donderdag, januari 26, 2017

Optrekkende mist




Lieve Stella,

Gisteren lag er een mistsluier over de rivier. Bijna geluidloos gleden enkele schepen langs. Ik denk dat ze op de radar voeren, want er klonk geen misthoorn. Door het vocht en de koude, het was een graad of twee, drie, was het alsof ik in een kelder liep. Een enorme kelder. Een wereldkelder. De kou drong door mijn schoenzolen, ondanks mijn dikke sokken. Ik heb een flinke bloeduitstorting op mijn rechter voet. Aan de bovenkant. Ik kan mij niet herinneren dat ik die heb gestoten, maar het maakte het lopen onaangenaam. Toch heb ik een flink stuk afgelegd, want ik moest en zou over de Pottenkade. Na ruim een uur was ik thuis. Ik verafschuw dit weer, ondanks de mysterieuze trekjes van die mist. 's Avonds heb ik me opgesloten in huis. Bij de open haard. Jouw open haard. Zonder jou was hij er nooit gekomen.

Normaal gesproken ga ik op dinsdagavond naar 't Vlak, met de vrienden met wie ik altijd in 't Vlak zit. Ik had nu afgezegd. Het zou gaan vriezen en met die mist was er alle kans op gladheid. Ik heb me nooit veel aan sneeuw of ijzel gelegen laten liggen. Gewoon een beetje uitkijken op de fiets, maar ik kreeg sterk het gevoel dat ik niet meer de deur uit moest gaan. Een dringend voorgevoel. Bovendien kwam er een documentaire op de buis over Griekenland. Uitzending gemist is geen optie, daar komt het toch nooit van. De vrienden moeten het mij maar niet kwalijk nemen. Op zomeravonden kan het heerlijk zijn, daar aan de rivier. Op gure winteravonden zit ik liever thuis. Misschien begint mijn lichtgevorderde leeftijd mee te spelen. Ik ben 's avonds ook vaak moe. Ik geef natuurlijk niet toe dat dat iets met leeftijd te maken heeft. Kom nou. Ik sta 's morgens te vroeg op en ik werk te hard. Vandaag weer drieduizend woorden literair dagboek in de computer gezet. Met die voet en met vierkante ogen van het staren naar het scherm.

Genoeg gezeurd over waaraan toch niets te doen is. Eigenlijk zou ik een feestje moeten vieren. De nieuwe Poëziekrant, waarin een paar gedichten van mij staan, is aangekomen. Dat is een soort eredivisieniveau, al trek je met poëzie geen volle stadions. Bovendien heb ik besloten een paar dagen de alcohol te laten staan. Ik ben er dol op, op wijn en op al die zalige dingen als calvados, oude Rutte, metaxa, tsipouro, de vier verschillende whisky's in de bar, armagnac en de vecchia romagna die de jongedame die nu en dan mijn bestaan opluistert, vorige week voor mij meebracht, maar mijn broeken beginnen te strak te zitten en volgende week moet ik voor controle naar de cardiologe en een goede indruk maken, zodat ze daar geen spijt krijgen dat ze mij vorig jaar het leven hebben gered. Ik moet nog veel schrijven en dat gaat stukken beter als ik 's morgens niet 'vermoeid' opsta vanwege het glasheffen.

Ik was even in Thessaloniki, tijdens die documentaire. Over een broer en een zus die een benzinestation uitbaten in de bovenstad, richting Sykies, niet zo ver van het appartement dat ik altijd huur als ik in de stad ben. Over hoe ze proberen te overleven en hoe moeilijk dat is met klanten die hun stookolie niet kunnen betalen, maar die je niet in de kou wil laten zitten. Over de wanhoop van de mensen van wie het pensioen alweer wordt gekort, terwijl ze al niet rondkwamen, of van de ontslagen filiaalhouder die geen werk meer kan vinden, zoals zoveel anderen, en die met zijn gezin van lieverlee wegzakt in armoede en zelf in een depressie. Over, want daar komt het op neer, de harteloosheid van de Noord-Europeanen, die wel de eigen banken hebben gered, na jarenlang miljarden aan Zuid-Europa te hebben verdiend, en nu met 'oplossingen' komen die de hele economie, het hele land in diepe ellende hebben gestort. Jij weet net zo goed als ik dat de Grieken zelf niet vrijuit gaan. Decennia van ongekend uitbundig consumentisme, van almaar lenen zonder je te bekommeren om een goed gestructureerde economie en een niet-corrupte, goed werkende overheid. Ja, dan dondert de boel op een gegeven ogenblik in elkaar, zoals al vaker is gebeurd in de geschiedenis van het land. Allemaal waar, maar als vrienden in narigheid zitten, help je, ook al is het deels hun eigen schuld, en dan kom je niet aan met rechtse rancunepraatjes en een opgeheven vinger.

Eigenlijk wil ik helemaal niet over politiek schrijven. Ik wil nooit meer over politiek schrijven. Ik wil schrijven over mist op de rivier en over de vlammen in de open haard, die mij doen denken aan de vlammende haren van voornoemde jongedame. Ik wil schrijven over jou, veel over jou. Over hoe wij door Mistras wandelden, tussen de radeloze Byzantijnen die, evenals de huidige Grieken, de ondergang in de ogen kijken. Constantinopel is net gevallen. In Mistras en in de Pontus houden de laatste resten van de Romeinse beschaving nog heel even stand. Op Samothraki zwierven we rond tussen de ruïnes van een nog oudere beschaving, door een tijd dat de Olympische goden nog geen plaats hadden gemaakt voor het bloedig fanatisme uit de woestijn, dat op zoveel plaatsen weer de kop opsteekt.

Vanmorgen bleek de mist opgetrokken. Er is geen nieuws. Dat wil zeggen, we zitten zonder radio en televisie, want de kabelmaatschappij heeft storing. In heel de buurt zitten mannen in oranje hesjes in verdeelkasten te rommelen. Ik kan voor nieuws op zoek op Facebook, maar ik laat liever de mistsluier nog even hangen. Ik houd Facebook aan omdat het mij in contact brengt met mensen die ik anders uit het oog had verloren en ik kan er mijn schrijfwinkeltje onder de aandacht brengen, maar net als op de snelweg kom je er ook veel idioten tegen en onnoemelijk veel onzin.

Omdat januari de verschrikkelijkste maand van het jaar is, één lange, éénendertig dagen durende maandag, heeft iemand Gedichtendag uitgevonden. Op de laatste donderdag van januari. Veertien jaar geleden alweer trok ik met een groep dichters op Gedichtendag door Zeeland. We lazen gedichten voor over de watersnoodramp van 1953. Ik was twee en had de mazelen. Daardoor mocht ik mijn bed niet uit. De hele dag zette ik een keel op van jewelste, tot ik alleen nog maar hees kon piepen. Ik maakte mij niet populair bij de familie uit de Hoekse Waard, die voor het water was gevlucht en bij ons onderdak kreeg. Later vertelde ik mijn leerlingen weleens dat ik ondanks mijn leeftijd en die mazelen leiding gaf aan het reddingswerk. Als je zoiets vaak genoeg vertelt, ga je het vanzelf geloven. Daarmee kun je furore maken op Facebook, of populistisch politicus worden. Als ik mag kiezen, ben ik liever met jou op Samothraki.

In gedachten, altijd,

Kees

Dordrecht, 25 januari 2017


Foto: auteur







dinsdag, januari 24, 2017

Cabaretesk theater




Lupius en ik zouden een theaterstuk schrijven. Iets tussen toneel en cabaret: cabaretesk theater. Daarvoor gingen we tussen kerst en nieuwjaar naar Rolde. Er was een hotel en er was een hunebed. Eigenlijk hadden we naar Grolloo gewild. Wij waren bewonderaars van Cuby and the Blizzards. Het was 1975, kort na de treinkaping bij Wijster. Er waren geen andere gasten. In het dorpscafé zaten twee slecht verstaanbare drinkers. De volgende dag bezochten wij het hunebed. We besloten dat Rolde niet echt inspireerde. We reisden naar Groningen.

Overdag brachten we uren door in Café 1672, waar we meestal schaakten. Soms gingen we naar een kroeg in de Heerenstraat. Daar bediende een Engels meisje dat geen bh droeg. 's Avonds gingen we naar Wolthoorn & Co. We bezochten een nichtje dat in Groningen studeerde. Ze woonde in de Muurstraat, waar volop aan prostitutie werd gedaan. Ze had een zolderetage van waaruit je de hoeren achter hun raam kon zien. Ze vertelde dat ze bij haar studie fysiotherapie weleens naakt oefende op medestudenten.

De laatste avond gingen we naar L' histoire d' O. In de trein terug begonnen we aan ons cabaretesk theater. Daarna werkten we in de avonduren verder. Wij bleven maar schrappen en sleutelen. Toen het uiteindelijk af was, stuurden we het naar het Ro-theater. We hebben nooit een reactie ontvangen.


woensdag, januari 18, 2017

Schakel met de Orient




De beroemde, geharste, Griekse, witte wijn, bekend onder de naam retsina is voor veel mensen even wennen. Drink je het voor het eerst, dan wil de harssmaak nog weleens onaangenaam zijn. Bij een tweede glas wordt dat al minder en na een paar glazen wil men vaak niet anders. Zo is het eigenlijk ook gesteld met Thessaloniki. Ik herinner mij mijn kennismaking met de tweede stad van Griekenland, die door dichteres Stella Timonidou (1946-2007) bezongen wordt als De nimf van het noorden. Ik zag weinig nimf die eerste keer. Wel een door veel smakeloze hoogbouw bedorven, rommelige stad met uitpuilende vuilcontainers en een chaotisch verkeer, waar ze in Parijs verbaasd van zouden staan. Thessaloniki lag bitter op de tong, maar onbekend is onbemind. Zodra ik de stad van lieverlee begon te ontdekken, geholpen door een goede gids, de vrouw met wie ik later zou trouwen, ging ik de stad met andere ogen zien. Tussen de hoogbouw waren pareltjes van Byzantijnse en Osmaanse bouwkunst te ontdekken, in de bovenstad (Ano Polis) kon je je gemakkelijk in vroeger tijden wanen, al waren veel huizen tot ruïnes vervallen. Inmiddels is daar veel gerestaureerd, evenals in het oude havengebied. Dat zag er verschrikkelijk uit toen ik er voor het eerst kwam, maar ondertussen is het een mooi opgeknapte en aangename uitgaansbuurt geworden.

Naarmate ik Thessaloniki vaker bezocht, begonnen haar mooie trekken, zoals de talloze plantsoenen, de sinaasappelbomen in de straten, de villa's langs de Koningin Olga Boulevard, het park van Xanth, de Witte Toren (het symbool van de stad) de kerken en badhuizen en het uitzicht vanaf de Byzantijnse muren in de bovenstad sterker naar voren te komen. Bijzonder zijn de centrale markten, die van Modiano en de Kapani. Daar waan je je in een oosterse soekh en voel je nog hoezeer Thessaloniki ooit met de Orient was verbonden. Het streed niet voor niets met Smyrna om de positie van tweede stad van het Osmaanse rijk. Ik mag er graag koffie drinken in een van de vele kafeneia en het leven op de markt gadeslaan. De stad heeft ook het voordeel dat er twee universiteiten en een technische hogeschool zijn gevestigd. Bij elkaar hebben die bijna honderdduizend studenten. Thessaloniki heeft mede daardoor een bruisend cultureel en uitgaansleven, met een groot aantal theaters, concertzalen, galeries en boekhandels. Wel staat het culturele leven onder sterke druk van de voortdurende crisis, waardoor enkele beroemde boekwinkels (Molho, Rayas, Barbounakis en Promitheas) de deuren hebben moeten sluiten.

Thessaloniki heeft ook vele musea, van een Archeologisch en een Byzantijns Museum tot het Macedonisch Museum voor Moderne Kunst. Aardig is een bus of taxi te nemen naar de oude gevangenis (nu museum) in de Byzantijnse citadel, die officieel de Eptapyrgos heet (Zeven Torens), maar waarvoor de inwoners van Thessaloniki vaak de Turkse naam Yedi Kuleh gebruiken, die overigens hetzelfde betekent. Vandaar te voet afdalend door de Ano Polis ben ik verliefd geworden op de Nimf van het Noorden. Jammer genoeg wordt die liefde niet door iedere inwoner gedeeld, gezien het feit dat er nauwelijks een muur is waarop geen graffiti is gespoten. Dat maakt een bijzonder smerige en trieste indruk. Even ergerlijk, naast het roekeloze rijden, is het parkeergedrag van de Grieken. De auto is heilig en wordt overal neergezet waar het de chauffeur uitkomt. Rekening houden met anderen is daarbij, zacht gezegd, geen prioriteit. Ik ben inmiddels gewend om door die schaduwzijden heen te kijken, zoals ik ook al die lelijke gebouwen uit de jaren zestig en zeventig niet meer zie.

Foto: Kees Klok


Eerder gepubliceerd in Griekenland Magazine, herfst 2016.


maandag, januari 16, 2017

Van Gogh




Voor alle duidelijkheid: ik vind Vincent van Gogh niet een van de grootste schilders die ons land heeft voortgebracht. Wel een van de meest bevlogen. Op het fanatieke af en dat neemt hem niet voor mij in. Ik vind hem wel een groot briefschrijver. Veel van zijn brieven zijn aanzienlijk meer de moeite waard dan zijn schilderijen. Sommigen daarvan, zoals het beroemde De Aardappeleters, zijn niet om aan te zien. Het verbaast mij niets dat hij bij zijn leven slechts één schilderij verkocht, als ik mij dat tenminste goed herinner van de colleges kunstgeschiedenis. Als briefschrijver mag hij best wat meer worden geëerd.

Vincent van Gogh heeft ooit drie maanden in Dordrecht gewoond. Een verwaarloosbare periode, maar het schijnt op grootse wijze herdacht te moeten worden. Kennelijk heeft een aantal mensen bedacht dat er via Van Gogh enige eer voor de stad te behalen valt. Ik vind dat een tikje overdreven, al is het soms wel leuk om, als ik met bezoek van buiten Dordt in het Stadscafé zit, te kunnen zeggen: hier om de hoek heeft Vincent van Gogh gewoond. Ik verzwijg dan wel hoe lang dat was, zodat het nog een beetje indruk maakt.

Het aardigste van Van Goghs verblijf in Dordrecht is misschien wel de gedachte dat het goed mogelijk is dat hij zijn koffie weleens heeft gedronken in het café van mijn overgrootvader. Verder gun ik iedereen zijn feestje, als het maar geen geld kost. Dat kunnen ze beter besteden aan een stadsdichter, zodat Dordrecht wat dat betreft niet langer voor gek staat.


Foto: Kees Klok


zaterdag, januari 14, 2017

Griep




Na een avond dansen met de jongedame die nu en dan mijn bestaan opluistert, dacht ik dat ik griep had. Ik stond op met hoofd- en spierpijn, ik rilde en zweette tegelijk, maar de koortsthermometer ging niet hoger dan 37,38o. Even dacht ik verontrust aan mijn leeftijd, maar van bescheiden korting op de toegang tot musea ga je niet gelijktijdig rillen en zweten. Ik dacht ook even aan alcohol, maar ik was veilig thuisgekomen. Op de fiets zelfs. Griep, het kon niet anders, maar dankzij de griepprik had ik de volgende dag al nergens meer last van. Voor alle zekerheid legde ik de koortsthermometer nog even aan: 36,73o.

In mijn kleutertijd hadden we een huisarts die dag en nacht een donkere bril droeg, rookte en meestal pas 's avonds laat zijn visite bij ons liep. Hij heeft me behoed voor het knippen van mijn amandelen, toen een algemeen gebruik, waar ze op het consultatiebureau van het Groene Kruis erg voor waren. Daar moest je soms langs met je moeder. Meestal kreeg je dan een prik ('even flink zijn') en had je een paar dagen een zere arm of een stijf been. Onze huisarts wilde de koortsthermometer altijd in je hol prikken, maar dat is hem bij mij nooit gelukt. Hij moest persé onder mijn arm. Dat duurde langer. Als de dokter weinig tijd had, deed hij aan handoplegging en schreef daarna iets voor op de gok.

Wij woonden in die tijd naast mijn grootouders. Soms stak ik een vinger in mijn hol. Die hield ik daarna onder de neus van mijn neefje, als die bij opa logeerde. Tot hij zich bij grootvader beklaagde, of de lol er alweer af was. Als een kroegmaatje verveelt met flauwe woordspelingen of van die domme, Hollandse afzeikhumor, moet ik nog weleens aan die vinger denken.


Foto: auteur


woensdag, januari 11, 2017

Complot




Ik zit in het complot om aartshertog Franz Ferdinand te vermoorden, maar ik moet dringend urineren. Iemand wijst mij een toilet. De deur hangt bijna een meter boven de vloer. Ik kijk in een pot vol drollen en trek door. De drollen verdwijnen maar gedeeltelijk. Ik raak eerst in paniek, maar begin, ondanks mijn walging, toch te pissen. Daarna schrik ik wakker.  

Vroeger mocht je geen pissen zeggen. Dat vonden ze een onfatsoenlijk woord. Ik werd geïnterviewd door Janny Groen, een oud-klasgenote, die stage liep bij de NCRV. Ze maakte een radioprogramma over dromen. Ze had gehoord dat ik mijn dromen opschreef, maar niet dat ik daar alweer mee was opgehouden. Ik mocht over de mooiste dromen vertellen, die ik deels verzon. Ik mocht geen onfatsoenlijke woorden gebruiken, die werden door de eindredactie geknipt.

Ik vertelde dat ik vaak over de stad vloog. Ik gebruikte dan de schoolslag, zodat het een soort luchtzwemmen was. Er kwamen ook mooie eilanden en tuinen in mijn dromen voor. Dat ik eigenlijk alleen droomde van wateren in gore toiletpotten, of bezemkasten, vertelde ik haar niet. Janny maakte een mooie uitzending, met dromerige muziek. Nu schrijft ze in de Volkskrant. Daar is niets dromerigs aan, evenmin als aan de moord in Sarajevo.

Foto: auteur


zaterdag, januari 07, 2017

Goud





Vannacht had ik een droom. Dat is geen opzienbarende mededeling. Iedereen droomt. Een tijdlang schreef ik mijn dromen op. Althans wat ik mij ervan herinnerde. Dat moet je direct doen nadat je ontwaakt uit een droom. Wacht je tot 's morgens, dan ben je hem meestal kwijt. Als je niet wakker wordt, gaat de droom aan je voorbij. Misschien verzon ik weleens iets bij het noteren.

In deze droom was ik in een Grieks-orthodoxe kerk. Een grote, met verschillende kapellen. Een soort doolhof. Ik liep er verkleed als pope. Waarom weet ik niet. Ik ben geen pope, maar omdat ik Grieks spreek nam iedereen mij serieus. De kerk was vol mensen. Er waren drie trouwpartijen aan de gang. Ik liep maar wat rond en zei tegen iedereen die mijn hand kuste: 'Ο Θεός μαζί σας' (God zij met u). Dat vonden ze prachtig. Een man gaf mij een klompje goud. Ik vond dat ik het niet kon houden, maar ik durfde het niet in een van de offerblokken te doen. Na lang zoeken vond ik een sjofel gekleed mannetje in een schamel kantoortje. Hij borg het goud op in een lade. Daarna ging ik naar buiten. Aan de overkant van de straat stond mijn overleden vriend Lupius. Ook als pope verkleed. Toen hij mij zag, begon hij te lachen.

Op de zondagsschool hoorden we het verhaal van Jozef en de vrouw van Potifar. Dat was een geil wijf dat met de rechtschapen Jozef iets wilde doen waarover de juffrouw niet sprak. Ze was door de Heere toch al gestraft met een klompvoet. De rechtschapen Jozef die niet wilde doen wat de vrouw van Potifar verlangde, werd vals beschuldigd en in het gevang geworpen. Dat overkomt leraren soms, als ze een rotmeid geen voldoende geven. Jozef wist zich de gevangenis uit te kletsen met mooie praatjes waarin hij dromen uitlegde. Hij werd er zelfs onderkoning mee en bleef toch rechtschapen. Of ik ooit heb gedroomd van de vrouw van Potifar, weet ik niet, maar dat goud had ik beter kunnen houden.


woensdag, januari 04, 2017

Wereldleed




In september 1986 leerde ik I. kennen. Ze studeerde economie aan de Erasmusuniversiteit. Wij gingen kort daarop naar het Eiland van Brienenoord. Daar speelde de band van vrienden. Amerikaanse old-time muziek, waarbij je flink moet hebben ingenomen. Dat ik ooit een voet heb gezet op het Eiland van Brienenoord, komt als een verrassing. Ik vaar er weleens langs met de waterbus van Dordrecht naar Rotterdam. De waterbus is een zegen voor de reiziger die rustig aan wil doen. Een trekschuit zou een grotere zegen zijn, maar ik hoor ze van de Partij voor de Dieren al schreeuwen.

Toen ik I. leerde kennen, was er nog geen dierenpartij. Hans Janmaat zat in de Kamer voor de Centrum Partij. Die had even onzinnige opvattingen als de PVV. Als hij sprak, had je het idee dat hij een beetje kwijlde. Daarom nam niemand hem serieus. I. werd geboren op Curaçao, woonde een tijdje in Brazilië en was volgens mij bruin. Zelf noemde zij zich zwart. Ze woonde in Spijkenisse en trok zich het wereldleed erg aan. We begonnen elkaar lange brieven te schrijven, ook al was de metro van Rotterdam toen al doorgetrokken naar Spijkenisse. Zij legde uit hoe het verder moest met de wereld, ik schreef dat dat alleen via de dichtkunst kon. Dat geloofde ik.

Voor ik I. leerde kennen, woonde de broer van mijn moeder in Spijkenisse. Hij was de jongste van het gezin, ingenieur bij Rijkswaterstaat en had een open haard. Als enige van de Hollandse familie. Hij had een buurman die, ik geloof, Mager heette en apen hield. Op een dag verhuisde hij naar de Veluwe en begon daar een apenpark. Dát Spijkenisse bestond niet meer toen ik bij I. op bezoek ging. De eerste keer dat ik in een getto sliep. Ik kan overal slapen, vooral met een borrel op. Ik heb eens bij een optreden van Dexter Gordon onder een luidspreker zitten slapen. Daar ben ik niet trots op, maar ik schreef er wel mijn eerste gepubliceerde verhaal over.

Op 28 november 1986 bezocht ik met I. een lezing van Hans Warren, in buurthuis De Keet in Sterrenburg. Hans Warren schreef daarover in zijn Geheim Dagboek, deel zestien: 'Gisteren hoefden we pas omstreeks halfzeven te vertrekken, naar een aftandse barak in de Dordtse wijk Sterrenburg. Het ging wéér prima, vooral mijn gedichten las ik erg goed' (p. 307). Ik vermeld in mijn eigen dagboek dat wij daar die avond waren en daarna heel geil hebben gevreeën. Dat gevreeën staat er letterlijk. Niet lang daarna begon I. in haar brieven over onthechting te spreken.

Foto: archief auteur



zondag, januari 01, 2017

Geraniums




's Morgens merk ik dat het heeft gevroren. Er ligt ijs op de verandatrap. Ik kan er niet af. Toch moeten er nog een paar geraniums worden gered. Ik strooi zout. Knisperend begint het ijs te smelten. Al dagenlang schijnt de zon volop. Claire zegt dat ze haar schaatsen heeft klaarliggen. Ze wil weleens langs de molens bij Kinderdijk schaatsen. Het zal een prachtig gezicht zijn, met haar vlammende elfenhaar van onder haar witte muts.

Ruim veertig jaar geleden schaatste ik voor het laatst. Als jong onderwijzer, met mijn klas, op de singel in het dorp waar ik mijn onderwijsloopbaan begon. Ik droeg een lange jas, een hoed en rookte, al schaatsend, een pijp. Evenals de geraniums vond ik de koude niet te verdragen.

Ik veeg de trap schoon, haal de bloembak van de muur, verpot de planten en zet ze binnen. Ik houd van bloeiende geraniums. Dat heb ik gemeen met Charles Dickens. Ze doen mij denken aan de zomer en aan het huis van mijn grootouders. Ze staan voor warmte en geborgenheid. Ze doen mij ook denken aan Claire, nog midden in haar jeugdige bloei. Claire is een bloem die ik zou willen plukken, om haar voor altijd tussen de bladen van mijn dagboek te bewaren. Claire, die mij uitlacht en mij een malle romanticus noemt.


Foto: auteur


donderdag, december 29, 2016

Twee voor de prijs van één




Er kwam een brief van de gemeente Dordrecht. Dat ik vanwege mijn licht gevorderde leeftijd een jaar lang gratis met de bus mag, als ik eerst twaalf en een halve euro betaal. Een genereus gebaar jegens mensen die vaak gebruik maken van de bus, maar ik zit er hooguit een keer of vier per jaar in en van twaalf en een halve euro kun je een fles heel behoorlijke wijn kopen.

Ik loop of ik fiets. Toen ik herstellende was van mijn hartstilstand, deed ik een aantal weken aan revalidatie. In een soort sportschool, maar dan zonder spierballenmacho's. De eerste keren nam ik de bus, maar al snel ging ik op de fiets. Als je een beetje doortrapte was het een half uurtje heen en een half uurtje terug. Niet dat ik zo'n sportief type ben, maar het was een leuke aanvulling op de fysio. Welbeschouwd twee voor de prijs van één en een tevreden cardiologe op de koop toe. Die benadrukt wel iedere keer dat ik niet moet terugvallen op mijn oude gewoonte om één keer per dag een sigaartje of een pijp te roken. Mijn Griekse, medische vrienden moeten een beetje lachen om zoveel bezorgdheid.

In Griekenland fiets ik niet. Er zijn elegantere manieren om jezelf het leven te benemen. Wel loop ik daar een paar maal per dag tegen een steile helling op. 'Niet doen,' zeggen de Grieken, 'wel veel wandelen, maar hellingen vermijden.' Soms, als ik in een luie stemming verkeer, neem ik halverwege die helling de bus. Op mijn licht gevorderde leeftijd mag ik voor de halve prijs en in Griekenland wordt nog overal gerookt.


Foto: auteur


maandag, december 26, 2016

Negen jaar




Lieve Stella,

Vandaag alweer negen jaar geleden. Laten we er maar niet te lang bij stilstaan. We hebben genoeg aan het maar al te ware cliché dat de tijd vliegt. Jan Eijkelboom zei me eens: 'Niet de tijd vliegt, maar wij stormen door de tijd.' Hoe dan ook, het lijkt allemaal gisteren te zijn gebeurd. Wat was het guur, die dag van je begrafenis in Thessaloniki. Een maand later, toen we je met vrienden uit Griekenland, Nederland, Vlaanderen en Duitsland herdachten, was het juist wonderbaarlijk mild en zonnig. Twee van die vrienden, John en Marie-Thérèse, heb ik gisteren nog gesproken. We dronken een kerstborrel bij de schouw in hun mooie, middeleeuwse woning in Brugge. Het vuur brandde heerlijk. Jij zat daar ook graag en we hebben het natuurlijk over jou gehad. Ook zij hebben mooie herinneringen aan je. Weet je nog dat we aan de bloemlezing over Cyprus werkten in die heerlijke tuin? Die wordt nu door nieuwbouwplannen bedreigd. Ook Brugge, toch in veel opzichten een voorbeeld van hoe je een stad behoudt, ontkomt niet altijd aan de ellendige combinatie van bestuurlijke megalomanie en derderangsarchitectuur. Kijk maar naar het concertgebouw. De akoestiek binnen is uitstekend, aldus John, maar het ding ziet er niet uit. Bijna even lelijk als de Rotterdamse schouwburg en die koektrommel van Pathé er tegenover.

Ik was een paar dagen in Brugge met Bart en Claudia, met wie ik voor de derde keer kerstavond vierde. Twee maal deden we dat met een geslaagd etentje bij hen in Amsterdam, nu vonden we dat we maar eens naar Brugge moesten. Bart en ik zijn beiden historici met een licht romantische inslag en een zwak voor Brugge. Er zit natuurlijk ook het een en ander aan nep tussen het mooi daar, maar wat zou dat? Een van de mooiste zestiende eeuwse straten in Dordrecht is de Hofstraat. Als je tenminste met je rug naar het Statenplein staat. Ruim de helft van die straat werd eind jaren zeventig van de vorige eeuw gebouwd en daar ben ik nog altijd blij mee.

Inmiddels ben ik terug op het eiland, een paar plezierige herinneringen rijker. Het was fijn om weer eens door het Groeningemuseum te dwalen. Er was een tentoonstelling rond het thema rechtspraak en rechtvaardigheid. Veel schilderijen en prenten van middeleeuwse martelingen en executies. Die variatie van geselingen, onthoofdingen, kruisigingen, radbraken, wurging en levend verbranden, die heden ten dage in de Islamitische Staat en geestverwante landen als onze 'bondgenoot' Saoedi-Arabië nog geweldig populair is.

We bezochten ook het Historium, een multimediale (zoals dat tegenwoordig heet) onderdompeling in het jaar 1435. We genoten er wel van, vonden het een goede weergave van hoe het zou kunnen zijn geweest. Ik betwijfel alleen of een Vlaming in de vijftiende eeuw het woord 'job' zou bezigen voor een baantje, maar dat is een korrel zout op een heel kleine slak en misschien klopt het ook wel, gezien de nauwe contacten met Engeland. Jij zou het als taalkundige ongetwijfeld aardig hebben gevonden om dat uit te zoeken.

Na zoveel geschiedenis was het tijd voor een rondje door een brouwerij, in dit geval De Halve Maen, waar ze de Brugse Zot en de Straffe Hendrik maken. We werden meegevoerd tot op het dak, vanwaar je een groots uitzicht hebt op de stad. Culinair kwamen we niets tekort, dat begrijp je, ik hoef je de details niet te vertellen. Alleen het voorgerecht bij Het Visioen kon mij niet bekoren, maar dat kwam niet door het aardige personeel, maar doordat ik de gedachte rauw vlees te moeten eten niet kan verdragen. Daarom zijn tartaar en carpaccio niet aan mij besteed. Sushi trouwens ook niet, want we hebben het maken van vuur niet voor niets uitgevonden.

Afgelopen woensdag werd een kort interview met mij opgenomen door Esther de Beun van Drechtstad FM, voor haar kerstprogramma. De vraag was wat kerst voor mij betekent. In de eerste plaats natuurlijk jouw overlijden op tweede kerstdag. Je bent dagelijks in mijn gedachten, maar vandaag nog meer dan anders. Gelukkig ben ik geen depressief type en geniet ik vooral van de talloze mooie herinneringen aan ons leven samen. Die ga ik vandaag vieren. Aan het sprookje van het kindeke Jezus heb ik geen boodschap. Ja, het is een mooi verhaal, ik was er als kind diep van onder de indruk, en het heeft velen geïnspireerd tot prachtige kunst, maar ik vier het Midwinterfeest, de zonnewende, het feit dat het duisterste deel van de winter, het seizoen van de dood, voorbij is, ook al staan ons nog die ellendige maanden januari en februari, schraal in vele opzichten, te wachten.

We hebben nog één feestje voor de boeg: Oud & Nieuw. De knalmongolen lopen er al warm voor mocht ik diep in de nacht horen. Daarna beginnen die twee dorre maanden voor het voorjaar aanbreekt. Ik hoop daarin de nieuwe verhalenbundel af te ronden, waarvoor buurvrouw Elvira de illustraties maakt. Wie weet ga ik er ook nog wel een weekeinde tussenuit, naar Lissabon, Dublin, Berlijn of Thessaloniki. Zolang het nog kan, want ik ben niet gerust op wat de domme, maar wel met kiesrecht uitgeruste, medemens nog gaat aanrichten. Alsof die stompzinnige Brexit, dat lachwekkende Oekraïne-referendum en de verkiezing van een ongeletterde grofbek tot president van de Verenigde Staten al niet erg genoeg zijn. Natuurlijk moet dan wel de jongedame die nu en dan mijn bestaan opvrolijkt gelegenheid hebben om mee te gaan, anders kan ik net zo goed thuis blijven. Ze lijkt een beetje op het model in Madonna in de kerk van Jan van Eyck. Je zou haar vast heel leuk vinden.

In gedachten, altijd,

Kees

Dordrecht, 26 december 2016


Foto: archief auteur


donderdag, december 22, 2016

Muze




Ik zet de radio aan en hoor dat er iemand is die zich in een hol heeft ingegraven om te weten hoe het voelt als je een das bent. 's Avonds kruipt hij naar buiten om, op handen en voeten, op jacht te gaan naar wormen. Ik weet weinig van wormen, behalve dat je er goed mee kunt vissen. Van dassen weet ik evenmin veel. De biologielessen op school beperkten zich tot het menselijk skelet, de vele magen van de koe en de avonturen van de leraar, die in Indië tegen de Japanners had gevochten.

De enige das die ik heb gekend was Gregorius, uit het bos van Paulus de Boskabouter. Hij sprak weleens met Salomo de Raaf en Oehoeboeroe de Uil. Wijze dieren die Paulus bijstonden in het binnen de perken houden van het Kwaad, gepersonifieerd door de heks Eucalypta en haar wat sullige assistent Krakras. Ik geloof dat dat een kip was, maar ik weet het niet zeker en ik ga het niet opzoeken. Het is een vroege zondagmorgen, dan zet je de computer nog niet aan. Kippen breng ik niet direct in verband met het Kwaad, maar ze houden er wel een akelige pikorde op na.

Gisteravond was ik op een feestje. Daar sprak ik een jonge vrouw die eerst iets bij de televisie deed, maar nu in de reclamewereld rondloopt. Ze vond dat ik een muze moest zoeken, zodat ik niet meer zelf de was hoef op te hangen of de vaatwasser uit te ruimen. Ze was overal getatoeëerd en had daardoor iets van een reclamezuil. We dronken rode wijn. Ik bleef maar aan die muze denken. Voor ik vertrok, om vanmorgen te luisteren naar het verhaal over de dassenman, dronk ik nog een glas whisky. Daarna was het te laat om Claire te bellen. Bovendien had ze het kind.

Foto: auteur


maandag, december 19, 2016

Revolutie




Ik ben een radioliefhebber. Naar de televisie kijk ik maar heel af en toe. Ik kan er vaak niet wakker bij blijven. Doorgaans staat Radio 1 aan. Tot het begint te irriteren. Dat kan zijn door de onnozelheid van een programma. Bijvoorbeeld Stand.nl. Dat vind ik niet om aan te horen. Ik heb mijn buik vol van 'de gewone man' (of vrouw, anders begint iemand weer te zeuren), die mag inbellen en slechts in uitzonderlijke gevallen iets van enig belang heeft te melden. Als ik borreltafelgeoudehoer wil horen, ga ik wel naar de buurtkroeg. De stellingen in Stand.nl gaan uitsluitend over de waan van de dag en zijn soms nogal onnozel. Ook de spreeksnelheid begint snel te irriteren. In veel programma's is die veel te hoog. Het ratelt en ratelt maar door.

Ik ben ook weleens op de radio. Dan bezondig ik mij een enkele keer ook aan te snel spreken. Als ik mij door het onderwerp laat meeslepen, of iets ingewikkelds moet uitleggen in veel te weinig tijd, bijvoorbeeld als je net voor de valbijl van de Ster in de uitzending komt. Meestal probeer ik op mijn spreeksnelheid te letten. Dat heb ik geleerd op de Gemeentelijke Pedagogische Akademie in Dordrecht, tussen 1971 en 1974.

Een betere opleiding in zijn soort was moeilijk te vinden, maar hij is in de jaren tachtig verloederd tot een petieterige dependance van de Hogeschool van Rotterdam (& Omstreken). Dat had veel te maken met die gelovigen in het heil van onderwijsfusies, met bezuinigingen, met een onverschillig stadsbestuur en met enkele carrièregeile ambtenaren op het gemeentehuis. Toch zijn er nog steeds meesters en juffen die kunnen lezen en schrijven en goed onderwijs geven. Willem Walraven schrijft op bladzijde 686 van zijn Brieven (Amsterdam 1992): 'Je wordt niet knap van scholen, maar alleen van je eigen studiezin.'

Het gebouw van de Gemeentelijke Pedagogische Akademie, gloednieuw toen ik er als student rondliep, is gesloopt. Er staat nu een akelige woontoren. De kelder, waar de studentenkantine was en waar we rokend, blowend en cola drinkend de revolutie die nooit zou komen voorbereidden, is herinnering geworden. Hij had prachtige, psychedelische wandschilderingen van Ron Brus, die al jaren geleden is overleden. Het spannende meisje waarmee ik in die dagen vree, is nu de vermoeide directrice van onze buurtschool. Ze gaat volgend jaar met pensioen.

Foto: archief auteur



vrijdag, december 16, 2016

Ondoordacht




Kort geleden was ik op een bijeenkomst van een letterkundig genootschap, waar een hooggeleerde heer een lezing hield. Na zo'n lezing is er altijd een borrel en vervolgens een diner. De lezing was interessant, de sfeer bij de borrel uitstekend. Wij gingen aan tafel. Nadat het voorgerecht was geserveerd, verzocht de spreker, eregast bij het maal, iedereen op te staan. Daarna ging hij voor in gebed. Je wil op zo'n ogenblik de stemming niet bederven, maar ik had uiteraard onmiddellijk onder protest moeten gaan zitten. Ik vond het, om het woord respectloos niet direct te gebruiken, nogal ondoordacht van de hooggeleerde. Het letterkundig genootschap heeft geen religieuze achtergrond. Ik voelde mij als niet gelovige nogal ongemakkelijk.

Je merkt dat wel meer, vooral bij aanhangers van een van de messianistische godsdiensten, die houding van: ik geloof iets en jij dient dat niet alleen te respecteren, maar je hebt je er ook aan aan te passen. Het is een houding van respect eisen, maar geen respect hebben. Geen respect voor andere opvattingen. De hooggeleerde is een brave man, die op geen enkele wijze neigt naar enige vorm van extremisme, maar wat hij deed is wel de cent oprapen waarmee het miljoen begint. Een flinke stap verder is in je gemeente op zondag het zwembad dicht houden of 'hoer' roepen tegen een vrouw met een kort rokje. We weten waar het eindigt. In bloedbaden.

Een deel van mijn jeugd groeide ik op achter een kerk. Daar was mijn moeder koster. Gelukkig was het een remonstrantse kerk. Remonstranten zijn de prettige uitzondering onder de messianisten. Zij zijn de spreekwoordelijke tolerantie. Ik legde in de loop der jaren mijn geloof af. Nooit heeft een remonstrant daar afkeuring over uitgesproken, laat staan geprobeerd mij bij de kudde te houden. Dat siert hen. Zoals het hen ook siert dat ze begin jaren '60 de kerk, althans die waarachter ik woonde, enige tijd deelden met een groep islamitische gastarbeiders, voor die zelf over een gebedsruimte konden beschikken. Zou die kleinzoon van een van hen, die onlangs tegen de kerk stond te pissen, dat weten?


Foto: auteur


dinsdag, december 13, 2016

Koloniaal verleden




Ik was naar Amsterdam voor een heugelijke gebeurtenis. Een oud-leerling, en inmiddels goede vriend, had zijn mastertitel in de geschiedenis behaald. Waarom je in Nederland een Engelse titel moet halen, in plaats van gewoon doctorandus te worden in het Latijn, de taal van de wetenschap, heb ik nooit begrepen. Het zal de Hollandse drang om internationaal te willen meetellen wel zijn. Het minderwaardigheidsgevoel van het boertje uit de provincie dat een keer de hoofdstad bezoekt. De Duitsers doen er niet aan en die tellen in de wetenschap internationaal gewoon mee, evenals de Belgen en nog wat naties die niet lijden aan Nederlandse schizofrenie: altijd denken dat je jaren op de rest van de wereld vooruit loopt en altijd denken dat je het lulletje van de Europese provincie bent.

Het was een mooie ceremonie. De voorzitter van de examencommissie sprak waarderende woorden, de professor hield een boeiend betoog over het vak in het algemeen en de scriptie in het bijzonder en ook het dankwoord van de laureaat mocht er zijn. Een en ander vond plaats in het NIOD, waar je in de hal wordt begroet door professor doctor Lou de Jong, die met een weids gebaar zijn boeken over Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog uitstalt. Ik ken hem nog van de televisie. Toen was hij altijd in zwart-wit en heette het NIOD nog Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie.

Voor wie het NIOD nooit bezocht: het is een stijlvol gebouw met een interieur uit de late negentiende eeuw. Bijna, maar nog net niet zo fraai als het academiegebouw van mijn eigen universiteit, de Universiteit Utrecht. Daar kreeg ik lang geleden mijn bul uit handen van Maarten van Rossem. In de tijd dat hij nog geen bekende verschijning in de media was, maar al wel een geniaal en scherpzinnig historicus. Ik zeg het er maar even bij, want die leutigheid bij zo'n kwis als De Slimste Mens geeft weleens een vertekend beeld. Na afloop gingen we eten in het Indische restaurant Kantjil en de Tijger. Master of arts en doctorandus gelijkelijk genietend van ons koloniaal verleden, dat uitstekend smaakte.


Foto: Martin Damen


zaterdag, december 10, 2016

Kavafis




Ze zegt dat ze vliegtuigen eng vindt. Ik ben het met haar eens. Opeengepakt met mensen waar je normaal nooit mee om zou gaan. Krap, benauwd, kilometers boven de aarde en nooit de zekerheid dat je er levend uitkomt. 'Maar de taxirit van of naar het vliegveld is vele malen gevaarlijker,' werp ik op. Toen ik onlangs van Skyros kwam, trof ik weer zo'n losgeslagen idioot die honderddertig reed op de periferiako, de rondweg, waar je maar negentig mag. Bumperkleven, knipperen met de lichten en uiteraard zijn mobiel aan het oor.

Ze is in het zwart, maar er is niemand dood in haar familie. Ze is er trouwens het type niet naar om zich te voegen naar de bedenkelijke traditie om rouwend in het zwart te gaan. Ze rookt ketting, maar de wijn laat ze voorlopig staan. Ze heeft de ene deadline na de andere, de belasting klopt aan de deur, maar de krant is niet vlot van betalen.

Ze kent veel van Kavafis uit het hoofd, maar over Kavafis is al zoveel geschreven. Toch zou ze hem graag interviewen als dat mogelijk was geweest. Ik raad haar aan Alexandrië te bezoeken, misschien zit er een artikel in. Ze haalt haar schouders op, maar als ik zeg dat er ook een bus naar het vliegveld gaat, glimlacht ze.

Foto: auteur


woensdag, december 07, 2016

Vooruitgang




Gisteravond moest ik aan de in 1985 gestorven dichter C. Buddingh' denken, wiens roepnaam, Kees, door de onwetenden en onnozelen der aarde steevast als Cees wordt gespeld, want die C, hè. Dat je die voor een E als een K uitspreekt en ook schrijft, want Cornelis dient afgekort als Kees of Cor, wil er bij menig medemens maar niet in, zelfs niet bij de familie van de dichter, die, hoewel deze zich vaak tegen die C heeft uitgesproken, doodleuk Cees op zijn grafsteen liet zetten. Toch is zijn jongste zoon een begaafd en door mij zeer bewonderd vertaler.

Het ligt ook een beetje aan Buddingh' zelf, die in zijn jonge jaren Cees wel tolereerde op het omslag van enkele van zijn uitgaven. Een jeugdzonde die hem zijn leven lang werd nagedragen, zoals ik zo dom was mijn naam ooit één keer in 1967, op zestienjarige leeftijd, in een blaadje te schrijven als Cees A. Klok, waarna het afschrikwekkende Cees ook mij begon te achtervolgen. Ik heb inmiddels negentien boeken gepubliceerd met Kees Klok op het omslag en nog schrijft de Dordtse journalist Hans Berrevoets af en toe Cees, maar die is dan ook voorzitter van de Raad van Kerken. Daar straffen ze tot in het zevende geslacht. Goed dus dat ik geen kinderen heb.

Ik was gisteravond in het FC Dordrecht-stadion. Tot zijn dood was Kees Buddingh' daar regelmatig te vinden. Ik stel mij voor dat hij ook bij de legendarische bekerwedstrijd was, op 17 januari 1982, van DS'79, zoals FC Dordrecht toen even heette, tegen Ajax, waar Hakim Braham Johan Cruijff aftroefde en Dordt aan de overwinning hielp. Buddingh' voetbalde ooit in het eerste van DFC, de moederclub van FC Dordrecht, evenals mijn goede vriend Gerrit de Wolf. Met Buddingh' en Gerrit heb ik een tijdje in hetzelfde schaakteam gespeeld, wat ik al vaker heb opgeschreven. Ze zijn beiden te jong overleden, maar enig verband tussen deze feiten is nooit aangetoond. Wel was het ook toen tobben met FC Dordrecht, waar ieder seizoen in de eredivisie wordt afgewisseld door twintig seizoenen in de eerste. Toch komen we graag in het stadion, altijd op de noordtribune, het meest vervallen, maar ook gezelligste deel van die unieke optrek aan de Krommedijk. Het is geen toeval dat zich daar een aantal Buddingh'-liefhebbers, met oog voor het humoristische detail, verzamelt. Ook nu werd ons weer een curieuze wedstrijd voorgeschoteld, met veel klunzig gestuntel en een enkel geniaal hoogtepunt. Het werd 2-2, want ook de tegenstander, FC Den Bosch, was regelmatig de weg kwijt op het kunstgras. Kunstgras, dat lag er nog niet in Buddingh's tijd, maar zelfs FC Dordrecht kan niet altijd om de vooruitgang heen.


zondag, december 04, 2016

Damocles




In het najaar van 1970 werkte ik als kantoorbediende, in de functie van assistent-expediteur, voor de firma Königsfeld, gevestigd aan de Willemskade te Rotterdam, zo'n beetje tegenover de steiger waar tegenwoordig de waterbus afmeert. Halve dagen. 's Morgens van half negen tot half een. Daarnaast studeerde ik Engels MO-A, een bijzonder vervelende studie, want er werd niets aan literatuur gedaan. Het ging uitsluitend over grammatica en fonetiek en daarbij kon ik niet wakker blijven. Begin 1971 zou ik de studie opgeven, mij er niet van bewust dat ik die grammatica nog hard nodig zou hebben bij het vertalen van poëzie, maar dat ik zoiets ooit zou doen, lag nog ver in de toekomst.

Toen hing boven de toekomst een zwaard van Damocles. Dat zwaard heette dienstplicht. Begin september had ik mij, daartoe gedwongen door een oproep van de boven ons gestelde Autoriteiten, gemeld bij een pand in Delft, waar een of andere sergeant-majoor uit de voormalige overzeese gebiedsdelen de verzamelde jeugd toebrulde dat wij die dag 'onder de krijgstucht' vielen ten einde medisch te worden gekeurd. Iemand moest daar zo onbedaarlijk om lachen, dat hij meteen naar huis werd gestuurd.

In het leger gaan leek mij een verschrikkelijke ervaring. Ik had het bij de padvinderij al niet lang uitgehouden. Discipline verafschuwde ik van nature en gedichten schrijven vond ik vele malen belangrijker dan ergens in Duitsland, door het eten van gevulde koeken en het almaar innemen van accijnsvrij bier, de Russen tegen te houden. Ik had een poster van Che Guevara op mijn kamer hangen en van het idee een slaapzaal te moeten delen met een roedel onverstaanbare Limburgers of Groningers uit het strokartongebied, lag ik bij voorbaat 's nachts wakker. Gelukkig was het leger toen nog niet populair bij vrouwen, want als ik ergens ongehoord bedroefd van word, is het van meisjes in legeruniform. Behalve dan van dat ene lieve luchtmachtmeisje dat mij op Skyros betoverde.




Aan het einde van de keuringsdag kreeg ik geen uitsluitsel. Ik had een klein mankement aan mijn schouder flink opgeblazen en moest tekenen dat men mijn behandelend arts, een orthopeed, nadere inlichtingen kon vragen. Daarna begon het lange wachten. Tot er op 19 november een envelop kwam vanwege het gemeentebestuur van Dordrecht. Daarin zat een briefje, ondertekend door de luitenant-kolonel der Jagers, J.W.A. Notten, dat mij voorgoed ongeschikt verklaarde. Een papier dat ik sindsdien koester. De behandelend arts heeft mij nooit meer gezien. Ik heb het als een ware overwinning gevierd, ondanks het nogal schamele loon dat ik bij rederij Königsfeld verdiende.


Foto: auteur


vrijdag, december 02, 2016

Scheffersplein




Ik ken dit plein van toen er nog een pisbak stond
en 's zaterdags de markt voor leven zorgde

rondom het beeld van een schilder
die in Dordrecht nooit schilderen zou.

Van Gogh woonde hier om de hoek
al was het kort, zoals veel

kort was bij Van Gogh -
hij had langer moeten leven.

Hij had de stad misschien dan wél geschilderd,
zoals ooit Witsen deed, dobberend door de havens.

Het plein herinner ik mij het liefst in zwart-wit
vol heren met degelijke hoeden.

Ze hebben mijn overgrootvader nog gekend en
wie weet dronk Van Gogh wel koffie in zijn kroeg,

daar bij de brug, voorbij het rood van de eetgevels
dat het plein 's avonds overschreeuwt,

alsof het altijd zomer is, alsof Vincent
elk ogenblik weer langs kan lopen

met in zijn ogen die brandende blik
van de geloofsfanaat.


Dordrecht, 1 december 2016

Foto: auteur