Hilversum 1, zoals ik NPO 1 nog altijd pleeg te noemen, lekker uit nostalgie. Een uitzending vanuit huis, want meneer Govert uit Oosterhout kwam weer eens langs met zijn kastje. Dat scheelde een rit naar het Mediapark, waar ik door een afspraak geen tijd voor had, of een fietstochtje door de regen naar het Mediacentrum van RTV-Dordt.

Vlak voor ik naar Thessaloniki ging, begin februari, was er vanuit dat Mediacentrum een marathonuitzending, van tien tot vijf, van Ben Corino's radioprogramma Studio De Witt, dat normaal op zaterdagochtend van tien tot twaalf wordt uitgezonden door Drechtstad FM, de radiopoot van RTV-Dordt. Studio De Witt bestond een jaar en dat was aanleiding tot een feestje. Terecht, want het is een goed programma en een verrijking van het aanbod van Drechtstad FM. Tijdens het eerste uur is er een hoofdgast, een bekende uit de regio, of iemand die over Dordrecht en omstreken iets zinnigs heeft te vertellen. Die gast kiest ook de muziek. Het tweede uur is voor de lokale actualiteit, waarbij Ben het de plaatselijke politici soms knap moeilijk kan maken, zoals het hoort. Aan het eind van dat uur komt de 'dichter van dienst.' Ik heb al verschillende keren aan Studio De Witt meegewerkt en ik was in die hoedanigheid, met een aantal andere dichters, ook betrokken bij de jubileumuitzending. Het was een aangename happening, waaraan de Dordtse mediamannen Victor de Coninck, Kees Thies, Cees den Bakker, Thijs Blom en Arie Baas als gastpresentatoren meewerkten. Ik ben bij een flink deel van de uitzending geweest en heb vooral genoten van het live optreden van de zangeres Thisgirlslife Ilona. En van de loempia's van collega dichter Xuan Tran, in Vietnam een beroemdheid en in Dordt uitbater van de loempiakraam op de Visbrug. Vorige week vertelde hij mij dat iemand bezig is zijn gedichten in het Nederlands te vertalen, maar dit terzijde. Het is jammer dat Drechtstad FM niet het budget heeft voor meer informatieve programma's als Studio De Witt en Via Cultura (dat op donderdagavond tussen acht en negen wordt uitgezonden). Met de bezuinigingen op de lokale omroep is de kans daarop erg klein, tenzij de raad tot bezinning komt, maar veel van het rechtse spul dat daar de boventoon voert, draagt de omroep geen warm hart toe.

Het eerste deel van deze brief schreef ik in de bar van kunstenaarscollectief DOOR, op de Voorstraat, waar iedere dinsdag tot en met vrijdag lunchcafé is. Ik ben het weleens zat om thuis te werken en dan zoek ik een café om te schrijven. Soms is dat Visser, soms het Stadscafé, 's zomers bij mooi weer ook wel het terras van Merz (waar schrijven binnen op de een of andere manier nooit lukt) en tegenwoordig regelmatig DOOR. Van de geluiden om mij heen kan ik mij uitstekend afsluiten en DOOR heeft het voordeel dat er gelijkgestemden werken, terwijl je er ook goed kunt lunchen. Bovendien is er een goede wifi-verbinding. Die hebben ze bij Visser en het Stadscafé niet, wat lastig is als ik tijdens het schrijven even iets wil uitzoeken. In het Stadscafé kan ik alleen lekker werken aan het raamtafeltje en dat is nog weleens bezet. Het enige vervelende is het rookverbod, maar tijdens het schrijven rook ik zelden. Wel tijdens het corrigeren van een typoscript of het lezen van manuscripten voor Liverse, maar dat laatste doe ik altijd thuis, waar alles mag dat God heeft verboden.

DOOR is misschien wel het beste initiatief dat de laatste tijd in Dordrecht is ontplooid. Ik zie een paar parallellen met het ontstaan van de stichting Bobby Kinghe, die wij in 1971 oprichtten. Die kwam ook voort uit wat ik maar een kunstzinnige winkel noem. Bobby Kinghe uit het Cultureel Warenhuis Bobby Kinghe van Jan van der Geer en Gerrit de Wolf in de Hofstraat. DOOR uit Van Horen Zien in de Nieuwstraat, om de hoek van de Hofstraat. Beiden zijn opgericht door artistiek begaafde en bevlogen mensen en richten zich op een breed scala van kunsten. Zo kan ik nog wel even doorgaan, maar het komt er op neer dat ik mij erg thuis voel bij DOOR, ook al ben ik een generatie ouder dan de meeste betrokkenen. Toevallig is een van de medewerksters ook voorzitster van Bobby Kinghe. Onlangs hebben we samen op een bijeenkomst van de gemeente het woord gevoerd namens Bobby Kinghe, hoewel het precies veertig jaar geleden is dat ik het bestuur verliet. Het voelde alsof de cirkel weer werd gesloten.

In gedachten, altijd,

Kees

Dordrecht, 4 maart 2016

Foto: auteur.




woensdag, maart 02, 2016

Brief aan Stella




Lieve Stella,

Hoog tijd dat ik je weer eens schrijf. Het is te lang geleden. Ik oktober was ik bijna een maand in Thessaloniki. In een appartement in de bovenstad, dat ik het Tijdelijk Schrijfhok noemde. Geschreven heb ik er! Het ene korte verhaal na het andere. Ruwe versies, die ik later in Dordrecht bewerkte tot miniaturen. Stukjes van precies tweehonderdachttien woorden, de titel niet meegerekend. Ik vond het fascinerend om te doen, dat passen en meten met taal. Ik heb er ondertussen ruim tachtig geschreven. Een aantal staat op mijn weblog, een paar werden, of worden nog, opgenomen in literaire tijdschriften. Buurvrouw Elvira, een begaafd kunstenares, gaat er een stuk of wat illustreren en uiteindelijk moet het een boek worden. Ik hoop dat het in de loop van 2017 kan verschijnen. Ik schrijf nog steeds korte verhalen, al heb ik het prettige keurslijf van de tweehonderdachttien woorden inmiddels afgelegd. Het moet geen kunstje worden, geen knutselen om het knutselen, zoals bij de rederijkers en soms wil je meer uitweiden dan suggereren, al blijft het prettig om minder 'barok' te schrijven.

Het was even wennen in het Tijdelijk Schrijfhok. Ik zat er uitstekend. Lekker centraal, op een kwartiertje lopen van het Agia Sofiaplein en twintig minuten van Loxias. Op de terugweg moest ik een flinke helling op, wat uitstekend was voor de conditie. Er werd iedere dag schoongemaakt en om de twee dagen werden de handdoeken en het linnengoed verschoond. Ik had een keukentje ter beschikking, wat handig was voor ontbijt en lunch. Van alle gemakken voorzien dus, maar het was het Schrijfhuis niet, dat helemaal jouw smaak en sfeer uitstraalde. In de zeven jaar dat ik het heb gebruikt na jouw overlijden, heb ik er nauwelijks iets veranderd. Alleen de oude televisie heb ik vervangen, want die was helemaal op. De nieuwe heb ik aan je broer Savvas gegeven, hij was te groot voor het huis in Dordrecht. De grote boekenkast is naar Vaso en Alexis in Athene gegaan. Je kleine, antieke tafeltjes, een deel van je boeken, je keramiek en schilderijen zijn naar Nederland gekomen, maar de rest van het meubilair is achtergebleven. Ik heb er hier geen ruimte voor. Ik dacht dat Menelaos er zelf zou gaan wonen, met Zina en Marina, maar het is wat klein voor een gezin, daarom verhuurt hij het voorlopig aan twee studentes, tot Marina oud genoeg is om er te gaan wonen. Van die huur kunnen ze hun appartement in Faliro wat makkelijker betalen. Ik begrijp dat wel.

Misschien ben ik sentimenteler dan ik mijzelf wil toegeven. Toen ik bij Savvas koffie ging drinken, ben ik daarna langs het voormalig Schrijfhuis gelopen, in de hoop dat ik misschien een van de oude buren zou zien. Kyr' Yannis, kyria Maria of de weduwe van de tractorman, maar ik zag niemand. Ik heb vanuit het plantsoen een foto gemaakt en toen moest ik even hard slikken om niet te gaan janken. De tranen waren soms ook erg nabij als ik 's morgens de Agia Sofiastraat afdaalde om koffie te gaan drinken in Het Varken. Dan kwam ik langs de Experimentele School, waar jij lesgaf toen ik je leerde kennen. Ik moest vaak denken aan die mooie jaren van de uitwisseling tussen de Experimentele School en de mijne in Dordrecht. Die uitwisseling was toch vooral jouw werk. Ik spreek nog weleens oud-leerlingen uit die tijd en altijd denken ze met veel enthousiasme terug aan het bezoek aan Thessaloniki en de komst van de Grieken naar Dordrecht. Ik ben nog steeds kwaad over de manier waarop de toenmalige rectrix (een mens met niet meer dan een derdegraads bevoegdheid in ik weet niet eens meer welk vak) de uitwisseling de nek omdraaide. Hoe dom en kortzichtig was dat wel niet. Dat krijg je als je mensen met te weinig intellectuele bagage op zo'n positie zet.

De Experimentele School, waar ik toen kind aan huis was, is nu weer een burcht waar ik niet binnenkom. Ja, ik kan best een keer aanbellen, maar er is geen collega meer uit die tijd. Allemaal met pensioen of overleden. Het enige wat nog aan 'onze tijd' herinnert zijn wat foto's in een boek dat uitkwam toen de school vijfenzeventig jaar bestond. Dat boek is meegekomen met de verhuizing naar Nederland.

Het verbaast mij wel een beetje, dat sentimentele. Mijn vader had dat ook, maar ik lijk uiterlijk en vooral qua karakter veel meer op mijn moeder dan op mijn vader. Ik dacht dat ik alleen die akelige driftbuien waarop ik jou (tot mijn spijt, maar er is niets meer aan te doen) weleens trakteerde, van mijn vader had. Net als mijn moeder kon jij daar goed mee omgaan, maar ze hebben mij indertijd wel mijn huwelijk met Annemarie en mijn relatie met Marion gekost. Jij dacht dat die driftbuien met de jaren wel zouden afnemen, wat ook het geval is, heb ik de indruk. Ik ben in veel dingen een stuk milder geworden, behalve in mijn hekel aan domme, fanatieke en dweepzieke mensen. Ook ben ik nog even dol op de Dranck als vroeger, maar die inname beheers ik tegenwoordig toch een stuk beter. Ik bereid de uitgave van een nieuw deel van mijn Literair Dagboek voor. Het gaat over de jaren 1975-1979. Ik ben de drukproef aan het corrigeren en word soms zelf enigszins ongerust over de sloten Dranck die door de pagina's stromen.

Toen ik terugkwam uit Griekenland, kreeg ik van mijn huisarts te horen dat ik hartpatiënt ben. Nu ja, dat is wel een erg groot woord. Ergens bij een kransslagader hebben ze na lang zoeken het minuscule begin van een vernauwing gevonden. Ik heb er eigenlijk helemaal geen last van. Ook niet als ik de helling naar het Tijdelijk Schrijfhok opliep. Ik heb nu een pilletje uit voorzorg, waarmee ik volgens de cardioloog honderd kan worden. Ik heb hem gezegd dat ik verhaal kom halen als hij het verkeerd heeft. Voorlopig heb ik meer last van mijn hart als we het over de liefde hebben. Ik ben al een tijdje verliefd op een leuke vrouw, maar het is niet wederzijds en hoewel dat mij verdriet, begrijp ik het wel. Ik ben meer dan twintig jaar ouder en er in de loop der jaren niet mooier op geworden. Wel een klein beetje wijzer, hoop ik, maar daar krijg je bij de bakker geen brood voor. Ik ben gelukkig niet zo'n akelig type dat almaar achter een vrouw aan blijft zitten terwijl de liefde niet wordt beantwoord, dus berust ik erin en leer er mee te leven, zoals ik ook heb leren leven met het gemis van jou. Soms steek ik 's avonds de open haard aan en staar ik een tijdje in de vlammen, terwijl ik aan jou denk en aan haar. Daarna pak ik een boek. Gelukkig heb ik een paar duizend boeken en die heb ik nog lang niet allemaal gelezen.

In gedachten, altijd,

Kees

Dordrecht, 27 februari 2016

Foto: auteur



woensdag, februari 24, 2016

Springlevend



Als ik door Dordrecht loop, komen automatisch de beelden in mij op van hoe de stad was. Op de Spuiboulevard zie ik de opslagloodsen van het leger langs de Cornelis de Wittstraat (wij spraken van Achter 's Lands Werf). In de Boogjes doemt weer een zwartbevuild stuk muur op, waarvan werd beweerd dat het de allerlaatste rest van de stadsmuur was. Bij de Riedijkshaven zie ik weer de enorme gashouder. We hadden onze eigen gasfabriek. Je gooide een munt in de meter en je had voor zoveel uren gas. De voorloper van de 'slimme meter.' Die munten kocht je bij de kruidenier of de drogist. Bij de laatste moest ik ook om petroleum, als mijn moeder peertjes wilde stoven.

De drogist bij ons in de straat vond van zichzelf dat hij humor had. Toen ik eens om een dweil werd gestuurd, zei hij: 'Even mijn vrouw halen.' Zijn zoon liet in de eindexamenklas naaktfoto's van een vriendinnetje rondgaan en ging er later met de inhoud van de kassa vandoor. Mijn moeder was een kei in peertjes stoven, maar ik ging niet graag om petroleum.

Inmiddels kom ik al bijna drie decennia regelmatig in Thessaloniki. Ook daar loopt het verleden met mij mee en soms neemt het mij bij de hand: de toren van de Pedagogische Faculteit, een favoriet restaurant op het Navarinoplein, de ruïne van wat eens taverne Het Goede van Jesaja was, de met kranten dichtgeplakte en gebarsten ramen van café Polso. Stella, Sofronis, vader Kostas, kyria Maria, barba Kyriakos, de schoenlapper en de tractorman. Alsof ze gisteren nog allemaal springlevend waren.


Foto: Kees Klok


vrijdag, februari 19, 2016

Voorproefje




Op zondagmiddag 10 april aanstaande wordt deel V uit mijn serie Literaire Dagboeken gepresenteerd, om 15.00u in Galerie de Compagnie in Dordrecht (iedere belangstellende is van harte welkom en de toegang is nog gratis ook). Een zootje ongeregeld beslaat de vroegste jaren (1975-1979), vanaf het ogenblik dat ik begon met regelmatig een dagboek bij te houden. Turbulente jaren, waarin ik met gelijkgestemden als C. Buddingh', Wim de Vries, Jacques Noorman, Han van Gorkom, Ton van Dalen, Bas Damme en andere schrijvers en kunstenaars, probeerde het ingedutte culturele leven van Dordrecht wakker te schudden. Jaren waarin ik, pas begonnen in het onderwijs en geschiedenis studerend aan de School voor Taal- en Letterkunde in Den Haag, droomde van een schrijverscarrière en waarin de liefde veel verdriet, maar ook veel gelukkige ogenblikken teweeg bracht. Hier een voorproefje uit het boek.


1978

Vrijdag, 8 september:
Begonnen aan een novelle: Leo Marcus. Al een paar bladzijden geschreven. Gerrit wilde toch het een en ander aan zijn nieuwe huis verbouwen. Omdat hij daar veel te onhandig voor is, hebben Wim, Peter, Marion en ik tot nu toe het meeste gedaan. Wij het afbreken en opruimen, Wim het bouwen. Daardoor deze week niet gestudeerd.

Niemand is conservatiever dan een 'normale' mavo-leerling.

Was gisteren op het verjaardagfeestje van Nelly van Dalen. Marion en ik hebben haar het boek met litho's van Daumier gegeven en de nagelaten gedichten van Jan Arends. Gerard Bouma kwam met een Rietveld-stoel die hij had nagemaakt. Ook Bas Damme was er, net een paar uren terug van zijn Spaanse avontuur. Johan van Oord toonde zich van zijn beste kant en dan is hij goed gezelschap. Nelly had alleen de beste vrienden gevraagd. Verder waren er: Dick & Lise Boonstra, Jan & Hendrikje van Nieuwenhoven, Marion en ik.

Vrijdag, 15 september:
Woensdagmiddag met Marion naar Amsterdam gespoord voor het gesprek met Willem van Beusekom. Hij vond mijn aantekeningen niet slecht, maar raadde aan me te richten op het publiceren van proza en/of poëzie en de dagboeken voorlopig als werkmateriaal te beschouwen. Daar zijn ze in feite ook voor bedoeld. Het verhaal Prins bij Willem achtergelaten. Niet geheel nuchter teruggekomen in Dordt. Eerst flink met Willem aan het bier gezeten en daarna met Marion doorgezakt bij Scheltema. Goed dat ze mee was. Ik viel in de trein in slaap. Zonder Marion was ik in Brussel geëindigd, vrees ik.

Gekocht: alle bundels gedichten van Remco Campert. Sinds ik ooit Dit gebeurde overal cadeau kreeg van Gerrit, ben ik een verwoed Campert-fan. 'Alles zoop en naaide/heel Europa een groot matras.'

Woensdag, 20 september:
Mijn handen vol aan werk, studie en het helpen bij Lupius. Van schrijven komt niet veel. Voorlopig ook weer op dinsdagavond naar college: onderwijskunde. Tijdverspilling. Zoals ik al vreesde begon de docent, een volmaakt stereotype, zou zo naar een sociale academie kunnen, over sensitivity training. Dat hebben we botweg geweigerd. De meeste studenten waren het met ons eens. We studeren nu op maandag en woensdag gezamenlijk en op donderdag voor onszelf. Morgen komt daar alweer niets van terecht, omdat ik naar de vergadering van Letteriek ga. Eigenlijk moest ik langs Heinz Schneeweiss (maandagmiddag een uur lang met zijn problemen aan de telefoon), maar dat heb ik afgezegd. Leo Marcus is nog steeds niet in Engeland aangekomen.

Zaterdag, 23 september:
Nu loopt het helemaal mis met Leo: aanstaande donderdag tentamen oudheid, dit keer in Utrecht. Gisteren kwam de oproep, veel eerder dan ik had verwacht. Vandaag de colleges laten schieten om thuis te studeren, want morgen gaan we naar de tentoonstelling van Panamarenko. Ik had bovendien al besloten de zondag niet meer als werkdag te gebruiken. Zes dagen in de week werken en/of studeren lijkt me ruimschoots genoeg.

De poster van het Parijse hoertje, op mijn werkkamer, vervangen door een zeefdruk met het portret en een gedicht van Kees Buddingh'.

Ada d' Hamecourt kan het verder bekijken met Letteriek. Tot twee keer toe een half uur van tevoren een vergadering afzeggen! Ik kom geen derde keer. Ze zoekt maar een ander. Ik wil best nog voor Letteriek schrijven, maar de rest is mijn pakkie niet meer an.

Woensdag, 27 september:

Vanmiddag een malloot aan de deur. Kwaad smoel, grote bek. Hoe of het met zijn gedichten stond? Doorgestuurd door Cocky v.d. Gijp van de Culturele Raad. Ik had geen idee waar de gek het over had. Gezegd dat hij volgens mij bij de redactie van Letteriek moet zijn en dat mevrouw Van der Gijp weet waar die te vinden is, dat ik geen adres heb. De lul droop mokkend af.


Een zootje ongeregeld wordt uitgegeven door Liverse, ISNB 9789491034 6 en is reeds te bestellen bij de uitgever of de betere boekhandel. Euro 16,50.

Kijk ook eens even hier.



woensdag, februari 17, 2016

Urania




Op weg van het Tijdelijk Schrijfhok naar de benedenstad daal ik de Agia Sofiastraat af. Mijn blik valt op de naam van een steeg die ik passeer: Uraniastraat. Urania, de muze van de sterrenkunde. Onwillekeurig moet ik aan Charles Dickens denken, die samen met de puissant rijke mejuffrouw Coutts een tehuis voor gevallen meisjes stichtte, dat Urania Cottage werd genoemd. Doel was deze meisjes weer op te heffen (zoals wij toen in Nederlands-Indië bezig waren den Javaan op te heffen), door hen de nodige huishoudelijke handigheden te leren en hen daarna te verschepen naar Australië of Canada, om daar te trouwen en nog lang en gelukkig te leven.

Dickens heeft Griekenland nooit bezocht, laat staan Thessaloniki, dat in de negentiende eeuw met Smyrna concurreerde om de positie van de tweede stad van het Osmaanse Rijk. Gevallen meisjes zijn in de Uraniastraat waarschijnlijk niet te vinden, wel in de benedenstad in the seedy side of town, tussen de haven en het station. Veel sterren zijn er tussen de omhoog torenende flats in de Uraniastraat 's nachts trouwens ook niet te zien.

Het Tijdelijk Schrijfhok ligt in wat vroeger de Turkse wijk was. Even boven de straat waar in 1917 de grote stadsbrand ontstond. Zesendertig uur brandde het, waarna driekwart van de stad in de as lag. Het is een schilderachtige buurt, waar je nog het een en ander terugvindt uit de tijd dat de mobiele telefoon en het internet behoorden tot de zonderlinge dromen van een doorgedraaide Willy Wortel. Ik word zowat van de stoep gelopen door een meisje dat geheel in de ban van haar smartphone lijkt. Ze werpt me een nijdige blik toe, want het is natuurlijk mijn schuld.

De brand veranderde voor een groot deel het aanzien van de stad. De geschiedenis verdreef de Turken en later ook vrijwel alle Joden, die eind negentiende eeuw nog de grootste groep inwoners vormden. Thessaloniki werd daarom wel het Jeruzalem van de Balkan genoemd. Wat het internet allemaal nog teweeg gaat brengen, valt met geen mogelijkheid te overzien, maar het Grieks kent nu in ieder geval het werkwoord γουγλάρω.

Foto: Kees Klok



zaterdag, februari 13, 2016

Valentijn



Wie mijn boeken leest, weet dat een flink vleugje romantiek mij niet vreemd is, maar de romanticus in mij, komt ieder jaar weer in conflict met Valentijn. Dat is een door de commercie ingevoerde traditie van recente datum. Toen ik student was, vertoefde Valentijn nog uitsluitend in de Angel-Saksiche landen en wat mij betreft had hij daar beter kunnen blijven. 

Het Valentijngedoe is inmiddels uitgegroeid tot een rage, die bovendien een vals beeld geeft van liefde en romantiek. In de geest van wie geen geld neertelt voor een verrassing, de liefde eigenlijk niet serieus neemt. Nee, je bent de ideale partner als je meedoet aan Valentijn, ook als je de rest van het jaar nooit iets aardigs voor je liefde meebrengt. 

Kortom, ik vind het onzin en flauwekul. Het heeft soms ook iets stiekums, in het geniep een Valentijn sturen aan de vrouw, of waarom niet, de ontluikende dochter, van een van je vrienden. Big deal! Je begijpt, ik doe niet mee aan Valentijn. Ik ken wel een heel leuke vrouw, die ik heimelijk liefheb. Die krijgt binnenkort een verrassing, maar morgen, nee..... geen denken aan.





woensdag, februari 10, 2016

De eerste



 

Ze was de eerste vrouw in mijn leven waarmee ik op avontuur ging. Ze leek mij onnoemelijk oud. Zestien was ze, hooguit, ik moet een jaar of drie, vier zijn geweest. Ze heette Mien, een naam die hoort bij een bijna uitgestorven generatie. Onze avonturen vonden plaats op middagen met mooi weer, in het voorjaar of de zomer. Op dinsdagmiddagen, want dan was de winkel gesloten. Op zondagen zag ik haar nooit. Ze kwam, in tegenstelling tot mijn familie, uit bevindelijke kring. Daar werd op de dag des Heeren niet gefietst en onze avonturen waren van de fiets afhankelijk.

Mien was het winkelmeisje van mijn grootvader, die een melkhandel annex kruidenierszaak uitbaatte. Hij deed met de bakfiets 's morgens de melkwijk, Mien stond in de winkel, samen met mijn tante, de jongste, nog ongetrouwde zus van mijn moeder. Als opa zijn ronde had gedaan was het tijd voor het middageten, altijd stipt om half één en geen minuut later. Daarna maakte hij een andere ronde, langs de Dordtse havens, waar hij altijd wel een paar oud-varensgezellen trof met wie hij eindeloos kon praten. Over de goede, oude tijd dat ze de wereld verkenden en avonturen beleefden waarover ik als kind nog niet eens kon dromen.

Mien nam mij mee achter op haar fiets om het Eiland van Dordrecht te verkennen. Ik was te jong om mij veel details te kunnen herinneren, maar ik vond het fascinerend om weg te worden gereden uit de straat waarin mijn kleuterleven zich voltrok en de wijde wereld van ons eiland te ontdekken. Van afstanden had ik nog geen enkel benul en later zou het eiland flink ineenschrompelen, maar nog steeds is het een wereld waar ik, als puntje bij paaltje komt, genoeg aan zou hebben. Een kosmos zoals C. Buddingh' zo treffend beschreef in zijn gedicht Hier, op dit eiland, waarvan ik de eerste strofe citeer:

Hier, op dit eiland,
dat sinds lang geen eiland meer is:
drie bruggen, twee tunnels,
heb ik alles zich af zien spelen
wat zich op aarde maar afspelen kan.

Twee indrukken staan mij nog wel helder voor de geest: de eerste keer dat wij naar de Moerdijkbrug gingen en het eerste bezoek aan het Huis te Merwede. Niet zozeer de imposante verkeersbrug maakte indruk, als wel de brede watervlakte. Het was niet de zee, maar toch wel een zeearm. Nog even, want de deltawerken waren nauwelijks in gang gezet. Er was bovendien een strand. Ik geloof zelfs dat we die middag het water in zijn geweest. Het heeft mij voorgoed het gevoel gegeven dat het Eiland van Dordrecht, hoe klein ook en hoe misbruikt inmiddels door te invloedrijke projectontwikkelaars, een eiland van ruimte is.

Het Huis te Merwede symboliseert de onbegrepen angst die je als kind kan overvallen. Om waaghalzerij te voorkomen zei Mien: 'Wie er in klimt, komt er nooit meer uit.' Vanaf dat ogenblik straalde de ruïne een ondefinieerbare dreiging uit die ik nog lang in zijn nabijheid heb gevoeld. Tot de steenklomp werd overschaduwd door de gevangenis die in de buurt verrees.

Ik leerde al jong zelf fietsen. Ik hoefde niet meer bij Mien achterop, maar kon trots op mijn kinderfietsje mee op stap. Tot ze verkering kreeg en trouwde. Eind jaren vijftig betekende dat huisvrouw worden. Ze verdween echter niet uit mijn leven. Mien en haar man werden goede vrienden van mijn ouders. Op een keer, ik was twaalf, hielden we gezamenlijk vakantie in een bouwvalletje bij Vaassen, in de schaduw van kasteel Cannenburg. Ik hoorde voor het eerst de naam Maarten van Rossem. Niet de Maarten van Rossem bij wie ik later zou afstuderen, maar die van de tabaksreclame die toen nog onbekommerd mocht worden gemaakt. Wij maakten lange fietstochten over de Veluwe. Op zondagen bleven Mien en haar man thuis. In mijn herinnering liet hun Heere het die dagen onbarmhartig regenen. Oneindig spannend vond ik de fietstochtjes, net na zonsondergang, naar de kroondomeinen waar je soms herten of wilde zwijnen zag.

Ik zit op een zomers terrasje bij de Kop van 't Land. Zacht brommend komt de veerboot naar Werkendam naderbij. Als ik overvaar kan ik met enig gemak nog heen en terug fietsen naar Woudrichem, maar ik blijf liever op mijn eiland. Naarmate ik ouder word hecht ik meer aan het nest waaruit ik voortkom. Ik drink mijn koffie en denk aan Mien. Altijd als ik door de polders ten zuiden van Dordt fiets, denk ik op een gegeven ogenblik aan Mien en onze ontdekkingsreisjes. Ik denk ook aan de afschuwelijke ziekte waaraan ze jong is gestorven. Ik geloof niet in haar Heere, maar de natuur is al even wreed en onbarmhartig.


Opgenomen in Dordt Fietst - Samenstelling Rob Nederlof en Ruud Verkerk. Dordrecht 2015.


woensdag, februari 03, 2016

Dertig april



Ik ben misschien zes, of zeven. Het is koninginnedag, dertig april. Ik loop met mijn vader over de Vrieseweg, mijn geboortestraat. Op mijn overhemd zit een oranje strikje. Dat was bij ons vanzelfsprekend op koninginnedagen in de jaren vijftig. Zoals het ook vanzelfsprekend was dat je op de vroege ochtend van zo'n dag met je klas naar het stadhuis moest om vaderlandslievende liederen te zingen. Daarna werd je losgelaten, kocht je een tennisbal aan een elastiekje en schoot je daarmee naar de kuiten van de meisjes. Die wendden daarop boosheid voor.

Mijn geboortehuis stond aan het 'arme' gedeelte van de Vrieseweg. Op de hoek met het Vrieseplein had je De Gruyter. Daar kochten we niet, want De Gruyter deed mijn grootvader oneerlijke concurrentie aan. Vanaf De Gruyter liep de stoep enigszins hellend af. Wij noemden dat de hol. Als iemand een zeepkist met wielen had, lieten we ons van de hol af rijden. Dan kwam je zo'n beetje tot stilstand bij het huis van tante Christien.

Mijn geboortehuis is gesloopt, dat van tante Christien is bijna onherkenbaar verbouwd. Alleen het zwartbetegelde raamkozijn herken ik. Als ik langs loop en die tegeltjes zie, denk ik even aan mijn vader, aan koninginnedag en aan dat strikje. Je wist niet beter en iedereen zat met zo'n bal achter de meisjes aan.


Foto: Archief auteur


vrijdag, januari 29, 2016

Pem



Gedichtendag. Ik zit in het lunchcafé van DOOR, de 'creatieve broedplaats' in het hart van mijn stad. Ik heb langs de rand van het eiland gewandeld. In mijn rugzak de dichtbundel Het licht van Attika van Pem Sluijter. Zij overleed twee maanden voor Jan Eijkelboom, die ook op latere leeftijd debuteerde. Ik kwam hem regelmatig tegen. Hij wandelde ook vaak door de stad, waarmee wij vergroeiden na de onrust van de puberjaren.

Omdat ik binnenkort op reis ga, bak ik zelf geen brood, maar haal het bij Nobel in de Grotekerksbuurt. Ik vind daar Dordrecht uit de tijd van mijn overgrootvader. Hij had een kroeg in dezelfde straat, al heet het daar Wijnstraat. Tussenin heet het Groenmarkt. Daar trof ik Jan Eijkelboom vaak bij Visser.

Terwijl ik op mijn beurt wacht, zie ik in gedachten mijn overgrootvader binnenstappen. Ik ken hem alleen van foto's en familieverhalen. Zoals ik Pem Sluijter alleen ken van haar gedichten. Ze debuteerde op haar achtenvijftigste en liet een klein, tintelend oeuvre na, ondermeer het gedicht Tegen het licht en tegen het water. Ik denk er steeds aan terwijl ik mijn wandeling voortzet. Zij schrijft:

....... Zijn vrouw herkent
op televisie in de brokken puin
de keuken van haar tante

en:

De eerste nachten laten
nadrukkelijk stilte als schoten
vallen die hen wakker houdt.



Foto: auteur

Kijk ook eens even hier.


donderdag, januari 28, 2016

Gedichtendaggedicht




Luchtfietser

Tja, de luchtfietser met zijn
dromen en illusies,

zijn drang tot het vergeefse,
zijn pogen de tijd stil te zetten.

Fietsen tegen de tijd,
trappen tegen de tijd,

almaar tegen, tegen, tegen dat wat
onbuigzaam voortgaat.

Soms ziet hij een meisje
en kijkt hij even om,

maar altijd net als zij
om een hoek is verdwenen.


©Kees Klok

Foto: auteur


maandag, januari 25, 2016

Muis




Waar het toneelstuk over ging, ben ik vergeten, maar ik was de muis. Dat had de juf zo beslist. Ze vond de andere jongens te groot voor muis. Behalve Jopie, een albino. Die was nog een stuk kleiner dan ik en van zichzelf al wit, maar zielig. De muis had geen tekst, maar moest in muizenpak. Mijn moeder maakte bruidsjurken en nu dus een muizenpak.

De school was een 'opleidingsschool' voor rijkeluiskinderen, die later naar het gymnasium, of desnoods de hbs moesten. Ik viel er als zoontje van een boekhouder en een naaister uit de toon. Zelfs de dochter van de stomerij vond zich te goed voor mij. Ik compenseerde dat door mij op het schoolplein uitzonderlijk te gedragen. Toen ik de dochter van de stomerij, ze zat een klas lager, een keer onverwacht een zoen gaf, sleurde de juf mij aan mijn oor naar het hoofd der school. Ik was een vieze smeerlap.

De voorstelling was in de grote zaal van het grote stadstheater. De muis moest steeds van links naar rechts over het toneel kruipen. Dan begonnen de actrices te gillen. Toen ik genoeg had van het gegil, trok ik in de coulissen het muizenpak uit en liep naar huis. Ik was er nog eerder dan mijn trotse ouders. Het muizenpak heb ik nooit meer gezien.



Kijk ook eens hier.


dinsdag, januari 19, 2016

Op schema




De Intercity Direct van 18.38u rijdt niet. Wel staat de Thalys naar Parijs op vertrekken. Ik moet wachten op de gewone intercity. Buiten het station is het beestenweer. Op het perron staan tot de tanden gewapende marechaussees. Eén van hen een beeldschone, jonge vrouw. Waarom wil zij deel zijn van een oorlogsmachine? Ik vraag het haar niet, maar als altijd stemt het zien van een vrouw in militair uniform mij droef. Ik geef de doorgeschoten emancipatie de schuld.

De conducteur roept bij elk station om dat we precies op schema aankomen. Alsof het iets is dat we zelden meemaken. Ik sms Claire of ze meegaat een pizza eten, maar het wordt wel na acht uur. Ze antwoordt dat ze al heeft gegeten. Buiten is het nog steeds beestenweer. Soms zie je, als de trein over de Zwijndrechtse Brug rijdt, de verlichte toren van de Grote Kerk, maar vanavond blijft het donker.

Alweer op schema komen we aan in Dordrecht. Ik loop naar huis onder een te kleine paraplu. Een miskoop, maar handig voor in de rugzak. Ik verwissel mijn hoed voor een alpino en pak de fiets. Claire zal bellen als ze nog uitgaat, maar met dit weer weet ze het niet. Tot op de draad nat arriveer ik bij Costa d' Oro, maar nog wel op tijd.


Foto: auteur


vrijdag, januari 15, 2016

Nachtmerrie




Op de radio raadt iemand een actuele klimgids aan. Ik moet denken aan een collega die ik korte tijd had. Haar naam en het vak dat ze gaf, weet ik niet meer. Het was een fragiele, jonge vrouw. Bergbeklimmen bleek haar liefhebberij. Aan rotswanden hangen met van die haken en touwen en een ijzingwekkende diepte onder je. Haar droom was ooit de Mount Everest beklimmen. Haar droom is mijn nachtmerrie.

Zo'n gids blijkt nodig omdat door de klimaatverandering de bergen uit elkaar beginnen te vallen, zegt de man. Er staat in waar het gevaarlijk is, zodat je bent voorbereid op neerkomend gesteente. In de hoofdweg tussen Athene en Thessaloniki is een nauw gedeelte door een diepe vallei, de Tempivallei. Een paar jaar geleden werden daar enkele auto's geplet door een neerstortend rotsblok. Doden en gewonden, consternatie op de televisie en een dagenlang gestremde weg.

Ik weet niet of ik ooit nog in de bergen ga wandelen. Mijn hoogtevrees heeft verontrustende vormen aangenomen. Zelfs het keukentrapje begint eng te worden. Wij hebben niet te kampen met vallende stenen, maar met rijzend water. Stel dat de dijken het begeven. Dan moet ik mijn dak op, iets wat ik in de vijfendertig jaar dat ik in dit huis woon, nooit heb gedurfd. Ondanks die handige brandtrap, ben ik dan reddeloos verloren.

Foto: auteur


vrijdag, januari 08, 2016

Gierkelders van de emotionaliteit




Door de motregen fiets ik naar het café aan de haven. Het is tien uur op de avond van Driekoningen. De straten zijn uitgestorven. Behalve bij het stadhuis, waar de gemeente nieuwjaarsreceptie houdt. Iedereen is welkom. Ik heb er van afgezien, zoals ik ook heb afgezien van de receptie van de voetbalclub. Ik heb zelfs getwijfeld of ik naar de wekelijkse vriendenborrel aan de haven zou gaan. Misschien kon ik beter de open haard aansteken en mij ver houden van de wereld.

Ik ga aan de bar zitten en wacht op de anderen, die wel naar het stadhuis zijn getogen. Ik bestel thee. Groene thee. Lekker is het niet, maar het internet zegt dat het goed is voor de bloeddruk. Het internet is de nieuwe dokter, de raadgever in alles, de bron van velerlei kennis, maar nooit van wijsheid, en het boze oog. Twitter, Facebook, het zijn de gierkelders van de emotionaliteit.

Als de anderen binnenkomen, bestel ik schielijk een glas wijn. Om het gezeik van 'ben je ziek?' te voorkomen. Ineens weet ik waarom ik de deur niet uit wilde. We drinken op het nieuwe jaar, terwijl ik denk aan mijn open haard, het licht in een naargeestige wereld. Met mijn bloeddruk is niets mis. Als ik maar niet te vaak op Twitter en Facebook ga zitten.

Foto: auteur


zondag, januari 03, 2016

Vespa



Als we tussenuren hadden, gingen we naar poffertjessalon Visser of naar de dijk achter het zwembad. We dronken cola, rookten en spraken over de Beatles en de Stones. We maakten weinig indruk op de meisjes. Indruk maakte Chris, ondanks zijn puisten. Chris was al zestien en reed op een Puch.

Toen ik zestien werd stond er bij ons geen Puch voor de deur. Na lang zoeken vond ik een afgeleefde Kaptein Mobylette. Gelukkig zat er een scheur in de knalpijp, zodat hij indrukwekkend knetterde. Van de snelheid moest ik het niet hebben. Eens werd ik zelfs door een Solex ingehaald. Als hij niet in beslag was genomen, was er misschien toch op een dag wel een meisje achterop gesprongen, om mee te gaan liggen in het gras achter het zwembad. Ook toen al had de overheid de schuld.

Een paar jaar later leerde ik Mieki kennen. Bij een poëzieworkshop van Bobby Kinghe. Ze reed op een Vespa. Als het regende werd de bougie vet en sloeg de motor af. Ik moest hem dan schoonmaken, waarna we weer een paar kilometer voort konden. Ze leek een beetje op Claire, ook van dat vlammende haar. Na onze scheiding mocht ik de Vespa houden. Claire belt. Of we nog naar Visser gaan en of we dan lopen of de fiets nemen.

Foto: archief auteur