dinsdag, november 08, 2016

Storm




Het kan op Skyros indrukwekkend waaien. Als het hoogzomer is, is dat aangenaam verkoelend. Het is ook handig als de was snel moet drogen. Moet je met de storm tegen in de brandende zon een lange, steile helling op, dan is het afzien. Daarom wissel ik mijn wandelingen weleens af met een taxiritje. Dat voelt een beetje als vroeger, wanneer we een uurtje spijbelden in poffertjessalon Visser. Het voelt ook wat aristocratisch. 'Een heer rijdt niet,' zei mijn jong gestorven studiemaatje Peerke vaak, 'een heer wordt gereden.'

Hij had meer gevleugelde woorden, al waren die niet altijd van hemzelf. Zo had hij het op bewolkte, druilerige zondagen vaak over 'de calvinistische doem' die over de stad hing. Dat had hij van Carmiggelt. Ik heb het, zonder mij dat te realiseren, weleens in een verhaal gebruikt. Ik heb er nooit een reactie op gehad. Wie van de schrijvende Simons (Vestdijk, Carmiggelt, Vinkenoog) wordt nog gelezen? Simon van het Reve wellicht, maar dat is een geval apart.

Een andere uitspraak van Peerke had eveneens betrekking op de zondag. Hij vond dat wij op zondagmiddagen recht hadden 'op een uurtje triest staren over de rivier.' We deden dat van achter de ramen van een café aan de haven, waarvan sommige medebezoekers alle aanleiding gaven tot droefenis. Toen een argeloze toerist eens per ongeluk een van hen aanstootte, hebben ze hem op een haar na doodgeslagen.

Ik weet niet of ze op Skyros weleens iemand bijna hebben doodgeslagen in een café. De boze wereld lijkt er ver weg. Ik hoop dat het nog lang zo mag blijven, terwijl ik met mijn kop in de wind een helling op zwoeg. Nog een paar meter, dan begint de prettige afdaling naar de bar van mijn hotel.

Foto: auteur



vrijdag, november 04, 2016

Laurens no. 10




Skyros in het najaar betekent rust om te schrijven, vaak mooi weer om te wandelen en overvloedige maaltijden. In restaurant O Lambros, waar ik vrijwel iedere avond eet, bestel ik altijd halve porties en dan blijft er nog over. De zelfgemaakte wijn is uitstekend en kost vrijwel niets. Naarmate de avond vordert, raak ik in een gelukzalige stemming, maar ik moet, eenmaal thuis in het nabije Achilleionhotel, mijn pilletjes niet vergeten.

Pilletjes waren vaak het onderwerp van gesprek in de verjaardagskring bij mijn ouders. Mannen aan de ene kant van de kamer, vrouwen aan de andere. Op tafel de flessen jenever, boerenjongens en bessenjenever. Soms ook advocaat en altijd sigaren en sigaretten. Er werd gerookt bij het leven, ook door ome Theo, die zwaar astmatisch was en de avond hoestend doorbracht, met een rooie kop, een paar oude Ruttes en zijn Laurens no. 10. Ik moest ze geregeld halen bij de sigarenboer in de straat, die vroeger een turnfenomeen was. Toen was het nog na de topsport de sigarenwinkel.

Het gezelschap werd in de loop van de jaren kleiner, het drankgebruik minder, de oprotkoffie kwam steeds vroeger, roken raakte in onbruik, maar de pilletjes bleven. Ze hielden ome Theo tot zijn tachtigste op de been. Zijn vrouw, tante Elly, die altijd bijzondere ziektes had en dokters die nooit deugden, ging door met zuchten en steunen tot haar vier en negentigste. Ook oom Jan, die op iedere verjaardag met dezelfde mop over klimkroten kwam, haalde de negentig, evenals mijn moeder. Het was haar laatste verjaardag, we hebben hem in stijl gevierd.

Ik ben naar Skyros-stad gelopen, vier en een halve kilometer, om koffie te drinken. In de pittoreske hoofdstraat (heel het stadje is één romantisch schilderij) bevinden zich twee apotheken. Bakken vol pillen. Een geruststellende gedachte. Ik weet niet of je ook nog ergens Laurens no. 10 kunt kopen.


woensdag, oktober 19, 2016

Uitzicht




Thuis heeft hij uitzicht op de school waar zijn eerste verkering onderwijzeres is. Als hij zijn vuilniszak naar de container brengt en zij met haar klas op het plein is, maken ze weleens een praatje. Die kinderen moesten eens weten, denkt hij dan. Hij heeft haar ontmaagd op zijn jongenskamer. Omdat ze niet alleen thuis waren en het bed kraakte, gebeurde dat op de sleetse pers naast het ledikant. Veel stelde het achteraf niet voor. Raffinement kwam pas met het klimmen der jaren.

Op het kantoor, waar hij twee dagen per week werkt, heeft hij uitzicht op de ziekenhuiskamer waarin zijn vrouw een paar jaar geleden lag te sterven. Het was net te ver om naar haar te kunnen zwaaien. Het was wel handig, hij kon gratis bij het kantoor parkeren in plaats van betaald in de chaos van het ziekenhuis. Ze overleed in een weekeinde dat het extra druk was tijdens het bezoekuur.

Vanuit zijn stamkroeg heeft hij uitzicht op de wegterende gevel van een herenhuis aan de overkant. De gemeente heeft het trottoir afgezet, want soms komen er stenen naar beneden. De eigenaar staat volgens een hardnekkig gerucht op failliet gaan. De gemeente dreigt met aanschrijving, maar de ambtelijk verantwoordelijke heeft nog niet gehandeld. Gelukkig maar, denkt hij aan de stamtafel, terwijl hij nog iets bestelt.

Eerder gepubliceerd in Ballustrada, voorjaar 2016

Foto: auteur


vrijdag, oktober 14, 2016

De navel van de wereld




Delphi, de omphalos (navel) van de wereld. Het blijft een mooi verhaal. Zeus die twee adelaars op pad stuurde, in tegengestelde richting. Boven Delphi ontmoetten zij elkaar. Het bewijs was geleverd: Delphi was het middelpunt van de aarde. Onlangs heb ik het weer eens mogen vertellen, en wel ter plekke, aan een groep leerlingen van VWO-6. Oud-leerlingen, die ik nog les heb gegeven in de brugklas en de tweede, voor ik het onderwijs verliet.

We waren 's morgens in alle vroegte met een touringcar uit Athene vertrokken, om de toeristische drukte voor te zijn. Een rit die almaar mooier werd naarmate we het doel naderden. Delphi is een van de fraaiste plekken die ik ken. Met enige vrees zag ik daarom zo'n twintig kilometer voor het heiligdom op een bergkam een rij windmolens, die het landschap ontsierden. Ik ben wel voor windenergie, maar niet ten koste van alles. Zeker niet in een land dat door zijn klimaat veel meer energie uit de vele malen efficiëntere zonnepanelen kan halen.

Via Arachova (gelukkig daar nog geen windmolen te zien) arriveerden we in Delphi, waar ik mijn verhalen op de jongelui kon loslaten. Het had heel wat voeten in de aarde voor ik als gids kon optreden. Het is in Griekenland ten strengste verboden in musea of bij monumenten te gidsen als je daarvoor geen vergunning hebt. Daar is iets voor te zeggen, je verwacht van een gids een zekere deskundigheid en niet iedereen heeft die. Voor docenten geschiedenis of klassieke talen die hun eigen leerlingen rondleiden, wordt echter een uitzondering gemaakt, maar daarvoor moet wel een aanvraag worden ingediend en Griekenland zou Griekenland niet zijn als dat niet met veel bureaucratische rompslomp gepaard gaat. Gelukkig nam het reisbureau die taak op zich en zo werd ik in de week dat we door Hellas reisden weer even officieel, zij het onbezoldigd, leraar geschiedenis aan mijn oude school.

Delphi was een hoogtepunt van een prachtige reis. Alleen al in het museum hadden we het grootste deel van de dag kunnen doorbrengen. Uiteraard wilden de stoerste leerlingen het hogerop zoeken, letterlijk, om op de atletiekbaan, net als de oude Grieken, een sprintje te trekken. De weg daarheen leidde langs de Apollotempel, waar de Pythia orakelde, het theater en de vele schatkamers. Dat alles overgoten door de Griekse zon en doortrokken van duizenden jaren geschiedenis. Er was niemand die blasé reageerde, in de trant van 'dit weten we allemaal wel.' In tegendeel, iedereen leek diep onder de indruk van de magische sfeer rond de navel van de wereld.

Uiteindelijk moesten we de terugreis aanvaarden. Ja, weer langs die windmolens, waarvan er niet één in werking was. Dat kan toeval zijn. We maakten een omweg om het klooster van Ossios Lukas aan te doen. Ook mooi gelegen en eveneens bijzonder om te zien, maar het is daar niet de omphalos en vergeleken met de oudheid is Byzantium al bijna moderne tijd. Hoewel, dat de meisjes hun blote benen moesten bedekken met een lange rok die ze kregen uitgereikt, dat vonden ze toch wel wat middeleeuws.

Eerder gepubliceerd in Griekenland Magazine, winter 2015


Foto: archief auteur


zondag, oktober 09, 2016

Agia Sophia




Ook op Cyprus zijn er caféhouders met de vervelende gewoonte rode wijn ijskoud te serveren. Klagen stuit op onbegrip. Ook wil ik niet de altijd zeikende Nederlander uithangen. Ik zit in een luisterrijke tuin in de Ermou, Lefkosia. Een deel van de straat valt buiten de VN-bestandslijn, die de stad nog steeds scheidt. Daar, waar ooit de Kalverstraat van Cyprus was, staan alleen nog maar overwoekerde ruïnes, waar katten op ongedierte jagen.

Terwijl de wijn opwarmt (het is avond, maar nog zesentwintig graden), klinkt vanaf de minaretten van de Selimiyemoskee de oproep tot gebed. Tweehonderd meter verderop, maar via het checkpoint in de Ledrastraat drie kwartier lopen. Oorspronkelijk een middeleeuwse, gotische kerk met minaretten. Gebouwd door de Lusignans, die van 1192 tot 1489 over Cyprus regeerden. Titiaan schilderde de laatste koningin, Catharina Cornaro, die werd opgeofferd aan Venetiaanse belangen.

Voor de komst van de Osmanen, in 1570, heette de moskee Agia Sophia, Heilige Wijsheid. Een begrip dat voor mijn gevoel niet strookt met de fantasiewereld die religie oproept. Drie engelen gaan een tafel verder zitten. Een van hen lijkt sprekend op Stella, toen ze half in de twintig was. Een gelijkenis die opwinding en weemoed teweeg brengt. Ik wil haar aanspreken, maar de oproep tot gebed dendert opnieuw over de wijk. Tijd om liever enige wijsheid te betrachten.


Foto: auteur



dinsdag, oktober 04, 2016

Azië





Ik ben aan de rand van het centrum geboren, in wat de Negentiende Eeuwse Schil wordt genoemd. Ik zie mijzelf als een jongen van de binnenstad. Ik zat korte tijd op School Vest, tot ik door wangedrag en toeval op de Boermanschool terechtkwam. Dat was al héél ver weg, vond ik, maar nog wel aan de goede kant van de spoorlijn. In het winkeltje van Kunkeler in de Kromme Elleboog haalde ik snoep en bij Bart de Groot op de Vest, ongeveer waar nu La Venetia is, patat. Een kleintje voor vijftien cent, een kwartje voor een grote. Voor een stuiver extra kreeg je er mayonaise bij. Met mijn opa, voormalig zeeman, zwierf ik langs de havens.

Het gebied tussen het Groothoofd en de spoorlijnen is voor mij Dordrecht. De rest is Azië. Nu goed, ik ben bereid Krispijn, de Bloemenbuurt en het Land van Valk nog een beetje als Dordt te beschouwen, maar de rest van het eiland is koloniaal gebied. Dat hoorde vroeger niet voor niets tot het in 1970 geannexeerde Dubbeldam. Een tijdje geleden moest ik voor mijn hart gaan sporten in Refaja, dat inmiddels is vernoemd naar het oude landgoed Amstelwijk. Dat is aan de rand van de wildernis, voorbij het wereldvreemde Wielwijk, waar je je verbaast dat er toch gewoon Dordts wordt gesproken.

Foto: auteur


woensdag, september 28, 2016

Waterpijp




Na jaren ben ik terug in Lefkosia. In de tijd dat ik weg was, lijkt de stad in de ban van de waterpijp geraakt. Op zoek naar een aardig kafeneion moet ik slalommen tussen de nargilehs, die als pilonen naast de terrasbezoekers staan. Waterpijp en ijskoffie strijden om populariteit. Ik vind een plek op een terras met een televisiescherm. De wedstrijd Anorthosis-Apoel wordt met aandacht gevolgd, terwijl de waterpijpen een aangename, zoetige geur verspreiden.

De Cyprioten roken niet in cafés en restaurants en parkeren hun auto's niet bij voorkeur op straathoeken of andere onmogelijke plekken. Het zijn een soort model-Grieken, al hoorde Cyprus nooit bij Griekenland, waar men geen boodschap heeft aan rook- en parkeerverboden. Of er op Cyprus ook model-Turken zijn, weet ik niet. De meeste Turkstaligen wonen aan de andere kant van de Groene Lijn. Die ga ik voorlopig liever niet over. De Turkse president Erdogan heeft er er bijna veertigduizend soldaten gelegerd en ik ben niet zo van het soort democratie dat hij voorstaat.

De Turks-Cyprioten hebben in eigen huis niets te vertellen. 'Wij leven in een bezet gebied,' hoorde ik een Turks-Cypriotische vakbondsvoorzitter zeggen, zeven jaar geleden, op een conferentie in de bufferzone, waar de VN de baas zijn. Misschien is de waterpijp over de Groene Lijn even gewild. Dat zou een gunstig voorteken kunnen zijn. De wedstrijd eindigt in 0-0. Ik ga terug naar mijn hotel, waar ik hoor dat FC Dordrecht de bekerwedstrijd tegen Sparta met 1-3 heeft verloren. Mijn club heeft wat pech, dit seizoen. Misschien kan een waterpijp uitkomst brengen.


Foto: auteur


zaterdag, september 24, 2016

Voor de klas




Op een dag zag ik een oude man omvallen. Ik was op weg naar de mavo waaraan ik toen lesgaf. Met een collega die net aan kwam fietsen heb ik hem opgeraapt. Hij was niet gewond, rook niet naar drank, maar sloeg wartaal uit. Wat moesten we met een man die zijn naam niet wist?

In een nabije bloemenzaak mocht hij op een stoel zitten. Ze zouden een taxi bellen. Mij wachtte een overvolle klas. Daar zat een verlegen, tenger meisje in met bruin haar. Jaren later werd ze veroordeeld voor het doden van haar kind, dat was gevonden aan de rand van het Veluwemeer. In dezelfde klas zat ook een vrolijk, Spaans meisje dat naar een open dag ging en op het metrostation Zuidplein door een amokmaker werd doodgestoken.

Ik was nog op tijd op school, net bij het rinkelen van de bel. Ik hield mijn leerlingen weleens voor dat ze hard moesten werken. Dat zou leiden tot een diploma en een goede baan. Er werd veel gelachen. Ik schoot krijtjes in het rond en klopte de bordenwisser uit op de blonde krullen van Anne. Zij kneep een spons uit boven mijn hoofd, toen ik iets op het bord schreef. Anne, een stoere, hartverwarmende meid, die dagelijks haar kinderen aflevert op de school waar ik tegenover woon.

Foto: Facebook Mavo-Krispijn


dinsdag, september 20, 2016

Korte broek




Ik zit in de lobby van mijn Amsterdamse hotel, waar net een buslading toeristen arriveert. Ik neem aan dat het toeristen zijn. Er is, voor zover ik weet, geen conferentie gaande. De bar op de eerste verdieping is verlaten en onbemand. De inrichting lijkt op die van het net met ontoereikende middelen opgeknapte collegezaaltje waar we Koude Oorlog kregen van Maarten van Rossem. Het is alleen niet rokerig, zoals in die dagen. Halverwege werd gepauzeerd en gingen de ramen open om te luchten. Die colleges werden ook bezocht door studenten Engels, veelal meisjes, die ik graag uitlegde waar Warschau lag, of Praag, want er hing nog wel iets van een IJzeren Gordijn, maar aardrijkskunde was al als verplicht vak uit het eindexamenpakket.

Het is buiten amper zestien graden, maar het aantal mannen in korte broek is moeilijk te tellen. Ik begrijp niet wat een man bezielt om in een korte broek te gaan lopen. Het maakt infantiel, evenals het dragen van een honkbalpetje of een capuchon. Vooral die drie samen, wekken medelijden, al zegt Claire dat ik bevooroordeeld ben en dat een korte broek mij best zou staan. Claire, met haar modellenbenen, ziet er geweldig uit in korte broek.

Een van de toeristen, een middelbare man, wil de lift nog in terwijl de deuren al dicht gaan. Zijn kop raakt een tel beklemd. Als de deuren terugschieten, klettert zijn bril op de grond. Ik moet ineens denken aan het bijbelverhaal over de Onnozele Kinderen. Gisteren is een jonge vriend en oud-leerling getrouwd. Ik was getuige. Het was een verblijdende plechtigheid. Een rooms-katholieke, met muziek en nu en dan applaus van het publiek. Ik was niet in korte broek en geraakte na het feest niet met mijn kop tussen de liftdeuren.

Foto: auteur





dinsdag, september 13, 2016

Tempo Doeloe




Er is een hete nazomerdag voorspeld, met ongewoon hoge temperaturen voor september. Daarom ben ik vroeg aan mijn dagelijkse wandeling begonnen. Die voert bijna altijd naar het historische centrum en het oude havenkwartier. Daar is Dordrecht op zijn mooist. Ik ben er dichtbij opgegroeid. Ik loop altijd eerst langs het huis waar ik van mijn achtste tot mijn drieëntwintigste woonde, om de krant van gisteren te bezorgen. Als ik die uit heb, gaat hij naar mijn zwager, in plaats van in de papierbak.

Het is bijna windstil. De Oude Maas ligt er gladgestreken bij. Vrijwel geluidloos komt een groot vrachtschip stroomopwaarts van onder de Zwijndrechtse brug. Diep geladen, de hydraulische luiken open. Geen blauwe driehoeken, dus geen giftige of brandbare stoffen aan boord. Het leven op de rivier boeit me. Ik wil er alles van weten. Daarom ben ik bezig met mijn vaarbewijs, maar nadat ik dat aan iedereen heb rondgetetterd, betwijfel ik of ik ook het examen ga doen. Ik zal nooit een boot kopen. Weten is genoeg, misschien kan ik het examengeld beter doneren aan een dierenasiel.

Bij de scheepsmotorenfabriek is het koffietijd. Een rij mannen in werkkleding zit op de stoep, in de schaduw tegen de muur geleund. Iedereen staart op zijn telefoon, behalve een man van mijn leeftijd. Hij leest een krant. Allemaal dragen ze een honkbalpet, cap moet je tegenwoordig zeggen. Honkbalpetten maken dom. Ik ben nog nooit iemand tegengekomen die er, met zo'n pet op, intelligent uitzag. In tegenstelling tot de ouderwetse, op degelijk vakmanschap duidende, platte pet. Een tweedjasje er onder en je bent een landjonker. Onder hun cap maakt het rijtje telefoonstaarders een troosteloos gedegenereerde indruk, ook al weten ze ongetwijfeld honderd keer zo veel van technische zaken dan ik.

Kwart over tien, zie ik op de toren van de Grote Kerk, de mastodont die zich liefdevol liet bekloppen door de dichter J. Eijkelboom. Het is nu al Grieks warm. Nog even. Voor het einde van de week is de herfst voorspeld en begint de beroerde, koude, natte winter op te doemen. Nog even leven bij de dag, genieten van het ogenblik. Ik loop naar huis Roodenburg in de Wijnstraat, waar het in het petit café, in het middeleeuwse keldergewelf, aangenaam koel is. De deuren naar de beschaduwde binnentuin staan open, maar we mogen er niet in. Een omwonende maakt bezwaar. Bijna veertig jaar geleden woonde ik in deze buurt. Boven een kroeg, met op vrijdagen en zaterdagen vanaf vijf uur 's morgens marktkooplui voor de deur. Ik ben er alleen maar weggegaan omdat ik voor een leuke prijs mijn huidige woning kon kopen. Met een tuin en vooral die heerlijke veranda, die herinnert aan Tempo Doeloe en Ons Indië.


Foto: auteur




vrijdag, september 09, 2016

Annus horribilis




Het lijkt alsof 2016 een annus horribilis gaat worden. Begin juli sloot mijn Dordtse stamcafé, poffertjessalon Visser, de deuren en vandaag hoorde ik dat mijn Griekse stamkroeg, Loxias, failliet is. Eén van de sfeervolste cafés van Thessaloniki. Een trefpunt van schrijvers, geleerden, musici, beeldend kunstenaars en studenten. Loxias was niet zomaar mijn stamkroeg. Het was mijn alternatieve woonkamer, waar ik vele, vele middagen en avonden doorbracht met vrienden of gewoon met een boek en een pijp. Waar de mensen die er werkten, allereerst Ioannis Kyprianidis, de eigenaar, en aanvankelijk Maria en Rita, later Sofia, Vassilis en Heidi, vrijwel familie van me zijn geworden. Mijn verblijf in Thessaloniki, soms drie maanden lang, draaide om Loxias. Het was een reden op zich om de stad te bezoeken.

Het aantal mensen dat ik in Loxias heb leren kennen, is bijna niet te tellen en ik ben bang dat ik veel vrienden niet of nauwelijks meer zal zien, als zij zich over de cafés van de stad, één miljoen inwoners, gaan verspreiden. Hoewel Thessaloniki veel mooie kroegen kent, is er niet één met de sfeer van Loxias, die sterk aan een Osmaans café doet denken. Ieder ogenblik verwachtte je dat er een verhalenverteller zou binnenstappen, iets wat soms ook daadwerkelijk gebeurde. Een van de hoogtepunten die ik meemaakte was de presentatie van mijn Griekse dichtbundel, met de ruïne van het paleis van de Romeinse keizer Galerius, direct achter de zaak, als decor. Andere hoogtepunten waren de spontane optredens van muzikale vrienden en de poëzieavonden, waaraan ik ook tweemaal deelnam.

Loxias was mijn schuilplaats, mijn grot van Plato. Ik kon er het verdriet om de dood van Stella verwerken. De ellende van de crisis en de op hol geslagen waan van de dag schenen er niet door te dringen. Tot vandaag. Niemand verdwijnt, luidt de titel van een dichtbundel van Jan van der Geer. Hij heeft gelijk. Loxias zal op verschillende manieren blijven voortbestaan, in verhalen, filmpjes en foto's, maar de deuren zullen niet meer open gaan. Claire is het niet eens met mijn annus horribilis. Ze zegt dat het eerder een geluksjaar is, omdat ik maar mooi ontsnapt ben aan de dood. Claire is nog nooit in Loxias geweest.

Foto: Olympia Vrakopoulou




zondag, september 04, 2016

Stilte




Over mijn stamcafé, poffertjessalon Visser, hangt al sinds begin juli diepe stilte. Gaat iemand de zaak overnemen en voortzetten? Of komt de boel in handen van een cultuurbarbaar die er een loungebar van maakt? Nog erger zou jarenlange leegstand zijn, met de aanklevende verpaupering van het pand. In afwachting van wat er gaat gebeuren, zwerven wij stamgasten van kroeg naar kroeg. Het Dordtse horeca-aanbod is groot genoeg, maar nergens is het Visser. Zolang het weer nog zomers is, is het te dragen. Terrassen zat, maar wat als de herfst invalt?

Eigenlijk zou Visser op grond van zijn geschiedenis tot cultureel erfgoed moeten worden verklaard. Dan kan Hendrik de Keijser het pand, desnoods met een subsidie van rijk en gemeente, kopen, restaureren en tegen een reële prijs aan een uitbater verhuren, mits die zorgt dat Visser de sfeer van Visser houdt.

Die oplossing zal wel een illusie blijven. Ik zie de gemeente hiervoor zo direct de portemonnee niet trekken, laat staan het rijk. Dat er een Dordtse traditie teloor gaat, ach. We krijgen straks 'contact met het water' bij de Visbrug, waar ze ons persé in de boot willen nemen, al zijn er steigers en opstappunten in de nabijheid te over.


Foto: auteur




dinsdag, augustus 30, 2016

Rotvogels




Na een weekeinde op de Veluwe lift ik mee naar Dordrecht. Treinreizen gaat uitstekend in Nederland, maar je moet niet naar een plek willen zonder station. Het was mooi in de Biblebelt en rustig. Vooral op zondag. De mensen zijn er ogenschijnlijk vriendelijk en lijken allerminst gebukt te gaan onder de wildzwijnenplaag, die de streek teistert. We hebben geen ever gezien, al zaten we midden in het bos. Het wildste dier dat ons te na kwam was een roodborstje, dat allerminst schuw bleek. 'Rotvogels,' zei iemand, 'die proberen elkaar dood te pikken.'

Bij Utrecht blijkt de A27 wegens werkzaamheden afgesloten. We worden omgeleid via Rotterdam. Bij Rotterdam blijkt de A16 wegens werkzaamheden afgesloten. We worden omgeleid via Schiedam. We moeten door de Beneluxtunnel. Tijdens de rit maken de bossen plaats voor het polderlandschap van het Groene Hart. Dat wijkt weer voor de hel van Rotterdam.

In de buurt van de tunnel domineert het haven- en industrielandschap. De gruwel waar het geld wordt verdiend. Lelijker kan niet, maar hoe geef je de buiten elke proportie doorfokkende mensheid een bestaan zonder industrie? Er is vast iemand op Facebook die daarop een antwoord meent te weten. Facebook, het landschap van de beterweters. Ik kom er steeds minder. Het is een milieu dat meer op het havengebied is gaan lijken dan op de Veluwe. Ook al wemelt het van de virtuele roodborstjes. Rotvogels, die proberen elkaar dood te pikken.

Foto: auteur


vrijdag, augustus 26, 2016

Vis




Ik denk na over de dagen die ik mis. Drie dagen hebben ze mij in coma gehouden. Ik moet ergens hebben vertoefd, maar vanaf het ogenblik dat ik 'onwel' werd, op straat in elkaar zakte, weet ik niets meer. Totdat ik mijn ogen opsloeg en een rood spaarlampje zag, op het plafond van een ziekenhuiskamer. Of ik geen tunnel van licht heb gezien? vraagt iemand verwachtingsvol. Of ik geen hemelse muziek heb gehoord en of mijn leven niet in een flits voorbij is gekomen? Niets van dit alles. Er is slechts een vacuum, een zwart gat. Iets zegt mij dat ik daar beter uit de buurt kan blijven.

Claire brengt een visje van de markt. Sinds ik terug ben uit het ziekenhuis, heb ik alleen nog maar vis gegeten. 'Voor de ware visliefhebber is het iedere dag vrijdag,' zei Gerard Reve ooit. Hij is vandaag precies tien jaar geleden overleden. Hij at zijn gestoomde bokking uit een krant. Toen hij nog op de Rozengracht woonde, had hij geen toilet. Urineren deed hij in de gootsteen. Als er geen buurtcafé open was, poepte hij in een krant, die hij vervolgens in de gracht wierp. Ik verzin het niet, ik heb het van Jan Eijkelboom, die Reve eind jaren vijftig bezocht. Amsterdam, hoofdstad van Nederland. Het had zomaar een eeuw eerder kunnen zijn.

Claire vraagt of de krant bij het oudpapier moet of bij het restvuil. 'Hij is wel erg vet geworden.' Men zegt dat vette vis goed is voor het hart. Ik eet veel vette vis, maar dat heeft een hartaanval niet voorkomen. 'Het zit in de familie,' aldus de dokter. Tegen erfelijkheid is geen vis gewassen. Claire vindt dat ik mijn pijp beter niet meer kan roken. Ik vind dat we eerst maar eens moeten zien wat we met die krant doen.

Foto: auteur


zondag, augustus 21, 2016

Kamfer




Een ouder die de vraag: wie van je kinderen is de leukste? beantwoordt, moet je ten diepste wantrouwen. Niet alles wat je denkt is geschikt om hardop te zeggen of op te schrijven. Vooral simpele mensen vergeten dat weleens. Simpele mensen twijfelen zelden aan hun gelijk. Ik heb een abonnement op een kwaliteitskrant. Voor de achtergrondartikelen en de nuance. Ik ben het niet altijd eens met mijn krant, maar het is geen simpele meneer. Er valt met hem van gedachten te wisselen.

Een kennis zei me dat ze die mensen niet begreep, die geloven in de wildste complottheorieën. Mensen die serieus menen dat in de condensstrepen van vliegtuigen iets is gestopt om je geest te beïnvloeden. Zoiets. Of dat de CIA achter 9/11 zit. Ik antwoordde dat er ook mensen zijn die geloven dat iemand over water heeft gewandeld, daarna doodging en na drie dagen weer vrolijk rondhuppelde. 'Dat is iets anders,' zei ze geschrokken.

Ik was blij toen ik werd afgekeurd voor militaire dienst. Daarmee heb ik defensie een hoop narigheid bespaard. Het scheelde ook op lange termijn tijd en moeite, want ik was meteen van de Bescherming Bevolking (in de volksmond BB) af. In het leger deden ze kamfer door je eten, zodat je seksueel rustig werd. Claire grapt dat ik haar op een idee breng.


Foto: archief auteur


woensdag, augustus 17, 2016

Brief aan Stella over sneue types, chauvinisme en het koloniaal verleden




Lieve Stella,

De krant schrijft dat het gistermorgen wildwest was in onze anders zo rustige straat. Het schijnt dat de politie waarschuwingsschoten heeft gelost om twee verdachte types in te rekenen, die ergens een ruit hadden vernield en luidruchtig ruzie maakten. Om zeven uur. Ik was al op (ik sta meestal om half zeven op, zeker in de zomer, als het al lekker licht is), maar ik heb niets gehoord. Misschien wordt het weer eens tijd voor een gehoortest. Die heb ik twee jaar geleden gehad, maar toen werd gezegd dat er voor mijn beschadigde gehoor 'nog geen apparaat is dat een oplossing kan bieden,' en dat ik over een paar jaar maar terug moest komen. Aan de milde fluittoon, die al jaren de achtergrondmuziek vormt van mijn doen en laten, kan helemaal niets worden gedaan. Er is goed mee te leven, maar hij moet niet harder worden. Ik ken mensen die het veel erger hebben dan ik en daarmee zou ik niet willen ruilen. Ik ben daarom maar een beetje voorzichtig. Oordopjes mee als ik naar een festival ga.

Dat gefluit heb ik te danken aan de Griekse feestavonden waar ik met jou naartoe moest toen je in Düsseldorf werkte. Je ging daar heen uit hoofde van je functie bij het consulaat. Als een soort Beatrix met mij er achter als een Claus. Als autoriteit moest je altijd op de voorste rij. Ik dus ook, vlakbij de luidsprekers, maar voor die mensen was muziek alleen maar de moeite waard als ze loei en loeihard was. Te laat bedacht ik dat ik oordoppen in had kunnen doen. Ik denk dat ik te veel gefixeerd was op de gratis drank en hapjes en op al die soepel dansende, Griekse meisjes. Dat jouw gehoor het wel heeft uitgehouden, beschouw ik nog altijd als een wonder.

Wat brengt twee knulletjes van net in de twintig er trouwens toe om 's morgens in alle vroegte op straat keihard met elkaar ruzie te maken? Ik heb het niet gehoord en dus ook niet gezien, maar ik stel me twee van die doorgesnoven types voor, met petjes en zo'n capuchon erover, ook als de kraaien door de hitte van het dak tuimelen. Types waarvan je de sneuheid niet alleen op tientallen meters afstand ziet, maar ook ruikt. Ik moest, toen ik het las, ook even denken aan de twee agenten die mijn hart weer op gang kregen met zo'n elektrisch apparaat en waaraan ik dus wel wat te danken heb. Ik heb ze, toen ik weer enigszins was opgeknapt, op de koffie genodigd. Een boomlange jongeman en een jongedame. Een heel charmante jongedame, maar het gaat op mijn licht gevorderde leeftijd niet aan ter zake meisjes die mijn dochter hadden kunnen zijn zekere verlangens te koesteren. Voor je het weet ben je een vieze, ouwe man en tuimelen de heksen van de anti-seksismebrigade op het internet over je heen.

Onwetend van het wildwest haalde ik Trouw uit de buitenbus. Ik zag verderop een politiewagen. Twee agenten stonden te praten met een jongen die iets in een notitieboekje schreef, maar ik ben niet het type dat direct ergens op afstuift met de vraag of er iets is gebeurd. Ik ren ook nooit sensatiebelust naar de plek van een ongeluk en dat is maar goed ook, want mijn EHBO-diploma is sinds 1975 verlopen. Ik zou daar eens iets aan moeten doen. Onwetend ben ik ook mijn dagelijkse wandeling gaan maken, waarbij ik weer heel verliefd naar al die mooie zeiljachten in de Nieuwe Haven heb gekeken. Tot er een sms-je van buurvrouw Elvira kwam met de vraag wat er allemaal aan de hand was. Toen heb ik maar even op het internet gekeken en begreep ik dat die jongen bij de agenten niet de bezorger van de buurtsuper was. Hij heeft het vanmorgen keurig uitgelegd in de lokale courant, die ik daarvoor wel speciaal moest kopen, want in Trouw lees je zelden iets over Dordrecht. Alsof ze daar niet weten dat hier de navel van de wereld ligt. De rest van de krant heb ik weggegooid, want daarin ging het uitsluitend en alleen over sport.

In Rio de Janeiro woeden de Olympische Spelen. Ik heb niets tegen de Spelen, maar dat het op de radio drie en twintig uur per dag over sport gaat, begint een bezoeking te worden. Niet zozeer de verslaggeving over de gebeurtenissen zelf, maar het meestal wezenloze, onbenullige gekwebbel er omheen. Waar ik me vooral aan erger, is het almaar toenemende chauvinisme. Een akelig sentiment, dat onzedelijke vormen begint aan te nemen. Natuurlijk is het geweldig als een turnster goud haalt, om maar wat te noemen, en als ze Nederlandse is kun je haar ook nog verstaan, maar die prestatie is natuurlijk net zo indrukwekkend als het lieve kind toevallig in Turkije, Oeganda, Togo, Canada of willekeurig welk ander land zou zijn geboren. Alsof Nederlander zijn een verdienste is. 'We hebben er een medaille bij,' roept de radio. 'We?' denk ik dan. De laatste medaille die ik haalde was in 1963, bij de Avondvierdaagse. Ik ben daar natuurlijk wel heel trots op.

Het is weer een week waarin ik de 'calvinistische Bourgondiër' uithang. Op het Statenplein wordt een Pasar Malam gehouden, waar ik vanavond in goed gezelschap ga eten. Gisteren was ik er ook. Het was erg druk, daarom voelde ik mij bezwaard in zo'n eettentje in mijn eentje een tafel bezet te houden en aanschuiven bij onbekenden zal ik niet snel doen. Ik ben na wat rondkijken daarom braaf naar huis gegaan. Zaterdag heb ik wel Indisch gegeten, in restaurant Mulia, met Gerard en Thijs. Vrijdag was ik met de jongedame die nu en dan mijn bestaan opluistert, bij Costa d' Oro, de dag ervoor met zus en zwager bij Knollen & Citroenen en woensdag, ook met de jongedame, bij De Grote Griek. Ik vraag me af of ik de kookkunst nog machtig ben, want na de Pasar Malam ben ik op weg naar huis even langs de afhaal-Thai gelopen. Het is allemaal niet volgens de regels van soberheid en spaarzaamheid en ik weet niet of jij het goedkeurt, maar ik beloof je dat ik morgen thuis eenvoudig een visje zal stoven en dat met gebakken rijst zal nuttigen.

Het is overigens een zegen dat we ooit 'Ons Indië' bezaten. Al die mooie mensen die we eraan hebben overgehouden, de fijne muziek, het lekkere eten en dat schuldgevoel. Vooral dat schuldgevoel. Ik word namelijk geacht mij diep in het stof te wentelen omdat onze voorvaderen, wie dat ook mogen zijn, zich bezighielden met slavenhandel. Nu zal ik de laatste zijn die zulke praktijken toejuicht, maar ik ben niet van het straffen tot in het zevende geslacht. Zo diep zit het calvinisme er bij mij niet in. Dat er in onze samenleving volop op allerlei slinkse en achterbakse manieren wordt gediscrimineerd, nu, daar kan zelfs jij met je buitenlandse naam van meepraten, maar dat is geen erfenis van de slaventijd. Voor zover ik kan nagaan hebben ik noch mijn vader, mijn grootvaders en hun vaders zich ooit met slavenhandel beziggehouden, dus waarom ik iemand excuses moet aanbieden, is mij een raadsel en over welke slavenhandel de excuuseisers het hebben, vraag ik mij ook af. Over die in zeelieden uit onze streken, die buit gemaakt werden door Berberse piraten in de vijftiende tot en met een deel van de negentiende eeuw? Op 27 augustus 1816 bombardeerde een Brits-Nederlandse vloot Algiers, om een einde te maken aan die kwalijke praktijken. Het was een succes, maar slechts van korte duur. Moet ik nou van de Berbers excuses gaan eisen? Wat slavernij betreft heeft de hele wereld boter op het hoofd, niet in het minst de Afrikaanse vorsten die hun buitgemaakte buurvolken op lucratieve wijze naar Amerika verhandelden, om van de huidige toestanden in Quatar, bij de bouw van stadions voor het WK-voetbal, maar even te zwijgen.

Het is een van de weinige dagen dat de zon volop schijnt. Ik trek mijn sarong aan en ga naar de Pasar Malam. Ik herinner mij een dag in Amerika, toen we gingen toeren langs de Mississippi. Jij had een sarong geleend van Gomathy, onze vriendin uit Bombay, als dat in India tenminste ook een sarong heet. Hij stond je heel mooi. Ik zou willen dat je met me mee kon en dat je hem nog eens droeg, maar ja, ik wil zo veel, alleen geen excuses aanbieden.

In gedachten, altijd,

Kees

Dordrecht, 16 augustus 2016

Foto: auteur





zaterdag, augustus 13, 2016

Cadeautje




Hoe ik er aan kwam, herinner ik mij niet. Ik denk van een oom gekregen, die goed was in het maken van scheepsmodellen. Hoe ik het ding ben kwijtgeraakt, herinner ik mij evenmin. Waarschijnlijk weggegooid tijdens een voorjaarsschoonmaak. De dagen van de voorjaarsschoonmaak behoorden tot de ergste van het jaar. Het hele huis overhoop en nadat alles was gepoetst en opgeborgen kon je niets meer vinden, vooral oud speelgoed niet. Dat was dan ongepoetst gebleven en bij het vuil beland. Toen ik het ouderlijk huis verliet en op mezelf ging wonen, heb ik de voorjaarsschoonmaak radicaal afgeschaft, maar dit terzijde.

Een tijdlang was ik bezitter van een model van de Piet Hein, het jacht dat prinses Juliana en prins Bernhard in 1937 als huwelijksgeschenk kregen van het Nederlandse volk. Toen, nog in crisistijd, waren de hardste klagers van Europa klaarblijkelijk nog gul en goedgeefs, al geef ik toe dat ik geen onderzoek heb gedaan naar hoe men toen over dat cadeautje dacht. Het internet, met aanklevende, gefrustreerde grootsmoelen, bestond nog lang niet. Overkokende, brieven schrijvende gekken natuurlijk wel, maar krantenredacties plaatsten doorgaans niet zomaar iets. Commentaren uit die tijd zijn wel te vinden, maar ik geef graag toe aan mijn neiging tot luiheid.

Ik had een rijke fantasie en heb met mijn Piet Hein de geweldigste reizen gemaakt. Allemaal op het jongenskamertje dat met bordkarton was afgeschoten van de zolder van het krot dat we bewoonden aan de Vrieseweg. De bestemmingen waren zonder uitzondering exotisch. Donker Afrika, waar ze nog zendelingen klaarstoofden in een kookpot, een daad die mij toen al bijzonder verstandig leek. Of 'Ons Indië', waar prachtige, bruine meisjes met blote borsten over weelderig groene eilanden huppelden. Ik kan me niet herinneren dat ik de Piet Hein indertijd in het echt heb gezien. Toen koningin Juliana in 1958 Dordrecht bezocht en wij met vlaggetjes moesten zwaaien bij het stadhuis, kwam ze met de auto. Een dame op leeftijd in een oersaai, grijs mantelpak. Ze leek op mijn oma en kon vast goed spruitjes schoonmaken.

Tijdens mijn dagelijkse wandeling langs de Dordtse havens, lag hij gisteren onverwacht afgemeerd bij de Damiatebrug. Inmiddels ook op licht gevorderde leeftijd, net als ik, maar we herkenden elkaar onmiddellijk. Allebei klaar voor een reis naar het onbekende.

Foto: auteur





dinsdag, augustus 09, 2016

Meisjesbad




Op de dag dat ik zou afzwemmen voor het diploma-A, lag ik met een griepje in bed. Daarna is het er op de een of andere manier niet van gekomen. Ik kon mijn hoofd boven water houden en dat vonden mijn ouders en onderwijzers kennelijk wel voldoende. Als we met de klas, of in familieverband, gingen zwemmen, sprong ik gewoon ook in het diepe. Als ik daar rondzwom was er geen badmeester die zag dat ik ongediplomeerd was en dat kwam niet omdat ze niet goed opletten. Zodra je onderdook en door een van de gaten zwom in de loopbrug die het meisjesbad van het jongensbad scheidde, werd je ernstig teruggefloten. De meisjes mochten wel naar de jongens, maar andersom was taboe. Wij betreurden dat als jongetjes, want ook toen al waren meisjes veel leuker gezelschap dan andere jongens. De meisjes, op die leeftijd geestelijk en lichamelijk flink verder ontwikkeld dan wij, zagen ons niet staan, of in dit geval dobberen. Ze bleven meestal aan hun eigen kant. Dat ons gedrag, stoere taal, 'bommetjes' en veel ongeleid lawaai hen juist niet naar onze kant overhaalde, begrepen we nog niet. Ik ken oud-klasgenoten die dat nog steeds niet beseffen.

We mochten het meisjesbad dan wel niet in, we konden er wel in kijken. Dat deden we, toen we de lagere school waren ontgroeid, op zomerdagen vanaf het dijkje tussen het zwembad en de jachthaven aan het Wantij. Ter hoogte van de afrastering van het meisjesbad, waar overigens ook moeders zwommen, ouwe wijven van soms wel in de dertig, hadden we onze hangplek. Steeds wisselde ons groepje van samenstelling. Iemand kreeg een brommer en een meisje voor achterop en verdween. Jong grut uit de tweede of derde zocht aansluiting. Uiteindelijk reed ik ook op een brommer de dijk af, met een meisje achterop, maar dat was een derdehands Berini, geen stoere Puch met een hoog stuur, zodat het met die verkering nooit echt iets is geworden.

Ik heb er een gedicht aan overgehouden, aan dat meisjesbad, niet aan die verkering, dat om ondoorgrondelijke redenen enig succes had. Een zwemdiploma heb ik nog steeds niet. Zwemmen doe ik nog maar zelden. Water is om op te varen, niet om in te liggen, maar het is net als met fietsen: wie het eenmaal kan, leert het nooit meer af. Meisjes zijn trouwens nog steeds leuker gezelschap dan andere jongens.





woensdag, augustus 03, 2016

Brief aan Stella over de media, oud worden, dagboeken en reizen.




Lieve Stella,

Vanmorgen las ik een column in Trouw van Hasna el Maroudi over de mooie, maar vooral ook de schaduwzijden van het internet. Aanleiding waren de schokkende reacties in de sociale media op de dood van een vijftienjarige, Belgische jongen van Marokkaanse afkomst door een ongeluk met een quad. Het lijken vooral domoren en extremisten te zijn die je op Facebook en Twitter hoort. Nu valt dat op mijn Facebookpagina wel mee, omdat ik idioten en mensen met een te uitgesproken mening, die mij niet bevalt, er gewoon uitgooi. Met Twitter doe ik niet veel, behalve er af en toe iets opzetten ten behoeve van mijn eigen winkeltje in literaire curiosa. Ik hoor alweer iemand roepen dat het 'niet democratisch' is om onwelgevallige meningen te weren, maar dat zal me worst zijn. Mijn Facebookpagina is privéterrein, een soort voortuin, en gezwets dat ik thuis niet tolereer hoef ik ook daar niet aan te horen. Er blijft genoeg interessants over, al ligt voortdurend lezen van een scherm mij niet erg. Daarom heb ik tegenwoordig weer een krant. Een tijdje geleden werd mij in Utrecht een abonnement op Trouw aangepraat door een aardige werkstudente. Ik heb er geen spijt van. De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik al een tijd aan zo'n abonnement liep te denken. Het was voor dat meisje geen moeilijke verovering. Bovendien was het een van de weinige, stralende dagen van deze al grotendeels mislukte zomer, waardoor ik bij voorbaat in een toegeeflijke stemming was. Ik kreeg een week later als welkom een doos wijn toegestuurd en al drink ik aanzienlijk minder dan voor die hartstilstand, een wijntje af en toe blijft welkom.

Ik begin de dag tegenwoordig dus met het lezen van Trouw, waarbij ik de pagina's over geloof en spiritualiteit meestal oversla, want er is al genoeg gezever in de wereld. Als ik hem uit heb, gaat hij naar zwager René, die dat allemaal wél interessant vindt. Een uitzondering maak ik voor verschijnselen die naar een Monty Python-achtig absurdisme neigen, zoals mensen die in kabouters geloven. Zelf geloof ik in de natuur en in hoe wreed, onrechtvaardig en ongehoord (zelf)destructief die is. Anders bestonden er geen mensen, enge beesten en nare ziekten. 'Niet tobben. Het komt toch nooit meer goed,' schrijft Gerard Reve soms onder zijn brieven. Ik moet daardoor denken aan een andere uitspraak van hem: dat Nederland over vijfhonderd jaar (of vierhonderd, dat wil ik kwijt zijn) toch is ondergelopen. Een variant op het 'na mij de zondvloed,' van, naar ik meen, Lodewijk XV. Wat zal ik dan tobben? Als mijn hart niet nog eens gaat opspelen en als ik niet toevallig een keer op het verkeerde ogenblik op de verkeerde plek ben, heb ik misschien nog een jaar of twintig, vijfentwintig. Dat is tekort om alles te kunnen lezen wat over Napoleon is gepubliceerd en om de voorraadkelder van wijnmakerij Boutaris in Stenimachos leeg te drinken. Zeker nu ik maar twee glazen per dag mag van mijn meer dan charmante cardiologe.

Deze maand volgt mijn overgang van vitale testosteronbom naar vieze, oude man. Dat heb ik niet van mezelf, dat heb ik gejat van Jaap van den Born. Had hij het maar niet op Facebook moeten zetten. Gelukkig dat ik niets tegen vies heb. Wel tegen oud, hoewel: oude jenever, oude ambachten, oud en vertrouwd... misschien valt het allemaal wel mee. Voor de millenniumwisseling gonsde het van de onheilstijdingen, maar op 1 januari 2000 ging de zon gewoon op en dat zal na mijn verjaardag ook wel het geval zijn. Groots vieren doe ik het niet. Ik geef een etentje voor een handvol intimi en de jongedame die mijn aardse bestaan nu en dan opvrolijkt, al moet ik mijn handen thuishouden, zegt ze, en mij niets in mijn hoofd halen. Ja, ja, tegenover het mooiste model van Dordt zitten en dan denken aan je geruite pantoffels en aan de wijkverpleegster die je steunkousen komt uittrekken.

Hoe dan ook, ik heb nog voor jaren werk aan mijn dagboeken, al weet ik even niet hoe ik daarmee verder moet. Ga ik eerst verder met het vervolg op Een zootje ongeregeld, of met een vervolg op Mijn koffers gepakt? De periode vanaf juli 2009 staat letterlijk en figuurlijk dichter bij mij en is daardoor misschien ook interessanter voor mijn lezerspubliek, al weet ik dat niet zeker. Ik zou het je willen vragen, al denk ik dat ik het antwoord al weet. Jij zou kiezen voor het boek over 1980-1983, want daar sta je zelf nog niet in en je bent nooit helemaal gelukkig geweest met mijn dagboekpublicaties, bezorgd als je was voor je privéleven. Wel heb je mij altijd loyaal gesteund, ook als ik zaken vermeldde waar je niet blij mee was. Voorlopig werk ik dan eens aan het ene en dan weer eens aan het andere deel. Eenheid in versnippering, we zien wel waar dat toe leidt. Ondertussen moet ik mij voorbereiden op een reisje dat ik ga ondernemen.

Binnenkort ga ik een paar dagen naar Cyprus, om mij op de hoogte te stellen van hoe het daar nu is, met de economie en met de onderhandelingen over de hereniging van het eiland, zodat al die roestige olievaten en dat prikkeldraad op de vuilnisbelt kunnen. Ik ga met een aantal ingewijden spreken en hoop daarnaast enkele bekenden te zien uit de tijd dat wij samen op het eiland waren, voor de bloemlezing Wij wonen in een taal en voor mijn boek Afrodite en Europa. Daarover ga ik dan schrijven. Ik ga er uiteraard van de commandaria proeven en van de Othello Vintage, maar vooral hoop ik op een paar uurtjes weemoedig zwerven door het oude centrum van Lefkosia en te bedenken hoe ik jou mis en Niki Marangou (drie jaar geleden in Egypte verongelukt) en hoe heerlijk het was in haar schitterende tuin in Agios Dometios, toen we daar op het eten waren genodigd. Ook die verschrikkelijk aardige dichter Fivos Stavrides is inmiddels overleden. Het zal een confronterend bezoek worden, denk ik, maar ook troostrijk. Ik hoop dat dat mooie café met terras tegenover de Omeriye-moskee er nog is, waar ik in 2009 onze vriend, de dichter Mehmet Yashin ontmoette en een dag later werd overvallen door een enorme stortbui. De enige regenbui die ik tot nu toe op Cyprus heb meegemaakt, maar die was meteen wel zeer gedenkwaardig.

In gedachten, altijd,

Kees

Dordrecht, 3 augustus 2016

Foto: auteur


vrijdag, juli 29, 2016

Kroondomein




Ik was tien, toen mijn ouders samen met een bevriend, jonger stel, een vakantiehuisje op de Veluwe huurden. Een goedkoop opgekalefaterd schuurtje achterop een erf, dat de Paddestoel heette. Het was tochtig en vochtig. Omdat het regelmatig regende hadden we vooral last van vocht. Voortdurend klamme lakens. Slapen moest je met zijn allen op zolder. Mijn ouders, mijn zusje van vijf en het jonge stel met een baby. Tussen de twee families hing een klam gordijn. De Paddestoel stond bijna in het bos. Dat was van de koningin, want als je erin wilde, moest je langs een bordje met 'Kroondomein'.

De koningin, die ik later van televisie leerde kennen als een vriendelijke, spruitjes schoonmakende dame op leeftijd, die leek op tante Klazien uit Rotterdam, kregen we in haar domein niet te zien. We gingen 's morgens vroeg, of tegen zonsondergang, de bossen in op zoek naar herten en wilde zwijnen. Ik had een jongensboek gelezen over een moedig everzwijn dat menig jager op zijn slagtanden nam, maar ik liet natuurlijk niets blijken van enige ongerustheid. Er werd soms een beetje gehuiverd. Zoals toen we het kasteel bezochten van Maarten van Rossem, een woeste vechtjas in dienst van de hertog van Gelre. Daar wees een gids ons een waterput, waarin de woesteling de vijanden van zijn hertog verzoop.

Een tikje angstig was ook het fietstochtje met mijn vader. Er dreigde onweer, de lucht betrok snel en het gerommel kwam almaar dichterbij. Wij raceten naar de Paddestoel. We kwamen tijdig, maar totaal doorgeregend aan. Het onweer was intussen een andere kant op gegaan. Ik zag daar toen de hand van hare majesteit in. Het jonge stel kreeg nog drie kinderen en mijn vader maakte promotie. De Paddestoel heb ik nooit teruggezien. Maarten van Rossem dook later wel weer op in mijn leven, nu als de hoogleraar geschiedenis bij wie ik ben afgestudeerd.