maandag, mei 26, 2014

Brandnetelvreter




Ik kom thuis na een reis van enkele weken. Ik tref een tuin vol bloeiende rozen, passiebloemen en vooral onkruid. Van dat onkruid ken ik alleen het zevenblad van naam. Je kunt het eten, heb ik gehoord. Misschien moet ik daarom ophouden met het uit te trekken. Er staat een aantal wonderlijke planten op onwaarschijnlijke plekken te bloeien. Ik laat het nog even zo. Al die kleuren stemmen vrolijk. Alleen een paar brandnetels gaan er uit.

Naast het huis waarin ik van mijn achtste tot mijn drieëntwintigste woonde, was een terrein dat volstond met brandnetels. Het hoorde bij een aanpalende wasserij. De dochter van de wasbaas zat bij mij op school. Hoe het kwam weet ik niet meer, maar op een keer besloten wij daar iets aan te doen. Ze moesten worden uitgeroeid. Met wortel en tak, als was het een heidens volk uit het Oude Testament. Wij deden dat echter niet voor een wrekende god. De wasbaas was het een zorg en bij het uitblijven van een beloning, sleet onze ijver. We begonnen te beseffen dat we bezig waren met een soort Sisyfusarbeid en gaven het na een tijdje op.

Dat je van brandnetels soep kunt koken, hoorde ik jaren later. Tijdens mijn opleiding tot volledig bevoegd onderwijzer had ik een paar lessen biologie van een verwarde hippie, die ons het recept voor brandnetelsoep dicteerde. De brandnetelvreter bleek een vluchtig verschijnsel dat weinig meer naliet dan dat recept. Ik heb het nooit uitgeprobeerd.

Tussen de tegels van het tuinpad is een plant met gele bloemen opgeschoten. Ook die kan ik niet thuisbrengen, al zie ik wel dat het geen boterbloem is. Hij staat er wat verloren bij. Wie weet is het een exoot, overgewaaid uit een ver moord en doodslagland. Een vluchteling. Of gewoon een simpel type uit een berm. Ik heb geen idee. Een Jacques P. Thijssen zal ik nooit worden. Een brandnetelvreter evenmin. Dat recept ben ik kwijtgeraakt.

©Kees Klok



zaterdag, mei 24, 2014

Lelijke eend




Om het half uur komt een stoomtrein langs mijn huis. Dat is het aardige als je bij een spoorbaan woont. Ik woon in de buurt van twee spoorlijnen. Op tweehonderdvijftig meter van mijn huis is de scherpste en gevaarlijkste spoorwegbocht van Nederland. Iedere nacht komen daar giftreinen voorbij. Ook de trein die vorig jaar in België een ramp veroorzaakte is dwars door Dordrecht gereden en heeft daar die bocht genomen. Iemand heeft eens op een kaart de gevolgen getekend als die trein niet in België was ontploft, maar in Dordrecht de bocht zou hebben gemist. Daarna heeft de brandweer naar verluidt wat struweel langs het spoor verwijderd en enkele brandkranen geplaatst. Het is verboden terrein, ik kan het niet controleren.

De stoomtrein hoort bij het evenement Dordt in Stoom. Iedere twee jaar stoomt de stad. Al jaren. Het begint altijd op vrijdagavond met een vlootschouw op de Oude Maas. Die heb ik dit jaar gemist. Ik was in Haarlem, waar de Bevriende Schrijfster trouwde. Een zonnig bruiloftsfeest, mooie muziek, mooie mensen.

Ik heb in Haarlem overnacht. In een hotel in de schaduw van de St. Bavo. Vanmorgen vroeg reisde ik terug naar Dordrecht. Toen ik aankwam stond de stoomtrein aan het perron. Een feest van negentiende-eeuwse techniek. Hij verhoudt zich uiterlijk tot de intercity als een mercedes tot een lelijke eend. De lelijke eend, razend populair in de tijd dat ik de Bevriende Schrijfster leerde kennen, maar nu vrijwel uitgestorven.

Je kunt een 'stoomrondje' Dordt maken. Eerst in de trein, dan op een boot en vervolgens terug naar het station in een bus uit de jaren vijftig. Ik vind dat het Dordtse taxiwezen tijdens het stoomfestival de lelijke eend van stal moet halen.

©Kees Klok

Foto: auteur



woensdag, mei 21, 2014

Geitenkoppen




De opkomst was overweldigend bij de huldiging van FC Dordrecht, gisteravond. Een overvol Statenplein, groen water spuitende fonteinen, een podium omlijst door het groen-wit van de club. Natuurlijk ook de enkele halve zool met vuurwerk, maar die viel gelukkig in het niet. Het was dolle pret, al vond ik de meeste muziek niet om aan te horen. Wel zongen we uit volle borst het clublied mee. De spelers hosten en dansten, de burgemeester sprak toe, de juiste mensen werden in het zonnetje gezet. De bekroning van een uitgekiend beleid en van hard werken door technische staf en talentvolle selectie. Het was verdiend.

FC Dordrecht naar de eredivisie, dat leidde tot euforie, maar nu die langzamerhand wegebt, moeten we weer, geheel in lijn met het karakter van de club, met beide benen op de grond. 'Huh,' schamperde een zure stamgast bij Visser, 'gepromoveerd ja, maar volgend jaar weer in de Jupiler League.' Je hoort het vaker. Het zijn van die mensen die twintig jaar hebben stilgestaan, die denken dat er in die twee decennia niets is veranderd bij de club, die waarschijnlijk nog nooit een voet in het stadion hebben gezet. Die niet snappen dat een club die bijna de gehele competitie bovenaan heeft gestaan daardoor al klaar blijkt voor de eredivisie en die het FC Dordrecht vooral ook misgunnen, want nu komen de beruchte fans van Ajax en Feyenoord naar Dordt 'en dat gaat allemaal van onze belastingcenten.' Het zijn de types die het is ontgaan hoe behoorlijk de clubs die vorig jaar promoveerden zich in de eredivisie hebben gehandhaafd. Het is de zure Dordtenaar, de tegenkanter van de vrolijke fans van dinsdag op het Statenplein. Geen Schapenkop, maar een Geitenkop.

Met beide benen op de grond, want na twee decennia Jupiler League zijn we gewend geraakt aan de gemoedelijkheid en gezelligheid die je daar vaak treft. Ik herinner mij de uitwedstrijd tegen Achilles '29. Gewoon met zijn allen, Groesbekenaren en Schapenkoppen, langs de lijn en vooraf een pilsje in de kantine. Ja, in sommige stadions word je als een criminele bende een uitvak ingedreven en is de gezelligheid ver te zoeken, maar in het algemeen is het aardig toeven in de onderste lade van het betaalde voetbal. Er gaat wat op ons afkomen in de eredivisie, waar het voetbal niet alleen echte fans met een hart voor hun club aantrekt, maar ook agressieve idioten die ik graag naar een onbewoond Waddeneiland zou sturen. We zullen daar mee moeten leven. Het beste antwoord is, denk ik, zo goed mogelijk voetballen en het clublied blijven zingen. 'Een Dordtenaar zal altijd blijven zingen,' galmden wij mee met Jan van Est en zo is het maar net. Behalve voor de Geitenkoppen dan.

Wij maakten dinsdag grapjes over Europees voetbal over twee jaar. Dat blijft voorlopig een illusie. Ik zou al dik tevreden zijn met een plek in de middenmoot. Eerst even wennen in de eredivisie, daarna zien we wel verder. Onlangs was ik in Thessaloniki, in de buurt van het PAOK-stadion. PAOK speelde tegen Panathinaïkos. De deuren en ramen moesten dicht vanwege het traangas. Stenen, vuurwerk, straatmeubilair, van alles vloog voorbij tot en met bakken vis. Het kan dus altijd nog erger dan bij de beruchtste harde kern van Nederland. Als het zo ver zou komen, dan is het jammer. Dan gaan bij mij de voetballuiken dicht en word ik Geitenkop.

©Kees Klok

Foto: archief auteur


vrijdag, mei 09, 2014

Bedreigde schat




Tien voor zes in de morgen. Ik sta op het terras van het Achilleion hotel op Skyros en zie de lucht achter de Kokinari, de tegenoverliggende berg, heel langzaam oplichten. Bijna zonsopgang. De wind, die zich de afgelopen dagen stevig heeft opgedrongen, is gaan liggen. De haan van de overbuurman is al van stok. Er zijn weer tien dagen van mijn leven voorbij geraasd. Tien heerlijke dagen, dat wel. Het heeft me goed gedaan even weg te zijn van de waan van de dag, het stadsgekrioel, de korte lontjes en de draaideurcriminaliteit. Mijn koffer en rugzak staan klaar in de hal. Nikos, de hotelier, komt voorrijden om mij naar het het uiterste noorden van het eiland te brengen. Daar ligt een grote basis van de Griekse luchtmacht en binnen die basis een kleine burgerluchthaven. Als we afscheid nemen, is de zon bijna op. Dat geeft een haast serene sfeer, ondanks het afweergeschut en de luchtdoelraketten. Er zijn vijf medepassagiers voor het turbopropje, dat tien minuten eerder dan gepland vertrekt, omdat inchecken en bagageafhandeling nauwelijks tijd kosten. We lopen naar het toestelletje, beklimmen een soort vlizotrap en zoeken een zitplaats. De stewardess trekt de trap op aan een touw, waardoor de deur zich sluit. Een kwartier later hangen we zo'n beetje tussen de berg Athos, die duidelijk zichtbaar oprijst in het oosten en de Olympos in het westen, die zich kuis bedekt met wolken. De goden zijn nog niet wakker.

Tijdens mijn laatste maaltijd in restaurant 'O Lambros,' twee minuten lopen van het Achilleion hotel, werd ik even door melancholie overvallen. Ik herinnerde mij dat Stella en ik in 2001 onze plannen om naar Skyros te gaan uitstelden, vanwege de aardbeving, op 26 juli, een week voor we zouden afreizen. We hadden niets geboekt, reizen door Griekenland deden we op de bonnefooi, Het werd een ander eiland. Ten onrechte, hoorde ik later op Skyros. Er was wel schade, maar die werd alleen maar erger door het plotseling wegvallen van het toerisme. Deels door sensationele beelden in de pers. Journalisten lieten zelfs huizen filmen die al tientallen jaren in ruïneuze staat verkeerden. De kijkcijfers rechtvaardigen soms een leugen of een halve waarheid. Op de een of andere manier is samen naar Skyros er niet meer van gekomen. Dat stemde mij droevig. Stella zou intens van het eiland hebben genoten. Vanwege de indrukwekkende natuur, het prachtige aardewerk, de afwezigheid van goedkoop massatoerisme, de charme van Skyros-stad en de mooie stranden. Na mijn eerste bezoek ben ik verknocht geraakt aan het eiland. De top van Athos is indrukwekkend, maar liever zie ik bij zonsondergang het licht- en schaduwspel op de flanken van de Kokinari.

Ieder bezoek heeft een hoogtepunt. Dit keer was het de rondleiding door Niko Sikkes, een Nederlander die al heel lang op Skyros woont, over het terrein van het Faltaits Museum, in Skyros-stad. Een idyllisch park met een groot en een wat kleiner openluchttheater, moestuinen, ateliers, en priëlen, dat ik bij eerdere bezoeken aan het museum letterlijk over het hoofd had gezien. Een wereld, geschapen door kunstschilder Manolis Faltaits, in 2012 overleden, en zijn vrouw Anastasia, met als centraal thema het verbinden van de verschillende Muzen. De verhalen van Niko over de geschiedenis van Skyros en, zoals hij het noemt, 'de wonderbaarlijke wereld van de familie Faltaits' (oorspronkelijk een rijke koopmansfamilie), waren zo boeiend, dat het zomaar ineens meer dan twee uur later was voor we het museum zelf betraden. Dat bevat een verbijsterende mengeling van beeldende kunst, folklore, geschiedenis, militaria, antiquiteiten, kunstnijverheid, zeekaarten, prenten, gebruiksvoorwerpen, boeken, pamfletten en tijdschriften. Daaronder bevinden zich talloze, soms zeer oude en zeldzame exemplaren. Er ligt een verborgen schat aan bronnen voor historici die zich willen bezighouden met de geschiedenis van het moderne Griekenland, maar die wordt ernstig bedreigd. De collectie zou dringend moeten worden gecatalogiseerd, maar door gebrek aan expertise en vooral aan geld, dreigen veel boeken en geschriften te verpulveren en voorgoed verloren te gaan. De Muzen moeten dringend ingrijpen om deze schat op Skyros te redden.

©Kees Klok

Foto: auteur



zondag, mei 04, 2014

Schrijverskop




Er wordt weleens een foto van mij genomen en soms zet iemand mijn kop dan op Facebook. Ik weet niet wat ik daarvan moet denken. Mijn kop is niet meer wat hij is geweest. Als ik in een overvolle bus stap, dat gebeurt bijna altijd als ik in Thessaloniki ben, waar het openbaar vervoer tamelijk rampzalig is, dan staat er vaak iemand voor mij op. Vrijwel altijd een lief meisje. Het is goed bedoeld, het is een teken van beschaving. Ik zou willen dat ze het niet deden, dat ze alleen even glimlachten naar die leuke jongeman, maar met mijn kop kan ik dat soort sprookjes niet meer verkopen. Om de moed er in te houden zeggen ze wel dat een mens zo oud is als hij zich voelt, maar mijn kop spreekt boekdelen. Nee, nog niet bejaard, maar wel van een zekere, gevorderde leeftijd.

Ik heb een paar boeken gepubliceerd. Ik heb lang in het onderwijs gezeten en deed het schrijven er bij. Er zijn mensen die zeggen dat je je dan geen schrijver mag noemen. Dat mag alleen als je van de pen leeft. In die opvatting heeft Nederland twee of drie schrijvers, geloof ik. Ik vind die opvatting onzin. Nu schrijf ik alleen maar en doe er een paar andere dingen bij. Ik mag mij nu schrijver noemen, al maakt het voor het schrijven niets uit hoe je je noemt. Als die boeken er maar komen. Mijn kop mag dan van zekere, licht gevorderde leeftijd zijn, het is wel een schrijverskop. Hij lijkt een beetje op die van J. Rentes de Carvalho en op die van de oude Lodewijk van Deyssel, maar dan met baard.

J. Rentes de Carvalho is een van mijn literaire helden. Hij heeft prachtige romans en verhalen geschreven, maar het hoogtepunt vind ik Tussenjaar, een dagboek over het jaar dat hij vijfenzestig werd. Het is het voorbeeld voor deel 1 van mijn literair dagboek, in 2008 verschenen onder de titel En vooral: de gordijnen dicht. Ik ben een beetje bezeten van ego-literatuur. Ik hoop dat Rentes de Carvalho meer dagboeken heeft bijgehouden en die ooit nog eens laat publiceren. Ondertussen hebben we al die andere mooie boeken van hem. Lodewijk van Deyssel ken ik, ik geef dat grif toe, alleen uit allerlei sensatieverhalen die over hem de ronde doen en uit de lessen literatuurgeschiedenis op de middelbare school. We moeten nog echt kennismaken. Het is net als met die grote reizen die Stella en ik zouden gaan maken. Die stelden we uit tot ons pensioen. Voor het zover was overleed Stella en inmiddels ben ik mijn lust naar verre landen, anders dan in de geest, kwijt. Ik weet niet of ik De kleine republiek ooit zal betreden.

©Kees Klok




donderdag, mei 01, 2014

Lekker vertrouwd


   Hotel Achilleion, Aspous, Skyros


Hoewel er in al die jaren een vriendschap is ontstaan, spreken Rita en Sofia van Loxias mij en de andere stamgasten altijd aan met u. Dat schept enige afstand, maar onaangenaam is het niet. Het verbeeldt dat wij commanderen en zij dienen, al weten we allemaal dat, als puntje bij paaltje komt, zij de regie stevig in handen hebben. Rita, bijvoorbeeld, bepaalt de muziekkeuze. Die bevalt mij meestal wel, maar soms ook niet. Toch valt er aan een avond met veel te luide en niet bij het kafeneion passende salsa niet te tornen. Ook niet door de baas, die in zulke gevallen vriendelijk maar beslist wordt genegeerd. Gelukkig houdt Rita ook erg van goede, Griekse muziek en van Portugese fado's.

Het is een beetje een schijnheilige voorjaarsdag. Waar de zon is, is het aangenaam, maar in de schaduw is het koud. Het lijkt zomer, maar de Vardaris, die straffe wind vanaf de Balkan, houdt de echte zomer nog even op afstand. Ik verbaas mij over de korte broeken van groepjes vroege toeristen, maar de menselijke aanleg voor zelfbedrog zal hen wel doen geloven dat het een heerlijk warme dag is en dat er straks in de hoteltuin wordt gebarbecued. Ik vraag me weleens af wat er waar is van al die vakantieverhalen die aan het begin van het nieuwe schooljaar bij ons de ronde deden in de docentenkamer. Het was doorgaans geweldig, prachtig en schitterend, op het ongelofelijke af.

Op een olifant door een oerwoud moeten lijkt mij een onaangenaam zweterige en naargeestige ervaring. Ik heb het ook niet op al die enge beesten daar en op grote spinnen en vieze vliegjes. Iemand vertelde eens een jubelverhaal over een reis door Thailand. Het hoogtepunt leek het schijten over een balk, met een paar varkens eronder die de drollen meteen opaten. Dat was na zo'n rit op een olifant, meen ik. Ik heb prachtige foto's uit Thailand gezien en mooie reportages op de televisie, maar ik associeer dat land toch vooral met de seksindustrie: dat je een bloedmooie meid meeneemt naar je hotel en dat het tot je schrik een travestiet blijkt. Nee, als reizen dan toch moet, dan ga ik liever naar een Grieks eiland waar ze mij al jaren kennen: Skyros, beeldschone natuur, rust en ruimte en lekker vertrouwd.

©Kees Klok

Foto: auteur





dinsdag, april 29, 2014

De dood in het kraambed




Mijn vader werd vernoemd naar zijn grootvader, Barend Klok. Mijn overgrootvader werd op 10 januari 1858 te Nijkerk geboren, waar hij ruim tweeëntachtig jaar later, op 19 maart 1940 overleed. Daardoor bleef de Tweede Wereldoorlog hem bespaard. Ruim de helft van zijn leven was hij weduwnaar. Mijn overgrootmoeder, Aartje Vedder, was twee jaar ouder dan haar man, maar overleed al op haar veertigste. Mijn grootvader, Aart, was toen veertien. Tweede van acht kinderen, waarvan de een na jongste, Jacob, maar 239 dagen oud werd. De Jacob die erop volgde overleed in 1984 op achtentachtigjarige leeftijd, ook weer te Nijkerk. Ik heb oom Jacob om de een of andere reden nooit ontmoet. Wel twee andere broers van mijn grootvader, oom Hendrik, die precies honderd is geworden, en oom Steven, die kort na mijn grootvader overleed. Hoe mijn overgrootvader het klaarspeelde om die ris kinderen groot te brengen weet ik niet. Het familieboek waaruit ik mijn wijsheid haal, geeft geen informatie over zijn beroep. Mijn vader wist dat ongetwijfeld wel, maar ik heb het hem nooit gevraagd en inmiddels is hij ook alweer elf jaar dood. Barend junior, zal ik maar zeggen, werd vier jaar ouder dan Barend senior. Mijn overgrootvader is nooit hertrouwd. Ik weet niets van zijn karakter noch van hoe hij er uitzag. Ik heb nooit een foto van hem en van mijn overgrootmoeder onder ogen gekregen.

Mijn vader vertelde weleens over zijn Nijkerkse familie, waarmee mijn grootvader meer contact had dan hijzelf. Mijn grootvader had een stevige aversie tegen de kerk en het geloof. Wat dat betreft was hij een uitzondering in de familie. Ik heb mijn weerzin tegen religie ongetwijfeld van hem geërfd. Uit vage zinspelingen door mijn vader heb ik weleens de conclusie getrokken dat mijn overgrootmoeder een vlaag van godsdienstwaanzin moet hebben gehad. Of die conclusie juist is, weet ik niet. Misschien is het onzin, maar als het waar is kan dat de weerzin van grootvader verklaren. De rest van de familie was, en is grotendeels nog, behoorlijk gelovig. Enkele achterachterneefs zijn bevindelijke predikanten, mijn vader preekte na zijn vervroegde pensionering met regelmaat in de Remonstrantse kerk en een tijdlang in de Onderwegkerk te Zwijndrecht.

Mijn overgrootmoeder overleed op 8 januari 1896, drie dagen na de geboorte van haar jongste zoon. Kinderen baren was in die tijd een levensgevaarlijke zaak. Mijn grootvader bleef achter met een baby en de andere kinderen. Als ik het familieboek doorblader zie ik dat de dood in het kraambed veelvuldig voorkwam, evenals kindersterfte. Wat dat betreft is het een spiegel van de sociale geschiedenis van Nederland. Van lieverlee zie je dat de Klokken, veelal landarbeiders, dagloners en tuindersknechten de middenstand bereiken. Van mijn generatie is er vrijwel niemand die niet het HBO of de universiteit bezocht. Groeiende welstand en medische verbeteringen verminderden de kindersterfte en de dood in het kraambed tot het uitzonderingen werden. Het familieboek noch de sociale geschiedenis werpen licht op hoe het toeging in het gezin van weduwnaar Barend Klok. Ik herinner mij vaag verhalen van mijn vader, maar die gaan vooral over tante Grietje, tante Wim en oom Frans, die naar Amerika emigreerden. Die tak van de familie is inmiddels, zoals L.H. Wiener dat zo prachtig uitdrukt, 'verdwenen in de mist der mensen.' Ik wil weten wat voor mensen mijn overgrootouders waren, hoe mijn overgrootvader zijn gezin grootbracht, hoe mijn opa zijn jeugd beleefde en waarom hij de kerk de rug toekeerde, terwijl de rest van de familie dat niet deed. Ik moet node eens naar Nijkerk. Al verliet opa zijn geboortestad al jong om werk te zoeken in Holland, hij bleef er altijd naar terug verlangen. 'De mooiste toren van Nederland,' zei hij mij eens, 'is die van de Grote Kerk van Nijkerk.'

©Kees Klok




zondag, april 27, 2014

Doktertje spelen




Aleid Truijens schrijft in de Volkskrant over een rel die is ontstaan rond een kinderspel. Twee kleuters, een jongen en een meisje, hebben 'doktertje' gespeeld en een beetje met elkaar gefoezeld. Iets wat wij in onze jeugd allemaal graag deden. Wel stiekem, natuurlijk, want de preutsheid van de jaren vijftig lag nog als een natte deken over het land. Aleid schrijft dat zij er in haar jeugd geen genoeg van kon krijgen. In het tweede decennium van de eenentwintigste eeuw wordt op wat onschuldig gefriemel gereageerd op een hysterische wijze die zelfs voor de jaren vijftig van de vorige ongekend zou zijn. Zelfs Jeugdzorg, een organisatie met allesbehalve een onbesmet blazoen als het om zorgvuldigheid gaat, kwam er aan te pas. Aleid verbaast zich daar hogelijk over en vraagt zich af waar het gezonde verstand van ouders, leerkrachten en ja, medewerkers van Jeugdzorg, is gebleven. De conclusie is dat dat gezonde verstand is vervangen door protocollen. Overal hebben we tegenwoordig protocollen voor.

Ik deel Aleids verbazing. Ik vraag me af waar de hysterische angsten die onze samenleving beheersen vandaan komen. Het is soms alsof ik weer op de lagere school zit. Het is 1958, ik zit in de tweede klas van school Vest. In de eerste klas zit een buurmeisje van me. Ik vind haar leuk. Op een dag, in de pauze, geef ik haar op het schoolplein een kusje. Dat wordt door andere kinderen gezien. Die klikken bij de juf (klikken, ook een typische, hedendaagse hobby). De juf sleurt mij van het schoolplein, het kamertje van het hoofd der school in. Scholen hadden in die tijd geen directeur, ze hadden een hoofd. Meneer Brands was een hoofd met een hoofdletter. Hij las mij krachtig de les, maar daarmee was de kous dan ook af. Niets geen hysterische ouders, hysterische leerkrachten en vooral geen hysterische jeugdzorgers aan de deur. Dat ik aan het einde van de tweede klas wegens wangedrag van school werd gestuurd had niets met dat zoentje te maken. Ik was de juffrouw, die ik al een jaar lang om allerlei redenen die ik nu vergeten ben, haatte, aangevlogen. Ik heb haar geschopt, geslagen en gebeten. Dat kon niet door de beugel, ik geef het toe. Ik kreeg op mijn donder van meneer Brands en vooral van mijn ouders en mocht daarna als beloning naar de J.W. Boermanschool, waar ik het oneindig veel beter naar mijn zin had. Jeugdzorg, toen nog Kinderbescherming geheten, kwam daar niet aan te pas.

In zit op Facebook, ik twitter (kan iemand niet iets beters voor dat infantiele werkwoord bedenken?) en ik luister naar de radio. Overal worden in hoog tempo de wanen van de dag op hijgerige wijze nagejaagd. Oud-leerlingen van mij, die na zoveel jaar geschiedenis van Klok toch beter zouden moeten weten, lopen juichend achter de eigen rechter spelende Henk Bres aan, een man met opvattingen die levensgevaarlijk zijn voor de rechtsstaat. Journalisten roepen altijd dat je de boodschapper niet moet straffen voor de inhoud van de boodschap. Ik denk dat de media en de sociale media in hoge mate verantwoordelijk zijn voor het klimaat van angst, hysterie en heksenjagerij dat, als een nieuwe, verstikkende, natte deken over onze samenleving ligt. Nee, de boodschapper hoeft niet gestraft voor de inhoud van de boodschap, maar misschien wel voor de wijze waarop die wordt overgebracht. En wat doen we met een boodschapper die boodschappen op eigen initiatief wel, half of helemaal niet overbrengt? Naar Jeugdzorg misschien?

©Kees Klok



vrijdag, april 25, 2014

Ondanks al het bloed




Als jongetje was ik al onder de indruk van de kastelen in Noord-Wales die wij tijdens vakanties bezochten. Vooral van dat van Caernarfon, dat, naar ik later vernam, is gemodelleerd naar de kruisvaarderskastelen in de Levant. Dat geldt uiteraard ook voor de andere dwangburchten die de Engelse koning Edward I (1272 - 1330) liet bouwen na zijn overwinning op prins Llywelyn ap Gruffudd van Wales in 1277. In de architectuur van Caernarfon zijn echter ook motieven uit de muren van Constantinopel overgenomen. Ik wist dat natuurlijk niet toen ik het kasteel als kind voor het eerst zag, maar ik werd toen al getroffen door de bijzondere uitstraling van deze laat elfde eeuwse kolos.

De Welsh hebben wat te stellen gehad met de Angelen, de Saksen en de Juten, die in de loop van de vijfde en zesde eeuw grote delen van Engeland veroverden en de oorspronkelijke bevolking, grotendeels geromaniseerde Kelten, naar Wales en Cornwall verdreven. Ze hebben het aan het ruige bergland te danken dat ze, tot de Keltofoob Edward I de Engelse troon besteeg, nog zo lang enige mate van zelfstandigheid konden behouden. Althans in het noorden van Wales.

In de tijd dat de Normandiërs Engeland veroverden (1066) was Wales verdeeld in een aantal koninkrijken, waarvan Powys en Gwynedd het noorden beheersten. De Normandiërs voelden zich cultureel ver verheven boven de Welsh, maar de bloedige pogingen van de Normandische vorsten en hun opvolgers, de Plantagenets, om Wales te veroveren hadden maar ten dele succes. Nadat ook het noorden uiteindelijk door Edward I werd onderworpen, na een militaire expeditie van ongekende omvang, braken er nog tot in de late middeleeuwen verschillende langdurige en soms bijna geslaagde opstanden uit, waarvan die onder Owain Glyndŵr (1400) de gevaarlijkste was. De brute wijze waarop Edward I de Welsh onderwierp en vooral minachting die de Engelsen eeuwenlang toonden voor hun taal en cultuur, maakte dat het nooit meer echt goed is gekomen tussen beide volkeren.

Ik was als kind ook onder de indruk van het landschap van Wales. Van het ruige noorden, waar we altijd heen gingen, omdat het op bereikbare afstand lag van onze familiebasis tussen Manchester en Liverpool. Een auto hebben mijn ouders nooit gehad. Wij vervoerden ons openbaar. Ik vond ze prachtig, die bergen, ondanks mijn hoogtevrees en angst voor ravijnen. Ik vind het nog steeds mooi. Het is een landschap dat de romanticus in mij wakker maakt. Ik verblijf graag in de liefelijke vallei van Llangollen en zwerf daar met genoegen door de tuinen van Plas Newydd. Daar woonden van 1780 tot 1831 lady Eleanor Butler en Sarah Ponsonby, hét voorbeeld van wat men in die dagen zag als een romantische vriendschap. Wales, het blijft me trekken en bekoren, ondanks al het bloed waarvan de bodem is doortrokken.

©Kees Klok


woensdag, april 23, 2014

Jong en onbedorven




Toen ik Stella in Minneapolis leerde kennen, leende ze mij een cassettebandje met Griekse muziek voor mijn walkman. Ik luisterde er graag naar als ik 's avonds zat te studeren. Het waren liederen van Hatzidakis. Dezelfde die ik vaak in Loxias hoor. Ik vind dat een goed café het prima zonder muziek kan stellen, maar als het dan toch moet, dan graag Hatzidakis. Loxias en de in 1994 overleden componist, dat voelt een beetje als twee handen op één buik.

Ik bedenk welke muziek het beste past bij poffertjessalon Visser, de Dordtse evenknie van Loxias. Ik denk blues-achtige. John Mayall, maar vooral Cuby and the Blizzards. Ook Visser zou goed zonder muziek kunnen, maar als het dan toch moet. Cuby and the Blizzards worden er met enige regelmaat opgezet. Dat roept, evenals bij Hatzidakis, herinneringen op. Ik heb Cuby één keer live zien optreden, in Dordrecht. Dat was ergens in de jaren '70 in het Beatcentrum. Daar zit nu een Mexicaans-Argentijns restaurant. Ik ben altijd een liefhebber gebleven, maar mijn favoriete langspeelplaat, Groeten uit Grollo, ben ik op een of andere manier kwijtgeraakt. Waarschijnlijk uitgeleend en vergeten aan wie, zoals het soms ook met boeken gaat.

Cuby zit veilig opgeborgen in de computer, maar een langspeelplaat is toch echter. Een tijdje terug kwamen Heleen en Djamila, jonge collega historici, bij mij eten. Een bijzonderheid, want sinds Stella's overlijden vraag ik nog zelden mensen thuis in plaats van in een restaurant. Ik had voor de gelegenheid mijn best gedaan, maar het meest waardeerden ze nog mijn bescheiden collectie vinyl. Vooral de platen van Doe Maar, de idolen uit hun pubertijd. Ze werden allemaal afgespeeld, er werd gedanst. Tevergeefs zocht ik Cuby, mijn idool in de tijd dat zij werden verwekt. Misschien maar goed ook. Het zou zo'n avond zijn geworden van 'opa Klok vertelt.' Nu konden we gewoon doen alsof we weer jong en onbedorven waren.

©Kees Klok



vrijdag, april 18, 2014

Triest




Er zijn mensen die graffiti als een vorm van kunst zien. Bepaalde vormen van graffiti zijn dat misschien ook, maar de meeste graffiti die ik op straat tegenkom, om het even waar, vind ik op zijn minst dwangmatige uitingen van een dierlijke territoriumdrift. Zoals een hond tegen iedere boom en paal op zijn route pist, zo spuit een pleger van graffiti zijn smerigheden op muren. Er zijn allerlei theorieën over het hoe en waarom van die spuiters, maar ik houd het in de regel op slecht opgevoede, domme rotjongetjes die niet in staat zijn hun primaire behoeften een beetje in de hand te houden. Kortom, als je een ander zijn huis volspuit met jouw troep ben je een barbaar, een lul of een idioot. 'Doorhalen wat niet van toepassing is,' stond er vroeger op ambtelijke formulieren.

Thessaloniki is een bijzonder aangename stad om je nu en dan in te vertreden. Een stad die dag en nacht bruist, een stad die mooie Byzantijnse monumenten paart aan de afgrijselijkste betonbouw uit de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. Een stad met vele theaters, bioscopen, een fraai concertgebouw, parken en plantsoenen, door bomen beschaduwde straten en een bijzondere bovenstad, waarin je je hier en daar waant op een Grieks eiland. Het is ook een stad met problemen. Drie opvallende problemen. Het openbaar vervoer is erbarmelijk. Het wordt onderhouden door grotendeels vervallen en overvolle bussen, die vrijwel niets kosten, maar een ramp zijn om in te reizen. Wie het kan betalen, neemt daarom liever een (redelijk goedkope) taxi. In de binnenstad wordt volop gewoond, waardoor er een overmaat aan auto's is en een ongelofelijk tekort aan parkeerruimte. Het volstrekt ongedisciplineerde Griekse verkeers- en parkeergedrag draagt sterk bij aan de eindeloze ellende van dubbel en op trottoirs parkeren. Het is te danken aan het feit dat Thessaloniki aan zee ligt en de uitlaatdampen daardoor een beetje worden weggeblazen, dat het nog redelijk te harden is. Tenslotte is er de graffiti, de ziekte die leidt tot een voortdurende pijn aan de ogen.

Als ik in Thessaloniki ben wandel ik graag door de bovenstad. Er zijn enkele straten met autoverkeer, maar een aanzienlijk deel is voor het blikken monster ontoegankelijk. Daar heerst rust, daar geniet je afwisselend van mooi gerestaureerde huizen in de oude, Turkse stijl (de bovenstad was in de Osmaanse tijd de Turkse wijk, het geboortehuis van Mustafa Kemal (Atatürk) is er ondermeer te vinden) en schrik je je een beroerte van de staat van sommige ruïnes, die al tientallen jaren met langzaam inzakken bezig lijken te zijn. Er staat een klooster, Vlatadon, met een prachtige, ik meen veertiende eeuwse, katholikon, waar omheen een krankzinnige een betonnen kolos in sovjetstijl heeft laten neerplempen. Een eindje daaronder vind je het uiterst charmante, middeleeuwse heiligdom van Osios David, waar het in de tuin heerlijk wegdromen is. Er zijn jaren geweest dat de overheid de andere kant op keek als er in de bovenstad, de Ano Polis, werd gebouwd. Dat is gelukkig veranderd. Als nieuwbouw onvermijdelijk is, dan moet dat in aangepaste stijl en onder strenge regels. Dat betekent dat ondanks alles de Ano Polis zijn unieke karakter heeft weten te bewaren. Waar overheid, ouders, ja werkelijk niemand op let, zijn de ziekelijke idioten met hun spuitbussen. Dat is triest, heel triest.

©Kees Klok

Foto: auteur



maandag, april 14, 2014

Altijd zonneschijn




Pas op met mondelinge geschiedenis. Die noemen ze in Nederland onvermijdelijk 'oral history.' Klinkt gewichtiger. Ik ben vaak gefascineerd als ik getuigen van een historische gebeurtenis uit eigen ervaring hoor spreken. Ooit kwam dichter Jan Eijkelboom in een van mijn Havo-klassen vertellen over zijn ervaringen tijdens de Politionele Acties in Nederlands-Indië. De leerlingen hingen aan zijn lippen. Ik ook, maar ik hoef maar een van mijn vroege dagboeken te lezen om te zien hoe mijn geheugen mijn geschiedenis heeft verkleurd. Daar schrik ik soms van.

In mijn herinnering scheen altijd de zon als we op vakantie waren bij de familie in Engeland. Ja, met wat moeite en met inschakeling van mijn gezond verstand herinner ik mij ook dat het weleens regende en koud was. Met ongenoegen. Liever zie ik mij in een ligstoel in de tuin van oom Harold en tante Ann. Het is een zonnige zomermiddag. De insecten zoemen dat het een aard heeft. Ik ben veertien en droom van Susan, het buurmeisje van nummer 49.

Het was iedere dag plezier. Plezier dat weleens uit de hand liep. Soms speelden wij soldaatje. We droegen plastic helmen die we bij Woolworth in Earlstown kochten, meen ik. Neill Hilton was aanvoerder van de tegenpartij, die ons 'fort' probeerde binnen te dringen. Er lag een plas in de brandgang, het moet dus niet lang daarvoor hebben geregend. Ik schepte mijn helm vol modderwater en keerde die om boven Neill zijn kop. Even later kwam zijn moeder verhaal halen. Ik sprak even geen woord Engels, maar daar trapte oom Harold niet in. Het werd die week 's avonds vaatwassen.

Toen we het stadium van soldaatje spelen ontgroeiden, gingen we af en toe naar de putting green. Een soort golfbaan zonder heuvels. In het Mesnespark, naast de bowling green. Bowling was voor oude mannen, zoals oom Harold en mijn vader, vonden we. De greens en het clubhuis waren van de bowling club, maar iedereen kon spelen. Als je geen lid was betaalde je een kleinigheid, meer een symbolisch bedrag. In dat clubhuis heerste een gemoedelijke sfeer. Er werd snoep en frisdrank verkocht. En het was altijd mooi weer als we er waren. Als het spel ons begon te vervelen, gingen we keten met de meiden bij de vijver verderop. Er is weleens een meisje in gegooid. Eentje met van dat weelderige, rode haar, waarop ik nog steeds als een blok val.

In mei 2007 maakte ik met Stella een reis naar St. Andrews in Schotland om met John Burnside te overleggen over mijn vertalingen van zijn gedichten. Op de terugweg naar de veerboot in Hull deden we Newton-le-Willows aan, om mijn neef Brian te bezoeken. De ochtend voor ons vertrek maakten we een wandeling door het Mesnespark. De vijver was gedempt, de putting green verdwenen, maar de bowling club was nog in volle glorie aanwezig. Er stond een gloednieuw gebouw, met een manshoog hek er omheen en daarop prikkeldraad. Het jaar daarvoor hadden vandalen het oude clubhuis in brand gestoken, vertelde Brian. Het zag er nogal ongenaakbaar uit. Heel anders dan ik het mij herinnerde, maar hoe scherp die herinnering is, dat blijft de vraag.

©Kees Klok

Foto: archief auteur


vrijdag, april 11, 2014

Voor aap




Toen Dordrecht Jan Eijkelboom in 2001 tot stadsdichter voor het leven benoemde, was dat niet alleen een genereus gebaar naar een gerespecteerd auteur, het was ook uitzonderlijk, omdat het letterenbeleid traditioneel het verwaarloosde stiefkindje is van de gemeente. Een enkele keer voelt die zich onder druk gezet om een initiatief vanuit de stad over te nemen, zoals in het geval van de Debutanten Prijs, maar meestal is de vreugde van korte duur. De Debutanten Prijs heet nu Academica Debutanten Prijs en wordt in Den Haag uitgereikt. Ooit had Dordrecht een Culturele Raad met een Sectie Letteren, die literaire avonden ondersteunde en een literair blad in stand hield. Dat blad, dat landelijke waardering genoot, heette eerst Letteriek. Opgericht door Bobby Kinghe werd het later zelfstandig voortgezet als De Fonteijne. Toen begin jaren tachtig de Culturele Raad (een unieke instelling, waarmee Dordt voorop liep op het gebied van cultuurbeleid) werd wegbezuinigd, was het ook snel gedaan met De Fonteijne.

Er zijn ter stede verschillende literaire activiteiten, waaronder de Dordtse Dag van de Poëzie, Staalkaart der Dordtse Poëzie, Woorden Worden Zinnen, Laat Ons Juichen, lezingen in de bibliotheek enz., maar de gemeente is, dacht ik, ik weet het niet zeker, alleen direct betrokken bij de Dordtse Dag van de Poëzie. De rest is particulier initiatief, waar het stadskantoor soms alleen indirect iets mee te maken heeft. Door ervaring wijs geworden, denk ik dat het letterenbeleid bij de gemeente niet in goede handen is. Dat blijkt weer eens nu wethouder Mos, die in zijn vierjarig wethouderschap een opmerkelijke desinteresse voor de letteren aan de dag legde, geen opvolger wil benoemen voor de aftredende stadsdichter Marieke van Leeuwen. Toen Dordrecht met het stadsdichterschap begon, kreeg dat intitiatief veel navolging. Er is nauwelijks meer een stad met enig zelfrespect zonder stadsdichter. Dordrecht dreigt nu de risee van cultureel Nederland te worden. De wethouder zet Dordt voor aap.

Het kan natuurlijk zijn dat de gemeenteraad wel oog heeft voor het culturele en publicitaire belang van het stadsdichterschap en dat men daar Dordrecht behoedt voor de pijnlijke afgang om als eerste in Nederland het instituut af te schaffen. Het kost bovendien nauwelijks iets. Ja, vijfduizend euro lijkt veel, maar een reclamecampagne om het aanzien van de stad te bevorderen kost meer. Het stadsdichterschap is mooie reclame voor Dordt, maar Jasper Mos snapt dat niet, of het kan hem niets schelen. Als de raad de wethouder volgt, dan moeten we de gemeente het stadsdichterschap maar ontnemen. Dat kan bijvoorbeeld door een Stichting Stadsdichter Dordrecht op te richten, die als doel heeft de stadsdichter te benoemen en diens activiteiten te ondersteunen. Het bestuur zou kunnen worden gevormd door vertegenwoordigers van organisaties die iets hebben met letteren, zoals Bobby Kinghe, de bibliotheek en Dordt Literair, met daarnaast enkele mensen uit het vak, uit de Dordtse Dichterskring. Zo zou het instituut stadsdichter beter zijn gewaarborgd dan in de handen van een niet wezenlijk geïnteresseerde wethouder.

©Kees Klok

Foto: auteur


woensdag, april 09, 2014

Tijd om naar binnen te gaan




Het is rustig in poffertjessalon Visser. De meeste gasten zitten op het bescheiden terras voor de zaak, waarop tot laat in de middag de zon staat. Ik ook. Ik ben een gretige terraszitter, als de temperatuur er naar is. Ik heb een hekel aan regen, aan wind en aan kou. In weken heb ik geen gedicht meer geschreven, maar de zon schijnt, de terrassen staan weer op het nabije Scheffersplein, we hoeven niet meer over een lege vlakte uit te kijken en ik hoop stiekem dat de vrouw waarop ik heimelijk verliefd ben langs zal fietsen.

Iedere leeftijd heeft zijn leeftijd. Toen ik veertien was kreeg ik warme gevoelens bij een buurmeisje van elf. Gevoelens die ik pas later kon thuisbrengen. Toen ik zeventien was, werd ik verliefd op een meisje van vijftien. Ik had nog geen behoefte aan de wijsheid van een vrouw met enige levenservaring. Op mijn negentiende, ik was er laat bij, sliep ik voor het eerst met een meisje. Zij was zeventien, maar mijn grote liefde, die ik na turbulente jaren van een kort huwelijk, diverse affaires en akelige perioden van eenzaamheid ontmoette, was vijf jaar ouder dan ik. Het was vooral haar wijsheid die ons geluk bezegelde. Er volgden twintig gouden jaren, een korte periode van afschuwelijk lijden en de dood. Ineens dreef ik, in een stikdonkere nacht, alleen op een vlot op een stormachtige zee.

Ik spoelde weer aan en zocht opnieuw mijn weg. Daarop ontmoette ik X. 'Van mijn leeftijd, maar vijfentwintig jaar jonger,' zoals Gerard Reve dat zo pregnant uitdrukt. Ik ken haar al vele jaren, maar eigenlijk ook niet. Het is haar wijsheid, die ik herken. Haar schoonheid ontroert mij. X. woont met een beroemde man, die almaar beroemder wordt. Ze leeft in zijn schaduw. Of ze gelukkig is, weet ik niet. Wel dat ze wijs is. Als ze voorbij fietst, zwaait ze van een afstand. Ik zwaai terug. Op feestjes zeggen we 'hallo' tegen elkaar en vragen 'alles goed?' Altijd blijft die afstand. Ook nu weer. Ik zie haar door de straat rijden, op weg naar de beroemde meneer. De zon verdwijnt achter de huizen, het koelt af. Tijd om naar binnen te gaan.

©Kees Klok


Foto: auteur

zaterdag, april 05, 2014

Dordt in sloop




Het gebouw van mijn lagere school, althans de lagere school waar ik van de derde tot en met de zesde klas verkeerde, staat op de nominatie om te worden gesloopt. Er worden minder kinderen geboren in Dordrecht en het bezuinigingsspook ligt op de loer. Dan wordt de sloophamer ingeroepen, zoals ook is gebeurd bij het gebouw van de HTS, dat anders tussen mijn camera en de school had gestaan. De J.W. Boermanschool roept mooie herinneringen op. Die heb ik al eens opgeschreven, we gaan nu niet in herhalingen vervallen. Ik vraag me af wat er voor in de plaats moet komen. Woningen, zoals aan de overkant op het HTS-terrein? Daar heet het nu de Lanen van Oranje, maar die lanen zijn nog steeds niet volgebouwd.

Hebben we in een krimpgemeente als Dordrecht wel steeds meer woningen nodig, vraag ik mij af. Is het niet verstandiger het bestaande woningbestand waar nodig op te knappen, zoals in Oud-Krispijn is gebeurd? Ik weet het niet, ik ben maar een eenvoudig burger die half geïnformeerd door de stad fietst. Die mooie herinneringen heeft aan een schoolgebouw dat gloednieuw was toen hij daar in 1959 leerling werd en het daarom jammer en zonde zou vinden als het verdwijnt. Zoals ik het ook zonde vind dat het gebouw van de Gemeentelijke Pedagogische Akademie (toen nog met een k) is afgebroken, nadat het gemeentelijk pedagogisch onderwijs tragisch was verkwanseld aan de Hogeschool Rotterdam en Omstreken. Ook dat gebouw was gloednieuw toen ik er in 1968 leerling werd aan de Havo-top. Ik herinner mij een weelderige studente van de KLOS, de opleiding tot kleuterleidster. Er werden verkiezingen gehouden voor een leerlingenraad en Marcia had beloofd dat zij, bij verkiezing, naakt in de schoolvijver zou springen. Zij werd gekozen en hield woord. Ik weet niet wat de moeder overste van de kleuterleidsters, juffrouw Brummel, er van dacht. Het waren de jaren dat er strijd geleverd werd om de broek. Kleuterleidsters mochten op hun praktijkschool geen broek dragen van juffrouw Brummel, die uiteindelijk kansloos bleek in die jaren van vrijheid blijheid.

Er staat nog een schoolgebouw waar ik connecties mee heb op de sloopkogel te wachten. Ook een gebouw dat nog niet zo gek oud was toen ik er in 1986 ging lesgeven. Het kloeke Gemeentelijk Lyceum op de Noordendijk. Ook daar weer plannen voor woningen, waarvan ik mij afvraag wie er op zit te wachten. Misschien zie ik het wel helemaal verkeerd en heeft het Sociaal-Geografisch Bureau van de gemeente harde cijfers waaruit blijkt dat Dordrecht tot de ondergang is gedoemd als er geen woonhuizen worden bijgebouwd, maar dan weet ik voorlopig wel een betere plek. Ik zou dat mooie schoolgebouw laten staan en mijn uiterste best doen om er een university college te vestigen, of een of andere vorm van hoger onderwijs. Ik zou flink wat van die lelijke, veelal lege, kantoren op de Spuiboulevard afbreken. Daar zou het weer de Cornelis de Wittstraat worden die er ooit was, met nieuwe, bij de stijl van de historische binnenstad passende woningen.

©Kees Klok

Foto: auteur



dinsdag, april 01, 2014

Altijd zomer




Het geluid van scheepsmotoren associeer ik altijd met de zomer. Dan, als het warm en zonnig is, zit ik graag aan de rivier. Op het Groothoofd, bij het Papendrechtse veer, op het Blauwpoortsplein, op de Korte Kalkhaven, of, ver van alle stadsgedruis, langs de Nieuwe Merwede. Ik ben geen kleinsteedse chauvinist die coûte que coûte de lof van Dordrecht moet zingen, maar het Dordtse havengebied voelt aan als mijn natuurlijke habitat. Topos noemen de Grieken dat. Het is nog lang geen zomer, maar wel uitzonderlijk warm. Vorig jaar om deze tijd moesten we de laatste sneeuw ruimen. Nu zit ik op het Groothoofd en luister naar het gebrom van scheepsmotoren. Ik moet er niet aan denken wat uiteindelijk de oorzaak is van deze warmste winter sinds mijn mensenheugenis. Ik ben geen doemdenker, maar ik geloof wel dat we maar beter kunnen genieten van het ogenblik. Voor je het weet loop je volgende week weer met de sneeuwschuif.

De rivier heeft iets rustgevends, iets wat aan de eeuwigheid doet denken. Het is nog maar de vraag of de eeuwigheid bestaat en wat er allemaal in dat grauwe water zit, weet ik ook niet. In ieder geval verraderlijke stromingen en draaikolken, waarin je als niet geoefend zwemmer gemakkelijk kunt verdrinken. Ik kan uren staren naar de rivier met zijn ononderbroken beweging van eb en vloed, maar het loopt tegen de avond. De zon begint onder te gaan, waarmee de tijd van het jaar zich direct doet voelen. Snel daalt de temperatuur en eer ik naar huis ben gelopen kan de kachel aan.

Onderweg kom ik langs het gebouw van een herensociëteit waarin vroeger een dansschool zat. Daar gaf mijn moeder les. Ik probeer mij haar voor te stellen als twintigjarige, in 1936. Vijftien jaar later werd ik geboren. Ouders zijn altijd oud, maar ouders van in de veertig zijn heel oud en dat blijven ze. Hoe je ook de tijd relativeert als je zelf een stokoude man van licht gevorderde leeftijd bent geworden, je ouders blijven onverminderd oud. Even oud als je grootouders, maar iets minder grijs. Soms. Tijd is een ongrijpbaar fenomeen. Mijn moeder bleef mij tegen beter weten in altijd als een kind zien, ook toen zij ver in de tachtig en ik even in de vijftig was. Zelf denk ik mij nog altijd een jonge man van drieëntwintig, maar toen ik op die leeftijd begon als onderwijzer, zagen de leerlingen, rond de negen jaar, mij al als een oude vent. Tijd is verwarrend, tijd correspondeert niet met de menselijke geest, maar hoe zet je de tijd, dus de aarde, stil, zonder het risico er collectief af te vallen en te verdwijnen in het niets? Als ik aan de rivier zit, zie ik alleen het tijdloze stromen van het water en kan ik de tijd in mijzelf stilzetten. Daarom zit ik zo graag aan de rivier. Daarom zou het altijd zomer moeten zijn.

©Kees Klok


Foto: archief auteur


donderdag, maart 27, 2014

Klein Parijs




Vier jaar geleden ben ik uit het onderwijs gestapt, terwijl ik het als leraar geschiedenis voor de klas op het Stedelijk Dalton Lyceum goed naar mijn zin had. Ik had daarvoor drie redenen. De belangrijkste was dat ik meer tijd wilde vrijmaken om te kunnen schrijven en vertalen. De tweede reden was dat ik het voor de klas wel goed naar mijn zin had, maar veel dingen rondom het onderwijs, zoals de tomeloze veranderingsdrift, de bemoeizucht van duurbetaalde zijlijnwerkers en de groeiende papierwinkel, heel erg zat begon te worden. De derde reden was dat ik langere perioden in Griekenland wilde zijn. 

Ik ben veel meer gaan schrijven. Na mijn afscheid van het onderwijs publiceerde ik, naast artikelen en cursieven, twee delen van mijn literair dagboek, een verzameling korte verhalen, een dichtbundel, twee bundels vertaalde poëzie (van T.S. Eliot Prijswinnaar John Burnside en van Joanne Limburg) en een boek over de geschiedenis van het moderne Griekenland.

Van langere perioden in Griekenland verblijven is niet veel terechtgekomen. Wel van andere perioden. Toen ik nog lesgaf bracht ik er meestal de schoolvakanties door, bij elkaar zo'n beetje tien weken. Nu ben ik er nauwelijks langer, al zijn de weken gunstiger verdeeld. In de hete zomermaanden heb ik er weinig te zoeken en zijn de Grieken zelf bovendien met vakantie. Ik heb er ook weleens iets te regelen met de ambtenarij, de minst aantrekkelijke kant van Griekenland, en dat doe je liever niet als het hoogzomer is, dan lopen de gemoederen te snel op. Ik ben graag in Thessaloniki, kom graag op Griekse eilanden, bij voorkeur Samothraki en vooral Skyros, maar ik voel mij toch altijd nog beter op het Eiland van Dordrecht. Vooral in de zomer, als we genieten van Big Rivers en al die andere festivals.

Er was een tijd, in mijn tienerjaren, dat ik een haat-liefde verhouding met Dordrecht had. Een beetje zoals je in die fase ruzie maakte met je ouders, die je ook nergens voor vond deugen. Zoals het afzetten tegen de oudere generatie overgaat als je zelf ouder wordt, zo is met de tijd de haat-liefde verhouding met de stad verdwenen. Ja, er is van alles aan te merken op Dordrecht, er is in alle jaren dat ik hier woon veel misgegaan en bedorven, maar er is ook veel goeds voor in de plaats gekomen. 

Eeuwig zonde is het wegbezuinigen van de unieke Culturele Raad in de jaren tachtig, een toonbeeld van de kortzichtigheid van het toenmalige gemeentebestuur. De fusies in het middelbaar onderwijs hebben tot veel ellende geleid, niet in het minst onder het betrokken personeel, maar de financiële problemen en de teloorgang van het lager beroepsonderwijs zijn niet opgelost. Het hoger onderwijs is een schamel restant van wat het ooit was. 

Aan de andere kant is de stad er qua levendigheid en leefbaarheid behoorlijk op vooruit gegaan. Zeker in het laatste decennium. Eindelijk weer een bioscoop en nog wel op een prachtige plek in het centrum. Een Statenplein dat niet geweldig mooi, maar wel mooier, is geworden, met ruimte voor de markt, het Energiehuis, het prachtig gerestaureerde Dordrechts Museum en straks het Onderwijsmuseum en het nieuwe Kunstmin. Goed, daar staat de sluiting van de Kunstkerk tegenover en dat het oude Bibelot in handen is gevallen van een fundamentalistisch christelijke sekte. Daar ben ik niet blij mee, maar als ik op een van de vele gezellige terrassen zit, Dordt als klein Parijs, of langs de mooie havens wandel, dan ben ik eigenlijk heel tevreden met mijn eigen eilandje.

©Kees Klok


Foto: auteur


vrijdag, maart 21, 2014

Borrel van de burgemeester





Wakker worden op een koude, gure, grijze, druipnatte regenmorgen na een zonovergoten middag met vrienden op het terras van poffertjessalon Visser, went nooit. Je kunt een record aan mooie dagen hebben, maar één dag snertweer doet het genot ogenblikkelijk vergeten. Je hoeft geen azijndrinker te zijn om op zo'n ochtend in je werkkamer te zitten somberen. Wie waarschijnlijk ook zitten te somberen zijn de fractieleden van de Dordtse PvdA en VVD, die een tik op de neus kregen bij de raadsverkiezingen. Beter Voor Dordt is beloond voor het bestuur van de afgelopen vier jaar en opnieuw de reus in de raad. De VVD niet, hoewel die toch met BVD en het CDA in de Dordtse coalitie zaten. Daar zal het landelijk beleid van de VVD-PvdA regering wel debet aan zijn, zoals dat ook een rol moet hebben gespeeld bij de teruggang van de sociaal-democraten, ooit oppermachtig in het 'rooie' Dordrecht. Aan Cor van Verk zal het niet hebben gelegen. Geen vlotte, maar wel een sympathieke spreker. De dames WEK, die ooit wegliepen uit de fractie van BVD om daarna wat ongeleid te roeptoeteren in de raad, zijn verdwenen 'in de mist der mensen,' zoals de schrijver L.H. Wiener dat uitdrukt.

Iedereen verwachtte een goed resultaat voor BVD, maar hoe goed, dat was aanvankelijk nog wat ongewis. Daarom was het behalve gezellig ook een beetje spannend in het stadhuis. Het leek de grote wereld wel. Op het Stadhuisplein een bus met een flinke schotelantenne van de media en een paar types van Toezicht om onwelkome schutters af te schrikken. Bij de ingang kreeg iedereen van achttien jaar of ouder een stempel op de hand en werd zo alcoholwaardig verklaard, maar de biertap mocht pas om tien uur open. Nu kwam ik vooral uit hoofde van mijn functie als Dordts schrijver en minder voor de drank, want onder mijn eigen trap staat ook genoeg om het gezellig te maken, maar het was wel een beetje doorslaan naar de bedillerige kant, iets waar ik nogal gevoelig voor ben. Dat burgemeester Brok wilde voorkomen dat zestien- of zeventienjarigen een wijntje kwamen drinken, zoals bij de nieuwjaarsreceptie, kan ik wel billijken, al ben ik faliekant tegen die drankwet, maar dit was een beetje mal. Je schenkt je gasten wel of je schenkt je gasten niet. In dat laatste geval ben je een slecht gastheer, maar dit terzijde.

De burgemeester en de mevrouw die hem inleidde zouden misschien even de tijd moeten nemen in een handboek voor onderwijzers te kijken hoe je een drukke klas stil krijgt. Daar is een eenvoudige truc voor, die ook altijd werkt bij een pratende menigte in een stadhuis. Dat voorkomt de lichte irritatie voor het bekendmaken van de uitslag, als de opgewonden massa nog even doorkletst. Ik wil die truc ook wel op het stadskantoor komen vertellen, maar dan met een glaasje erbij. Verder heb ik niets te klagen. De sfeer was prima, over de uitslag wordt verschillend gedacht en we zullen snel weten of de nieuwe coalitie zo doorgaat, of dat er een partij bij komt. Tijdens de gezellige afterparty in de Crimpert Salm hield de SP, die alle reden tot vreugde heeft, zich ietwat afzijdig. Of dat ideologisch was bepaald of dat de SP'ers nog even moeten wennen aan hun nieuwe eendenbijt, weet ik niet. Achteraf vond ik het wachten op de uitslag van Zwijndrecht nog het spannendst. Zou het Perengenootschap Zwijndrechtse Waard, het sympathieke geesteskind van Wim van Pelt, het halen of niet? Helaas. Misschien heeft hij volgende keer meer succes met de Verenigde Fruit Combinatie Drechtsteden.

©Kees Klok

Foto: auteur


maandag, maart 10, 2014

Goed gesprek





Op 29 april 1830 bezocht de prins van Oranje, de latere koning Willem II, Dordrecht. De populaire 'held van Waterloo' bleek bij die gelegenheid 'zigtbaar aangedaan' door het eerbetoon van de Dordtse bevolking. Ik las het in de catalogus van de tentoonstelling Willem II. De koning en de kunst. Een stoeptegel van enkele kilo's, maar volop de moeite van het naar huis sjouwen waard. Een schat aan informatie en met prachtige kleurenreproducties. Het boeiende aan de tentoonstelling is niet alleen dat een groot deel van de ooit geveilde collectie van Willem II weer bij elkaar is gebracht, maar dat ook het leven van de vorst en vooral zijn bevlogenheid voor kunst, grondig wordt belicht. Een prachtig vormgegeven tentoonstelling ook. Ik voelde mij een beetje in een koninklijk paleis, toen ik door de zalen zwierf. Ik ben er nog lang niet uitgekeken en aangezien ik toch al kind aan huis ben bij het Dordrechts Museum, zal ik Willem II beslist nog wel een paar keer bezoeken.

Zondagmiddag was ik ook al in het museum. Toen vertelde Lieve Joris daar over haar boeken en Joost Conijn over zijn kunstprojecten. De meeste boeken van Lieve Joris ken ik, maar het was boeiend haar ook eens te horen vertellen over haar ervaringen. Over Joost Conijn las ik in de boeken van A.L. Snijders. Hij was precies zoals ik mij uit die verhalen voorstelde. Reed in een zelf gebouwde, houten en op hout gestookte auto door Oost-Europa en vloog in een zelfgebouwd vliegtuig over Afrika. Ik kreeg er plaatsvervangende hoogtevrees van, maar genoot van zijn verhalen. Vooraf een uurtje van het prachtige weer genoten in de heerlijke museumtuin. Wat een zegen dat het museum net op tijd, voor het toeslaan van de crisis, is verbouwd. Dat, en de tentoonstelling over Willem II, hebben we voor een groot deel te danken aan directeur Peter Schoon en zijn medewerkers. Het was zo'n ogenblik dat ik trots ben Dordtenaar te zijn.

Of het vrijdagavond in het FC Dordrechtstadion ook zo'n ogenblik was? We speelden tegen Volendam. Voor de rust liep het prima. Een hattrick van Gladon, 3-0 en wij in de rust vol zelfvertrouwen aan het bier. Kat in 't bakkie, de drie palingpunten waren binnen, Willem II stond mooi weer onder ons. Dat dachten we. In de tweede helft werd niet alleen de voorsprong uit handen gegeven, Gladon miste in de eindfase ook nog eens een strafschop. 3-3. FC Dordrecht op de tweede plaats, een puntje achter Willem II. Jammer, maar geen reden om de spelers uit te schelden, zoals enkele supporters meenden te moeten doen. Het is tenslotte een slordige twintig jaar geleden dat we op de tweede plek stonden, geloof ik, en na maanden op kop kan het seizoen wat mij betreft niet meer stuk. Een beetje trots dus nog wel en de kansen zijn beslist nog niet verspeeld. De selectie droop af richting kleedkamer. Met gebogen hoofden, want daar wachtte ongetwijfeld technisch directeur Marco Boogers voor een goed gesprek.

©Kees Klok


Foto: auteur